“Wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.”—Spreuken 13:13
Heilig ontzag voor Gods Woord is tegenwoordig weinig meer waard. Mensen denken dat zij wijzer zijn dan het Woord van de Heere en zitten er rechter over. Maar wij zeggen: “ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.” Wij nemen het door God ingegeven Boek aan als onfeilbaar en tonen onze waardering door te gehoorzamen. Wij zijn niet bang voor het Woord, maar wij hebben er een kinderlijk ontzag voor. Wij zijn niet bang voor de straffen van het Woord, omdat wij ontzag hebben voor de geboden ervan.
Deze heilige vreze voor het gebod geeft de rust van de nederigheid, en die is veel zoeter dan de roekeloosheid van de trots. Zij is een gids voor ons in alles wat wij doen: een rem als wij bergafwaarts gaan en een prikkel als wij omhoog klimmen. Door ons eerbied voor het gebod blijven wij voor het kwaad bewaard en worden wij op het rechte pad geleid. Zo krijgen wij een rustig geweten, dat een bron van wijn is. Wij voelen ons ook bevrijd van de last van de verantwoordelijkheid, en dat is als leven uit de doden. En wij hebben het vertrouwen dat wij God behagen, en dat is de hemel op aarde. De goddelozen mogen onze diepe eerbied voor het Woord van de Heere belachelijk maken, maar wat dan nog? De prijs van onze hoge roeping is troost genoeg voor ons. De beloning van gehoorzaamheid is zo groot dat wij lachen om de spot van de spotter.

