Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 28 — Treasury of David

30 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel en onderwerp

Ook hier is het opschrift “Een psalm van David” te algemeen om te kunnen zien bij welke gelegenheid David dit lied schreef. Dat deze psalm direct op Psalm 27 volgt, lijkt bewust zo bedoeld: hij sluit er mooi bij aan en vormt er een passend vervolg op. Het is opnieuw een van die “psalmen … in den nacht” waarin David zo rijk was. Volgens de oude natuuronderzoekers zingt de nachtegaal doordat een doorn in zijn borst hem prikt. Zo maakte ook Davids verdriet hem welsprekend in heilige psalmzang.

Het belangrijkste pleidooi van deze psalm is dat de smekeling niet op één lijn wordt gezet met de mensen die kwaad doen, van wie hij diep walgt. De psalm past bij elke gelasterde gelovige: iemand die door mensen verkeerd wordt begrepen en als een onbetrouwbaar mens wordt behandeld, en die er alles aan wil doen om recht te staan voor Gods rechterstoel. We kunnen hier ook de Heere Jezus horen pleiten, als Vertegenwoordiger van Zijn volk.

Indeling

In vers 1 en 2 smeekt David de Heere dringend om gehoor, in een tijd van grote nood. Van Psalm 28:2 tot en met 5 beschrijft hij wat de goddelozen te wachten staat, en bidt hij dat hij daar niet bij hoort. In Psalm 28:6-8 loopt zijn hart over van dank, omdat de Heere in Zijn barmhartigheid een gebed heeft verhoord. En de psalm sluit af met een bede voor het hele leger van strijdende gelovigen.

Uitleg

Vers 1

“Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen.” Een roep is de natuurlijke uitbarsting van pijn. Hij past precies wanneer alle andere wegen voor ons dichtgaan. Maar die roep moet alleen naar de Heere gaan, want wie mensen aanroept, verspilt zijn smeekbeden aan de lucht. Denken we aan Gods bereidheid om te luisteren en aan Zijn kracht om te helpen, dan hebben we alle reden om meteen al onze noden aan de God van ons heil voor te leggen. Dan gebruiken we ook zulke vastberaden taal als in de tekst: “ik roep.” De onveranderlijke Jehova is onze rots, het onwankelbare fundament van al onze hoop en onze schuilplaats als het moeilijk wordt. Wij zijn er vast van overtuigd dat we naar Hem vluchten als onze burcht, op elk uur van gevaar. Op de dag van het oordeel zal het zinloos zijn om de rotsen aan te roepen. Maar onze Rots let wél op ons geroep.

“Houd U niet als doof van mij af.” Mensen die alleen de vorm van het geloof hebben, kunnen zonder antwoord op hun gebed toe. Echte smekelingen niet. Het is hun niet genoeg dat bidden zelf het gemoed tot rust brengt en de wil buigt. Ze willen verder: ze moeten een echt antwoord uit de hemel hebben, anders vinden ze geen rust. En dat antwoord willen ze, als het kan, meteen. Ze zijn zelfs bang voor het kortste zwijgen van God. Gods stem is vaak zo ontzagwekkend dat de woestijn ervan beeft, maar Zijn zwijgen jaagt een vurig biddende ziel net zoveel ontzag aan. Als God Zijn oor lijkt te sluiten, moeten wij dus niet onze mond sluiten. We moeten juist vuriger roepen. Want als onze stem scherp wordt van vurig verlangen en verdriet, laat Hij ons niet lang zonder gehoor.

Wat zouden we er vreselijk aan toe zijn als de Heere voorgoed zweeg op onze gebeden! Die gedachte kwam ook bij David op. Hij maakte er een pleidooi van, en zo leert hij ons om in ons gebed met God te redeneren en met Hem in gesprek te gaan. “Opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.” Zonder de God Die gebed verhoort, zijn we er slechter aan toe dan de doden in het graf. Dan zinken we snel naar hetzelfde peil als de verlorenen in de hel. We móéten antwoord op ons gebed hebben! Onze zaak is dringend en de nood is bitter. De Heere zal ons onrustige hart zeker vrede toespreken, want Hij kan het nooit over Zijn hart verkrijgen Zijn eigen uitverkorenen te laten omkomen.

Vers 2

Dit komt grotendeels op hetzelfde neer als vers 1, alleen kijkt het ook vooruit naar gebeden die nog komen, en niet alleen naar de gebeden van nu. “Hoor mij! Hoor mij! Hoor de stem mijner smekingen!” Dat is de kern van beide verzen. Als we in de geest van het gebed zijn, laten we ons niet met een weigering wegsturen. We zwoegen, houden aan en worstelen in onze smeekbeden, tot we gehoord worden. Het woord “smekingen”, in het meervoud, laat zien hoeveel gebeden een godvrezend mens uitspreekt, hoe lang hij ermee doorgaat en hoe verscheiden ze zijn. De uitdrukking “hoor de stem” lijkt te wijzen op een innerlijke betekenis, op de stem van het hart. Daar maken geestelijke mensen zich veel meer zorgen over dan over hun uiterlijke, hoorbare woorden. Een stil gebed kan luider klinken dan het geschreeuw van de priesters die Baäl met hun gebrul wakker probeerden te krijgen.

