De reden waarom velen geen vrede vinden

Een preek uitgesproken op zondagochtend 7 april 1878, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten. Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen! Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid. Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen! Verneder u voor de Heere, en Hij zal u verhogen. Jakobus 4:7-10

Wij komen regelmatig mensen tegen die ons vertellen dat zij geen vrede met God kunnen vinden. Hun is opgedragen om in de Heere Jezus te geloven, maar zij begrijpen die opdracht verkeerd. Hoewel zij menen eraan gehoorzaam te zijn, blijken zij in werkelijkheid ongelovig te blijven, en daardoor missen zij de weg naar vrede. Zij proberen te bidden, maar hun smeekbeden worden niet verhoord en hun gebeden schenken hun geen troost, omdat noch hun geloof noch hun gebed door de Heere wordt aangenomen. Zulke mensen worden door Jakobus beschreven in het derde vers van het hoofdstuk dat nu voor ons ligt: “U bidt wel, maar u ontvangt niet, omdat u verkeerd bidt.”

Wij kunnen ons er niet bij neerleggen deze zoekende mensen in deze ellendige toestand te zien. Daarom proberen wij hen telkens opnieuw te troosten en te onderrichten in het grote evangelische gebod: “Geloof en leef.” Toch komen zij meestal niet verder, maar blijven zij steken in een onbevredigende toestand. Zij verzekeren ons dat zij in Jezus geloven, maar wij zien geen vruchten van dat geloof in hun leven, en ook zijzelf kunnen niet zeggen dat zij enig geestelijk voordeel ervaren van het geloof dat zij belijden.

Nu vrees ik dat troost in zulke gevallen misplaatst is. Wanneer wij geprobeerd hebben zulke mensen op te beuren, ben ik bang dat wij misschien een pleister hebben aangebracht op een wond die eerder een scherp mes dan een zacht verband nodig had, eerder een scherp lancet dan een helende zalf. Daarom willen wij op dit moment bepaalde onrustige zielen laten zien waarom zij geen vrede vinden, en waartoe zij door de Heilige Geest gebracht moeten worden voordat zij met recht kunnen zeggen dat zij gered zijn. Hoewel onze woorden wellicht enigszins scherp klinken, zullen zij in liefdevolle trouw gesproken worden. Moge de Heere, onze God, ze gebruiken om de innerlijke strijd te beëindigen en blijvende vrede te schenken.

Ik vrees dat velen die beweren christenen te zijn, zich in een zeer twijfelachtige toestand bevinden: zij kennen geen vreugde in hun geloof en geen verhoring in hun gebeden. Of zij nu werkelijk christenen zijn of niet, blijft een open vraag. De praktische Jakobus verspilt echter geen tijd aan het uitpluizen van die onzekerheid, maar spreekt hen aan vanuit beide kanten van hun schijnbare toestand. In de voorgaande hoofdstukken noemt hij hen “mijn broeders” en zelfs “mijn geliefde broeders”, terwijl hij hen later zonder onderscheid aanspreekt als “zondaars”, wier handen gereinigd moeten worden, en als “tweeslachtigen”, wier harten gezuiverd moeten worden.

Zij waren beide tegelijk: naar hun eigen belijdenis waren zij broeders, maar in hun hart waren zij ontrouw aan Christus. Zij gaven zich over aan ernstige zonden van twist en boosaardigheid, en hun hart was verdeeld tussen liefde voor de zonde en hoop op verlossing.

Daarom zullen wij geen persoonlijke vragen stellen of proberen een oordeel te vellen waar zekerheid moeilijk te verkrijgen is. Wij zullen spreken tot mensen wier toestand verdacht is, zonder definitief te bepalen of zij gelovigen zijn of niet. Als zulke mensen beweren broeders te zijn, zullen wij hen ook zo aanspreken, maar dan in de geest van: “Mijn broeders, zulke dingen behoren niet zo te zijn.” Aan de andere kant zullen wij geen veroordelende titel gebruiken, maar de zaak overlaten aan God en aan het geweten van ieder mens.

Wij willen doordringen tot de kern van de zaak en de reden aanwijzen waarom sommigen klagen over een gebrek aan vrede en verlossing. Moge de Heilige Geest ons helpen de fatale tekortkoming bloot te leggen die de ziel van rust berooft. Als iemand niet zeker weet of hij in Christus is, mag hij geen moment rust vinden voordat hij die zekerheid bezit.

Beste vriend, zonder een vast vertrouwen in uw behoudenis hebt u geen recht om gerust te zijn, en ik bid dat u dat ook nooit zult zijn. Dit is een zaak van te groot belang om onbeslist te laten. Ieder verstandig mens zou er alles aan moeten doen om zekerheid te verkrijgen, en alle dingen stevig moeten vastmaken, zodat zij voor eeuwig vaststaan — voor eeuwig, zeg ik, want zo spreekt de Heere.

Breng uw ziel nooit in gevaar, want uw ziel is uw ware zelf, en niets kan het verlies ervan goedmaken. Als u uw eigen ziel verliest, zal het geen troost zijn dat u de hele wereld gewonnen hebt. Wees daarom voorzichtig. Laat niets onzeker blijven. Weeg en overdenk zorgvuldig iedere belangrijke stap; onderzoek en beproef alles, opdat niemand van u, terwijl hij zo dicht bij het Koninkrijk staat, toch uiteindelijk tekortschiet.

