Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 26 — Treasury of David

Titel
Een psalm van David. In deze psalm zien we de lieflijke zanger van Israël als iemand die onder smaad gebukt gaat. Daarin was hij een beeld van de grote Zoon van David. Voor ons is hij een bemoedigend voorbeeld: hij brengt de last van laster naar de troon van de genade. Iemand heeft scherpzinnig geopperd dat David dit beroep op de hemel schreef toen Baäna en Rechab Isboseth vermoordden. Hij wilde dan laten zien dat hij part noch deel had aan die verraderlijke moord. De inhoud van de psalm past zeker bij die gebeurtenis. Maar op zo’n smalle grond blijft het bij gissen.
Indeling
Het onderwerp blijft zo duidelijk hetzelfde dat er geen scherpe indeling is. David Dickson heeft het mooi samengevat. Dit zijn zijn woorden: “Hij beroept zich op God”, de hoogste Rechter, “en op het getuigenis van een goed geweten dat voor hem getuigt. Ten eerste getuigt het van zijn streven om als gelovige oprecht te leven (Psalm 26:1-3). Ten tweede getuigt het dat hij zich heeft vrijgehouden van de besmetting door slecht advies, zondige zaken en het slechte voorbeeld van de goddelozen (Psalm 26:4-5). Ten derde getuigt het van zijn voornemen om ook verder heilig en rechtvaardig te leven, uit liefde voor het openbare voorrecht van de gemeente van het volk van de Heere (Psalm 26:6-8). Daarom bidt hij dat hij gespaard mag blijven van het oordeel dat over de goddelozen komt (Psalm 26:9-10), zoals hij zich had voorgenomen hun zonden te mijden (Psalm 26:11). Hij besluit zijn gebed met troost en de zekerheid dat hij verhoord is (Psalm 26:12).”
Uitleg
Vers 1
“Doe mij recht, HEERE!” Dit is een plechtig beroep op het rechtvaardige gerechtshof van de God Die de harten doorgrondt. David mocht dit doen, want zijn omstandigheden gaven hem daar recht toe, althans wat de bepaalde misdaden betrof waarvan men hem ten onrechte beschuldigde. Hij was gekweld en uitgeput door het onrecht van mensen. Daarom vlucht zijn onschuldige geest weg van zijn valse aanklagers naar de troon van het Eeuwige Recht. Wie het waagt zijn zaak voor het hoogste gerechtshof van de hemelse Koning te brengen, moet wel een zuivere zaak hebben. Zo’n beroep doe je bij geen enkele gelegenheid lichtvaardig. Voor onze hele levenswandel mag je het zelfs helemaal niet doen, tenzij we gerechtvaardigd zijn in Christus Jezus. Een zondig mens bidt veel beter: “En ga niet in het gericht met Uw knecht.”
“Want ik wandel in mijn oprechtigheid.” Oprechtheid was zijn beginsel, en hij leefde ernaar. David had nooit verraad of oneerlijke middelen gebruikt om de kroon te krijgen of te houden. Hij wist dat hij in alles wat hij met Saul en zijn familie deed, was geleid door de edelste beginselen van eer. Wat een troost is het als je eigen geweten je vrijspreekt! Is er vrede in je ziel, dan stelt het gehuil van de stormen van laster om ons heen weinig voor. Zingt het vogeltje in mijn borst een vrolijk lied, dan maakt het mij niet uit of buiten duizend uilen naar mij krassen.
“En ik vertrouw op den HEERE.” Geloof is de wortel en het sap van oprechtheid. Wie op de Heere leunt, zal zeker rechtvaardig leven. David wist dat Gods verbond hem de kroon had gegeven. Daarom zocht hij geen omwegen of ongeoorloofde middelen om haar veilig te stellen. Hij wilde zijn vijand niet doden in de spelonk, hoewel hij daar de kans had. Hij liet ook niet toe dat zijn krijgslieden hem sloegen toen hij onbewaakt op de vlakte lag te slapen. Het geloof werkt hard voor de Heere en op Zijn wijze, zonder te kijken naar wat het zelf kan winnen. Maar het weigert zelfs een vinger uit te steken voor de plannen van onrechtvaardige sluwheid. Rebekka vertelde een grote leugen om het besluit van de Heere ten gunste van Jakob uit te voeren. Dat was ongeloof. Abraham liet het aan de Heere over om Zijn eigen plannen uit te voeren, en pakte het mes om zijn zoon te slachten. Dat was geloof. Het geloof vertrouwt erop dat God Zijn eigen besluiten waarmaakt. Waarom zou ik stelen als God beloofd heeft in mijn nood te voorzien? Waarom zou ik mij wreken als ik weet dat de Heere mijn zaak tot de Zijne heeft gemaakt? Vertrouwen op God is de beste bescherming tegen zonde.
“Ik zal niet wankelen.” De weg mag nog zo glad zijn, zodat ik loop als iemand op ijs. Toch houdt het geloof mijn voeten overeind en zal dat blijven doen. Wie sluwe wegen volgt, valt vroeg of laat zeker. Maar de weg van eerlijkheid is vaak hobbelig en toch altijd veilig. Wie krom loopt, kan niet op God vertrouwen. Rechte paden en een eenvoudig geloof brengen de pelgrim echter veilig aan het einde van zijn reis.
Vers 2
David daagt hier drie manieren van beproeving uit. In het oorspronkelijke Hebreeuws gaat het om beproeving door aanraking, door ruiken en door vuur. De psalmist was zo vrij van de beschuldiging tegen hem, dat hij zich zonder voorbehoud overgaf aan elk onderzoek dat de Heere goed vond. “Proef mij, HEERE.” Kijk mij door en door aan. Onderzoek mij nauwkeurig. Neem mij in verhoor en onderwerp mijn getuigenis aan een kruisverhoor. “En verzoek mij.” Zet mij opnieuw op de proef en kijk of ik zulke goddeloze plannen zou volgen als mijn vijanden mij toeschrijven. “Toets mijn nieren en mijn hart.” Keur mij zoals men metaal keurt in de smeltoven. Doe dat bij mijn meest verborgen delen, waar mijn genegenheden hof houden. Zie, o God, of ik moord, verraad en bedrog liefheb.
Dit is een bijzonder stoutmoedig beroep, en het kost moed om het uit te spreken. Als een man als David het doet, iemand die de Heere diep vreesde, dan toont dat een plechtige en volkomen overtuiging van zijn onschuld. Deze woorden leren ons hoe grondig het oordeel van God is. Ze leren ons ook dat we in alles diep oprecht moeten zijn, tot in de verborgen hoeken van ons hart, anders worden we aan het einde te licht bevonden. Onze vijanden zijn hard tegen ons met de hardheid van hun wrok. Een dappere man verdraagt dat zonder angst. Maar Gods strengheid is de strengheid van onwrikbaar recht. Wie kan zo’n beproeving doorstaan? De lieflijke zanger zegt: “Wie zou bestaan voor Zijn koude?” En wij mogen net zo goed vragen: “Wie zal bestaan voor de hitte van Zijn gerechtigheid?”
Vers 3
“Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen.” Het is iets om aan terug te denken en een reden om te hopen. Wie barmhartigheid heeft ontvangen, ziet zelfs in zijn somberste tijd een mooi uitzicht voor zich. Het laat hem namelijk al zien wat er nog aan barmhartigheid komt. Die beelden zijn geen fantasie, ze zijn echt. Sta even stil, lieve lezer, bij dat hemelse woord goedertierenheid. Proef het eens langzaam. Het smaakt naar de hemel. Is het niet een weergaloos woord, onovertroffen en zonder gelijke?
Wat de Heere voor ons gedaan heeft, moet voor onze ogen staan als drijfveer voor ons gedrag. We leven niet als slaven onder de wet. We staan onder de zoete dwang van de genade. Die is veel krachtiger, en toch veel zachter. Mensen zondigen met de wet voor ogen. Maar Gods liefde heiligt je leven als je haar duidelijk ziet. Als we niet zo vergeetachtig waren over de weg van barmhartigheid waarop God ons tegemoet komt, zouden we veel zorgvuldiger de weg van gehoorzaamheid naar Hem lopen.
“En ik wandel in Uw waarheid.” Wat hield de psalmist van zonde af? Zijn zekerheid dat Gods belofte waar is. Die waarheid probeerde hij te volgen, en ook te geloven. Zie in dit vers hoe het gaat. Wie Gods liefde heeft ervaren, laat dat zien door Gods waarheid in praktijk te brengen. Wie een deel van de waarheid verwaarloost, hetzij de leer, hetzij het leven, moet zich niet verbazen als hij het genot ervan kwijtraakt. Sommigen praten over de waarheid. Beter is het om erin te wandelen. Sommigen beloven dat ze het voortaan goed zullen doen, maar hun voornemens lopen op niets uit. Alleen iemand die opnieuw geboren is, kan zeggen: “Ik wandel in Uw waarheid.”
