Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 27 — Treasury of David

Titel en onderwerp
Uit het opschrift kunnen we niet opmaken wanneer deze psalm geschreven is. “Een psalm van David” staat boven zoveel psalmen. Maar wie op de inhoud van het lied afgaat, ziet het volgende. De dichter wordt door vijanden achtervolgd (Psalm 27:2-3). Hij is buitengesloten van het huis van de HEERE (Psalm 27:4). Hij staat op het punt afscheid te nemen van vader en moeder (Psalm 27:10). En hij lijdt onder laster (Psalm 27:12). Komt dat alles niet samen in de tijd dat Doëg, de Edomiet, bij Saul kwaad over hem sprak?
Het is een lied vol vrolijke hoop. Het past bijzonder goed bij mensen die door zware tijden gaan en hebben geleerd te leunen op de arm van de Almachtige. Je kunt deze psalm met veel winst op drie manieren lezen: als de woorden van David, als de woorden van de kerk en als de woorden van de Heere Jezus. Zo blijkt de rijkdom van de Schrift nog groter en wonderlijker.
Indeling
Eerst laat de dichter horen hoe vast hij op zijn God vertrouwt (Psalm 27:1-3) en hoe graag hij dicht bij Hem leeft (Psalm 27:4-6). Daarna gaat hij naar God toe in gebed (Psalm 27:7-12). Aan het slot erkent hij hoe sterk het geloof hem zelf draagt, en hij roept anderen op om zijn voorbeeld te volgen.
Uitleg
Vers 1
“De HEERE is mijn Licht en mijn Heil.” Hier spreekt iemand die persoonlijk deel heeft aan God: “mijn Licht”, “mijn Heil”. De ziel is er zeker van en zegt het daarom ronduit.
“Mijn Licht.” Bij de nieuwe geboorte stroomt er goddelijk licht in de ziel, als voorbode van het heil. Is er niet genoeg licht om onze eigen duisternis te zien en naar de Heere Jezus te verlangen, dan is er geen bewijs van redding. Het heil vindt ons in het donker, maar laat ons daar niet achter. Het schijnt voor wie zitten in het dal van de schaduw van de dood. Na onze bekering is onze God onze vreugde, onze troost, onze gids, onze leraar. In alle opzichten is Hij ons licht. Hij is licht in ons, licht om ons heen, licht dat van ons terugstraalt en licht dat nog aan ons geopenbaard zal worden.
Let goed op: er staat niet alleen dat de Heere licht geeft, maar dat Hij licht “is”. Er staat ook niet alleen dat Hij heil geeft, maar dat Hij het heil zelf is. Wie dus in geloof God vastgrijpt, heeft alle zegeningen van het verbond in handen. Niet elk licht is de zon, maar de zon is de vader van alle lichten.
Nu dit als feit vaststaat, volgt de conclusie, in de vorm van een vraag: “Voor wien zou ik vrezen?” Die vraag geeft zelf het antwoord. De machten van de duisternis hoeven we niet te vrezen, want de Heere, ons licht, vernietigt ze. En voor de verdoemenis van de hel hoeven we niet bang te zijn, want de Heere is ons heil. Dit is een heel andere uitdaging dan die van de opschepper Goliath, want ze staat op een heel ander fundament. Ze steunt niet op ingebeelde kracht van een arm van vlees, maar op de ware macht van de almachtige Ik Ben.
“De HEERE is mijns levens kracht.” Dat is een derde stralend woord. Het laat zien dat de hoop van de dichter vastzat aan een drievoudig koord dat niet kon breken. We mogen gerust lofwoorden opstapelen, want de Heere deelt Zijn goedheid met volle handen uit. Ons leven krijgt al zijn kracht van Hem Die het gemaakt heeft. En als Hij ons sterk wil maken, kunnen alle listen van de tegenstander ons niet zwak krijgen.
“Voor wien zou ik vervaard zijn?” Deze stoute vraag kijkt vooruit en blijft niet in het nu steken. “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” Dat geldt vandaag, en ook in alle tijd die nog komt.
Vers 2
Dit vers vertelt over een redding uit het verleden. Het laat zien hoe we onze ervaring moeten inzetten om ons geloof te versterken als het zwaar wordt. Elk woord leert ons iets.
“Als de bozen.” Het is een hoopvol teken als de goddelozen ons haten. Zouden onze vijanden vrome mensen zijn, dan was dat een zwaar verdriet. Maar bij goddelozen is hun haat beter dan hun liefde. “Mijn tegenpartijen, en mijn vijanden.” Het waren er veel, en ze waren niet van één soort. Maar ze trokken één lijn in het kwaad en waren hartelijk in hun haat.
“Tot mij naderden.” Ze gingen tot de aanval over en sprongen op hun slachtoffer af als een leeuw op zijn prooi. “Om mijn vlees te eten.” Als kannibalen wilden ze de man helemaal afmaken: hem lid voor lid verscheuren en van zijn ondergang een feestmaal maken voor hun boosheid. De vijanden van onze ziel zijn net zo woest. Ze kennen geen genade, en wij horen die hun ook niet te geven.
Kijk hoe groot het gevaar voor David was. Hij zat in de greep en de klauwen van talrijke, machtige en wrede vijanden. Zie dan ook hoe volkomen veilig hij was, en hoe totaal zij verslagen werden! “Stieten zij zelven aan, en vielen.” Gods adem blies hen van hun benen. Er lagen stenen op hun weg waar ze niet op gerekend hadden, en daarover maakten ze een smadelijke smak.
Dit was letterlijk waar bij onze Heere in Gethsémané, toen zij die Hem kwamen grijpen, achterwaarts gingen en op de grond vielen. Zo was Hij een voorbeeld, een profetisch beeld, van alle gelovigen die worstelen in gebed. Zij staan op van hun knieën en werpen door de kracht van het geloof hun vijanden op hun gezicht.
Vers 3
“Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen.” Voordat de strijd echt begint, is het hart van de soldaat gespannen en slaat het snel op hol. Een leger dat zich opstelt, jaagt vaak meer angst aan dan datzelfde leger in het gevecht. Young schrijft over sommige mensen: “Die duizend doden voelen in het vrezen van één.” Zeker, de schaduw van een moeilijkheid die nog moet komen, geeft angstige mensen vaak meer pijn dan de moeilijkheid zelf. Maar het geloof legt een versterkend pleister op de rug van de moed en gooit de droesem van de beker van het beven het raam uit.
“Ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.” Als het echt tot een botsing komt, vangt het schild van het geloof de slag op. En is het eerste schermutselen pas het begin van een oorlog, dan wapperen de vaandels van het geloof toch door, de vijand ten spijt. Komt er gevecht na gevecht en veldtocht na veldtocht, dan nog raakt de gelovige niet ontmoedigd door hoe lang de strijd duurt.
Lezer, dit derde vers is het troostrijke en logische gevolg van het tweede. Vertrouwen is het kind van ervaring. Ben je uit grote gevaren gered? Plant dan je vaandel, houd de wacht bij je wachtvuur en laat de vijand zijn ergste doen.
Vers 4
“Een ding.” Wie verschillende doelen nastreeft, raakt verstrooid, zwak en teleurgesteld. De man van één boek valt op. De man van één streven slaagt. Laten al onze liefdes samenkomen in één liefde, en laat die liefde gericht zijn op hemelse dingen.
“Heb ik begeerd.” Wat we niet meteen kunnen bereiken, is het toch goed om te verlangen. God oordeelt ons voor een groot deel naar het verlangen van ons hart. Iemand die op een kreupel paard rijdt, wordt door zijn meester niet berispt omdat het niet snel genoeg gaat, zolang hij zo hard rijdt als hij kan en meer zou doen als het kon. Zo neemt God bij Zijn kinderen de wil voor de daad.
“Van den HEERE.” Dit is het juiste doel voor onze verlangens. Dit is de put waar we onze emmers in moeten dopen, de deur waar we moeten kloppen, de bank waar we geld kunnen opnemen. Wie het van mensen verwacht, ligt met Lazarus op de mesthoop. Wie het van de Heere verlangt, wordt door engelen gedragen naar de schoot van Abraham. Wat we van de Heere verlangen, moet heilig zijn, nederig, standvastig, gehoorzaam en vurig. En het is goed als al die wensen, zoals bij de psalmist, samensmelten tot één geheel. In Davids pijnlijke situatie hadden we kunnen verwachten dat hij rust zou vragen, veiligheid en duizend andere goede dingen. Maar nee, hij heeft zijn hart gezet op de parel en laat de rest liggen.
“Dat zal ik zoeken.” Heilige verlangens moeten leiden tot vastberaden daden. Het oude spreekwoord zegt: “Wensers en wilders zijn nooit goede huishouders”, en: “Wensen vult nooit een zak.” Verlangens zijn zaad dat in de goede grond van ijver gezaaid moet worden. Anders geven ze geen oogst. Onze wensen blijken wolken zonder regen te zijn, tenzij we er met praktische inzet achteraan gaan.
“Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN.” Om de gemeenschap met de Koning wilde David altijd in het paleis wonen. Hij werd de diensten van de tabernakel allerminst moe. Hij wilde er juist voortdurend mee bezig zijn, zijn leven lang, als zijn grootste genoegen. Boven alles wilde hij bij het huisgezin van God horen: een kind van het huis, thuis bij zijn Vader. Dit is ook onze innigste wens. Alleen rekenen wij daar ook de dagen van ons onsterfelijk leven bij, die nog moeten aanbreken. We snakken naar het huis van onze Vader boven, het thuis van onze ziel. Mogen we daar maar voor eeuwig wonen, dan geven we weinig om de bezittingen en de zorgen van dit arme leven. “Het gouden Jeruzalem” is het enige doel van ons hartverlangen.
“Om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen.” Dat is een bezigheid voor aanbidders op aarde én in de hemel. We moeten de samenkomsten van de heiligen niet binnengaan om te zien en gezien te worden, of alleen om de predikant te horen. We moeten naar de bijeenkomsten van de rechtvaardigen gaan met één genadig doel: meer leren van de liefdevolle Vader, meer van de verheerlijkte Jezus, meer van de geheimzinnige Geest. Zo kunnen we onze heerlijke God met meer liefde bewonderen en met meer eerbied aanbidden. Wat een woord is dat: “de liefelijkheid des HEEREN!” Denk er eens over na, beste lezer! Of beter nog: zie haar door het geloof! Wat een gezicht zal dat zijn, wanneer elke trouwe volgeling van Jezus “den Koning … in Zijn schoonheid” zal zien! O, wat verlangen we naar dat oneindig zalige zicht!
“En te onderzoeken in Zijn tempel.” Onze bezoeken aan het huis van de Heere moeten bijeenkomsten van onderzoekers zijn. Niet alleen zoekende zondaars, ook zekere heiligen moeten onderzoekers zijn. We moeten onderzoeken wat Gods wil is en hoe we die kunnen doen. We moeten onderzoeken wat ons aandeel is in de hemelse stad en hoe we daar meer zeker van kunnen worden. In de hemel hoeven we niets meer te vragen, want daar zullen we kennen zoals we gekend zijn. Maar zolang we hier zijn, moeten we aan de voeten van Jezus zitten en al onze krachten wakker maken om van Hem te leren.
Vers 5
Dit vers geeft een prachtige reden waarom de psalmist zo verlangt naar gemeenschap met God: daardoor was hij veilig op het moment van gevaar.
“Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads.” In de tijd van benauwdheid, de tijd van nood, de tijd waarin anderen mij in de steek laten, verbergt Hij mij in Zijn tent. Hij geeft mij de beste schuilplaats in het ergste gevaar. De koninklijke tent stond midden in het leger. Alle strijdbare mannen hielden er dag en nacht de wacht omheen. Zo wordt ook de gelovige vredig verborgen onder het goddelijke koningschap, waarvoor de almachtige kracht gezworen heeft het te beschermen. Hij verbergt zich niet heimelijk zelf. De Koning verbergt hem, en ontvangt hem gastvrij.
“Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent.” Het offer komt dat koningschap te hulp om de uitverkorenen voor kwaad te behoeden. Onder het oude verbond durfde niemand het heilige der heiligen binnen te gaan, op straffe van de dood. Heeft de Heere Zijn volk daar verborgen, welke vijand durft hen dan nog lastig te vallen?
