Aanneming – De voorbestemming om als Zijn kinderen aangenomen te worden

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon, in Exeter Hall, Strand.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Hij heeft ons voorbestemd om als Zijn kinderen aangenomen te worden, door Jezus Christus, in Zichzelf, overeenkomstig het welbehagen van Zijn wil. Ef. 1:5

Het is zowel een leer van de Schrift als een conclusie van het gezonde verstand dat alles wat God in de tijd doet, door Hem in de eeuwigheid is voorbestemd. Sommigen bekritiseren echter de goddelijke voorbestemming en trekken de rechtvaardigheid van Gods eeuwige besluiten in twijfel. Wanneer zij zich echter zouden realiseren dat de voorbestemming zich tot de geschiedenis verhoudt als een bouwplan tot het gebouw dat ervan wordt gemaakt, zouden zij wellicht iets begrijpen van de onredelijkheid van hun verzet.

Ik heb nog nooit een geleerde horen klagen over Gods daadwerkelijke handelen, maar wel heb ik mensen horen twijfelen aan de rechtvaardigheid van Zijn eeuwige raadsbesluiten. Toch geldt: als een daad op zichzelf goed is, dan moet ook Gods voornemen om die daad te verrichten goed zijn. Als u geen onjuistheden kunt vinden in de feiten zoals zij zich in Gods voorzienigheid voordoen, hebt u ook geen grond om bezwaar te maken tegen de besluiten die aan die feiten ten grondslag liggen. Besluit en uitvoering zijn immers slechts twee kanten van dezelfde zaak.

Hebt u reden om God te verwijten dat Hij het goed heeft gevonden u of mij te redden? Waarom zou u Hem dan verwijten dat Hij van eeuwigheid heeft besloten ons te redden? Als het feit zelf aanvaardbaar is, zie ik niet waarom het besluit aanstootgevend zou zijn. Wanneer u niets afkeurt in wat God daadwerkelijk doet, kunt u moeilijk bezwaar maken tegen Zijn voornemen om het te doen.

Stel dat u geen bezwaar hebt tegen het feit dat ik vanmorgen preek. Kunt u mij dan verwijten dat ik gisteravond het voornemen heb gevormd om te preken? Of dat ik juist over dit onderwerp spreek? Als u vindt dat ik terecht dit onderwerp heb gekozen, hoe kunt u dan volhouden dat het verkeerd was om van tevoren te besluiten erover te spreken? Op dezelfde manier kunt u Gods voorbestemming niet afkeuren wanneer u Zijn daden goedkeurt.

De Schrift leert ons duidelijk dat alles wat God in de tijd doet, door Hem van eeuwigheid af is bedoeld en voorbestemd. Als ik geroepen ben, geloof ik dat God vóór de grondlegging van de wereld al had besloten mij te roepen. Als Hij mij heeft wedergeboren, geloof ik dat Hij dat van eeuwigheid heeft voorgenomen. En als Hij mij uiteindelijk zal verheerlijken en in de hemel brengen, geloof ik dat dit altijd Zijn bedoeling is geweest.

Wanneer u, op grond van rede, gezond verstand en Schrift, geen misverstand kunt vinden in Gods handelen, hoe kunt u dan een onjuistheid vinden in Zijn eeuwige voornemen om zo te handelen?

Toch zijn er enkele daden van God die, hoewel zij evenzeer verordend zijn als alle andere dingen, zo nauw verbonden zijn met de eeuwigheid dat het moeilijk is te zeggen of zij in de eeuwigheid of in de tijd hebben plaatsgevonden. De uitverkiezing is daarvan een voorbeeld. Allen die uitverkoren zijn, waren dat in de eeuwigheid evenzeer als zij het in de tijd zijn.

Maar geldt hetzelfde voor de aanneming tot kinderen en voor de rechtvaardiging? Mijn inmiddels in heerlijkheid opgenomen voorganger, dr. Gill, die deze leerstellingen grondig bestudeerde, stelde dat de aanneming tot kinderen een daad van God in de eeuwigheid was. Omdat de gelovigen van eeuwigheid uitverkoren waren, meende hij dat zij ook van eeuwigheid tot kinderen waren aangenomen.

Hij ging zelfs nog verder en betrok ook de rechtvaardiging hierbij. Volgens hem was Christus vóór alle tijden reeds door de Vader aanvaard en gerechtvaardigd als onze Vertegenwoordiger. Daarom moesten ook alle uitverkorenen vóór alle tijden in Christus gerechtvaardigd zijn geweest.

Hoewel zijn opvatting destijds veel weerstand opriep, meen ik dat er veel waarheid in schuilt. Omdat dit echter een diep en mysterieus onderwerp is, lijkt het mij verstandig vast te houden aan de leer dat allen die uiteindelijk gered worden, in de eeuwigheid zijn uitverkoren, waarbij zowel het doel als de middelen daartoe zijn vastgesteld.

Wat de aanneming tot kinderen betreft, geloof ik dat wij daartoe in de eeuwigheid zijn voorbestemd. Toch zijn er aspecten van die aanneming die mij ervan weerhouden te zeggen dat zij toen reeds volledig voltooid was. De daadwerkelijke overgang van een natuurlijke staat naar een staat van genade vormt immers een wezenlijk onderdeel van de aanneming, of staat er ten minste zo nauw mee in verband dat zij er nauwelijks van te scheiden is. Ik geloof dat dit alles in Gods eeuwige verbond besloten lag, maar niet dat het toen reeds volledig in de ervaring van de gelovige was gerealiseerd.

