Een preek uitgesproken op zondagochtend 25 juli 1858, door C. H. Spurgeon, in de Music Hall, Royal Surrey Gardens.
Ik zal de visioenen talrijk maken, en Ik zal door de dienst van de profeten in gelijkenissen spreken. Hos. 12:11
Toen de Heere Zijn volk Israël van hun ongerechtigheden wilde verlossen, liet Hij geen enkel middel onbeproefd. Hij gaf hun voorschrift op voorschrift, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig. Soms onderwees Hij hen met de roede in Zijn hand, wanneer Hij hen trof met zware hongersnood, pestilentie en vijandelijke invasies. Op andere momenten probeerde Hij hen voor Zich te winnen door weldaden, door hun koren, wijn en olie te vermenigvuldigen en hen voor hongersnood te bewaren. Maar alle lessen van Zijn voorzienigheid bleken tevergeefs. Hoewel Zijn hand tot hen uitgestrekt was, bleven zij in opstand komen tegen de Allerhoogste.
Ook bestrafte Hij hen door middel van de profeten. Eerst zond Hij de ene profeet en daarna de andere. De goudmondige Jesaja werd gevolgd door de klagende Jeremia, terwijl talrijke vooruitziende en donderende zieners elkaar in snel tempo opvolgden. Maar hoewel de ene profeet na de andere de vurige woorden van de Allerhoogste verkondigde, wilden zij niets weten van Zijn terechtwijzingen. Integendeel, zij verhardden hun hart en gingen voort in hun ongerechtigheden.
Een ander middel dat God gebruikte om hun aandacht te trekken en hun geweten wakker te schudden, was het gebruik van gelijkenissen. De profeten waren niet alleen gewend te prediken; zij waren zelf ook tekenen en wonderen voor het volk.
Zo gaf Jesaja zijn zoon de naam Maher-Salal-Chas-Baz, opdat het volk zou weten dat het oordeel van de Heere zich over hen haastte. Dit kind moest een teken zijn: “Want voordat het jongetje papa of mama zal kunnen roepen, zal men het vermogen van Damascus en de buit van Samaria vóór de koning van Assyrië dragen.” Bij een andere gelegenheid zei de Heere tegen Jesaja: “Ga, maak het rouwgewaad van om uw middel los en doe uw schoenen van uw voeten.” Hij deed dat en liep naakt en blootsvoets rond.
Vervolgens zei de Heere: “Zoals Mijn dienaar Jesaja drie jaar naakt en barrevoets rondloopt, als teken en wonder voor Egypte en Cusj, zo zal de koning van Assyrië de gevangenen van Egypte en de ballingen uit Cusj wegvoeren, jong en oud, naakt en barrevoets, de billen bloot, tot schande van Egypte.” Ook Hosea moest het volk onderwijzen door middel van een levende gelijkenis. In het eerste hoofdstuk van zijn profetie vinden wij daarvan een bijzonder voorbeeld. De Heere zei tot hem: “Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af.”
Hosea gehoorzaamde, en de kinderen die uit dit huwelijk geboren werden, werden tekenen en wonderen voor het volk. Zijn eerste zoon moest Jizreël genoemd worden, “geef hem de naam Jizreël, want nog even en Ik zal de bloedschulden van Jizreël vergelden aan het huis van Jehu.” Zijn dochter moest Lo-Ruchama heten, “want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren.”
Zo zette God het volk aan het denken door middel van allerlei sprekende tekenen. Hij liet Zijn profeten ongebruikelijke dingen doen, zodat het volk erover zou spreken. Op die manier zou de boodschap die Hij wilde overbrengen des te krachtiger tot hun geweten doordringen en beter in hun geheugen blijven hangen.
Toen drong het tot mij door dat God ook vandaag nog dagelijks tot ons spreekt door middel van gelijkenissen. Toen Christus op aarde was, predikte Hij in gelijkenissen; en hoewel Hij nu in de hemel is, predikt Hij nog steeds op dezelfde wijze. De voorzienigheid is Gods preek. De dingen die wij om ons heen zien, zijn Gods gedachten en Gods woorden tot ons. Als wij werkelijk wijs waren, zouden wij geen enkele stap kunnen zetten zonder daarin een krachtige les te ontdekken.
O mensenkinderen! God waarschuwt u dagelijks door Zijn eigen Woord. Hij spreekt tot u door de lippen van Zijn dienaren en predikers. Maar daarnaast spreekt Hij voortdurend tot u door middel van gelijkenissen. Hij laat geen middel onbeproefd om Zijn dwalende kinderen tot Zich terug te brengen en de verloren schapen van het huis van Israël weer naar de kudde te leiden.
Nu ik mij vanmorgen tot u richt, wil ik proberen te laten zien hoe God iedere dag, in elk jaargetijde, op iedere plaats en in iedere roeping waarin u gesteld bent, tot u spreekt door middel van gelijkenissen.