Vers 4-5
David was zelf geen openlijke overtreder van Gods wetten. Maar het ging verder: hij had zelfs geen omgang gehad met mensen die van het kwaad houden. Hij had afstand gehouden van de mannen van Belial. Je wordt gekend aan je gezelschap. Hebben we ons van de goddelozen afgezonderd, dan is dat altijd een getuigenis in ons voordeel als iemand ons karakter aantast. Wie nooit in het dorp is geweest, heeft waarschijnlijk het koren niet gestolen. Wie nooit op zee is geweest, is duidelijk niet de man die het schip tot zinken bracht.
Vers 4
“Ik zit niet bij ijdele lieden.” Echte burgers hebben niets te maken met verraders. David had geen zetel in het parlement van de lichtzinnigen. Zij waren niet zijn vrienden aan de feestdis, niet zijn raadgevers in de raad en niet zijn metgezellen in het gesprek. Natuurlijk moeten we mensen van de wereld zien en spreken, en zaken met hen doen. Maar we mogen onze rust en troost nooit zoeken in hun lege gezelschap. We moeten niet alleen de goddelozen mijden, maar ook de ijdele mensen. Wie alleen voor dit leven leeft, is ijdel, leeg als kaf en schuim. Zo iemand is onze vriendschap als christen niet waard. Bovendien hoort ijdelheid vaak bij valsheid. Daarom doen we er goed aan ons helemaal te behoeden voor deze verkeerde generatie. Zo gaan we niet van kwaad tot erger. En we gaan ook niet van het dulden van ijdele mensen over op het bewonderen van goddelozen.
“En met bedekte lieden ga ik niet om.” Ik weet dat schijnvroomheid dubbele ongerechtigheid is. Daarom maak ik een einde aan elke kennismaking met veinzers en doe ik geen enkele moeite om hen beter te leren kennen. Moet ik toevallig langs dezelfde straat lopen, dan ga ik niet door dezelfde deur naar binnen om mijn tijd met hen door te brengen. Met het gezelschap van huichelaars moeten we geen gemeenschap zoeken. Hun laatste verzamelplaats is de diepste put van de hel. Laten we hun kennismaking nu al opzeggen! Binnenkort willen we haar immers niet meer. Ze hangen hun kralen om hun hals en dragen de duivel in hun hart.
Dit zinsdeel staat in de toekomende tijd. Daarmee wil de schrijver zeggen dat hij geen zin had om kennis te maken met de mensen die hij tot nu toe had gemeden. Hoe dichter we de grote verlossingsdag zien naderen, hoe zorgvuldiger we het afgezonderde pad moeten bewaren. Wie samen met Jezus verheerlijkt wil worden, mag niet misvormd worden doordat hij zich aan de wereld gelijk maakt. Het besluit van de psalmist laat ook zien dat we onderscheid moeten maken onder hen die zeggen de waarheid te volgen. Net zoals er ijdele mensen buiten de kerk zijn, zijn er veinzers binnen de kerk. Allebei moeten we met nauwgezette vastberadenheid mijden.
Vers 5
“Ik haat de vergadering der boosdoeners.” Dat is een strenge uitspraak, maar niet te streng. Wie het kwaad niet vurig haat, houdt niet echt van het goede. Mensen als mensen moeten we altijd liefhebben, wie ze ook zijn. Ze zijn onze naasten en dus te beminnen als onszelf. Maar boosdoeners als zodanig zijn verraders van de grote Koning. Geen trouwe onderdaan kan verraders liefhebben. Wat God haat, moeten wij haten. De gemeente of vergadering van boosdoeners zijn gewelddadige mensen die zich verbonden en samenspannen om de onschuldigen ten onder te brengen. Zulke synagogen van de satan moeten we met afschuw bezien.
Wat een droeve gedachte, en wat een ernstige ook, dat er een vergadering van boosdoeners is, net zo goed als een gemeente van oprechten! Een kerk van de satan, net zo goed als een kerk van God. Een nageslacht van de slang, net zo goed als een nageslacht van de vrouw. Een oud Babylon, net zo goed als een nieuw Jeruzalem. Een grote hoer die op vele wateren zit en in toorn geoordeeld zal worden, naast een kuise bruid van het Lam die bij Zijn komst gekroond zal worden.
“En bij de goddelozen zit ik niet.” Heiligen hebben een plaats aan een andere tafel. Ze zullen nooit de lekkernijen van de Koning achterlaten voor het afval uit de varkenstrog. Het is beter om met de blinden, de kreupelen en de lammen aan de tafel van de barmhartigheid te zitten dan met de goddelozen op hun feesten van goddeloosheid. Ja, het is beter om op Jobs mesthoop te zitten dan op de troon van Farao. Laat elke lezer goed opletten met wie hij omgaat. Het gezelschap dat we in deze wereld kiezen, houden we waarschijnlijk ook in de volgende.
Vers 6
“Ik was mijn handen in onschuld.” Hij wilde openlijk verklaren dat hij helemaal vrij was van de beschuldigingen tegen hem. Kon men hem in andere zaken met recht iets verwijten, dan zou hij dat voortaan nalaten. Het wassen van de handen is een veelzeggend gebaar. Zo laten we zien dat we niets met een daad te maken hebben. We zeggen dat nog steeds: “Ik was mijn handen in onschuld van de hele zaak.” Volmaakte onschuld eist David hier niet op. Hij betuigt zijn onschuld aan de misdaden waarvan hij lasterlijk werd beschuldigd. Toch kunnen wij in een bepaalde zin in volstrekte onschuld gewassen worden. Het bloed dat verzoening brengt, maakt ons helemaal schoon. We mogen nooit rusten voordat we er volledig van overtuigd zijn dat Jezus’ dierbare bloed ons helemaal heeft gereinigd.
“En ik ga rondom uw altaar, o HEERE!” Priesters van God moeten er veel aan doen om zelf rein te zijn. Het koperen wasvat was even nodig als het gouden altaar. Wie God dient, moet heilig leven, want Zijn dienst vraagt dat van ons. Wie onrechtvaardig is tegenover mensen, kan God niet op een aangename manier dienen. Onze dankoffers mogen we niet brengen met handen die door schuld bezoedeld zijn. Gerechtigheid en reinheid liefhebben is God veel aangenamer dan tienduizenden offers van het vet van gemeste dieren.
Dit vers laat zien dat heilige gemoederen zich verlustigen in de aanbidding van de Heere. Ze vinden hun zoetste troost bij Zijn altaar. Hun diepste zorg is dat ze nooit een weg inslaan waardoor ze ongeschikt worden voor de heiligste gemeenschap met God. We moeten ons oog richten op het altaar dat zowel de gever als de gave heiligt. Maar we mogen nooit uit het offer dat verzoening brengt een excuus voor zonde halen. We moeten er juist een overtuigend argument voor heiligheid in vinden.
Vers 7
“Om te doen horen de stem des lofs.” David was zo ver onderwezen dat hij het typische offer niet noemt. Hij ziet het geestelijke offer dat daarmee bedoeld was. Een geestelijke aanbidder brengt niet het geloei van ossen, maar liederen van dankbaarheid. De waardige lof van de God van alle genade wijd en zijd laten klinken: dat hoort de dagelijkse bezigheid te zijn van een zondaar die vergeving heeft gekregen. Laat mensen ons lasteren zoveel ze willen, dat verandert niets aan wat we de Heere verschuldigd zijn. We mogen de Heere nooit van Zijn lof beroven. Laat de honden maar blaffen, wij blijven schijnen als de maan.
“En om te vertellen al Uw wonderen.” Gods volk mag niet met een gebonden tong lopen. De wonderen van Gods genade zijn genoeg om de tong van een stomme te laten zingen. Gods werken van liefde zijn wonderbaar als we nadenken over hoe onwaardig hun voorwerpen zijn, wat ze hebben gekost en hoe heerlijk het resultaat is. Mensen praten graag over opmerkelijke en verbazingwekkende dingen. Zo vinden de heiligen het ook heerlijk om te vertellen van de grote dingen die de Heere voor hen heeft gedaan.
Vers 8
“HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis.” In de verblijven van de zonde wilde hij niet binnengaan. Maar het huis van God had hij al lang liefgehad, en hij hield er nog steeds van. We zouden droevige kinderen zijn als we de woonplaats van onze Vader niet liefhadden. Wij erkennen geen heilige gebouwen. Toch is de kerk van de levende God het huis van God. Echte christenen, die Hem toebehoren, verlustigen zich in haar regels, diensten en samenkomsten. O, waren al onze dagen maar sabbatten!
“En de plaats des tabernakels Uwer eer.” Dat is Zijn kerk, waar God te allen tijde wordt geëerd. Daar maakt Hij Zich bekend in de heerlijkheid van Zijn genade, en Zijn volk verkondigt Hem als de Heere van allen. Wij komen niet als volk van de Heere samen om de prediker te eren, maar om God de eer te geven. Zo’n bezigheid is voor de heiligen van de Allerhoogste zeer aangenaam. Wat zijn dan die bijeenkomsten waar God niet wordt geëerd? Zijn ze geen ergernis voor Zijn zuivere en heilige ogen? En zijn ze geen treurig struikelblok voor het volk van God? Het perst de brandende tranen op onze wangen als we preken horen waarin de eer van God niet het doel van de prediker is. Je zou haast denken dat de prediker de waardigheid van de mens aanbad en daar meer van dacht dan van de oneindige Majesteit van God.