“Als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.” Die heilige plaats was een beeld van onze Heere Jezus. Willen we aangenomen worden, dan moeten we ons steeds weer richten op het met bloed besprenkelde verzoendeksel van Zijn verzoening. Opgeheven handen zijn al eeuwenlang een teken van eerbied. Ze laten zien dat we ons uitstrekken naar God, bereid en verlangend om de gezochte zegen te ontvangen. We strekken lege handen uit, want we zijn bedelaars. We heffen ze op, want we zoeken hemelse voorraad. We heffen ze op naar het verzoendeksel van Jezus, want daar ligt al onze verwachting. O, dat we altijd een berouwvol hart hebben wanneer we een eerbiedig gebaar maken! Dan zijn we goed op weg met God.

Vers 3

“Trek mij niet weg met de goddelozen.” Zij zullen naar de hel worden gesleept, zoals misdadigers vroeger op een horde naar Tyburn werden gesleurd, zoals blokken hout naar het vuur worden gesleept en takkenbossen naar de oven. David is bang dat hij met hen in één bundel wordt gebonden en meegetrokken wordt naar hun ondergang. En die angst past bij elke godvrezende mens. Zelfs de beste goddelozen zijn in dit leven gevaarlijk gezelschap. Voor de eeuwigheid zouden ze verschrikkelijke metgezellen zijn. We moeten hen dus mijden in hun vermaak, als we niet met hen in hun ellende willen worden gegooid.

“En met de werkers der ongerechtigheid.” Dezen zijn openlijk zondig en hun oordeel is zeker. Heere, laat ons niet drinken uit hun beker. Bedrijvig zijn ze, die goddelozen, ook al ontbreekt het de rechtvaardigen daaraan. O, dat we “werkers” voor de Heere mochten zijn! “Die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.” Zij hebben alvast de manieren geleerd van de plaats waar ze naartoe gaan. Het lot van leugenaars is voor eeuwig hun deel, en onderweg bestaat hun hele levenswandel uit liegen. Zachte woorden, glad van gespeelde liefde, zijn de bedrieglijke mazen van het helse net waarmee Satan kostbare levens vangt. Veel van zijn kinderen kennen zijn walgelijke kunst door en door. Ze vissen met de netten van hun vader, bijna net zo sluw als hij het zelf zou doen.

Het is een zeker teken van lage gezindheid als tong en hart niet dezelfde toon laten horen. Bedriegers zijn gevaarlijker dan wilde dieren: je kunt beter in een kuil met slangen zitten opgesloten dan gedwongen worden om met leugenaars te leven. Wie te hard “vrede” roept, is van plan haar te verkopen zodra hij zijn prijs krijgt. “Goede wijn heeft geen krans nodig”: als hij werkelijk zo vredelievend was, hoefde hij dat niet te zeggen. Hij heeft kwaad in de zin, daar kun je zeker van zijn.

Vers 4

Als we de goddelozen alleen zien als goddelozen, en niet als onze medemensen, dan maakt onze verontwaardiging over de zonde dat we volledig instemmen met Gods rechtvaardige straf op het kwaad. We wensen dan dat de gerechtigheid haar macht gebruikt om wrede en onrechtvaardige mensen met haar verschrikkingen in toom te houden. Toch passen de wensen in dit vers, zoals onze vertaling ze weergeeft, niet gemakkelijk bij de geest van het christelijke tijdperk. Dat zoekt immers liever de verbetering dan de straf van zondaren. Als we de woorden voor ons zien als een profetie, of als een vaststelling in de toekomende tijd, komen we waarschijnlijk dichter bij de ware betekenis dan met onze vertaling.

Goddeloze lezer, wat zal je lot zijn wanneer de Heere met je afrekent naar wat je verdient? Dan weegt Hij je Zijn toorn toe, niet alleen naar wat je werkelijk gedaan hebt, maar naar wat je zou hebben gedaan als je het had gekund. Onze pogingen gelden als daden. God neemt de wil voor de daad en straft of beloont daarnaar. Niet in dit leven, maar zeker in het volgende betaalt God Zijn vijanden terug, recht in hun gezicht, en geeft Hij hun het loon voor hun zonden. Niet naar hun vleiende woorden, maar naar de maat van hun kwaadaardige daden zal de Heere wraak toemeten aan wie Hem niet kennen.

Vers 5

“Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen.” God werkt in de schepping. De natuur wemelt van bewijzen voor Zijn wijsheid en goedheid, en toch weigeren halfblinde atheïsten Hem te zien. God werkt in de voorzienigheid, door te regeren en alles te overheersen. Zijn hand is overduidelijk te zien in de menselijke geschiedenis, en toch wil de ongelovige Hem niet opmerken. God werkt in Zijn genade. Er zijn nog steeds overal opvallende bekeringen, en toch weigeren de goddelozen te zien wat de Heere doet. Waar engelen vol verwondering staan, kijken mensen van vlees en bloed neer. God buigt Zich neer om te onderrichten, en de mens weigert te leren.

“Zo zal Hij hen afbreken”: “Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt.” Wie de hand van het oordeel over anderen niet wilde zien, zal haar over zichzelf voelen. Ziel en lichaam worden voor eeuwig overstelpt door totale vernietiging. “En zal hen niet bouwen.” Gods genezing werkt in twee richtingen: Hij breekt af én bouwt op. Zijn zwaard heeft twee scherpe kanten en snijdt naar links en naar rechts. Het erfdeel van het kwaad houdt de goddelozen ervan af om ook maar iets goeds te ontvangen. De efa is zó vol toorn dat er geen korreltje hoop meer bij kan. Ze zijn als oude, rotte, vervallen houten huizen: nutteloos voor de eigenaar en een schuilplaats voor allerlei kwaad. Daarom zal de Grote Bouwmeester hen helemaal slopen.

