Een preek uitgesproken op zondagochtend 7 april 1878, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten. Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen! Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid. Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen! Verneder u voor de Heere, en Hij zal u verhogen. Jakobus 4:7-10
II. Maar nu, ten tweede, nu wij aldus hebben gesproken over de grote plicht tot onderwerping, laten wij de andere en VOLGENDE VOORSCHRIFTEN in beschouwing nemen.
Ik denk niet dat mijn vermoeden onredelijk is wanneer ik mijn vrees uitspreek dat de boodschap die de laatste tijd zo wijd en zijd wordt verkondigd – en die in sommige opzichten ook zeer nuttig is geweest –, namelijk: “Geloof alleen en u zult zalig worden” – soms volkomen verkeerd is begrepen door degenen die deze boodschap hebben gehoord. Er zijn gevallen waarin jonge mensen een lichtzinnig, oppervlakkig, onbezonnen en zelfs goddeloos leven blijven leiden, terwijl zij toch beweren dat zij in Jezus Christus geloven. Wanneer men hen nader onderzoekt, blijkt dat hun geloof in Christus eenvoudig inhoudt dat zij geloven dat Hij hen heeft gered, terwijl iedereen die hun levenswandel kent duidelijk kan zien dat zij helemaal niet gered zijn. Wat is hun geloof dan anders dan het geloven van een leugen?
Zij leven nog precies zoals vroeger. Daarom is het duidelijk dat zij niet gered zijn van hun vroegere dwaze levenswijze, niet van hun verkeerde karakter, en niet van hun oude zonden. Toch proberen zij zichzelf wijs te maken dat zij gered zijn. Maar waar geloof gelooft nooit leugens. Aanmatiging leeft van leugens, maar geloof voedt zich uitsluitend met de waarheid. Mijn geloof leert mij niet te geloven dat ik gered ben, terwijl ik recht voor ogen het bewijs zie dat ik niet gered ben, omdat ik nog leef in de zonde waarvan ik beweer verlost te zijn. Daarom moeten wij, terwijl wij geen moment afdoen aan de leer van de rechtvaardiging door het geloof en de vrije genade van de verlossing, tegelijk steeds opnieuw die andere, even wezenlijke waarheid verkondigen: “Gij moet wedergeboren worden.”
Wij moeten opnieuw nadruk leggen op dat grote oude woord dat door sommige evangelisten naar de achtergrond is geschoven: “Bekeert u.” Bekering is even noodzakelijk voor de verlossing als geloof. Er bestaat immers geen waar geloof zonder bekering — behalve dat geloof waarvan men zich juist moet bekeren. Een geloof zonder tranen zal het Koninkrijk van God nooit binnengaan. Een heilige afkeer van de zonde gaat altijd samen met een kinderlijk vertrouwen op de Zondedrager. Waar de wortel van het geloof werkelijk aanwezig is, zullen ook andere genaden daaruit voortkomen.
Let er nu op hoe de Geest van God, nadat Hij ons heeft opgeroepen tot onderwerping, verder laat zien wat er nog meer nodig is. Hij roept ons op tot een moedig verzet tegen de duivel: “Weersta de duivel, en hij zal van u vlieden.” Verlossing is niet slechts iets passiefs; de ziel moet opgewekt worden tot actieve strijd.
Ik moet mij in de armen van Christus werpen, zodat Hij mij kan redden, en volledig op Hem vertrouwen. Maar wanneer ik werkelijk op Hem vertrouw, ontvang ik nieuw leven — en de eerste uiting van dat leven is dat het met al zijn kracht strijdt tegen de vijand van Christus en van mijn eigen ziel. Ik moet niet alleen de zonde bestrijden, maar ook de geest die de zonde voedt en aanwakkert. Ik moet zowel de verborgen macht van het kwaad weerstaan als de uiterlijke zondige daden.
“O,” zegt iemand, “ik kan die diepgewortelde gewoonte niet opgeven.” Mijn vriend, u móét haar opgeven; u moet de duivel weerstaan, anders zult u verloren gaan. “Maar ik doe dit al zo lang,” zegt een ander. Dat kan zo zijn, maar als u werkelijk op Christus vertrouwt, dan zal uw eerste inspanning erin bestaan tegen die zondige gewoonte te strijden.
En zelfs als uw gevaar niet alleen een gewoonte of een neiging is, maar een sluwe geestelijke vijand die sterk en listig is en op alle fronten strijd voert, dan nog mag u niet toegeven. U moet vastbesloten zijn weerstand te bieden tot het einde toe, bemoedigd door de genadige belofte dat de duivel van u zal vluchten. In de naam van Jezus zult u de verleiding overwinnen, de slechte gewoonte bedwingen en aan de slavernij ontsnappen. Strijd slechts om vrij te worden en veracht de ketenen van de zonde.
Als u vrede met God wilt hebben, moet u oorlog voeren tegen satan. U kunt geen innerlijke rust kennen en de vrede ervaren die het geloof schenkt, zolang u niet met heel uw hart strijdt tegen ieder kwaad en tegen de vorst van het kwaad, namelijk Satan. Bent u bereid dat te doen? Zonder die bereidheid zult u geen vrede vinden.
Vervolgens schrijft de apostel: “Nader tot God, en Hij zal tot u naderen.” Wie oprecht in Christus gelooft, zal veel bidden. Toch zijn er mensen die zeggen dat zij gered willen worden, terwijl zij het gebed verwaarlozen. Zij begrijpen niet waarom zij geen vreugde vinden in de godsdienst — maar waarom zouden zij zich daarover verbazen? Vraag het aan uw verwaarloosde binnenkamer; vraag het aan uw eigen hart hoe u gelukkig, geestelijk gezond en gezegend zou kunnen zijn terwijl u niet bidt.
Bedenk bovendien dat het eenvoudig opzeggen van woorden nog geen werkelijk gebed is. De kern van het gebed ligt in het hart dat zich tot God wendt — en dat kan zelfs zonder woorden gebeuren. Gebed is het diepe besef van Gods aanwezigheid en het verlangen van de ziel om tot Hem te naderen, Zijn invloed te ervaren, Zijn liefde te kennen, Zijn kracht te voelen en gevormd te worden naar Zijn wil.
Door de kracht van Gods Heilige Geest kan zulk gebed de hele dag doorgaan. Daarvan moeten wij iets leren kennen. “Zie, hij bidt” is een van de eerste kenmerken van een geredde ziel. En als u denkt dat u gered bent vanwege een kortstondige geloofsdaad waarvan u meent dat u die ooit hebt verricht, terwijl uw hart ver van God verwijderd blijft, zonder gebed en zonder verlangen naar Hem, dan verkeert u in een gevaarlijke misleiding. Dat is niet de leer van de Schrift en er is geen enkele belofte van God die zo’n gedachte ondersteunt. Wanneer het gebed geheel verwaarloosd wordt, is de ziel dood.
Als uw hart nog nooit verbroken is geweest, hoe kan Hij het dan verbinden? Als het nooit gewond is geraakt, hoe kan Hij het dan genezen? Dit zijn ernstige zaken, en ik spreek er met nadruk over, opdat niemand van u misleid zou worden. Moge God u ertoe brengen uit te roepen: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.” Dit is de weg tot verlossing: dat u gelooft in Jezus Christus, Die God gezonden heeft. Maar bedenk goed dat Hij ons redt van onze zonden — niet terwijl wij in onze zonden blijven leven. Het geloof in Jezus Christus redt, en het zal allen redden die dat geloof bezitten, maar het doet dat door de zonde weg te nemen en te reinigen.
Het geloof verzekert ons ervan dat wij vergeving hebben ontvangen, en juist daardoor leren wij Christus liefhebben, door Wie wij vergeven zijn. Die liefde brengt ons ertoe onze zonden te haten en onszelf daarom te verafschuwen; vervolgens verlangen wij ernaar daarvan gereinigd te worden door Zijn Geest.Geloof zonder werken is dood, omdat het op zichzelf staat. Hoewel een mens gerechtvaardigd wordt door het geloof en niet door werken — ja, door het geloof alleen, en zelfs niet gedeeltelijk door eigen werken — is het geloof dat werkelijk redt altijd een geloof dat goede werken voortbrengt en leidt tot een leven van heiligheid.
Wie niet streeft naar gerechtigheid en ware heiligheid, is, wat hij ook beweert te zijn, dood terwijl hij leeft. Moge de Heere u genadig zijn, om Christus’ wil. Amen.