I. God Spreekt ELKE DAG tot u door middel van gelijkenissen.
Laten we beginnen bij de vroege ochtend. Vanmorgen werd u wakker en merkte u dat u naakt was, dus kleedde u zich aan. Hebt u naar Hem geluisterd? Sprak God toen niet tot u via een gelijkenis? Zei Hij niet, als het ware: “Zondaar, hoe zal het zijn wanneer uw ijdele dromen eindigen en u in de eeuwigheid ontwaakt om te ontdekken dat u naakt bent? Waarmee zult u zich dan bekleden? Als u in dit leven het bruiloftskleed, de vlekkeloze gerechtigheid van Jezus Christus, verwerpt, wat zult u dan doen wanneer de bazuin van de aartsengel u zal opwekken uit uw koude lemen bed in het graf, wanneer de hemelen zullen flitsen van bliksem en de fundamenten der aarde zullen beven onder de donderslagen van God? Hoe zult u zich dan kunnen bedekken? Kunt u uw Schepper tegemoet treden zonder een bedekking voor uw naaktheid? Adam durfde dat niet; zult u het dan wel wagen? Zal Hij u niet door Zijn verschrikking doen terugdeinzen? Zal Hij u niet overgeven aan de pijnigers, opdat u zou branden in het onuitblusbare vuur, omdat u hebt verzuimd uw ziel te bekleden tijdens de tijd van beproeving?”
Nadat u zich had aangekleed, voegde u zich bij uw gezin en verzamelden uw kinderen zich rond de tafel voor het ontbijt. Als u verstandig was geweest, had u zich gerealiseerd dat God zelfs toen al via een gelijkenis tot u sprak. Hij leek als het ware te zeggen: “Zondaar, naar wie zou een kind anders gaan dan naar zijn vader? En waar zou het zijn toevlucht zoeken als het honger heeft, behalve aan de tafel van zijn vader?“
Als u oren had die hoorden, zou u hebben opgemerkt dat de Heere tot u sprak: “Hoe verlang Ik ernaar u te voeden! Hoe verlang Ik ernaar u het brood uit de hemel te geven en u het brood der engelen te laten eten. Maar u hebt uw geld uitgegeven aan hetgeen geen brood is en uw arbeid aan hetgeen niet kan verzadigen. Luister aandachtig naar Mij, eet hetgeen goed is, en laat uw ziel zich verheugen in overvloed.”
Stond Hij daar niet als een Vader en zei Hij niet: “Kom, Mijn kind, kom aan Mijn tafel. Het kostbare bloed van Mijn Zoon is vergoten om uw drank te zijn, en Zijn lichaam is gegeven om uw brood te zijn. Waarom zou u hongerig en dorstig blijven rondzwerven? Kom aan Mijn tafel, want Ik schep er vreugde in Mijn kinderen te zien genieten van de barmhartigheden die Ik voor hen heb bereid.”
Vervolgens verliet u uw huis en ging u naar uw werk. Ik weet niet hoe uw dag eruitzag – daar zullen we het later nog wel over hebben – maar terwijl uw handen bezig waren met hun werk, sprak God tot uw hart, als de oren van uw ziel tenminste niet gesloten waren geweest. Als u niet zo zwaar van hart was geweest dat u Zijn stem niet kon horen, zou u gemerkt hebben dat Hij tot u sprak.
Toen de zon hoog aan de hemel stond en de middag was aangebroken, had u uw ogen kunnen opheffen en bedenken dat, indien u uw ziel aan God had toevertrouwd, uw pad zou zijn geweest als het licht van de dageraad, dat steeds helderder schijnt tot de volle dag.
Heeft Hij niet als het ware gezegd: “Ik heb de zon uit de duisternis van het oosten doen opkomen. Ik heb haar geleid en geholpen de hemel te beklimmen. Nu staat zij in haar volle kracht, als een held die zijn loop heeft volbracht. Zo zal Ik ook met u handelen. Vertrouw uw weg aan Mij toe, en Ik zal u vervullen met licht. Uw pad zal zijn als de schittering van de middag. Uw zon zal overdag niet ondergaan, want de dagen van uw rouw zullen ten einde komen; God, de HEERE, zal uw licht en uw redding zijn.”
Maar vervolgens begon de zon te dalen en strekte de avond haar schaduwen uit. Herinnerde de Heere u toen niet aan uw sterfelijkheid? Zonnen gaan onder, en mensen dalen af in hun graf. Toen de schaduwen langer werden en de duisternis zich verzamelde, zei Hij dan niet tot u: “Mens, denk aan uw avonduur. Het licht van de zon zal niet altijd schijnen. Er zijn twaalf uur waarin iemand kan werken, maar zodra die voorbij zijn, is er geen werk meer. In het graf waar we allemaal naartoe snellen, is er geen overleg meer en worden er geen nieuwe plannen meer gemaakt. Werk zolang u het licht hebt, want de nacht komt waarin niemand werken kan. Daarom: alles wat uw hand vindt om te doen, doe dat met al uw kracht.”
