
GEBED 2
O HEERE God, help ons nu om U waarlijk te aanbidden. Wij willen U danken voor deze gelegenheid. Wij loven Uw Naam, omdat U deze gewijde tijd hebt afgezonderd. Heere, wilt U voor ons de deur naar de wereld sluiten? Help ons onze zorgen te vergeten. Maak ons in staat geheel uit deze wereld op te rijzen. Mogen wij bevrijd worden van alles in haar wat ons naar beneden trekt. Laat de aantrekkingskracht van deze grofste dingen verdwenen zijn, en neem ons op tot Uzelf.Wij vragen niet om in vervoering te raken, en ook niet om een engel in blinkende klederen te zien. Maar wij vragen wel dat wij door het geloof Jezus mogen zien. Geef dat Zijn tegenwoordigheid zo duidelijk onder ons ervaren wordt, dat wij ons evengoed verblijden alsof onze ogen Hem zagen. Dan zullen wij Hem liefhebben, op Hem vertrouwen en Hem aanbidden, even oprecht als wij zouden doen als wij nu onze vingers in het teken van de nagels konden leggen.
O dierbare Heere Jezus Christus, wij aanbidden U met heel ons hart. U bent Heere over allen. Wij loven U dat U mens bent geworden om onze naaste bloedverwant te zijn. En nu U onze naaste bloedverwant bent, loven wij U dat U ons in de band van het huwelijk met Uzelf hebt verenigd, en dat U ons en ons erfdeel hebt verlost uit de gevangenschap waarin wij verkocht waren. U hebt Uw leven betaald voor Uw volk. U hebt de Uwen losgekocht met het bloed van Uw hart. Wees daarom voor eeuwig geliefd en aanbeden.
En nu bent U hier niet, want U bent opgestaan. Onze zielen willen het stralende spoor volgen waarlangs U bent opgevaren, door de paarlen poort, tot de troon van Uw Vader. Het is ons alsof wij U daar zien zitten, mens en toch God, regerend over alle dingen voor Uw volk. En onze oren vangen bijna de klanken op van het eeuwige lied dat opruist aan Uw voeten: “Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen eer, en kracht, en heerlijkheid, en heerschappij, en sterkte, tot in alle eeuwigheid.” Heere, wij zeggen: “Amen.” Van de buitenste rand van de schare die Uw troon omringt, heffen wij onze zwakke stemmen op in oprechte amens. Want U bent geslacht en hebt ons voor God gekocht met Uw bloed, en U hebt ons voor God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen met U heersen. Want al zijn wij in de ruimte ver weg, wij weten dat wij heel dicht bij Uw hart zijn.
U ziet over de hoofden van de engelenscharen heen om naar ons te kijken. U hoort de lofzangen, ja, ook het zuchten van Uw welbeminden. Want zijn wij niet het dichtst bij U, van Uw vlees en van Uw benen? Wij weten dat wij het zijn. Wij voelen de banden van verwantschap in ons. Wij zijn van onze Allerliefste, en Hij is de onze. Wij verlangen ernaar door de schare rondom Hem heen te dringen, tot vooraan te komen en daar neer te buigen voor de dierbare voeten die voor ons aan het hout werden genageld. Daar willen wij het Lam aanbidden, Dat leeft in alle eeuwigheid, Dat overwonnen heeft om het boek te nemen en zijn zeven zegels te openen. Hem zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Halleluja!
O Zaligmaker, aanvaard deze arme lofzangen van ons. Zij komen van hen die U liefhebt. Zoals wij het kleinste ding kostbaar vinden dat komt van hen die wij liefhebben, zo voelen wij dat U de dankzegging en de eerbiedige hulde zult aanvaarden van Uw volk, van Uw verlosten, die een volk zijn dat nabij U is, wier namen gegraveerd staan in Uw handpalmen, van wie U het werkzame Hoofd bent en voor wie Uw hart ook nu trouw en vol liefde klopt.
O, wij kunnen zeggen dat wij U liefhebben. Wij wensten dat wij U meer liefhadden, maar U bent ons zeer dierbaar. Er is niets op aarde zoals U. Uit liefde tot Uw Naam willen wij leven en sterven. Als wij denken dat wij U meer liefhebben dan wij werkelijk doen, dan bidden wij dat wij U toch nog meer mogen liefhebben dan wij denken. O, neem deze harten geheel weg en verenig ze met Uw eigen hart. Wees voor ons hart en ziel en leven en alles, want wie hebben wij nevens U in de hemel? En nevens U is er niemand op aarde die wij begeren.
Wij aanbidden de Vader, wij aanbidden de Zoon, wij aanbidden de Heilige Geest met alle krachten van ons wezen. Wij vallen neer voor de ontzagwekkende en toch heerlijke troon van de oneindige Majesteit van de hemel. De Heere aanvaarde ons, want wij brengen deze lofzangen in de Naam van Jezus.
En nu, hooggeloofde Heere, zie neer op hen die U niet liefhebben. O Verlosser, zie hen aan met Uw ogen, die als vlammen van vuur zijn. Laat hen zien hoe slecht zij U behandelen. Mogen zij bij zichzelf overwegen hoe verschrikkelijk de ondankbaarheid is die het bloed van een Zaligmaker veronachtzamen kan en onverschillig kan blijven voor het hart van een Zaligmaker. O, breng de zorgelozen en de goddelozen ertoe genade te zoeken. Laat hen die de ernstige dingen uitstellen gaan inzien dat zelfs de gedachte om de aanspraken van Christus uit te stellen hoogverraad is tegen Zijn Majesteit. O Zaligmaker, schiet Uw pijlen naar alle kanten en laat ze velen verwonden, opdat zij voor U neervallen en om genade roepen.
Maar er zijn er ook die gewond zijn, gebroken harten die vrede zoeken, mannen en vrouwen die, zoals Cornelius, de woorden willen horen die God beveelt.
O, kom, goddelijke Geneesheer, en verbind elk gebroken been. Kom met Uw heilige nardus, die U hebt bereid uit het bloed van Uw eigen hart. Leg die diep op het gewonde geweten en laat het de kracht ervan voelen. O, geef vrede aan hen wier geweten is als de voortgedreven zee, die niet rusten kan.
O God, onze God, laat het onderwijs op de zondagsschool, de prediking van de evangelisten en de persoonlijke bezoeken bij afzonderlijke mensen, laat niets van al deze arbeid tevergeefs zijn. Geef toch bekeringen. Wij zuchten dit gebed uit ons diepste hart, en toch kunnen wij het ook zingen. Want U hebt ons al overvloedig verhoord, en ons hart verheugt zich in God, de Zaligmaker, Die zo genadig werkt onder de mensenkinderen.
Wij hebben ons verwonderd toen de Heilige Geest zelfs op de voornaamste van de zondaren is gevallen, en mensen die verre van God waren, zijn binnengebracht. Maar Heere, doe dit meer onder ons. Laat ons grotere dingen zien dan deze. Waar er één gered werd, laat er honderd gered worden, tot lof van de heerlijke Naam en van de Welbeminde.
Heere, bewaar ons allen voor de zonde. Leer ons voorzichtig te wandelen. Maak ons in staat ons verstand te bewaken tegen dwaling in de leer, ons hart tegen verkeerde gevoelens en ons leven tegen kwade daden. O, laat ons nooit onbedachtzaam spreken met onze lippen en nooit toegeven aan toorn. Bewaar ons bovenal voor de gierigheid, die afgodendienst is, en voor de boosaardigheid, die uit de duivel is. Geef ons vol te zijn van lieflijkheid en licht. Laat de liefde in ons wonen en in ons heersen. Laat ieder van ons niet zien op het zijne, maar ieder op dat van anderen. Geef ons te leven voor Jezus. Er is geen leven als dat. Help ons om mensen te zijn die op Christus gelijken, mensen van Christus, en laat ons in alle dingen het licht weerkaatsen dat wij van Hem ontvangen.
Zegen onze geliefde gemeente en al haar verenigingen. O God, draag zorg voor haar. O, maak elk lid van de gemeente tot een herder over anderen. Laat allen samen strijden voor het welzijn van allen, en zo kome Uw Koninkrijk onder ons.
En geef voorspoed aan alle gemeenten van Jezus Christus. Wat wij voor onszelf vragen, zoeken wij ook voor hen. Laat vooral de zendelingen geholpen worden door Uw Geest. Moge er een dag komen waarop de gemoederen van de mensen beter bereid zijn om het Evangelie te ontvangen. En moge het Koninkrijk van de Messias komen, tot de val van haar die op de Zeven Heuvels zit, tot het eeuwige tanen van de maan van Mohammed, tot de val van elke afgod, opdat Christus alleen regeert. Hierin stort ons hele hart zich uit. Regeer, Immanuël, regeer. Zit op de hoge troon. Rijd op Uw witte paard en laat de heirlegers van de hemel U volgen, overwinnend en om te overwinnen. Kom, Heere Jezus; ja, kom haastig. Amen en amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

