Een preek uitgesproken op zondagmorgen 7 juli 1861 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar; Zacharia 14:20
Er zijn vele dagen voorbijgegaan die wij graag hadden willen meemaken. Wie zou zich niet hebben verheugd om de dag te aanschouwen waarop God Rahab versloeg en de draak in de diepe wateren verbrijzelde, toen Mirjam de tamboerijn nam en met de dochters van Israël uittrok, terwijl zij zongen: “Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort“? Wie zou niet hebben verlangd de glorieuze overwinningen van de richteren te aanschouwen, toen zij de verdrukkers van Israël op de vlucht dreven? Of die dag waarop David terugkeerde na Goliath te hebben verslagen? Of die veelbelovende morgen waarop Salomo’s tempel, schitterend in weergaloze pracht, door een geweldige menigte werd ingewijd met overvloedige offers aan de aanbidding van de ware God?Er zijn vele dagen geweest in de geschiedenis van de Joodse gemeente die nooit vergeten mogen worden: de dagen met rode letters in de kronieken van de aarde, waarop God Zijn arm ontblootte en Zijn macht toonde. Ook in de geschiedenis van Christus waren er dagen die wij als een groot voorrecht zouden hebben beschouwd als wij ze hadden mogen meemaken. Denk aan de dag van Zijn geboorte. Hadden wij maar tussen de herders in het veld mogen zijn toen zij de engelen hoorden zingen: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.” Of denk aan de dag van Zijn sterven, toen Hij uitriep: “Het is volbracht!” en de geest gaf. Of, nog beter, de dag van Zijn opstanding, toen Hij al onze vijanden verdreef door voor onze rechtvaardiging uit de dood op te staan. Of de dag van Zijn hemelvaart, toen Hij de gevangenis gevangen nam en ten hemel voer! Of zelfs de dag van Pinksteren, toen de Geest van God op de discipelen werd uitgestort en, terwijl zij predikten in andere talen zoals de Geest hun gaf uit te spreken, grote menigten aan de gemeente werden toegevoegd van hen die tot het eeuwige leven verordineerd waren.
Die dagen zijn voorbij. Wij kijken er in geloof op terug. Zoals Abraham zich verheugde in het vooruitzicht van Christus’ komst, zo mogen ook wij ons verheugen wanneer wij terugzien op wat God heeft gedaan. Maar er zijn nog dagen die komen, waarnaar wij met verlangen mogen uitzien.
Er komt een dag waarop Efraïm Juda niet langer zal benijden en Juda Efraïm niet meer zal benauwen, omdat de gehele gemeente van Christus één van geest zal zijn. Er komt een dag waarop de kennis des HEEREN de aarde zal bedekken, zoals de wateren de zee bedekken. Er komt ook een dag waarop Israël in haar eigen land zal worden hersteld. Haar land zal dan niet langer „verwoest” worden genoemd, maar „gehuwd”, en niet langer „verlaten”, maar „Mijn lust is aan haar”. Want de Heere zal behagen in haar hebben.
In het bijzonder is er de dag van de wederkomst, die dag der dagen, waarvoor, naar het mij voorkomt, alle voorafgaande dagen zijn gemaakt. Die dag zal de samenvatting zijn van alle eeuwen, het hoogtepunt van de geschiedenis. Want de volheid des tijds zal aanbreken en Christus zal in de volheid van Zijn heerlijkheid onder de mensenkinderen regeren.
Met uw welnemen zou ik aan de dagen die wij graag zouden willen meemaken ook datgene mogen toevoegen waarover onze tekst spreekt: “Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN.“
Het verband tussen die dag en de andere dagen die ik heb genoemd, is vanmorgen niet het onderwerp dat ik wil behandelen. Ik zou echter wensen dat deze dag voor ieder van ons persoonlijk de dag mocht zijn waarop deze tekst in ons leven vervuld wordt. Moge de Heere de blijde dag bespoedigen waarop deze woorden in de gehele gemeente van Christus vervuld zullen worden en op de bellen der paarden zal staan: „de heiligheid des HEEREN”.
Zoals u ziet, spreekt de tekst over paarden die onder de Joodse wet onrein waren. Toch zullen op de dag waarover de tekst spreekt, de paarden zelf gereinigd worden van alles wat gewoon of onrein is. Hun tuig zal aan God gewijd zijn, even zeker als de gewaden van de hogepriester zelf. Het zal inderdaad een blijde dag zijn wanneer mensen die met paarden omgaan — een groep die in haar gewone handelen lang niet altijd eerlijk of oprecht is — hun toewijding aan God zullen tonen, zodat op de versierselen van de paarden geschreven staat: „de heiligheid des HEEREN”.
Het oorspronkelijke Hebreeuwse woord dat met „bellen” is vertaald, is een zeer bijzonder woord, want niemand weet precies wat het betekent. De Hebreeën wisten zo weinig van paarden, omdat het gebruik ervan hun verboden was, dat zij geen bijzonder uitgebreide woordenschat hadden om het tuig en de overige uitrusting van paarden te beschrijven.
Sommige uitleggers vertalen het woord met „bellen”, anderen met „bitten”. Weer anderen vertalen het met „voorhoofdsplaten” of „kragen”. Sommigen, en in het bijzonder Calvijn, vertalen het met „oogkleppen”. Calvijn suggereert bovendien dat het woord „stallen” kan betekenen.
De betekenis zou dan zijn: „De versierselen der paarden zullen zijn: de heiligheid des HEEREN.”
Er is ongetwijfeld een vergelijking tussen de paarden en de hogepriester, als het woord inderdaad betrekking heeft op de voorhoofdsplaat. De hogepriester droeg immers op zijn voorhoofd, in gouden Hebreeuwse letters, de woorden: “De HEILIGHEID DES HEEREN!” Zo zal ook op de voorhoofdsplaat van de paarden staan: „de heiligheid des HEEREN”.