Kijk naar de ondergaande zon en aanschouw de prachtige kleuren waarmee zij de hemel beschildert. Merk op hoe haar schijf groter lijkt te worden naarmate zij de horizon nadert. O mens, kniel neer en leer dit gebed: “Heere, laat mijn sterven zijn als de ondergang van de zon. Help mij, als wolken en duisternis mij omringen, deze te verlichten met Uw heerlijkheid. Omring mij bij mijn sterven met een grotere glans dan ooit tevoren. Al zou mijn sterfbed niet meer zijn dan een armzalige rustplaats en zou ik mijn laatste adem uitblazen in een eenzame hut, geef dan, o Heere, dat mijn armoede verguld wordt door het licht dat Gij schenkt, zodat ik iets mag tonen van de heerlijkheid van het sterven van een christen.” Zo spreekt God tot u door gelijkenissen, van de opgang tot de ondergang van de zon.
Nu hebt u uw lamp aangestoken en bent u gaan zitten, terwijl uw kinderen om u heen zijn verzameld. Dan zendt de Heere u opnieuw een kleine prediker, als u tenminste bereid bent te luisteren. Het is een kleine mot die om de lamp heen vliegt. Hij verheugt zich in het licht, totdat hij verblind en bedwelmd raakt. Zijn vleugels verschroeien en hij brandt zich aan de vlam. U probeert hem weg te jagen, maar telkens stort hij zich opnieuw in het vuur. Nauwelijks hersteld, vliegt hij weer naar zijn eigen ondergang.
Heeft de Heere dan niet tot u gezegd: “Zondaar, zo handelt ook u. U houdt van het licht van de zonde. O, dat u wijs genoeg was om te vrezen voor het vuur van de zonde! Want wie zich verheugt in haar vonken, zal uiteindelijk worden verteerd door haar vlammen.”
Leek die hand waarmee u het insect probeerde weg te houden niet op de hand van de Almachtige, die ook u van uw ondergang probeert af te houden? Bestraft Hij u niet door Zijn voorzienigheid, alsof Hij zegt: “Dwaze mens, werk uzelf toch niet naar het verderf.”
En terwijl u met enige droefheid de dood van dat dwaze insect aanschouwt, zou dat u niet moeten waarschuwen voor uw eigen vreselijke einde? Ook u kunt, verblind door de draaikolk van wereldse genoegens, uiteindelijk neerstorten in het eeuwige vuur en uw ziel verliezen voor niets anders dan het genot van een enkel uur. Predikt God u zo niet?
Dan wordt het tijd om te gaan rusten. U sluit uw deur en schuift de grendel stevig dicht. Herinnerde dat u niet aan de woorden: “Wanneer de heer des huizes eenmaal is opgestaan en de deur gesloten heeft, en gij buiten staat en begint te kloppen en te zeggen: ‘Heere, Heere, doe ons open’, dan zal Hij antwoorden: ‘Ik ken u niet, vanwaar gij zijt.’”
Dan zal het tevergeefs zijn om aan te kloppen. De grendels van de onveranderlijke gerechtigheid zullen de poorten van de barmhartigheid hebben gesloten. De Almachtige zal Zijn kinderen naar het paradijs hebben geleid, terwijl de dief en de rover achterblijven in de buitenste duisternis, waar geween en tandengeknars zal zijn.
Heeft Hij niet door deze gelijkenis tot u gesproken? Terwijl uw hand op de deurklink rustte, had Zijn hand uw hart kunnen raken. Misschien schrikt u ’s nachts wakker. De wachter op straat roept het uur af, of zijn voetstappen weerklinken in de stilte. O mens, als u oren had om te horen, zou u in dat gestage geluid de roep hebben kunnen onderscheiden: “Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet!”
Elk geluid dat u midden in de nacht uit uw slaap deed opschrikken, had u kunnen herinneren aan de ontzagwekkende bazuin van de aartsengel, die de komst van de Zoon des mensen zal aankondigen, wanneer Hij zal komen om levenden en doden te oordelen. O, dat u wijs was en dit verstond! Want de hele dag door — van de dauwrijke morgen tot de duisternis van de avond en de diepe nacht — predikt God voortdurend tot de mens. Hij predikt tot hem door middel van gelijkenissen.
II. En nu richten wij onze gedachten op iets anders en zien wij dat God HET HELE JAAR DOOR tot de mens spreekt door middel van gelijkenissen.
Nog maar kort geleden zaaiden wij onze zaden in de tuin en strooiden wij het graan uit over de brede voren. God had de zaaitijd gezonden om ons eraan te herinneren dat ook wij als de aarde zijn, en dat Hij elke dag zaad in onze harten strooit. Heeft Hij niet tot ons gezegd: “Let wel, o mens, dat gij niet zult zijn als de weg waarop het zaad werd uitgestrooid en door de vogels des hemels werd verslonden. Let erop dat gij niet zult zijn als de grond die rustte op een harde en dorre rots, zodat het zaad niet kon opschieten en na verloop van tijd verdorde toen de zon opkwam, omdat het geen diepe laag aarde had. Wees ook voorzichtig, o mensenkind, dat gij niet zult zijn als de grond waarin het zaad wel opschoot, maar waarin ook de doornen opkwamen en het verstikten. Wees veeleer als de goede aarde waarop het zaad viel en vrucht voortbracht: het ene honderd-, het andere zestig-, en een ander dertigvoudig.”