Vers 9
“Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.” Heere, als U mij op een dag moet oogsten, zoals men vruchten plukt, doe mij dan niet in dezelfde mand als de beste van die zondaars. En al helemaal niet in die van de slechtste! Hier op aarde stoot hun gezelschap ons al zo af dat we er niet aan moeten denken om voor eeuwig met hen in één bundel gebonden te worden. Gelukkig kunnen we op iets vertrouwen, en dat is ons grote houvast: de Grote Landman kent het onkruid van de tarwe, en voor elk soort mens en elk soort karakter zal Hij een eigen plaats vinden.
In de vorige verzen zagen we dat David zich verre hield van goddeloze mensen. Dat is de reden waarom hij ten slotte niet bij hen terecht wil komen. Denk maar aan het lot van de goddelozen, en dit gebed komt vanzelf met kracht over onze lippen. Tegelijk hoeven wij als gelovigen, die van de dood zijn overgegaan tot het leven, niets te vrezen. We zien immers hoe het oordeel werkt: gelijk wordt bij gelijk verzameld.
“Noch mijn leven met de mannen des bloeds.” Het maakt ons misselijk als we hen horen praten. Hun wrede berichten, waarin ze het neerschieten van hun medemensen beschrijven als een zeldzaam vermaak, bezorgen ons rillingen van afschuw. Heere, sluit ons niet met hen op in dezelfde gevangenis! Zelfs het paradijs zou met zulke mensen een hel zijn, als ze bleven wie ze nu zijn.
Vers 10
“In welker handen schandelijk bedrijf is.” Beide handen hebben ze er vol van: met het bedenken én met het uitvoeren ervan. “En welker rechterhand vol geschenken is.” Hun rechterhand, waarmee ze het handigst zijn, zit vol omkoopgeld. Net als dieven die ongestraft willen stelen, hebben ze een brok bij zich voor de honden van het recht.
Wie omkoopt is in alle opzichten even schuldig als wie zich laat omkopen. Bij onze parlementsverkiezingen is de rijke schurk die het geld geeft verreweg de slechtste. Omkoperij, in welke vorm of gedaante ook, hoort een christen even walgelijk te vinden als aas een duif en afval een lam. Laat wie graag met vuile handen omkoopgeld aanpakt dit goed bedenken: de dood en de duivel zijn niet om te kopen. Zij kunnen niemand helpen om aan zijn welverdiende vonnis te ontkomen.
Vers 11
Hier staat iemand die van godzaligheid houdt en persoonlijk protest aantekent tegen oneerlijk gewin. Hij is een nonconformist en durft daarin helemaal alleen te staan. Als een levende vis zwemt hij tegen de stroom in. Hij vertrouwt op God en besluit daarom vastberaden te kiezen voor de rechte weg van gerechtigheid. Wie wil, mag de kromme paden van geweld en bedrog kiezen. Toch is hij allerminst een grootspreker die opschept over zijn eigen kracht. Hij roept juist om verlossing en smeekt om genade, zoals een mens die weet dat hij die nodig heeft.
Onze oprechtheid is niet volmaakt en ook niet aangeboren. Ze is een werk van genade in ons, en onze menselijke zwakheid bederft haar telkens weer. Daarom moeten we onze toevlucht nemen tot het bloed dat ons verlost en tot de troon van de barmhartigheid. Zo belijden we dat we wel heiligen zijn onder de mensen, maar toch als zondaren voor God moeten buigen.
Vers 12
Het lied begon in mineur, maar is nu in majeur aangekomen. Heiligen zingen zich vaak gelukkig, ook al zijn ze begonnen met een zucht. De effen plaats waarop onze voet staat is de vaste trouw van het verbond, de eeuwige belofte en de onveranderlijke eed van de Heere der heirscharen. We hoeven niet te vrezen dat we van deze vaste grond zullen vallen, of dat ze onder ons vandaan wordt weggehaald.
Staan we stevig in Christus Jezus, omdat we levend met Hem verbonden zijn, dan blijft er niets over om onze gedachten mee te vullen dan de lof van onze God. Laten we het samenkomen met elkaar niet nalaten. En als we samen zijn, laten we dan niet traag zijn met ons deel van de dankzegging. Elke heilige is een getuige van Gods trouw, en hoort klaar te staan met zijn getuigenis. En de lasteraars? Laat hen buiten de deur huilen terwijl de kinderen binnen zingen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm hangt door gedachten en woorden samen met de vorige. Aan het slot van die psalm had David gebeden om oprechtheid, Psalm 25:21. Lees je deze psalm los van de vorige, dan klinkt hij ijdelroemig. Maar neem je hem samen met de boetvaardige erkenning van zonde, de ernstige smeking om vergeving en genade en het vaste geloof dat God zijn gebed heeft verhoord, die in de vorige psalm worden uitgeademd, dan zie je het anders. Dan zijn de verklaringen van oprechtheid die hij nu aflegt geen beweringen van eigen verdienste, maar erkenningen van Gods barmhartigheid. Augustinus zegt het zo: “Non merita mea, sed misericordia tua, ante oculos meos est.” — Christopher Wordsworth
Vers 1
Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid. Een goede zaak, een goed geweten en een goede wandel: dat zijn goede gronden om een beroep op God te doen. — Ingram Cobbin
Vers 1
Doe mij recht, HEERE. Voor wie oprecht is, is niets zo aangenaam als weten dat God weet dat hij het is. Het is voor oprechte mensen een kleinigheid om door mensen veroordeeld te worden. En of ze door hen worden afgekeurd of goedgekeurd, maakt hun ook niet veel uit. Want, zoals de apostel zegt: niet “die zichzelven prijst”, 2 Korinthe 10:18, en ook niet wie door anderen geprezen wordt, maar “dien de Heere prijst, die is beproefd”. Het getuigenis van alle mensen ter wereld, hun aanbevelingsbrieven, helpt ons niet, tenzij God ons ook het Zijne geeft. — Joseph Caryl
Vers 1
Doe mij recht, HEERE. Als voorbeeld van een beroep op de hemel halen we die machtige prediker van het Woord aan, George Whitefield: “Sommigen zullen mij misschien een kwakzalver en een dweper noemen, iemand die u alleen maar methodisch gek wil maken. Ze mogen hun scheldwoorden tegen mij uitspreken, ze mogen ertegen tekeergaan, maar Christus weet toch alles. Hij let erop, en ik laat het aan Hem over om mijn zaak te bepleiten, want Hij is een genadig Meester. Zo heb ik Hem al ervaren en ik weet zeker dat Hij zo blijft. De wraak is van Hem, en Hij zal vergelden.” — George Whitefield, 1714-1770
Vers 1
“Oprechtigheid.” (Hebr.) of (Hebr.) wordt gebruikt voor alles wat ongeschonden is, zonder vlek of gebrek. Daarom vinden we het woord ook terug, toegepast op een smetteloos dier dat als offer werd gebracht. Leviticus 1:3; 3:9. — George Phillips
Vers 1
Mijn oprechtigheid. Let op de kracht van het bezittelijke woord “mijn”. De psalmist laat daarmee merken dat hij één vaste koers had gevolgd, ondanks alle listen van zijn vijanden. — W. Wilson, D.D.
Vers 1
Ik vertrouw op den HEERE. Vertrouwen op God is de bron van “oprechtheid”. Wie zijn hoop op God vestigt, hoeft zijn wereldse belangen niet te behartigen door zijn plicht tegenover zijn naaste te schenden. Hij verwacht alles van boven. En tegelijk is hij er altijd diep van overtuigd en vastbesloten dat hij de gunst van zijn hemelse Vader niet wil verspelen door Zijn geboden te overtreden. — E. W. Hengstenberg
Vers 1
Ik zal niet wankelen. Dit woord is treffend. Het drukt de volledige bescherming van God en de zekerheid van Zijn schragende hand even sterk uit als de taal van de psalmist zijn oprechte wandel en zijn vertrouwen op God. Het staat er niet, zoals in onze vertaling van het gebedenboek: “Ik zal niet vallen”, maar: “Ik zal niet eens glijden”. Dus niet eens een verkeerde stap zetten of struikelen. — Barton Bouchier
Vers 2
De psalmist gebruikt drie woorden: proef, verzoek, toets. Samen omvatten ze alle manieren waarop je kunt nagaan of iets echt is. Zo laat hij merken dat hij wil dat alles tot op de bodem wordt onderzocht. Hij deinst voor geen enkele toets terug en wijst niets af. — Albert Barnes
Vers 2
Proef, verzoek, toets. Vuur scheidt het goud van het schuim. Zo komt ook een eenvoudig hart en ware christelijke eenvoud het best uit de verf, en wordt het het duidelijkst zichtbaar, in moeiten en ellende. Als het goed gaat, lijkt iedereen godzalig. Maar ellende haalt uit het hart alles naar boven wat erin zit, goed of kwaad. — Robert Cawdray
Vers 2
Proef mij. Het werk van het geweten in ons beproeft ons. God heeft in ons een licht aangestoken, en wordt dat licht door het Woord verlicht, dan wordt iemands borst vol licht. Een trouw en godvrezend mens wil dat zijn geweten zacht en wakker is en spreekt vanuit Gods Woord, voor elke plicht en tegen elke zonde. Hoe scherp het is, zie je bij David, waar staat: “Davids hart hem sloeg.” En in 1 Johannes 3: “Indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart.” Helaas! Als je in jezelf al oordeelt dat je zus of zo zondigt, dan oordeelt God dat nog veel strenger.