Wie zich niet laat verbeteren, mag een snelle ondergang verwachten. Wie niet wil veranderen, wordt als waardeloos weggegooid. Laten we dus heel goed luisteren naar alles wat Gods woord en werk ons leren. Dan worden we niet ongehoorzaam aan Gods wil bevonden, en hoeven we Zijn toorn niet te ondergaan.

Vers 6

“Geloofd zij de HEERE.” Gelovigen zitten vol zegenwensen. Ze zijn een gezegend volk en een zegenend volk. Maar hun beste zegen, het vet van hun offers, geven ze aan hun heerlijke Heere. Tot hier toe was onze psalm gebed, en nu gaat hij over in lofprijs. Wie goed bidden, zullen snel ook goed loven. Gebed en lof zijn de twee lippen van de ziel. Het zijn twee klokken die lieflijke muziek laten klinken in Gods oren, twee engelen die langs Jakobs ladder omhoog klimmen, twee altaren waarvan de wierook opstijgt. Het zijn twee van Salomo’s lelies die geurige mirre druipen, een tweeling van jonge reeën die grazen op de berg van de mirre en de heuvel van de wierook.

“Want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.” Echte lof rust op goede en dwingende redenen. Ze is geen redeloze opwelling, maar welt op als een zuivere bron uit de diepten van wat we hebben meegemaakt. Verhoorde gebeden moeten we erkennen. Schieten we daar niet vaak in tekort? Zou het anderen niet sterk bemoedigen, en onszelf versterken, als we Gods goedheid trouw opschreven en er werk van maakten om haar met onze tong te verheffen? Gods barmhartigheid is niet zo’n onbeduidend ding dat we haar zomaar kunnen aannemen zonder zelfs maar te bedanken. We moeten ondankbaarheid mijden en elke dag leven in de hemelse lucht van dankbare liefde.

Vers 7

Hier legt David zijn belijdenis af, zijn geloofsbelijdenis, samen met een getuigenis uit zijn eigen ervaring. “De HEERE is mijn Sterkte.” De Heere zet Zijn macht in voor ons, en daarnaast schenkt Hij ons kracht in onze zwakheid. De psalmdichter maakt in een daad van geloof de almacht van Jehova tot de zijne. Wie afhankelijk is van de onzichtbare God, krijgt een grote onafhankelijkheid van geest, en een vertrouwen dat meer dan menselijk is. “En mijn Schild.” Zo vond David in zijn God zowel zwaard als schild. De Heere beschermt Zijn volk tegen talloze kwalen. De christenstrijder die schuilt achter zijn God, is veel veiliger dan de held die gedekt wordt door zijn schild van koper of drievoudig staal.

“Op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen.” Wat het hart doet, is echt werk. Vertrouwen vanuit het hart wordt nooit teleurgesteld. Geloof gaat vooraf aan hulp, maar de hulp laat nooit lang op zich wachten. Elke dag kan de gelovige zeggen: “ik ben geholpen.” Want Gods bijstand wordt ons elk ogenblik gegeven, anders zouden we in het verderf terugvallen. En is er duidelijker hulp nodig, dan hoeven we alleen maar geloof te oefenen, en het wordt ons geschonken.

“Dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.” Het hart wordt hier twee keer genoemd, om te laten zien hoe echt zijn geloof en zijn blijdschap zijn. Let op de uitdrukking “springt mijn hart van vreugde”. We hoeven niet bang te zijn dat we te vol van blijdschap zijn als we denken aan de genade die we ontvingen. We dienen een grote God, dus laten we ons ook zeer in Hem verheugen. Een lied is de meest passende manier om ons geluk lucht te geven. Het zou goed zijn als we meer op de zingende leeuwerik leken en minder op de krassende raaf. Gloeit het hart, dan mogen de lippen niet zwijgen. Zegent God ons, dan moeten wij Hem zegenen met heel ons hart.

Vers 8

“De HEERE is hunlieder Sterkte.” Wat één gelovige in de hemelse ervaring meemaakt, is een voorbeeld van het leven van alle gelovigen. Voor de hele strijdende kerk, zonder uitzondering, is Jehova hetzelfde als Hij was voor Zijn knecht David: “die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David.” Ze hebben dezelfde hulp nodig en ze zullen haar krijgen. Want ze worden met dezelfde liefde bemind, ze staan in hetzelfde boek des levens geschreven en ze zijn één met hetzelfde gezalfde Hoofd.

“En Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.” Kijk hier naar koning David als beeld van onze Heere Jezus: ons Verbondshoofd, onze gezalfde Vorst, door Wie alle zegeningen tot ons komen. Hij heeft volle zaligheid voor ons verdiend. Wij verlangen reddende kracht van Hem. En omdat wij delen in de zalving die zo rijkelijk over Hem is uitgegoten, verwachten we ook deel te krijgen aan Zijn heil. Eer aan de God en Vader van onze Heere Jezus Christus! Hij heeft de kracht van Zijn genade groot gemaakt in Zijn eniggeboren Zoon, Die Hij gezalfd heeft tot Vorst en Zaligmaker voor Zijn volk.

Vers 9

Dit is een gebed voor de strijdende kerk. Het is geschreven in korte woorden, maar vol zware betekenis. We moeten bidden voor de hele kerk, en niet alleen voor onszelf. “Verlos Uw volk.” Red hen van hun vijanden, bewaar hen voor hun zonden, help hen in hun moeiten, ruk hen los uit hun verzoekingen en houd alle kwaad bij hen vandaan. In de woorden “Uw volk” ligt een pleidooi verborgen. Je mag veilig aannemen dat God Zich over Zijn kerk zal ontfermen als Zijn eigen bezit, en haar zal behoeden voor vernietiging.

“En zegen Uw erve.” Geef haar goede, positieve zegeningen: vrede, overvloed, voorspoed, geluk. Laat heel Uw duurgekochte, kostbare erfdeel getroost worden door Uw Geest. Maak Uw kerk levend, verfris haar, laat haar groeien en heilig haar. “En weid hen.” Wees een Herder voor Uw kudde. Laat het hun aan niets ontbreken, in hun lichamelijke en geestelijke nood. Leid hen, bestuur hen, ondersteun hen en geef hun volop te eten, met Uw woord en Uw verordeningen. Zij zijn immers de schapen van Uw hand. “En verhef hen tot in eeuwigheid.” Draag hen op aarde in Uw armen, en til hen daarna in de hemel op aan Uw hart. Verhef hun gemoed en hun gedachten, maak hun genegenheden geestelijk, maak hen hemels, Christusgelijk en vol van God. O Heere, verhoor deze bede van ons, om Jezus’ wil.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Vers 1

Tot U roep ik. Het is van het grootste belang dat we een vast Voorwerp hebben waarop we onze gedachten kunnen richten. Zelfs op zijn best kan de mens zich maar weinig bij abstracte begrippen voorstellen, en het minst van al in tijden van verdriet. Dan is hij hulpeloos. Dan heeft hij alle mogelijke steun nodig. Als zijn gedachten rondzwerven in het niets, raken ze snel moe en zakken ze uitgeput weg. God heeft in Zijn genade ervoor gezorgd dat dit niet nodig is. Hij heeft Zich in Zijn Woord zo aan de mens bekendgemaakt dat wie gebukt gaat, het oog van zijn gemoed op Hem kan vestigen, als op een vast Voorwerp van zijn geloof, zijn hoop en zijn gebed. “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.” Jeremia 33:3. Dat deed de psalmdichter, en hoe duidelijk hij God als Voorwerp van zijn vertrouwen in het gebed voor ogen had, is goed te zien.

Voor de christen is dit voorrecht bijzonder groot. Hij kan zijn oog op Jezus richten. Zonder veel verbeelding kan hij zich Die Heilige voorstellen, Die op hem neerkijkt, naar hem luistert, met hem meeleeft en Zich klaarmaakt om hem te antwoorden. Beste lezer, dwaal niet rond wanneer je in nood zit. Stuur je zuchten niet het niets in. Laat je gedachten niet rondzwerven, alsof ze iemand zoeken om zich aan vast te houden, iemand aan wie je het verhaal van de nood en de verlatenheid van je hart kunt vertellen. Richt je hart zoals de psalmdichter deed, en zeg: “Tot U roep ik.” . . . O, gelukkig is de mens die voelt en weet dat hij, wanneer de nood komt, niet door de klap verward en verbijsterd kan raken, hoe zwaar die ook is. Hij zal pijn hebben, maar hij heeft een toevlucht, hij weet dat, en hij zal er gebruik van maken. Voor hem is het geen vage theorie over Gods algemene medelijden met de mens. Hij kent God als een persoonlijke God Die meevoelt. Hij zegt met de psalmdichter: “Tot U roep ik.” — Philip Bennett Power

Vers 1

Mijn Rotssteen. Op een dag kwam een vriendin op bezoek bij ds. William Evans, een vrome predikant in Engeland, en vroeg hoe het met hem ging. “Ik ben zwakheid zelf”, antwoordde hij, “maar ik sta op de Rots. Ik ervaar niet die vervoering waarvan sommigen hebben gesproken als ze de dood voor ogen hadden. Maar mijn vertrouwen is op Gods barmhartigheid in Christus. Hier is mijn geloof begonnen, en hier moet het ook eindigen.”

Vers 1

Mijn Rotssteen. Op zijn sterfbed kreeg ds. John Rees van Crown Street in Soho, Londen, bezoek van ds. John Leifchild. Die vroeg hem heel serieus om te beschrijven hoe het met zijn gemoed gesteld was. Dit beroep op de eer van zijn geloof maakte hem wakker. Zijn stervende lamp laaide zo op dat hij zich in zijn bed oprichtte, zijn vriend recht in het gezicht keek en met grote bedachtzaamheid, kracht en waardigheid deze woorden sprak: — “Christus in Zijn persoon, Christus in de liefde van Zijn hart en Christus in de kracht van Zijn arm is de Rots waarop ik rust. En nu (en hij liet zijn hoofd zachtjes op het kussen zakken), Dood, sla toe!” — K. Arvine

Vers 1

Houd U niet als doof van mij af. Laten we vervolgens kijken wat het hart van God vraagt. Het vraagt dat Hij zou spreken. Wees niet stil tegen mij. Wanneer we in zulke omstandigheden bidden, willen we dat God ons laat weten dat Hij ons hoort. We willen dat Hij voor ons verschijnt en zegt dat Hij onze Vader is. En wat willen we dat God zegt? We willen dat Hij ons laat weten dat Hij ons hoort. We willen Hem even duidelijk tot ons horen spreken als we voelen dat wij tot Hem hebben gesproken. We willen niet alleen in geloof weten dat we verhoord zijn, maar ook dat God tot ons heeft gesproken over precies de zaak waarover wij tot Hem hebben gesproken. Voelen we ons zo zeker dat God ons heeft gehoord, dan kunnen we met het diepste vertrouwen de hele zaak waarvoor we baden in Zijn handen leggen.