Om u te helpen tot vaste vrede te komen, wil ik u allereerst aansporen gehoor te geven aan het allesomvattende gebod van onze tekst: “Onderwerp u dan aan God.” Vervolgens wil ik u aansporen ook de andere bevelen die daarop volgen in praktijk te brengen: “Bied weerstand aan de duivel ”, “Nader tot God”, “Reinig de handen”, “Zuiver de harten”, “Besef uw ellendige staat en treur en huil”, en ten slotte: “Verneder u voor de Heere.”

I. Luister eerst naar HET VEELOMVATTENDE BEVEL: “Onderwerp u dan aan God.”

Volgens deze opvatting wijst de strijdlust die bij veel mensen te zien is erop dat zij zich niet aan God hebben onderworpen. Wellust, afgunst, twist, onenigheid, jaloezie, woede — al deze dingen getuigen ervan dat het hart niet onderdanig is, maar hardnekkig eigenzinnig en opstandig blijft. Mensen die nog steeds toornig, trots, twistziek en egoïstisch zijn, tonen daarmee duidelijk dat zij niet onderworpen zijn.

Er zijn mensen voor wie het idee van onderwerping op zichzelf al weerzinwekkend is. Zij willen zich aan niemand onderwerpen, maar hun eigen god zijn en hun eigen wet bepalen. Het woord “onderwerpen” roept bij hen weerstand op. In hun hart zeggen zij: “Wie is de Heere, dat ik Zijn stem zou gehoorzamen?” Zij zijn best bereid Zijn gunsten te ontvangen en op hun eigen manier “Gode zij dank” te zeggen, maar van onderwerping willen zij niets weten; dat past volgens hen niet bij hun waardigheid en onafhankelijkheid.

Zij streven naar heerschappij, eisen de voornaamste plaats op en proberen voortdurend hun eigen belangen te bevorderen, zodat het grote ‘ik’ de opperste heerser wordt. De apostel wijst in de woorden van onze tekst rustig maar duidelijk erop dat veel belijdende christenen zich moeten onderwerpen, omdat hun onverbroken eigenwil hen nog steeds leidt tot begeerten en strijd, en hen er tegelijkertijd van weerhoudt om van de Heere te ontvangen waar zij om vragen.

Een gebrek aan onderwerping is geen nieuwe of zeldzame fout van de mensheid; sinds de zondeval is het de wortel van alle zonde geweest. Wanneer het hart zich oprecht aan God onderwerpt, begint het werk van de genade, en wanneer het zich volkomen onderwerpt, is dat werk voltooid. Maar om dat te bereiken moet de goddelijke genade haar kracht tonen, want het menselijk hart is van nature koppig en opstandig.

Vanaf het moment dat onze moeder Eva haar hand uitstak naar de verboden vrucht, en Adam zich bij haar aansloot door de menselijke wil tegenover de goddelijke wil te stellen, hebben de mensenkinderen zich schuldig gemaakt aan verzet tegen Gods wil. Mensen kiezen hun eigen weg en willen hun wil niet onderwerpen. Zij vormen hun eigen gedachten en willen hun verstand niet onderwerpen. Zij richten hun liefde op aardse dingen en willen hun verlangens niet onderwerpen. De mens wil zijn eigen wet zijn en zijn eigen meester.

Dat is verwerpelijk, want wij zijn niet onze eigen scheppers. “Híj heeft ons gemaakt – en niet wij.” De Heere heeft het hoogste gezag over ons, omdat ons bestaan volledig afhankelijk is van Zijn wil.

Ik heb veel gehoord over de rechten van de mens, maar het zou goed zijn als men ook de rechten van God overwoog — rechten die de eerste, hoogste, zekerste en plechtigste rechten in het universum zijn, en die aan alle andere rechten ten grondslag liggen. De Heere heeft een absoluut recht op de wezens die Hij heeft geschapen, en het is beschamend dat de grote massa van de mensen zich nauwelijks herinnert dat Hij bestaat, laat staan nadenkt over wat Hem toekomt.

Ach, grote God, hoe bent U een vreemdeling geworden in de wereld die U Zelf hebt gemaakt! Uw schepselen, die niet zouden kunnen zien als U hun geen ogen had gegeven, richten hun blik overal op behalve op U. Schepselen die niet zouden kunnen denken als U hun geen verstand had gegeven, denken aan alles behalve aan U. En wezens die niet zouden kunnen leven als U hen niet in leven hield, vergeten U volledig — of, als zij zich Uw bestaan en macht wel herinneren, worden zij zo roekeloos dat zij zich zelfs tegen U keren.

De giftige plant van de zonde groeit in de bodem van verzet tegen God. Wanneer het de Heere behaagt om de harten van tegenstanders tot gehoorzaamheid aan de waarheid te brengen, is dat een duidelijk teken van verlossing; ja, het is de dageraad van de verlossing zelf. Zich aan God onderwerpen betekent rust vinden.

