Zoals Christus zijn

Charles Haddon Spurgeon

GEBED 17

Gezegend bent U, o God; leer ons Uw heilige inzettingen! Omdat U de oneindig Gezegende bent, kunt U overvloedig zegen schenken, en Gij zijt oneindig bereid om dat te doen. Daarom naderen wij tot U met een diep, vast vertrouwen, en wel door Jezus Christus, Uw geliefde Zoon, Die U gezegend hebt tot in alle eeuwigheid.

Och, hoor vandaag de stem van Uw zwakke knechten, en antwoord ons naar Uw onmetelijke liefde en wijsheid, naar de onuitsprekelijke rijkdom in heerlijkheid, door Christus Jezus.

Eerst willen wij voor U, o God, de zonde openlijk belijden die wij hebben bedreven, en daarover diepe rouw dragen. Raak nu het hart van ieder van ons aan met een hemelse tederheid, opdat wij allen oprecht betreuren dat U ook maar enige dingen tegen ons zou hebben — al zijn het er in onze ogen misschien maar weinig —, want in de grote, teedere liefde van onze gezegende Meester sprak Hij indertijd tot Zijn gemeenten: „Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u.” O Heere, als U ons door Uw vrije genade tot zulk een genadestaat hebt bewaard dat er slechts weinig dingen tegen ons zijn, help ons dan om juist die weinige dingen diep te bewenen voor Uw aangezicht!

O oneindige Liefde, kunnen en mogen wij dan ook maar enigszins tegen U zondigen? Hoe diep gezonken is dan onze natuur uit zichzelf! Vergeef, lieflijke Zaligmaker, vergeef al die menigvuldige zonden tegen Uw brandende liefde en Uw dierbaar bloed, tegen Uw pijnlijke wonden en Uw bittere dood. En schenk ons Uw Heilige Geest, o Zaligmaker, in een veel ruimer mate, opdat wij ditzelfde hemelse leven leven zolang wij hier nog verblijven onder de mensenkinderen. Want zoals Gij bent, zo zijn ook wij in deze boze wereld, en wij verlangen vurig dat die goddelijke gelijkenis elke dag nauwer en volmaakter in ons mag worden!

Vergeef hen die de diepe schuld van de zonde in hun leven nog nooit hebben gevoeld, die er willens en wetens in leven, die vleselijk gezind zijn en daarom geestelijk dood zijn. Och, maak hen levend door Uw almachtige, opwekkende Geest! Neem al dat ijdele vermaak weg dat zij in de zonde menen te vinden. Verlos hen uit hun zware slavendienst aan de zonde. Helaas, wij kennen zelf wel het verdriet dat die zonde ons soms in de strijd gevangennemt, maar toch zijn wij door Uw genade geen slaven meer. De Geest, het levende leven van God in Christus Jezus, heeft ons immers volkomen vrijgemaakt van de wet van de zonde en van de dood. Och, verlos ook al die anderen! Haal hen krachtig op uit die ruisende kuil van de zonde. Verlos hen van de geestelijke dood van hun natuur en red hen door de Geest van de levende God, en breng het krachtige, reinigende bloed van Jezus aan op hun hart en geweten.

En Heere, hoor ons — Uw eigen kinderen, in wie de Heilige Geest getuigt met onze geest dat wij de kinderen van God zijn. Hoor ons nu wij onze dagelijkse, zware strijd voor Uw troon brengen. Gezegend zij Uw Naam, er zijn inderdaad zonden die U ons reeds hebt geholpen te overwinnen. Nu liggen zij vernederd en vertreden onder onze voeten, gepaard met menige bittere traan erover dat wij ooit de slaven van die machten zijn geweest. Maar och, er zijn nog steeds heimelijke opstanden diep binnen in onze natuur. Soms menen wij in onze hoogmoed dat wij reeds aardig heilig worden, en zie, op datzelfde moment ontdekken wij dat wij juist onder de macht van de hoogmoed staan en diep met onszelf zijn ingenomen. Heere, help ons om die hoogmoed volkomen te overwinnen.

En als wij dan in al onze zwakheid pogen nederig voor U te zijn, merken wij tot onze schande dat wij al te gemakkelijk vervallen in geestelijke werkeloosheid en vleselijke traagheid. Heere, dood die diepe luiheid in ons, en laat ons nimmermeer in de heerlijke leer van de vrije genade een zacht kussen vinden om op te rusten, zolang er in ons hart en leven nog één enkele zonde overblijft! Bovendien, grote God, springen soms de woedende, hartstochtelijke lusten van het vlees als wilde dieren plotseling op ons af. Help ons om zeer waakzaam te zijn, opdat wij op geen enkele wijze door hen verscheurd en vaneengereten worden. Och, bewaar ons, wij smeken U, Heere, want zonder Uw onmisbare bewaring kunnen wij onszelf met geen mogelijkheid bewaren.