Toen we het zaadje zaaiden, verwachtten we dat het op een dag weer zou ontkiemen. Ligt daar niet een les voor ons in? Zijn al onze daden niet als zaadjes? Zijn onze kleinste woorden niet als mosterdzaadjes? Is onze dagelijkse spraak niet als een handvol graan dat wij over de grond uitstrooien? Zouden wij er daarom geen rekening mee moeten houden dat onze woorden weer tot leven zullen komen, dat onze daden even onsterfelijk zijn als wijzelf, en dat zij, nadat zij een tijdlang in het stof hebben gelegen om te rijpen, zeker weer tot leven zullen komen?
De zwarte daden van de zonde zullen een sombere oogst van verdoemenis opleveren; maar de goede daden die wij dankzij Gods genade hebben kunnen verrichten, zullen door Zijn barmhartigheid – en niet door onze eigen verdiensten – een overvloedige oogst opleveren op de dag waarop zij die in tranen zaaien, met vreugde zullen oogsten. O mens, preekt het zaaiseizoen dan niet tot u? Zegt het niet: “Zorg ervoor dat u goed zaad op uw akker zaait“?
En toen het zaad opschoot en het seizoen veranderde, hield God toen op met prediken? Ach nee. Eerst de halm, dan de aar, en vervolgens het volle koren in de aar: elk had zijn eigen preek. En toen de oogst eindelijk kwam, hoe krachtig was de boodschap die zij ons bracht! Zij luidde: “O Israël, Ik heb een oogst voor u bereid. Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Wie in het vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie in de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.“
Als u de komende drie weken de kans krijgt om het platteland in te trekken en als uw hart op de juiste toon is afgestemd, zult u een prachtige schat aan wijsheid ontdekken die in een korenveld verborgen ligt. Ik zou onmogelijk alle rijkdommen kunnen onthullen die daar verborgen liggen.
Denk, geliefden, aan de vreugde van de oogst. Hoe spreekt die tot ons over de vreugde van de verlosten, wanneer wij, die gered zijn, uiteindelijk als rijpe korenhalmen naar de schuur worden gebracht. Kijk naar de korenaar wanneer zij volledig rijp is en zie hoe zij zich naar de aarde buigt. Eerst stond zij rechtop, maar hoe nederig wordt zij wanneer zij rijpt! Zo spreekt God tot de zondaar en zegt Hem dat, indien hij geschikt wil zijn voor de grote oogst, hij zijn hoofd moet buigen en roepen: “Heere, wees mij, de zondaar, genadig.”
Wanneer wij het onkruid tussen de tarwe zien opschieten, herkennen wij dan niet opnieuw de gelijkenis van onze Meester over het onkruid tussen de tarwe? Worden wij dan niet herinnerd aan de grote dag van de scheiding, wanneer Hij tot de maaiers zal zeggen: “Verzamel eerst het onkruid en bind het in bossen om het te verbranden, maar breng de tarwe bijeen in mijn schuur.”
O geel korenveld, gij predikt mij wel, want gij zegt tot mij, de predikant: “Sla uw ogen op en kijk naar de velden, want zij zijn al wit om te oogsten. Werk zelf en bid tot de Heere van de oogst dat Hij meer arbeiders in Zijn oogst zal uitzenden.”
En het spreekt ook tot u, bejaarde man. Het vertelt u dat de sikkel van de dood scherp is en dat u spoedig zult vallen. Maar het moedigt u ook aan en troost u, want het verzekert u dat de tarwe veilig zal worden opgeslagen en geeft u de hoop dat u in de schuur van uw Meester zult worden gebracht om voor altijd Zijn vreugde en Zijn geluk te zijn. Luister dan naar de ruisende welsprekendheid van de gouden oogst.
Binnen zeer korte tijd, mijn geliefden, zult u de vogels in grote zwermen op de daken zien samenkomen. Nadat zij in kringen hebben rondgevlogen, alsof zij nog eenmaal een blik werpen op het oude Engeland of hun afscheid repeteren vóór hun vertrek, zult u hen — met hun leider voorop — over de zee zien trekken naar zonniger oorden, terwijl de koude hand van de winter de bossen ontbladert waarin zij geboren zijn.
En lijkt het u, zondaars, niet alsof God u vermaant wanneer deze vogels opvliegen? Herinnert u zich niet hoe Hij Zelf zegt: “Zelfs een ooievaar in de lucht kent zijn vaste tijden, tortelduif, zwaluw en kraanvogel nemen de tijd van hun aankomst in acht, maar Mijn volk kent niet het recht van de HEERE.“
Zegt Hij ons niet dat er een tijd van donkere winter over deze wereld komt — een tijd van benauwdheid zoals er nooit eerder is geweest en ook nooit meer zal zijn? Een tijd waarin alle vreugden van de zonde zullen verdwijnen en bevriezen, en waarin de zomer van het menselijk bestaan zal veranderen in de donkere winter van teleurstelling?
En zegt Hij niet tot u: “Zondaar, vlucht! Vlucht naar het goede land waar Jezus woont! Vlucht weg van uzelf en van de zonde! Vlucht uit de stad verderf! Vlucht weg van de draaikolk van genoegens en van het heen en weer geslingerd worden door moeilijkheden! Haast u als een vogel naar zijn rustplaats. Vlieg over de zee van berouw en geloof en bouw uw nest in het land van barmhartigheid, opdat gij, wanneer de grote dag van wraak over deze wereld komt, veilig zult zijn in de kloven van de Rots.”