Hetzelfde geldt voor de rechtvaardiging. Toen Christus mijn schuld betaalde, werd die schuld werkelijk weggenomen. Toen Hij een volmaakte gerechtigheid verwierf, werd die mij toegerekend. Daarom kan ik als gelovige zeggen dat ik in Christus volmaakt was voordat ik geboren werd, aanvaard in Hem, zoals Levi in de lendenen van Abraham reeds door Melchizedek werd gezegend.

Toch leert de Schrift ook dat de rechtvaardiging op mij wordt toegepast wanneer ik geloof. “Gerechtvaardigd uit het geloof hebben wij vrede bij God door onze Heere Jezus Christus.” Daarom meen ik dat zowel de aanneming tot kinderen als de rechtvaardiging een diepe wortel hebben in de eeuwigheid en daar in wezen reeds voltooid waren, maar dat zij tevens een zodanige betrekking hebben op onze persoonlijke toestand en ervaring in de tijd, dat zij ook daadwerkelijk in het leven van iedere gelovige worden verwezenlijkt.

Misschien vergis ik mij in deze uitleg. Dit onderwerp vereist meer studie dan ik er tot nu toe aan heb kunnen besteden. Aangezien ik nog niet oud ben, verwacht ik gaandeweg een vollediger inzicht te verkrijgen in deze verheven en mysterieuze waarheden van het evangelie.

Toch merk ik dat de meeste gezaghebbende theologen leren dat rechtvaardiging en aanneming tot kinderen in ons leven plaatsvinden, terwijl ik tegelijkertijd in de Schrift veel aanwijzingen zie dat beide in zekere zin reeds in de eeuwigheid zijn volbracht. Daarom lijkt het mij het meest evenwichtige standpunt dat zij wezenlijk in de eeuwigheid zijn vastgesteld en voltooid, maar dat zij in de tijd daadwerkelijk op ons worden toegepast, in ons persoonlijk leven, geweten en ervaring. Zo kunnen zowel de Westminster Confessie als de opvatting van dr. Gill vanuit de Schrift worden verdedigd, zonder dat het ene standpunt het andere hoeft uit te sluiten.

Welnu, geliefden, laten wij het onderwerp van de voorbestemming voorlopig terzijde leggen en ons, voor zover de tijd het toelaat, uitvoerig bezighouden met de leer van de aanneming tot kinderen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil.

Wij willen daarbij drie aspecten overwegen. Ten eerste: de aanneming tot kinderen en de genade van God die daarin openbaar wordt. Ten tweede: de aanneming tot kinderen en de voorrechten die zij met zich meebrengt. Ten derde: de aanneming tot kinderen en de plichten die zij noodzakelijkerwijs oplegt aan ieder aangenomen kind.

I. Ten eerste: AANNEMING – DE GENADE DIE DAARIN OPENBAAR WORDT.

De aanneming tot kinderen van God is die daad van God waardoor mensen – die van nature, net als andere kinderen, kinderen des toorns waren en behoorden tot het verloren en verdorven geslacht van Adam – niet op grond van enige eigen verdienste, maar uitsluitend door Gods vrije genade, worden overgebracht uit de boze en verdorven familiegemeenschap van satan en ten volle worden opgenomen in de gezinsgemeenschap van God. Zij ontvangen Zijn Naam, delen in de voorrechten van zonen en zijn in alle opzichten waarachtige nakomelingen en kinderen van God.

Dit is een daad van zuivere genade. Geen mens kan ooit uit zichzelf aanspraak maken op het recht om aangenomen te worden. Indien ik dat recht bezat, zou ik de erfenis uit eigen verdienste ontvangen. Maar omdat ik geen enkel recht heb om een kind van God te zijn en uit mijzelf onmogelijk aanspraak kan maken op zo’n verheven voorrecht, is de aanneming tot kinderen uitsluitend het vrije en onverdiende gevolg van Gods genade.

Men zou zich nog kunnen voorstellen dat rechtvaardiging onder het werkverbond mogelijk was geweest, maar aanneming tot kinderen kan men zich onder dat verbond niet voorstellen. Men zou kunnen denken dat een mens, indien Adam niet gevallen was, de wet volmaakt had kunnen onderhouden en daardoor gerechtvaardigd zou zijn geworden. Maar zelfs in dat geval zou Adam geen recht hebben gehad op aanneming tot kind; hij zou een dienaar gebleven zijn en geen zoon.

Buiten alle tegenspraak staat vast dat die grote en heerlijke daad, waardoor God ons in Zijn gezin opneemt en ons verenigt met Jezus Christus als ons Verbondshoofd, opdat wij Zijn kinderen zouden zijn, een daad van zuivere genade is. Het zou reeds een daad van soevereine genade zijn geweest indien God iemand uit de meest vooraanstaande families had aangenomen; maar Hij heeft mensen aangenomen die kinderen van een opstandeling waren.

Van nature zijn wij kinderen van iemand die schuldig werd bevonden aan hoogverraad. Wij worden allen geboren als erfgenamen van een mens die tegen zijn Schepper zondigde en in opstand kwam tegen zijn Heere. Maar let hierop: ondanks de verdorvenheid van onze afkomst — geboren uit een dief die de vrucht uit de hof van zijn Meester stal, geboren uit een trotse verrader die het waagde tegen zijn God te rebelleren — heeft God ons toch in Zijn gezin opgenomen.

Men zou zich kunnen voorstellen dat God, toen Hij onze verachtelijke afkomst overwoog, tot Zichzelf had kunnen zeggen: “Hoe zou Ik u onder de kinderen plaatsen?” Met des te grotere dankbaarheid behoren wij ons te herinneren dat de genade ons, ondanks onze nederige en schuldige oorsprong, heeft opgenomen in het huisgezin van de Verlosser.

Laten wij daarom alle eer geven aan de vrije genade, die niet zag op de kuil waaruit wij zijn gegraven of op de groeve waaruit wij zijn gehouwen, maar ons plaatste onder het uitverkoren volk van de levende God.

Wanneer een aardse koning iemand in zijn familie zou opnemen, zou dat waarschijnlijk een zoon van zijn edelen zijn, of ten minste een kind van aanzienlijke afkomst. Nauwelijks zou hij de zoon van een misdadiger of een zigeunerkind tot zijn familie rekenen. Maar God heeft juist de alleronwaardigsten tot Zijn kinderen gemaakt.

Alle heiligen van God belijden dat zij de laatsten waren van wie zij ooit hadden durven denken dat God hen zou verkiezen. Daarom zingen zij:

“Wat was er in ons dat Uw ontferming verdiende,
Of U tot vreugde bracht?
Wij zingen eeuwig: ‘Het is, o Vader,
Omdat Gij het alzo hebt gedacht.’”

Laten wij niet alleen stilstaan bij onze afkomst, maar ook bij ons persoonlijke karakter. Wie zichzelf kent, zal nooit denken dat hij veel te bieden heeft om bij God in de gunst te komen. Bij andere vormen van adoptie is er doorgaans wel iets dat in het voordeel van het kind spreekt. Wanneer een iemand een kind adopteert, wordt hij daar soms toe bewogen door diens buitengewone schoonheid, of door zijn intelligente manieren en innemende karakter.

Maar, geliefden, toen God voorbijging langs het veld waar wij lagen, zag Hij geen tranen in onze ogen totdat Hij ze daar Zelf had gelegd. Hij zag geen berouw in ons totdat Hij ons bekering had geschonken. Er was geen schoonheid in ons die Hem ertoe kon bewegen ons te adopteren. Integendeel, wij waren alles wat afstotelijk was. En als Hij, toen Hij voorbijging, had gezegd: “Gij zijt vervloekt; ga voor eeuwig verloren,” dan zou dat niets anders zijn geweest dan wat wij hadden mogen verwachten van een God die zo lang was geprovoceerd en wiens majesteit zo ernstig was beledigd.

Maar nee. Hij vond een opstandig kind, een smerig, afschuwelijk en mismaakt kind. Toch nam Hij het aan Zijn borst en zei: “Hoe zwart u ook bent, in Mijn ogen bent u schoon door Mijn Zoon Jezus. Hoe onwaardig u ook bent, Ik bedek u met Zijn mantel, en in de kleding van uw Broeder aanvaard Ik u.” Zo nam Hij ons, geheel onheilig en onrein, precies zoals wij waren, en maakte Hij ons tot de Zijnen – Zijn kinderen, voor altijd de Zijnen.

Onlangs kwam ik langs het huis van een edelman, en iemand in de trein merkte op dat hij geen kinderen had. Er werd gezegd dat hij elke prijs ter wereld zou betalen als hij iemand zou kunnen vinden die bereid was afstand te doen van alle aanspraken op een zoon die hij ooit zou kunnen krijgen; dat het kind nooit meer met zijn ouders zou mogen spreken of door hen zou worden erkend; en dat deze edelman hem als zijn zoon zou adopteren en hem zijn gehele fortuin zou nalaten. Toch had hij grote moeite om ouders te vinden die bereid waren afstand te doen van hun verwantschap en hun kind volledig op te geven. Of dit verhaal waar is, kan ik niet zeggen.

Maar zo was het zeker niet met God. Zijn eniggeboren en geliefde Zoon was Hem meer dan voldoende. En als Hij een familie had gewild, waren daar de engelen; bovendien was Zijn eigen almacht ruimschoots toereikend om een ras van wezens te scheppen dat ver boven ons stond. Hij had absoluut niemand nodig om Zijn lievelingen te zijn. Daarom was onze aanneming een daad van eenvoudige, zuivere en onverdiende genade, en van niets anders. Hij betoont immers barmhartigheid aan wie Hij barmhartigheid wil betonen, en Hij schept er behagen in het wonderlijke karakter van Zijn neerbuigende liefde te openbaren.

Heeft u er ooit over nagedacht wat een grote eer het is om een zoon van God genoemd te worden? Stel dat een rechter een verrader voor zich had staan die op het punt stond ter dood veroordeeld te worden. Stel dat gerechtigheid en de wet eisten dat deze ellendeling zijn bloed zou vergieten door een vreselijke straf. Maar stel nu dat het voor de rechter mogelijk was om van zijn zetel af te stappen en te zeggen: “U bent een opstandeling, maar ik heb een manier gevonden om uw opstand te vergeven. Man, u bent vergeven!”

Een gloed van vreugde verschijnt op zijn wangen. “Man, u bent rijk gemaakt; zie, daar is rijkdom!” Opnieuw verschijnt er een glimlach op zijn gezicht. “Man, u bent zo sterk gemaakt dat u al uw vijanden zult kunnen weerstaan.” Opnieuw verheugt hij zich. En ten slotte zegt de rechter: “Man, u bent tot prins gemaakt. U bent opgenomen in de koninklijke familie, en op een dag zult u een kroon dragen. U bent nu evenzeer een zoon van God als u een zoon van uw eigen vader bent.”

U kunt zich voorstellen hoe zo’n arme man bij die gedachte van vreugde bijna bezwijkt. Hij wiens nek zojuist nog bestemd leek voor de strop, heeft nu zijn hoofd gereed voor een kroon. Hij die verwachtte gekleed te worden in het gewaad van een misdadiger en weggevoerd te worden naar de dood, zal nu worden verheven en bekleed met gewaden van eer.

Denk daarom, christen, aan de heerlijkheid die u wacht. Van uzelf verdiende u slechts gewaden van schande en smaad, maar u zult gewaden van heerlijkheid ontvangen. Behoort u nu tot Gods familie? Er is terecht gezegd: “Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.” Wij kennen de grootheid van de aanneming tot kinderen nog niet. Ja, ik geloof zelfs dat wij in de eeuwigheid nauwelijks in staat zullen zijn de oneindige diepte van Gods liefde te peilen die besloten ligt in die ene zegen: “Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.”

Toch meen ik dat hier iemand is die zegt: “Ik geloof, meneer, dat mensen aangenomen zijn omdat God voorziet dat zij heilig, rechtvaardig en trouw zullen zijn. Daarom heeft God hen ongetwijfeld aangenomen op grond van die vooruitziende kennis.” Dat is een bezwaar waarop ik vaak moet antwoorden. Stel, mijn vrienden, dat u en ik op een dag een reis naar het platteland zouden maken en iemand zouden vragen: “Meneer, kunt u mij vertellen waarom de wieken van die windmolen draaien?” Hij zou natuurlijk antwoorden: “Door de wind.” Maar stel dat u vervolgens zou vragen: “Wat veroorzaakt de wind?” en hij zou antwoorden: “De wieken van de windmolen.” Zou u dan niet denken dat hij een dwaas was?

Eerst vertelde hij u dat de wind de draaiing van de wieken veroorzaakt, en vervolgens beweert hij dat de wieken de wind veroorzaken; dat een gevolg de oorzaak zou zijn van datgene wat zelf de oorzaak is! Welnu, iedereen zal erkennen dat geloof een gave van God is en dat goede werken Gods werk zijn. Wat is dan de oorzaak van de goede werken van een christen? “Genade,” zullen zij antwoorden. Hoe kunnen goede werken dan de oorzaak van genade zijn? Waar blijft uw verstand als u zo redeneert? De gedachte is zo ongerijmd dat men er eerder om zou lachen dan haar serieus zou weerleggen; daarom laat ik haar rusten.

Ik zeg opnieuw, geliefden: als de vruchten bij een christen voortkomen uit de wortel, hoe kan de vrucht dan ooit de oorzaak van de wortel zijn? Als de goede werken van een mens hem uit genade zijn geschonken, hoe kunnen zij dan, onder welk voorwendsel ook, worden aangevoerd als de reden waarom God hem genade schenkt?

Het feit is dat wij van nature volkomen verloren en geruïneerd zijn. Er is geen enkele heilige in de hemel die niet veroordeeld zou zijn geweest en die het niet verdiend had veroordeeld te worden in het algemene oordeel over zondaars. Waarom God onderscheid heeft gemaakt, is een geheim dat alleen Hij kent. Hij had het recht dat onderscheid te maken als Hij dat wilde, en Hij heeft het gedaan.

Sommigen heeft Hij uitverkoren tot het eeuwige leven, tot lof van Zijn heerlijke genade. Anderen heeft Hij overgelaten om gestraft te worden voor hun zonden, tot lof van Zijn heerlijke gerechtigheid. In beide gevallen heeft Hij volkomen rechtvaardig gehandeld, want Hij heeft het recht te doen wat Hij wil met Zijn eigen schepselen.

Aangezien allen het verdienden gestraft te worden, heeft Hij het recht hen allen te straffen. Zoals Hij gerechtigheid met barmhartigheid heeft verzoend en oordeel met genade heeft verbonden, zo heeft Hij ook het recht sommigen te vergeven en genadig aan te nemen, terwijl Hij anderen onvergeven, ongewassen en ongered laat. Hij laat hen bewust de dwaling van hun eigen wegen volgen, Christus verwerpen, Zijn evangelie verachten en hun eigen zielen te gronde richten. Wie het hiermee oneens is, is het niet oneens met mij, maar met de Schrift. Ik hoef het niet te bewijzen; ik hoef het slechts te verkondigen. Wie hierover twist, twist met God. Laat hij die strijd dan zelf maar voeren.

II. Het tweede punt betreft DE VOORRECHTEN DIE ONS DOOR DEZE AANNEMING TOEKOMEN.

Ten behoeve van de jongeren onder ons – de leden van de gemeente – wil ik kort ingaan op de voorrechten die wij als kinderen van God genieten, zoals beschreven in onze historische geloofsbelijdenis. De meesten van u bezitten die belijdenis, en ik vertrouw erop dat u haar vanmiddag thuis zult bestuderen, als u daar gelegenheid toe hebt, en de betreffende passages zorgvuldig zult nalezen.

Het betreft het twaalfde artikel, over de aanneming tot kinderen, waarin we lezen: „Aan allen die gerechtvaardigd zijn, heeft God, in en ter wille van Zijn enige Zoon Jezus Christus, de genade van de aanneming tot kinderen geschonken, waardoor zij tot het volk van God worden gerekend en de vrijheden en voorrechten van Gods kinderen genieten; zij dragen Zijn Naam, ontvangen de Geest van de aanneming tot kinderen, hebben vrijmoedig toegang tot de troon der genade en kunnen uitroepen: ‘Abba, Vader’. Ze worden door Hem als een Vader bemind, beschermd, verzorgd en getuchtigd, maar nooit verstoten. Zij zijn verzegeld tot de dag der verlossing en erven de beloften als erfgenamen van de eeuwige zaligheid.”

Ik zal beginnen met de voorrechten van de aanneming. Er is één voorrecht dat niet in de Belijdenis wordt genoemd, maar dat er eigenlijk wel in opgenomen had mogen worden. Het is dit: Wanneer iemand in een gezin wordt geadopteerd en daardoor onder het gezag van zijn nieuwe vader komt, heeft hij niets meer te maken met de familie die hij heeft verlaten. Hij is bevrijd van de onderworpenheid aan degenen van wie hij is weggegaan. Zo heeft ook de vorst van deze wereld, op het moment dat ik uit de familie van satan word weggenomen, niets meer met mij te maken als vader. Hij is mijn vader niet langer. Ik ben geen zoon van satan meer; ik ben geen kind van de toorn meer. Op het moment dat ik uit de familie van de wet word weggenomen, heb ik ook niets meer te maken met Hagar. Als Hagar zich nog met mij wil bemoeien, zeg ik tegen haar: “Sarah is mijn moeder, Abraham is mijn vader. Hagar, u bent mijn dienstmaagd, en ik ben niet de uwe. U bent een slavin, en ik zal niet uw slaaf zijn, want u bent de mijne.”

Wanneer de wet tot een christen komt met al haar verschrikkelijke dreigementen en vreselijke veroordelingen, zegt de christen: “Wet, waarom bedreigt u mij? Ik heb niets meer met u te maken. Ik volg u als mijn richtsnoer, maar ik erken u niet als mijn heerser. Ik neem u als voorbeeld en maatstaf, omdat ik geen betere morele levensregel ken, maar ik sta niet onder uw veroordelende vloek. Neem plaats op uw rechterstoel, o wet, en veroordeel mij als u wilt; ik glimlach om uw vonnis, want u bent mijn rechter niet. Ik sta niet onder uw rechtsmacht; u hebt geen bevoegdheid mij te veroordelen.”

Zoals de oude godgeleerden plachten te zeggen: “Als de koning van Spanje een inwoner van Schotland zou veroordelen, wat zou die dan antwoorden? Hij zou zeggen: ‘Veroordeel mij gerust, maar ik sta niet onder uw rechtsmacht.’”

Zo zegt ook de heilige wanneer de wet hem veroordeelt: “Als mijn Vader mij veroordeelt en kastijdt, dan buig ik mij in kinderlijke onderwerping, want ik heb Hem beledigd. Maar, o wet, ik sta niet langer onder uw gezag. Ik ben van u bevrijd. Ik zal uw vonnis niet aanhoren, noch acht slaan op uw donderslagen. Alles wat u tegen mij kunt doen, doe het maar tegen Christus — of liever gezegd, u hebt het al gedaan. Als u straf eist voor mijn zonde, zie dan mijn Plaatsvervanger. Eis die straf niet van mij. U beschuldigt mij van schuld; dat is waar, ik ben schuldig. Maar het is evenzeer waar dat mijn schuld op het hoofd van de zondebok is gelegd. Ik behoor niet meer tot uw familie. Ik hoef niet door u getuchtigd te worden. Ik verlang geen wettelijke kastijding, geen wettelijke straf. Ik leef onder de bedeling van het evangelie en niet onder die van u. Ik ben een kind van God en niet uw dienaar.”

Wij hebben de plicht onze huidige Vader te gehoorzamen, maar met betrekking tot de familie waartoe wij vroeger behoorden, hebben wij niets meer te maken. Dat is geen gering voorrecht. O, dat wij het goed zouden begrijpen, het zouden waarderen en zouden wandelen in de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt!

Maar nu verder. Zoals de Belijdenis zegt, is een van de grote zegeningen die God ons schenkt dat Zijn Naam op ons is gelegd. Hij zal ons een nieuwe naam geven, zoals de belofte in het boek Openbaring luidt. Wij zullen genoemd worden naar de Naam van God.

Denk daar eens over na, broeders. Wij zijn mensen, maar wij zijn nu Gods mensen. Wij zijn niet langer slechts stervelingen. Dat zijn wij nog wel in onszelf, maar door goddelijke genade zijn wij uitverkoren onsterfelijken geworden — Gods zonen, door Hem tot Zich genomen. Bedenk, christen, dat u Gods Naam draagt. Let ook op een andere zegen. Wij hebben niet alleen de naam van kinderen ontvangen, maar ook de geest van kinderen. Wanneer een mens een kind adopteert, kan hij dat kind niet zijn eigen natuur geven. Als het kind bijvoorbeeld dwaas is, kan het dat blijven; hij kan het niet veranderen in een kind dat werkelijk op hem lijkt.

Maar onze hemelse Vader doet meer. Wanneer Hij ons aanneemt, geeft Hij ons niet alleen de naam van kinderen, maar ook de natuur van kinderen. Hij schenkt ons een natuur die lijkt op die van Zijn geliefde Zoon Jezus Christus. Eens hadden wij de natuur van onze vader Adam na zijn val; die neemt God weg. Daarvoor in de plaats geeft Hij ons een natuur die naar Zijn beeld is gevormd. Hij overwint de oude natuur en legt de natuur van kinderen in ons hart. Hij zendt de Geest van Zijn Zoon in onze harten, waardoor wij roepen: Abba, Vader.

Hij geeft ons de gezindheid en het karakter van kinderen, zodat wij door genade evenzeer deelhebben aan de geest van Gods kinderen als wanneer wij van nature Zijn wettig geboren kinderen waren geweest in plaats van aangenomen kinderen. Broeders, aanneming verzekert ons van wedergeboorte, en wedergeboorte verzekert ons van de natuur van kinderen. Daardoor worden wij niet alleen kinderen genoemd, maar ontvangen wij ook daadwerkelijk deel aan Gods genade, zodat wij door onze nieuwe natuur levende kinderen van God zijn geworden — werkelijk en waarachtig aan Hem gelijkvormig gemaakt.

De volgende zegen is dat wij, nu wij aangenomen zijn, toegang hebben tot de troon. Wanneer wij voor Gods troon verschijnen, is er één zaak waarop wij altijd mogen pleiten: onze aanneming tot kinderen. De engel die de genadetroon bewaakt, zou ons kunnen tegenhouden en vragen: “Op welke grond komt u hier? Komt u als onderdaan of als dienaar? Dan hebt u geen recht om binnen te komen. Maar komt u als zoon, kom dan binnen en wees welkom.”

Kunt u in uw gebeden zeggen dat u een zoon bent, christen? Wees dan nooit bang om te bidden. Zolang u zich bewust bent van uw zoonschap, zult u met vrijmoedigheid vragen wat u nodig hebt. U kunt immers zeggen: “Vader, ik vraag dit niet als een dienaar. Als ik een dienaar was, zou ik slechts loon verwachten, en omdat ik als dienaar ongehoorzaam ben geweest, zou ik het loon van eeuwige toorn verdienen. Maar ik ben Uw zoon. Hoewel ik Uw regels vaak heb overtreden en Uw tuchtiging verdien, ben ik toch, ondanks alles wat ik in mijzelf ben, Uw zoon door aanneming en genade. Stuur mij niet weg. Verjaag mij niet van Uw knie. Ik ben Uw eigen kind. Ik beroep mij op dit getuigenis: ‘De Geest getuigt met mijn geest dat ik een kind van God ben.’ Vader, zult U Uw zoon verloochenen?”

Wat? Zal Hij hem wegsturen die pleit op grond van zijn Oudere Broeder, door Wie hij tot Gods kind en mede-erfgenaam van alle dingen met Christus is gemaakt? Nee, geliefden, dat zal Hij niet doen. Hij zal Zich opnieuw tot ons wenden. Hij zal ons gebed verhoren. Hij zal ons genadig zijn. Als wij Zijn kinderen zijn, mogen wij met vrijmoedigheid naderen tot de genade waarin wij staan en met vertrouwen toegang hebben tot de troon van de hemelse genade.

Een andere zegen is dat God medelijden met ons heeft. Denk daar eens aan, kinderen, te midden van al uw lijden en verdriet. “Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen die Hem vrezen.”

Ligt u ziek op bed? Dan staat de Heere aan uw ziekbed en heeft Hij medelijden met u. Wordt u door satan verzocht? Dan ziet Christus op u neer en voelt Hij in Zijn hart uw zuchten en uw gekreun. Bent u vanmorgen hier gekomen met een bezwaard hart en een moedeloze geest? Bedenk dan dat Gods liefdevolle hart met u meevoelt. Christus draagt op Zijn wijze opnieuw wat elk lid van Zijn lichaam draagt. Hij heeft medelijden met u, en dat medelijden van God is een van de rijke troostbronnen die door uw aanneming tot kind in uw hart vloeien.

Een tweede zegen is dat Hij u beschermt. Zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels beschermt tegen roofvogels die op hun leven uit zijn, zo omringt de Heere Zijn kinderen met Zijn liefdevolle armen. Geen enkele vader zal toelaten dat zijn zoon sterft zonder alles in het werk te stellen om de vijand te weerstaan die hem wil doden. Evenmin zal God ooit toestaan dat Zijn kinderen omkomen zolang Zijn almacht hen kan beschermen. Als die eeuwige arm ooit verlamd zou raken, als die eeuwige hand ooit zou ophouden almachtig te zijn, dan zou u kunnen omkomen. Maar zolang uw Vader leeft, zal Zijn schild uw behoud zijn en zal Zijn sterke arm uw doeltreffende bescherming vormen.

Daarbij komt dat er niet alleen bescherming is, maar ook voorziening. Iedere vader zorgt, naar beste vermogen, voor zijn kinderen. Zo zal God dat ook doen. Indien u aangenomen bent tot Zijn kind, overeenkomstig Zijn eeuwige voornemen, zal Hij zeer zeker voor u zorgen.

“God zal alle nodige genade schenken,
Gena met heerlijkheid bekroont;
Hij geeft al wat waarlijk goed mag heten,
En onthoudt oprechte zielen het goede niet.”

U zult zowel aardse als geestelijke zegeningen ontvangen, en dat alles omdat u Gods zoon bent, Zijn verlost kind, dankzij het bloed van Jezus Christus. Daarnaast zult u ook onderwijs ontvangen. God zal al Zijn kinderen onderwijzen totdat Hij hen heeft gevormd tot volmaakte mensen in Christus Jezus. Hij zal u leerstelling na leerstelling bijbrengen. Hij zal u leiden in alle waarheid, totdat u uiteindelijk, vervolmaakt in hemelse wijsheid, geschikt zult zijn om u aan te sluiten bij uw medeburgers in de grote hemel hierboven.

Er is echter nog iets dat u misschien weleens vergeet, maar dat u zeker zult ervaren als u een zoon van God bent: Gods roede. Ook dat is een vrucht van de aanneming tot kinderen. Als wij de roede niet ontvangen, mogen wij vrezen dat wij geen kinderen van God zijn.

God is geen dwaze vader. Wanneer Hij een kind aanneemt, doet Hij dat om een liefdevolle en wijze Vader voor dat kind te zijn. Hoewel Hij niet van harte kwelt en de mensenkinderen niet moedwillig bedroeft; hoewel Zijn slagen, wanneer zij gevoeld worden, minder talrijk zijn dan onze misdaden en lichter dan onze schuld verdienen, spaart Hij de roede toch niet. Hij weet dat Hij Zijn kinderen zou ruïneren als Hij dat wel deed. Daarom gebruikt Hij haar soms niet met een spaarzame hand. Dan laat Hij hen schreien en zuchten, terwijl zij denken dat Hij hun vijand geworden is.

Maar zoals de Belijdenis het zo treffend verwoordt, geheel overeenkomstig de Schrift: “Ze worden door Hem als een Vader bemind, beschermd, verzorgd en getuchtigd, maar nooit verstoten. Zij zijn verzegeld tot de dag der verlossing en erven de beloften als erfgenamen van de eeuwige zaligheid.” Het is een grote leer van de Schrift dat God Zijn kinderen niet kan en ook niet wil verstoten.

Ik heb mij vaak afgevraagd hoe iemand enige samenhang in de Schrift kan zien wanneer men leert dat Gods volk de ene dag kinderen van God is en de volgende dag kinderen van satan. Het zou mij niet weinig verbazen als ik een collegezaal binnenliep en de docent zou horen beweren dat mijn kinderen vandaag mijn kinderen zijn en morgen de zijne. Ik zou hem aankijken en zeggen: “Dat begrijp ik niet. Als zij werkelijk van mij zijn, dan zijn zij van mij; en als zij niet van mij zijn, dan zijn zij niet van mij. Maar ik zie niet in hoe zij vandaag van mij kunnen zijn en morgen van u.”

Het is een feit dat degenen die zulke dingen verkondigen in wezen geloven in een verlossing die afhankelijk is van werken, hoezeer zij dat ook proberen te verhullen met allerlei voorbehouden en verfijnde formuleringen. Er is evenveel behoefte aan een Luther die zich tegen hen uitspreekt als er destijds behoefte was aan Luther om zich tegen de rooms-katholieken te verzetten.

Ach, geliefden, wat is het goed te weten dat onze positie niet van die aard is. Als wij kinderen van God zijn, kan niets ons van dat kindschap beroven. Hoewel wij als kinderen geslagen en gecorrigeerd worden, zullen wij nooit gestraft worden door uit de familie te worden verstoten of op te houden kinderen te zijn. God weet hoe Hij Zijn eigen kinderen van de zonde moet bewaren. Hij zal hun nooit de vrijheid geven om te doen wat zij willen. Hij zal tot hen zeggen: “Ik zal u niet doden — dat kan Ik niet doen — maar deze roede zal u treffen, en onder die roede zult u zuchten en schreien.” Zo leert Hij hen de zonde te haten, zich aan Hem vast te klemmen en in heiligheid te wandelen tot het einde toe.

Dit is geen losbandige leer, juist omdat er een roede van tuchtiging is. Als die roede er niet was, zou het inderdaad gevaarlijk zijn te leren dat Gods kinderen nooit gestraft zullen worden. Dat zullen zij ook niet, voor zover het gaat om de straf van de wet; geen rechter zal hen veroordelen. Maar aan vaderlijke tuchtiging zullen zij niet ontkomen. “Ik heb u boven alle volken van de aarde liefgehad,” zegt God, “daarom zal Ik u straffen om uw ongerechtigheden.” Ten slotte geldt: zo zeker als wij door aanneming kinderen van God zijn geworden, zo zeker zullen wij ook de beloften erven die daarmee verbonden zijn. “Indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus.” En: “Indien wij met Hem lijden, zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden.”

III. En tot slot is er nog het volgende: ER ZIJN ENKELE VERPLICHTINGEN DIE VERBAND HOUDEN MET DEZE AANNEMING.

Wanneer de gelovige wordt opgenomen in het gezin van de Heere, worden vele oude banden verbroken. De verbondenheid met de oude Adam en met de wet houdt onmiddellijk op. Daarvoor in de plaats komt een nieuwe verhouding: hij staat nu onder de wet van de genade, onder nieuwe regels en onder een nieuw verbond.

En nu wil ik u, kinderen van God, wijzen op uw plichten. Omdat u Gods kinderen bent, bent u geroepen Hem te gehoorzamen. U hebt niets meer te maken met een slaafse geest; u bent een kind. Maar juist als kind bent u verplicht de geringste wens van uw Vader en de kleinste aanwijzing van Zijn wil te gehoorzamen.

Wat vraagt Hij van u? Verlangt Hij dat u deze of gene voorschrift naleeft? Doe dat dan niet op eigen risico, want daarmee bent u ongehoorzaam aan uw Vader, die dit van u vraagt. Beveelt Hij u om ernaar te streven om als Jezus te zijn? Streef er dan naar. Zegt Hij tegen u: “Wees volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is”? Streef daar dan naar, niet omdat de wet het gebiedt, maar omdat uw Vader het zegt. Streef ernaar volmaakt te worden in liefde en in heiligheid.

Gebiedt Hij u elkaar lief te hebben? Heb elkaar dan lief, niet omdat de wet zegt: “Gij zult de Heere uw God liefhebben”, maar omdat Christus zegt: “Indien gij Mij liefhebt, onderhoud dan Mijn geboden”; en dit is het gebod dat Hij ons gegeven heeft: dat wij elkaar liefhebben. Wordt u opgedragen de armen te ondersteunen en voor de noden van de heiligen te zorgen? Doe dat dan niet omdat u meent wettelijk verplicht te zijn, maar omdat Christus het zegt. Hij is uw Oudere Broeder, de Meester van het huis, en u voelt zich op de meest liefdevolle wijze verplicht Hem te gehoorzamen.

Staat er geschreven: “Heb God lief met geheel uw hart”? Kijk dan naar dat gebod en zeg: “Ach, gebod, ik zal trachten u te vervullen. Christus heeft u reeds volmaakt vervuld; daarom hoef ik dat niet te doen om behouden te worden. Maar ik zal ernaar streven u te gehoorzamen, omdat God nu mijn Vader is en Hij een nieuwe aanspraak op mij heeft.”

Zegt God: “Gedenk de sabbatdag, dat je die heiligt”? Dan herinner ik mij ook wat Jezus zei: “De sabbat is gemaakt voor de mens, niet de mens voor de sabbat.” Daarom wil ik geen slaaf van de sabbat zijn. Maar zoals mijn hemelse Vader op de zevende dag rustte, zo wil ook ik rusten van mijn eigen werken. Ik wil niet proberen Gods gunst te verdienen door mijn eigen inspanningen. In plaats daarvan wil ik barmhartigheid bewijzen, goeddoen aan anderen en God dienen als een liefhebbend kind zijn vader dient.

Omdat mijn Vader rustte, rust ik in het volbrachte werk van Christus. Maar omdat de Vader nog steeds werkzaam is en Jezus zegt: “Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook”, zie ik het niet als een schending van de sabbat wanneer ik iets doe dat helpt, geneest of nood verlicht. Zo moet u ook naar de Tien Geboden kijken. Zie ze niet alleen als een wet die op stenen tafelen staat geschreven. Zie ze als onderdeel van het evangelie, geschreven in uw hart. Gehoorzaam ze niet om daarmee Gods gunst te verdienen, maar omdat Gods genade je heeft veranderd. Want u leeft niet onder de wet als weg tot redding, maar onder de genade.

Gelovige, er is nog een andere plicht, namelijk deze: als God uw Vader is en u Zijn kind bent, dan bent u verplicht Hem te vertrouwen. O, als Hij slechts uw Meester was en u slechts een arme dienaar, dan zou u Hem nog moeten vertrouwen. Maar nu u weet dat Hij uw Vader is, hoe zou u dan ooit aan Hem kunnen twijfelen? Ik kan aan ieder mens in deze wereld twijfelen, maar aan mijn vader twijfel ik niet. Als hij iets zegt of iets belooft, weet ik dat hij het zal doen als het in zijn vermogen ligt. Als hij mij iets meedeelt, kan ik zijn woord niet wantrouwen. En toch, kind van God, hoe vaak wantrouwt u uw hemelse Vader! Doe dat toch niet langer. Laat God waarachtig zijn en ieder mens een leugenaar. Twijfel niet aan uw Vader.

Wat! Zou Hij u een leugen vertellen? Zou Hij u misleiden? Nee. Wanneer uw Vader spreekt, meent Hij wat Hij zegt. Kunt u Zijn liefde niet vertrouwen? Zou Hij u laten wegzinken terwijl Hij machtig is u staande te houden? Zou Hij u laten verhongeren terwijl Zijn schuren vol zijn? Zou Hij u laten sterven van dorst terwijl Zijn wijnpersen overlopen van nieuwe wijn? Is het vee op duizend bergen van Hem, en zou Hij u een maaltijd onthouden? Is de aarde van de Heere en alles wat haar vervult, en zou Hij u arm, leeg en ellendig laten voortgaan? O nee, zeker niet. Is alle genade van Hem, en zou Hij die voor u achterhouden? Nee. Hij zegt vandaag tegen u: “Kind, gij zijt altijd bij Mij, en al het Mijne is het uwe.” Neem wat u nodig hebt; het behoort u toe. Maar vertrouw op uw Vader.

“Geef het over aan Zijn soevereine wil,
Hoe Hij ook verkiest te wandelen.
Vervuld van verwondering zult gij dan stil,
Erkennen, hoe sterk en wijs Hij is in het handelen.”

Ga dan heen, erfgenamen van de hemel, met lichte tred en vreugde op uw gezicht. Zeg bij uzelf dat u weet dat u Zijn kinderen bent, dat Hij u liefheeft en dat Hij u nooit zal verstoten. Geloof dat Hij u op dit moment aan Zijn hart drukt; geloof dat Zijn hart vol liefde voor u is. Geloof dat Hij voor u zal zorgen, u zal beschermen, u zal ondersteunen en u uiteindelijk zal brengen tot de vreugdevolle erfenis die voor u is weggelegd, wanneer de jaren van uw pelgrimsreis voltooid zijn en u rijp bent gemaakt voor de gelukzaligheid. “Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.”

Ik zal u vanmorgen niet langer ophouden door mij afzonderlijk tot de onbekeerden te richten. Toch streef ik altijd hun welzijn na. Terwijl ik vanmorgen tot de heiligen sprak, heb ik er voortdurend naar verlangd dat iedere zondaar ten minste deze ene waarheid zou leren: dat de verlossing uitsluitend van God komt. Ik hoop dat hij gebracht mag worden tot die gezindheid waarin hij voelt dat, als hij ooit gered wordt, God hem moet redden, want anders kan hij helemaal niet gered worden.

Als iemand van u die waarheid erkent, dan verzoek ik u nu, in Gods Naam, om in Jezus te geloven. Want even zeker als u bent gaan beseffen dat God het recht heeft u te redden of te vernietigen, zo zeker heeft de genade reeds in uw hart gewerkt. Daarom hebt u nu het recht om te komen en in Jezus te geloven. Als u dat weet, dan weet u alles wat nodig is om uzelf leeg te voelen; en wie zijn eigen leegte kent, weet genoeg om al zijn hoop te stellen op de volheid die in Jezus Christus is. De Heere zegene u en redde u. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content