De Ster uit Jakob

Een preek uitgesproken op een zondagavond door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington, in druk verschenen op 27 februari 1913; Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 59.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Er zal een ster voortkomen uit Jakob Numeri 24:17

Deze voorzegging kan in zekere zin betrekking hebben op David; maar wij zijn ervan overtuigd dat de eigenlijke bedoeling van de Heilige Geest is om hierin een zinnebeeld van onze Heere Jezus Christus voor te stellen. Heel de natuur, boven ons zowel als om ons heen, wordt in dienst genomen om onze Heere voor te stellen. Alle bloemen van het veld, vele dieren van de vlakte en nu zelfs de hemellichamen worden tot beelden en zinnebeelden gemaakt, waardoor de heerlijkheid van Jezus aan ons geopenbaard mag worden. Waar God Zich zoveel moeite geeft om ons te onderwijzen, behoren ook wij ons moeite te geven om te leren. Waar Hij hemel en aarde tot de bladzijden van Zijn boek maakt, behoren wij des te vuriger in de Schrift te studeren.

O, u die hebt verzuimd van Christus te leren, moge aan dat verzuim een einde komen. Moge er een woord gesproken worden dat als het schijnsel van een ster doorbreekt in de duisternis van uw ziel, opdat u voortaan geleid mag worden om Christus te kennen en in Hem gevonden te worden.

Onze Heere wordt dan met een ster vergeleken, en wij zullen daarvoor zeven redenen aanvoeren. Hij wordt een Ster genoemd:

I. ALS HET ZINNEBEELD VAN DE HEERSCHAPPIJ.

U zult opmerken hoe duidelijk het met een scepter en met een overwinnaar verbonden is: Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen. Jakob zou gezegend worden met een dappere leidsman die een zegevierend heerser zou worden. In de oosterse letterkunde worden hun grote mannen, en vooral hun grote verlossers, heel vaak sterren genoemd. De ster is voortdurend met het koningschap verbonden geweest, en zelfs in ons eigen land beschouwen wij de ster nog als een van de zinnebeelden van hoge rang. Zie dan onze Heere Jezus Christus als de Ster van Jakob! Hij is de Aanvoerder van Zijn volk, de Leidsman van de legers van de HEERE, de Koning in Jesurun, God boven allen, heerlijk en gezegend in eeuwigheid.

Wij mogen in dit opzicht van Jezus zeggen dat Hij een gezag heeft dat Hij rechtens geërfd heeft. Hij heeft alle dingen gemaakt, en alle dingen bestaan te zamen door Hem. Het is niet meer dan recht dat Hij over alle dingen heerst. En aangezien er geen tong is die zich in hemel of op aarde bewegen kan dan met Zijn verlof, is het passend dat alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders. Och, dat de mensen rechtvaardig waren tegenover de Zoon van God! Ik zou willen dat hun opstandige ziel voor de kracht van het recht week en dat zij niet langer riepen: Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

Onbekeerde mensen, ik zou willen dat u zich aan Jezus overgaf. Hij heeft recht op u. Het is door Zijn voorbede dat uw verbeurde leven nog gespaard wordt. Het is door Zijn goddelijke goedheid dat u vanavond bent waar u bent. Het is door Zijn middelaarsheerschappij dat u op de bidgrond en op pleitende voet met God verkeren mag. Geef Hem dan wat Hem toekomt. Beroof Hem niet van de trouw die Hij zo rechtvaardig opeist. Geef uw geest niet over aan die veeleisende dwingeland die op uw verderf uit is. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat — buig nu de knie en erken Hem als uw Heere.

Onze Heere heeft als Ster ook een gezag dat Hij dapper gewónnen heeft. Waar Christus Koning is, heeft Hij er een grote en harde strijd voor moeten voeren. Denk aan de vreselijke worsteling in Gethsémané, waarvan Hij zegt: Ik heb de pers alleen getreden. Toen Hij rood van Zijn eigen bloed van Golgotha kwam, had Hij daar en toen in werkelijkheid de scharen van Bozra en van Edom op de vlucht gejaagd en Zijn klederen met het karmozijn van de overwinnaar gekleurd. Hij Die toen in de grootheid van Zijn kracht voorttrok, is nog altijd machtig om te verlossen. In elk mensenhart waar Jezus regeert, regeert Hij doordat Hij door de kracht van de genade de oude dwingeland verdreven heeft die daar zijn heerschappij gevestigd had. En dat die heerschappij in het hart gehandhaafd blijft, is het gevolg van diezelfde krachtige scepter van Zijn liefde en genade.

