Geschreven door C. H. Spurgeon tijdens zijn verblijf in Mentone, en voorgelezen aan de gemeente van de Metropolitan Tabernacle te Newington, Londen, tijdens zijn afwezigheid.
Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had. Numeri 4:49
Israël in de woestijn wordt in sommige opzichten toegestaan een beeld te zijn van de gemeente in haar tegenwoordige toestand. De stam van Levi was in het bijzonder een beeld van dat volk dat, onder leiding van de grote Hogepriester, is afgezonderd voor de dienst van de HEERE en Zijn gemeente. Aan hen was het vervoer van de heilige vaten van de ene plaats naar de andere toevertrouwd. Elk gezin binnen de stam was verantwoordelijk voor het veilig en eerbiedig vervoeren van een bepaald deel van het heilige meubilair. Omdat in de dienst van de God van orde niets aan het toeval wordt overgelaten, maar alles ordelijk verloopt, mogen degenen die, zoals de afgezaagde uitdrukking luidt, tegen een vaste ordening zijn, wel bedenken dat de HEERE altijd een vaste orde heeft ingesteld — niet alleen in de natuur en in Zijn voorzienigheid, maar ook in Zijn eigen voorhoven.Er is een bewonderenswaardige “huishouding,” in het paleis, van de grote Koning — welke wanorde, verkwisting, en losbandigheid, er ook mag zijn, rondom andere vorsten — niets van dien aard zal gevonden worden, onder de schaduw, van de goddelijke troon. Hij, Die de sterren telt, en hen allen bij hun namen roept, laat niets ongeregeld, in Zijn eigen dienst. Zijn gemeente zou daarom, de tucht, van een leger moeten tonen, en al Zijn strijders zouden moeten weten, hoe de rangen te houden. Hoewel wij niet onder de wet zijn, zijn wij niet zonder wet, jegens Christus, noch wensen wij dat te zijn, want Zijn geboden zijn niet zwaar. In dit seizoen, waarin onze gemeente een zeer ernstige poging doet, om de HEERE te verheerlijken, door bekeringen te zoeken, zouden wij graag al de dienstknechten, van onze Meester monsteren, en ieder oproepen, zijn aangewezen plaats en dienst in te nemen.
Het werk van de HEERE moet gedaan worden, goed gedaan worden, en door ons allen, zeer gaarne en hartelijk gedaan worden. Verzamel u dan, en laat elke verloste zijn last opnemen, en hem, in behoorlijke orde, voor de HEERE dragen! Hiertoe willen wij, evenals Mozes, ieder van u afzonderlijk oproepen en u een opdracht geven alsof die van de HEERE zelf komt. Onze tekst bevat drie zaken: een oproep tot de dienst, de aanstelling van ieder afzonderlijk en het verslag van de daadwerkelijke uitvoering van het gebod. Over elk van deze drie zaken zal een afwezige officier van uw compagnie proberen iets te zeggen, voor zover de Heilige Geest hem daartoe bekwaam maakt.
I. Hier is, ten eerste, GEZAG, VOOR DE TELLING.
“Naar het bevel des HEEREN, werden zij geteld.” Het werd Mozes niet toegestaan het volk te tellen zonder goddelijke goedkeuring; anders had deze daad in de ogen van de HEERE evenzeer zondig kunnen zijn als de volkstelling die David liet houden. Evenmin mag iemand in onze tijd de heiligen van de HEERE naar eigen goeddunken tellen en hen vervolgens inzetten voor ondernemingen waarvoor zij nooit zijn afgezonderd. De legers van Israël zijn niet van ons om naar eigen inzicht te leiden waarheen wij willen, en evenmin om ze te tellen met het doel onszelf met hun aantal te verheerlijken. Het tellen van apostelen en discipelen is op zichzelf geoorloofd, want dit gebeurde ook in de beste dagen van de gemeente. Maar zelfs het bijhouden van statistieken kan op zo’n manier gebeuren dat het aanleiding geeft tot zonde.
Op geen enkele manier zouden wij nu de legerschare voor de strijd moeten tellen. Nee, wij moeten de uitverkorenen van de HEERE oproepen tot het werk van de HEERE, en wel in de naam van de HEERE. Gelovigen in Christus Jezus, u wordt nu opgeroepen tot plicht en dienst, omdat u, evenals de stam van Levi, aan de HEERE toebehoort. Hij beschouwt u als de gemeente van de eerstgeborenen, als degenen die uit het midden van de mensen zijn verlost, en als Zijn bijzondere deel en erfenis. Daarom staat u, meer dan andere mensen, onder Zijn bijzondere heerschappij en bestuur.
De HEERE zei tegen Mozes dat de Levieten Hem zouden toebehoren, omdat Hij de HEERE is. Diezelfde verklaring heeft Hij ook afgelegd over allen die Hem vrezen en aan Zijn Naam denken: zij zullen Zijn eigendom zijn op de dag die Hij maken zal.
Op wie zouden wij een beroep doen om het werk van de HEERE te verrichten, anders dan op hen die Hem toebehoren? Aan hen behoort een heilige zorg voor het belang van de ware godsdienst toe, en een ernstige ijver voor de heerlijkheid van God. Verplichtingen die zo krachtig zijn, rusten ook eervol op hen. Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.
Schrikt u ervoor terug om geteld en opgeroepen te worden voor actieve dienst? Is dat geen verkeerde en onwaardige houding? Zou u het niet veeleer als een eer moeten beschouwen dat u wordt opgeroepen om dienst te doen, samen met degenen die aan de HEERE zijn toegewijd?
Broeders en zusters, u wordt bovendien opgeroepen omdat deze dienst u door de HEERE is opgedragen, aan Wie u op bijzondere wijze toebehoort. De Levieten werden verordend, zoals we lezen in Numeri 4:3, om het werk in de tent der samenkomst te doen. Zij werden niet samen met de rest van het volk geteld, want hun roeping was geheel anders. Hun hele leven stond in dienst van de heilige dingen.
Geliefden, hierin ziet u ook uw eigen roeping. Ook u bent afgezonderd om voor de HEERE te leven. Aan wie behoort het werk van God toe, anders dan aan Zijn kinderen? Wie zou Christus moeten dienen en Zijn dwalende schapen moeten zoeken, anders dan degenen die Hij tot die dienst geroepen heeft? Als u het eervolle juk weigert, hoe zal het werk van barmhartigheid dan worden verricht? Kan dat worden overgelaten aan huurlingen? Of zullen geestelijk doden de dienst van de levende God verrichten? Nee, het is uw opdracht, en u moet haar vervullen.
Wederom mogen wij zeggen dat de HEERE u tot deze dienst roept, omdat Hij u aan Zijn Zoon heeft gegeven, zoals Hij de Levieten aan Aäron gaf. Van hen staat geschreven in Numeri 3:9: zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels. De HEERE had ook gezegd: Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen.
De Levieten waren bevoorrecht dat zij het hoofd van hun eigen stam mochten dienen. Maar nog veel groter is ons voorrecht dat wij de Heere Christus mogen dienen, Die de Eerstgeborene is onder vele broeders. Omdat u aan Christus toebehoort, moet u zich daarom niet verbergen voor Zijn dienst, maar met vreugde naar voren treden!
En nogmaals: de HEERE heeft u aangesteld om dienstknechten van al Zijn volk te zijn. Van de Levieten werd gezegd dat zij den dienst van de kinderen Israels in de tent der samenkomst moesten verrichten. Wij zijn schuldenaars aan al onze broeders en zusters en behoren hen te dienen naar de volle maat van onze kracht. Hoe groter onze plaats in de gemeente is, hoe meer wij dienstknechten van allen behoren te zijn!
Het is aan ons om deze dienst te vervullen. Doen wij dat niet, dan zijn wij ontrouw aan onze positie als christenen, die allen in liefde geroepen zijn om elkaar te dienen. Hier zijn enkele van de aanspraken die de HEERE op u heeft. Zult u dan niet erkennen dat Hij het hoogste gezag bezit en u tot actieve dienst oproept?
II. DE AANSTELLING VAN DE INDIVIDUEN
Onder ons tweede hoofd willen wij de aanstelling van de individuen opmerken: “een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last.” Door onze verschillende gaven, posities, ambten en gelegenheden zijn ook wij tot bijzondere diensten afgezonderd, zoals de zonen van Kohath, Gerson en Merari.
Het ene gezin droeg de ark, het andere de heilige vaten. Een ander had de zorg voor de heilige gordijnen, terwijl weer een ander de planken, pilaren en het verdere raamwerk van de tabernakel droeg. De hoogste macht had aan ieder gezin zijn eigen bijzondere dienst en last toevertrouwd.
Zo is het ook onder ons. Laten wij er daarom op toezien dat wij de goddelijke aanstelling eerbiedigen.
Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is, Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren; Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.
Grote schade ontstaat wanneer mensen hun roeping verkeerd begrijpen en zich bezighouden met dingen waarvoor zij niet geschikt zijn. Omgekeerd komt veel van het succes van christelijk werk voort uit het feit dat de juiste mensen de juiste plaatsen innemen.
Tijdens de reis door de woestijn bemoeiden de zonen van Merari zich nooit met de lasten van de zonen van Kohath. Als zij dat wel hadden gedaan, zou alles ernstig in de war zijn geraakt. Ieder nam de hem toegewezen last op en ging zijn eigen weg. Zo werd niemand door een ander verdrongen en kon ieder zijn eigen taak met vreugde vervullen.
Als wij al onze werkers op die manier zouden kunnen ordenen, hoe zou de gemeente dan zijn als een leger met banieren! Wat zou haar slagorde schoon zijn! Een plaats voor ieder en ieder op zijn plaats zou de praktische leus van onze gemeenten moeten zijn. Het volk zou niet geteld moeten worden naar wereldse rang of naar eigen inschatting, maar “ieder naar zijn dienst.”
Hierbij moet worden opgemerkt dat de Levieten deze dienst verrichtten van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud.
Wij zijn dankbaar dat het onder het Evangelie niet zo is. Er is werk voor jonge mensen én voor ouderen! Kleine kinderen, jonge mannen en maagden mogen hun plaats innemen onder de dienaren van de Vredevorst. Ook hij die op zijn staf leunt vanwege zijn hoge ouderdom, hoeft zichzelf niet vrijgesteld te achten van de geliefde dienst van zijn Meester.
Er worden geen vrouwen genoemd als dragers van de tabernakel en zijn heilige meubilair. Het was werk waarvoor zij nauwelijks geschikt waren en waarin zij onder die bedeling zelden werden ingezet. Ook hierin zien wij echter een grote verandering onder het Evangelie. Er is noch man noch vrouw in Christus Jezus. Op hun eigen wijze zijn onze zusters onze medearbeiders, evenals zij onze mede-erfgenamen zijn. Vrouwen mogen nooit worden vergeten wanneer wij de krachten van de gemeente opsommen! Wat zouden wij zonder hen kunnen doen?
Laat het dan niet worden vergeten dat onze Heere Jezus Christus, het grote Hoofd van de gemeente, al Zijn verlosten tot Zijn dienst roept. Hij legt op ieder van hen een last die niemand anders kan dragen.
Het behoort de vreugde van iedere gelovige te zijn om te weten welke last de Heere hem of haar heeft toevertrouwd. Dan zal hij of zij die eervolle last met blijdschap opnemen. Er kan geen vrijstelling zijn, tenzij iemand durft te beweren dat hij zichzelf toebehoort en nooit met een prijs is gekocht.
Ieder moet gedurende zijn hele leven standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren zijn.
III. HET VERSLAG VAN DE VERVULLING VAN HET GEBOD
Ten derde is onze tekst de samenvatting van het hoofdstuk waarin wij een verslag vinden van de daadwerkelijke vervulling van het gebod van de HEERE door Mozes. Hij telde ieder gezin en bracht het totaal van de stam in kaart, terwijl hij tegelijkertijd nauwkeurig de bijzondere dienst van ieder gezin vermeldde.
Wij zouden hem op dit belangrijke moment willen navolgen en de telling opnemen van hen die aan de dienst van de HEERE zijn toegewijd.
Waar bent u dan, die de zwaardere dienst van het heiligdom kunt dragen, de pilaren, de planken en de voeten? U bent nu nodig om in de bijeenkomsten te spreken, het volk voor te gaan in het gebed, de vergaderingen te leiden en het zwaardere werk van deze heilige zaak op u te nemen!
De Heere Jezus behoort bekwame mannen te hebben om voor Hem te spreken. Hij verdient het beste van het beste. Nu is het uur. Waar is de man? Laat niemand die het Evangelie zou kunnen verkondigen en een ziel voor Jezus zou kunnen winnen, zich laten tegenhouden door schroom of liefde voor gemak!
Bij de vloek over Meroz, omdat zij niet kwamen tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, tegen de helden, zouden wij alle christenen die invloed en bekwaamheid hebben willen aansporen zich naar het veld te haasten!
Maar waar bent u die alleen de pinnen en de koorden kunt dragen?
Uw last is lichter, maar waarschijnlijk is uw kracht ook geringer. En hoewel uw last lichter mag zijn, zijn de dingen die u draagt niet minder noodzakelijk dan de pilaren en de planken. Waar bent u? U die een paar woorden kunt spreken tot eenzame, zoekende zielen; u die misschien niets anders kunt doen dan bidden — waar bent u? Op uw post, of loopt u doelloos rond?
Antwoord, en antwoord snel, want de tijd en de nood dringen! Als de last die u kunt dragen maar klein is, wees dan des te meer bereid hem te dragen.
Bent u een liefhebber van de Heere Jezus en wenst u niet te worden opgeroepen voor Zijn dienst? Als dat zo is, laat het dan eerlijk tot uzelf doordringen en laat uw geweten het duidelijk horen: doe niet alsof u een werker bent terwijl u een leegloper blijft. Erken voor uzelf dat u de hele dag ledig staat en dat u meent volkomen gerechtvaardigd te zijn om zo te leven. Ontken uw HEERE Zijn recht, maar doe het dan openlijk voor Zijn aangezicht! Zeg Hem dat u niet van plan bent uw dagen te besteden aan het verheerlijken van Zijn Naam!
Schrikt u terug voor zo’n openlijke weigering van Zijn dienst? Dat hoeft niet, want het is helaas helemaal niet ongewoon. Zoals Nabal zei: Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer.
Maar het is duidelijk dat u geen genoegen kunt nemen met zo’n openlijke verwerping van uw HEERE. Kom dan en neem uw plaats in onder hen die gezamenlijk streven om hun HEERE te eren! Uw hulp is op dit moment kostbaar.
Zoek een nieuwe zalving en haast u daarna naar het werk. Is de Heilige Geest niet in u? Zet Hij u er niet toe aan het heil van anderen te zoeken? Is de Heere Jezus niet het voorbeeld waarnaar de genade u vormt? Hoe kan dat waar zijn als u weinig of geen liefde hebt voor de zielen van uw naasten?
Uw predikant roept u, ook al is hij ver weg! Uit naam van al onze wederzijdse liefde smeekt hij u uw bediening te vervullen, ieder naar zijn dienst en naar zijn last.
Maar bovenal roepen uw God, uw Zaligmaker en uw Trooster u met één stem. Kunt u de hemelse roeping weigeren?
Preek nr. 1457 · Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 25


