Vrijmoedigheid bij de troon van de genade

Charles Haddon Spurgeon

GEBED 21

O God, wij willen niet tot U spreken alsof U ver weg bent. Wij willen niet staan als het bevende Israël indertijd onder de wet, op een angstige afstand van die brandende berg. Want wij zijn niet gekomen tot de dreigende berg Sinaï, maar tot de berg Sion, en dat is een heerlijke plaats van heilige blijdschap en diepe dankzegging, niet van verschrikking en slavische dienstbaarheid. Duizendmaal gezegend zij Uw Naam daarvoor, o Heere! Wij hebben immers door Uw genade geleerd U aan te roepen als „Onze Vader, Die in de hemelen zijt”. Daarin blinkt een diepe, heilige eerbied, want Gij zijt de grote God in de hemel, maar tegelijk ook een zoete, kinderlijke vertrouwelijkheid, want Gij zijt onze eigen Vader.

Wij willen nu zeer dicht tot U naderen, en wel door die ene Middelaar, Jezus Christus. Wij willen de heilige vrijmoedigheid nemen om tot U te spreken zoals een man spreekt met zijn beste vriend, want hebt U niet Zelf door Uw Geest gezegd: „Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade”? Wij zouden anders wel moeten terugdeinzen en van Uw heilig aangezicht wegvluchten, als wij in dit uur alleen aan onze eigen zondigheid dachten. Heere, wij denken daar inderdaad aan, en dat met een diepe schaamte en bittere droefheid. Het smart ons uit de grond van ons hart dat wij U zo dikwijls hebben beledigd en Uw zoete liefde en tedere barmhartigheid zo lang hebben veronachtzaamd. Maar nu zijn wij inkeer genomen en wedergekeerd tot „den Herder en Opziener” van onze verloren zielen. Door zulke overweldigende genade geleid, zien wij nu op naar Hem Die wij eertijds zelf hebben gekruisigd. Wij hebben allereerst over Hem getreurd, en pas daarna hebben wij recht over onze eigen zonde getreurd.

Nu, Heere, belijden wij onze zware schuld voor Uw aangezicht met een week en teder hart. Wij bidden U: verzegel in dit uur aan het hart van iedere gelovige hier die volle en vrije, die volmaakte en onherroepelijke oorkonde van vergeving die U hebt geschonken aan allen die hun enige vertrouwen stellen op Jezus Christus. Heere, U hebt het Zelf zo getrouw gezegd: „Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.” Daar is onze zonde voor U beleden. Daar is het volkomen losgeld in dankbaarheid aanvaard. Daarom weten en geloven wij onwrikbaar dat wij nu vrede hebben met God. Wij loven Hem, de Heerlijke, Die gekomen is „om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen”, om zo een eeuwige gerechtigheid voor ons aan te brengen. Die volmaakte gerechtigheid nemen wij nu door het geloof aan als de onze, en Gij rekent haar ons in genade toe.

Nu, Heere, wil het U behagen om de harten van al Uw kinderen in hen te doen opspringen van hemelse vreugde! Och, help Uw volk om ook vandaag opnieuw tot die dierbare Jezus te komen. Mogen wij vandaag met een vast oog naar Hem opzien, net zoals wij in het prille begin van onze bekering deden. Mogen wij onze zielsogen nimmermeer afwenden van Zijn goddelijke Persoon, van Zijn oneindige verdienste, van Zijn volbrachte werk aan het kruis, van Zijn levende kracht en van de vurige verwachting van Zijn spoedige komst: „Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.”

Zegen al Uw volk met een bijzondere, rijke gavenstroom. En als wij er daar ééntje van mochten kiezen, laat het dan deze zijn: maak ons levend, o Heere, naar Uw getrouwe woord! Wij bezitten op zich wel het leven; geef het ons nu in een veel rijker overvloed. Och, mochten wij zoveel goddelijk leven ontvangen dat er uit ons binnenste stromen van levend water zullen vloeien! De Heere make ons nuttig in Zijn koninkrijk. Gebruik toch, dierbare Zaligmaker, zelfs de allergeringste onder ons. Neem dat enkele talent dat U ons hebt toevertrouwd en laat het op rente uitgezet worden voor de grote Vader. Wil het U behagen om ieder van ons heel persoonlijk te tonen wat U precies van ons gedaan wilt hebben. Mogen wij in onze eigen gezinnen, op ons werk en op de drukke paden van het gewone dagelijkse leven de Heere dienen. Mogen wij dikwijls een getrouw woord spreken voor Uw Naam en op enigerlei wijze meehelpen om het hemelse licht te verspreiden te midden van de steeds maar groeiende duisternis om ons heen. En mogen wij, voordat wij deze aarde verlaten, rijk zaad hebben gezaaid dat wij straks als volle schoven van zegen op onze schouders met ons mee naar huis mogen dragen.

O God, zegen onze zondagsscholen en schenk een groter, vuriger hart voor dat heilige werk, zodat er nimmer gebrek is aan getrouwe mannen en vrouwen die met blijdschap en grote vreugde de opgroeiende jeugd mogen onderwijzen. Druk dit Uw volk toch diep op het hart, bidden wij U, juist in deze tijd. Beweeg daartoe ook mannen met geschikte gaven en bekwaamheid om krachtig het Evangelie te prediken. Velen wonen immers in vergeten dorpen waar in hun naaste omgeving geen levend Evangelie meer wordt verkondigd. Heere, zet hen daar zelf toe aan het prediken! Wilt U sommige harten zo krachtig en onweerstaanbaar bewegen dat hun mond en tong niet langer kunnen zwijgen. En mogen zij op de een of andere wijze — zelf uitgaande of door een getrouwe broeder te steunen — het Evangelie brengen in al die donkere gehuchten waar het thans nog nacht is, opdat die arme mensen de heilige waarheid ten volle leren kennen.

O Heere, wek de bewoners van deze grote, reusachtige stad krachtig op! Och, maak ons toch wakker voor de diepe geestelijke nood van de grote, onverschillige massa. O God, help ons allen, op enigerlei wijze, op welke wijze ook, op elke mogelijke manier, om het oor van de mensen te bereiken, alles om Christus’ wil, opdat wij daardoor ook hun hart mogen bereiken. Wij zenden tot U een zeer groot en bitter geroep op voor al die miljoenen mensen die geen enkel huis van aanbidding meer binnengaan, maar die de heiligheid daarvan liever met voeten treden en de gezegende boodschap van genade verachten. Heere, wek Londen op, wij smeken het U! Zend ons nog eens een krachtige Jona. Zend ons nog eens een vlammende Johannes de Doper. Och, dat de Heere Christus Zelf grote scharen van gewillige arbeiders mocht uitzenden in dit rijp staande koren, want de oogst is wel uiterst groot, maar de trouwe arbeiders zijn zo weinig. O God, red deze grote stad. Red ons land. Red alle landen over de aardbol, en laat Uw Koninkrijk in heerlijkheid komen. Mogen spoedig alle knieën zich voor U buigen en met de tong belijden dat Jezus Christus de Heere is tot eer van de Vader.

Onze vurigste gebeden stijgen nu tot U op naar de hemel, en wel voor grote zondaars — voor al die arme mannen en vrouwen die door en door bezoedeld en verdorven zijn door de vuilste zonden. Doe met Uw soevereiniteit en vrije barmhartigheid een genadige inval onder hen. Kom en neem sommigen van hen als buit gevangenen van de genade, opdat zij Hem Die hun al hun schuld heeft vergeven, des te meer zullen liefhebben, en opdat zij sterke, vurige strijders mogen worden voor het verhoogde kruis!

Heere, zie genadig neer op al die duizenden rijke mensen in deze stad die in hun trotse blindheid niets van het Evangelie weten en er ook absoluut niets van willen weten. Och, dat die arme rijken toch op de een of andere wijze rijk mochten worden in het heilige Evangelie van Jezus Christus! En zie daarna, Heere, neer op die grote menigte van arme mensen en handarbeiders, die in hun verharding menen dat de godsdienst voor hen in het trefpunt van het leven volstrekt onnodig is. Zorg toch, bidden wij U, op de een of andere wijze dat zij ernstig gaan nadenken, en breng hen ertoe om te luisteren, opdat het levende geloof uit het getrouwe gehoor zij, en dat gehoor wederom door het Woord van God.

Bovenal, o Heilige Geest, daal in dit uur nog krachtiger en overvloediger neer. Och God, overstroom toch het ganse land, totdat er frisse stromen van goddelijke gerechtigheid vloeien, want is er niet die onfeilbare belofte: „Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge”? Heere, zet Uw eigen volk eens krachtig aan tot het bidden. Wek de slapende Kerk op tot een vurig, aanhoudend gebed.

Nu bidden wij tenslotte, precies zoals U ons plechtig hebt bevolen, voor al het volk te midden van wie wij wonen. Wij bidden voor hen die in ons land in hoogheid en aanzien zijn gesteld. Wij vragen een rijke overvloed van alle zegeningen voor de Vorst, Uw goddelijke leiding en wijsheid voor het Parlement, Uw onmisbare zegen voor alle rechters en overheden, en evenzo voor de armsten onder de armen en de geringsten onder de geringen. Heere, zegen al het volk! Laat het ganse volk U loven, o God! Ja, laat al het volk U eenparig loven, alles om Jezus Christus’ wil. Amen en Amen.

© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content