Helaas, soms zijn wij zelfs onderworpen aan een treurig ongeloof. Als er plotseling zware beproevingen op ons afkomen die wij in onze kortzichtigheid niet verwachtten, of wanneer ons sterfelijke lichaam mat en zwak wordt, hoe licht gaan wij dan niet twijfelen aan Uw getrouwe belofte en bedroeven wij zo de Heilige Geest. Heere, dit kunnen en mogen wij niet verdragen! Het is ons immers niet genoeg dat onze uiterlijke klederen rein zijn en dat wij naar het uiterste oprecht wandelen voor de ogen van de mensen. Wij verlangen er zo naar om zó voor Uw alziend oog te wandelen dat er volstrekt niets meer is wat Uw Heilige Geest kan bedroeven, niets wat de tederste liefde van onze Beminde kan krenken. Och, kom, goddelijke Geest, en oefen Daaraan Uw diep reinigende kracht uit, geheel volgens Uw eigen belofte: „En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had,” spreekt de Heere, Die op de heilige Sion woont.

Och, dat alles in ons leven ons mocht helpen tot die ware reinheid, want dat is de diepste smachtende wens van onze ziel. Wij bedenken altoos de dingen van de Geest, en er is een onuitsprekelijk zuchten in ons om volkomen verlost te worden van alle overblijfselen van het vlees, opdat wij naar geest, ziel en lichaam een volkomen gereinigde tempel mogen zijn — heilig en onberispelijk, geschikt voor de eeuwige inwoning van de Heilige Israëls. Heere, help ons, wij smeken U, om in ons dagelijks aardse leven getrouw te zijn zoals Christus was. Zijn wij mensen van smarten geworden, laat er dan over onze smart exact dezelfde hemelse glans liggen die over de Zijne lag: een glans van diepe geduld en heilige, onwrikbare onderwerping aan de goddelijke wet. Zijn wij mensen van een heilige bedrijvigheid, laat onze daden dan zijn als die van Hem Die destijds „het land doorgegaan is, goeddoende”.

Mogen wij op alle denkbare wijzen het ware welzijn van onze medemensen zoeken en de eer van onze God hooghouden. Wij wensen van harte dat de vurige ijver van Uw huis ons mocht verteren, dat wij vol heilige, hemelse gloed mochten zijn, en dat onze lippen eertijds met die gloeiende kool van het altaar zouden zijn aangeroerd, zodat er diep in ons een vuur brandt dat altoos onuitblusbaar vlamt, en wijzelf een levende, welbehaaglijke offerande zijn voor God.

Zegen ons, wij bidden U, in al ons dagelijks voorbeeld en in al onze persoonlijke invloed. Moge die uitstraling altoos heilzaam en diep indringend zijn. Moge er rondom ons een hemelse lieflijkheid en een helder licht zijn dat ieder mens wel moet opmerken. Niet om onze eigen ijdele eer begeren wij dit, maar enkel en alleen opdat ons zwakke licht zo helder mag schijnen voor de mensen, dat zij onze vruchtbare goede werken mogen aanschouwen en in ootmoed onze Vader, Die in de hemelen is, daarvoor verheerlijken. De Heere schenke ons dit genadegeschenk!

Wij smeken U bovendien, zegen al de onbekeerden die zich in ons midden bevinden. Breng hen binnen in Uw koninkrijk, dierbare Zaligmaker, breng hen genadig binnen! Help de levenden onder ons om hen als het ware te dwingen in te komen, opdat Uw huis overvloedig vol worde. Moge er iets van een heilige, geestelijke dwang gebruikt worden, opdat zij niet langer buiten blijven om jammerlijk te verhongeren op de open wegen en langs de donkere heggen, maar binnengebracht worden aan het eeuwige feestmaal van het Evangelie.

De Heere zegene in deze bewogen tijd ons eigen land. Wees in ontferming genadig voor hen die het roer van de maatschappelijke en bestuurlijke zaken in handen hebben, opdat zij te midden van de grote moeilijkheden van deze dagen met wijsheid en genade van boven geleid worden. God zegene de Vorst met elke hemelse weldaad, en laat allen die in hoogheid van gezag zijn delen in Uw goddelijke gunst. Zegen eveneens alle andere landen op aarde, voor wie wij zo ernstig bidden, en in het bijzonder onze geliefde broeders in Christus aan de overzijde van de Atlantische Oceaan. Wij zegenen en loven U dat wij daar zulke scharen mogen hebben die niet alleen naar het volk onze verwanten zijn, maar bovenal innige verwanten in Christus. God zegene hen rijkelijk, en eveneens al onze broeders in de zuidelijke zeeën. De Heere zegene daar krachtig de Kerk van Christus. Gedenk in Uw ontferming ook al hen die zo zwaar worstelen op het vasteland van Europa, alsmede al die toegewijde zendelingen die ver weg op het ruwe zendingsveld arbeiden.

O Zaligmaker, laat Uw Koninkrijk in heerlijkheid komen! Wanneer zal deze zuchtende aarde eindelijk verlost worden van de drukkende, zware last van bijgeloof en dodelijk ongeloof? Och, dat U het diepe zuchten van de ganse schepping eens wilde horen en haastig bijkwam! O grote Verlosser, Gij zijt de diepe vreugde van deze aarde, nog altoos de langverwachte Verwachte van de stammen van Israël. Kom, wij smeken U, o afwezige Liefde, o dierbare Onbekende, o Gij Schoonste van tienduizend schonen! Kom een tweede maal tot deze aarde en tot de mensenkinderen, en bovenal, kom tot Uw eigen Bruid, de Kerk. Ja, kom spoedig, dierbare Heere Jezus! Amen.

© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content