Ik herinner me nog heel goed hoe God mij eens, midden in de winter, via een gelijkenis toesprak. De aarde was donker en zwart, en er was nauwelijks een sprankje groen of een enkele bloem te zien. Waar men ook keek, zag men alleen kale heggen, kale bomen en zwarte aarde. Plotseling sprak God en opende Hij de schatkamers van de sneeuw. Witte vlokken daalden neer totdat alle duisternis was verdwenen en alles bedekt was met een stralend witte deken. Het was in die tijd dat ik de Verlosser zocht, en ik vond Hem. Ik herinner me die preek nog steeds: “Kom nu, laten wij samen een rechtszaak voeren, zegt de HEERE. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.”
Zondaar, uw hart is als die zwarte aarde; uw ziel is als die donkere boom en die zwarte heg, zonder blad of bloesem. Gods genade is als de witte sneeuw: zij zal op u neerdalen totdat uw twijfelende hart zal schitteren in de witheid van vergeving, en uw arme, zwarte ziel bedekt zal zijn met de vlekkeloze zuiverheid van de Zoon van God. Hij lijkt tot u te zeggen: “Zondaar, u bent zwart, maar Ik ben bereid u te vergeven. Ik zal uw hart bekleden met het hermelijn van de gerechtigheid van Mijn Zoon; en gekleed in Zijn gewaad zult gij heilig zijn zoals de Heilige.”
En de wind van vandaag, die door de bomen raast – waarvan er vele zijn omgewaaid – herinnert ons aan de Geest van de Heere, die waait waar Hij wil en wanneer Hij dat wil. Hij zegt ons dat wij ernstig moeten zoeken naar die goddelijke en mysterieuze invloed, die ons als enige op onze reis naar de hemel kan voortstuwen; die de bomen van onze trots omver zal werpen en de prachtige ceders van ons zelfvertrouwen met wortel en al zal ontwortelen; die de bolwerken van onze leugens zal doen wankelen en ons ertoe zal brengen op te kijken naar Hem die de enige toevlucht is in de storm. Hij is de enige schuilplaats, ‘het razen van geweldplegers zal zijn als een vloed tegen een muur.’
Ja, en wanneer de hitte zwaar op ons drukt en wij onze toevlucht zoeken in de schaduw van een boom, staat daar als het ware een engel die fluistert:
“Zondaar, kijk omhoog, terwijl u schuilt voor de verzengende stralen van de zon. Want er is Iemand die als een appelboom is temidden van de bomen van het woud. Hij nodigt u uit om te komen en in Zijn schaduw te zitten, want Hij zal u beschermen tegen de eeuwige toorn van God en u beschutting bieden wanneer de felle hitte van Gods oordeel neerdaalt op de hoofden van de goddelozen.”
III. Nogmaals: ELKE PLAATS waar u naartoe reist, elk dier dat u ziet, elke plek die u bezoekt, heeft een boodschap voor u. Ga naar uw boerenerf, en uw os en uw ezel zullen tot u spreken: “Een rund kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn eigenaar, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk heeft geen inzicht.” Zelfs de hond aan uw voeten kan u terechtwijzen. Hij volgt zijn meester; een vreemde zal hij niet volgen, want hij kent de stem van een vreemde niet. Maar u verlaat uw God en wendt zich af naar uw kromme wegen.
Kijk naar de kip aan de rand van de plas en laat haar uw ondankbaarheid bestraffen. Zij drinkt, en bij elke slok die zij neemt, heft zij haar kop op naar de hemel en dankt zij de Gever van de regen voor de drank die haar geschonken wordt. Maar u eet en drinkt zonder een zegen uit te spreken bij uw maaltijden en zonder uw Vader te danken voor Zijn overvloed.
Zelfs het paard wordt in toom gehouden door het hoofdstel, en de zweep is voor de ezel. Maar uw God heeft u beteugeld door Zijn geboden en u getuchtigd door Zijn voorzienigheid; toch bent u koppiger dan de ezel of de muilezel. Nog steeds wilt u Zijn geboden niet gehoorzamen, maar wendt u zich af om moedwillig en goddeloos de verdorvenheid van uw eigen hart te volgen.
Is het niet zo? Zijn deze dingen niet waar voor u? Als u nog steeds zonder God en zonder Christus bent, zouden deze dingen dan niet uw geweten moeten raken? Zou niet elk van deze voorbeelden u ertoe moeten brengen te beven voor de Allerhoogste en Hem te smeken u een nieuw hart en een standvastige geest te geven, zodat u niet langer zult zijn als de dieren van het veld, maar als een mens vervuld van de goddelijke Geest, levend in gehoorzaamheid aan zijn Schepper?
Tijdens uw reizen is het u opgevallen hoe hobbelig de met stenen geplaveide weg was, en misschien heeft u wel eens gemopperd over het pad dat u moest bewandelen. Maar heeft u er ooit bij stilgestaan dat juist die stenen hebben bijgedragen aan de begaanbaarheid van die weg? Toen het slechtste deel van de weg met harde stenen werd hersteld, werd het na verloop van tijd glad en geschikt om over te reizen.