Toets je oprechtheid. Wil je een zacht en goed onderwezen geweten hebben? Houd je ervan te horen wat het uit Gods Woord zegt, of dat nu vrede is of plicht? Dan is dat troostrijk. Maar ben je iemand die zich verzet tegen het licht ervan, die de angel ervan het liefst zou doven, die blij zou zijn als hij zo’n levend ding niet in zijn borst voelde? Dan heb je alle reden om jezelf te wantrouwen. Je moet wel vrezen dat er velen zijn die zich overgeven aan lusten en vleselijke genoegens, om zo een mistige nevel tussen hun geweten en zichzelf te zetten. Anderen graven zich in de wereld in en proberen gevoelloos te worden, zodat de aarde als een verduistering tussen hen en dit licht komt. Weer anderen vluchten naar verdoemelijke ketterijen. Ze ontkennen de Schriften, God, hemel en hel, en pleiten voor een heil dat voor iedereen geldt. En wat zijn al deze dingen anders dan schuilplaatsen van schuldige gewetens? Meer is het niet.
We moeten onderscheid maken tussen onze vleselijke begeerte en het geweten. Tussen misleidende inbeeldingen en het geweten. Tussen een dwalend, angstvallig geweten en een goed gegrond en werkelijk onderwezen geweten. Is dat gedaan, dan moeten we ons geweten volgen, zover het het Woord volgt. — Anthony Burgess
Vers 2
Nieren . . . hart. De “nieren” zijn de zetel van de lagere, dierlijke driften. Het “hart” omvat niet alleen de hogere gevoelens, maar ook de wil en het geweten. David wil dus niets achterhouden. Hij legt zich er willig aan onder en onderwerpt zich aan de doorzoekende vlam van de Grote Loutelaar, zodat al het schuim van zelfbedrog wordt weggezuiverd. — J. J. Stewart Perowne
Vers 3
Uit deze tekst blijkt wat Gods goedheid in de praktijk doet. Het voornaamste wat God ons meegeeft is de goddelijke natuur, waardoor we op Hem gaan lijken. De beloften van God, op de ziel gelegd, zijn daarbij het middel waarmee Hij ons dat geeft. Ze zijn de melk en honing van de Schrift. Ze voeden niet de oude mens, maar ondersteunen de nieuwe. Het zijn geen kussens voor zondige luiheid, maar sporen tot heilige ijver. De beloften van genade geven de ziel kracht voor haar plicht. En als we zo de goedheid van de Heere zien, moedigt dat ons aan om ons aan Zijn bestuur te onderwerpen. — Timothy Cruso
Vers 3-4
Ik wandel in Uw waarheid, ik zit niet bij ijdele lieden. Let er zo goed mogelijk op dat de mensen die je als vrienden kiest God vrezen. De man in het evangelie die van de duivel bezeten was, woonde tussen de graven en ging om met graven en lijken. Je wandelt ver van de goede Geest als je ervoor kiest om met open graven om te gaan, en met mensen die dood zijn in zonden en misdaden. God zal de goddelozen de hand niet schudden, zoals de Vulgaat in Job 8:20 leest, en ook de godvrezende mens moet dat niet doen.
David bewijst de oprechtheid van zijn koers door zijn zorg om zulk gezelschap te mijden: Ik wandel in Uw waarheid; ik zit niet bij ijdele lieden. Er is een tweeërlei “waarheid.” 1. Waarheid van leer. Uw wet is de waarheid, vrij van alle slakken van verdorvenheid en de valsheid van dwaling. 2. Waarheid van gezindheid, van het inwendige. Dit mag “Uw waarheid” heten, ofwel de waarheid van God, Gods waarheid, ook al is de mens er het onderwerp van. Deels omdat ze van Hem voortkomt, deels omdat ze Hem zo welgevallig is. Zo wordt ook een gebroken hart “de offeranden Gods” genoemd, Psalm 51:19. Het is alsof David wil zeggen: ik had niet in de kracht van de godsdienst en in oprechtheid kunnen wandelen als ik met verachtelijk en ijdel gezelschap omging. Ik had nooit in Uw geboden kunnen wandelen als ik “bij ijdele lieden” had gezeten.
Let op de uitdrukking: “Ik zit niet bij ijdele lieden.” 1. Zitten is een houding van keuze. Het staat je vrij of je zit of staat. 2. Zitten is een houding van genoegen. Mensen zitten voor hun gemak en voor hun plezier. Daarom wordt van de verheerlijkten gezegd dat God hen “heeft … mede gezet in den hemel” (Engels: “doet zitten”). Efeze 2:6. 3. Zitten is een houding van blijven. 2 Koningen 5:3. Staan hoort bij gaan, zitten bij blijven. Van de gezegenden die voor eeuwig bij de Heere en Zijn uitverkorenen zullen zijn, staat er dat ze “zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen.” Mattheüs 8:11.
In geen van beide betekenissen durfde David bij ijdele lieden te zitten. Als zijn bezigheden dat vroegen, mocht hij hun gezelschap gebruiken. Maar hij durfde zulk gezelschap niet bewust te kiezen. Wie hij niet liefhad, kon hij ook niet kiezen. “Ik haat de vergadering der boosdoeners”, zegt hij. Omdat zitten een houding van genoegen is, zat hij niet bij ijdele lieden. Soms was hij onder hen, tot zijn smart, maar niet tot zijn troost. Zij waren voor hem wat de Kanaänieten voor de Israëlieten waren: doornen in zijn ogen en prikkels in zijn zijden. “O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.” Psalm 120:5. Het deed hem verdriet, geen vreugde, dat hij gedwongen was om onder de goddelozen te zijn en bij hen te verblijven. — George Swinnock
Vers 3-4
Ik wandel in Uw waarheid, ik zit niet bij ijdele lieden. Zie hierover verder bij “Psalm 26:3”.