Gods heerschappij is zo weldadig dat wij Hem zonder aarzeling zouden moeten gehoorzamen. Hij gebiedt ons nooit iets wat ons uiteindelijk schade zal berokkenen, en Hij verbiedt ons niets wat werkelijk tot ons welzijn zou dienen. Onze God is zo goed, zo wijs en zo vol liefdevolle zorg, dat het altijd in ons eigen belang is om Zijn leiding te volgen. Zelfs als wij volledig vrij zouden zijn om onze eigen weg te kiezen en aan geen enkele verplichting gebonden waren, dan nog zou het verstandig en wijs zijn om de weg van de Heere te gaan, want dat is de weg van vreugde en veiligheid.

Geliefden, de Heere is veel te groot om ooit onrechtvaardig of onvriendelijk met Zijn schepselen om te gaan. Hij is zelfs zo verheven dat Hij geen enkel persoonlijk voordeel hoeft te zoeken in Zijn heerschappij. Toch verwaardigt Hij Zich ons te regeren, omdat wij zonder Zijn leiding en bestuur volkomen verloren zouden zijn. Het is voor ons welzijn dat Hij ons, als een vader binnen zijn gezin, het ene gebiedt en het andere verbiedt.

Het is moedwillige wreedheid tegenover onszelf wanneer wij ons losmaken van de vrijheid waarmee Jezus ons heeft vrijgemaakt, om ons vervolgens onder de tirannie van het egoïsme en de lagere begeerten van onze natuur te plaatsen. Het is pure dwaasheid om de eervolle dienst aan de grote Koning op te geven en in plaats daarvan slaaf van satan te worden. Och, dat mensen zich toch aan God zouden onderwerpen en bereid zouden zijn gezegend te worden.

Alle verzet tegen God is, gezien de aard van de zaak, volkomen zinloos. Het gezonde verstand leert ons dat opstand tegen de Almachtige zowel waanzin als godslastering is. Het voornemen van de Heere zal standhouden en Zijn wil zal geschieden. Zijn macht zal iedere tegenstand uiteindelijk verpletteren; daarom is het nutteloos om die tegenstand op te werpen. Waarom zou een mens dan strijden tegen zijn Meester? Zowel wijsheid als gerechtigheid roepen hem op zich aan God te onderwerpen.

Laat het bovendien duidelijk zijn dat onderwerping aan God absoluut noodzakelijk is voor de verlossing. Een mens is niet gered zolang hij zich niet buigt voor de allerhoogste majesteit van God. Hij kan wel zeggen: “Ik geloof in Jezus”, maar als hij blijft leven naar zijn eigen verlangens en zijn hartstochten blijft volgen, dan is hij slechts een huichelaar, een wolf in schaapskleren. Een dood geloof zal niemand redden; het is zelfs minder waard dan het geloof van de duivelen, want zij “geloven en sidderen”, terwijl zulke mensen geloven op een manier die hen juist onbeschaamd maakt in hun ongerechtigheid.

Nee, verlossing betekent gered worden van de heerschappij van het eigen ik en van de zonde. Verlossing betekent dat een mens ertoe gebracht wordt te verlangen naar gelijkenis met God, dat hij door goddelijke genade geholpen wordt om die gelijkenis te bereiken, en leert leven overeenkomstig de gedachten en de wil van de Allerhoogste. Onderwerping aan God is de verlossing die wij prediken — niet slechts bevrijding van eeuwige vlammen, maar bevrijding van de huidige opstandigheid, bevrijding van de zonde die juist de brandstof van die onblusbare vlammen vormt.

Er moet overeenstemming zijn met de eeuwige wetten van het universum, en volgens die wetten moet God de eerste plaats innemen en moet de mens zich voor Hem buigen. Niets kan werkelijk goed zijn voordat dit gebeurt. Onderwerping is een gebod dat in alle gevallen gehoorzaamd moet worden; zonder die onderwerping zal er geen vrede en geen verlossing gevonden worden.

Juist op dit punt van onderwerping ligt meestal het struikelblok voor zielen die vrede met God zoeken. Het houdt hen ongered, en zoals ik al heb gezegd, kan dat ook niet anders, want een mens die zich niet aan God onderwerpt, is niet gered. Hij is niet bevrijd van zijn opstandigheid, niet verlost van zijn hoogmoed; hij blijft duidelijk een ongered mens, wat hij ook van zichzelf mag denken.

Misschien kan ik door enkele persoonlijke opmerkingen duidelijk maken waarom sommigen van mijn toehoorders de vrede niet kunnen vinden die het evangelie hun zo vrij aanbiedt. Op het ene of andere punt ontbreekt het aan onderwerping. In de geredde mens is er namelijk een volledige en onvoorwaardelijke onderwerping aan de wet van God, en die moet er ook zijn. Hij stemt ermee in dat de wet goed is. Als uw hart vroeger tegen die wet in opstand kwam, dan moet die strijd beëindigd worden, want het is onmogelijk dat u gelijk hebt wanneer u twist met de wet van de gerechtigheid.

Wanneer u zich opstelt als rechter over de wet, oordeelt u in werkelijkheid over de Wetgever Zelf. Wat is dat anders dan de grofste aanmatiging? Teruggebracht tot de kern betekent het oordelen over de wet niets minder dan verraad: het zou God van Zijn troon stoten om zelf in Zijn plaats te regeren. Hoe verdrietig is het om een zondig sterveling kritiek te horen leveren op de volmaakte wet van zijn Schepper.

Durft u dat werkelijk te doen? Wanneer u in uw hart zegt: “God is te streng in Zijn oordeel over de zonde en te hard in de bestraffing ervan,” wat doet u dan anders dan uw Rechter veroordelen? Wanneer u zegt: “Hij houdt mij verantwoordelijk voor ijdele woorden en zelfs voor zonden uit onwetendheid; dat is te zwaar,” noemt u daarmee uw Heere niet onrechtvaardig?

Moet de wet soms aangepast worden aan uw wensen? Moeten haar eisen versoepeld worden om uw gemakzucht tegemoet te komen? Als u dat verlangt, bent u niet gered, want een gered mens verheugt zich vanuit zijn innerlijk in de wet van God. Hij zegt: “De wet is heilig,” terwijl hij tegelijk met droefheid toevoegt: “Maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.” Hij eert de wet juist door zich ervoor te buigen en zijn tekortkomingen te belijden.

Ja, en voordat een mens vrede met God kan hebben, moet hij zich onderwerpen aan het oordeel van de wet. Hoewel die wet in haar strengheid de gedachten doorzoekt en het hart beproeft, ons voor Gods rechtbank brengt en ons veroordeelt, moeten wij erkennen dat zij rechtvaardig is. De genade die in het hart werkt, brengt de berouwvolle zondaar ertoe zijn schuld te erkennen en toe te geven dat de straf rechtvaardig is.

Wat mijzelf betreft: toen de wet in mijn geweten mij tot de hel veroordeelde, durfde ik geen vinger uit te steken en zelfs geen gedachte te koesteren om dat oordeel tegen te spreken. Het geweten wordt niet door God levend gemaakt, de ziel wordt niet vernieuwd en de mens wordt niet gered, tenzij hij uitroept: “Want ík ken mijn overtredingen, mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw ogen, zodat U rechtvaardig bent wanneer U rechtspreekt en rein bent wanneer U oordeelt.”

U moet zich onderwerpen aan Gods gerechtigheid en strengheid, anders zal Hij u weerstaan, zoals Hij alle hoogmoedigen weerstaat. Er kan geen vergeving zijn voor iemand die de wet niet eert door oprechte onderwerping. Als uw pleidooi luidt: “Niet schuldig,” dan zult u volgens de eisen van de gerechtigheid berecht worden, maar niet door barmhartigheid vergeven kunnen worden. U bevindt zich dan in een hopeloze positie. God Zelf kan u op die grond niet tegemoetkomen, want Hij kan niet toegeven dat Zijn wet onrechtvaardig is of dat de straf te zwaar zou zijn. De Heere kan geen vrede met u hebben zolang u Zijn wet trotseert. Hij verklaart dat u schuldig bent, en u spreekt Hem tegen; daarom blijft er een geschil tussen u en Hem bestaan dat nooit beëindigd kan worden totdat u uw schuld erkent en om vergeving smeekt.

God kan u in barmhartigheid behandelen zodra u zich bevindt op de plaats waar barmhartigheid u kan ontmoeten: de plaats van de schuldige zondaar. Maar als u zegt: “Ik ben niet schuldig,” en uzelf begint te verdedigen of te verontschuldigen, dan staat u op een grond die de Heere niet kan erkennen. Als u uzelf rechtvaardig noemt, hoe zou God u dan anders kunnen behandelen dan naar gerechtigheid? En als Hij u naar gerechtigheid behandelt, zal Hij zonder aarzelen getuigen oproepen, uw schuld bewijzen en u voor eeuwig veroordelen. Onderwerp u daarom aan God en zeg: “Schuldig, Heere. Ik leg de wapens van mijn opstand neer en erken dat ik voor U veroordeeld sta. Als ik gered word, dan moet dat alleen zijn door Uw vrije vergeving, door Uw onverdiende genade en door Uw grenzeloze liefde.”

Vervolgens moet een mens zich onderwerpen aan Gods heilsplan van genade alleen. God ontmoet de zondaar op basis van genade. Het is alsof Hij zegt: “Ik kan u niet vrijspreken, maar Ik kan u wel vergeven. Ik kan uw ontkenning van schuld niet aanvaarden, maar als u uw zonden belijdt, ben Ik trouw en rechtvaardig om u die te vergeven en u van alle ongerechtigheid te reinigen.” Bent u bereid, mijn beste toehoorder — bent u werkelijk bereid — om uitsluitend door genade gered te worden en uw verlossing van zonde en straf geheel toe te schrijven aan Gods vrije gunst? Wilt u zich daaraan overgeven? Ik hoop van harte van wel. Toch zijn er velen die dat niet willen, omdat zij hun eigen gerechtigheid proberen op te richten en zich niet onderwerpen aan de gerechtigheid van God.

Zij denken dat het trouw bezoeken van kerk of kapel, het luisteren naar preken, het bijwonen van gebedsbijeenkomsten, het lezen van de Bijbel en soortgelijke dingen hun wel enige aanspraak op God zullen geven. Maar, vrienden, laat varen dat u aanspraak zou kunnen maken op God. Zodra u met iets komt dat lijkt op een recht of verdienste, zal de Heere uw zaak niet aannemen, want u hebt geen enkele aanspraak. Doen alsof u die wel hebt, is een belediging voor God.

Als u meent rechten tegenover God te hebben, ga dan naar de rechtbank en verdedig uw zaak — maar het oordeel zal zeker tegen u uitvallen, want door de werken van de wet zal geen mens gerechtvaardigd worden. Probeer daarom een andere weg. Kom tot God zonder enige aanspraak, en beroep u enkel op Zijn ontferming. Zeg: “Heere, ik smeek om genade. Ik zal Uw vrije genade dankbaar aannemen, als U die aan mij wilt schenken.” Op die grond zult u aanvaard worden, want de Heere is genadig en wijst niemand af die tot Hem komt en zijn zonden belijdt.

U moet zich ook onderwerpen aan Gods weg van verlossing door middel van een verzoenend offer en door persoonlijk geloof in dat offer. U moet Zijn Zoon erkennen als goddelijk, en geloven in het verzoenende bloed dat voor velen vergoten is tot vergeving van zonden. Toch zou het geen moeite moeten kosten om uw hart hieraan over te geven. Verlossing door de grote Middelaar is immers zo’n heerlijke weg van redding — zo rechtvaardig tegenover God en zo veilig voor de mens — dat wij van vreugde in onze handen zouden moeten klappen bij de gedachte dat zo’n koninklijke weg naar de hemel voor ons geopend is. Wat zegt u daarop, beste toehoorders? Brengt de Heilige Geest u ertoe te vertrouwen op het bloed van Jezus?

 

 

Uiteindelijk komt het hier op neer: u moet zich als schuldige zondaar aan Gods voeten neerwerpen en zeggen: “Wees mij genadig, o Heere, wees mij genadig op Uw eigen wijze. Ik schrijf U niets voor, maar smeek slechts om Uw genade. Nederig vraag ik om vergeving; wees zo goed U over mij te ontfermen. Ik geef mijzelf aan U over en vraag U mij heilig te maken. Vanuit het diepst van mijn hart geef ik de liefde voor de zonde op. Ik vrees dat ik nog zal zondigen; help mij mijzelf te verafschuwen wanneer ik dat doe. Maak mij tot wat U wilt dat ik ben, en handel daarna met mij zoals U wilt. Ik stel geen voorwaarden; mijn overgave is onvoorwaardelijk. Vernieuw mij alleen omwille van Uw barmhartigheid, maak mij tot Uw kind en red mij. Zoals U mij opdraagt op Uw Zoon te vertrouwen, zo vertrouw ik op Hem. Heere, ik geloof; kom mijn ongeloof te hulp.”

U zult vrede vinden wanneer uw hart tot dit punt gebracht is. Op dit moment geneest uw wond niet, omdat zij eerst gereinigd moet worden. Het gruis van hoogmoed is erin gevallen en veroorzaakt een pijnlijke ontsteking. Maar wanneer de hoogmoed verdwenen is en u zich volledig onderwerpt, dan zal de wond genezen en zullen uw verbrijzelde beenderen zich verheugen. Ik vraag u niet zich aan een priester te onderwerpen, en ook niet aan een gewoon mens. Maar ik spreek in alle ernst wanneer ik zeg: “Onderwerpt u aan God.” Dat is natuurlijk, juist en goed; ja, het brengt het hoogste goed voor uzelf met zich mee. Onderwerping is onmisbaar voor de verlossing. Buig u daarom onmiddellijk voor de Heere.

Moge de Heere die koppige wil verbreken en dat eigenzinnige hart overwinnen. Geef u over aan God en bid om bevrijd te worden van toekomstige opstandigheid. En als u zich al hebt onderworpen, doe dat dan nog vollediger, want juist daaraan zal men christenen herkennen: dat zij zich aan God onderwerpen. Maar als u weigert zich te onderwerpen, dan is uw geloof slechts schijn, uw hoop een waanbeeld, uw gebed een belediging en uw vrede pure aanmatiging. Uw einde zal dan wanhoop zijn. Want opstandigheid is als de zonde van toverij, en koppigheid als ongerechtigheid en afgoderij. “Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren, de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.”

II. Maar nu, ten tweede, nu wij aldus hebben gesproken over de grote plicht tot onderwerping, laten wij de andere en VOLGENDE VOORSCHRIFTEN in beschouwing nemen.

Ik denk niet dat mijn vermoeden onredelijk is wanneer ik mijn vrees uitspreek dat de boodschap die de laatste tijd zo wijd en zijd wordt verkondigd – en die in sommige opzichten ook zeer nuttig is geweest –, namelijk: “Geloof alleen en u zult zalig worden” – soms volkomen verkeerd is begrepen door degenen die deze boodschap hebben gehoord. Er zijn gevallen waarin jonge mensen een lichtzinnig, oppervlakkig, onbezonnen en zelfs goddeloos leven blijven leiden, terwijl zij toch beweren dat zij in Jezus Christus geloven. Wanneer men hen nader onderzoekt, blijkt dat hun geloof in Christus eenvoudig inhoudt dat zij geloven dat Hij hen heeft gered, terwijl iedereen die hun levenswandel kent duidelijk kan zien dat zij helemaal niet gered zijn. Wat is hun geloof dan anders dan het geloven van een leugen?

Zij leven nog precies zoals vroeger. Daarom is het duidelijk dat zij niet gered zijn van hun vroegere dwaze levenswijze, niet van hun verkeerde karakter, en niet van hun oude zonden. Toch proberen zij zichzelf wijs te maken dat zij gered zijn. Maar waar geloof gelooft nooit leugens. Aanmatiging leeft van leugens, maar geloof voedt zich uitsluitend met de waarheid. Mijn geloof leert mij niet te geloven dat ik gered ben, terwijl ik recht voor ogen het bewijs zie dat ik niet gered ben, omdat ik nog leef in de zonde waarvan ik beweer verlost te zijn. Daarom moeten wij, terwijl wij geen moment afdoen aan de leer van de rechtvaardiging door het geloof en de vrije genade van de verlossing, tegelijk steeds opnieuw die andere, even wezenlijke waarheid verkondigen: “Gij moet wedergeboren worden.”

Wij moeten opnieuw nadruk leggen op dat grote oude woord dat door sommige evangelisten naar de achtergrond is geschoven: “Bekeert u.” Bekering is even noodzakelijk voor de verlossing als geloof. Er bestaat immers geen waar geloof zonder bekering — behalve dat geloof waarvan men zich juist moet bekeren. Een geloof zonder tranen zal het Koninkrijk van God nooit binnengaan. Een heilige afkeer van de zonde gaat altijd samen met een kinderlijk vertrouwen op de Zondedrager. Waar de wortel van het geloof werkelijk aanwezig is, zullen ook andere genaden daaruit voortkomen.

Let er nu op hoe de Geest van God, nadat Hij ons heeft opgeroepen tot onderwerping, verder laat zien wat er nog meer nodig is. Hij roept ons op tot een moedig verzet tegen de duivel: “Weersta de duivel, en hij zal van u vlieden.” Verlossing is niet slechts iets passiefs; de ziel moet opgewekt worden tot actieve strijd.

Ik moet mij in de armen van Christus werpen, zodat Hij mij kan redden, en volledig op Hem vertrouwen. Maar wanneer ik werkelijk op Hem vertrouw, ontvang ik nieuw leven — en de eerste uiting van dat leven is dat het met al zijn kracht strijdt tegen de vijand van Christus en van mijn eigen ziel. Ik moet niet alleen de zonde bestrijden, maar ook de geest die de zonde voedt en aanwakkert. Ik moet zowel de verborgen macht van het kwaad weerstaan als de uiterlijke zondige daden.

“O,” zegt iemand, “ik kan die diepgewortelde gewoonte niet opgeven.” Mijn vriend, u móét haar opgeven; u moet de duivel weerstaan, anders zult u verloren gaan. “Maar ik doe dit al zo lang,” zegt een ander. Dat kan zo zijn, maar als u werkelijk op Christus vertrouwt, dan zal uw eerste inspanning erin bestaan tegen die zondige gewoonte te strijden.

En zelfs als uw gevaar niet alleen een gewoonte of een neiging is, maar een sluwe geestelijke vijand die sterk en listig is en op alle fronten strijd voert, dan nog mag u niet toegeven. U moet vastbesloten zijn weerstand te bieden tot het einde toe, bemoedigd door de genadige belofte dat de duivel van u zal vluchten. In de naam van Jezus zult u de verleiding overwinnen, de slechte gewoonte bedwingen en aan de slavernij ontsnappen. Strijd slechts om vrij te worden en veracht de ketenen van de zonde.

Als u vrede met God wilt hebben, moet u oorlog voeren tegen satan. U kunt geen innerlijke rust kennen en de vrede ervaren die het geloof schenkt, zolang u niet met heel uw hart strijdt tegen ieder kwaad en tegen de vorst van het kwaad, namelijk Satan. Bent u bereid dat te doen? Zonder die bereidheid zult u geen vrede vinden.

Vervolgens schrijft de apostel: “Nader tot God, en Hij zal tot u naderen.” Wie oprecht in Christus gelooft, zal veel bidden. Toch zijn er mensen die zeggen dat zij gered willen worden, terwijl zij het gebed verwaarlozen. Zij begrijpen niet waarom zij geen vreugde vinden in de godsdienst — maar waarom zouden zij zich daarover verbazen? Vraag het aan uw verwaarloosde binnenkamer; vraag het aan uw eigen hart hoe u gelukkig, geestelijk gezond en gezegend zou kunnen zijn terwijl u niet bidt.