En zoals de hogepriester bellen aan zijn gewaden droeg, zo zijn ook de paarden versierd met hun zilveren bellen. Op die bellen zal staan: „de heiligheid des HEEREN”. Als het woord een andere vorm van versiering of kledingstuk aanduidt, geldt hetzelfde. Zoals op de versierselen van de priester, op zijn efod en borstlap, de heiligheid aan God was opgedragen, zo zal op ieder voorwerp dat bij het paard behoort, de heiligheid aan God duidelijk zichtbaar zijn.
Ja, zelfs de stallen, waarvan men zou kunnen denken dat ze altijd ongewijd zouden blijven, zullen aan God worden gewijd. De meest gewone gebouwen, bestemd voor de nederigste doeleinden, zullen, doordat aanbidders van de Heere er gebruik van maken, tempels worden van Hem Die in nederige en verbrijzelde harten woont.
De eenvoudige strekking van de tekst is precies deze: er zal een dag komen waarop heiligheid in het dagelijks leven de leidende ster zal zijn. De gewone handelingen van het menselijk bestaan zullen dan evenzeer een aanbidding van God vormen als het offer op het altaar of de dienst van de hogepriester wanneer hij het heilige der heiligen binnenging.
Alles wat het meest verachtelijk was — de paarden, de plaatsen die het minst geschikt leken om aan God gewijd te worden, de stallen en zelfs de dingen die het minst heilig schenen, zoals het tuig van de paarden — zal zo volledig in gehoorzaamheid aan Gods wil worden gebruikt dat overal zal klinken: „heiligheid aan Jehova”. Op de dag waarover Zacharia spreekt, zullen gewone dingen aan God worden gewijd en in Zijn dienst worden gebruikt.
Ik zal deze grote gedachte op een enigszins ongebruikelijke manier uitwerken. Laten wij eerst de bellen der paarden horen. Ten tweede zullen wij hun muziek prijzen. En ten derde zullen wij naar huis gaan en onze eigen bellen stemmen, zodat zij in harmonie mogen klinken met dit heilige klokkenspel: “de heiligheid des HEEREN.“
I. Laten wij dan eerst DEZE BELLEN DER PAARDEN HOREN, die volgens de tekst gestemd moeten zijn op de hemelse toon van „de heiligheid des HEEREN”.
Laten we allereerst het tuig van het strijdros opmerken wanneer het ten oorlog trekt. Het bijt op zijn bit en verlangt naar de strijd. Zijn gesnuif is verschrikkelijk, zijn nek lijkt met bliksem bekleed en midden in de slag roept het: „Aha! Aha! Aha!”
Oorlog is voor ons gevoel het moeilijkste om aan God te heiligen. De aard van de christelijke godsdienst staat lijnrecht tegenover alles wat naar twist van welke aard dan ook zweemt, en nog veel meer tegenover het dodelijke geweld van wapens. Toch kunnen er omstandigheden ontstaan waarin zelfs oorlog geheiligd zou kunnen worden. Zeker mogen wij niet ontkennen dat velen die vandaag de dag bij oorlog betrokken zijn, gewijde mensen zijn, zoals de godvruchtige hoofdman Cornelius. Zij kunnen ware dienstknechten van Christus zijn in het leger, net zoals wanneer zij burgers waren.
Ik zeg opnieuw: ik ben geen verdediger van oorlog. Ik verafschuw haar vanuit het diepst van mijn ziel en begrijp niet hoe een christen krijgsman kan zijn. Toch verheug ik mij er zeer over dat er op dit moment velen in de gelederen te vinden zijn die God vrezen en de leer van God, hun Zaligmaker, sieren.
Ik zou bijna durven zeggen dat de oorlog tegen de tiran Karel I een gewijde strijd was. Het volk van God was onder de regeringen van Elizabeth, Jacobus en Karel opgejaagd als patrijzen op de bergen. Uiteindelijk keerden hun leeuwachtige geesten zich om en werden hun vijanden voor hun dappere woede teruggedreven.
Cromwell, de christelijke held, besteeg zijn strijdros en gebood zijn heilige krijgers om met het zwaard in de ene hand en de Bijbel in de andere te strijden voor de vrijheid van Engeland. Ik denk dat tijdens die dappere aanvallen, wanneer zij hun strijdkreet riepen: “De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek.“, er, als er ooit zoiets was, op de voorhoofdsplaten, kragen en bitten van hun paarden geschreven stond: „de heiligheid des HEEREN”. Moge een dergelijke oorlog nooit meer uitbreken, maar voor altijd rusten in de as van de gewijde dapperen!
Als ik kon geloven dat er in Amerika aan de zijde van de Noordelijken een oprecht verlangen bestond om iedere slaaf vrij te maken, zou ik zeggen: „God, maak hun zwaarden voorspoedig en zegen hun wapens.” Als ik kon geloven dat het hun bedoeling was de ketenen te verbreken, en als ik niet vreesde dat zij alsnog een schikking zouden treffen en voorwaarden zouden overeenkomen met de meester van de bloedhond, waardoor deze zijn met bloed bevlekte eigendom in de zielen en lichamen van mensen zou behouden, zou ik zeggen dat dit een oorlog zou kunnen zijn die, als oorlog ooit gewijd kan worden, als een gewijde oorlog beschouwd zou mogen worden. En op de bitten van de paarden zou staan: „de heiligheid des HEEREN”.
Maar dit is een moeilijk onderwerp om over te spreken, want, zoals ik al heb gezegd, de aard en de geest van het christendom staan geheel tegenover oorlog. Hoewel ik moet geloven dat er omstandigheden zijn geweest waarin de bellen van oorlogspaarden „de heiligheid des HEEREN” verkondigden, spreek ik liever over personen.
Als er ooit een man heeft geleefd die met een onbaatzuchtige geest en zonder enig verlangen naar zelfverheffing of zelfzuchtige eer een gewijd zwaard in zijn hand hield, dan was het Garibaldi. Ik denk aan hem, omdat zijn redevoeringen mij doen geloven dat hij niet alleen een held was, maar ook een christen: een gesel van het pausdom en een vijand van iedere vorm van dwingelandij. Men zou kunnen zeggen dat op zijn oorlogsgewaden stond: „heiligheid aan de Heere”.
Hetzelfde mogen wij zeggen van Hedley Vicars, wiens geschiedenis u allen zo vaak hebt gelezen, omdat deze zo goed is beschreven. En ook van Havelock, onze eigen ware Havelock, die voor de bevrijding van onze eigen vrouwen en zusters in stilte op zijn prooi afstormde en vrouwen en kinderen uit de felle kaken van de bloeddorstige tijger bevrijdde.
Deze mannen predikten Christus waar zij ook gingen. Ik houd niet van hun beroep, maar ik houd wel van hen. Ik zou wensen dat zij hun zwaarden in de schede staken. Maar wanneer zij ze toch trokken, ben ik ervan overtuigd dat zij dit deden in de volle overtuiging dat zij hun plicht vervulden. Hoewel dit hun handelen niet rechtvaardigt, moet het ons er toch van weerhouden hen te veroordelen.
Ik geloof dat zij handelden alsof zij voor Gods aangezicht stonden en dat wat zij deden voor hen betekende: heiligheid aan de Heere.
O, moge er nooit meer oorlog zijn! Moge de vrede heersen! Maar als er oorlogen moeten zijn, mogen die dan altijd rechtvaardig zijn! Als er gestreden moet worden, moge dat dan altijd gebeuren voor de vrijheid van de slaaf en de bevrijding van de weerloze! En moge Jehova in dit alles, zelfs midden in de strijd, te midden van met bloed doordrenkte gewaden, vuur en rook, worden erkend. Moge er over het slagveld van vuur geschreven staan: „de heiligheid des HEEREN”!
Wij wenden ons een ogenblik af, want er komen andere paarden aan, en hun bellen verkondigen de heiligheid des HEEREN.
Paarden worden voor staatsie gebruikt. In pracht en praal rijden koningen, vorsten en rechters van het land door de menigte. De tekst zegt: „Op de bellen der paarden zal staan: de heiligheid des HEEREN.” Getrokken door edele rossen, die schitteren in hun rijke tuigen, trekt een voornaam persoon door de opdringende massa. Het is een vorst. En o, wanneer de vorst van een natie een hart heeft dat zich voor God buigt en zijn hoop stelt op een onsterfelijke en onverwelkelijke kroon, dan is de koninklijke staatsie geheiligd en verkondigen de bellen der paarden: de heiligheid des HEEREN.
Toen een Sir Matthew Hale in de rechterlijke koets reed om recht te spreken, was de staatsie die de opperrechter van het land begeleidde ongetwijfeld geheiligd aan God. Toen een Sir Thomas Abney zich zelfs op de avond van het banket van de burgemeester enige tijd terugtrok om met zijn gezin en dienstknechten te bidden, was zelfs de al te uitbundige pracht van de burgerlijke praal geheiligd aan de Heere. En ik denk dat, toen Wilberforce naar het Lagerhuis ging, het bit van zijn paard, hoe hij ook reed, de heiligheid aan de Heere verkondigde.
Omdat wij de ceremoniële eer die regeerders omringt niet kunnen missen, moeten wij haar heiligen. Zolang koninkrijken bestaan, behoort het gebed van christenen te zijn dat de staat een heilige staat mag zijn en dat haar ambtenaren en regeerders vrome en oprechte mannen mogen zijn.
Wij weten, broeders, maar weinig welk onheil er spoedig op de hoge plaatsen van het land zou kunnen worden aangericht als wij opnieuw een George IV op de troon hadden, als onze voorname mannen zich weer zouden verlustigen in de laagste vermaken van het uitschot van deze stad, als schaamteloze omkoperij opnieuw de rechterstoel zou bezoedelen en als een bloeddorstige Jeffreys de heiligen van God opnieuw zou kunnen tiranniseren.
Dan zouden wij het een gewichtige zaak achten om tot God te bidden voor koningen en allen die in gezag zijn. Zouden wij dat nu niet evenzeer als een gewichtige zaak moeten beschouwen, broeders? Laten wij dagelijks tot God bidden dat Hij de staat steeds meer aan Zichzelf wijdt, zodat zelfs de bellen van de paarden, terwijl zij in plechtige praal voorbijtrekken, mogen verkondigen: de heiligheid des HEEREN.
Maar ik hoor het gerinkel van andere bellen. De dag zal komen waarop niet alleen oorlog en de staat aan Christus gewijd zullen zijn, maar waarop zelfs genoegen en ontspanning de heiligheid aan de Heere zullen verkondigen.
Wanneer u door de Alpenstreken reist, zult u worden vermaakt door het gerinkel van de kleine bellen aan de paarden. U bent daar om rust te vinden en uw lichaam te verkwikken. Maar laat die rust dan ook in een geest van heiligheid worden genoten. Ik vrees dat velen hun godsdienst achterlaten wanneer zij naar de kust of naar het vasteland gaan. Dat zou niet zo moeten zijn. In onze genoegens behoort, evenals in al het andere, op de bellen zelf van de paarden te staan: de heiligheid des HEEREN.
Een christen heeft, net als ieder ander mens, ontspanning nodig. De boog moet worden ontspannen, want de ziel die voortdurend tot arbeid gespannen staat, zal spoedig haar kracht tot werken verliezen. Er moeten tijden zijn waarin wij frisse landlucht inademen en naar de weiden en velden kijken. Ik zou wensen dat zulke dagen vaker aan de arme, zwoegende bevolking van deze geweldige doolhof van bakstenen ten deel vielen. O, mocht u toch vaker het lachende gezicht van de groene aarde en de rookvrije hemel aanschouwen!
Maar let hierop: laten wij er als christenen op toezien dat wij de geest van deze tekst met ons meedragen, waar wij ook gaan, zodat de bellen der paarden klinken: de heiligheid des HEEREN. Onze ontspanning zelf behoort met evenveel eerbied en evenzeer voor Gods aangezicht te worden genoten als onze sacramenten en onze plechtige feestdagen.
Betekent ontspanning zonde? Houd u er dan verre van! Betekent genoegen ongerechtigheid? Verzaak uzelf dan! Maar er zijn genoegens die dat niet betekenen. Wanneer u door de Alpenstreken reist, laat uw gedachten dan op de bergtoppen rusten en spreek daar met God. Of wanneer u de prachtige lanen van Engeland bewandelt, laat de koele beschutting ervan dan een bidplaats voor uw ziel worden. Waarom zou alles waarop uw ogen vallen, van de boterbloem in de weide tot de ceder op de berg, u er niet toe brengen God te prijzen? En wanneer dat zo is, dan verkondigen de bellen der paarden de heiligheid des HEEREN.
Wanneer u bij het zoeken naar rust werkelijk verlangt nieuwe kracht te ontvangen, zodat u die in Zijn dienst kunt besteden; wanneer u rust neemt, niet alleen voor uw eigen genoegen, maar om uw spieren opnieuw te verkwikken en uw ziel weer in de juiste stemming te brengen, zodat u Hem de komende dagen met grotere kracht kunt dienen, dan verkondigen opnieuw de bellen der paarden de heiligheid des HEEREN.
En wanneer u iedere gelegenheid aangrijpt die zich tijdens uw ontspanning voordoet om een vriendelijk woord en een woord voor Christus te spreken tot hen die u onderweg tegenkomt of met wie u tijdens uw reizen toevallig in contact komt, dan verkondigen opnieuw de bellen der paarden de heiligheid des HEEREN.
Het is zeer te betreuren dat de grote massa van ons volk die naar de kust trekt, en in het bijzonder degenen die naar Parijs gaan, hun godsvrucht achterlaat.
Een van de predikanten van de kerk te l’Oratoire vertelde mij dat de manier waarop Engelse christenen hun sabbatten in Parijs doorbrengen, een zeer ernstige belemmering vormt voor de groei van de godsdienst in Frankrijk.
Mensen denken dat zij, wanneer zij in het buitenland zijn, hun gewoonten die zij thuis naleven, mogen achterlaten. Maar al te vaak heb ik gehoord dat christenen aan de kust de eigenaars van de huizen waar zij verblijven, er willens en wetens van weerhouden naar plaatsen van aanbidding te gaan, omdat zij voor hen weelderige maaltijden op de sabbatdag moeten bereiden. Zo worden deze eigenaars feitelijk verhinderd het Woord van God te horen gedurende zes of negen maanden van het jaar.
Misschien zijn er onder u die binnenkort op reis gaan. Ik smeek u: laat uw godsdienst niet achter tijdens uw ontspanning. U zult uw zwarte jas afleggen en uw reiskleding aantrekken, maar neem alstublieft uw christelijke karakter met u mee. Waarom zou men van u denken dat uw godsdienst een plaatselijke aangelegenheid is en dat u, zodra u buiten het bereik bent van de samenleving die als een vorm van toezicht op u werkt, vrij bent om te zondigen zoals anderen doen?
Luister opnieuw naar de bellen. Paarden worden gebruikt om te reizen. Wij moeten allemaal van tijd tot tijd reizen. En wanneer wij dat doen, behoren de bellen der paarden en het schelle gefluit van de stoommachine nog altijd te verkondigen: “DE HEILIGHEID DES HEEREN.“
De zendeling steekt de zee over. Misschien springt zijn schip juist op dit moment, terwijl wij hier rustig zitten, over de golven, van de ene bergachtige golf naar de andere. Ik geloof dat iedere beweging van de scheepsschroef de heiligheid aan de Heere verkondigt, omdat het schip Gods aangewezen bode vervoert om het Evangelie onder de heidenen te verkondigen.
Er zijn christelijke mannen aan boord die niet vertrekken om te prediken, maar om te emigreren en zich ergens te vestigen. Wanneer zij echter met hun emigratie het voornemen hebben een gemeente van Christus op te richten op de plaats waar zij zullen wonen en het Evangelie te verkondigen waarheen zij ook geroepen mogen worden, dan verkondigt iedere beweging van het schip de heiligheid aan de Heere.
Misschien vervoert het schip kooplieden die naar het buitenland gaan om handel te drijven en daarna terug te keren. Maar wanneer zij van plan zijn als christenen handel te drijven en hun bezit aan God te wijden, dan is dat schip, ook al laat het een zwarte sliert rook achter zich aan de hemel, even aangenaam voor God als de rook van het offer. Ook dat verkondigt de heiligheid aan de Heere.
Waar een waarachtig hart is, daar is het paard dat het draagt een gewijd paard. Laten wij uitgaan in het oog des HEEREN. Wij zijn lichten. Wanneer het licht wordt verplaatst, behoort dat te gebeuren om andere plaatsen te verlichten. Wij zijn zout. Wanneer het zout wordt uitgestrooid, behoort dat te gebeuren opdat zijn bewarende invloed zich verder verspreidt.
Verlaat uw huis niet voordat u ervan overtuigd bent dat u uw Meester met u kunt meenemen. En wanneer u van huis bent, probeer dan altijd iets voor uw Meester te doen, zodat u bij uw vertrek een welriekende geur mag achterlaten.
Hoeveel goed zouden sommigen kunnen doen die geroepen zijn voortdurend te reizen! Er zijn bijvoorbeeld enkele mensen in deze gemeente die als handelsreiziger rondreizen. Ik ken één of twee van hen die nauwelijks een stad binnengaan zonder daar het Woord te verkondigen. En ik ken anderen die in de handelskamer, waar zij mensen ontmoeten die de godsdienst van Christus verachten, vrijmoedig spreken voor de waarheid zoals die in Jezus is. Zij zijn tijdens hun dagelijkse reizen even nuttig als christelijke mannen die thuis een taak vervullen in de zondagsschool of als diaken in de gemeente dienen.
Laat uw reizen dan altijd gepaard gaan met het luiden van deze bellen: “DE HEILIGHEID DES HEEREN.“
Paarden werden vanouds ook gebruikt om koopwaar te vervoeren. Wanneer lastpaarden in lange rijen trokken, hadden de voorste paarden vaak bellen, zodat de andere paarden in het donker konden worden geleid. Ik denk dat de tekst hierop zinspeelt, want dit schijnt inderdaad de gewoonte van de oosterse karavanen te zijn geweest. De tekst betekent dan dat koopwaar en onze gewone handel de heiligheid aan de Heere zouden moeten verkondigen.
O, mijne heren! Wanneer u ’s morgens uw luiken opendoet, laat dat dan gepaard gaan met het gebed dat uw dagelijkse zaken evenzeer een offer aan God mogen zijn als de werkzaamheden die ik als herder van de gemeente mag verrichten. En wanneer u achter de toonbank staat, vraag God dan dat er in uw handel, hoe gewoon die in de ogen van mensen ook mag lijken, een innerlijke geestelijkheid aanwezig mag zijn die God zal opmerken, zodat ook daar de heiligheid aan de Heere zichtbaar wordt.
Soms worden sommigen van u door een preek aangegrepen. U komt dan naar mij toe en zegt: „Meneer Spurgeon, zou ik naar China kunnen gaan? Zou ik zendeling kunnen worden? Zou ik predikant kunnen worden?” In zeer veel gevallen zijn de broeders die zich hiervoor aanbieden buitengewoon ongeschikt voor een dergelijke dienst. Zij hebben weinig gave om zich uit te drukken, weinig natuurlijk talent en geen aanleg voor zulk werk.
Daarom moet ik voortdurend, en vaak, zeggen: „Mijn lieve broeder, wees aan Christus gewijd in uw dagelijkse beroep. Zoek niet naar een geestelijk ambt, maar heilig uw gewone ambt.”
De schoenmaker kan zijn schoenmakersblok wijden, terwijl menig predikant zijn kansel heeft ontheiligd. De ploeger kan zijn hand aan de ploeg slaan op een even heilige manier als ooit een predikant het sacramentele brood heeft aangeraakt.
Handelt u in linten en kruidenierswaren? Hanteert u stenen en schaven? Dan kunt u even waarlijk priesters voor God zijn als zij die in vroeger tijden de ossen slachtten en in het heilige vuur verbrandden.
Dit oude feit moet opnieuw onder onze aandacht worden gebracht. Wij hebben niet zozeer behoefte aan grote predikers als wel aan goede en oprechte handelaars. Het zijn niet zozeer diakenen en ouderlingen naar wie wij verlangen, maar mannen die in het gewone leven diakenen voor Christus zijn en in hun dagelijkse omgang werkelijk ouderlingen van de gemeente tonen te zijn.
Mijne heren, Christus kwam niet in de wereld om alle vissers van hun netten weg te halen, hoewel Hij sommigen van hen wegnam. Hij riep niet alle tollenaars uit hun tolhuis, hoewel Hij er één riep. Hij kwam niet om iedere Martha in een Maria te veranderen, hoewel Hij zowel een Martha als een Maria zegende.
Hij wil dat u nog altijd huisvrouwen bent. Wees zusters van barmhartigheid in uw eigen woningen. Hij wil dat u nog altijd handelaars, kopers en verkopers, werkers en zwoegers bent. Het doel van het christendom is niet om predikers te maken, maar om heilige mensen te maken. De prediker is slechts het gereedschap. Soms is hij niet meer dan de steiger van het huis. Maar u bent Gods akker, u bent Gods gebouw. U bent het die God in uw gewone daden en dagelijkse werkzaamheden moet dienen.
Dat boze verzinsel van de kerk van Rome, dat haar kathedralen heilig zijn, heeft ons ertoe gebracht te denken dat onze huizen dat niet zijn. Welnu, mijn vrienden, onze huizen zijn evenzeer heilig, of behoren dat te zijn, als ooit een kerk of kapel. Sommigen schijnen te denken dat er een bijzondere heiligheid verbonden is aan gangpaden, eiken zitbanken, stenen pilaren en gotische bogen.
Heiligheid kan niet aan stenen toebehoren. Heiligheid heeft uitsluitend te maken met de daden en gedachten van mensen die met verstand God dienen. En als heiligheid bij wijze van beeldspraak aan plaatsen of materialen kan worden toegeschreven, dan is dat alleen vanwege de heilige christelijke geesten die ermee in aanraking komen.
Ik wil niet dat die parochiekerk daar ginds, of deze plaats hier, ook maar iets heiliger zou zijn dan de kamer waarin u woont, wanneer u daar bidt en God lofzingt. O, broeders, u moet niet denken dat de tafel, het doopvont of de doopplaats heilig zijn. Nee, nee! Als er heiligheid in deze dingen is, dan mag die ook aanwezig zijn in uw eigen tafel, in uw eigen arbeid en in het gereedschap dat u hanteert. Wanneer u God in beide met een heilige geest dient, zal er in het ene niet meer heiligheid zijn dan in het andere.
Geen ingesloten heiligheid — dat is bijgeloof. Algemene heiligheid — dat is het christendom. Niet de schalen op het altaar heilig — dat is het jodendom. Maar de bellen der paarden heilig — dat is ware, levende godsvrucht en levend christendom. Ziet er dan op toe, christelijke vrienden, dat de bellen der paarden in uw gewone dagelijkse bezigheden verkondigen: heiligheid aan de Heere.
Paarden werden echter ook gebruikt voor zware arbeid, zoals ze dat nog altijd worden. En arbeid, hoewel ik dit onderwerp al eerder heb aangeroerd, moet de heiligheid aan de Heere verkondigen. Het paard trekt de ploeg door de voren. Wanneer het wordt geleid door een godvruchtige boer, zijn de bellen aan dat paard de heiligheid aan de Heere.
En nu is het de tijd waarin het hooi gemaaid en binnengehaald moet worden. Wanneer de landman de vrucht van de aarde met dankbaarheid naar huis brengt, is ook het binnenhalen ervan de heiligheid aan de Heere.
Wanneer de oogsttijd aanbreekt en het hele land zich verheugt, behoort ieder gejuich bij het binnenhalen van de oogst een heilig gejuich te zijn. Iedere glimlach op het voorhoofd van de bewerker van de grond behoort een heilige glimlach te zijn. En wanneer hij zijn beweegschoof aan God heeft gewijd, een deel van zijn opbrengst aan de armen en behoeftigen heeft gegeven, zijn knieën heeft gebogen en de Algemene Gever van al het goede heeft gedankt, dan verkondigt de arbeid van de boer de heiligheid aan de Heere.
Ik zou wensen, mijn lieve broeders, dat u uw gewone, zware arbeid tot heiligheid aan de Heere zou maken. Kom ertoe uw maaltijden te beschouwen alsof het sacramenten waren, uw kleding alsof het priestergewaden waren, uw gewone woorden alsof u dagelijks preken hield en uw alledaagse gedachten alsof u op de sabbat over heilige dingen nadacht.
Het is niet het voortdurend spreken over godsdienst, maar het godsdienstig spreken dat een christen maakt. Het gaat niet om het verrichten van uiterlijke symbolen, maar om het bezitten van de innerlijke geest.
Ik geloof dat er meer vroomheid is in het bezoeken van de armen en behoeftigen en het uitdelen van uw bezit onder hen, meer vroomheid in het onderwijzen van het arme, onwetende en haveloze kind, en meer vroomheid in het proberen een arme, worstelende handelsman te helpen, dan in menig lang gebed, menig schijnheilig gejammer en zelfs menig lang en welsprekend betoog.
Die gewone vroomheid, die evenals gezond verstand meestal het zeldzaamste van alles is, is wat wij nodig hebben. Als ik één man onder u op deze manier toegewijd zou kunnen maken, zou ik onder God denken evenveel te hebben gedaan als wanneer ik u bij tientallen had uitgezonden over de vlakten van India, u had gezonden om de Chinezen te onderwijzen of de Ethiopiërs te onderrichten.
Wij hebben u hier nodig als zendelingen. Wij hebben u nodig als zendelingen in het dagelijks leven. En wij moeten u ook hebben, anders zal de gemeente niet groeien en zal de naam van Christus niet worden grootgemaakt.
Zo heb ik geprobeerd u te laten luisteren naar het gerinkel van deze bellen.
II. Laten wij nu, ten tweede, DE MUZIEK VAN DE PAARDENBELLETJES PRIJZEN.
Allereerst moeten wij de godsdienst van het dagelijks leven prijzen om haar luidheid. Er zijn veel mensen die de kerkklok niet horen, maar de bellen aan de paarden wel zullen horen. Daarmee bedoel ik dat sommige mensen ons, hoe vaak wij ook prediken, nooit zullen geloven. Maar wat zij in ons leven zien, kunnen zij niet zomaar naast zich neerleggen.
Wanneer wij Christus verheerlijken, zullen zij misschien zeggen: „Dat is zijn taak en plicht.” Maar als onze daden zijn zoals ze behoren te zijn en ons leven doordrongen is van de geest van Jezus, kunnen zij niet anders dan dat opmerken. Zij mogen hun vingers in hun oren steken en weigeren naar onze preken te luisteren, maar jouw preken zullen zij wel horen. Zij kunnen die immers niet alleen met hun oren, maar ook met hun ogen waarnemen, wanneer jij je in het dagelijks leven gedraagt overeenkomstig het Evangelie van Christus.
Nogmaals, ik prijs de klank van die paardenbellen niet alleen vanwege hun luidheid, maar ook vanwege hun helderheid. Veel mensen kunnen onze preken niet begrijpen. Er zijn woorden die wij gebruiken waar zij geen moeite voor doen om ze te begrijpen, en sommige zaken die de vleselijke geest eenvoudigweg niet kan bevatten. Maar jouw preken kunnen zij wel begrijpen, ook als zij de mijne niet begrijpen.
Als je eerlijk handel hebt gedreven, als je in plaats van misbruik te maken van een situatie alleen hebt genomen wat je toekwam, als zij hebben gezien dat je weigerde te liegen, hoewel je daarmee veel had kunnen verdienen, en als zij hebben gemerkt dat je vasthield aan je integriteit terwijl anderen je uitlachten en je een dwaas of een gek noemden, dan kunnen zij het begrijpen.
Mijn preken zijn misschien raadselachtig, maar die van jou zouden dat niet moeten zijn. De kerkklok klinkt soms misschien wat vals, maar de bellen aan de paarden zullen zo helder klinken dat mensen in hun geweten gedrongen zullen worden te geloven wat jij hun door je leven onderwijst.
Nogmaals, ik prijs de muziek van deze bellen vanwege hun standvastigheid. De kerkklok luidt slechts één keer per week. Ik preek misschien drie of vier keer per week tot jullie, maar jij zult, wanneer je je dagelijkse bezigheden aan God wijdt, de hele dag door preken. Je laat de bellen aan de paarden klinken telkens wanneer de paarden hun kop bewegen. Bij iedere beweging klinkt er een nieuwe klank.
Dat is het voordeel van bellen die niet aan een toren, maar aan het paard zijn bevestigd: ze moeten voortdurend klinken.
Deze plaats is een groot deel van de week gesloten en wordt slechts af en toe geopend voor de eredienst. Maar jij moet je preekplaatsen altijd openhouden. Daar, achter de toonbank, moet jouw preekstoel staan. Of het nu op de graanbeurs, op de markt of in het gezin is: je moet altijd preken. Je leven moet voortdurend één levend getuigenis zijn, een onafgebroken dienst aan God.
Daarom prijs ik deze muziek vanwege haar standvastigheid, maar ook vanwege haar luidheid en helderheid.
Bovendien moeten wij haar prijzen vanwege haar universaliteit. Mijn kerkklok kan slechts op één plaats luiden, en de klokken van de parochiekerk klinken alleen vanuit de torens waarin ze hangen. Maar de bellen aan de paarden luiden overal waar de paarden komen. Zo is het ook met jouw godsvrucht: die zal klinken waar je ook gaat.
Je kunt preken in het opvanghuis. Je kunt preken in dat kleine achterkamertje waar de armoede haar intrek heeft genomen. Je kunt preken op de plaats waar God je in Zijn voorzienigheid heeft gesteld. Aan de vergadertafel, te midden van het bestuur, in de Senaat of in het Lagerhuis — je kunt preken waar God je ook roept.
Ik zeg het nogmaals: de bellen aan de paarden klinken overal waar de paarden komen. Zo moet ook jouw godsvrucht klinken, waar je je ook bevindt. Dit universele prediken op ieder plein, in iedere straat en in ieder steegje heeft een veel grotere uitwerking dan onze preken ooit kunnen hebben. Nogmaals: ik prijs de bellen aan de paarden vanwege hun harmonie.
U weet dat onze kerkklokken verschillende tonen laten horen. U gaat de ene kerk binnen en hoort het puseyisme. U gaat een andere binnen en hoort evangelische leer. U betreedt weer een andere en hoort alles behalve ongeloof. Kerkklokken doorlopen het hele octaaf aan tonen.
Onder ware christenen klinken onze klokken vaak enigszins verschillend. De klok van mijn wesleyaanse broeders klinkt niet helemaal hetzelfde als de mijne, en de mijne klinkt evenmin precies hetzelfde als die van de onafhankelijken.
Maar let hierop: de bellen aan de paarden klinken allemaal hetzelfde. Het leven van de ene christen behoort overeen te komen met dat van de andere christen.
Er is niets tegenstrijdigs aan de praktische preek, ook al kan er in de leerstellige preek wel iets tegenstrijdigs zijn. Hoewel het spraakzame getuigenis van de gemeente enigszins verdeeld kan zijn, is het liefdevolle getuigenis van de gemeente toch altijd één. Het is steeds: heiligheid, heiligheid, heiligheid aan de Heere. Ziet er dan op toe dat u deze bellen der paarden laat klinken vanwege hun lieflijke harmonie en de afwezigheid van iedere wanklank.
En nogmaals: ik prijs de bellen der paarden omdat zij een goddelijke klank voortbrengen. Onze kerkklokken doen dat niet altijd. Soms zijn onze preken enigszins gericht op de eer en heerlijkheid van de spreker, en soms op de eer en heerlijkheid van een bepaalde gemeente. Maar de bellen der paarden verkondigen niet de heerlijkheid van de mens. Zij luiden: heiligheid aan de Heere, aan de Heere, aan de Heere!
Wanneer u uw hele leven aan God wijdt, mag het getuigenis van dat leven tot uw eer zijn, maar toch zal het veel meer strekken tot de eer en heerlijkheid van God. Er zal geen gevaar zijn dat mensen de eer opeisen voor uw vrome toewijding, uw heilige waakzaamheid, uw nederige oprechtheid, uw vlijt, uw volharding en uw standvastigheid op het pad van het recht.
De bellen van uw paarden zullen een meer goddelijke klank voortbrengen dan, naar ik vrees, ooit uit de bellen van onze kansels zal klinken. Zo heb ik geprobeerd de muziek ervan te prijzen.
III. En nu sluit ik af door u te vragen naar huis te gaan en UW BELLEN OP DEZE NOOT TE STEMMEN.
U hebt, vele bellen, in uw huis. Ga, naar huis, en stem, eerst, de slaapkamerbel. Het is, een kwade zaak, wanneer, een christelijke echtgenoot, een slechtere echtgenoot is, dan, een wereldse. Het is, een boze zaak, wanneer, man, en vrouw, niet, samenleven, als deelgenoten, van de genade van Christus. Misschien, zult u zeggen, dat dit, een zeer huiselijke opmerking is, maar, ik denk, dat het, een zeer noodzakelijke is, want, als een man, zich, niet goed kan gedragen, in zijn eigen gezin, wat, is hij, dan, in de gemeente? Ik vrees, dat er, velen geweest zijn, die, machtige mannen waren, in de gemeente, die, als, hun persoonlijke zaken, een beetje, onderzocht waren, wat gehavend, en beschadigd, uit de beproeving, tevoorschijn hadden kunnen komen.
Zou ik, hier, een christen man hebben, die, niet, handelt, naar het christelijk gebod? Zou ik, hier, een christen vrouw hebben, die, haar huis, met haar eigen handen, afbreekt, door luiheid, en zorgeloosheid? Laat mij, tot hen spreken. Hoe kan, de echtgenoot, eraan denken, anderen, op de bidstond, te stichten, totdat hij, eerst, is, wat hij, voor zijn eigen huis, zou moeten zijn? De man, moet, zijn vrouw liefhebben, evenals Christus, de gemeente liefhad. De vrouw, moet zien, dat zij, haar man, eert. De kinderen, moeten gehoorzaam zijn, en, de huiselijke zaken, moeten, met beleid, geordend worden, of anders, zijn, uw bellen, niet, de heiligheid des HEEREN.
Wanneer u, dan, daarnaar gekeken hebt, kijk, naar de keukenbel. Zie toe, dat zij, heiligheid, aan de Heere, uitklinkt. Laat, de dienstmeid, niet, met ogendienst, als een mensbehager, haar meester dienen, en, laat, de meester, ervoor zorgen, dat hij, aan zijn dienstknecht, geeft, wat, rechtvaardig, en billijk is. O, het is, een gezegend ding, wanneer, er, vroomheid is, in de keuken, en, wanneer, het hele huisgezin, een gemeente is. Inderdaad, broeders, ik kan, spreken, van de vreugde, van iemand, die, dienstknechten heeft, die God vrezen. Zeer dikwijls, zijn, mijn ogen, gevuld geweest, met tranen, door de vrede, en vreugde, en rust van geest, die ik, in mijn eigen huisgezin, gehad heb, sinds God, mij, hen gegeven heeft, die, Zijn naam vrezen.
Zie toe, dat de keukenbel, geen tegengestelde noot luidt, aan uw salonbel, want, als, de keuken, kan zeggen: “mijn meester, is, vroom, buitenshuis, maar, hij is, goddeloos, thuis. Hij kan, zeer goed spreken, in de kansel, en zeer aardig bidden, op de bidstond, maar, hij verwaarloost, ons. Hij is, hard, overheersend, en opvliegend,” dan, zal het, al mijn preken, bederven. Als u, tot de dienstknechten zegt: “kom, en hoor, onze predikant,” zal zij zeggen: “ik wil, hem, niet horen. Als hij, geen beter man is, dan u, zal hij, mij, niet veel goeds doen.” Bedenk dan, als, de bellen der paarden, heilig moeten zijn, moeten, zeker, de bellen van de keuken, ook, heilig zijn.
Sommigen, van u, hebben, een winkelbel, een klein belletje, dat, luidt, zodra, er, iemand, binnenkomt. Wel, let er, dan, op, dat dit, heiligheid, aan de Heere is. Als mensen, in andere winkels, bedrogen worden, laat hen, dan, niet, in de uwe, bedrogen worden, of, zij zullen, zeker, zeggen: “ah, u hoort, Spurgeon. Dat is, uw godsdienst, is het niet?” Zij zullen, zeker, de schuld, op uw godsdienst, werpen, en niet, op u. Als er, een plaats is, waar zij, te weinig krijgen, laat het, nooit, uw plaats zijn. Als er, een plaats is, waar, er, gebrek is, aan oprechtheid, of beleefdheid, of aandacht, laat het, niet, uw plaats zijn. Tracht, zo te handelen, dat u, uw godsdienst, uw handel, niet ten goede, laat komen, houd, veeleer, uw handel, altijd, ondergeschikt, aan uw godsdienst, en, tracht, God, in alles, wat u doet, te verheerlijken.
Laat alles wat u doet, hetzij u eet, hetzij u drinkt, of wat u ook doet, gedaan worden tot de eer van God.
Geneesheer, er is een bel aan uw deur. Laat die bel heiligheid aan de Heere verkondigen. Laat uw vriendelijke daden aan arme lijders en uw goddelijke bereidheid om u neer te buigen tot de arme reiziger in zijn lijden, uw praktijk wijden. Laat uw bel heiligheid aan de Heere luiden.
Laat ieder van u, wat zijn beroep ook mag zijn, proberen een bijzondere manier te vinden waarop dat beroep kan bijdragen aan de heerlijkheid van Christus. U bent een kleine ster in de Pleiaden. Verlang er niet naar de poolster te zijn. Als u uit de Pleiaden zou worden weggenomen, zou het sterrenbeeld niet meer zijn wat het nu is.
Blijf waar u bent, maar verspreid uw bijzondere stralen over de aarde. En als u slechts een kleine ster bent, bedenk dan: brengen al die kleine sterren samen niet veel licht voort? Zou de aarde niet donker zijn als ze allemaal uitgedoofd werden?
Ik heb geprobeerd een eenvoudige, alledaagse preek te houden. Maar misschien heb ik de spijker niet op de kop geslagen. Misschien heb ik u niet laten voelen wat ik wilde dat u zou voelen. Welnu, ik zou willen dat iedere bel van iedere asman heiligheid aan de Heere verkondigde. Wat uw beroep ook is, of u nu straatveger of schoenpoetser bent, wat u ook te doen hebt, laat alles gedaan worden tot de eer van God. En als iemand zegt dat dit niet kan, laat u hem dan de weg wijzen. Het beste praktische bewijs is immers het bewijs dat uit de praktijk zelf voortkomt.
Ik mag vandaag preken en twintig dagen lang preken over het heiligen van de bellen der paarden voor de Heere. Maar als u uw eigen persoonlijke leven niet in overeenstemming brengt met deze boodschap, zal de tekst bij sommigen slechts gelach opwekken en voor niemand praktisch nut hebben.
Is er iets mis in uw huis? Ga dan en zet het recht. Is er iets mis in de winkel of in de keuken? Als u niet hebt gedaan wat u als christen had moeten doen, of als u in uw beroep niet hebt gehandeld zoals u had moeten handelen, ga dan en doe het beter. Niet omdat u door uw werken behouden zult worden; ik heb gesproken tot hen die reeds behouden zijn.
Toon, nu u behouden bent, door uw belijdenis wat u gelooft. En moge u door uw daden uw Meester verheerlijken. Ik bid dat u door Gods genade dikwijls aan deze tekst zult denken: “te dien dage, zal op de bellen der paarden, staan: de heiligheid des HEEREN.”
Preek nr. 0399 · Gehouden te Newington, Londen, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 7. Oorspronkelijke titel: “A Peal Of Bells”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