Vers 4
Ik zit niet bij ijdele lieden. Je hebt onvermijdelijk met mensen te maken in kopen en verkopen. Of, zoals de apostel zegt: “Want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.” Maar kies niet uit jezelf en vrijwillig het gezelschap van de goddelozen. 1 Korinthe 5:10. “Heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen”, enz. 1 Korinthe 5:11. Wees niet te vertrouwd met hen. Wat moeten Christus’ duiven tussen roofvogels? Wat moeten maagden tussen hoeren? Het gezelschap van de goddelozen is zeer bezoedelend en besmettelijk, alsof je tussen mensen met de pest loopt. “Zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.” Meng je blinkend harnas met roestig, dan laat het blinkende het roestige niet glanzen, maar bederft het roestige het blinkende. Farao leerde Jozef vloeken, maar Jozef leerde Farao niet bidden. — Thomas Watson
Vers 4
En met bedekte lieden ga ik niet om. Chaldeeuws: “Ik zal niet ingaan met hen die zich verbergen om kwaad te doen.” Goddeloosheid is niet openhartig. Ze houdt van verborgenheid, terwijl waarheid en gerechtigheid open zijn en onderzoek zoeken. Job 24:13-17; Johannes 3:20-21. Niemand zal ontkennen dat wie openhartig is veel minder moeite heeft met zijn eigen gedrag dan wie kronkelig en bedrieglijk is. De rechtvaardigen mijden de goddelozen om de zonde, maar ook om de ellende die in hun wegen zit. — William S. Plumer
Vers 4
Veinzers. De huichelaar heeft aan de buitenkant veel engel, van binnen meer duivel. Hij braadt met woorden, maar bevriest in daden. Hij praat bij de el en doet goed bij de duim. Hij is een stinkende mesthoop met sneeuw erover, een los hangende molen die veel klappert maar geen koren maalt, een leugenachtige hen die kakelt terwijl ze niet gelegd heeft. — Thomas Adams
Vers 4
Veinzers. Misschien hebt u op een dag in het vroege voorjaar, toen de heldere zonnestralen heel de natuur in een lachend kleed hadden gehuld, uw mandjes gepakt om een oever met zoetgeurende, bescheiden viooltjes te zoeken. En misschien vond u bloemen die er in vorm en kleur zo op leken dat u zich liet bedriegen en gretig uw buit greep. Maar helaas! De zoete geur die de bries had moeten parfumeren ontbrak en verried het hondsviooltje. Een passend beeld van hen die “hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben.” 2 Timotheüs 3:5. — Mevrouw Rogers, in “The Shepherd King”
Vers 4-5
Rotte appels bederven de gezonde die ze aanraken en dicht bij hen liggen. Zo besmetten ook de kwade zeden en de slechte gesteldheid van de goddelozen wie met hen omgaan. — Robert Cawdray
Vers 4-5
“Het is heel moeilijk, zelfs een wonder, om Gods geboden te houden en tegelijk slecht gezelschap te zoeken”, zegt een scherpzinnige schrijver uit onze tijd. Denk eens terug. Daar, in je binnenkamer had je zielsverkwikkende gemeenschap met God en was je vol geestelijke gloed. Hoe snel ben je dat vuur kwijt zodra je naar buiten gaat, de koude en bedorven lucht in! Een gelovige is in het verborgene diep geraakt door de liefde van God en de vreugde van de hemel. Daarna komt hij mensen tegen die over zulke dingen geen woord zeggen, en ook niet kúnnen zeggen. Wat een domper is dat voor hem! Het is alsof de Geest van God in hem wordt gedoofd. En is het niet waar wat iemand zegt: “Gods volk verliest over het algemeen méér aan wereldse mensen met een onberispelijke levenswandel dan aan goddeloze en ongodsdienstige mensen”? — Lewis Stuckley
Vers 4-5, 9
Wie in de andere wereld niet bij de zondaars terecht wil komen, moet er in deze wereld voor oppassen hun gezelschap op te zoeken. Wie door de veldwachter met landlopers wordt betrapt, kan samen met hen in de gevangenis belanden. “Heere”, zei een godvrezende vrouw op haar sterfbed, toen ze twijfelde aan haar behoud, “stuur mij niet naar de hel, tussen goddeloze mensen. U weet dat ik hun gezelschap mijn hele leven nooit heb gezocht.” Op dezelfde grond vraagt David om gespaard te blijven voor hun toekomstig lot, en hij noemt dat een bewijs van zijn oprechtheid: “Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet. … Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.”
Heere, ik heb de goddelozen nooit zo graag gemogen dat ik even bij hen wilde zitten. Zou ik dan voor eeuwig met hen moeten leven? Ik heb niet tussen hen op de aarde liggen wegrotten. Zou U mijn ziel dan verzamelen met die takken, voor het vuur dat nooit dooft, het vuur van de hel? Heere, ik was zó ver van hen te mogen dat U weet: ik had een afschuw van de vergadering der boosdoeners. Haat ik niet wie U haten? Ja, ik haat hen met volkomen haat. Zouden Uw vrienden het dan net zo vergaan als Uw vijanden? Ik beroep mij op Uw Majesteit: mijn grote troost vind ik bij Uw uitverkorenen. Alleen onder Uw kinderen hier ben ik blij. Zou ik dan hierna van hun gezelschap worden buitengesloten? O, “raap mijn ziel niet weg met de zondaren”, niet naar de wijnpers van Uw eeuwige toorn!
Marcion, de ketter, was verbaasd toen hij Polycarpus zag en die hem niet wilde erkennen. “Kent u mij niet, Polycarpus?” “Jazeker”, zei Polycarpus, “Scio te esse primogenitum diaboli”: “ik weet dat u de eerstgeborene van de duivel bent.” Zo verachtte hij hem. — George Swinnock
Vers 5
Ik haat de vergadering der boosdoeners, enz. Gods vijanden haten, juist omdat ze Zijn vijanden zijn — ja, “ik haat hen met volkomen haat” — staat haaks op de onverschillige houding van onze tijd. Toch is het van oudsher een kenmerk van Zijn trouwe dienaren geweest. Denk aan Pinehas, Psalm 106:30-31: “En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.” Denk aan Samuël met Agag, aan Elia met de priesters van Baäl. En let op de lof voor de engel van de gemeente van Efeze: “Dat gij de kwaden niet kunt dragen.” Openbaring 2:2. — J. M. Neale
Vers 5
Ik haat de vergadering der boosdoeners. We zien hen als Gods vijanden, en daarom haten we hen. Niet hun personen, maar hun ondeugden. Dat is, zoals Augustinus het noemt, odium perfectum: een volmaakte haat. En het is ook echt de haat die God Zelf tegen Zijn vijanden heeft. Want “de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen”, Romeinen 1:18. Die toorn treft de mensen niet als mensen, want zij zijn Zijn maaksel en dragen in zekere zin Zijn beeld, hoe misvormd ook. Hij richt zich tegen hun ongerechtigheid en goddeloosheid, waardoor zij zelf onder Zijn afkeuring komen te staan.
Zo vind ik dat Gods heiligen over de goddelozen hebben gejuicht, zoals Israël over Farao en de Gileadieten over de kinderen van Ammon. Zij verheugden zich niet over de ondergang van Gods schepselen, maar over de ondergang van Gods vijanden. Samen met Debora en Barak wensten zij: “Alzo moeten omkomen al Uw vijanden, o HEERE!” Dat is niets anders dan Gods oordeel toejuichen en Zijn gerechtigheid vieren. — Edward Marbury
Vers 5
Ik haat, enz. Bedenk dat er geen ware vriendschap kan bestaan tussen iemand die God vreest en iemand die goddeloos is. Wees dus extra voorzichtig in de keuze van je vrienden. Wie in partijen naar macht kijkt, zal in vriendschap naar deugd kijken. Vriendschap is, zo zegt de wijsgeer, één ziel in twee lichamen. Maar hoe kunnen mensen één ziel hebben als ze zo verschillend zijn als lucht en aarde, en zo tegengesteld als vuur en water?
Alle ware liefde is motus animi ad fruendum Deo propter ipsum; se et proximo propter Deum — een beweging van de ziel om van God te genieten om Zijnentwil, en van jezelf en je naaste om Gods wil. Daarom kan niemand echt van een mens houden als hij zijn Maker niet liefheeft. God is de enige grond waarop we vriendschap kunnen bouwen. Wie zonder Hem leeft, kan ons dus ook niet in Hem liefhebben. Een gebouw zonder dit fundament blijft nooit lang staan. Een goddeloos mens mag de verbondenheid die hij zijn broeder betuigt liefde noemen, maar zelfs heidenen kunnen ons vertellen dat alleen deugd de hand is die de koorden van de liefde kan vlechten. Elke andere band is slechts een samenzwering, en alles wat verder zo heet, is niet meer dan een verbond in huichelarij. — George Swinnock
Vers 5
Overal waar we mensen zien die God werkelijk aanbidden zoals Zijn Woord dat leert, mogen we er zeker van zijn dat daar de kerk van Christus is. Daarbij horen we ons aan te sluiten, en met de profeet David zullen we verlangen God te loven in het midden van deze kerk. Maar soms ontstaan er, door de ongerechtigheid van de tijd, gemeenten met een nagemaakte godsdienst, die anders is dan het Woord van God leert. Als ons dan wordt gevraagd daar deel van uit te maken, moeten we opnieuw met David zeggen: “Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.”
In Openbaring wordt de gemeente van Efeze hoog geprezen. Zij toetste wie zeiden dat ze apostelen waren en het niet waren, en wilde daarom hun gezelschap niet verdragen. En God gebood Zijn volk door de mond van de profeet Amos dat ze Beth-El niet moesten zoeken en niet naar Gilgal moesten gaan, omdat daar afgoderij werd bedreven. Amos 5:5. — John Philpot (martelaar), verbrand te Smithfield, 1555
Vers 5
Weinig mensen bedenken hoe zij goddeloze mensen verharden door met hen bevriend te raken, terwijl afstand houden hen juist zou kunnen beschamen! Zolang we vrolijk en opgewekt met hen omgaan, laten we hen geloven dat hun toestand niet zo erg is en hun gevaar niet groot. Mijden we hen daarentegen zoals we een overhellende muur zouden mijden, zolang zij vijanden van de Heere blijven, dan kan dat hun goed doen. Het kan hen wakker schudden uit hun ongelukkige zorgeloosheid en uit de sterke dwalingen waarin ze vastzitten. — Lewis Stuckley
Vers 6
Ik was mijn handen in onschuld. Het evangelie kent twee grote wasbaden. Het eerste is het bad van Christus: een heet bad, lavacrum sanguinis, het bad van Christus’ bloed. Het tweede is ons eigen bad: een koud bad, lavacrum lachrimarum, het bad van de boetvaardigheid. Wie die twee mengt, krijgt een heerlijk geneesmiddel, dat Christus Zelf het eerst bereidde toen Hij water en bloed zweette. Het eerste bad is als de vijver Bethesda: wie er met geloof in stapt, wordt genezen. Het bloed van Christus is het ware bad van de wedergeboorte, een fontein die geopend is voor Juda en Jeruzalem om zich in te wassen. “Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” 1 Johannes 1:7.