Hebt u er ooit over nagedacht hoe vaak God u heeft willen herstellen? Hoeveel stenen van beproeving Hij op uw weg heeft gelegd? Hoeveel wagenladingen waarschuwingen Hij over u heeft uitgestrooid? Toch bent u er niet beter van geworden, maar eerder slechter. En wanneer Hij komt om te zien of uw leven meer geplaveid is geworden, of de weg van uw levenswandel meer is gaan lijken op de koninklijke weg van de gerechtigheid, hoe zou Hij dan anders kunnen zeggen: “Ach! Ik heb deze weg willen herstelen, maar hij is er niet beter op geworden. Laten we hem maar met rust laten totdat hij verandert in een moeras en een modderpoel, zodat degene die hem in zo’n slechte staat houdt er zelf in verdrinkt.”
Heeft u ooit langs de kust gewandeld? Sprak de zee toen niet tot u? U bent net zo wispelturig als de zee, maar lang niet zo gehoorzaam. God houdt de zee, die door de bergen wordt aangedreven, in toom met een strook zand. Hij spreidt het zand uit langs de kust, en zelfs de zee respecteert die grens.
“Vreest gij Mij niet? spreekt de HEERE. Zult gij niet beven voor Mijn aangezicht? Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee, een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden. Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen uitrichten, al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.” Zo is het inderdaad. Laat uw geweten tot u spreken. De zee gehoorzaamt Hem van kust tot kust, maar u wilt Hem niet als uw God erkennen. U zegt: “Wie is de HEERE, dat ik Hem zou vrezen? Wie is Jehova, dat ik Zijn heerschappij zou erkennen?”
Luister naar de bergen en de heuvels, want ook zij hebben een les te leren. Zo is God: Hij blijft tot in eeuwigheid dezelfde. Denk niet dat Hij zal veranderen. Zondaar, ik smeek u uw ogen te openen wanneer u vandaag naar huis gaat. Als niets van wat ik heb gezegd uw hart raakt, zal God misschien iets op uw weg brengen dat voor u tot een tekst wordt, waaruit u zichzelf een preek zult houden die u nooit meer vergeet.
O, had ik maar de tijd, de gedachten en de woorden! Dan zou ik u de dingen tonen die zich in de hemel boven, op de aarde beneden en in de wateren onder de aarde bevinden. Ik zou ze u één voor één voorleggen, en elk ervan zou zijn waarschuwing laten klinken voordat het aan uw blik zou ontsnappen.
Ik weet dat hun stem zou zeggen: “Denk aan de HEERE, uw Schepper, en vrees en dien Hem. Hij heeft u geschapen; u hebt uzelf niet geschapen. Wij gehoorzamen Hem, en daarin ligt onze schoonheid; wij volgen voortdurend Zijn wil, en daarin ligt onze eer. En u zult ontdekken dat dit ook voor u geldt.”
Gehoorzaam Hem zolang het nog kan, opdat niet, wanneer dit leven voorbij is, al deze dingen tegen u zullen opstaan. Dan zal de steen op straat om uw veroordeling roepen; de balk uit de muur zal tegen u getuigen; de dieren van het veld zullen uw aanklagers zijn; en dalen en heuvels zullen u beginnen te vervloeken.
O mens, de aarde is gemaakt tot uw waarschuwing. God wil dat u behouden wordt. Overal in de natuur en in Zijn voorzienigheid heeft Hij wegwijzers geplaatst die u de weg tonen naar de Toevluchtstad. Als u slechts wijs wilt zijn, hoeft u die weg niet te missen. Alleen uw moedwillige onwetendheid en uw verwaarlozing houden u op het pad van de dwaling. Want God heeft de weg voor u recht gemaakt en u alle aanmoediging gegeven om daarop te wandelen.
IV. En nu, om u niet al teveel te vermoeien, wil ik alleen nog opmerken dat iedere mens in zijn ROEPING een preek te horen krijgt. De boer heeft wel duizend preken; ik heb er al enkele aan het licht gebracht. Laat hij zijn ogen wijd openen, en hij zal er nog veel meer ontdekken. Hij hoeft geen enkele stap te zetten om de gezangen van engelen en de stemmen van geesten te horen die hem tot gerechtigheid roepen, want de hele natuur om hem heen heeft een stem gekregen – als een mens maar oren heeft om te horen.
Er zijn echter ook mensen die door hun werk zelden de natuur te zien krijgen. Toch heeft God ook voor hen een les bereid. Neem bijvoorbeeld de bakker, die ons van brood voorziet. Hij werpt brandstof in de oven, laat deze gloeien van hitte en schuift er vervolgens het brood in. Als hij een goddeloos man is, doet hij er goed aan te beven terwijl hij bij de oven staat, want daar is een tekst die hij bijzonder goed kan begrijpen: “Want zie, die dag komt, brandend als een oven.
Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten.” Men verzamelt ze in bundels, werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Uit de opening van de oven klinkt een hete en brandende waarschuwing. Het hart van de man zou als was kunnen smelten, als hij er maar acht op sloeg.
Kijk vervolgens naar de slager. Hoe spreekt het dier tot hem? Hij ziet het lam bijna aan zijn mes likken, en de stier gaat nietsvermoedend naar de slachtbank. Hoe zou hij niet, telkens wanneer hij het onwetende dier doodt dat niets van zijn naderende einde weet, aan zijn eigen ondergang denken? Zijn wij, allen die zonder Christus zijn, niet eveneens vetgemest voor de slacht? Zijn wij niet dwazer dan de stier? Volgt de goddeloze niet zijn eigen beul, en loopt hij niet zijn eigen vernietiger achterna, recht naar de krochten van de hel?
Wanneer wij een dronkaard zijn dronkenschap zien najagen, of een onkuis mens de weg van de losbandigheid zien bewandelen, is hij dan niet als een os die naar de slachtbank wordt geleid, totdat een pijl zijn lever doorboort? Heeft God Zijn mes niet geslepen en Zijn bijl gereedgemaakt, opdat de vetgemeste dieren van deze aarde geslacht zullen worden, wanneer Hij tot de vogels van de hemel en de dieren van het veld zal zeggen: “Zie, Ik heb voor u een feestmaal van wraak bereid; gij zult u verzadigen met het bloed van de verslagenen en u bedrinken aan de stromen daarvan.” O slager, daarin ligt een les voor uw beroep; uw ambacht kan u tot verwijt zijn.
En u, die de hele dag zit te werken aan schoenen voor onze voeten: zelfs de leest op uw schoot kan u terechtwijzen. Misschien is uw hart wel net zo hard als het gereedschap waarmee u werkt. Bent u niet net zo vaak getroffen als die leest, en is uw hart toch nooit gebroken of verzacht? Wat zal de Heere uiteindelijk tot u zeggen, wanneer dat hart van steen nog steeds in u te vinden is en Hij u moet veroordelen omdat u geen acht sloeg op Zijn tuchtigingen en geen berouw toonde bij de stem van Zijn vermaning?
Laat de brouwer bedenken dat hij, terwijl hij brouwt, zelf ook moet drinken. Laat de pottenbakker beven, opdat hij niet wordt als een vat dat op de draaischijf mislukt. Laat de drukker erop toezien dat zijn leven in hemelse letters wordt gezet en niet in de zwarte letters van de zonde. Schilder, wees op uw hoede! Verf alleen is niet genoeg; wij hebben de onverbloemde werkelijkheid nodig.
Anderen onder u werken voortdurend met weegschalen en maten. Zou u zichzelf niet geregeld op die weegschaal moeten plaatsen? Zou u zich niet kunnen voorstellen dat de grote Rechter daar staat, met Zijn Evangelie in de ene schaal en uzelf in de andere, terwijl Hij u ernstig aankijkt en zegt “Mene, mene, tekel; gij zijt gewogen in de weegschaal en te licht bevonden.”
Sommigen van u werken met een meetlint. Wanneer u hebt gemeten, knipt u af wat uw klant nodig heeft. Denk dan ook aan uw eigen leven. Het heeft een bepaalde lengte, en ieder jaar brengt de maat een stukje verder. Uiteindelijk komt de schaar die uw levensdraad afknipt, en dan is alles voorbij.
Hoe weet u of u niet al bij de laatste centimeter bent aangekomen? Wat is die ziekte die u teistert anders dan de eerste knip van de schaar? Wat betekenen die pijnscheuten in uw gewrichten, het afnemen van uw gezichtsvermogen, het vervagen van uw geheugen en het verdwijnen van uw jeugdige kracht anders dan de eerste scheur? Hoe spoedig zult u volledig worden afgesneden, uw dagen voorbij, uw jaren geteld, verstreken, verkwist en voor eeuwig verloren!
Maar misschien zegt u dat u een dagloner bent en dat uw werkzaamheden zeer uiteenlopend zijn. Dan zijn ook de lessen die God u geeft veelzijdig. “Zoals een slaaf snakt hij naar schaduw, zoals een dagloner ziet hij uit naar zijn loon.” Daarin ligt een gelijkenis voor u. Wanneer uw tijd op aarde voorbij is, zult ook u uw beloning ontvangen. Maar wie is uw meester? Dient u satan en de begeerten van het vlees, zodat uw beloning het brandende metaal van de vernietiging zal zijn? Of dient u de edele Prins Immanuel, zodat uw beloning zal bestaan uit de gouden kronen van de hemel? Gezegend bent u wanneer u een goede Meester dient, want zoals uw meester is, zo zal ook uw beloning zijn; zoals uw arbeid is geweest, zo zal ook het einde zijn.
Of misschien bent u iemand die de pen ter hand neemt en uur na uur schrijft totdat u uitgeput raakt. Ach, mijn vriend, besef dat uw leven zelf een manuscript is. Zelfs wanneer uw hand de pen niet vasthoudt, blijft u schrijven. U schrijft voortdurend op de bladzijden van de eeuwigheid. U schrijft uw zonden op, of uw heilige vertrouwen in Hem die u heeft liefgehad. Gezegend zult u zijn, o schrijver, als uw naam geschreven staat in het Boek des Levens van het Lam; als het zwarte schrift van uw levensverhaal wordt uitgewist door het rode bloed van Christus; en als de glorieuze Naam van Jehova op u geschreven staat om voor altijd leesbaar te blijven.
Of misschien bent u arts of apotheker. U schrijft geneesmiddelen voor of bereidt ze voor het lichaam van de mens. God staat naast uw vijzel en stamper en bij de tafel waarop u uw recepten schrijft, en zegt: “Mens, u bent ziek; Ik kan u een geneesmiddel voorschrijven. Het bloed en de gerechtigheid van Christus, door het geloof aangenomen en door de Geest toegepast, kunnen uw ziel genezen. Ik kan een medicijn bereiden dat u van uw zonden verlost en u brengt naar de plaats waar de inwoners niet meer zullen zeggen: ‘Ik ben ziek.’ Wilt u Mijn geneesmiddel aannemen of verwerpen? Is het u te bitter? Kom, Mijn kind, drink ervan, want hierin ligt uw leven. Hoe zult u ontkomen als u zo’n grote zaligheid veronachtzaamt?”
Giet u ijzer? Smelt u lood of andere metalen uit de mijnen? Bid dan dat de Heere uw hart zal smelten en u zal gieten in de vorm van het Evangelie. Maakt u kleding voor anderen? Zorg er dan voor dat u zelf een kleed ontvangt dat voor de eeuwigheid geschikt is.
Bent u de hele dag bezig met bouwen, steen voor steen, terwijl u de voegen met mortel opvult? Bedenk dan dat u ook bouwt voor de eeuwigheid. O, dat u zelf op een stevig fundament gebouwd mocht worden! O, dat u daarop mocht bouwen – niet met hout, hooi of stro, maar met goud, zilver en edelstenen – materialen die het vuur kunnen weerstaan!
Wees op uw hoede, mens, dat u niet slechts Gods steigerwerk bent: gebruikt op aarde voor de bouw van Zijn Kerk, maar daarna weggeworpen en verbrand met onuitblusbaar vuur. Zorg ervoor dat u gebouwd bent op de Rots en niet op zand, en dat het karmozijnrode cement van het kostbare bloed van de Verlosser u verbindt met het fundament en met iedere steen van het gebouw.
Bent u juwelier, en slijpt en polijst u dagelijks diamanten? Dan zou God willen dat u een les leert uit het contrast tussen uzelf en de steen waarmee u werkt. Hoe meer u de diamant slijpt, hoe helderder hij schittert. Maar hoewel u bent geslepen en gepolijst door ziekte, cholera, koorts en talloze gevaren van de dood, bent u er niet helderder maar juist doffer door geworden.
Want helaas, u bent geen diamant. U bent slechts een kiezelsteen uit de beek. Wanneer God Zijn juwelen verzamelt, zal Hij u niet opnemen in de schatkist van Zijn kostbaarheden, want u behoort niet tot de kostbare zonen van Sion, die met fijn goud worden vergeleken. Maar wat uw omstandigheden ook zijn, wat uw beroep of roeping ook moge wezen: voortdurend wordt er een preek tot uw geweten gehouden. Ik zou wensen dat u vanaf dit ogenblik zowel uw ogen als uw oren opende om de dingen te zien en te horen die God u wil leren. En nu, terwijl de klok nog maar enkele keren tikt, laten wij de gelijkenissen achter ons en spreken wij rechtstreeks.
Zondaar, u bent nog steeds zonder God en zonder Christus. U verkeert voortdurend in levensgevaar. U weet niet of u zich vandaag, nog voordat de klok één uur slaat, in de vlammen van de hel zult bevinden. U bent reeds veroordeeld omdat u niet in de Zoon van God gelooft
Jezus Christus zegt vandaag tot u: “O, dat gij uw einde ter harte zoudt nemen!” Deze morgen roept Hij u toe: “Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!” Ik smeek u: overdenk uw wegen.
Als het de moeite waard is om uw bed in de hel op te maken, doe dat dan. Als de geneugten van deze wereld het waard zijn om voor altijd verloren te gaan; als de hemel een bedrog is en de hel slechts een verzinsel, ga dan maar door met zondigen.
Maar als er werkelijk een hel is voor zondaars en een hemel voor hen die zich bekeren; als u een hele eeuwigheid op de ene of de andere plaats zult doorbrengen, dan stel ik u deze eenvoudige vraag: Handelt u wijs door te leven zoals u nu leeft — gedachteloos, zorgeloos en goddeloos? Wilt u weten wat de weg tot verlossing is? Die luidt eenvoudig: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult behouden worden.”
Hij stierf en stond weer op. U moet geloven dat Hij ook voor u een vollomen Verlosser is. U moet geloven dat Hij de macht heeft om allen die door Hem tot God komen, volkomen zal zalig maken. Maar er is meer: wanneer u dit als waarheid erkent, moet u uw ziel aan dit feit toevertrouwen en in Hem rusten, wat er ook gebeurt. Geest van God, help ons allen dit te doen. Breng ons allen tot U, door gelijkenissen, door Uw voorzienigheid of door Uw profeten. Red ons voor de eeuwigheid, aan U alleen zij alle eer.