Och, dat Koning Jezus Zijn macht ontplooide en in meer harten een troon kreeg! Gelovigen, verlangt u er niet naar Hem heerlijk te zien? Ik weet dat u dat doet als u Hem liefhebt. U zou daarvoor willen leven en daarvoor willen sterven: dat Christus het Zijne kreeg. O zondaars, ik wenste wel dat u zich aan God overgaf. Ik bid dat Hij nu Zijn zwaard aan Zijn heup gordt en u door de kracht van de genade dwingt uw gewillige nek voor Zijn zilveren scepter te buigen.

Broeders en zusters, het is een droevig feit dat Christus tot nu toe zo’n klein deel van de wereld in Zijn koninklijke macht heeft. Zie, de goden van de heidenen staan nog vast op hun voetstuk. De oude hoer van Rome pronkt nog altijd in haar scharlaken. De maansikkel van Mohammed neemt af, maar toch werpt zij haar onheilspellende licht nog over de volken. Waarom vertoeft Hij? Misschien is Zijn vinger al aan de klink; het kan zijn dat Hij spoedig komen zal. Kom haastig, Heere! Ons hunkerend hart smeekt U te komen. Ondertussen is het aan u en aan mij om te strijden, iedere soldaat in zijn gelid, ieder op zijn plaats staande zoals zijn Meester hem geboden heeft, met hart en ziel en kracht strijdend voor het recht en voor de waarheid, voor het geloof, voor de heiligheid, voor het kruis en voor alles wat dat kruis onder de mensenkinderen aanwijst. Gezegende Ster van Jakob! U schijnt met geen geleend licht; U schijnt met een verborgen kracht die niemand U gegeven heeft, want zij is wezenlijk de Uwe.

Voordat wij dit punt verlaten, wil ik alleen dit zeggen: dit koninkrijk van Christus is, waar het ook is, hoogst weldadig. Waar deze ster van de heerschappij schijnt, verspreiden haar stralen zegen. Jezus is geen dwingeland. Hij heerst niet door onderdrukking. De kracht die Hij gebruikt is de kracht van de liefde. Er is nooit een onderdaan van het koninkrijk van Christus geweest die over Hem geklaagd heeft. Wie Hem het meest gediend hebben, hebben ernaar verlangd Hem méér te dienen. Zelfs Zijn arme martelaren in de catacomben van Rome, die van honger stierven of naar het Colosseum gesleept werden om door wilde dieren verscheurd te worden, hebben nooit een kwaad woord over Hem gezegd. Als het voor iemand zwaar was, dan wel voor hen; maar hoe meer zij gekweld werden, des te meer verheugden zij zich, en er zijn nooit zoeter liederen geweest dan die welke van stervende lippen kwamen wanneer mensen op de brandstapel knetterden of lid voor lid achter wilde paarden uiteengereten werden of doormidden gezaagd werden. Juist naarmate de lichamelijke pijnen heviger werden, werd de geestelijke blijdschap inniger; en terwijl de uiterlijke mens verging, sprong de innerlijke mens op in nieuwheid van leven, vooruitlopend op de vreugden van de eerstgeborenen voor de troon.

Hij is een goede Meester. Jonge mensen, ik wilde dat u Hem diende! Och, dat u in Zijn dienst getreden was. Het is nu al heel wat jaren geleden dat ik Hem mijn hart gaf, het lopen er hard tegen de twintig; maar ik kan geen woord tegen Hem zeggen. Nee, ik wilde dat ik Hem altijd gediend had; ik wilde dat ik Hem eerder gediend had, en ik bid dat Hij mij ten volle gebruiken wil. Wil Hij van mij niet meer maken dan een deurmat voor Zijn tempel, dan zal ik daar maar al te blij mee zijn. Wil Hij mijn naam als kwaad laten uitwerpen en mijn lichaam aan de honden geven, dan kan het mij niet schelen, zolang Zijn waarheid maar voorspoedig is en Zijn Naam maar groot wordt. Maar helaas, er is zoveel eigen ik in ons, en hoogmoed en ik weet niet wat nog meer, dat wij die de Meester werkelijk kennen, reden hebben Hem te vragen Zijn grote geschut in stelling te brengen en de burchten van onze natuurlijke verdorvenheid neer te halen, ons opnieuw te overwinnen en met de sterke hand van de genade in ons te heersen, tot er in elk deel en in elke hoek van onze geest niets is dan de liefde van Christus en de inwoning van Zijn genadige Geest.

Onder de ster verstonden wij dus het zinnebeeld van de heerschappij. In de tweede plaats is de ster:

II. HET BEELD VAN DE GLANS.

Wanneer mensen over glans willen spreken, hebben zij het over de sterren. De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. Onze Heere Jezus Christus is de glans zelf. De ster is maar een armzalige weergave van Zijn onuitsprekelijke luister. Och, laat de gedachte tot u doordringen: Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, onuitsprekelijk helder als de Godheid. Hij is de glans zelf in Zijn menselijke natuur, want in Hem was geen vlek of rimpel. En als Middelaar, verhoogd in de hoogte en genietend van de beloning van Zijn smarten, is Hij waarlijk helder.

Merk op dat onze Heere als Ster een bijzonder heldere ster is in de zaak van de heiligheid. In Hem was geen zonde. Kijk, en kijk, en kijk opnieuw in Zijn sterrengelijke karakter. Zelfs de scherpe ogen van ongelovigen hebben er geen misstap in kunnen ontdekken; en de aandachtige ogen van gelovige onderzoekers zijn keer op keer vochtig geworden en hebben vervolgens geglinsterd van verrukking toen zij het samengaan van al de volmaaktheden in Zijn aanbiddelijk karakter zagen, dat één volmaaktheid uitmaakt.

Als Ster schijnt Hij ook met het licht van de kennis. Mozes was als het ware maar een nevel, maar Christus is de profeet van het licht. de wet is door Mozes gegeven — een zaak van zinnebeelden en schaduwen — de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden. Wordt iemand in de dingen van God onderwezen, dan moet hij zijn licht van de Ster van Bethlehem ontlenen. U mag gaan waarheen u wilt: naar de universiteiten, naar de boekwerken van de geleerden, naar de scholen van de wijsgeren — maar in geestelijke dingen ontvangt u geen licht totdat u op Jezus ziet, en dan geldt: in Uw licht zien wij het licht, want er is in Hem een allesovertreffende glans. Hij is de kracht Gods, en de wijsheid Gods; Hij is de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Het goddelijke licht heeft zijn middelpunt in Hem gevonden!

Zijn licht is ook dat van de vertroosting. Och, hoevelen zijn er uit de duisternis van hun ziel opgekomen en hebben vrede gevonden door op te zien tot deze Ster van Jakob, de Heere Jezus Christus! Ons lied zei het goed:

Hij is mijn zielsverblijdende Morgenster,
Hij is mijn opgaande Zon.

Eén blik op Christus, en de middernacht van uw ongeloof is voorbij. Maar één blik op de vijf wonden, en uw zonden zijn bedekt en uw ongerechtigheden weggedaan. Gelukkige dag, gelukkige dag, wanneer de ziel voor het eerst een gekruisigde Verlosser aanschouwt en zich aan Hem overgeeft, op Hem steunend voor de eeuwige zaligheid. Schijn, zoete Ster; schijn vanavond in een verduisterd hart! Geef heiligheid, geef licht, geef de kennis van God, geef blijdschap en vrede in het geloven, in het geloven in het kostbare bloed!

Toen ik over Christus als Ster sprak, als het zinnebeeld van de heerschappij, zei ik: onderwerp u aan Hem. Nu ik van Hem spreek als het beeld van de glans, zeg ik: zie op Hem, zie op Hem. Dat is het voorschrift van het evangelie: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! En wij zingen terecht dat er leven is voor wie op de Gekruisigde ziet. Arme zondaar, stel niet langer uit. U wordt niet gevraagd iets te doen of iets te zijn of iets te voelen; u wordt eenvoudig geboden van uzelf weg te zien naar wat Christus gedaan heeft, en u zult leven.

Zie Hem gebogen in de hof,
uw Maker ligt daar in het stof;
zie Hem aan ‘t bloedig kruishout hangen,
hoor Hem vóór ‘t sterven nog verlangen:
het is volbracht!
Zondaar, is dat u niet genoeg?

Zie dan op Hem en leef. In de derde plaats wordt onze Heere met een ster vergeleken om dit feit uit te doen komen:

III. HIJ IS HET VOORBEELD VAN DE BESTENDIGHEID.

Er zijn tienduizend veranderingen tot stand gekomen sinds de wereld begon, maar de sterren zijn niet veranderd. Daar staan zij. Wij hebben ons eens ingebeeld dat zij zich bewogen. De onwetende verbeelding zei dat al die sterren om deze kleine aardbol van ons draaiden. Maar wij weten nu beter. Daar staan zij, dag en nacht, altijd dezelfde; en wij mogen zeggen dat zij niet veranderd zijn sinds de wereld begon en waarschijnlijk ook niet veranderen zullen tot God de schepping als een kleed oprolt omdat zij versleten is.

Het is heel verrukkelijk te bedenken dat dezelfde ster waar ik gisteravond naar keek, door Abraham aanschouwd is, misschien met dezelfde gedachten. En wanneer wij heengegaan zijn en andere geslachten ons gevolgd zijn, dan zullen wie na ons komen naar diezelfde ster opzien. Zo is het met onze Heere Jezus: Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid. Wat de profeten en de apostelen in Hem zagen, kunnen wij in Hem zien; en wat Hij voor hen was, dat is Hij voor ons en zal Hij zijn voor geslachten die nog geboren moeten worden.

Honderden van ons kunnen tegelijk naar dezelfde ster kijken zonder het te weten. Er is een ontmoetingsplaats voor vele ogen. Sommigen van ons mogen naar Australië of Canada of de Verenigde Staten afdrijven, of over de grote diepte varen, maar wij zullen de sterren daar zien. Het is waar dat wij aan de andere kant van de wereld een andere reeks sterren zullen zien, maar de sterren zelf blijven altijd dezelfde. Zo zien wij, waar wij ook zijn, op dezelfde Christus. Deze broeder hier heeft geleerdheid, maar wanneer hij op Christus ziet, ziet hij dezelfde Christus als de arme ongeletterde vrouw in de zijbeuk. En u, arme man, die misschien geen stuiver ter wereld hebt: u hebt dezelfde Christus om op te vertrouwen als de rijkste man ter wereld. En u die uzelf zo onbekend acht dat niemand u kent dan uw God: u ziet op deze zelfde Ster, en zij schijnt met dezelfde stralen voor u als voor de christen die vooraan gaat in de legers van de HEERE. Jezus Christus is nog altijd dezelfde: dezelfde voor heel Zijn volk, dezelfde op alle plaatsen, dezelfde in alle eeuwigheid. Terecht mag Hij dus vergeleken worden met die heldere sterren die nu schijnen zoals zij vanouds schenen en die niet veranderen.

In de vierde plaats kunnen wij deze vergelijking van onze Heere met een ster nagaan:

IV. ALS DE BRON VAN INVLOED.

De oude sterrenwichelaars geloofden zeer sterk in de invloed van de sterren op het gemoed van de mensen. Zonder hun achterhaalde theorieën te onderschrijven, komen wij in de Schrift uitdrukkingen tegen als deze: Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken? — waarbij ongetwijfeld gezinspeeld wordt op het feit dat het Zevengesternte hoog staat in de lieflijke maanden van de lente, wanneer de warme adem en de zachte regens de groene spruit en het tere blad, het loof en de bloemen van mei voortbrengen met heel de bekoorlijkheid van het jaargetijde; terwijl Orion hoog staat als een winterteken, wanneer de banden van de vorst het uitbotten van de natuur binden.

Maar of er nu invloed van de sterren op deze wereld uitgaat of niet: ik weet dat er in Christus Jezus grote invloed uitgaat. Hij is de bron van alle heilige invloeden onder de mensenkinderen. Waar deze Ster schijnt op de graven van mensen die dood zijn in de zonde, daar beginnen zij te leven. Waar de straal van deze Ster op arme gevangen geesten schijnt, daar vallen hun ketenen af en springt de gevangene op om zijn boeien kwijt te raken. Wanneer deze Ster met haar licht op een belaste christen schijnt, dan begint hij uit te botten en te bloeien en worden er kostbare vruchten voortgebracht. Wanneer deze Ster op de afgedwaalde schijnt, dan begint hij zijn wegen te beteren en haar licht te volgen, zoals de wijzen uit het oosten, tot hij zijn Zaligmaker weer vindt. Deze Ster heeft invloed op onze geboorte: het is door haar goedgunstige stralen dat wij wedergeboren worden. En zij heeft invloed op onze dood, want het is in haar licht dat wij ontslapen, gelovend dat wij zullen ontwaken in het beeld van de Heere Jezus. Och, zoete Ster, schijn altijd op mij! Laat mij Uw stralen nooit missen; maar moge ik altijd in het licht ervan wandelen, tot ik gezeten word in de volle middaggloed van de Zon van de gerechtigheid, tot in alle eeuwigheid.

In de vijfde plaats kan de Heere Jezus Christus met een ster vergeleken worden:

V. ALS EEN BRON VAN LEIDING.

Er zijn sterren die voor zeelieden buitengewoon nuttig zijn. Ik weet nauwelijks hoe de grote wijde zee anders bevaren zou moeten worden, vooral als de poolster er niet was. Jezus is voor ons de poolster. Hoe dankbaar moet de arme neger in vroeger tijden zijn geweest, toen de vloek van de slavernij nog niet was weggenomen, voor die poolster, die zo gemakkelijk te vinden is en hem de weg wees.

Elk kind dat er een ogenblik onderricht in krijgt, weet haar spoedig ‘s nachts te midden van haar gezellinnen te ontdekken; en wanneer de neger eenmaal geleerd had de ster te onderscheiden die boven het land van de vrijheid stond, hoe volgde hij haar dan door de grote sombere moerassen of over de vlakten die nog verschrikkelijker waren! Hoe kon hij de stromen doorwaden en de bergen beklimmen, altijd bemoedigd door de aanblik van die poolster.

Zo is Jezus Christus voor de zoeker. Hij leidt tot de vrijheid; Hij voert tot de vrede. Och, ik wilde dat u Hem volgde, sommigen van u die duizend wegen bewandelen om vrede te vinden waar u die nooit vinden zult. Er gaat geen zondag voorbij of ik probeer, soms met zachtere toon en op andere tijden met donderende klank, de eenvoudige waarheid te spreken dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken. Ik probeer u duidelijk te maken dat het niet uw gebeden en tranen zijn, uw doen, uw willen, uw wat dan ook, die u behouden kunnen; maar dat al uw hulp gelegd is op Eén Die machtig is, en dat u alleen op Hem zien moet. En toch, zondaars, kijkt u nog steeds naar uzelf. U doorwoelt de mesthopen van uw menselijke natuur om er de parel van grote waarde te vinden die er niet ligt. U wilt onder het ijs van uw natuurlijke verdorvenheid kijken om er de vlam van de vertroosting te vinden die er niet is. U zou net zo goed in de hel zelf naar de hemel kunnen zoeken als naar uw eigen werken en verdiensten kijken om er enige grond van vertrouwen te vinden. Weg ermee! Weg ermee, met alles!

Niemand dan Jezus, niemand dan Jezus
kan hulpeloze zondaars goeddoen.

Werp het roer maar om en verzet dat zeil, en wend! Volg niet het licht van de strandrover op gindse kust, dat u naar de klippen van het zelfbedrog lokt; maar laat uw schip varen waar die poolster leidt, en bid om de gunstige winden van de gezegende Geest om u recht naar de haven van de vrede te voeren.

Onze Heere wordt zeker ook met een ster vergeleken:

VI. ALS HET VOORWERP VAN VERWONDERING.

Een van de eerste regeltjes die velen van u ooit geleerd hebben op te zeggen, was dit:

Fonkel, fonkel, sterretje klein,
‘k vraag mij af wat u toch mag zijn.

Maar dat is precies wat Galilei gezegd zou kunnen hebben, en juist wat de grootste sterrenkundige die ooit geleefd heeft zeggen zou. U hebt wel eens door een telescoop gekeken en de planeten gezien; maar nadat u ernaar gekeken hebt, weet u er niet veel bijzonders van. En ik denk dat zij die dag en nacht bezig zijn met voortdurende waarnemingen, u zullen vertellen dat de uitkomst eerder verbazing is dan kennis. Het blijft: ik vraag mij af wat u toch mag zijn.

Zo is Hij voor ons die in Christus Jezus zijn een weergaloze Ster; maar och broeders, wij mogen ons wel afvragen wát Hij is. Wij dachten als kleine kinderen dat de sterren gaatjes waren die in de hemel geprikt waren en waardoor het licht van de hemel scheen, of dat het stukjes goudstof waren die God rondgestrooid had. Dat denken wij nu niet meer; wij begrijpen dat zij veel groter zijn dan zij lijken. Zo achtten wij, toen wij vleselijk waren en koning Jezus niet kenden, Hem ongeveer gelijk aan ieder ander; maar nu wij Hem beginnen te kennen, ontdekken wij dat Hij veel groter is, oneindig veel groter dan wij dachten. En naarmate wij in de genade groeien, vinden wij Hem nog heerlijker. Voor onze blik was Hij eerst een kleine ster, maar Hij is in onze schatting nu tot een zon geworden, een laaiende zon, door wier stralen onze ziel verkwikt wordt.

Ach, maar wat zal Hij zijn wanneer wij dicht bij Hem komen? Stel u voor dat u op de vleugel van een engel gedragen wordt om een reis naar een ster te maken. U reist met onvoorstelbare snelheid, u opent plotseling uw ogen en zegt: hoe wonderlijk! Wat zojuist een ster was, is nu voor mijn blik zo groot geworden als de zon op de middag. Wacht, zegt de engel, u zult nog grotere dingen zien. En terwijl u voortsnelt, wordt de schijf van dat hemellichaam groter, tot zij gelijk is aan honderd zonnen; en nu zegt u: maar hoe dan? Ben ik er nu niet vlakbij? Nee, zegt de engel, die geweldige bol is nog ver, ver weg. En wanneer u er dan kwam, zou u ontdekken dat het zo’n wonderbare wereld is dat de rekenkunde haar omvang niet berekenen kan en dat de verbeelding haar nauwelijks omvatten kan.

Zo is Jezus Christus. Ik zei dat Hij hier voor Zijn volk groeit; maar wat moet het zijn Hem daar te zien, waar het voorhangsel opgeheven is en wij Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen? Soms verlangen wij ernaar te ontdekken wat die Ster is, Hem te kennen, ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, en de liefde van Christus te kennen die de kennis te boven gaat. Maar ondertussen moeten wij ons neerzetten en zingen:

God alleen kent Gods eigen liefde;
och, dat zij nu werd uitgestort
in dit mijn arme stenen hart.

Wij moeten belijden:

De eerstgeboren zonen van het licht
verlangen vruchteloos haar diepte te doorzien;
zij kunnen die verborgenheid niet meten,
de lengte, breedte en de hoogte niet weten.

Maar om te besluiten: het beeld dat in de tekst gebruikt wordt, kan heel goed nog deze zevende betekenis dragen. Onze Heere wordt met een ster vergeleken:

VII. OMDAT HIJ DE HERAUT VAN DE HEERLIJKHEID IS.

De blinkende morgenster zegt aan dat de zon op weg is om de aarde met haar licht te verblijden. Waar Jezus ook komt, Hij is een groot voorspeller van het goede. Laat Hem in een hart komen, en zodra Hij verschijnt mag u er zeker van zijn dat er een leven van eeuwigheid en vreugde komen zal. Laat Jezus Christus in een gezin komen, en wat een veranderingen brengt Hij daar teweeg. Laat Hem met kracht gepredikt worden in welke stad of plaats ook, en wat een heraut van goede dingen is Hij daar. Aan heel de wereld heeft Christus blijde tijdingen verkondigd. Zijn komst is beladen geweest met zegeningen voor de mensenkinderen. Ja, de komst van Christus in het vlees is de grote voorzegging van de heerlijkheid die in de laatste dagen geopenbaard zal worden, wanneer alle volken voor Hem buigen zullen en de tijd van de vrede, de gouden tijd, komen zal — niet omdat de beschaving voortgeschreden is, niet omdat de opvoeding toegenomen is of de wereld beter geworden is, maar omdat Christus gekomen is. Dit is de eerste en de schoonste van de sterren, het voorteken van de dageraad.

Ja, en omdat Christus gekomen is, zal er een hemel zijn voor de mensenkinderen die in Hem geloven. Zonen van de arbeid, omdat Christus gekomen is zal er rust zijn voor de vermoeiden. Dochters van de droefheid, omdat Christus gekomen is zal er genezing zijn voor de zwakken. O u die door bittere armoede neergebogen wordt, er zal opheffing en heilige rijkdom voor u zijn, omdat de Ster geschenen heeft. Hoop maar door, hoop altijd! Nu Jezus gekomen is, is er geen ruimte meer voor wanhoop.

Ik beveel u deze gedachten aan en vraag u nog eens ernstig: hebt u nooit op Christus gezien, vertrouw dan nu op Hem; hebt u zich nooit aan Jezus onderworpen, onderwerp u dan nu aan Hem; hebt u nooit op Hem vertrouwd, vertrouw dan nu op Hem. Het is een heel eenvoudige zaak. Moge God de Heilige Geest u onderwijzen en leiden om uzelf te verloochenen en Hem te erkennen, om op te houden met uw eigen gedachten en Zijn Woord te vertrouwen. Doet u dit allen, dan is dat het stellige bewijs dat alles voor u door Christus gedaan is. U bent van Hem en Hij is van u; waar Hij is, daar zal uw deel zijn, en wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.

Het zal een dag zijn om te gedenken als u er nu toe geleid wordt uzelf aan Hem te geven. Ik herinner mij goed wanneer mijn hart zich aan Zijn goddelijke genade overgaf, toen ik nergens anders meer kijken kon en gedwongen werd op Hem te zien. Och, kom toch tot Hem! Ik weet niet welke woorden ik gebruiken moet of welke overreding ik aanwenden moet. Om uzelfs wil, opdat u nu gelukkig mag zijn; om de eeuwigheid wil, opdat u hierna gelukkig mag zijn; om de schrik wil, opdat u aan de hel mag ontkomen; om de barmhartigheid wil, opdat u de hemel mag ingaan: zie op Jezus. Misschien wordt het u nooit meer gezegd. Deze aanzegging kan de laatste zijn, de laatste maat die de hoop van uw schuld vol maakt, omdat u haar verwerpt. Och, veracht de vermaning niet. Laat het gebed nu stil uit uw geest opgaan: O God! wees mij zondaar genadig! Laat uw ziel vurig worstelen. Laat uw tong haar machtig besluit uitspreken:

Ik ga tot de genadige Koning,
Wiens scepter vergeving geeft;
misschien gebiedt Hij dat ik Hem mag aanraken,
opdat deze smekeling het eeuwige leven ontvangt.

Ik kan slechts omkomen als ik tot Hem ga;
ik heb besloten het te wagen.
Want blijf ik van Hem weg, dan weet ik zeker:
ik moet voor eeuwig sterven.

Maar als ik sterf terwijl ik om genade smeek,
nadat ik bij de Koning heb aangeklopt,
dan is dat sterven – o, heerlijke gedachte! –
een sterven zoals geen zondaar ooit gestorven is.

Preek nr. 3343 · Preek nr. 3343, uitgesproken op een zondagavond in de Metropolitan Tabernacle, in druk verschenen op 27 februari 1913; Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 59. Vertaald uit het Engels; oorspronkelijke tekst: The Spurgeon Library (spurgeon.org), ‘The Star Out of Jacob’.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content