Bedenk bovendien dat het eenvoudig opzeggen van woorden nog geen werkelijk gebed is. De kern van het gebed ligt in het hart dat zich tot God wendt — en dat kan zelfs zonder woorden gebeuren. Gebed is het diepe besef van Gods aanwezigheid en het verlangen van de ziel om tot Hem te naderen, Zijn invloed te ervaren, Zijn liefde te kennen, Zijn kracht te voelen en gevormd te worden naar Zijn wil.

Door de kracht van Gods Heilige Geest kan zulk gebed de hele dag doorgaan. Daarvan moeten wij iets leren kennen. “Zie, hij bidt” is een van de eerste kenmerken van een geredde ziel. En als u denkt dat u gered bent vanwege een kortstondige geloofsdaad waarvan u meent dat u die ooit hebt verricht, terwijl uw hart ver van God verwijderd blijft, zonder gebed en zonder verlangen naar Hem, dan verkeert u in een gevaarlijke misleiding. Dat is niet de leer van de Schrift en er is geen enkele belofte van God die zo’n gedachte ondersteunt. Wanneer het gebed geheel verwaarloosd wordt, is de ziel dood.

Het volgende gebod luidt: “Reinig uw handen, zondaars.” Wat? Spreekt het Woord van God werkelijk tot zondaars en zegt het dat zij hun handen moeten reinigen en hun hart moeten zuiveren? Ja, dat doet het. Misschien fluistert een broeder: “Ach, dat is arminianisme.” Maar wie bent u om tegen Gods Woord in te gaan? Als deze leer in het geïnspireerde Woord van God staat, hoe durven wij haar dan ter discussie te stellen? Zij komt tot ons met een duidelijk “zo zegt de Heere”: “Reinig uw handen, zondaars.”

Wanneer iemand tot God komt en zegt: “Ik ben bereid en verlang ernaar gered te worden, en ik vertrouw erop dat Christus mij zal redden“, terwijl hij tegelijkertijd zijn vuile handen blijft gebruiken voor zondige daden en blijft doen wat hij weet dat verkeerd is – verwacht hij dan werkelijk dat God naar hem luistert? Is er werkelijk een lange uitleg nodig om aan te tonen dat zo iemand niet gelooft en niet oprecht is tegenover de Allerhoogste?

“Reinig uw handen, zondaars.” Kunt u God vragen vrede met u te hebben terwijl uw handen nog steeds uw zonden liefkozen — terwijl zij vol zijn van steekpenningen, bezoedeld zijn door wellust, of gebald zijn tot vuisten van woede en toorn? Als uw handen het werk van de duivel verrichten, verwacht dan niet dat de Heere ze zal vullen met Zijn zegen. Dat kan niet. U moet breken met uw zonden door gerechtigheid. Zoals Paulus de adder van zijn hand in het vuur schudde, zo moet ook u uw zonde van u afwerpen.

Door de kracht van het geloof — als het werkelijk geloof is — zult u in staat zijn uw uiterlijke leven te reinigen. Want eerlijk gezegd: wanneer mensen spreken over geestelijkheid terwijl zij niet eens fatsoenlijk moreel leven, maakt het ons misselijk om naar hen te luisteren. Hoe durven zij zichzelf christenen noemen terwijl zij niet eens beter leven dan moslims of heidenen? O gij honden die uw eigen schande uitschreeuwen, welk deel hebt gij onder Gods kinderen zolang gij blijft bijten en verslinden en uw onreinheid liefhebt? Het heeft geen zin over verlossing te spreken zolang de zonde met beide handen aan het hart wordt vastgehouden. Weg met zulke huichelarij!

Daarna volgt het volgende gebod: “Zuiver uw harten, dubbelhartigen!” Kunnen mensen dat uit zichzelf doen? Zeker niet. Maar om vrede met God te ontvangen, moet er toch zóveel reiniging van het hart plaatsvinden dat het niet langer verdeeld blijft. Wie werkelijk verlossing zoekt, moet die zoeken met heel zijn hart — zo ernstig dat hij bereid is alles op te geven en alles te verdragen, als hij maar van de zonde verlost mag worden.

“Zuiver uw harten, dubbelhartigen!” Leg die wellustige blik af die naar onreinheid verlangt, en dat schele oog dat loert op wereldse winst. Want zolang uw hart niet volledig naar de Allerhoogste uitgaat, zal Hij u niet horen. Maar wanneer u met David kunt zeggen: “Mijn hart en mijn lichaam. roepen het uit tot de levende God,” dan zult u de Heere vinden. Wanneer u ophoudt twee heren te dienen en u zich werkelijk aan God onderwerpt, zal Hij u zegenen – maar niet eerder. Ik geloof dat dit precies de kern van het probleem is voor velen die geen vrede kunnen vinden: zij hebben de zonde niet werkelijk afgezworen en zoeken de verlossing niet met een onverdeeld hart.

Vervolgens maant de Heere ons: “Besef uw ellendige staat en treur en huil. Laat uw lachen veranderd worden in treuren en uw blijdschap in droefheid.” Het doet mij verdriet te moeten zeggen dat ik mensen ben tegengekomen die zeggen: “Ik kan geen vrede vinden, ik kan geen verlossing verkrijgen,” en daar op een keurige manier over spreken, terwijl zij buiten vervolgens met elkaar staan te giechelen alsof het allemaal een vorm van vermaak is. De rustdag wordt doorgebracht met ijdele, nutteloze en oppervlakkige gesprekken; van echte ernst lijkt nauwelijks sprake te zijn geweest. De hele zaak wordt behandeld alsof het een spel is. Sommige bekeerlingen lijken de godsdienst binnen te springen zoals iemand in een bad springt — en er vervolgens net zo snel weer uit te komen. Zij overdenken de zaak nooit werkelijk; er is geen diep nadenken, geen berouw over de zonde, geen vernedering voor God.

Houd op met dat lachen als u een ongeredde ziel bent — al is het alleen uit fatsoen, houd ermee op. Dat iemand lacht terwijl hij het gevaar loopt verloren te gaan, klinkt voor mij even afschuwelijk en huiveringwekkend als wanneer de duivels in de hel een theater zouden openen en daar een komedie zouden opvoeren. Welk recht hebt u om te lachen terwijl uw zonden niet vergeven zijn en God vertoornd op u is?

Nee, nader tot Hem op een meer gepaste wijze, anders zal Hij uw gebeden afwijzen. Wees ernstig. Denk na over de dood, het oordeel en de komende toorn. Dit zijn geen kleinigheden, vrienden, en ook geen onderwerpen om grappen over te maken. Ware godsdienst is evenmin iets wat men achteloos beoefent, alsof men met de vingers knipt en zegt: “Zo, presto! Klaar!” Zeker niet. Wanneer u werkelijk gered bent, wordt uw geest diep geraakt door eeuwige werkelijkheden. Dan neemt u zaken van leven en dood ernstig. De gedachte aan zonde doet u pijn, en omdat u er dagelijks mee te maken hebt, leeft u in voortdurende nederigheid en droefheid over het kwaad. Ik vrees dat velen geen vrede vinden omdat het voor hen nooit een ernstige zaak is geworden. Zij spelen ermee alsof het een kinderspel is, in plaats van iets waarmee hart en ziel zich met diepe bezorgdheid zouden moeten bezighouden.

Daarna vat de Heere Zijn bevelen samen met de woorden: “Verneder u voor de Heere.” Daarmee wil ik afsluiten. Er moet een diepe en nederige onderwerping van het hart aan God zijn. Stel dat u een zoon hebt die zich hardnekkig tegen u verzet. U hebt hem daarvoor gestraft, maar hij blijft opstandig. Dan zegt u tegen hem dat hij zich moet vernederen voordat u hem kunt vergeven. Als hij verstandig is en aan uw toorn wil ontkomen, zal hij zijn schuld erkennen, toegeven dat hij verkeerd heeft gehandeld en een beroep doen op uw liefde — en dan vergeeft u hem vrijelijk.

Maar bij velen die zeggen tot God te komen, ontbreekt die nederigheid volledig. Zij erkennen niet werkelijk dat zij ernstig gezondigd hebben, en het lijkt hun nauwelijks iets te kunnen schelen of dat wel zo is. Toch hebben zij gehoord dat er zoiets bestaat als geloven in Jezus, en daarom zeggen zij dat zij geloven — niet omdat zij de noodzaak ervan voelen, maar eenvoudig omdat het zo hoort. Ach, vrienden, Jezus Christus kwam niet om gezonden te genezen, maar zieken. Hij stierf niet om mensen te verbinden die niet gebroken zijn, noch om hen levend te maken die nooit gestorven zijn aan zichzelf. Er moet in u — en moge God het schenken — een verbrokenheid van geest zijn. Want een gebroken en verslagen hart zal Hij niet verachten.

Als uw hart nog nooit verbroken is geweest, hoe kan Hij het dan verbinden? Als het nooit gewond is geraakt, hoe kan Hij het dan genezen? Dit zijn ernstige zaken, en ik spreek er met nadruk over, opdat niemand van u misleid zou worden. Moge God u ertoe brengen uit te roepen: “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg.” Dit is de weg tot verlossing: dat u gelooft in Jezus Christus, Die God gezonden heeft. Maar bedenk goed dat Hij ons redt van onze zonden — niet terwijl wij in onze zonden blijven leven. Het geloof in Jezus Christus redt, en het zal allen redden die dat geloof bezitten, maar het doet dat door de zonde weg te nemen en te reinigen.

Het geloof verzekert ons ervan dat wij vergeving hebben ontvangen, en juist daardoor leren wij Christus liefhebben, door Wie wij vergeven zijn. Die liefde brengt ons ertoe onze zonden te haten en onszelf daarom te verafschuwen; vervolgens verlangen wij ernaar daarvan gereinigd te worden door Zijn Geest.Geloof zonder werken is dood, omdat het op zichzelf staat. Hoewel een mens gerechtvaardigd wordt door het geloof en niet door werken — ja, door het geloof alleen, en zelfs niet gedeeltelijk door eigen werken — is het geloof dat werkelijk redt altijd een geloof dat goede werken voortbrengt en leidt tot een leven van heiligheid.

Wie niet streeft naar gerechtigheid en ware heiligheid, is, wat hij ook beweert te zijn, dood terwijl hij leeft. Moge de Heere u genadig zijn, om Christus’ wil. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content