“Hij verhoogt mij op een rotssteen.” Hier komen onveranderlijkheid, eeuwigheid en oneindige macht het koningschap en het offer te hulp. Wat een gezegende plek heeft de man die God Zelf hoog boven zijn vijanden zet, op een ontoegankelijke rots die nooit bestormd kan worden! We mogen wel verlangen te wonen bij de Heere, Die Zijn volk zo krachtig beschermt.
Vers 6
“Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn.” Hij is er zeker van. Godvrezende mensen van vroeger baden in geloof, zonder te twijfelen, en spraken over het antwoord op hun gebed alsof het al vaststond. David was door het geloof zo zeker van een glorierijke overwinning op allen die hem omringden, dat hij in zijn hart al regelde wat hij zou doen wanneer zijn vijanden allemaal voor hem op de grond lagen. Die regeling was precies wat dankbaarheid hem ingaf.
“En ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren” (Engels: “offeranden van vreugde”). De plaats waar hij in zijn strijd zo naar verlangde, zou zijn dankbare vreugde zien als hij als overwinnaar terugkwam. Hij heeft het niet over luid gejuich in zijn paleis of feestmalen in zijn feestzalen. Hij kiest heilige blijdschap als het meest passend bij zo’n goddelijke redding.
“Ik zal zingen.” Dat is de meest natuurlijke manier om dankbaarheid te uiten. “Ja, psalmzingen den HEERE.” De belofte wordt herhaald om haar te bevestigen, en aangevuld om haar uit te leggen. Die aanvulling belooft alle lof aan Jehova. Laat wie wil zwijgen: de gelovige moet en zal zijn lof laten horen als zijn gebed is verhoord. En laat wie wil zingen voor de ijdelheden van de wereld: de gelovige bewaart zijn muziek voor de Heere alleen.
Vers 7
“Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep.” De slinger van het geestelijk leven zwaait van gebed naar lofzang. De stem die in het vorige vers was afgestemd op muziek, klinkt hier als een roep. David was een goed soldaat. Hij wist zijn wapens te gebruiken en voelde zich helemaal thuis bij het wapen van “alle bidding”. Merk op hoe graag hij verhoord wil worden. Farizeeën geven er geen cent om of de Heere hen hoort, als mensen hen maar horen of ze hun eigen trots maar kunnen strelen met hun klinkende vroomheid. Maar voor een oprecht mens is het oor van de Heere alles.
De stem kan nuttig zijn, ook in het gebed alleen. Het hoeft niet, maar het helpt vaak en houdt onze gedachten bij de zaak. “En wees mij genadig.” Genade is de hoop van zondaars en de toevlucht van heiligen. Alle aangename smekelingen staan veel stil bij deze eigenschap.
“En antwoord mij.” We mogen antwoord op ons gebed verwachten, en we horen niet gerust te zijn zonder. Zo gerust zijn we ook niet als we een vriend over een belangrijke zaak een brief hebben geschreven en geen antwoord krijgen.
Vers 8
In dit vers leren we dat we zorgvuldig moeten antwoorden op de stem van de Heere, als we willen dat Hij onze stem hoort. Het ware hart moet Gods wil weerkaatsen, zoals de rotsen in de Alpen in de mooiste muziek de tonen van de hoorn van de herder herhalen.
Merk op dat het gebod in het meervoud stond, voor alle heiligen: “Zoek!” (Engels: “Zoekt!”) Maar de man van God maakte er een enkelvoud van door het persoonlijk toe te passen: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!” De stem van de Heere is zeer krachtig waar alle andere stemmen tekortschieten. “Gij zegt”, en toen werd mijn hart, mijn diepste wezen, bewogen tot een gehoorzaam antwoord.
Let op hoe vlug het antwoord kwam. Zodra het gezegd was, was het gedaan. Zodra God zei: “Zoek”, zei het hart: “Ik zoek.” O, had ik maar meer van deze heilige bereidheid! Gaf God dat we buigzamer waren onder Zijn hand en gevoeliger voor de aanraking van Gods Geest.
Vers 9
“Verberg Uw aangezicht niet voor mij” (Engels: “niet ver van mij”). In de oorspronkelijke tekst staat het woordje “ver” niet. De vertalers hebben het erbij gezet, en dat was helemaal overbodig. Want ook het kleinste beetje verbergen van het aangezicht van de Heere is voor een gelovige al een zware last. Het gebod om Zijn aangezicht te zoeken zou een pijnlijk gebod zijn als de Heere Zich terugtrok en het zo onmogelijk maakte Hem te ontmoeten. Eén glimlach van de Heere is de grootste troost die er is; Zijn frons is het ergste wat ons kan overkomen.
“Keer Uw knecht niet af in toorn.” Andere knechten waren wel verstoten toen ze ontrouw bleken, zoals Davids voorganger Saul. Daarom was David, hoewel hij zijn vele fouten kende, erg bezorgd dat Gods geduld hem toch in Zijn gunst zou houden. Dit is een gebed dat ook bij ons past, zodra we voelen hoe onwaardig we zijn.
“Gij zijt mijn Hulp geweest.” Wat kunnen wij ons dit na zoveel jaren goed eigen maken! In allerlei moeilijke tijden heeft onze God ons gedragen, en we moeten en zullen belijden dat we in Zijn schuld staan. Iemand zei het zo: “Ondankbaarheid is van nature gewoon voor de gevallen mens. Maar voor mensen die door de Geest leven is ze onnatuurlijk en afschuwelijk.”
“Begeef mij niet, en verlaat mij niet.” Dit is een gebed voor de toekomst, gebouwd op wat er in het verleden is gebeurd. Als de Heere ons wilde loslaten, waarom is Hij dan ooit met ons begonnen? Alle hulp uit het verleden is verspilde moeite als Hij onze ziel nu in de steek laat. De eerste bede, “begeef mij niet”, kan gaan over tijden waarin we ons tijdelijk verlaten voelen. Het tweede woord kan wijzen op het definitief wegnemen van Gods genade. Tegen allebei moeten we bidden. En wat dat tweede betreft: daarvoor hebben we onveranderlijke beloften om Hem voor te houden.
“O God mijns heils!” Wat een lieflijke titel! Het loont de moeite om er lang over na te denken.
Vers 10
“Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten.” Onze dierbaarste familie zal als laatste afhaken. Maar stel dat zelfs de melk van menselijke goedheid bij hen opdroogt: er is een Vader Die nooit vergeet. Sommige van de grootste heiligen zijn door hun eigen familie buitengesloten en vervolgd, alleen omdat ze rechtvaardig wilden leven.
“Maar de HEERE zal mij aannemen.” Hij zal mijn zaak tot de Zijne maken. Hij zal mij uit mijn ellende optillen, mij in Zijn armen dragen en mij hoger zetten dan mijn vijanden. Uiteindelijk zal Hij mij thuisbrengen in Zijn eeuwige woning.
Vers 11
“HEERE! leer mij Uw weg.” David vraagt niet of hij zijn eigen weg mag gaan. Hij vraagt om onderwijs over het pad dat de rechtvaardige Jehova hem wil laten bewandelen. Dit gebed laat zien dat hij nederig weet hoe weinig hij zelf begrijpt. Het toont een leergierige geest en een hart dat graag gehoorzaamt.
“En leid mij in het rechte pad.” Hier vraagt hij niet alleen om richting, maar ook om hulp. We hebben geen kaart van de weg nodig, maar een gids die met ons meeloopt. David wil een pad dat open, eerlijk en recht vooruit gaat. Dat is het tegenovergestelde van de weg van sluwheid, die ingewikkeld, kronkelig en gevaarlijk is.
Goede mensen slagen zelden met slimme berekeningen en dubieuze wegen. Voor een erfgenaam van de hemel is een eenvoudig hart de beste houding. Laten we sluwe streken en politieke kunstgrepen overlaten aan de burgers van deze wereld; het Nieuwe Jeruzalem heeft eenvoudige mensen als burgers. Ezau was een listige jager, Jakob was een vrome man die in tenten woonde.
“Om mijner verspieders wil.” Zij zullen ons grijpen als ze kunnen. Maar wie open en eenvoudig eerlijk leeft, is veilig voor hun woede. Het is verbazend om te zien hoe oprechte eenvoud de sluwheid van het kwaad dwarsboomt en te slim af is. Waarheid is wijsheid. “Eerlijkheid duurt het langst.”
Vers 12
“Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders.” Anders zou ik zijn als een slachtoffer dat voor de leeuwen wordt gegooid, om aan stukken gescheurd en helemaal opgeslokt te worden. God zij gedankt dat onze vijanden niet hun zin met ons kunnen krijgen. Anders stond Smithfield allang weer in vlammen.
“Want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan.” Laster is een ouderwets wapen uit de wapenkamer van de hel, en het wordt nog volop gebruikt. Hoe heilig iemand ook leeft: er zullen altijd mensen zijn die hem zwartmaken. “Geef een hond een slechte naam en hang hem op”, zegt men. Maar de eer is aan God: het volk van de Heere bestaat niet uit honden, en een slechte naam doet hun geen kwaad.
“Mitsgaders die wrevel uitblaast.” Het goede haten is hun levensadem. Ze kunnen niet praten zonder te vloeken op wat goed is. Zo was Paulus, vóór zijn bekering. Wie wreedheid uitblaast, mag wel verwachten dat hij wordt weggestuurd om zijn geboortelucht in de hel in te ademen. Vervolgers, pas op!
Vers 13
Een bezwijmend hart is een veelvoorkomende zwakte. Zelfs de man die Goliath versloeg, had er last van. Maar het geloof houdt zijn flesje hartsterking tegen de lippen van de ziel, en zo voorkomt het dat we flauwvallen. De hoop is de balsem van de hemel voor het verdriet van nu.
We leven in het land van de stervenden. Daar is het onze zaligheid om uit te zien naar ons mooie erfdeel in het land van de levenden. De goedheid van God heeft daar alle boosheid van de mens weggejaagd. Heilige geesten betoveren er met hun gezelschap de vervolgde gelovigen, die onder de mensen zijn belasterd en veracht.
We moeten geloven om te zien, en niet eerst zien om te geloven. We moeten de bestemde tijd afwachten en de honger van onze ziel stillen met een voorproefje van Gods eeuwige goedheid. Die goedheid wordt spoedig ons feestmaal en ons lied.
Vers 14
“Wacht op den HEERE.” Wacht bij Zijn deur, biddend. Wacht aan Zijn voeten, nederig. Wacht aan Zijn tafel, dienend. Wacht aan Zijn raam, vol verwachting. Wie bij aardse beschermheren lang en kruiperig wacht, houdt er vaak niets aan over dan een koude schouder. Maar het best vaart hij wiens beschermer in de hemel woont.
“Zijt sterk.” Dat is de lijfspreuk van een soldaat. Laat het ook mijn lijfspreuk zijn! Moed hebben we nodig. En we hebben er net zoveel reden voor als we er behoefte aan hebben, als we tenminste soldaten van Koning Jezus zijn.
“En Hij zal uw hart versterken.” Hij kan de pleister precies op de zwakke plek leggen. Als het hart sterk wordt, zit de hele mens vol kracht. Een sterk hart maakt een sterke arm. Wat is dat voor een kracht, die God Zelf aan het hart geeft? Lees maar het “Boek der Martelaren” en zie wat een glorierijke daden van moed daar staan. Ga liever zelf naar God en ontvang dezelfde kracht.
“Ja, wacht op den HEERE” (Engels: “wacht, zeg ik, op den HEERE”). Met de woorden “zeg ik” zet David zijn eigen, persoonlijke handtekening onder wat hij, bewogen door de Geest, moest opschrijven. Het is zowel zijn eigen getuigenis als Gods opdracht. En wie deze korte aantekeningen schrijft, heeft het zelf zo zoet, zo verkwikkend en zo de moeite waard gevonden om dicht bij God te komen, dat hij zich ook voor zichzelf gedrongen voelt te schrijven: “Wacht, zeg ik, op den HEERE.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Vers 1
De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? Alice Driver, een martelares, bracht bij haar verhoor alle doctoren tot zwijgen. Ze hadden geen woord meer te zeggen en keken elkaar alleen nog maar aan. Toen zei zij:
“Hebt u niets meer te zeggen? God zij geëerd! U kunt de Geest van God in mij, een arme vrouw, niet weerstaan. Ik was de dochter van een eerlijke, arme man. Ik ben nooit op een universiteit opgeleid, zoals u. Maar ik heb, God zij dank, vaak de ploeg getrokken voor mijn vader. Toch zal ik, als het gaat om de verdediging van Gods waarheid en de zaak van mijn Meester Christus, door Zijn genade mijn voet zetten tegen de voet van ieder van u, om die waarheid vast te houden en te verdedigen. En had ik duizend levens, ze zouden er allemaal voor gaan.”