Moeders voeden hun kinderen met hun eigen melk, en dat noemen we liefde. Hoe kostbaar is dan de liefde van Christus, Die ons met Zijn eigen bloed zowel wast als voedt! Nauwelijks zijn we in Christus geboren, of Zijn bloed verandert, net als dat van onze moeder, in melk en voedt ons tot eeuwige zaligheid. Wat vermogen calamus benjamini, storax of duizend rivieren van olie om ons rein te maken, als de Heere ons niet Zelf reinigt en zuivert? Nee, het is Zijn bloed “dat betere dingen spreekt dan Abel.” “Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.” Openbaring 1:5-6.
Maar het tweede bad, het bad van de boetvaardigheid, moet het eerste toepassen en werkzaam maken. Het bad van Maria Magdalena’s boetvaardigheid is een soort herdoop, die kracht en werking geeft aan de eerste wassing. Het omvat drie dingen. Ten eerste breken we ons hart door berouw. Ten tweede leggen we onze wonden voor God open door belijdenis. Ten derde wassen we onze handen in onschuld door genoegdoening aan mensen . . .
Was nu, en was alles! Van de kruin van het hoofd tot de zool van de voet zit er niets in ons dan wonden en zweren. Toch wordt hier juist iets bijzonders genoemd: David wast zijn “handen”. Het is niet genoeg om met natte ogen te komen, als we met vuile handen komen en met ongewassen handen willen offeren. Zelfs de heidenen deden dat niet. Berouw en belijdenis voor God maken de boetvaardigheid niet compleet zonder genoegdoening aan mensen. Non remittitur peccatum nisi restituatur ablatum, zegt Augustinus. Het is even waar als oud, en in het Engels van de oude vader Latimer klinkt het zo: “Of er moet teruggave zijn, openlijk of in het geheim, of anders de hel.” Wie het onrecht niet herstelt, verheugt zich in de zonde. Spreuken 2:14. Waar geen genoegdoening is, Non agitur sed fingitur paenitentia, zegt Sint Augustinus. Wie niet alles teruggeeft, wast zijn handen niet helemaal. Hij doopt alleen de toppen van zijn vingers.
Afpersing, roof en omkoping zijn de zonden van de handen. Die zonden zijn zo eigen aan de Joden dat zij zich wel mogen voorstellen, zoals ze doen, dat de duivel de hele nacht op hun handen ligt en dat hen dat zo ijverig maakt in het wassen. Maar wat ons christenen betreft: tenzij deze adders van onze handen worden afgeschud, helpt het niet. Al bedekt u het altaar van de Heere met tranen, met wenen en met zuchten, als u in uw bezoedeling volhardt, let God niet meer op uw offer. Hij zal het ook niet met welgevallen uit uw hand aannemen. Maleachi 2:13. — Isaac Bargrave, preek voor het Lagerhuis, 1623
Vers 6
Ik was mijn handen in onschuld; en ik ga rondom Uw altaar, o HEERE! Als grootheid iemand tegen onreinheid had kunnen beschermen, dan was David veilig geweest, want hij was koning. Als de genade in zijn ziel hem had kunnen vrijwaren van het vuil van de zonde, dan was hij het ook, want hij was “een man naar Gods hart”. Maar laten grote mensen niet te veel op hun grootheid vertrouwen. Hoe langer de mantel, hoe meer vuil hij opraapt. Grote macht kan de moeder worden van grote verdoemenis. En over reinheid: er is een soort mensen dat zegt dat er geen zonde in hen is, maar zij bedriegen zichzelf en de waarheid is niet in hen. Wat de godgeleerden van Rome ook beweren over de kracht van de natuur en van de vrije wil: wij ellendige zondaars leren juister te denken over onze eigen zwakheid.
Christus’ eigen apostel, de onverschrokken Thomas, faalde in het geloof aan Zijn opstanding. Petrus, wiens stoel nu de zogenaamde zetel van onfeilbaarheid is, verloochende zijn Meester. David, “een man naar Gods hart”, had wassing nodig. En wie kan zeggen: ik ben rein in de ogen van de Heere? Zeker niemand, o Heere: geen vlees is rechtvaardig in Uw ogen. Nee, dit is de beste grond voor christelijk geluk: dat we met David onze eigen zonden leren zien, dat we met de tollenaar op onze eigen borst slaan en niet, zoals de Farizeeër, onze ogen zo op de fouten van anderen richten. Waarom zouden we, als kleermakers, iedereen opmeten behalve onszelf? Alsof de beste van ons niet genoeg eigen zonde heeft om aan te denken.
Zie hoe David zichzelf ter verantwoording roept voor zijn eigen zonden: “Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.” O, wat een kracht heeft christelijke godsvrucht wanneer kennis, door het nadenken van het verstand, verandert in geweten! Dan is onze kennis niet meer dan de spiegel van onze onvolmaaktheid, een spiegel waarin we onze zonden zien en daardoor meteen naar God worden gestuurd. Zo ging het David hier. Hij maakt deze rekening alleen op tussen God en zijn eigen ziel: “Ik, o Heere.” Eerst neemt hij een aanloop vanuit nederigheid en het zien van zijn eigen zonden, en dan stijgt hij op de vleugels van het geloof op naar de troon van Gods barmhartigheid: “Ik, o Heere.”
Hij ziet met zijn eigen ogen, en niet alleen door de bril van de kerk of van de priester. Hij is zijn eigen biechtvader en boeteling. Hier is geen voorbede door heiligen, geen missen, verdiensten, aflaten, dertigste-missen of lijkzangen. Alles wordt afgehandeld tussen God en hem: “Ik, o Heere.” Met het oog van de nederigheid kijkt hij naar zichzelf en zijn eigen ellende. Met het oog van het geloof kijkt hij daarna naar God en Zijn barmhartigheid. Uit die twee ontspringt een derde deugd van boetvaardigheid, in de daad van voorbereiding: het afwassen van het vuil van de zonde in het bad van droefheid. “Ik was mijn handen”, enz. — Isaac Bargrave
Vers 6
Ik was mijn handen in reinheid. Met deze woorden verwijst David naar het gewone gebruik bij de offers. Zo maakt hij onderscheid tussen zichzelf en hen die zeiden dezelfde dienst aan God te brengen. Die mensen drongen zich op in de diensten van het heiligdom, alsof alleen zij het recht hadden die te verrichten. David en deze huichelaars hadden dit gemeen: ze gingen het heiligdom binnen en stonden samen rond het heilige altaar. Daarom laat hij verder zien dat hij een echte aanbidder was. Hij verklaart dat hij niet alleen de uiterlijke riten zorgvuldig naleefde, maar dat hij God kwam aanbidden met oprechte godsvrucht.
Het is overduidelijk dat hij zinspeelt op de plechtige wassing die onder de wet gebruikelijk was. Zo wijst hij het grove bijgeloof van de huichelaars af: zij zochten alleen de reiniging met water en verwaarloosden de ware reiniging. Het was juist Gods bedoeling om met dat uiterlijke teken de mensen te herinneren aan hun innerlijke bezoedeling en hen zo tot boete aan te moedigen. De uiterlijke wassing alleen hielp huichelaars niet, maar hield hen verder van God. Als de psalmist dus zegt: “Ik was mijn handen in onschuld”, laat hij merken dat zij door hun wassingen slechts méér bezoedeling en vuil oplopen. Het Hebreeuwse woord (Hebr.) nikkajon betekent de reinheid van iets, en wordt figuurlijk voor onschuld gebruikt. We zien dus dat huichelaars uit hun wassingen helemaal geen zedelijke reinheid halen. David bespot de moeite waarmee zij zich in zulke riten tevergeefs afsloven en kwellen. — Johannes Calvijn
Vers 6
“Ik was mijn handen”, enz. David wil zeggen dat hij met een zuiver hart tot God kwam om te bidden. Dat doet hij met een vergelijking met een priester: net zoals een priester zijn handen wast voordat hij een offerande brengt, zo had David reinheid en godsvrucht altijd onlosmakelijk samen laten gaan. — Henry Hammond
Vers 6
In onschuld. Het hoogtepunt en de kroon van heel onze voorbereiding, het zuiverste water om ons in te wassen, is onschuld. En onschuld is een deugd van het hart, net zo goed als van de hand. “Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!” Jakobus 4:8. Ik zou willen dat onze wassing was zoals de doop van Cyprianus, ad tincturam: tot we helemaal gekleurd waren door boete en het bloed van Christus. Laat de omvang van je zonden de maat van je boete zijn. Offer eerst je onschuld, dan je offerande. Het is niet genoeg dat je vandaag volgens de gebruikelijke orde komt. Je moet komen met onschuld. God vraagt om de plicht van de tweede tafel, net zo goed als van de eerste. Hij verafschuwt de uiterlijke daad van godsvrucht als Hij daarin geen geweten en praktijk van onschuld vindt. — Isaac Bargrave
Vers 6 (eerste zinsdeel)
Op een ochtend goot Gotthold water in een waskom. Daarbij dacht hij aan de woorden van de Schrift: “Ik was mijn handen in onschuld.” Die tekst laat zien hoe ijverig de koninklijke profeet had geprobeerd een onberispelijk leven te leiden en gewoonlijk in de vreze Gods te wandelen. Gotthold dacht daarover na en zei: Voortaan, mijn God, zal ik elke keer dat ik water uitgiet om mij te wassen, eraan denken dat het mijn plicht is mijn handen te reinigen van boze daden, mijn mond van boze woorden en mijn hart van boze lusten en begeerten. Dan kan ik heilige handen naar U opheffen en U met onbevlekte lippen en een zuiver hart aanbidden, zo goed als ik kan.
Wat baat het mij om naar uiterlijke reinheid te streven als mijn hart in Uw ogen bezoedeld en afschuwelijk is? Kan voedsel mij voeden dat ik met besmette handen heb verdiend, met geweld en onrecht heb gegrepen, of zonder gevoel en zonder dankbaarheid heb gegeten? Ach nee, mijn God, ver van mij zij zulk voedsel! Mijn eerste zorg zal zijn een onberispelijke levenswandel te bewaren. Mijn tweede zorg, als ik mij onbezonnen heb bevlekt, zal zijn de vlek te reinigen en weg te wassen en mijn ongerechtigheid uit Uw ogen weg te doen. “Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.” Psalm 51:9. — Christian Scriver (1629-1693), in “Gotthold’s Emblems”
Vers 6
En ik ga rondom Uw altaar, o HEERE! Op de dag ná dit feest (het Loofhuttenfeest) liepen de mensen zevenmaal rondom het altaar, met palmtakken in hun handen. Zo hielden ze de herinnering levend aan de val van Jericho . . . Niet alleen de takken, maar alle dagen van dit hele Loofhuttenfeest werden Hosannoth genoemd. Die naam kwam van de jubelkreet waarmee het volk de takken op en neer zwaaide. — Thomas Godwyn, B.D. (1587-1643), in “Moses and Aaron”
Vers 6
Met de woorden “rondom het altaar gaan” zinspeelt David misschien op een gebruik uit de dienst van Levi: de priesters liepen om het altaar heen wanneer ze hun offers brachten. Ook het volk deed dat, en dan vooral de meest toegewijde en vurige mensen. Die liepen misschien van plek naar plek, maar wel steeds binnen hun eigen voorhof, om te zien wat er aan de verschillende kanten van het altaar gebeurde. Zo raakte het hen nog dieper. Of David bedoelt dat hij zoveel offers tegelijk wil brengen, dat de priesters rondom het altaar de handen vol zouden hebben. — Matthew Poole
Vers 8
HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, enz. “In mijn gemeente”, vertelde een eerbiedwaardig dienaar van het evangelie, “woont een waardige, bejaarde vrouw. Ze is al jarenlang zo doof dat ze het luidste geluid niet kan onderscheiden. Toch is zij altijd een van de eersten in de samenkomst. Ik vroeg haar waarom ze elke keer kwam, want mijn stem kon ze onmogelijk horen. Ze antwoordde: ‘Al kan ik u niet horen, ik kom in Gods huis omdat ik het liefheb en op Zijn wegen gevonden wil worden. En Hij geeft mij menige zoete gedachte over de tekst, wanneer die mij wordt aangewezen. Er is nog een reden: daar ben ik in het beste gezelschap, dichter bij de tegenwoordigheid van God en onder Zijn heiligen, de aanzienlijken van de aarde. Ik ben er niet tevreden mee God alleen in het verborgen te dienen. Het is mijn plicht én mijn voorrecht Hem ook openlijk, en trouw, te eren.’” Wat een bestraffing is dit voor al wie gewoon kan horen en toch steeds te laat naar de kerk komt, of helemaal niet! — K. Arvine
Vers 9
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren. Nu is het de tijd om ons zorgen te maken dat onze zielen in de andere wereld niet bij de zondaren worden ondergebracht. We gaan deze les als volgt uitwerken: 1. We bekijken enkele dingen die in dit gebed besloten liggen. 2. We laten zien wie de zondaren zijn bij wie we nooit verzameld willen worden in de andere wereld. 3. We zeggen wat het betekent dat iemands ziel in de andere wereld met de zondaren wordt verzameld. 4. We denken na over deze zorg en bezorgdheid, en over wat er in dit ernstige verzoek ligt: “Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.” 5. We noemen de redenen waarom we ons hierover zorgen moeten maken. 6. We maken de toepassing.
De dood is de verzameltijd waar de psalmist hier aan denkt. Je kent dat wel: rond de tijd dat de knechten weggaan, heb je een verzameltijd. Dan haal je je verdwaalde schapen bijeen, zodat ieder het zijne terugkrijgt. Zo is de dood Gods verzameltijd. Dan krijgt Hij de zielen die bij Hem horen, en de duivel de zielen die bij hem horen. Ze zijn lang samen opgetrokken, maar nu worden ze van elkaar gescheiden. De heiligen worden thuisgebracht in de gemeente van de heiligen, en de zondaren in de gemeente van de zondaren. Daarom raakt het ons om te bidden: “Raap mijn ziel niet weg met de zondaren.” Wie ons volk hier ook is, Gods volk of het volk van de duivel: de dood zal onze zielen bij hen brengen.
Het is iets verschrikkelijks om in de andere wereld met zondaren verzameld te worden. Alleen al de gedachte dat onze zielen daar bij hen terechtkomen, doet je de haren te berge rijzen. Velen houden nu van niets zo veel als van de verzameling van zondaren. Dat is de ware vreugde van hun hart, en in hun ogen maakt het het leven prachtig en vrolijk. Het doet hun juist pijn om met heiligen samen te zijn en op een sabbatdag vastgehouden te worden voor het aangezicht van de Heere. Maar met zondaren verzameld worden in de andere wereld is voor álle soorten mensen een verschrikking.
- De heiligen hebben er een afschuw van, zoals in de tekst. De gedachte om in de andere wereld vastgepind te zitten in hun gezelschap zou voor de godvrezenden al een hel op zichzelf zijn. David walgde nooit zo van het gezelschap van zieken, vervolgden en dergelijke, als van dat van zondaren. Hij is tevreden om met heiligen verzameld te worden, in welke toestand ook. Maar: “Heere”, zegt hij, “raap mijn ziel niet weg met de zondaren.”
- De goddelozen zelf hebben er ook een afschuw van. Numeri 23:10. “Mijn ziel sterve den dood der oprechten”, zei de goddeloze Bileam, “en mijn uiterste zij gelijk het zijne!” Ze willen best met zondaren leven, of tijdens hun leven bij hen zijn. Maar hun geweten getuigt dat ze ervan walgen om bij hen te zijn in de dood. Ze zouden met zondaren leven, maar met heiligen sterven. Wat een armzalige, onredelijke gedachte, waarmee ze zichzelf veroordelen. — Thomas Boston
Vers 9
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren. Bind mij niet in dezelfde bundel vast met hen, zoals het onkruid dat voor het vuur is bestemd. Mattheüs 13:30. Het tegenovergestelde zien we in de volgende psalm, Psalm 27:10: “Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.” Letterlijk staat daar: Hij zal mij verzamelen in Zijn schaapskooi. — Christopher Wordsworth
Vers 9
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren. Ook de Heere kent een oogst en een tijd van nalezen. Die heeft Hij vastgesteld om Gods vijanden, die allemaal dezelfde zondige weg zijn gegaan, af te maaien en samen te binden in de gemeenschap van de oordelen. Want hier laat de psalm ons weten dat God “hun zielen zal verzamelen”, en dat Hij dus niemand zal laten ontkomen. — David Dickson
Vers 9
Raap mijn ziel niet weg met de zondaren. Tot slot kan iemand tegenwerpen dat heiligen en zondaren deze bezorgdheid allebei lijken te kennen. Zelfs de goddeloze Bileam zei: “Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!” Numeri 23:10. Laten we daarom enkele verschillen tussen hen noemen.
- Heiligen walgen van de latere verzameling met zondaren omdat ze daar van Christus gescheiden zijn. Scheiding van Christus is de voornaamste reden voor de afschuw van de gelovige. Een zondaar zou zich bij die scheiding van Christus best gerust voelen, als de andere dingen in de andere wereld voor hem maar in orde waren.
- De gelovige walgt ervan om met zondaren verzameld te worden vanwege hun vuilheid. Wat de zondaar bezorgd maakt, is het vooruitzicht van straf. Ongetwijfeld maakt een natuurlijke drang tot zelfbehoud straf voor iedereen beangstigend. Maar daarnaast zijn de heiligen bezorgd om niet met zondaren verzameld te worden in de andere wereld vanwege hun onheiligheid en vuilheid. “Die vuil is, dat hij nog vuil worde” is genoeg om een heilige te laten walgen van het lot van de zondaren in het toekomende leven.
- De bezorgdheid van de heiligen heeft een krachtige invloed op hen om hier naar heiligheid te streven. Zondaren daarentegen leven onheilig, ondanks al hun bezorgdheid. “En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.” 1 Johannes 3:3. Welke hoop? De hoop om Christus te zien zoals Hij is, Hem volkomen gelijk te zijn, en gescheiden te zijn van de zondaren.
- Ten slotte is de bezorgdheid van de heiligen zo van aard dat ze met een vast besluit van het hart in deze wereld steeds verder van de zondaren weggaan. Zondaren zijn er niet mee bezig om hier van zondaren gescheiden te zijn. Bileam wilde sterven als de rechtvaardigen. Maar het leven van de rechtvaardigen leven, en hier van de zondaren gescheiden zijn, daar lag hij niet wakker van. — James Scot, 1773
Vers 9-12
David bidt dat God zijn ziel niet wegraapt “met de zondaren, … welker rechterhand vol geschenken is”. Dat zijn mensen die zich voor eigen voordeel tot zonde laten omkopen. Tegen die goddeloze bende stelt hij zich op, Psalm 26:11: “Maar ik wandel in mijn oprechtigheid.” Hier vertelt hij ons wat hem ervoor behoedde om, net als zij, verdorven en verleid te worden: dat was, onder God, zijn oprechtheid. Een ziel die in haar oprechtheid wandelt, neemt geen geschenken aan, niet van mensen en ook niet van de zonde zelf. Daarom zegt hij in Psalm 26:12: “Mijn voet staat op effen baan.” Of, zoals sommigen het lezen: “Mijn voet staat in gerechtigheid.” — William Gurnall
Vers 10
Welker rechterhand vol geschenken is. Stel dat de grote mannen in Turkije hun godsdienst van Mohammed gingen gebruiken om geld te verdienen, zoals onze patroons hier gewoonlijk bedieningen verkopen (het ambt van prediking, het ambt van zaligheid). Dan zou men dat onverdraaglijk vinden. De Turk zou het in zijn land niet toestaan. Patroons hebben de opdracht erop toe te zien dat het ambt wordt vervuld, en met hun patronaat geen winst en gewin te zoeken.
Er was in Engeland een patroon die een bediening kon vergeven. Een goede broeder van mij ging naar hem toe. Hij bracht dertig appels in een schaal en gaf ze aan de knecht van de patroon, om ze naar zijn meester te brengen. Waarschijnlijk gaf hij er één aan die knecht voor zijn moeite, om de winst bij te vullen, en zo waren het er eenendertig. De knecht komt bij zijn meester en biedt hem de schaal met appels aan. Hij zegt: “Meneer, iemand heeft u een schaal vruchten gestuurd en vraagt u hem goed gezind te zijn voor zo’n bediening.” “Kom, kom”, zei de patroon, “dit is geen zaak van appels. Ik wil zijn appels niet, ik heb er net zulke goede (of al die hij heeft) in mijn eigen boomgaard.”
De man ging terug naar de priester en vertelde wat zijn meester had gezegd. “Vraag hem dan toch er één te proeven, om mijnentwil”, zei de priester. “Hij zal ze veel beter vinden dan ze eruitzien.” De patroon sneed er één open en vond er tien gouden stukken in. “Wel”, zei hij, “dit is een goede appel.” De priester stond niet ver weg, hoorde wat de heer zei en riep: “Het zijn allemaal dezelfde appels, daar sta ik voor in, meneer. Ze zijn allemaal aan één boom gegroeid en hebben allemaal dezelfde smaak.” “Wel, het is een goede kerel, laat hem het maar hebben”, zei de patroon, enzovoort.
Haal je maar een ent van diezelfde boom, en ik sta ervoor in dat die je meer zal opleveren dan alle geleerdheid van Sint Paulus. — Hugh Latimer
Vers 10
Geschenken. Wie het verst in de wet kijkt en de zaak van de gerechtigheid het scherpst ziet, krijgt tranende en knipperende ogen als hij zich het stof van geschenken in het gezicht laat gooien. Uiteindelijk wordt hij blind en kijkt hij door de vingers. Het is ellendig als gerechtigheid een huurpaard wordt gemaakt, dat je voor geld kunt berijden en met gouden sporen kunt aansporen, zelfs naar het gewenste reisdoel van onrecht en ongerechtigheid. Laat die goddeloosheid ver van onze zielen zijn: dat het oor dat voor klachten open moest staan, wordt dichtgestopt met de oorsmeer van partijdigheid. Helaas, arme waarheid, die nu alleen nog gehoord wordt als ze een gouden oorlepel kan betalen! — Thomas Adams
Vers 10
“Wat maakt elke leerstelling helder en klaar?
Tweehonderd pond per jaar!
Wat eerst als waarheid werd bewezen,
Kan voor nog tweehonderd weer een leugen wezen.”
— Samuel Butler (1600-1680), in “Hudibras,” Deel 3, Zang 1
Vers 12 (eerste zinsdeel)
Van de voet van de oprechte wordt gezegd dat hij op een effen plaats staat. Hij loopt niet hinkend en onbehoorlijk, zoals mensen die over ongelijke wegen gaan, vol hobbels en met telkens een stuk omhoog en omlaag. Of zoals mensen wier voeten en benen niet even lang zijn. Salomo zegt het zo: “Hef de benen van den kreupele op” (Engels: “de benen van den kreupele zijn ongelijk”). Zo iemand kan niet op een effen plaats staan, omdat het ene been lang is en het andere kort. De voeten van de oprechte zijn gelijk, en zijn benen even lang, als ik het zo mag zeggen: hij is even gewetensvol over de hele wil van God. De huichelaar heeft, net als de das, de ene voet korter dan de andere. Of hij staat als een verkleumd paard, dat niet, zoals wij zeggen, recht op alle vier de poten staat. Eén voet in elk geval zie je hem sparen, en hij zet hem node neer. — William Gurnall
Vers 12
Op een effen plaats. Iemand die met zijn voeten stevig op effen grond staat, is niet bang om te vallen. Zo voelen ook de vrome aanbidders van Jehova geen schrik dat hun tegenstanders uiteindelijk over hen zullen zegevieren. — William Walford
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
- Twee onafscheidelijke gezellen: geloof en heiligheid.
- De gelukzaligheid van de man die ze bezit. Hij hoeft het oordeel niet te vrezen, en ook niet het gevaar onderweg.
- Het enige middel om ze te krijgen.
Vers 1 (laatste zin)
De schragende kracht van het vertrouwen op God.
Vers 2
Goddelijke onderzoekingen. Hoe verschillend ze zijn, hoe streng, hoe diep ze doordringen, hoe nauwkeurig en hoe zeker. Wanneer we ze mogen verlangen, en wanneer we ze moeten vrezen.
Vers 3
Vermaak voor de ogen en veiligheid voor de voeten. Of: de zoete overdenking en de heilige wandel van de goede mens. Of: de hemelse samenstelling van godzaligheid, namelijk drijfveer en daad, genieten en handelen, liefde en waarheid, vrije genade en goede werken.
Vers 3
Uw goedertierenheid is voor mijn ogen. Het zou goed zijn om David hierin te volgen en Gods goedertierenheid steeds voor onze ogen te houden. Dat kan op vier manieren:
- Als onderwerp van overdenking.
- Als bron van bemoediging.
- Als prikkel tot lof.
- Als voorbeeld om na te volgen. — William Jay
Vers 4
IJdele lieden. Wie zij zijn. Waarom we hen moeten mijden. Wat er van hen worden zal. Bedekte lieden. Beschrijf deze talrijke familie. Laat zien wat hun doel is. Het kwaad dat hun sluwheid de gelovigen aandoet. De noodzaak om hen te mijden, en hun verschrikkelijke einde.
Vers 5
Slecht gezelschap. Voorbeelden van de kwade gevolgen ervan. Antwoord op de verontschuldigingen die men ervoor aanvoert. Waarschuwingen. Redenen om het op te geven.
Vers 6
Hoe noodzakelijk persoonlijke heiligheid is, wil onze aanbidding aangenaam zijn.
Vers 7
- De roeping van de gelovige: uitgever.
- De schrijver die hij kiest, en wat voor werk die levert. “Al Uw wonderen.”
- De manier waarop hij het bekendmaakt: “de stem des lofs”, “vertellen”, enzovoort.
Vers 8
Gods huis. Waarom we het liefhebben. Wat we erin liefhebben. Hoe we onze liefde laten zien. Hoe onze liefde beloond zal worden.
Vers 9
Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 524, “De afschuw van de heiligen voor de hel der zondaren.”
Vers 11
De beste mensen hebben verlossing en barmhartigheid nodig. Of: de uiterlijke wandel voor de mensen en de verborgen wandel met God.
Vers 12
Een veilige stand, een vereerde positie, dankbare lof.
Vers 12 (laatste zinsdeel)
Gemeentezang, en ons persoonlijk aandeel daarin.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas