
GEBED 8
Onze Vader, wij aanbidden U en wij hebben U lief, en dit hoort wezenlijk bij onze aanbidding: dat Gij oneindig heilig bent. Er was een tijd dat wij U slechts liefhadden om Uw barmhartigheid; meer wisten onze blinde harten toen niet. Maar nu hebt U ons innerlijk veranderd en ons doen liefhebben wat goed is, wat rein is, wat rechtvaardig is, ja, de ware, hemelse heiligheid. Nu verstaan wij ten volle waarom „de cherubim en serafim voortdurend roepen: Heilig, heilig, Heere God van de heirscharen.”Wij aanbidden U omdat U heilig bent, en wij hebben U lief om Uw volmaakte heiligheid. Want nu zuchten en roepen wijzelf vurig om heiligheid. Heilig ons geheel en al, naar geest, ziel en lichaam. Heere, wij treuren diep over de zonden van ons vroegere leven en over al onze dagelijkse tekortkomingen van nu. Wij loven U met heel ons hart dat U ons genadig hebt vergeven. Wij zijn met U verzoend door de dierbare dood van Uw Zoon. Velen van ons weten met een gerust hart dat zij gewassen zijn, en dat Hij Die de zonde wegdraagt, ook onze zonde voorgoed heeft weggedragen. Zij zijn het die nu tot U roepen om volkomen verlost te worden van de heersende macht van de zonde — verlost van de machten van de verzoeking van buiten, maar bovenal van die hardnekkige zonde die van binnen in onze eigen natuur woont.
Heere, reinig ons krachtig in hoofd, hart en hand. En als het nodig is dat wij in de hete oven van het vuur gezet worden om gelouterd te worden zoals het zuivere zilver gelouterd wordt, dan willen wij dat louterende vuur zelfs met blijdschap welkom heten, als wij maar van al het onnutte schuim verlost mogen worden. Heere, verlos ons van de zonde die zo diep in onze aard ligt opgesloten, van de zonden van ons gemoed, van de besmettelijke zonden van onze omgeving. Verlos ons ten volle van onszelf, in welke gedaante of schijn ook, en geef ons bovenal dat het heldere licht van Uw goddelijke liefde krachtig in ons mag branden.
Mogen wij God liefhebben met een onverdeeld hart. Mogen wij U liefhebben, o dierbare Zaligmaker. Mogen wij het volk van God liefhebben als innige leden van één en dezelfde hemelse Lichaam, met U onverbreekbaar verbonden. Mogen wij de schuldige, verloren wereld liefhebben met diezelfde brandende liefde die haar redding en diepe bekering begeert. En mogen wij niet liefhebben met het loze woord alleen, maar met de daad en in waarheid. Mogen wij de hulpelozen daadwerkelijk helpen, de diep treurenden troosten en teeder meeleven met de weduwe en de wezen. Mogen wij altijd bereid zijn om onrecht gewillig te verdragen, lankmoedig te zijn, zeer geduldig, vol grenzeloze vergeving. Mogen wij het een heel kleine zaak achten dat wij onze arme medemensen vergeven, nu Gij, grote God, ons alles hebt vergeven. Heere, stem ons hart volkomen af op de liefde, en geef ons dan die diepe, innerlijke vrede, een rust die alle verstand te boven gaat.
Mogen wij geen drukkende last meer te dragen hebben. Want al worden wij bezocht door een last, wij hebben hem op de Heere gewenteld. Mogen wij ons eigen kruis gewillig opnemen, en omdat Christus eens volkomen aan het kruis gestorven is, moge ons eigen kruis ons nu tot een diepe troost worden. Mogen wij het zelfs voor grote, hemelse vreugde achten wanneer wij in velerlei beproevingen vallen. Want wij weten vol zekerheid dat God in dit alles verheerlijkt zal worden, dat Zijn heerlijk beeld diep op ons gedrukt zal worden, en dat dat eeuwige, zalige voornemen vervuld zal worden, waarin Hij ons van eeuwigheid heeft voorbestemd om gelijkvormig te zijn aan het beeld van Zijn Zoon.
Heere, zie genadig neer op Uw eigen volk. Wij zouden hier kunnen bidden over al onze dagelijkse moeiten; nee, dat willen wij nu niet doen. Wij willen uitsluitend bidden tégen onze zonden. Wij zouden tot U kunnen komen met al onze slopende vermoeidheid, met onze pijnlijke ziekte, met onze bittere teleurstelling, met onze drukkende armoede, maar dat alles laten wij nu rusten aan Uw voeten. Wij komen enkel en alleen om de zonde. Heere, maak ons heilig, en doe daarna met ons wat U in Uw wijsheid goedvindt!
Wij bidden U dringend, help ons om de leer van God, onze Zaligmaker, in alle dingen te versieren. Als wij dagelijks moeten strijden tegen de zonde, „de zonde, die ons zo lichtelijk omringt”, Heere, leen ons dan hemelse wapenen en almachtige kracht, opdat wij die machtige reuzen neervellen, die kinderen van Enak die hard tegen ons opkomen. Wij voelen ons in onszelf zo uiterst zwak.
O, maak ons krachtig in de Heere, in de onoverwinnelijke sterkte van Zijn macht. Mogen wij de zonde nimmer ook maar enige rust gunnen in ons binnenste. Mogen wij haar onvermoeibaar najagen, haar resoluut uitdrijven, haar doden, haar aan het vervloekte hout hangen, haar van harte verfoeien. En mogen wij daartegenover het goede vurig aanhangen.
Sommigen van ons zoeken en streven vurig naar een of andere voortreffelijke deugd. Heere, help hen die achterop raken op de weg. Geef dat wie nu strijden tegen grote, zware moeilijkheden, daardoor juist worden gebracht tot meer genade en meer geloof, en zo nog veel dichter bij God zelf worden gebracht. Heere, wij willen heilig zijn. Door Uw vrije genade zullen wij nimmer rusten voordat wij het volkomen zijn! U hebt Zelf een goed werk in ons begonnen, en Gij zult het gewis voortzetten. Gij zult in ons krachtig werken beide het willen en het werken, alles naar Uw eigen welbehagen.
Heere, help het bekeerde kind om zich jegens zijn ouders te gedragen zoals het een christen betaamt. Help de christenvader en de christenmoeder om recht en teder te handelen met hun kinderen, opdat zij hun kinderen niet tot toorn verwekken, en zij daardoor niet moedeloos worden in hun ziel. Neem de harde eigenzinnigheid weg bij de jongeren. Neem het ongeduld weg bij de ouderen. Heere, help christelijke zakenlieden in deze drukke wereld; mogen zij altijd in alles oprecht handelen. Mogen christelijke meesters nimmer hard of onvriendelijk zijn voor hun dienstboden en werklieden. En mogen christelijke werklieden hun meesters getrouw geven wat recht is en billijk aan eerlijke arbeid, in ruil voor hun loon. Mogen wij als christenen wel op onze rechten bedacht zijn, maar altijd gereed staan, elk van ons, om onze naasten liefdevol tot hulp te dienen.
En och, dat wij als christenen toch altijd diep nederig mochten zijn! Heere, neem toch die stijve nek weg, die hoogmoedige blik van onze ogen. Neem van ons weg die farizeeërse geest van: „Houd u tot uzelven, … want ik ben heiliger dan gij.” Maak dat wij ons niet verheffen, maar ons van harte voegen tot mensen van lage staat, ja, zelfs tot mensen van lage zeden en een verdorven karakter. Mogen wij hen opzoeken in hun duisternis en hun eeuwig welzijn zoeken. O, geef de gemeente van Christus een vlammende, niet-aflatende liefde voor de zielen van stervende mensen. Moge het ons hart werkelijk breken als wij beseffen dat zij in hun blinde zonde voor eeuwig zullen omkomen. Mogen wij elke dag diep bedroefd zijn over de zonde van deze grote stad. Zet een genadig teken op ons voorhoofd, en laat ons bij U Zelf ten volle bekend zijn als mensen die zuchten en luid uitroepen over al de gruwelen die in het midden van de stad bedreven worden.
O God, verlos ons toch van een hard hart, van een kille, onvriendelijke geest die ongevoelig is voor het diepe wee van anderen. Heere, bewaar Uw volk krachtig voor dodelijke wereldsgezindheid, voor luidruchtige brasserijen, voor de valstrik van de dronkenschap, voor ontucht en losbandigheid, voor bittere twist en nijd, voor alles wat de heilige Naam van Christus, Die wij met trots dragen, zou kunnen onteren. Heere, maak ons heilig. Ons ellendige gebed keert al maar weer hiernaar terug: maak ons heilig. Reinig ons vanbinnen, en laat dan ook ons uiterste buitenleven volkomen rein zijn. Maak ons heilig, o God. Doe dit alstublieft om Christus’ wil. Niet dat wij hogen of wensen door onze eigen vermeende heiligheid zalig te worden — nee, maar ware heiligheid is zelf de diepe zaligheid! Dan zijn wij immers verlost van de ketenen der zonde.
Heere, help Uw arme, zwakke kinderen om heilig te wandelen. O, houd ons toch zo, wanneer wij door Uw genade zo mogen zijn. Bewaar ons zelfs voor het kleinste struikelen, en stel ons ten slotte volkomen onberispelijk voor Uw heerlijke aangezicht.
Wij bidden nu voor al onze vrienden die zwaar ziek zijn, en voor de velen die diep bedroefd zijn om de pijnlijke ziekte van een dierbare. Wij brengen elke zware nood en elke donkere beproeving die ons persoonlijk bekend is, voor Uw troon, en vragen dringend om Uw genadig ingrijpen. Wij bidden voor Uw getrouwe dienaren overal op aarde, en in het bijzonder voor Uw dienstknechten ginds op het verre zendingsveld. Gedenk al die broeders die zulke grote, zware offers brengen, daar in de gloeiende hete zon of in het kille, bevroren noorden. Bewaar overal getrouw hen die om de Naam van Christus hun eigen leven in hun handen dragen.
En denk ook aan onze broeders hier thuis, van wie velen in grote armoede verkeren en zich toch moeite geven om voor Christus te arbeiden: Heere, neem hen in genade aan en help ons om hen daarin bij te staan. Gedenk al die ijverige zondagsschoolonderwijzers, en de trouwe traktaatbezorgers die van deur tot deur gaan, en de toegewijde stadszendelingen, de bijbelvrouwen, en allen die op enige wijze proberen Christus onder de aandacht van blinde mensen te brengen. O, help hen toch allen almachtig.
Wij willen tenslotte nog maar één laatste bede opzenden, en het is deze. Heere, zie met ontferming neer op ieder mens hier die nog niet in Christus is. Mogen zij in dit genadeuur krachtig bekeerd worden! Mogen zij in een oogenblik uit de dood overgaan in het eeuwige leven, en zij zullen het nimmermeer vergeten. Mogen zij voor het allereerst dat stralende, eeuwige licht mogen aanschouwen, en zij zullen het gedenken, ja, tot in de verre eeuwigheid toe. Vader, help ons in onze zwakheid. Zegen ons nu, alles alleen om Jezus’ wil. Amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