Misschien duurt het lang voor er antwoord komt. Misschien lijkt alles intussen de verkeerde kant op te gaan. Het kan zijn dat er helemaal geen zichtbaar ingrijpen van God is. Toch zal het geloof standhouden en sterk zijn. En er zal troost in het hart zijn, door het gevoel dat God onze roep over deze zaak heeft gehoord en dat Hij ons dat heeft laten weten. We zeggen dan tegen onszelf: “God weet er alles van. God heeft mij dat zelf gezegd. Daarom ben ik in vrede.” Laat het ons genoeg zijn dat God ons dit zegt, ook al zegt Hij ons misschien niet meer. Laten we niet proberen Hem meer te laten zeggen, als het Zijn wil is om weinig te zeggen. Soms is het beste antwoord dat we kunnen krijgen gewoon de mededeling dat “Hij hoort”. Met dit antwoord op ons gebed bemoedigt Hij ons geloof en oefent Hij het tegelijk.

“Er staat”, zegt Rutherford over het uitstel van de Zaligmaker om de Syro-Fenicische vrouw te antwoorden, “dat Hij haar geen woord antwoordde, maar er staat niet dat Hij geen woord hoorde. Dat zijn twee heel verschillende dingen. Christus hoort vaak wanneer Hij niet antwoordt. Zijn niet antwoorden is een antwoord, en het zegt dit: ‘bid door, ga door en roep, want de Heere houdt Zijn deur op slot, niet om je buiten te houden, maar opdat je zou kloppen en blijven kloppen, en het zal je opengedaan worden.’” — Philip Bennett Power

Vers 1

Opdat ik niet . . . vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen. U ziet, grote God, hoe diep ik zit. Niets op aarde is voor mij zo groot en zo kostbaar als het geluk om U te dienen. En toch dwingen mijn omstandigheden en mijn plichten mij om dagelijks om te gaan met mensen die alle godsvrucht zien als iets om af te keuren en uit te lachen. Ik huiver als ik hoor hoe zij de onuitsprekelijke gaven van Uw genade belasteren. Ik hoor hoe zij het geloof en de ijver van Uw kinderen afdoen als pure zwakzinnigheid. Midden in zoveel goddeloosheid blijft mij maar één troost, mijn God: mijn noodkreten opzenden tot aan de voet van Uw troon.

Deze godslasteringen wekken in mijn ziel voorlopig alleen afschuw en medelijden. Toch ben ik bang dat ze mij uiteindelijk uitputten. Ik ben bang dat ze mij op een slinkse weg brengen die Uw heerlijkheid onwaardig is, en ook de dankbaarheid die ik U verschuldigd ben. Ik vrees dat ik ongemerkt een lafaard word die zich voor Uw naam schaamt. Of een zondaar die zich verzet tegen de drang van Uw genade. Of een verrader die zijn getuigenis tegen de zonde voor zich houdt. Of een zelfbedrieger die zijn schuldige angst verstopt achter het woord voorzichtigheid.

Ik voel dat dit gif al in mijn hart sijpelt. Ik wil niet worden als de goddelozen om mij heen, maar de angst om hen te ergeren heeft al te veel vat op mij. Hen navolgen durf ik niet, maar hen ergeren durf ik bijna net zo min. Ik weet dat niemand tegelijk een bedorven wereld en een heilige God kan behagen. Toch verlies ik die waarheid zo uit het oog dat ze mij niet sterker maakt, maar mijn weifelen alleen maar onvergeeflijker. Wat kan ik anders doen dan om Uw hulp smeken!

Maak mij sterk, Heere, tegen deze verslapping. Ze doet zoveel schade aan Uw eer en aan de trouw die ik U verschuldigd ben. Laat mij Uw stem horen die kracht en moed geeft. Als Uw genadige stem in mijn geest niet opklinkt en mijn zwakke geloof niet nieuw leven inblaast, dan voel ik dat er nog maar één stap is tussen mij en wanhoop. Ik sta aan de rand van de afgrond en sta op het punt te vallen. Dan word ik medeplichtig aan het kwaad van mensen die mij maar al te graag met zich mee de kuil in sleuren. — Jean Baptiste Massillon, 1663-1742, vrij vertaald door C.H.S.

Vers 2

Ik hef mijn handen op naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid. In het Hebreeuws heet die plaats debhir, omdat God daar sprak en antwoord gaf. Het is een beeld van Christus, het Woord in eigen persoon. David heft zijn handen op naar die plaats. Zo wordt ze een ladder waarlangs zijn gebed omhoog kan klimmen naar de hemel. — John Trapp

Vers 3

Trek mij niet weg met de goddelozen . . . die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. Wie God vreest, walgt van schijnheiligheid tegenover mensen. Zijn hart doet wat zijn tong zegt. Hij kan niet vleien en haten tegelijk, niet prijzen en kleineren in één adem. “De liefde zij ongeveinsd.” Romeinen 12:9. Geveinsde liefde is erger dan haat. Vriendschap spelen is niets beter dan liegen, Psalm 78:36, want je doet alsof er iets is wat er niet is.

Velen zijn als Joab: “Joab vatte met de rechterhand den baard van Amasa, om hem te kussen … zo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, … en hij stierf.” In Spanje stroomt een rivier waarin de vissen goudkleurig lijken. Haal ze uit het water, en ze zijn net als alle andere vissen. Niet alles wat blinkt is goud. Sommige mensen doen heel vriendelijk, maar ze zijn als dikke aderen met weinig bloed: als je op hen leunt, geven ze mee als een ontwricht been. Ik heb er in elk geval grote twijfels over of iemand eerlijk is tegenover God als hij zijn vriend vleit en voorliegt. “Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.” Spreuken 10:18. — Thomas Watson

Vers 3

Trek mij niet uit met. Dit is volgens mij een toespeling op een herder die een bepaald deel van zijn kudde apart zet. “Reken mij niet onder hen.” — Professor Lee

Vers 3

Trek mij niet weg. Het Hebreeuwse werkwoord kan zowel “trekken” als “vastgrijpen” betekenen. Hier past het best: grijp mij niet vast, zoals iemand die een ander vastpakt om hem weg te slepen naar zijn terechtstelling. — Henry Hammond

Vers 4

Geef hun naar hun doen, enz. Hier duikt opnieuw de lastige vraag op of we mogen bidden om wraak. Daar ben ik kort over. Allereerst staat vast dat het een goddeloos verlangen is in Gods ogen als ons vlees ons aanzet om wraak te zoeken. God verbiedt ons niet alleen om uit wraak voor persoonlijke krenkingen het kwaad over onze vijanden af te roepen. Elk verlangen dat uit haat voortkomt, is bovendien onvermijdelijk ongeordend. Wie door zijn eigen onbeheerste driften wraak wil nemen, mag zich dus niet op het voorbeeld van David beroepen.

De heilige profeet raakt hier niet in vuur en vlam door zijn eigen verdriet, zodat hij zijn vijanden aan de ondergang zou wijden. Hij zet het verlangen van het vlees opzij en velt een oordeel over de zaak zelf. Voordat iemand wraak over de goddelozen kan uitspreken, moet hij dus eerst alle ongepaste gevoelens in zijn eigen hart uitbannen.

Daarnaast moeten we oppassen dat het gruwelijke van het kwaad dat ons kwetst, ons niet tot overdreven ijver drijft. Dat overkwam zelfs de leerlingen van Christus. Zij wilden dat er vuur uit de hemel zou komen om de mensen te verteren die hun Meester geen onderdak wilden geven. Lukas 9:54. Ze deden alsof ze het voorbeeld van Elia volgden, maar Christus wees hen streng terecht. Hij zei dat ze niet wisten uit wat voor geest ze handelden. Deze algemene regel moeten we vooral in acht nemen: we verlangen van harte naar het welzijn van de hele mensheid en werken daaraan mee. Dan geven we niet alleen ruimte aan Gods barmhartigheid, maar wensen we ook dat mensen zich bekeren die zich halsstarrig in hun eigen ondergang storten.

Kortom, David is vrij van elke kwade hartstocht en bezit de geest van bescheidenheid en goed oordeel. Hij pleit hier niet zozeer voor zijn eigen zaak als wel voor de zaak van God. Met dit gebed houdt hij zichzelf en de gelovigen ook iets voor. De goddelozen mogen zich een tijdlang ongestraft aan elke ondeugd overgeven, maar uiteindelijk moeten ze verschijnen voor de rechterstoel van God. — Johannes Calvijn

Vers 4

Geef hun naar hun doen en naar de boosheid hunner handelingen. Ja, grote God! U bent van het begin af aan alleen maar bezig geweest met het redden van mensen. Daarom zult U ook zeker deze kinderen van het onrecht treffen met een eeuwige vervloeking. Ze lijken alleen geboren om zelf verloren te gaan en anderen mee te slepen in het verderf. Zelfs de liefde voor mensen roept Uw donderslagen in tegen hen die de samenleving bederven.

Hoe meer U voor ons geslacht hebt gedaan, des te zekerder zal Uw gerechtigheid streng optreden tegen de ellendelingen die er hun levenswerk van maken om Uw goedheid voor de mensheid te dwarsbomen. Zij werken onophoudelijk om mensen van U weg te trekken, mijn God. Als antwoord zult U hen voor eeuwig van U wegsturen. Ze vinden het een groot gewin om hun medemensen tot Uw vijanden te maken. Hun wanhopige troost zal zijn dat ze dat zelf in alle eeuwigheid blijven.

Wat is een passender straf voor de ellendelingen die elk hart in opstand willen brengen tegen Uw aanbiddelijke Majesteit? Door de laagheid van hun eigen natuur liggen zij onder de eeuwige, vreselijke dwang om U voor altijd te haten. — Jean Baptiste Massillon, zeer vrij weergegeven door C. H. S.

Vers 4

Geef hun naar hun doen. De Egyptenaren doodden de Hebreeuwse jongetjes, en God trof de eerstgeborenen van Egypte. Sisera dacht Israël te vernietigen met zijn ijzeren wagens, maar hij kwam zelf om door een ijzeren nagel die door zijn slapen werd geslagen. Zo ging het ook met Adoni-Bezek, Richteren 1:5-7. Gideon liet veertig oudsten van Sukkoth doden, en zijn zonen werden vermoord door Abimelech. Abimelech doodde zeventig zonen van Gideon op één steen, en zijn eigen schedel werd verbrijzeld door een stuk molensteen dat een vrouw naar beneden gooide. Simson viel door de “begeerlijkheid der ogen”, en voor zijn dood staken de Filistijnen zijn ogen uit. Agag, 1 Samuël 15:33.

Saul bracht de Gibeonieten om, en zeven van zijn zonen werden voor het aangezicht van de Heere opgehangen. 2 Samuël 21:1-9. Achab verlangde naar de wijngaard van Naboth, 1 Koningen 21:19, en het oordeel kwam uit in 2 Koningen 9:24-26. Bij Jerobeam verdorde precies de hand die hij tegen het altaar had uitgestrekt, 1 Koningen 13:1-6. Joab had Abner, Amasa en Absalom gedood en werd daarom door Salomo ter dood gebracht. De beschuldigers van Daniël werden in de leeuwenkuil gegooid die voor Daniël bedoeld was. Haman werd opgehangen aan de galg die hij voor Mordechai had laten maken. Judas kocht het bloedveld en ging daarna weg om zich op te hangen.

Ook in latere eeuwen zien we dit. Bajezid werd door Timoer Lenk rondgevoerd in een ijzeren kooi, net zoals hij zelf Timoer had willen rondvoeren. Maxentius bouwde een brug om Constantijn in de val te lokken en werd op diezelfde plek verslagen. Paus Alexander VI werd vergiftigd met de wijn die hij voor een ander had klaargezet. Karel IX liet de straten van Parijs overstromen van protestants bloed. Kort daarna stroomde er bloed uit alle delen van zijn eigen lichaam, in een bloedzweet. Kardinaal Beaton veroordeelde George Wishart ter dood en stierf zelf kort daarna een gewelddadige dood. Hij werd in zijn bed vermoord, en zijn lichaam werd opgebaard voor hetzelfde raam waaruit hij naar de terechtstelling van Wishart had gekeken. — G. S. Bowes, in “Illustrative Gatherings”

Vers 4

Vergeld hun hun verdiende loon. Bedenk goed hoe rechtvaardig God is. Het is niet alleen Zijn wil maar Zijn wezen om de zonde te straffen. Zonder Christus moet de zonde je verdoemen. Het is niet slechts mogelijk of waarschijnlijk dat zonde je kan verwoesten: zonder deel aan Christus móét ze dat doen. Prent dit “moet” diep in je hart. God kan niet anders dan de zonde haten, omdat Hij heilig is. En Hij kan niet anders dan de zonde straffen, omdat Hij rechtvaardig is. God mag Zijn eigen wezen niet opgeven om onze grillen te vriend te houden. — Christopher Fowler, in “Morning Exercises”, 1676

Vers 4

David bidt tegen zijn vijanden, maar niet uit persoonlijke wraakzucht. De onfeilbare geest van de profetie leidt hem. Door deze mensen heen kijkt hij naar de vijanden van Christus en van Zijn volk in alle eeuwen. — David Dickson

Vers 4-5

In deze verzen, en eigenlijk in de meeste vervloekingen, lopen de gebiedende wijs en de toekomende tijd door elkaar: geef hun, vergeld hun, Hij zal hen afbreken. Als we de werkwoorden in al zulke passages steeds in de “toekomende tijd” zouden vertalen, was elk bezwaar tegen de vervloekingen in de Schrift in één keer verdwenen. Dan zou duidelijk zijn wat ze werkelijk zijn: profetieën van goddelijke oordelen. Die oordelen zijn sindsdien over de Joden uitgevoerd, en ze zullen worden uitgevoerd over alle vijanden van Jehova en van Zijn Christus. Zij laten zich noch door de “werken” van de schepping noch door die van de verlossing tot bekering brengen. — George Horne

Vers 4-5

Zie de Psalmen over “Psalm 28:4” voor meer informatie.

Vers 6

Hij heeft gehoord. Bidden is het beste medicijn bij tegenspoed. Het is echt een catholicum, een geneesmiddel dat bij elke kwaal helpt. Het lijkt niet op het wondermiddel van de kwakzalver, dat soms werkt maar meestal faalt. Dit middel heeft de vaste getuigenis en de voortdurende ervaring achter zich, zijn probatum est. Het is voorgeschreven door de wijste, geleerdste, eerlijkste en bekwaamste Arts die ooit bestond of zal bestaan. Hij leert ons hoe we kunnen dragen wat gedragen moet worden, en hoe we kunnen genezen en helpen wat al is gedragen. — William Gouge

Vers 7

De HEERE is mijn Sterkte. O, zoete troost! Stel dat iemand een last te dragen heeft en er komt kracht bij. De last wordt twee keer zo zwaar, maar zijn kracht wordt drie keer zo groot. Dan wordt de last niet zwaarder maar lichter dan hij eerst was voor zijn gewone kracht. Zo is het ook met onze ellende. Soms is ze zwaar en roepen we uit: “O, wij kunnen haar niet dragen!” Maar als we haar niet met onze eigen kracht kunnen dragen, waarom dan niet met de kracht van Jezus Christus? Denken we dat Christus ze niet kon dragen? En durven we niet anders te denken dan dat Christus ze kon dragen, waarom zouden wij het dan niet kunnen?

Misschien vraagt iemand: kunnen wij de kracht van Christus krijgen? Ja. Diezelfde kracht wordt ons door het geloof gegeven. De Schrift zegt het immers vaak: de Heere is onze sterkte, God is onze sterkte, de Heere Jehova is onze sterkte, Christus is onze sterkte, Psalm 28:7; 43:2; Psalm 118:14; Jesaja 12:2; Habakuk 3:19; Kolossenzen 1:11. Daarom is de kracht van Christus ook de onze. Ze is aan ons overgedragen, zodat we alles kunnen dragen wat op ons ligt. — Isaac Ambrose

Vers 7

De HEERE is mijn Sterkte van binnen en mijn Schild van buiten. Het geloof vindt beide in Jehova, en het ene nooit zonder het andere. Wat heb je aan een schild zonder kracht, of aan kracht zonder schild? Op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen. Hier wordt de gedachte uit de vorige zin uitgewerkt: de hulp van buiten kwam bij het vertrouwen van binnen. — W. Wilson, D.D.

Vers 7

Op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen. Het geloof geeft vorm aan wat nog niet te zien is. Zoals iemand zegt: het verandert de tijd. Het zet de toekomst in de tegenwoordige tijd, zoals hier. — John Trapp

Vers 8

De HEERE is hunlieder Sterkte: niet alleen de mijne, maar de sterkte van elke gelovige. Let op: de heiligen verblijden zich in de troost van hun vrienden net zo goed als in hun eigen troost. We hebben immers ook niet minder aan het licht van de zon omdat anderen erin delen. Zo is het ook met het licht van Gods aangezicht. We weten zeker dat er genoeg is voor iedereen en genoeg voor ieder afzonderlijk. Dat is onze gemeenschap met alle heiligen: God is hun sterkte en de onze, Christus is hun Heere en de onze. 1 Korinthe 1:2.

Hij is hun sterkte, de sterkte van heel Israël, omdat Hij de reddende sterkte is van Zijn gezalfde. Dat wil zeggen: 1. Van David in het voorbeeld. God versterkte het hele koninkrijk door hem te versterken, want hij was hun koning en streed hun strijd. David noemt zichzelf Gods gezalfde. Juist de zalving die hij ontving, bracht hem in de afgunst van zijn vijanden. Daarom had hij ook recht op Gods bescherming. 2. Van Christus, Zijn Gezalfde en Zijn Messias, in het tegenbeeld. God was Zijn reddende sterkte, Hij rustte Hem toe voor Zijn taak en bracht Hem er veilig doorheen. — Matthew Henry

Vers 9

Verhef hen. Het woord dat hier staat kan betekenen: ondersteun hen, of schraag hen. Eigenlijk betekent het echter dragen. Het is het best uit te drukken met een verwijzing naar de herder. Hij draagt de zwakken, de jongen en de zieken van zijn kudde in zijn armen, en hij tilt hen op als ze zelf niet meer kunnen opstaan. — Albert Barnes

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1 (eerste zinsdeel)

Het wijze besluit van een zondaar op een moment van moedeloosheid.

Vers 1

De angst van de heilige om te worden als de goddelozen.

Vers 1

Gods zwijgen: wat een schrik kan daarin liggen.

Vers 1 (laatste zinsdeel)

Hoe diep een ziel kan wegzakken als God Zijn aangezicht verbergt.

Vers 1-2

Gebed. 1. De aard ervan: een “roep”. (a) De uiting van leven, (b) De uitdrukking van pijn, (c) Het pleidooi van nood, (d) De stem van diepe ernst.

  1. Het voorwerp ervan: “HEERE! mijn Rotssteen.” God als onze Grondslag, Toevlucht en onveranderlijke Vriend.
  2. Het doel ervan: “Hoor”, “houd U niet als doof.” We verwachten een antwoord: een duidelijk en openbaar antwoord, een snel antwoord, een passend antwoord, een werkzaam antwoord.
  3. Het middel ervan: “Naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.” Onze Heere Jezus, het ware verzoendeksel, enz.

Vers 3

De mensen die we moeten mijden, het lot dat we moeten vrezen, en de genade die ons voor beide behoedt.

Vers 4

Maat voor maat, of: straf die past bij wat iemand verdient.

Vers 4

Kijk naar de maat van de zonde, niet alleen naar wat eruit voortkomt. Daarom zijn sommigen schuldig aan zonden die ze niet eens konden begaan.

Vers 5

Schuldige onverschilligheid die maar blijft duren: ze kost veel zegen en brengt een vreselijke veroordeling met zich mee.

Vers 6

Verhoorde gebeden: een terugblik en een lied.

Vers 7

Wat het hart bezit: vertrouwen, ervaring, vreugde en muziek.

Vers 7

God aanbidden om Zijn barmhartigheid. 1. Wat God is voor de gelovige. 2. Hoe onze harten tegenover Hem moeten staan. — C. Simeon

Vers 8

Alle macht is aan gelovigen gegeven, omdat zij één zijn met Jezus.

Vers 9

“Een gebed voor de strijdende kerk.” Zie de Uitleg en “Spurgeon’s Sermons”, nr. 768.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas