Uitverkiezing – Jakob en Ezau

Een preek uitgesproken door C.H. Spurgeon,
op zondagavond 16 januari 1859,
In de New Park Street Chapel, Southwark.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat. Rom. 9:13

Denk niet dat ik beweer dat ik de grote mysteries van de uitverkiezing volledig kan ophelderen. Er zijn mensen die denken dat ze alles over dit onderwerp weten; ze gaan er zo moeiteloos mee om, alsof het iets heel gewoons is. Maar u kunt er zeker van zijn dat degenen die denken alles over dit mysterie te weten, er in werkelijkheid heel weinig van af weten. Door de beperkingen van het menselijk verstand zien zij slechts de oppervlakte van hun eigen kennis; degenen die diep graven, ontdekken dat er in de diepste diepten die zij kunnen bereiken, een nog grotere diepte schuilgaat. Het is een feit dat de grote vragen over verantwoordelijkheid, vrije wil en menselijke voorbestemming keer op keer zijn betwist en op tienduizend verschillende manieren zijn beantwoord. Het resultaat is dat we net zoveel over de zaak weten als toen we er voor het eerst over spraken. De tegenstanders hebben elkaar zand in de ogen gestrooid en elkaar daarmee het zicht ontnomen; vervolgens hebben ze geconcludeerd dat zij zelf konden zien omdat ze de ogen van anderen hadden verblind.

Welnu, het is heel wat anders om iemands leer te weerleggen dan om je eigen opvattingen te onderbouwen. Het is heel gemakkelijk om iemands veronderstelling over deze waarheden onderuit te halen, maar het is minder gemakkelijk om je eigen stelling sterk te onderbouwen. Vanavond zal ik, voor zover mogelijk, proberen zorgvuldig en niet te gehaast te werk te gaan. Ik wil eenvoudigweg de tekst in Gods Woord volgen. Ik geloof dat als we ons gewoon aan de leer van de Bijbel zouden houden, we wijzer zouden zijn dan we nu zijn. Want door ons af te keren van het hemelse licht der openbaring en te vertrouwen op de bedrieglijke inspanningen van onze eigen verbeelding, duwen we onszelf in moerassen en drassige gebieden waar geen vaste grond onder de voeten is, zodat we beginnen te zinken. In plaats van vooruitgang te boeken, merken we dat we vast blijven zitten. De waarheid is dat u noch ik het recht hebben om meer te willen weten over de uitverkiezing dan wat God ons vertelt, hetgeen genoeg voor ons zou moeten zijn. Als het voor ons de moeite waard was om meer te weten, dan zou God wel meer geopenbaard hebben.

Wij moeten geloven wat God ons heeft verteld. Maar met de kennis die wij hieruit putten, zijn wij al te geneigd om onze eigen vage ideeën eraan toe te voegen, wat ons ongetwijfeld op een dwaalspoor brengt. Het zou beter zijn als mensen zich in alle geschillen gewoon zouden vasthouden aan “Alzo zegt de HEERE,” in plaats van te zeggen: ‘Zo en zo denk ik erover.’ Ik zal nu proberen om, met de hulp van de Heilige Geest, het licht van Gods Woord op deze grote doctrine van Goddelijke soevereiniteit te werpen, en u een Bijbelse uitleg te geven van het feit dat sommige mensen uitverkoren zijn en anderen achtergelaten worden. Het grote feit dat in deze tekst beschreven wordt: “Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.”

Het is een vreselijke passage, en ik zal er zo eerlijk mogelijk over zijn. Sommige mensen beweren dat het woord “haten” niet echt “haten“ betekent; het zou “minder liefhebben“ betekenen. “Ik hield van Jakob, maar ik hield minder van Esau.“ Dat is misschien goed bedoeld, maar ik geloof niet dat dit het geval is. Er staat hier simpelweg “hate”; en totdat iemand mij een andere versie van de Bijbel laat zien, blijf ik hierbij. Ik geloof dat de term correct en nauwkeurig is vertaald. Het is evenmin de bedoeling dat de betekenis van het woord “hate” sterker is dan de oorspronkelijke betekenis. Maar zelfs als dat het geval zou zijn, geeft het de betekenis beter weer dan de andere vertaling die ons wordt aangeboden in die nietszeggende woorden “minder liefhad”. Ik neem het graag zoals het is. Het feit is dat God van Jakob hield, maar niet van Esau. Hij koos Jakob, maar niet Esau; Hij zegende Jakob, maar Hij zegende Esau nooit. Zijn genade volgde Jakob zijn hele leven lang, tot het allerlaatste moment, maar Esau daarentegen werd nooit door Zijn genade gevolgd. Hij liet hem voortgaan in zijn zonden, waarmee Hij die vreselijke waarheid bewees: “Esau heb Ik gehaat.”

Anderen zeggen, om van deze verschrikkelijke tekst af te komen, dat het hier niet over Ezau en Jakob gaat; maar de natie; het zou hier gaan om Jakobs kinderen en Ezau’s kinderen; het zou gaan om de kinderen van Israël en Edom. Ik zou weleens willen weten wat het verschil is. Wordt de moeilijkheid soms weggenomen door het nog verder uit te breiden? Sommige Wesleyaanse broeders zeggen namelijk dat er een verkiezing op nationaal niveau is. God zou sommige volkeren hebben uitverkoren en anderen niet. Zij beweren dat het onrechtvaardig zou zijn van God om sommige personen wél te verkiezen en andere niet. Nu vragen we hen redelijkerwijs: is het niet even onrechtvaardig van God om het ene volk wel te verkiezen en het andere niet? Het argument waarvan zij denken dat het ons onderuit haalt, haalt hen ook onderuit. Er is nog nooit zo’n dwaze uitvlucht geweest als de poging om een nationale uitverkiezing ter sprake te brengen. Wat is het verschil tussen de verkiezing van een natie en de verkiezing van vele individuen? De verkiezing van een heel volk komt op hetzelfde neer als de bijzondere verkiezing van een individueel persoon. Mensen kunnen maar niet begrijpen dat als (en dat geloven we geen moment) God onrechtvaardig zou zijn door een persoon uit te verkiezen en een ander niet, dat Hij dan nog onrechtvaardiger zou zijn door een heel volk uit te verkiezen. Nee! De moeilijkheid kan niet op deze manier worden weggenomen, maar wordt juist veel groter door dit dwaze geknoei met Gods Woord.

Hier is het bewijs dat dit onjuist is; lees het vers dat eraan voorafgaat. Er staat helemaal niets over naties; er staat: “Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende, Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; Gelijk geschreven is: “Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.” Het verwijst naar de kinderen, niet naar de naties. Natuurlijk werd dit later vervuld met betrekking tot de positie van de twee naties; Edom moest Israël dienen. Maar deze tekst betekent precies wat er staat; er worden geen volkeren bedoeld, maar de genoemde personen. “Jakob,” dat wil zeggen, de man wiens naam Jakob was “Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.”

Mensen moeten oppassen hoe ze met Gods Woord omgaan. Ik heb gehoord van mensen die passages veranderden omdat het hen niet beviel. Weet u, ze kunnen niet veranderd worden, ze blijven echt precies hetzelfde. De enige manier waarop we Gods Woord kunnen beïnvloeden is door het gewoon te laten zoals het is en er ons door Gods genade aan over te geven. We moeten nooit proberen de Bijbel voor ons te laten buigen. Het is ook niet mogelijk, want de waarheden van de Goddelijke openbaring zijn zo zeker en vast als de troon van God. Als een man van een mooi uitzicht wil genieten en er ligt een machtige berg op zijn pad, begint hij dan aan de voet van die berg te hakken, in de ijdele hoop dat het uiteindelijk een vlakte voor hem zal worden? Nee, integendeel, hij zal zijn doel proberen te bereiken door de berg met ijver te beklimmen. Hij weet heel goed dat dit de enige manier is om het doel te bereiken dat hij voor ogen heeft. Wij zouden hetzelfde moeten doen; we kunnen de waarheden Gods niet verlagen tot ons arme, eindige begrip. De berg zal voor ons nooit naar beneden komen, maar we kunnen kracht putten uit onze kennis van Goddelijke zaken door steeds hoger te klimmen. Alleen op deze manier kunnen we hopen de zegen te verkrijgen.

Ik wil twee dingen opmerken. Ik leg deze tekst zo uit dat het precies zegt wat er staat, zonder ook maar iets te veranderen: “Jakob heb ik liefgehad, en Ezau heb ik gehaat.” Om de scherpe kantjes af te halen van deze vreselijke leer die sommige mensen zo op hun lippen doet bijten, wil ik slechts opmerken dat het een feit is, daarna zal ik proberen antwoord te geven op de vraag: Waarom heeft God Jakob liefgehad en Ezau gehaat?

Ten eerste: het is een feit. Er zijn mensen die zeggen dat ze niet van de leer van uitverkiezing houden. Maar is het niet een feit dat God sommigen heeft uitverkoren? Begin met een Arminiaanse broeder over uitverkiezing en u krijgt meteen een felle blik, hij begint boos te worden omdat hij dit niet kan verdragen. Hij vindt het afschuwelijk, het is voor hem als een oorlogskreet en hij begint meteen het mes van de twist te slijpen. Maar zeg tegen hem: ‘Ach, broeder, was het niet de Gods genade die jou van mening deed veranderen? Was het niet de Heere die u uit uw natuurlijke staat riep en u maakte tot wat u nu bent? “Oh, ja,” zegt hij, ”daarin ben ik het helemaal met u eens.” Stel hem nu deze vraag: ‘Wat is dan volgens u de reden dat sommige mensen zich bekeren en anderen niet?’ “Oh,” antwoordt hij, “de Geest van God is in die persoon aan het werk geweest.” Welnu, mijn broeder, het is een feit dat God de ene mens anders behandelt dan de andere; Is er iets miraculeus aan dit feit? Wij zien het toch elke dag?

Daar is een man, hij kan zo hard werken als hij wil, maar hij verdient niet meer dan vijftien shilling per week. Maar er is ook iemand die duizend shilling per jaar opstrijkt, wat kan daar de reden van zijn? Sommigen worden geboren in een koninklijk paleis, terwijl anderen hun eerste adem uitblazen in een krot zonder dak. Wat is daar de reden van? Gods voorzienigheid! Hij plaatst de ene persoon in de ene positie en de andere in een andere. Hier is iemand die het niet voor elkaar krijgt om twee dingen tegelijk te onthouden; u kunt met hem doen wat u wilt. Maar er is ook iemand die kan gaan zitten en een boek kan schrijven en zich kan verdiepen in de diepste vragen, wat is daar de reden voor? God heeft het zo gewild. Ziet u dan niet dat God niet iedereen hetzelfde behandelt? Hij heeft sommigen tot adelaars gemaakt en anderen tot wormen; sommigen tot leeuwen en weer anderen tot kruipende hagedissen; sommigen tot koningen en weer anderen tot bedelaars. Sommigen worden geboren met gigantische intellecten en anderen lijken bijna helemaal geen intellect te hebben. Hoe komt dat? Is dat reden om op God te mopperen? Nee, u geeft toe dat dit een feit is en dat het niet goed is om op God te mopperen. Wat heeft het voor zin om tegen feiten aan te schoppen? Het is niets anders dan met uw blote voeten tegen de verzenen trappen, waarbij u uwzelf pijn doet en niet hen. Welnu, verkiezing is een positief feit; het is zonneklaar dat God in godsdienstige zaken sommige mensen meer geeft dan anderen.

Hij heeft mij mogelijkheden gegeven om het Woord te horen die Hij de inheemse nomaden niet gaf. Hij heeft mij ouders gegeven die mij van jongs af aan hebben opgevoed in de vreze des Heeren. Dat heeft Hij velen van u niet gegeven. Vervolgens heeft Hij mij op plaatsen gezet waar ik behoed werd om te zondigen. Andere mensen zijn op plaatsen gesteld waar hun zondige hartstochten tot ontwikkeling zijn gekomen. Hij geeft de ene mens een karakter en aanleg dat hem weerhoudt van bepaalde begeerten, terwijl Hij de andere mens zo’n impulsiviteit geeft, dat de verdorvenheid die impulsiviteit zodanig beïnvloedt dat die mens zich halsoverkop in de zonde stort. De een brengt Hij onder het geluid van een krachtige bediening, terwijl de ander zit te luisteren naar een prediker wiens slaperigheid alleen wordt overtroffen door die van zijn toehoorders. En zelfs als ze het Evangelie horen, is het een feit dat God in het ene hart werkt en in het andere niet.

Hoewel ik tot op zekere hoogte geloof dat de Geest werkt in de harten van een ieder die het Woord hoort, zodat niemand een excuus heeft, weet ik zeker dat Hij in sommigen zo krachtig werkt dat ze Hem niet langer kunnen weerstaan. Door Zijn genade worden ze gedwongen om zich aan Zijn voeten te werpen en Hem te belijden als Heer van allen. Maar anderen weerstaan de genade die in hun hart is gekomen; en het werkt niet met dezelfde onweerstaanbare kracht als in het andere geval, ze komen om in hun zonden en worden verdiend en terecht veroordeeld. Zijn dit geen feiten? Ontkent iemand ze? Kan iemand ze ontkennen? Wat heeft het voor zin om tegen feiten in te gaan? Wanneer er een discussie is, wil ik altijd graag weten wat het feit is.

Misschien hebt u weleens het verhaal gehoord van Koning Karel de Tweede en zijn filosofen. Koning Karel vroeg aan een van hen: ‘Wat is de reden dat wanneer men een emmer water weegt en er vervolgens een vis in doet, het gewicht hetzelfde blijft?’ Ze gaven er een heleboel uitgebreide redenen voor. Uiteindelijk zei een van hen: ‘Is dat een feit?’ Toen ontdekten ze dat het water wel degelijk meer woog, precies zoveel meer als de vis die erin zat. Al hun hoogdravende argumenten vielen in duigen. Daarom is het goed om, als we het over uitverkiezing hebben, de leer even terzijde te schuiven en te kijken wat het feit is. Loop naar buiten en kijk om u heen; daar zult u de feiten zien. Wat is dan nog het nut van onze discussies? We kunnen het maar beter geloven, want het is een onbetwistbare waarheid. U kunt een mening veranderen, maar u kunt een feit niet veranderen. U kunt een leerstelling veranderen, maar u kunt onmogelijk iets veranderen dat werkelijk bestaat. Het is duidelijk – God behandelt sommige mensen beslist beter dan anderen. Daar is het – God gaat met sommige mensen zeker beter om dan met anderen. Ik zal geen verontschuldiging maken voor God; Hij kan Zichzelf wel verklaren; Hij heeft mijn verdediging niet nodig.

Voordat u over deze leer gaat redetwisten, bedenk dan dat u er niets aan kunt veranderen, ongeacht wat uw mening erover is. Welk argument u er ook tegen inbrengt, het feit blijft dat God van Jakob hield en niet van Ezau. Kijk nu naar het leven van Jakob. Lees zijn geschiedenis en u zult moeten toegeven dat God van hem hield vanaf het moment dat hij het huis van zijn vader verliet tot het allerlaatste ogenblik. Hij is niet ver van het huis van zijn vader of hij wordt moe en gaat liggen en gebruikt een steen als kussen. De heggen zijn zijn gordijn en de hemel is zijn dak. Hij valt in slaap en wanneer hij slaapt spreekt God tot hem. Hij ziet een ladder waarvan de top tot de hemel reikt, vervolgens ziet hij engelen de ladder op- en afgaan. Dan gaat hij op weg naar Laban, daar probeert Laban hem te misleiden, maar elke keer als Laban probeert hem onrecht aan te doen, staat God dat niet toe, maar vermenigvuldigt hij de verschillende soorten vee die Laban hem geeft.

Als hij daarna onverwachts voor Laban vlucht en achtervolgd wordt, verschijnt God aan Laban in een droom en draagt hem op om goed noch kwaad tegen Jakob te spreken. En nog opmerkelijker, als zijn zonen Levi en Simeon een moord hebben gepleegd in Sichem en Jakob vreest dat hij zal worden overmeesterd en verdelgd door de inwoners die tegen hem in opstand zijn gekomen, boezemt God het volk angst in en zegt tegen hen: ‘Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.’ Als er hongersnood over het land komt, stuurt God Jozef naar Egypte om zijn broers in Gosen van koren te voorzien, zodat ze zullen blijven leven en niet zullen sterven. Zie het gelukkige einde van Jakob: ‘Ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve.’ Zie hoe de tranen over zijn oude wangen stromen als hij zijn eigen Jozef aan zijn boezem drukt! Zie hoe groots hij de Farao tegemoet treedt en hem zegent. Er staat geschreven: ‘En Jakob zegende Farao.’ Hij was zo vol van Gods liefde dat hij de machtigste heerser van zijn tijd kon zegenen. Uiteindelijk gaf hij de geest en er werd gezegd: ‘Dit was een man waar God van hield.’ Het is een feit dat God van Jakob hield.

Aan de andere kant is er ook het feit dat God niet van Ezau hield. Hij stond toe dat Ezau de vader van prinsen werd, maar Hij zegende zijn generatie niet. Waar is het huis van Ezau nu? Edom is vergaan. Ze heeft haar steden en kamers in de rotsen uitgehouwen, maar God heeft haar inwoners verlaten en Edom is niet meer te vinden. Ze werden de slaven van Israël; de koningen van Edom moesten een jaarlijks schatting van wol afstaan aan Salomo en zijn opvolgers. De naam Ezau is nu uit het boek van de geschiedenis gewist. Ik wil nogmaals benadrukken dat dit op zijn minst een deel van de bitterheid van de controverse zou moeten wegnemen als we in gedachten houden, ongeacht wat mensen zeggen, dat het een feit is dat God van Jakob hield en niet van Ezau.

Waarom was dat zo? Waarom hield God van Jakob? Waarom haatte Hij Esau? Ik ga niet alles in één keer behandelen. De vraag is: ‘Waarom hield God van Jakob en waarom haatte Hij Ezau?’ We zullen één vraag per keer bekijken. De reden waarom sommige mensen verward raken in de theologie is omdat ze twee vragen tegelijk proberen te beantwoorden. Dat ga ik niet doen; ik wil elke vraag apart behandelen. Ik zal u vertellen waarom God van Jakob hield; en daarna zal ik u vertellen waarom Hij Ezau haatte. Alleen kan ik u niet dezelfde reden geven voor twee tegenovergestelde waarheden. Hier is het bij veel mensen misgegaan. Ze zagen de feiten, dat God Jakob liefhad en Ezau haatte, dat God een uitverkoren volk heeft en dat er anderen zijn die niet uitverkoren zijn. Vervolgens proberen ze dezelfde reden te geven voor verkiezing en niet-verkiezing, waardoor ze er een droevige warboel van maken. Als ze daar nu eens mee ophouden en één punt tegelijk behandelen, daarbij acht slaand op Gods Woord, dan kan het niet misgaan.

De eerste vraag is, waarom hield God van Jakob? Het is helemaal niet moeilijk om deze vraag te beantwoorden, want als ik me tot het Woord van God wend, lees ik deze tekst: ‘Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend; schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israëls.’ Ik kan u vertellen dat het niet vanwege iets goeds in Jakob kon zijn dat God hem liefhad, want mij wordt gezegd dat ‘de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende.’ Ik zal u de reden vertellen waarom God van Jakob hield; het was soevereine genade. Er was niets in Jakob dat God ertoe kon brengen van hem te houden; er was van alles aan hem dat ervoor had kunnen zorgen dat God hem net zo haatte als Ezau, misschien nog wel veel meer. Maar omdat God oneindig genadig is, hield Hij van Jakob, en omdat Hij soeverein was in het uitdelen van deze genade, koos Hij Jakob als het voorwerp van Zijn liefde. Ik ga het nu niet over Ezau hebben totdat ik de vraag over Jakob beantwoord heb. Ik wil alleen dit opmerken, dat Jakob door God geliefd werd eenvoudigweg op grond van vrije genade.

Laten we nu kijken naar het karakter van Jakob; ik heb in de uiteenzetting al gezegd wat ik van hem vind. Ik heb geen grote gedachten van Jakobs karakter. Van nature was hij iemand die altijd op zoek was naar een voordeeltje. Laatst werd ik werd  geraakt door het visioen dat Jakob in Bethel had; het toonde me een bijzonder beeld van Jakob’s onderhandelende karakter. U weet dat hij ging liggen en dat het God behaagde om de deuren van de hemel voor hem te openen, zodat hij God zag zitten aan de top van de ladder en de engelen daarop zag opklimmen en neerdalen. Wat denkt u dat hij zei zodra hij wakker werd? Wel, hij zei: ‘Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten.’ Hij was bang en zei: ‘Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels.’

Als Jakob geloof had gehad, zou hij niet bang zijn geweest voor God; integendeel, hij zou zich hebben verheugd dat God hem zo had toegestaan om gemeenschap met Hem te hebben. Luister naar de wijze waarop Jakob met God probeerde te onderhandelen. God had eenvoudigweg tegen hem gezegd: ‘Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik u geven en uw zaad.’ Hij zei niets over wat Jakob moest doen: God zei alleen: Ik zal het doen, ‘Zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal waar gij heen trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in ditzelve land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben hetgeen Ik tot u gesproken heb.’ Kunt u  begrijpen waar Jakob, nadat God van aangezicht tot aangezicht tot Jakob had gesproken, het lef vandaan haalde om met God te onderhandelen? Maar hij deed het. Hij begint met te zeggen: ‘Wanneer…’ De man heeft een visioen en een absolute belofte van God ontvangen, en toch begint hij met een ‘wanneer’.

Hij is keihard aan het onderhandelen! ‘Wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten en klederen om aan te trekken, zo zal…‘ Zonder aarzeling stelt hij God een voorwaarde, ‘Zo zal de HEERE mij tot een God zijn; En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen; en alles wat Gij mij geven zult, daarvan zal ik U voorzeker de tienden geven.’ Hier verbaas ik mij echt over! Als ik niet iets van mijn eigen natuur zou kennen, dan zou ik het absoluut niet kunnen begrijpen. Wat? Een man die met God heeft gesproken en dan een regeling met Hem wil treffen! Een man die de enige toegangsweg tussen hemel en aarde heeft gezien, de ladder Christus Jezus, en een verbond heeft laten sluiten tussen hemzelf en God, een verbond dat helemaal door God Zelf is gesloten – een belofte – en dan toch God aan de afspraak proberen te houden, alsof het mogelijk was dat God Zijn belofte zou breken! Oh, dit was waarlijk verachtelijk!

Laten wij ook eens acht slaan op het leven van Jakob. Toen hij bij Laban woonde, was dat een ellendig verblijf. Hij was in handen gekomen van een werelds man; en telkens als een hebzuchtige christen in zulk gezelschap komt, volgt er een vreselijk tafereel! Daar staan ze samen, hebzuchtig en begerig. Als een engel op hen zou kunnen neerkijken, zou hij wenen als hij zag dat de man van God van zijn hoge plaats was gevallen om net zo slecht te worden als de andere. De list die Jakob gebruikte toen hij zijn loon probeerde te krijgen was hoogst merkwaardig. Waarom liet hij het niet aan God over in plaats van zulke methoden te gebruiken? In de loop van de geschiedenis kunnen we niet anders dan beschaamd zijn over Jakob. En dan is er die grote periode in zijn leven, het keerpunt, wanneer ons wordt verteld dat Jakob worstelde met God en zegevierde. Daar zullen we naar kijken. Ik heb het onderwerp zorgvuldig bestudeerd en denk nu niet meer over hem zoals ik dat eerst deed. Ik dacht dat Jakob met God worstelde, maar ik ontdekte het tegenovergestelde; hij worstelde niet met God; God worstelde met hem. Ik had altijd gedacht dat Jakob het voorbeeld was van een man die worstelde in gebed; nu denk ik daar anders over. Hij verdeelde zijn familie en stuurde iemand vooruit om Ezau gunstig te stemmen. Zelf ging hij niet voorop, met het heilige vertrouwen dat een patriarch had moeten hebben; bewaakt door de almacht des hemels had hij vrijmoedig zijn broer tegemoet kunnen gaan, maar nee! Hij voelde zich er niet zeker van dat deze aan zijn voeten zou buigen, hoewel de belofte luidde: ‘de meerdere zal den mindere dienen.’ Hij rustte niet op die belofte; ze was niet groot genoeg voor hem.

Daarna ging hij ‘s nachts naar de beek Jabbok. Ik weet niet waarom, misschien om te bidden, maar ik vrees van niet. De tekst zegt: ‘Doch Jakob bleef alleen over; en een Man worstelde met hem totdat de dageraad opging.’ Het is een groot verschil of een man met mij worstelt of dat ik met hem worstel. Als ik met iemand worstel, wil ik iets van hem krijgen, maar als een man met mij worstelt, wil hij iets van mij krijgen. Daarom denk ik dat toen de Man met Jakob worstelde, Hij zijn sluwheid en bedrog wilde wegnemen om te bewijzen wat een arm zondig schepsel hij was, maar dit lukte Hem niet. Jakob was zo sterk dat hij niet overwonnen kon worden; uiteindelijk raakte de engel zijn heup aan en toonde hem zijn zwakheid. Jakob keerde zich om en zei: ‘U hebt mijn kracht weggenomen; nu zal ik met U worstelen.’ En pas toen zijn heup ontwricht was en hij ten volle zijn eigen zwakheid voelde, toen, en niet eerder, werd hij ertoe gebracht om te zeggen: ‘Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.’ Jacob had op zijn eigen kracht vertrouwd, maar God vernederde hem uiteindelijk. Pas toen al zijn grootmoedigheid was verdwenen, werd Jakob een zegevierende prins. Maar zelfs daarna is zijn leven niet wat het moet zijn. We vinden hem terug als een ongelovig schepsel. Ook wij zijn zo slecht geweest, hoewel we Jacob verwijten maken, zullen we onszelf ook moeten beklagen.

We nemen het hem kwalijk, maar we zullen het onszelf nog kwalijker nemen. Herinnert u zich niet de gedenkwaardige toespraak van de aartsvader toen hij zei: ‘Jozef, die is er niet, en Simeon, die is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen; al deze dingen zijn tegen mij?’ Ach Jakob, waarom kunt u de belofte niet geloven? Alle andere beloften zijn vervuld. Maar nee, hij kon die belofte niet in gedachten houden; hij wilde steeds weer leven door aanschouwen. Welnu, ik denk dat als Jakobs karakter is zoals ik het heb beschreven, en ik weet zeker dat dat zo is – want we lezen het in Gods Woord – er niets in Jakob was of kon zijn waardoor God van hem hield. De enige reden waarom God van hem hield is vanwege Zijn eigen genade, want ‘Ik zal Mij ontfermen diens Ik Mij ontferm.’ Heb daarom moed, want Gods soevereine genade is de enige reden waarom ieder van ons mag hopen behouden te worden. Er is geen andere reden waarom ik, of jij, gered zou moeten worden. Dit kan alleen door Gods genadige hart en Gods almachtige wil. Dat is het leerstuk; het wordt niet alleen in deze passage onderwezen, maar in ontelbare andere passages van Gods Woord. Beste lezer, ontvang het, klamp uzelf vast en laat het niet meer los.

De volgende vraag is een heel andere: Waarom haatte God Ezau? Ik ga deze vraag niet combineren met de andere. Ze staan helemaal los van elkaar en dat wil ik zo houden; twee vragen kunnen niet met één antwoord worden afgedaan. Als we ze apart behandelen, kunnen we beide een bevredigend antwoord geven.

Waarom zou God iemand haten? Ik daag iedereen uit om een ander antwoord te geven dan dit, namelijk dat deze persoon het verdient. Er bestaat geen andere mogelijkheid dan deze. Sommige mensen antwoorden: ‘Het is Gods soevereine wil’; aan hen wil ik vragen om deze theorie eens goed te overdenken.

Gelooft u werkelijk dat toen God de mens schiep, hij hem willekeurig schiep, soeverein – dat is hetzelfde – met geen andere bedoeling dan hem te verdoemen? Dat Hij de mens schiep met de intentie om hem voor eeuwig te vernietigen? Als u dat gelooft kan ik niet anders dan medelijden met u hebben. U verdient medelijden omdat u zo gemeen denkt over God, Wiens barmhartigheid oneindig is. U hebt helemaal gelijk als u zegt dat de reden waarom God een mens liefheeft, dat is omdat God dat wil; want in de mens is geen reden te vinden. Maar u kunt niet hetzelfde antwoord geven op de vraag waarom God een mens haat. Als God een mens hard behandelt, dan is dat omdat die mens verdient wat hij krijgt. In de hel zal er geen enkele verloren ziel zijn die tegen God zal zeggen: God, U hebt me slechter behandeld dan ik verdien! Integendeel, elke verloren ziel zal het gevoel hebben dat hij kreeg wat hij verdiende, dat zijn ondergang aan hemzelf te danken is en niet aan God. Hij zal zich realiseren dat God helemaal niets te maken had met zijn veroordeling, afgezien van het feit dat Hij net als een rechter een misdadiger heeft veroordeeld. Als gevolg van zijn eigen slechte werken heeft hij zelf de veroordeling over zich afgeroepen. Gerechtigheid is datgene wat een mens veroordeelt; het is barmhartigheid, het is vrije genade, die redt. Soevereine genade houdt de weegschaal van liefde omhoog; rechtvaardigheid houdt de andere weegschaal omhoog. Wie kan zoiets aan de soevereiniteit toekennen? Dat is godslasterlijk en een belediging voor God.

Laten we nu eens kijken naar het karakter van Ezau, iemand zegt: ‘verdiende hij het dat God hem zou verstoten?’ Ik antwoord: dat deed hij. Dat blijkt duidelijk uit wat we weten van Ezau’s karakter. Ezau verloor zijn eerstgeboorterecht, ga daar niet om zitten wenen en geef God niet de schuld. Ezau verkocht het zelf; hij verkocht het voor een schijntje. Oh Ezau, het is ijdel van je om te zeggen: ‘Ik ben mijn eerstgeboorterecht door een decreet kwijtgeraakt.’ Nee, Jakob kreeg het bij decreet, maar jij verloor het omdat je het zelf verkocht, nietwaar? Heb je het zelf niet verkocht? Heb je niet uit vrije wil de pot met rode soep gekozen in plaats van het geboorterecht? Je ondergang heb je aan jezelf te danken, want je hebt je eigen ziel voor een schijntje verkocht; je hebt het zelf gedaan. Heeft God Ezau daartoe aangezet? God verhoede het, God is niet de auteur van zonde. Ezau gaf vrijwillig zijn eigen geboorterecht op. De leer is dat iedereen die de hemel verspeelt, het zelf heeft weggegeven. Iedereen die het eeuwige leven verliest, heeft het zelf afgewezen. God wijst hem niet af, nee, hij wil zelf niet komen om het leven te ontvangen. Waarom blijft een mens goddeloos en vreest hij God niet? Omdat hij zegt: ‘Ik heb liever deze drank, ik heb liever dit plezier, ik schend liever de sabbat dan dat ik de dingen van God doe.’ Niemand wordt gered door zijn eigen vrije wil, maar een mens wordt er wel door verdoemd. Hij doet het uit vrije wil; niemand dwingt hem.

Zondaar, u weet dat als u de roepstem van je geweten negeert, u dit zelf doet. U weet dat als u na het horen van een preek zegt: ‘Het maakt me niet uit of ik in Christus geloof of niet,’ u dit echt zelf zegt. U bent u er terdege van bewust, en als u zich er niet van bewust bent komt dat omdat u bent wat u wilt zijn. Het is uw eigen wil die u in de huidige situatie houdt, de schuld ligt bij uwzelf,  u bevindt u vrijwillig in een staat van zonde. U bent een gevangene, maar u bent een vrijwillige gevangene. U zult nooit uit vrije wil bevrijd willen worden, totdat God u daartoe bereid heeft gemaakt. Daarentegen wilt u wel een slaaf zijn. U kunt er niet omheen dat de mens wel van zonde en kwaad houdt, maar niet van God. U weet dat u nog steeds vasthoudt aan uw ongerechtigheden, ook al wordt de hemel u verkondigd door het bloed van Christus en dreigt de hel als gevolg van uw zonden. U wilt ze niet loslaten en naar Christus vluchten. En als u verstoten wordt, zal er uiteindelijk van u gezegd worden: ‘U hebt uw geboorterecht verloren.’ Maar u hebt het zelf verkocht. U houdt meer van de danszaal dan van Gods huis; u vindt het café belangrijker dan de gebedsbijeenkomst. U vertrouwt meer op uwzelf dan op Christus. U verkiest de vreugde van het heden boven de vreugde van de toekomst. Het is uw eigen keuze. U hebt zelf uw ondergang gekozen, niet God; u hebt het rijkelijk verdiend.

‘Maar,’ zegt u, ‘Ezau had toch berouw getoond?’ Ja, dat heeft hij, maar wat voor soort berouw was dat, hebt u ooit de aard van zijn berouw opgemerkt? Een ieder die berouw heeft en gelooft, zal gered worden. Maar welk berouw had hij? Zodra hij erachter kwam dat zijn broer het eerstgeboorterecht had gekregen, zocht hij het wederom met berouw, hij zocht het met tranen, maar kreeg het niet terug. U weet dat hij zijn eerstgeborene had verkocht voor een pan soep. En hij dacht het terug te kopen door een pan eten voor zijn vader klaar te maken. ‘Ziezo’, denkt hij, ‘ik ga op wildjacht voor mijn vader. Als ik hem heb overtuigd met smakelijke spijzen, zal hij mij graag mijn geboorterecht teruggeven.’

Dit is precies wat zondaars denken: ‘Ik ben de hemel kwijtgeraakt door mijn slechte werken, dus ik kan hem gemakkelijk terugverdienen door me te bekeren. Heb ik hem niet verloren door te zondigen? Ik zal hem terugwinnen door mijn zonden op te geven.’ De een zegt: ‘Ik ben een dronkaard geweest; ik zal het drinken opgeven en ik zal nu geheelonthouder zijn.’ Een ander zegt: ‘Ik heb vreselijk gevloekt; dat spijt me heel erg; ik zal niet meer vloeken.’ Het enige wat deze persoon zijn vader geeft is een pot soep, hetzelfde als waarvoor hij het verkocht heeft. Nee, zondaar, u kunt de hemel wel verkopen voor een paar vleselijke genoegens, maar u kunt de hemel niet terugkopen door deze genoegens simpelweg op te geven. De hemel kan alleen verkregen worden door een andere grond, namelijk die van vrije genade. Het is uw eigen schuld dat u uw ziel hebt verloren, maar het is niet zo dat u het terug kunt verdienen door goede werken of door afstand te doen van uw zonden.

Als u denkt dat Ezau een oprecht boeteling was, laat me u dan nog iets over hem vertellen. Wat zei deze boeteling toen hij de zegen niet kreeg? ‘De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.’ Zie hier jouw oprechte boeteling. Dit is niet het berouw dat van God de Heilige Geest komt. Er zijn meer mensen die zo zijn, zij zeggen dat ze het heel erg vinden dat ze zulke zonden hebben begaan, dat ze het heel erg vinden dat ze in zo’n trieste toestand terecht zijn gekomen. En vervolgens doen ze weer hetzelfde als voorheen.

Hun berouw haalt hen niet uit hun zonde, maar houdt hen er juist in en dompelt hen misschien nog wel dieper onder in schuld. Kijk nu naar het karakter van Ezau. Het enige positieve was dat hij berouw toonde, maar zelfs dat berouw verergerde zijn zonde omdat het niet de uitwerking had van een evangelisch berouw. Ik zeg u: omdat Ezau zijn eerstgeboorterecht verkocht, verdiende hij het om het te verliezen. Daarom kan ik met recht zeggen dat als God Ezau haatte, dat was omdat hij het verdiende om gehaat te worden. Ziet u hoe de Schrift deze conclusie altijd verdedigt? Lees het negende hoofdstuk van Romeinen, waar we onze tekst hebben gekozen, en zie hoe nauwkeurig de Heilige Geest hier is, in het 22e en 23e vers. ‘En of God, willende Zijn toorn bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid; En opdat Hij zou bekendmaken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij tevoren bereid heeft tot heerlijkheid?’ Er staat niets over het voorbereiden van mensen voor het verderf; nee, ze hebben zichzelf voorbereid. Dit hebben zij zelf gedaan, God heeft er helemaal niets mee te maken. Wanneer mensen worden gered, worden ze door God daartoe voorbereid. In de verlossing komt God alle eer toe; in het verderf behoort alle schuld toe aan de mens.

Als u wilt weten wat ik dagelijks predik, of als een vreemdeling zou vragen: ‘Geef mij eens een samenvatting van zijn leer,’ zeg dan: ‘Hij predikt redding door genade en verdoemenis door zonde. Voor elke ziel die gered wordt, geeft hij God alle eer, maar hij wil niet dat God de schuld krijgt van het feit dat een mens verdoemd is.’ Wat een vreemde doctrine is het toch, ik kan het niet begrijpen, mijn ziel komt in opstand bij het idee dat er een leer bestaat die het zielenbloed van de mens bij God legt. Ik kan me niet voorstellen hoe een menselijke geest, althans een christelijke geest, zo’n godslastering kan aanhangen. Ik predik graag deze gezegende waarheid – redding is van God, van het begin tot het einde – de Alfa en de Omega; maar als ik de vloek moet prediken, dan zeg ik: vervloeking is van de mens, niet van God; en als u omkomt, dan moet uw bloed van uw eigen handen worden geëist.

Er is nog een andere passage. Is het u opgevallen dat op de laatste grote dag, wanneer de gehele wereld voor Jezus bijeengebracht zal worden om geoordeeld te worden, de rechtvaardigen aan de rechterzijde staan en Jezus zegt: ‘Komt, gij gezegenden Mijns Vaders’ (‘Mijns Vaders’, let hierop) ‘beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is’ (let ook op het volgende) ‘van de grondlegging der wereld.’ Maar wat zegt hij tegen degenen aan de linkerkant? ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekten.’ Hij zegt niet: gij vervloekten van Mijn Vader, maar: ‘gij vervloekten.’ Wat zegt Hij dan nog meer? ‘in het eeuwige vuur, hetwelk’ (niet voor jullie, maar) ‘den duivel en zijn engelen bereid is.’ Zie hoe hoe het verlossingswerk hier is gewaarborgd, het is alles van God. ‘Komt, gij gezegenden Mijns Vaders.’ Het is een Koninkrijk dat voor hen bereid is. Daar hebt u uitverkiezing, vrije genade in al haar lengte en breedte. Maar over degenen aan de linkerkant wordt er geen woord gezegd over de Vader – helemaal niets. ‘Gaat weg van Mij, gij vervloekten.’ Er wordt zelfs gezegd dat de vlammen niet bereid zijn voor zondaars, maar voor de duivel en zijn engelen. Ik geloof dat de Heilige Geest hier wil zeggen dat in de verlossing alle eer aan God moet worden toegekend en alle schuld bij de mens zelf moet worden gelegd. Ik kan geen andere woorden bedenken dat dit beeld krachtiger zou kunnen uitdrukken.

Ik heb deze twee vragen eerlijk beantwoord. Ik heb geprobeerd een Bijbelse uitleg te geven van hoe God met de mens handelt. Hij redt de mens uit genade en als mensen verloren gaan, is dat terecht en door eigen schuld. ‘Hoe,’ vraagt iemand, ‘wilt u deze twee doctrines bij elkaar brengen?’ Beste broeder, ik verzoen nooit twee vrienden met elkaar. Deze twee doctrines zijn vrienden van elkaar omdat ze allebei in Gods Woord staan, daarom zal ik niet proberen ze met elkaar te verzoenen. Als u me kunt laten zien dat ze vijanden zijn, dan zal ik ze verzoenen. ‘Maar,’ zegt iemand,’er bestaat een hoop onduidelijkheid omtrent deze twee.’ Vertel mij eens over welke waarheid er geen onduidelijkheid bestaat? ‘Maar,’ zegt een ander, ‘ik kan het niet zien.’ Welnu, ik vraag u niet om het te zien; ik vraag u om het te geloven.

Er zijn veel dingen in Gods Woord die moeilijk zijn en die ik niet kan zien, maar ze zijn er wel en ik geloof ze. Ik kan niet zien hoe God almachtig kan zijn terwijl de mens tegelijkertijd een vrije wil heeft. Toch is het zo en ik geloof het. ‘Nou,’ zegt iemand, ‘dat kan ik niet begrijpen.’ Daarop antwoord ik dat ik heb geprobeerd het zo duidelijk mogelijk uit te leggen, als u het niet begrijpt, kan ik u niet helpen; daar moet ik het bij laten. Maar nogmaals, het is geen kwestie van begrijpen; het is een kwestie van geloof. Deze twee zaken zijn allebei waar; ik zie niet dat ze ook maar enigszins verschillen. Als dat wel zo was, als ze elkaar lijken tegen te spreken, dan moet ik zeggen dat dat onmogelijk is, want God zal Zichzelf nooit tegenspreken. En ik denk dat ik hiermee de kracht van mijn geloof in God laat zien, dat ik Hem kan geloven, zelfs als Zijn woord tegenstrijdig lijkt te zijn. Dat is geloof. Geloofde Abraham niet in God, zelfs toen Gods belofte zijn voorzienigheid leek tegen te spreken? Abraham en Sara waren oud, maar God zei dat Sara een kind zou krijgen. Hoe zou dat kunnen? Zei Abraham, want Sara is oud; en toch geloofde Abraham de belofte en kreeg Sara een zoon. Er was een vereniging tussen de voorzienigheid en de belofte; en als God voorzienigheid en belofte kan samenbrengen, dan kan hij ook leer en belofte samenbrengen. Als ik het niet kan, dan kan God het, zelfs in de toekomstige wereld.

Laat me nog even praktisch spreken. Zondaar, als u verloren gaat zal uw ondergang aan uzelf te danken zijn. Uw geweten vertelt u dit en het Woord van God bevestigt het. U hebt uw veroordeling aan uzelf te wijten. Als u omkomt, kom u om door zelfmoord. U bent uw eigen moordenaar omdat u Christus afwijst, omdat u het geboorterecht hebt veracht en het verkoopt voor een ellendige pot soep, ja, voor de genoegens van de wereld. Het is een doctrine die door me heen galmt. Gelijk een tweesnijdend zwaard zou ik het willen laten doordringen tot aan de scheiding van de gewrichten en het merg. Als u verdoemd wordt, is dat uw eigen schuld. Als u in de hel wordt gevonden, zal uw bloed aan uw eigen handen kleven. U zult het brandhout naar uw eigen brandstapel brengen; u zult het ijzer verzamelen voor uw eigen ketenen; op uw hoofd zal uw eigen ondergang rusten. Maar als u behouden wordt, kan dat niet door uw verdiensten zijn; dat zal door genade zijn, vrije, soevereine genade. Het evangelie is aan u verkondigd; het luidt als volgt: ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.’

Moge u nu genade worden gegeven om uzelf aan dit heerlijke gebod over te geven. Moge u op dit moment geloven in Hem die in de wereld kwam om zondaars te redden, van wie ik de voornaamste ben. Vrije genade, wie zal uw heerlijkheden kunnen beschrijven? Wie zal uw daden kunnen navertellen of uw overwinningen kunnen optekenen? U hebt de sluwe Jakob in de heerlijkheid gedragen en hem wit gemaakt als de engelen van de hemel, en U zult ook menig zwarte zondaar daarheen dragen en hem net zo glansrijk maken als de verheerlijkten. Moge God in uw eigen ervaring bewijzen dat deze leer waar is! Als u nog steeds moeite hebt met een van deze punten, doorzoek dan het Woord van God en vraag om het licht van Zijn Geest om u te onderwijzen. Maar onthoud dat dit niet de belangrijkste punten zijn in de Schrift. Wat u het meest aangaat, is of u belang hebt bij het bloed van Christus? Of u echt in de Heere Jezus gelooft. Ik heb deze punten alleen aangestipt, omdat ze veel mensen een hoop moeite bezorgen en ik dacht dat ik sommigen van jullie zou kunnen helpen om op de nek van de draak te gaan staan. Moge God geven dat het zo mag zijn omwille van Christus. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content