Daarop veroordeelde de kanselier haar, en zij keerde blij terug naar de gevangenis. — Charles Bradbury.
Vers 1
De HEERE is mijn Licht, enz. Sint Johannes zegt ons over Christus: “In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.” Maar hij voegt eraan toe dat “het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.” Johannes 1:4-5. Er is een groot verschil tussen het licht en het oog dat het ziet. Een blinde kan veel weten over het schijnen van de zon, maar voor hem schijnt ze niet. Ze geeft hem geen licht.
Zo is het één ding om te weten dat “God een Licht is”, 1 Johannes 1:5, en iets heel anders om te kunnen zeggen: “De HEERE is mijn Licht.” De Heere moet het licht zijn waardoor de weg van het leven voor ons duidelijk wordt. Het licht waardoor we kunnen zien om op die weg te lopen. Het licht dat de duisternis van de zonde aan het licht brengt. Het licht waardoor we de verborgen zonden van ons eigen hart ontdekken.
Als Hij zo ons licht is, dan is Hij ook ons heil. Hij heeft Zich eraan verbonden ons de goede kant op te leiden. Hij laat ons niet alleen de zonde zien, maar redt ons er ook van. Hij laat ons niet alleen zien dat God de zonde haat en haar vervloekt, maar trekt ons ook naar Gods liefde en neemt de vloek weg. Als de Heere ons verlicht op de weg naar de zaligheid, voor wie of wat zouden wij dan bang zijn? Ons leven is met Christus verborgen in God. Kolossenzen 3:3. We zijn zwak, heel zwak, maar “Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.” 2 Korinthe 12:9. Met de Heere Zelf als waarborg voor de kracht van ons leven: voor wie zouden wij bang zijn? — Uit “Sacramental Meditations on the Twenty-seventh Psalm,” 1843.
Vers 1
De HEERE is mijn Licht. “Licht” maakt alle dingen zichtbaar, en het was het eerste van alle zichtbare dingen dat gemaakt werd. Of God dat deed om ons een voorbeeld te geven, weet ik niet. Maar sindsdien volgen wij Zijn manier van werken na: het eerste wat we doen als we iets van plan zijn, is zorgen dat we “licht” hebben. — Sir Richard Baker.
Vers 1
De HEERE is mijn Licht. “Aanbiddelijke Zon”, riep Sint Bernardus, “ik kan zonder U niet lopen. Verlicht mijn schreden, en geef deze dorre, onwetende geest gedachten die U waardig zijn. Aanbiddelijke volheid van licht en warmte, wees het ware middaguur van mijn ziel. Verdrijf haar duisternis, verstrooi haar wolken. Brand, droog uit en verteer al haar vuil en onreinheid. Goddelijke Zon, ga op over mijn gemoed en ga nooit onder.” — Jean Baptiste Elias Avrillon, 1652-1729.
Vers 1
Voor wien zou ik vrezen? Geen enkele held, geestelijk of militair, verricht heldendaden uit lafheid. Moed is een onmisbare deugd. In Jehova ligt de best denkbare grond voor een onverschrokken houding. — William S. Plumer.
Vers 1
Voor wien zou ik vervaard zijn? Ik begrijp niets van een schuchtere, onoprechte belijdenis van Christus. Zulke predikers en belijders lijken op een rat die verstoppertje speelt achter een lambrisering. Hij steekt zijn kop door een gat om te kijken of de kust veilig is, waagt zich naar buiten als niemand in de weg staat, en sluipt weer terug zodra er gevaar opdoemt. We kunnen niet eerlijk zijn tegenover Christus als we niet vrijmoedig voor Hem uitkomen. Hij is óf alles waard wat we voor Hem kunnen verliezen, óf niets. — H. G. Salter, A.M., in “The Book of Illustrations,” 1840.
Vers 2
Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen. Er bestaat geen heerlijker gerecht voor een kwaadaardige maag dan het vlees van een vijand. Het gaat erin zonder kauwen, en ze slikken het in één keer door, als aalscholvers.
Maar kwaadaardigheid heeft wel een vraatzuchtige maag, en toch een trage spijsvertering. Haar tanden zijn scherp, maar haar voeten zijn lam, of in elk geval geneigd om te struikelen. Dat kwam David goed uit. Toen zijn vijanden op hem aankwamen om zijn vlees te eten, stieten ze aan en vielen ze, omdat ze op de voeten van de boosheid liepen.
Een mens kan struikelen zonder te vallen. Maar struikelen én vallen is de eigenlijke manier van struikelen bij goddelozen, en vooral bij boosaardige goddelozen. Zo ging het kennelijk met Davids vijanden, omdat zij zulke mensen waren. Zo zal het ongetwijfeld ook gaan met mijn vijanden, omdat de mijne zulke mensen zijn. En voor wat, voor wie dan, zou ik bang zijn? — Sir Richard Baker.
Vers 2
Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen. Hij beschrijft zijn vijanden, eerst hoe boosaardig ze waren en daarna hoe ze ten onder gingen.
Ten eerste: zijn vijanden waren wreed. Het waren bloedzuigers en vleeseters. We noemen zulke mensen kannibalen. Mensen zonder genade, die groot zijn en tegengewerkt worden, zijn onbenaderbaar in hun grootheid. De ene mens is een duivel voor de andere. De Schrift noemt hen “avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen.” Zefanja 3:3. Zoals de grote vissen de kleine opeten, zo maken grote mensen er niet meer bezwaar van andere mensen op te eten dan brood. Ze aarzelen niet meer om mensen omver te werpen en te gronde te richten dan om brood te eten. “Die mijn volk opeten, alsof zij brood aten.” Psalm 14:4.
Ten tweede: ondanks hun wreedheid werden ze omvergeworpen. David zegt: toen mijn vijanden op mij aankwamen om mijn vlees te eten, stieten ze aan en vielen ze. Want als Gods kinderen worden verlost, gaat dat meestal samen met de verwarring van hun vijanden. God doet twee dingen tegelijk, omdat Gods kinderen op twee fronten worden gekweld: door inwendige en door uitwendige vijanden. Zelden of nooit verlost Hij hen anders dan door hun vijanden in verwarring te brengen.
Dit zal het duidelijkst blijken op de dag van het oordeel. Dan worden Satan en allen die door zijn geest worden geleid, heel de kwaadaardige kerk, naar hun eigen plaats gestuurd. En dan is de kerk voor eeuwig vrij van alle soorten vijanden. Als de kerk het meest vrij is, zijn de vijanden van de kerk het dichtst bij de ondergang. Het is als een weegschaal: gaat de ene schaal omhoog, dan gaat de andere omlaag. Zo gaan de vijanden omlaag wanneer het met de kerk omhooggaat. — Richard Sibbes.
Vers 2
De bozen, mijn vijanden. De goddelozen haten de godvrezenden. Er is vijandschap tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang. Genesis 3:15. Zo is er in de natuur een afkeer tussen de wijnstok en de laurierboom, en tussen de olifant en de draak. Gieren walgen van zoete geuren. Zo hebben de goddelozen een afkeer van Gods volk: ze haten de zoete geur van hun genaden.
Het is waar dat de heiligen hun gebreken hebben. Maar daarom haten de goddelozen hen niet. Ze haten hen om hun heiligheid. En uit die haat ontstaat openlijk geweld. De dief haat het licht, en daarom zou hij het willen uitblazen. — Thomas Watson.
Vers 2
Er zat grote wijsheid in het gebed van John Wesley: “Heere, als ik dan moet strijden, laat het dan niet tegen Uw volk zijn.” Als onze vijanden en tegenstanders mensen zijn die goede mensen haten, hebben we in elk geval deze troost: God staat niet aan hún kant, en daarom zijn zij in de grond van de zaak zwak. — William S. Plumer.
Vers 3
Ofschoon mij een leger belegerde, enz. Hij legt hier het geval van het grootst denkbare gevaar voor. Zelfs als een leger mij omsingelde, zou mijn hart niet vrezen. Zelfs als er oorlog tegen mij uitbrak, zou ik hierop vertrouwen. Hier spreekt grote moed voor de tijd die komt. “Ervaring kweekt hoop en vertrouwen.”
David was uit zichzelf geen erg moedig man. Maar door wat hij had ervaren van Gods troost en bijstand in het verleden, brak zijn geloof door als vuur uit de rook, of als de zon uit een wolk. Hij zegt als het ware: ik heb in allerlei benauwdheden gezeten, maar ik heb zoveel ervaring met Gods goedheid, dat ik voor de toekomst niet zal vrezen.
Wie God door een geloofsgeest ziet in Zijn grootheid en macht, ziet alle andere dingen daarbeneden als niets. Daarom zegt David hier dat hij voor de toekomst geen enkele tegenstand telt. Zelfs een leger niet. “Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?” Romeinen 8:31. Hij zag God in Zijn macht. En toen hij van God naar het schepsel keek: ach, wie was dat nu helemaal? Denk aan Micha, die God had gezien zittend op Zijn troon. Wat was Achab voor hem, nadat hij God eenmaal gezien had? Zo ook de profeet David: toen hij God eenmaal had gezien, kon hij zeggen: “Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen”, enz. — Richard Sibbes.
Vers 3
Ofschoon mij een leger belegerde, enz. Als ik mijn God liefheb, en ik heb Hem lief met een ruimhartige liefde, dan strijden al mijn vijanden tevergeefs tegen mij. Ik zal hen nooit vrezen, want de hele wereld kan mij geen kwaad doen, hoe graag zij dat ook zou willen. Liefde laat zich niet beledigen, want zij neemt nergens aanstoot aan. Vijanden, nijdige mensen, lasteraars, vervolgers: ik daag jullie uit! Als ik liefheb, zal ik over jullie aanvallen triomferen. Jullie kunnen mijn bezittingen afpakken, maar heeft mijn liefde een gul hart, dan blijf ik altijd rijk genoeg. Mijn liefde kunnen jullie niet afpakken, want zij alleen is al mijn rijkdom en al mijn schatten. Jullie kunnen mijn goede naam bezoedelen. Maar omdat ik jullie lof en applaus toch niet nodig heb, geef ik jullie met heel mijn hart de vrije hand om mij te bekritiseren en te belasteren. Gelukkig kunnen jullie mij niet zwartmaken bij mijn God, en dat is voor mij het belangrijkste. Zijn waardering alleen maakt alles goed en vergoedt mij al jullie verachting. Jullie kunnen mijn lichaam vervolgen, maar daarbij help ik jullie zelfs een handje, met mijn eigen boetedoeningen. Hoe eerder het lichaam vergaat, hoe eerder ik verlost ben van deze vijand in huis, die mij tot last is. Wat voor kwaad kunnen jullie mij dan nog doen? Ben ik vastbesloten alles te dragen, en denk ik dat ik alle smaad verdien die jullie mij kunnen aandoen, dan geven jullie mijn liefde alleen maar een hogere vlucht en mijn kroon meer glans. — Jean Baptiste Elias Avrillon
Vers 3
Wie bereid is om voor God te strijden, zal door God ook meer dan overwinnaar zijn. Niemand is zo echt moedig als wie echt godvrezend is. Wie God dient, is werkelijk dapper. Een christen die leeft, weet door wiens kracht hij overeind blijft. En sterft hij, dan weet hij ook om wiens wil hij valt. Waar geen vertrouwen op God is, houdt niemand het bij God vol. Als de wind van het geloof de zeilen niet meer vult, houdt het schip van de gehoorzaamheid op met door de golven te ploegen. De spot van Ismaël zal nooit maken dat een Izak zijn erfdeel gaat minachten. — William Secker
Vers 3-4
Een gunsteling wordt groot door alle gunsten, geschenken, juwelen en ambten die de vorst hem geeft. Zo wordt ook de christen rijk aan ervaringen. Hij draagt ze als armbanden en bewaart ze als zijn kostbaarste juwelen. De ene noemt hij Eben-Haëzer: “Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.” Een andere noemt hij Nafthali: “Ik heb worstelingen Gods … geworsteld.” Weer een andere heet Gersom: “ik ben een vreemdeling geworden.” Een volgende heet Jozef: “de HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.” En een laatste heet Pniël: “ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht.” 1 Samuël 7:12; Genesis 30:8; Exodus 2:22; Genesis 30:24; Genesis 32:30.
Ik ben van de leeuw gered, dus word ik ook van de beer gered. Van leeuw en beer, dus ook van de Filistijn. Van de Filistijn, dus ook van Saul. Van Saul, dus zal God mij ook van elk kwaad werk redden en mij onberispelijk bewaren tot in Zijn hemelse koninkrijk. — John Sheffield
Vers 4
“Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.” Uitleggers zijn het er niet over eens wat de psalmist precies op het oog heeft. Ik begrijp er in elk geval zoveel van, en dat is duidelijk genoeg: hij bedoelt gemeenschap en omgang met God. Dat is het ene ding waarbij een christen niets meer hoeft te wensen als hij het heeft. Laten wij allen daarnaar verlangen en dat wensen, er telkens opnieuw naar verlangen en er verliefd op zijn. Het is genoeg om ons zelfs helemaal te verzadigen: God genieten en Hem zien in Zijn verordeningen, in Zijn tempel, en daar met Hem omgaan en met Hem verbonden zijn. O God, geef ons dat!
Dit is zo oneindig zoet dat het Davids enige verlangen was en de som van al zijn wensen hier op aarde. Hoeveel te meer geldt dat voor de tabernakel van de hemel, waar al ons geluk zijn voltooiing en volmaaktheid vindt! — John Stoughton
Vers 4
Een ding heb ik van den HEERE begeerd, enz. Aangezien David maar één verzoek aan God wilde doen: waarom vroeg hij dan niet iets groters? Want wat is dit eigenlijk voor een armzalig verzoek: wonen in Gods huis? En om wat te doen? Alleen maar kijken? En kijken naar wat? Naar een schoonheid, iets wat vergaat. En hooguit nog onderzoeken. Maar wat is onderzoeken anders dan nieuws horen, een ijdele gril? Welke reden is er in dit alles te vinden waarom David juist dit aan God zou vragen?
Maar let op, mijn ziel, wat erbij hoort! Neem alles samen: de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. En zeg mij nu of er een groter verzoek kan zijn. Is er een grotere reden om er vurig om te bidden? Wereldse schoonheid is iets wat vergaat, maar “de liefelijkheid des HEEREN” blijft bestaan als de wereld al lang voorbij is. En nieuwsgierig zijn naar nieuws is misschien een ijdele gril, maar onderzoeken in Gods tempel is juist de weg om te leren dat er niets nieuws is onder de zon. Daar leerde Salomo: “Het is al ijdelheid.”
Dit “ene ding” dat David begeert, is in feite dat unum necessarium waar Christus in het evangelie over spreekt: “Maar een ding is nodig.” Maria kiest het daar, zoals David het hier kiest. — Sir Richard Baker
Vers 4
Een ding. Wie hemels gezind is, bundelt al zijn verlangens tot één wens en niet meer. “Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken.” Geef mij Uzelf, o Heere, en ik zal niets meer vragen. Het nieuwe schepsel vraagt niets van God, behalve om God te mogen genieten. Geef mij dat, o Heere, en wat de rest betreft: laat Ziba maar alles nemen. Ik doe van alles afstand om die ene parel te kopen: de rijkdom van hemelse genade. — Jeremy Taylor
Vers 4
Een ding. Het eerste is dus Davids keuze, kort samengevat in de woorden “een ding.” Zo bevestigt Christus het woord van de profeet, toen Hij Maria’s keuze “een ding” noemde. Lukas 10:42. Dat doet Hij om drie redenen.
Ten eerste is het geen gewoon goed, maar het hoogste goed. Staat er nog iets boven, dan is het niet het hoogste goed. Is er iets aan gelijk, dan staat het niet alleen.
Ten tweede is het het uiteindelijke doel dat we voor eeuwig willen genieten. Gaat er nog een doel voorbij, dan is het niet het laatste, maar een tussenstation, een trede ernaartoe. Alle middelen en tussendoelen worden er juist voor gebruikt, maar het zelf wordt om zichzelf gezocht. Daarom kan het er maar één zijn.
Ten derde is het een middelpunt waar alle redelijke geesten naartoe trekken. Alle lijnen van een cirkel komen samen in het middelpunt. Zo komt ieder die geluk op de juiste manier zoekt, uit bij het hoogste goed, als het enige wat hij nastreeft. Daarom moet het één zijn. — William Struther, in “True Happiness, or King David’s Choice,” 1633
Vers 4
Een ding. Er zijn grote veranderingen en veel verliezen geweest in mijn leven. Ik ben van vat tot vat overgegoten. Maar één ding heeft mij nooit begeven. Dat ene ding laat mij voelen dat mijn leven één geheel is geweest. Het heeft mijn vreugde getemperd, mijn verdriet gesust, mij geleid in moeilijke tijden en mij gesterkt in zwakte. Het is de aanwezigheid van God, een trouwe en liefhebbende God. Die aanwezigheid heeft mij nooit losgelaten.
Ja, broeders, Gods aanwezigheid is niet alleen licht, maar ook eenheid. Zij geeft eenheid aan het hart dat haar gelooft, en eenheid aan het leven dat zich naar haar richt. Het was Gods aanwezigheid in Davids ziel die hem liet zeggen: “Een ding heb ik van den HEERE begeerd.” En het was Gods aanwezigheid in Paulus die hem liet zeggen: “Maar een ding doe ik.” — George Wagner, in “Wanderings of the Children of Israel,” 1862
Vers 4
Een hartstocht. —
“Eén hartstocht kan het ganse hart beheersen,
En als de slang van Aäron de andere verslinden.”
— Alexander Pope
Vers 4
Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN. Wat hier bedoeld wordt met wonen, is ongetwijfeld dit: voortdurend naar de tempel toe gaan en er steeds weer heen lopen. Wonen betekent er blijven en er steeds te vinden zijn. Je komt dus niet maar even langs omdat je er plotseling zin in hebt . . .
Zo woonde Anna, de dochter van Fanuël. In Lukas 2 staat dat zij vierentachtig jaar lang “niet week uit den tempel.” Dat betekent niet dat zij er altijd was, maar wel vaak, zegt Lyra, en de eerwaarde Beda zegt hetzelfde. Zij was er dus niet elk uur, maar wel vaak. Zo spreekt dezelfde Lukas over de leerlingen van onze Zaligmaker, nadat zij Hem ten hemel hadden zien opvaren: “Zij keerden”, zegt hij, “weder naar Jeruzalem met grote blijdschap. En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God.” Lukas 24:52-53.
Op dezelfde manier kon ook de moeder van Augustinus in haar tijd gezegd worden in Gods huis te wonen. Zij kwam er zo trouw en stipt, twee keer per dag, “opdat zij”, zegt Augustinus, “in Uw Schriften, o God, mocht horen wat U tot haar zei, en U in haar gebeden wat zij tot U zei.”
Zulke christenen had Augustinus ook op een andere plaats voor ogen. Hij noemt hen de mieren van God. “Zie de mier van God”, zegt hij. “Zij staat elke dag vroeg op, zij loopt naar Gods kerk, zij bidt daar, zij hoort de Schriftlezing, zij zingt een psalm, zij herkauwt wat zij hoort, zij overdenkt het, en verzamelt in zichzelf het kostbare koren dat van die dorsvloer is opgelezen.” — John Day, in “David’s Desire to go to Church,” 1609
Vers 4
Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN. Aan het begin van de psalm maakt David de balans op van zijn ziel. Hij telt de grote inkomsten en blijvende schatten van Gods mildheid, genade en barmhartigheid bij elkaar. De som is deze: de Heere is mijn licht en mijn leven, mijn kracht en mijn heil.
En waar wil David dan zijn? Daar waar zijn licht is. Waar wil hij zelf zijn? Waar zijn kracht is. Waar wil hij zijn ziel hebben? Waar zijn leven is. En waar wil hij zijn woonplaats vestigen? Waar zijn heil is. Dat is in gemeenschap met zijn God, en dan vooral in de heilige dienst van Zijn heiligdom. Geen wonder dat hij boven alles dit “ene ding” begeert en zoekt: “te wonen in het huis des HEEREN”, enz. — Robert Mossom
Vers 4
Het huis des HEEREN. De tabernakel, het heiligdom, heet het huis van God, omdat Hij daar aanwezig is, zoals een mens graag thuis is in zijn eigen huis. Het is de plaats waar je God kunt ontmoeten. Een mens vind je gewoon thuis, in zijn huis. Daar laat hij mensen die hem iets willen vragen tot zich komen, en daar vertelt hij zijn geheimen. Hij rust er, hij ligt er en hij slaapt er. Waar voelt een mens zich zo vertrouwd als thuis? En welke plaats moet hij zo goed beschermen en verzorgen als zijn huis? Hij bergt zijn schatten en juwelen in zijn huis op.
Zo bergt God alle schatten van genade en troost op in de zichtbare kerk. In de kerk is Hij te spreken, zoals een mens in zijn huis. Daar geeft Hij ons zoete ontmoetingen met Zichzelf. Daar worden over en weer geestelijke kussen gegeven: “Hij kusse mij met de kussen Zijns monds.” Hooglied 1:2. Het huis van een mens is zijn kasteel, zoals wij zeggen. Hij beschermt het en zorgt ervoor. God zal Zijn kerk zeker beschermen en verzorgen. Daarom noemt Hij de kerk, dat wil zeggen de tabernakel (dat was in die tijd de kerk), het huis van God.
Passen we dit op onze tijd toe, dan komt wat toen de tabernakel was overeen met de afzonderlijke zichtbare kerken onder hun eigen herders, waar de middelen tot zaligheid zijn opgericht. Die afzonderlijke zichtbare kerken zijn nu Gods tabernakel. De kerk van de Joden was een nationale kerk. Er was maar één kerk, één plaats en één tabernakel. Nu heeft God afzonderlijke tabernakels opgericht. Elke afzonderlijke kerk en gemeente onder één herder, hun samenkomst, is de kerk van God, een eigen kerk, onafhankelijk. — Richard Sibbes
Vers 4
Om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen. Dat was één doel van zijn verlangen, namelijk om in Gods huis te wonen. Het ging hem er niet om zijn ogen te voeden met bespiegelingen en mooie vertoningen, hoewel er in de tabernakel zeker mooie dingen te zien waren. Nee, hij had een veel meer geestelijke blik dan dat. Hij zag de innerlijke, geestelijke schoonheid van die geestelijke dingen. De rest waren slechts uiterlijke zaken, zoals de apostel ze noemt. Ik verlang te wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid des Heeren te zien, en vooral Zijn innerlijke liefelijkheid. — Richard Sibbes
Vers 4
De liefelijkheid des HEEREN. Bij deze woorden willen wij proberen aan te tonen dat Gods karakter aantrekkelijk is. Het is bij uitstek geschikt om ons liefde voor Hem in te boezemen en ons als het ware achter Hem aan te laten lopen. Ons betoog over dit onderwerp verdelen we in drie delen.
I. Enkele bouwstenen van de liefelijkheid des Heeren. II. Waar de liefelijkheid des Heeren te zien is. III. Bijzondere trekken van de liefelijkheid des Heeren.
I. Enkele bouwstenen van de liefelijkheid des Heeren. God is Geest. Daarom is Zijn schoonheid geestelijk van aard, en moeten we de bouwstenen ervan zoeken in geestelijke volmaaktheid.
- Eén bouwsteen van deze schoonheid is heiligheid.
- De bouwstenen waar wij nu bij willen stilstaan, zitten in de algemene beschrijving van Gods barmhartigheid en genade. Mensen in onze gevallen staat merken sneller hoe aantrekkelijk die zijn en voelen hun invloed eerder. Daarom bekijken we ze nu aandachtig. Het is vooral hierdoor dat zondaren worden gewonnen uit hun vijandschap tegen God. Daardoor stort de Heilige Geest ook de liefde van God uit in onze harten.
- Nog een bouwsteen van Gods schoonheid is hoe Zijn verschillende eigenschappen samenkomen tot één harmonisch geheel. De kleuren van de regenboog zijn mooi als je ze één voor één bekijkt. Maar de regenboog heeft ook een schoonheid die niet uit één enkele tint komt. Die schoonheid zou er niet zijn als de kleuren na elkaar kwamen. Zij komt voort uit hun samenkomst en hun onderlinge ligging, en bestaat in hun gemengde schittering. Zo brengen ook de verschillende volmaaktheden in Gods wezen, die samen bestaan en één zijn, een stralende schoonheid voort. Heiligheid is mooi, barmhartigheid is mooi, waarheid is mooi. Daarbovenop is er een schoonheid die hoort bij zulke samenklanken en harmonieën, zoals de psalmist ons laat zien wanneer hij zegt: “De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.” En: “O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond”, enz.
II. Vervolgens moeten we onderzoeken waar de liefelijkheid des Heeren te zien is. Tot op zekere hoogte zien we haar in de natuurlijke wereld, in alles wat God geschapen heeft. De troon van de natuur heeft, hoewel er in sommige opzichten wolken en donkerheid rondom Hem zijn, toch zijn regenboog van schoonheid, net als de troon van de genade. De liefelijkheid des Heeren is te zien in de zedelijke wet. In de wet? Ja, werkelijk! In de onbuigzame wet met haar vreselijke banvloek stralen Zijn schoonheid en beminnelijkheid uit. De wet zit vol liefde, ja zeker. De plichten van de wet zijn plichten van liefde. De liefde is de vervulling van de wet. De vloek van de wet is bedoeld voor het handhaven van de liefde, en wordt ook daarvoor gebruikt.
Gehoorzaamheid aan de wet en een leven vol liefde zijn twee kanten van dezelfde zaak. Een van de hoogste lessen van de wet is zelfs dat God liefde is. De liefelijkheid van de Heere zien we ook in het evangelie. In de wet zien we haar als in een spiegel; in het evangelie zien we haar rechtstreeks. De wet laat ons zien hoe God de harten van mensen wil hebben. Het evangelie laat ons Gods eigen hart zien.
Verder zien we de liefelijkheid van de Heere in Christus. Want Hij is de afstraling van de heerlijkheid van de Vader en het uitgedrukte beeld van Zijn wezen. Wie Christus heeft gezien, heeft de Vader gezien. We zien die liefelijkheid in Christus wanneer we Hem zien als het geschenk van de Vader, en wanneer we kijken naar Zijn ambten en Zijn karakter. Het karakter van Christus was het mooiste voorbeeld van zedelijke schoonheid waar mensen of engelen ooit naar hebben gekeken.
III. We sluiten af met een paar kenmerken van de liefelijkheid van de Heere. 1. Ze misleidt nooit. 2. Ze vervaagt nooit. 3. Ze verliest nooit haar kracht. 4. Ze stelt nooit teleur. Zo is de liefelijkheid van de Heere. — Samengevat uit Andrew Gray (1805-1861), in ‘Gospel Contrasts and Parallels’
Vers 4
De liefelijkheid des HEEREN. Met de liefelijkheid van de Heere in Zijn huis bedoelt David niet de schoonheid van Zijn wezen. Zo kan geen mens God zien en leven (Exodus 33:20); voor die verblindende glans bedekken zelfs de engelen hun gezicht met hun vleugels (Jesaja 6:2). Het gaat om de schoonheid van Zijn verordeningen. Daarin laat God aan het verstand van mensen, verlicht door Zijn Geest, zien hoe mooi Zijn goedheid, gerechtigheid, liefde en barmhartigheid zijn in Jezus Christus. — Thomas Pierson, M.A., 1570-1633
Vers 4
De liefelijkheid des HEEREN. ‘Schoonheid’ is een te beperkt woord om de volheid van de Heilige Geest uit te drukken: Gods lieflijkheid en het genot dat Hij geeft. Neem het woord daarom in de ruimste zin. Het kan alles omvatten wat onze zintuigen, van binnen en van buiten, kunnen waarnemen. ‘Genot’ is het hoogste wat we met ‘lieflijkheid’ kunnen zeggen. Want in Zijn verordeningen is God niet alleen ‘schoonheid’ voor het oog van de ziel. Hij is ook zalf voor de reuk, zoetheid voor de smaak, en alles in alles voor elk vermogen van de ziel. God in Christus is daarom verrukkelijk en zoet . . . De liefelijkheid van de Heere is vooral het beminnelijke van God: Zijn barmhartigheid en Zijn liefde. Zij maken al het andere in de kerk mooi. — Richard Sibbes
Vers 4
En te onderzoeken in Zijn tempel. Hoe meer genade je hebt, hoe meer zaken je in Zijn verordeningen met God te regelen vindt. Weinig genade heeft weinig te doen; veel genade heeft veel te doen. Wie veel genade heeft, heeft altijd zaken met God, en wel bijzondere, ernstige zaken. “Om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.” Zo iemand zegt: Ik heb iets uit te zoeken! Ik moet met deze plicht iets bereiken, dus ik heb geen tijd te verbeuzelen.
Wie zijn vriend uit beleefdheid bezoekt, praat wat, loopt wat rond, treuzelt wat en gaat weer naar huis. Maar wie met een zaak komt, is er vol van. Hij is als de eerlijke en trouwe knecht van Abraham. Genesis 24:33: “Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb.” Zo zegt de gelovige: Ik heb een grote zaak met de Heere, over de kerk en over mijn ziel. Ik eet niet, praat niet, denk niet en speel niet met iets anders, voordat ik mijn boodschap heb gebracht of de boodschap van mijn Maker aan mij heb gehoord.
Daarom is het zo zeldzaam en tegelijk zo kostbaar om altijd iets op je hart te dragen dat je aan God kunt voorleggen. Een hart dat zwanger is van een nodig verzoek, of van een zaak om met God te bespreken. Psalm 45:2. — Richard Steele, ‘Antidote against Distractions’, 1673
Vers 4
Dit was Davids ernstige gebed: “Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.” Velen bidden Davids woorden, maar niet met Davids hart. Unum petii: één ding heb ik begeerd, de praeterito, over het verleden. Et hoc requiram: dit zal ik zoeken, de futuro, voor de tijd die komt. Ik vraag er al lang om, en ik zal dit verzoek volhouden tot ik het heb gekregen.
Wat vraagt hij dan? Om al de dagen van mijn leven in een van de huizen van God te wonen, en die na mij aan mijn kinderen na te laten? Niet om Hem daar vroom te dienen, maar om die plaats tot mijn eigen bezit te maken? Zulke mensen houden te veel van het huis van God. Ze willen het hebben en houden. Maar omdat de overdracht door de advocaat is geregeld en niet door de predikant, blijkt hun aanspraak uiteindelijk waardeloos. En al is er geen nisi prius om hen tegen te houden, op die grote dag van de algemene afrekening zal de Rechter van de hele wereld hen toch veroordelen. Zo geldt: hoe dichter bij de kerk, hoe verder van God. Dat is een bittere conclusie, maar ze klopt.
De tempel van de Heere is bedoeld om ons voor Hem te winnen, niet om hem aan Hem te onttrekken voor onszelf. Als we de Heere liefhebben, zullen we “de woning van Uw huis” en “de plaats des tabernakels Uwer eer” liefhebben. Dan worden we, doordat we nederige bezoekers van Zijn tempel hier beneden zijn, edele heiligen van Zijn huis boven: het heerlijke koninkrijk van Jezus Christus. — Thomas Adams
Vers 4
David leeft nu in veiligheid. Waar denkt hij dan aan? Wat is zijn hoofddoel? Hij doet niet zoals Pyrrhus, de koning van Epirus. Toen die de Romeinen en al zijn vijanden had verslagen, wilde hij rustig achteroverzitten en feestvieren, zoals hij eens tegen Cyneas, de wijsgeer, zei. David gebruikt zijn rust juist voor voortdurende toewijding aan God. Hij gaat van dag tot dag naar Gods huis, zoals Anna dat later ook deed (Lukas 2).
Dat doet hij, ten eerste, om zijn ziel te verkwikken door de schoonheid van Zijn heiligdom te zien. Ten tweede, om steeds op het goede pad te blijven en veilig te zijn. Ten derde, om nog hoger verheven te worden in koninklijke heerlijkheid. Ten vierde: om dit alles heeft hij volop reden om God zonder ophouden offers te brengen en psalmen te zingen. Zie Psalm 27:5-6. — John Mayer
Vers 4
O mijn ziel, wat heb ik in het huis van God al niet gezien! Wat een voorraad heb ik er geproefd! Wat een onthaal heb ik er gehad! Wat een ruimte in het gebed, en wat een antwoorden! Wat een indruk onder Zijn woord, wat een gastvrijheid aan Zijn tafel, toen Hij mij soms in Zijn wijnhuis bracht en Zijn banier over mij liefde was! Misschien kan ik daar niet zoveel van zeggen als sommige anderen. Toch denk ik met dankbaarheid terug aan wat ik heb ervaren, en ik verlang naar meer. En omdat dit alles in het huis van God was, wil ik daar ook blijven wonen. — Daniel Wilcox, 1676-1733
Vers 5
Ten dage des kwaads. God verlost Zijn volk niet altijd uit de benauwdheid. Maar Hij verlost hen wel van het kwaad van de benauwdheid en van de wanhoop die erbij hoort, doordat Hij hun geest ondersteunt. Ja, Hij verlost zelfs door de benauwdheid heen, want Hij maakt de benauwdheid heilzaam om zielen te genezen. Zo verlost Hij hen door kleinere benauwdheden van grotere. — Uit een vlugschrift in het British Museum, gedateerd Londen: gedrukt voor D. M., 1678
Vers 5
Hij versteekt mij. Het woord dat hier staat betekent: verbergen, wegstoppen, en dan ook: verdedigen of beschermen. Je gebruikt het eigenlijk voor iemand die op de vlucht was voor onderdrukking of een dreigend kwaad, en die in een huis of grot werd verborgen. Zo was hij echt veilig voor wie hem achtervolgden en voor het gevaar dat hem bedreigde. — Albert Barnes
Vers 5
Paviljoen komt van papilio, het Latijnse woord voor vlinder. Het is een tent van doek, gespannen over palen, en die in vorm wat lijkt op het genoemde insect. — Adam Clarke
Vers 5
In het verborgene Zijner tent verbergt Hij mij. David zinspeelt op een oud gebruik: wie iets had misdaan, vluchtte naar de tabernakel of het altaar. Daar voelden zij zich veilig. 1 Koningen 2:28. — Matthew Poole
Vers 5
In het verborgene Zijner tent. Als er geen andere plaats was, zou Hij mij in het heilige der heiligen zetten. Dan zou geen vijand het ooit durven wagen ook maar in de buurt te komen. — Adam Clarke
Vers 6
Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn. Een mens kan niet verdrinken zolang zijn hoofd boven water blijft. En precies dat is de taak van de hoop voor de christen als er gevaar dreigt. Lukas 21:28: “Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.”
Een vreemd moment, zou je denken, voor Christus om Zijn discipelen te zeggen dat ze hun hoofd moeten opheffen. Andere mensen voelen dan hun hart bezwijken van angst en van verwachting van wat de aarde te wachten staat (Lukas 21:26). Toch is dit juist het uur waarop hun zon opgaat, terwijl die van anderen ondergaat en de zwartste duisternis anderen overvalt. Want nu komt het feest van de christen eraan, waarvoor de hoop haar eetlust zo lang heeft gespaard. “Omdat uw verlossing nabij is.” Twee dingen laten het hoofd hangen: angst en schaamte. De hoop bevrijdt het hart van de christen van allebei. Daarom verbiedt ze hem om met een sombere blik te laten zien dat hij moedeloos is. — William Gurnall
Vers 6
Ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren. “Hij kon God toch ook buiten de tempel aanroepen?”, zou iemand kunnen zeggen. “Overal waar hij als balling rondzwierf, droeg hij Gods dierbare belofte met zich mee. Hij hoefde er dus niet zoveel waarde aan te hechten het gebouw zelf te zien. Het lijkt wel of hij zich door een ruwe voorstelling inbeeldt dat God door hout en steen kan worden ingesloten.”
Maar als we de woorden nauwkeuriger bekijken, zien we meteen dat hij iets heel anders bedoelt dan alleen het mooie gebouw en zijn sieraden, hoe kostbaar die ook zijn. Hij spreekt wel over de tempel. Maar hij legt die schoonheid niet zozeer in wat het oog kon zien. Hij legt haar in het feit dat de tempel het hemelse voorbeeld was dat aan Mozes was getoond. Zo staat het in Exodus 25:40: “Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.” De vorm van de tempel was niet bedacht met menselijke wijsheid, maar was een afbeelding van geestelijke dingen. Daarom richtte de profeet zijn ogen en al zijn verlangen daarop.
Wie deze plaats verdraait ten gunste van schilderijen en beelden, handelt dan ook werkelijk waanzinnig en verfoeilijk. Zulke dingen verdienen het niet om tot de sieraden van de tempel gerekend te worden. Ze lijken veeleer op drek en vuil, dat alle reinheid van heilige dingen bezoedelt. — Johannes Calvijn
Vers 8
“Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!” (Engels: “Toen Gij zeidet: Zoekt Mijn aangezicht; mijn hart zeide tot U: Uw aangezicht, o HEERE, zoek ik.”) In het vorige vers begint David een gebed tot God: “Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.” Dit vers geeft de grond voor dat gebed. God zegt: “Zoek Mijn aangezicht.” Het hart antwoordt: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.” Daarom word ik aangemoedigd en durf ik tot U te bidden.
In deze woorden zit Gods bevel en Davids gehoorzaamheid. Gods opdracht, en Davids antwoord dat daar precies bij past. De stem en de echo: de stem, “Zoek Mijn aangezicht”, en de weerklank van een genadig hart, “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.” De woorden “Toen Gij zeidet” staan niet in de grondtekst. Ze maken alleen de weg vrij voor de zin. Hartstochtelijke taal is meestal abrupt: “Zoek Mijn aangezicht” – “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE” . . .
God wil gekend worden. Hij wil Zichzelf openen en laten zien; God vindt er geen behagen in Zich te verbergen. God houdt Zich niet statig op afstand, zoals sommige keizers die denken dat hun aanwezigheid hun aanzien aantast. Zo’n God is Hij niet. Hij kan worden onderzocht. Bij een mens zien we, zodra een zwakte zichtbaar wordt, al snel de bodem van zijn voortreffelijkheid. Bij God is het juist andersom: hoe meer we van Hem weten, hoe meer we Hem zullen bewonderen. Niemand bewondert Hem meer dan de zalige engelen, die het meeste van Hem zien, en de zalige geesten die gemeenschap met Hem hebben. Daarom verbergt Hij Zich niet. Nee, Hij verlangt ernaar gekend te worden. En iedereen die Zijn Geest heeft, wil Hem bekendmaken.
Wie de kennis van God onderdrukt, van Zijn wil, van wat Hij voor mensen doet en wat Hij van hen vraagt, is een vijand van God en van Gods volk. Zo iemand smoort de openbaring van God, en dat is precies tegen Gods bedoeling in: “Zoek Mijn aangezicht.” God zegt hier: Ik wil bekend worden en Mij voor u openleggen.
Hieruit kunnen we terloops iets leren. Zitten we in een donkere tijd, en merkt een christen niets van Gods stralen, dan moet hij God daarvan niet de schuld geven, alsof God er behagen in schept Zich te verbergen. O nee, dat is Zijn lust niet! Hij houdt niet van afstandelijkheid tegenover Zijn arme schepselen. Het hoort niet bij Zijn staatkunde. Hij is te groot om zulke armzalige dingen na te streven. Nee, de schuld ligt helemaal bij ons. We wandelen niet waardig voor zo’n tegenwoordigheid; we missen nederigheid en voorbereiding. Als er duisternis is in het schepsel, zodat hij merkt dat God niet zo op hem schijnt als in vroeger tijden, dan ligt de oorzaak ongetwijfeld bij hemzelf. Want God zegt: “Zoek Mijn aangezicht.” Hij wil Zich openbaren. — Richard Sibbes
Vers 8
“Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht”, enz. Alles wat de Geest in ons beweegt, komt op het juiste moment. Stel het dus nooit uit! Uitstel is een verkapte weigering. Het ruikt naar een ondankbare minachting die Hem diep moet kwetsen. “Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!” God wil zo’n antwoord niet alleen horen. Hij wil het meteen horen, zodra Hij roept. Als Hij Zijn wind laat waaien, verwacht Hij dat wij onze zeilen hijsen. Wijzen we de hulp af die Hij aanbiedt, dan staan we er straks misschien zonder wanneer we haar hard nodig hebben.
Denk aan de bruid in het Hooglied. Christus trok Zich van haar terug, omdat zij Hem zo lang aan de deur van haar hart liet kloppen. Steeds weer stelde ze het opendoen uit, en met lege, zwakke excuses putte zij Zijn liefdevolle geduld uit (Hooglied 5:2 en volgende). Wat Hij ons nu te doen geeft, mogen we dus niet laten liggen. En we mogen Zijn werking in ons ook niet tegenhouden door moe te worden van de plichten waarbij Hij ons helpt. Gebruiken we Zijn buitengewone hulp niet om nog wat langer vol te houden, dan dagen we Hem uit om weg te gaan. — Timothy Cruso
Vers 8
“Gij zegt”, enz. (Engels: “Toen Gij zeidet”.) Hier zien we goed dat God bij ons moet beginnen, voordat wij bij Hem kunnen aansluiten. God moet ons zoeken, voordat wij Hem kunnen zoeken. Hij moet eerst verlangen dat we dichterbij komen, voordat wij zelf in staat zijn tot Hem te naderen. God zei: “Zoek Mijn aangezicht.” Pas toen, en niet eerder, zei mijn hart. Zo gaat het altijd: God begint, en wij antwoorden. Mijn hart zei: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.” — Thomas Horton
Vers 8
“Gij zegt”, enz. God spreekt tot ons hart om te bidden. Dat doet Hij niet alleen door ons geweten aan te spreken: ‘Dit moet je doen.’ Nee, Zijn spreken tot gebed lijkt op Zijn spreken aan het begin, toen Hij de wereld maakte en zei: “Daar zij licht! en daar werd licht.” Zo zegt Hij: laat er een gebed zijn, en er is een gebed. Hij giet een geest van genade en smeking over een mens uit, een biddende gezindheid. Hij legt beweegredenen in ons hart en geeft ons argumenten en pleidooien voor God in handen. Je zult merken dat dit alles vanzelf en gemakkelijk komt, met een levendige gloed en een ruim hart. Er is een verlangen en een rusteloosheid in je geest om alleen te zijn, om je ziel voor God uit te storten. Al die bewegingen en ingevingen wil je uitspreken en in een gebed gieten, tot je ze bij elkaar hebt gebracht en er een gebed van hebt gemaakt. Dát is een spreken tot het hart, en zo kun je het herkennen.
Let op zulke momenten waarop God dit doet, en laat ze niet voorbijgaan. Smeed het ijzer als het heet is! Dan heb je Zijn oor. Het is een uitgelezen moment voor dit werk, misschien wel een moment dat je nooit meer krijgt. Aan het hof letten smekelingen op de molissima fandi tempora, de momenten waarop ze kunnen vragen omdat de koning in een goede bui is. Die grijpen ze zeker aan. Dat geldt vooral als ze merken dat de koning uit zichzelf begint over de zaak waarvoor zij komen. Zo verstaan sommigen ook Psalm 10:17, waar staat dat God het hart bereidt: God bereidt het hart en laat het oor horen. Dat wil zeggen: Hij vormt ons hart en brengt het in een biddende stemming. En zeker is het een groot teken dat God ons wil horen, wanneer Hij ons zelf het verzoek ingeeft. — Thomas Goodwin
Vers 8
“Gij zegt”, enz. Dit mogen we terecht aanvoeren: God spoort ons alleen aan en sterkt ons om Hem te zoeken als Hij van plan is Zich door ons te laten vinden. Psalm 10:17: “HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken.” Jeremia 29:13: “En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.” Ja, God maakt het zelfs tot een argument voor Zichzelf. Zegt Hij tegen iemand, van binnen én van buiten: Zoekt Mijn aangezicht, dan kan Hij, Die gerechtigheid spreekt, niet zo tegen hem praten en zijn gebeden toch laten mislukken, zodat hij Gods aangezicht tevergeefs zoekt. Jesaja 45:19: “Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.”
Als Ahasveros zijn vrouw zegt dat ze mag vragen, zal hij haar verzoek zeker inwilligen (Esther 7:2). Zo is het ook hier: wie Hij roept, laat Hij niet met lege handen staan. Denk aan de blinde die Christus riep om bij Hem te komen en Hem zijn nood te vertellen. De omstanders zeiden terecht tegen hem: “Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.” (Markus 10:49). Zo staat het ook met ons, als God ons roept om Hem te zoeken. — Thomas Cobbett
Vers 8
“Mijn hart zegt tot U.” Het hart staat tussen God en onze gehoorzaamheid in, als een gezant. Het hoort van God wat Hij gedaan wil hebben, en geeft dan een opdracht aan de hele mens. Hart en geweten van een mens zijn voor een deel goddelijk en voor een deel menselijk. Er zit iets goddelijks in, vooral bij iemand die heilig leeft. God spreekt, en het hart spreekt. God spreekt tot het hart, en het hart spreekt tot ons. Vaak horen we ons geweten wel, maar slaan we er geen acht op. Sint Augustinus zei het van zichzelf: “God sprak vaak tot mij, en ik wist het niet.” Soms staat er in het Woord geen gebod waar het hart direct aan denkt. (Veel goddeloze, onbezorgde mensen hebben nauwelijks een Bijbel in huis.) Dan spreekt God op een andere manier tot hen: hun geweten houdt hun een of ander overtreden gebod voor, dat ze tegen wil en dank leren kennen. Ze trekken er zich niets van aan. David deed dat niet. God zei: Zoekt Mijn aangezicht, en zijn hart antwoordde: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.”
Het hart kijkt omhoog naar God en dan naar zichzelf: “Mijn hart zegt.” Het sprak eerst tot God en daarna tot zichzelf. Eerst zei zijn hart tot God: “Heere, ik word door U aangemoedigd. U hebt mij geboden Uw aangezicht te zoeken.” Zo keek zijn hart naar God en sprak het daarna tot zichzelf: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.” Het kijkt eerst naar God, en dan naar alles wat uit onszelf komt. — Richard Sibbes
Vers 8
Dit antwoord van David, en de manier waarop hij ingaat op Gods bevel of uitnodiging, geeft ons genoeg om over na te denken. Ten eerste kwam het op tijd. David antwoordt meteen: “Ik zoek Uw aangezicht, o HEERE.” Zo is elke wijze en verstandige christen. Dat is zijn eigen aard en houding: hij grijpt de allereerste kans om op Gods uitnodiging in te gaan. Ten tweede was zijn antwoord ook volledig. Wat hij deed, stond in verhouding tot wat God vroeg. Er zijn mensen in de wereld die precies het tegenovergestelde doen als God hun iets opdraagt. Of ze doen in elk geval niet zoveel als ze zouden moeten, maar slechts half. David antwoordt God echter met volledige gehoorzaamheid. God zei: Zoekt Mijn aangezicht, en hij antwoordde: Uw aangezicht, o HEERE, zoek ik.
Ten derde was zijn antwoord echt, helemaal en oprecht: “Mijn hart zegt.” Iets met je mond zeggen is één ding, het met je hart zeggen is iets anders. Met de mond is het heel gemakkelijk, en niets is gewoner dan dit: Heere, wij zullen Uw aangezicht zoeken. Zeker als we in nood zitten of een ramp over ons komt. Maar dat het hart het zegt, komt veel minder vaak voor. Ten vierde was zijn antwoord vast en beslist: “Ik zoek Uw aangezicht.” Niets houdt me ervan af, ik doe het tegen alle tegenstand in. Ten slotte was Davids belofte onvoorwaardelijk en onbegrensd: “ik zoek Uw aangezicht”, zonder voorschrift van tijd, plaats of voorwaarde. Niet alleen nu, maar ook later. Niet alleen in goede tijden, maar ook als het tegenzit. Niet voor even, maar voor altijd, in elk seizoen, in elke toestand en onder alle omstandigheden. Ik blijf erbij: gemeenschap met U houden. Pas dan zijn wij echte christenen, als we zo onveranderlijk, onherroepelijk en onafhankelijk zijn van wat anderen vinden of doen. — Samengevat uit Thomas Horton
Vers 8
God heeft Zijn gunst beloofd, dus mogen Zijn mensen die gunst zoeken. Hij heeft Zijn volk zelfs geboden haar te zoeken, dus moeten ze dat doen. Het is onbezonnen dwaasheid om, zolang God Zijn gunst even achterhoudt, onszelf als zonen en als volk te verloochenen. Dat betekent: de genade en de geestelijke band tussen ons en God ontkennen. Zo win je geen gunst! Als we ons kindschap zelf ongedaan maken, sluiten we onszelf uit van elke verwachting op gunst. Nee, de wijste en zekerste weg is te zoeken dat Gods liefdevolle aangezicht zich vernieuwt, en ons niet door ons ongeloof van God te laten wegdrijven. — Obadiah Sedgwick, in “The Doubting Believer”, 1653
Vers 9
“Verberg Uw aangezicht niet voor mij.” Nu ik Uw aangezicht zoek, o God, wilt U het toch niet voor mij verbergen? Waarvoor zou ik het nog zoeken als ik het niet kan vinden? Dan zou mijn zoeken zinloos zijn. En welke hoop heb ik om het te vinden als U vastbesloten bent het te verbergen? — Sir Richard Baker
Vers 9
“Keer Uw knecht niet af in toorn.” God wijst veel mensen af in toorn vanwege hun ingebeelde goedheid. Maar niemand wijst Hij af vanwege de slechtheid die hij openlijk belijdt. — John Trapp
Vers 9
“Uw knecht.” Het is een gezegende en gelukkige zaak om Gods echte “knecht” te zijn. Denk aan wat de koningin van Scheba over Salomo’s knechten zei in 1 Koningen 10:8: “Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!” Christus Jezus is groter dan Salomo (Mattheüs 12:42) en dus een betere Meester. Goede aardse meesters eren goede knechten, zoals Spreuken 27:18: “Die zijn heer waarneemt, zal geëerd worden”, en Spreuken 17:2: “Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.” Sommige aardse meesters mogen dan een Nabal of een Laban zijn, maar zo is God niet! Johannes 12:26: “Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.” “Zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.” Zie ook Lukas 12:37. De waakzame knechten zijn gezegend! Hun heer laat hen aanzitten, komt tevoorschijn en dient hen zelf. Zie ook Mattheüs 25:21, 23: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.” — Thomas Pierson
Vers 9
“Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet”, enz. Eén daad van barmhartigheid verbindt God aan een volgende. Mensen redeneren: ‘Ik heb u al goed geholpen, val me dus niet nog eens lastig.’ Maar omdat God barmhartigheid heeft getoond, is Hij juist des te sneller bereid opnieuw barmhartig te zijn. Zijn barmhartigheid in de verkiezing zorgt ervoor dat Hij rechtvaardigt, aanneemt en verheerlijkt. — Thomas Watson
Vers 9
“Begeef mij niet.” Beter vertaald: “zend mij niet weg”, of: “laat Uw greep op mij niet los.” Dat is de eigenlijke betekenis van het Hebreeuwse werkwoord (het woord in de grondtekst) (Hebr.): iets losmaken, het laten gaan, het verlaten. — Samuel Horsley
Vers 10
“Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten.” Het lijkt moeilijk te geloven dat de ouders van de psalmist hem echt “verlaten” hebben. Daarom kun je zeggen, zoals Muis veronderstelt, dat ze hem “verlaten” hebben in de zin van: ze hebben hem achtergelaten omdat ze gestorven zijn. — James Merrick, M.A., 1720-1769
Vers 10
“Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten.” Zo zijn alle levende wezens nu eenmaal, hoe zorgzaam ze ook zijn voor hun jongen: zodra die volwassen en sterk zijn, sturen ze ze weg om voor zichzelf te zorgen. Zelfs een vader en een moeder, hoe teder ook, hebben iets van die gemeenschappelijke natuur in zich. Zolang hun kinderen klein zijn, leiden ze hen aan de hand. Maar als ze opgegroeid zijn, laten ze hen op eigen benen staan. En als zo’n kind valt, moet het zelf maar zien overeind te komen. God daarentegen tilt Zijn kinderen ook dan nog op, want Hij weet waaruit ze gemaakt zijn. Hij weet dat hun kracht evengoed ondersteund moet worden als hun zwakheid geholpen. Hij weet dat ze opgetild moeten worden als ze vallen, net zo goed als ze vastgehouden moeten worden als ze staan. — Sir Richard Baker
Vers 10
“Vader en moeder.” Ten eerste: wie zijn dat precies? Eigenlijk en in de eerste plaats onze natuurlijke ouders, door wie we verwekt en geboren zijn. Aan hen hebben we (onder God) ons bestaan en onze opvoeding te danken. Toch worden hier niet alleen zij bedoeld. Het gaat, door een stijlfiguur waarbij een deel voor het geheel staat (synecdoche), ook om alle andere familieleden, buren, vrienden en bekenden. Sterker nog, om alle wereldse troost, steun en hulp, van welke aard ook.
- Maar waarom worden dan juist zij het eerst genoemd, terwijl de rest daarin besloten ligt? Omdat we van hen meer hulp verwachten dan van wie dan ook. We staan dichter bij hen en hebben meer recht op hen dan op anderen, en zij zullen ons van allen het minst snel verlaten. Zelfs dieren verlaten hun jongen niet. Een hen laat haar kuikens niet in de steek, en een berin laat haar welpen niet zomaar afnemen.
- Maar waarom, ten derde, worden ze allebei genoemd: vader én moeder? Deels omdat je je nauwelijks kunt voorstellen dat beiden hun kind zouden verlaten, ook al zou de een toevallig liefdeloos zijn. Deels omdat de liefde van een vader meestal vooral vooruitziend is en die van een moeder vooral teder. Samen drukken ze de overvloedige liefde van God voor ons beter uit dan elk afzonderlijk. Hij heeft ons oneindig lief, meer dan de zorg van de meest vooruitziende vader en de genegenheid van de tederste moeder.
- Maar wanneer, ten vierde, kun je zeggen dat zij ons verlaten? Op elk moment dat ze ons zonder de hulp laten zitten die we nodig hebben. Dat kan uit eigen keuze gebeuren: ze willen ons niet helpen, terwijl ze het wel zouden kunnen als ze wilden. Het kan ook uit noodzaak zijn: ze kunnen ons niet helpen, terwijl ze het wel zouden doen als ze konden. — Robert Sanderson
Vers 10
“Maar de HEERE zal mij aannemen.” Maar dictum factum: dat zijn maar woorden, zou je kunnen zeggen. Zijn er ook daden om ze waar te maken? Jazeker, en wel tot op de letter, zoals we zo zullen zien. Toen Ismaëls moeder hem had verlaten, omdat zij aan zijn leven wanhoopte, en hem hijgend in de woestijn had neergelegd (naar haar weten en kunnen zijn laatste uur), nam de Heere hem op. Hij opende een nieuwe waterbron en opende haar ogen om die te zien, en zo bleef het kind in leven (Genesis 21). Toen ook Mozes’ ouders hem hadden verlaten, want ze durfden niet langer bij hem te blijven, en hem tussen het riet hadden neergelegd, nam de Heere hem eveneens op. Hij gaf hem een redster, de eigen dochter van de koning, en een voedster, de eigen moeder van het kind. Zo bleef ook hij in leven (Exodus 2:6-9).
Neem nog twee voorbeelden, uit elk Testament één: David en Sint Paulus. Beiden werden door mensen verlaten, beiden werden door God opgenomen. Hoe verlaten was David in Psalm 142:5, toen hij naar rechts keek en niemand zag die hem kende! Hij had geen schuilplaats en niemand zorgde voor zijn ziel. Maar al die tijd was er Dominus ad dextris: Eén stond aan zijn rechterhand (al merkte hij Hem eerst niet op), klaar om hem op te nemen. Dat lezen we in Psalm 142:6: “Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.” En hoe verlaten Sint Paulus was, hoor het van hemzelf in 2 Timotheüs 4:16: “In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten.” Een zware situatie, die nog zwaarder was geweest als er niet Eén klaarstond om zijn kant te kiezen. Dat lezen we in het volgende vers: “Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd”, enz.
Wat hebben we nog meer getuigen nodig? In ore duorum: als twee zulke getuigen het zeggen, staat de zaak vast. Maar je zult misschien zeggen: deze twee konden alleen getuigen van wat ze al hadden meegemaakt, post factum. David daarentegen zegt het in onze tekst vooraf, de futuro, en nog vol vertrouwen ook: “De HEERE zal mij aannemen.” Zo doet hij dat ook elders: “Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren” (Psalm 140:13). Maar is daar enige grond voor? Zeker, een dubbele grond. De ene ligt in Gods natuur, de andere in Zijn belofte.
In Zijn natuur zijn vier hoedanigheden. (We nemen de vrijheid dit zo te zeggen, passend bij ons eigen beperkte verstand, want in de Godheid zijn eigenlijk geen hoedanigheden.) Noem ze hoedanigheden of eigenschappen of wat je maar wilt: er zijn vier volmaaktheden in God. Ze staan tegenover de gebreken waarvan wij bij onze aardse ouders hebben gemerkt dat zij de belangrijkste reden zijn waarom ze ons zo vaak verlaten. Deze vier geven ons volle zekerheid dat Hij ons zal opnemen wanneer alle andere hulp ons ontbreekt. Het zijn Zijn liefde, Zijn wijsheid, Zijn macht en Zijn eeuwigheid, en alle vier horen ze bij Zijn wezen. Voeg bij deze vier Zijn belofte, en je hebt alle zekerheid die je maar kunt wensen. — Robert Sanderson
Vers 10
“De HEERE zal mij aannemen.” In het Hebreeuws staat hier eigenlijk: “zal mij verzamelen”. Dat wil zeggen: Hij neemt mij op in Zijn zorg en onder Zijn bescherming. In het burgerlijk recht zijn er regels voor verstoten en vriendenloze mensen. Sommige gasthuizen vangen hen op, en sommige voorrechten helpen hen om hun moeite te verzachten en te vergoeden. Eén ding is zeker: bij God vinden de verlatenen en de vaderlozen barmhartigheid. — John Trapp
Vers 11
“HEERE! leer mij Uw weg.” Net heeft David zichzelf vergeleken met een verstoten, verlaten kind dat God in huis heeft genomen. Dan is het heel begrijpelijk dat hij nu vraagt hoe hij moet leven. Hij bidt om de genade om al Gods heilige geboden te kunnen houden. Door alle honderdvijftig psalmen heen verliest hij dat verlangen nooit uit het oog. Wat kon hij anders doen? Dit was immers de enige weg naar het hemelse huis van God, waarvan hij zojuist had gezegd dat het de enige wens en het enige verlangen van zijn hart was. — Robert Bellarminus (kardinaal), 1542-1621
Vers 11
“En leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.” Stel dat iemand over de koninklijke heerweg reist en tussen zonsopgang en zonsondergang wordt beroofd. Dan kan hij zijn schade verhalen op het graafschap waar de roof plaatsvond. Maar wie midden in de nacht op reis gaat, op een tijdstip dat daar niet voor bedoeld is, draagt het risico zelf. Hij moet maar zien wat hem overkomt. Zo is het ook met de mens. Wie op Gods wegen blijft, mag zeker zijn van Gods bescherming. Wie van die wegen afdwaalt, brengt zichzelf in gevaar. — Robert Skinner (bisschop), 1636
Vers 11
“Om mijner verspieders wil.” Zodra iemand openlijk belijdt dat hij gelooft, kijkt iedereen naar hem. En dat is terecht, want met zijn belijdenis zondert hij zich in de wereld van de wereld af. Gelovigen veroordelen door hun leven wie hen met hun lippen veroordelen. De rechtvaardige David zag dat velen er al op wachtten om zijn fouten uit te lachen. Hoe scherper ze hem in de gaten hielden, des te vuriger bad hij: “HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.” Je kunt het ook vertalen met: om mijner waarnemers wil.
Christen, stel dat je woont in de open tent van een losbandig leven. Dan lopen de goddelozen niet achterwaarts, zoals de eerbiedige Sem en Jafeth, om je schande te bedekken. Nee, ze lopen naar voren, zoals de vervloekte Cham, om haar rond te vertellen. Zo gebruiken ze jouw zwakheid als excuus voor hun eigen goddeloosheid. Mensen kennen geen genade als ze christenen beoordelen. Voor hun zwakheid hebben ze geen medelijden. God weegt hen op eerlijker weegschalen en zegt: “De geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.” In Gods ogen is een heilige een duif. In de ogen van zondaars is hij maar een raaf. — William Secker
Vers 13
“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien”, enzovoort. Denk veel na over Gods alle-genoegzaamheid, Zijn macht, Zijn goedheid en Zijn onveranderlijkheid.
- Gods alle-genoegzaamheid. Wat een volheid is er in Hem, genoeg om alles te vergoeden wat je voor Hem kunt verliezen! Wat een verkwikking is er in Hem, genoeg om alles te verzoeten wat je voor Hem kunt lijden! Wat een volheid! Je kunt net zo goed betwijfelen of al het water van de oceaan een lepel kan vullen, als betwijfelen of Gods volheid je genoeg zou zijn, ook al hield je niets meer over in deze wereld. Want al het water dat de zee bedekt, is niets meer dan een lepel vol vergeleken met de grenzeloze, oneindige volheid van Zijn alle-genoegzaamheid. En wat een verkwikking in Hem! Eén druppel van Gods zoetheid is genoeg om iemand in de doodsstrijd van de wreedste dood nog blij te laten uitroepen: “De bitterheid des doods is geweken.” In Hem vind je bovendien niet alleen druppels, maar rivieren. Geen schrale bespatting, maar een oneindige volheid.
- Richt je ogen op Gods macht. Kijk hoe die ons onder het kruis kan dragen, en wat die voor je kan bereiken door het kruis heen. Er is geen kruis zo scherp en zwaar of Hij kan het zoet en troostrijk maken. Er is geen kruis zo drukkend en ondraaglijk of Hij kan het licht en draaglijk maken. Er is geen kruis zo vernederend en schandelijk of Hij kan het veranderen in jouw eer. Er is geen kruis zo vast aan je geklonken of Hij kan het zo van je afnemen.
- Zijn goedheid. Zijn alle-genoegzaamheid en Zijn macht maken Hem in staat om te helpen. Zijn goedheid maakt Hem bereid om voor Zijn volk onder het kruis te doen wat Zijn alle-genoegzaamheid en almachtige kracht kunnen geven. Zijn goedheid zet Zijn krachtige macht aan het werk voor Zijn lijdende heiligen. Zijn goedheid laat Zijn alle-genoegzaamheid, Zijn volheid, voor hen stromen, zodat die vrij over hen heen vloeit. En nooit vloeit zij vrijer dan wanneer zij onder het kruis staan.
“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien”, enzovoort. Wat maakt dat je onder het kruis bijna bezwijkt, of al bij de gedachte eraan of bij het zien aankomen ervan? Kijk naar Gods goedheid. Daar vind je steun. — Samengevat uit David Clarkson
Vers 13
“Ik ware vergaan.” Onze vertalers hebben deze woorden zelf toegevoegd, en ze staan er cursief gedrukt. Maar ze zijn niet alleen overbodig, ze schaden de zin. Laat de woorden “ik ware vergaan” weg en laat het vers gewoon afbreken. Dan blijft de fraaie stijlfiguur van de psalmist overeind: “Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden” — wat! wat, helaas! zou er van mij geworden zijn! — Adam Clarke
Vers 13
“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden.” In het Hebreeuws mist er iets in dit vers. Zo vertaalt Calvijn het ook. In zijn Franse vertaling vult hij het gat op door aan het eind van het vers de woorden toe te voegen: “C’estoit fait de moy”, “ik ware vergaan”. In onze Engelse vertaling staan de woorden “ik ware vergaan” aan het begin van het vers. Beide aanvullingen, die van Calvijn en die van onze Engelse vertaling, komen in wezen op hetzelfde neer. Ongetwijfeld verklaren ze wat de tekst bedoelt. Maar ze nemen de mooie, plotselinge vorm van de uitdrukking weg. De psalmist breekt midden in zijn woorden af en maakt de zin niet af, hoewel heel duidelijk is wat hij wilde zeggen. — Redactionele noot bij Calvijn, ter plaatse
Vers 13
Probeer in zware benauwdheid en nood een sterk en levend geloof te oefenen. Job nam onder zijn bijzondere beproevingen een edel en heldhaftig besluit, Job 13:15: “Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen?” Het is alsof hij zei: laten mijn slagen nog zo zwaar en hard zijn, toch laat ik Zijn woord en Zijn beloften niet los. Ik breek de fundamenten van mijn hoop niet af.
Zo hield ook de psalmist zichzelf overeind toen zijn zware lasten hem dreigden te breken: “Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.” . . . Het geloof brengt nieuwe kracht en hulp uit de hemel, wanneer de vorige voorraad op en uitgeput is. Dat ervoer David hier als iets heel zoets. God plant genade in de ziel en maakt haar werkzaam. Zo behaagt het Hem ook om op het juiste moment te hulp te komen en de zwakke, afgematte genaden van Zijn volk te versterken, precies naar de nood en de druk waarin zij op dat moment verkeren. Zo geeft Hij de lamp van de gelovige van tijd tot tijd verse olie. Hij geeft meer geloof, meer liefde, meer hoop en meer verlangens. Daardoor geeft Hij kracht aan wie bezwijkt, en sterkt Hij wat nog over is wanneer het op sterven staat. — John Willison
Vers 13
“Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden.” Dit is een hartsterking die uit drie heerlijke bestanddelen is samengesteld: een hoop om te zien, het zien van de goedheid van God, en dat dan nog in het land der levenden. — Sir Richard Baker
Vers 13
“Het land der levenden.” Helaas, wat is dit voor een land der levenden, waar meer doden zijn dan levenden en meer mensen onder de grond liggen dan erboven! De aarde is hier voller van graven dan van huizen. Het leven ligt te beven onder de hand van de dood, en de dood heeft de macht om over het leven te heersen als een tiran. Nee, mijn ziel, alleen daar is het land der levenden waar niemand woont dan levenden. Daar is een kerk die niet meer strijdt, maar zegeviert. Een kerk, ja, maar zonder kerkhof, omdat niemand er dood is en niemand er kan sterven. Daar lijdt het leven niets en doet de dood niets. Daar zit het leven gekroond, en daar is de dood verzwolgen in overwinning. — Sir Richard Baker
Vers 14
“Wacht op den HEERE, zijt sterk.” Wees getroost, houd vast (zoals het Grieks zegt), wees een man, of gedraag je als een man. Dat is het woord dat de apostel gebruikt in 1 Korinthe 16:13. Het zijn woorden van aanmoediging tegen laksheid, angst, mismoedigheid en andere zwakheden. — Henry Ainsworth
Vers 14
“Wacht op den HEERE, zijt sterk.”
“Houd stand, en zie uw geestelijke vijanden vluchten;
De hel beeft voor een oog dat naar de hemel ziet.
Verdedig u, maar trek niet zelf ten aanval;
Wie op zichzelf vertrouwt, zal falen in de strijd.
Wordt u uitgedaagd, dan mag u gevaren trotseren;
Ware moed is standvastig, geen plotselinge gloed.
Zij is nederig, wantrouwt steeds eigen kracht,
En stort zich niet roekeloos in het gevaar.
Wijd u geheel aan God, en u zult ervaren
Dat God Zelf de strijd voert voor een hart dat zich geeft.
Heb Jezus lief! Liefde kent geen lafhartige vrees;
Heb Jezus lief! En rust: de overwinning staat vast.”
— Thomas Ken (bisschop), 1637-1711
Vers 14
Denk niet dat het bestuur uit Christus’ hand genomen is, wanneer mensen veel verdrietige dingen doen en het werk van God zware slagen toebrengen. Nee, nee. Mensen zijn slechts Zijn hand, en het is Gods hand die rechtvaardig en terecht zwaar op Zijn volk rust. Kijk dus boven de mensen uit. Met hen heb je niets te maken. Er komt een keer in de zaken, zodra Hij Zijn hand wil omdraaien. — Ralph Erskine, 1685-1752
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1 (eerste zinsdeel)
Hoe licht en zaligheid met elkaar samenhangen, of: waarom mensen licht nodig hebben om behouden te worden.
Vers 1
De christenheld en de verborgen bronnen van zijn moed.
Vers 1
De onbevreesde uitdaging van de gelovige.
Vers 2
Hoe de vijanden van de kerk zijn: hun aard, hun aantal, hun macht en hun wreedheid. En de geheimzinnige manier waarop zij zijn verslagen.
Vers 3
Christelijke vrede.
1. Te zien in de kalme blik op de benauwdheid die komt.
2. Te zien in het vertrouwend doorstaan van druk.
3. Gedragen door Gods hulp en door eerdere ervaringen, Psalm 27:1-2.
4. Met de rijkste vruchten, eer aan God, enzovoort.
Vers 4
Het voorbeeldige christelijke leven.
1. Eén verlangen.
2. Ernst in het handelen.
3. Nabijheid in de gemeenschap met God.
4. Een hemelse blik.
5. Groei in Gods onderwijs.
Vers 4
Het gevoel van diepe eerbied voor God. — Thomas Chalmers
Vers 4
Hijgen naar God. — Preek van R. Sibbes
Vers 4 (laatste zinsdeel)
Bezigheden op de sabbat en hemelse verrukkingen.
Vers 4 (slotzinsdeel)
Wat men vroeger in de tempel onderzocht, uitgelegd in het licht van het Nieuwe Testament.
Vers 6
De overwinning van de heilige op zijn geestelijke vijanden, zijn dankbaarheid in het dagelijks leven en zijn hoorbare lofzang. Dit alles is nu al werkelijkheid.
Vers 7
Gebed. Tot wie is het gericht? Hoe? Roep, enzovoort. Wanneer? Dat blijft open. Waarop rust het? Op genade. Wat heeft het nodig? Hoor, antwoord.
Vers 8
Een hart dat op één lijn staat met zijn God. Let op hoe snel, hartelijk, persoonlijk, onvoorwaardelijk, nauwkeurig en vastberaden het antwoord op Gods opdracht is.
Vers 8
De zoeker die vindt. — Preek van R. Sibbes
Vers 8
De echo. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 767.
Vers 9
1. Een gebed om bewaring tegen verlating in al haar vormen.
2. Een beroep op wat hij zelf heeft ervaren.
3. Een smeekbede om Gods hulp.
Vers 9
Hoe de heiligen walgen van de hel van de zondaren. — James Scot
Vers 10
Het erfdeel van de wees, de troost van de vervolgde, het paradijs van wie heengaat.
Vers 11
Het pad van de eenvoudige man. Hij verlangt ernaar, het wordt beschreven en God keurt het goed: “Uw weg”, “het rechte pad”. En God leert het hem zelf: “HEERE! leer mij”, “leid mij”.
Vers 13
Het geloof: waarom het zwaarder weegt dan zien, waar het op gericht is en hoe het ons overeind houdt.
Vers 13
Geloven om te zien. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 766.
Vers 14
Waar de gelovige staat: hij “wacht”. Hoe hij erbij staat: “zijt sterk”. Waar hij op steunt: “Hij zal”, enzovoort. Hoe hij volhoudt: “wacht” wordt voor de tweede keer herhaald. En zijn loon.
Werk over de zevenentwintigste psalm
“Excellent Encouragements against Afflictions, containing David’s Triumph over Distress; or an Exposition of Psalm 27.” Door Thomas Pierson, M.A. (Herdrukt in Nichols’ serie van puriteinse commentaren.)
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas