Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Preken

Zondaren bij de Zaligmaker brengen

25 min. lezen

Beluister deze preek

Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.

Een preek uitgesproken op zondagavond 22 augustus 1880 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft. En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. En Hij antwoordde hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. Markus 9:17-20

Ik ben niet van plan zozeer over deze hele tekst te spreken, maar wil het laatste deel ervan gebruiken als een soort motto voor een oproep aan christenen om ijverig te zijn in de dienst van hun Heere. Als we onze medeschepselen goed willen doen, is het beste wat we voor hen kunnen doen: hen tot de Heere Jezus Christus brengen. Aan de voeten van Jezus hebben wijzelf de zaligheid ontvangen, als we tenminste gered zijn. We hebben nooit echte vrede in ons hart gehad voordat we tot Christus kwamen, en we zouden die ook nooit gekregen hebben als we bij Hem vandaan waren gebleven. De grote Arts Die onze zielsziekte genas, was Christus Jezus, de Heere! En als wij een middel tot zegen voor de mensenkinderen willen zijn, moeten we hun de Arts aanbevelen Die wij zelf zo buitengewoon heilzaam hebben bevonden. Evenmin als wij kunnen zij gezegend worden voordat ze bij Jezus zijn gebracht!

Als iemand van ons anderen van dienst wil zijn, is het goed dat hij leert hoe hij zijn taak het beste kan aanpakken. Want als we niet weten hoe we te werk moeten gaan, kan al onze ijver worden verspild aan wat nutteloos is. Maar als we begrijpen wat we doen en al onze krachten richten op wijze en passende pogingen, is het waarschijnlijk dat we slagen. Naar mijn overtuiging is het eerste waar we in de Naam van God en met de hulp van de Heilige Geest naar moeten streven: mensen bij Jezus Christus brengen. God verhoede dat we ooit ook maar een vinger opheffen om hen voor hun zaligheid ergens anders heen te wijzen! Elke ware gelovige, en evengoed elke christelijke predikant, moet zeggen:

Dit is mijn hele werk hier beneden:
te roepen: ‘Zie het Lam!’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

We moeten zondaren naar Jezus wijzen, terwijl we zelf voortdurend op Hem zien en bidden dat ook zij op Hem zullen zien en leven. Ik hoef u er nauwelijks aan te herinneren dat elke christen verplicht is zich te geven aan het gezegende werk om zondaren tot de Zaligmaker te brengen. Gewone menselijkheid zou ons er al toe moeten brengen dit te proberen. Is het nodig dat ik u oproep uw medemensen lief te hebben en hun welzijn te zoeken? Wel, zelfs mensen die niets van het christendom hebben, zijn vaak buitengewoon gul, menslievend en vriendelijk. Sommigen van wie de godsdienstige opvattingen vol dwaling zijn, hebben toch grote tederheid en medeleven getoond voor de zieken, de lijdenden en de armen. Zij hebben een edel voorbeeld gegeven van wat anderen voor de behoeftigen zouden kunnen doen. Hoeveel te meer moeten dan de volgelingen van de liefdevolle Christus een teder en meelevend hart hebben en er vurig naar verlangen zoveel mogelijk voor hun medemensen te doen. Ik ga ervan uit, mijn lieve hoorders, dat u die lid bent van deze gemeente of van een andere ware christelijke gemeente, ernaar verlangt een middel tot zegen te zijn voor de mensen om u heen, en dat u ook gelooft dat de zekerste manier om hen te zegenen is: hen tot Christus te brengen!

I. Nu ik zo bij mijn tekst kom, begin ik met de opmerking dat ouders de eersten zijn die zich moeten inspannen om hun kinderen tot Christus te brengen.

In vers 17 lezen we dat de epileptische jongen in zekere zin door zijn vader tot Christus werd gebracht. ‘Meester’, zei de arme man, ‘ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.’ Hij wist nauwelijks hoe hij het moest aanpakken, want op de een of andere manier haalde hij Christus en Zijn discipelen door elkaar. Omdat de Heere Jezus weg was op de berg, bracht hij zijn zoon bij de discipelen. Zij konden de duivel niet uitdrijven, maar toch was het juist van de vader om zijn kind bij hen te brengen. Het toonde zijn liefhebbende geest en zijn verlangen om hem genezen te zien.

Ik ben bang dat er vaders zijn, die zich zelfs christen noemen, die nog niet zoveel voor hun zoons en dochters hebben gedaan als deze vader voor zijn jongen. Ze hebben nog niet om het medeleven en de hulp van christenen gevraagd voor hun eigen kinderen. Ik schaam me diep over sommige belijders die zeggen dat ze die zaak werkelijk aan hun kinderen zelf moeten overlaten. Ik heb gehoord van een man die zei dat hij zijn jongen niet wilde beïnvloeden en daarom niets tegen hem over de godsdienst zei! De duivel wilde de jongen echter maar al te graag beïnvloeden, en zo leerde hij al heel jong vloeken, terwijl zijn vader een dwaas en zondig bezwaar had om hem te leren bidden! Als u ooit meent dat u een stuk grond niet mag beïnvloeden door er goed zaad in te zaaien, kunt u ervan verzekerd zijn dat het onkruid uw onpartijdigheid niet zal navolgen. Het zal het land op een heel treurige en schokkende manier in bezit nemen! Waar de ploeg niet komt en het zaad niet wordt gezaaid, zal het onkruid zich zeker vermenigvuldigen. En als kinderen zonder onderwijs en opvoeding blijven, schiet allerlei kwaad op in hun hart en leven!

Als een ouder die belijdt christen te zijn, zijn kinderen zelfs niet onder godvrezend onderwijs heeft gebracht, wat moet ik dan van hem zeggen? Hij moet een christen zijn die tot een heel laag gehalte is verdund, of tot het uiterste is uitgedund. Er kan in zo’n man maar weinig genade van God over zijn, als er al iets over is! We hebben welgestelde christenen gekend die hun jongens naar een school stuurden waar de hele invloed geheel tegen de godsdienst gericht was, of anders volstrekt neutraal. Meisjes zijn weleens naar het buitenland gestuurd om een vreemde taal te leren te midden van mensen die diep in grove dwaling verzonken zijn. Het schijnt niet bij de ouders te zijn opgekomen dat ze eerst voor de ziel van hun dochters hadden moeten zorgen. Och, och! Zijn zulke mensen het eigenlijk wel waard om christen genoemd te worden? Of dragen ze alleen het christelijke etiket op hun borst, zonder de genade van God in hun hart te hebben?

Lieve broeder of zuster, als u niet zo met uw eigen kinderen over hun ziel kunt spreken als u zou willen, volg dan het voorbeeld van deze man en breng uw dierbaren bij de discipelen, zodat zij kunnen zien wat ze in de Naam van de Meester voor hen kunnen doen. Bedenk echter wel dat deze vader een vergissing beging. Eerst maakte hij namelijk de discipelen tot het eindpunt van zijn reis, in plaats van alleen bij hen langs te gaan op weg naar Christus. We mogen christenen gebruiken als de weg waarlangs we tot Christus proberen te komen, maar als we bij hen blijven staan en de kinderen niet tot Christus Zelf brengen, is dat dodelijk voor al ons verlangen naar de zaligheid van hun ziel!

Deze man zag zijn kind niet genezen worden door de discipelen, maar hij hield vol na die eerste mislukking. ‘Meester’, zei hij, ‘ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft… en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.’ In feite zei hij: ‘Zij hebben gefaald, daarom heb ik hem bij U gebracht.’ Als dus de zondagsschoolonderwijzer geen zegen is geweest voor uw dochter, als het onderwijs in de Bijbelklas waar ze jarenlang naartoe ging niet het middel tot haar bekering is geweest, als uw jongen na de beste godsdienstige opvoeding nog altijd niet gered is, ga dan in uw ernstige gebeden rechtstreeks naar de grote Meester. Breng zo uw lieve kinderen tot Christus!

Ik geloof niet in de theorie die sommigen aanhangen, dat kinderen die in de vreze Gods zijn opgevoed, daar toch niet in opgroeien. Het is waar dat veel domineeszoons goddeloze jongemannen zijn geworden; daar heb ik heel treurige bewijzen van gezien. Toch vrees ik dat sommige van die predikanten hun eigen gezin hebben verwaarloosd terwijl ze voor anderen preekten! Het is voor een man heel gemakkelijk om de zaken van zijn eigen gezin te verwaarlozen terwijl hij voortdurend druk is met het werk van de gemeente, zeker als zijn vrouw hem niet helpt hun kinderen goed op te voeden. Zo worden zijn eigen kinderen niet opgevoed in de weg die ze moeten gaan. Ik wilde dat dit kwaad niet zo vaak voorkwam als het doet, maar ik weet zeker dat sommigen goddeloos zijn opgegroeid omdat er niet de nodige aandacht aan hen werd besteed. De wijngaard thuis werd verwaarloosd, terwijl de wijngaarden van anderen werden onderhouden.

Als u geen huisgodsdienst houdt en uw kinderen groeien niet op als christenen, hoe kunt u dan verwachten dat ze dat wel zullen doen? Als er geen altaar in het huis staat, is het dan wel terecht om het een huis van God te noemen? Overal waar Abraham zijn tent opsloeg, bouwde hij een altaar. Dat is de gewoonte van allen die dicht bij God leven: zij heiligen hun woning met dagelijks gebed en lofprijzing. Maar als die gewoonte wordt verwaarloosd en de vader zijn godsdienst op de achtergrond houdt en die thuis niet laat zien, verwondert het mij niet als zijn jongens en meisjes opgroeien en zeggen dat er niets van waar is! Het is treurig als kinderen kunnen zeggen: ‘Vader beleed de godsdienst, maar zijn leven was daarmee niet in overeenstemming. Moeder beleed ook dat ze christen was, maar we hebben haar nooit over Christus horen spreken. Ze bad nooit met ons en, voor zover wij hoorden, ook nooit voor ons.’

Waar geen invloed wordt uitgeoefend, is het niet waarschijnlijk dat er enig resultaat is! Ik vertelde u laatst op een avond over een lieve broeder die, toen ik mijn hoorders aanspoorde iemand uit te kiezen om voor te bidden, zei dat hij al twintig jaar voor één persoon bad, en dat die nog steeds niet bekeerd is. Daarom zei ik tegen hem: ‘Hebt u persoonlijk met uw vriend over zijn ziel gesproken? Hebt u er werk van gemaakt om naar zijn huis te gaan en hem te vertellen dat u zich zorgen over hem maakt?’ ‘Nee’, antwoordde hij, ‘ik kan niet zeggen dat ik dat gedaan heb.’ ‘Nou dan’, vroeg ik, ‘verwacht u dat God zulke gebeden verhoort? Stel dat ik zou bidden om een goede oogst op die akker daarginds, en ik zou er twintig jaar lang geen koren zaaien? Waarschijnlijk zou ik, zodra ik er wel wat zaaide, verhoring op mijn gebeden krijgen en de oogst binnenhalen.’

Als we ergens om bidden, verwacht God van ons dat we de juiste middelen gebruiken om het te verkrijgen. Als we de middelen verwaarlozen, hebben we niet het recht te verwachten dat Hij in de oprechtheid van ons gebed gelooft. Als een vader en moeder voor hun kinderen bidden, maar nooit met hen bidden of persoonlijk met hen spreken over het welzijn van hun ziel, moeten ze zich niet verwonderen als hun kinderen niet tot Christus worden gebracht.

II. Maar in de tweede plaats: al moeten de ouders de eersten zijn om hun kinderen tot Christus te brengen, ieder van ons mag aan dit gezegende werk meehelpen. Onze tekst zegt: ‘En zij brachten denzelven tot Hem’ (vers 20). Dat wil zeggen: de discipelen hielpen de vader om dit arme, epileptische kind bij Jezus te brengen.

Als we zondaren tot de Zaligmaker proberen te brengen, zullen we merken dat sommigen tot Hem gebracht worden door een bijna onbewuste invloed. Ik geloof dat iemand die vol is van de genade van God, is als een Leidse fles die met elektriciteit geladen is.

Als hij ware heiligheid bezit, zal hij daar bijna zonder het te weten iets van aan anderen doorgeven. Ik ben veel opmerkelijke voorbeelden tegengekomen van die indirecte manier van goeddoen. Zo’n drie of vier maanden geleden was er een arbeider van wie de vrouw plotseling ziek werd, zodat een zekere christelijke vrouw moest komen om haar te verzorgen. De man ging naar haar huis om haar te zoeken. Het was op zondagavond, dus ze was waar ze op dat tijdstip hoorde te zijn: in het huis van God, in een kleine kapel, niet veel mijlen hiervandaan. De man wist dat hij die goede vrouw moest hebben om naar zijn vrouw te gaan, dus ging hij naar de kapel. Omdat hij haar niet meteen kon bereiken, wachtte hij een paar minuten en luisterde hij naar de prediker. Wat hij hoorde, boeide hem, en daarom ging hij de volgende zondagmorgen opnieuw naar die kapel. Het duurde niet lang of hij leerde de Heere kennen. Nu heeft hij zich bij de gemeente gevoegd, en door zijn ijverige werk is hij een grote hulp voor de predikant. Welnu, als die goede vrouw geen christen was geweest, was ze misschien niet in die kapel geweest! Als ze de genademiddelen niet trouw had bezocht, was ze daar niet geweest, en had de man niet naar de plaats hoeven gaan waar hij zegen vond voor zijn ziel!

Ik ken nog een geval dat net zo vreemd kan lijken. Een man en zijn vrouw gingen wonen in een straat waar, voor zover zij wisten, niemand een kerk of kapel bezocht. Het is verschrikkelijk om te bedenken dat je in Londen straat na straat kunt aflopen waar iemand die naar een kerk of een kapel gaat, een grote uitzondering op de regel is! Het is treurig dat het zo is, maar het is zeker waar. Deze twee mensen gingen trouw naar de eredienst. Nu woonde er toevallig in dezelfde straat een man die, toen hij nog op het platteland woonde, trouw de genademiddelen bezocht. Zondag na zondag liepen deze mensen langs zijn raam. Ze kenden hem niet, zeiden nooit een woord tegen hem en waren zich zelfs volstrekt niet bewust van hun invloed op hem. Toch preekten ze tot hem door hun daden, want dat bestrafte hem, en hij zei bij zichzelf: ‘Wat zou mijn moeder ervan denken als ze wist hoe ik mijn zondagen doorbreng? Daar gaan twee goede mensen, net als mijn vader en moeder thuis, die rond deze tijd naar de kapel gaan.’ Hij knapte zich op voor de avonddienst, vond de weg naar het huis van God en werd al snel een christen!

Als u iets doet wat goed is, kunt u niet weten hoeveel zegen u verspreidt! Iedere man of vrouw, meester of dienstbode, kan wezenlijk meehelpen om anderen tot Jezus te brengen, eenvoudig door een blij, opgewekt, vriendelijk en zachtmoedig gedrag. Misschien hebt u niet de gelegenheid om veel voor Christus te zeggen; misschien past het niet bij uw positie om dat te doen. Maar de mensen om u heen letten op u, ze merken uw hartelijke geest op en ze gaan u waarderen. Ze zien hoe u rekening houdt met anderen, en dat bewonderen ze. Dan zien ze uw opgewektheid, en ze vragen zich af wat daarvan het geheim is. Misschien bent u ziek en komt er iemand bij u op bezoek. U bent heel geduldig; u zingt zelfs te midden van uw pijn. Mensen die u zien en horen en opmerken hoe u dat alles draagt, zeggen bij zichzelf: ‘Er is iets in deze mensen wat wij niet begrijpen.’ Zo oefent u invloed op hen uit, ook al hebt u misschien maar weinig tegen hen gezegd. Het feit dat u een christen bent, is een van de meest praktische en krachtige middelen om anderen te laten vragen wat dat toch voor godsdienst is, die mensen verheft, liefelijk en zacht maakt en toch sterk maakt, en hen zichtbaar doet lijken op hun Vader in de hemel!

Ik herinner me dat ik de heer Jay uit Bath het verhaal hoorde vertellen van een goed meisje, een dienstbode, die zijn kapel bezocht. Haar meester en mevrouw waren heel strikte kerkmensen. Toen ze erachter kwamen dat Jane naar de kapel ging, spraken ze haar heel ruw toe en zeiden dat ze daarmee moest ophouden. Ze antwoordde heel vriendelijk dat ze moest gaan waar haar eigen ziel gevoed werd, en dat ze in deze zaak niet aan hun wensen tegemoet kon komen, hoewel ze dat in al het andere graag wilde doen. ‘Heel goed, Jane’, antwoordden ze, ‘dan krijg je een maand opzegtermijn, want we kunnen geen van die verschrikkelijke dissenters bij ons in huis hebben.’ Die avond zaten de mevrouw en de meneer samen te praten, en een van hen zei: ‘Ze is echt een goed meisje. Denk je niet dat we haar erg slecht behandelen? Stel dat zij erop zou staan dat wij met haar mee naar de kapel gingen, dan zouden we zeggen dat het heel verkeerd van haar was om ons zo de wet voor te schrijven. Is het dan niet verkeerd dat wij haar de wet proberen voor te schrijven?’ ‘Ze nam het ook zo vriendelijk op’, zei de ander. ‘Wij zouden het niet zo verdragen hebben als zij. Laten we eens gaan kijken wat voor iemand die meneer Jay is naar wie ze gaat luisteren, want als hij een goed man is, kan ze net zo goed naar de kapel gaan als naar de kerk.’ Ze gingen, en bij het vertellen van het verhaal zei de heer Jay: ‘Ze zijn tot op de dag van vandaag blijven komen om meneer Jay te horen.’

U ziet dus dat de dienstbode door haar consequent christelijke karakter haar meester en mevrouw tot haar manier van denken had gebracht, hoewel zij haar niet tot de hunne konden dwingen. U kunt zelf beoordelen welke invloed ook u op anderen kunt uitoefenen als de genade van God overvloedig in u is! Moge God ons daarmee vervullen, zodat we het middel worden waardoor veel zondaren tot de Zaligmaker worden gebracht! Toch moeten we niet tevreden zijn met onbewuste invloed. Ik hoop dat niemand van ons zal zijn als de jongeheer die in een advertentie kost en inwoning zocht, waarbij zijn christelijk voorbeeld als tegenprestatie zou gelden voor wat hij ontving!

In veel gevallen is er bij het brengen van zielen tot Christus veel goed gedaan door het zaad dat terloops gezaaid werd. Alleen de eeuwigheid zal openbaren welke goede vruchten soms gevolgd zijn op het uitspreken van één kort woord. Al het licht dat ik over een bepaald onderwerp heb, heb ik te danken aan een opmerking van een hulponderwijzer op een school waar ik vele jaren geleden zat. Hij gaf les in aardrijkskunde en liet een zin vallen die ik niet hoef te herhalen, maar die ik me tot op de dag van vandaag herinner, en die later invloed had op mijn hele loopbaan en karakter. Ik herinner me ook een paar genadevolle woorden die tot mij gesproken werden door een godvrezende oude vrouw, die altijd haar Gospel Herald las en met mij sprak over de kracht van Gods genade. Ik verheugde me erover dat ik de grootse, oude calvinistische leer ging vasthouden, voor een groot deel door het half dozijn zinnen dat over de lippen van die arme, nederige christelijke vrouw kwam. In latere jaren, toen zij in armoede leefde, was het mijn grote vreugde haar te kunnen helpen. Ik voelde dat ik zoveel aan haar te danken had, dat ik alles moest doen wat ik kon om haar te troosten! U zult vaak ervaren dat het waar is wat George Herbert zegt: Een vers vindt hem die een preek ontvlucht.

En een korte zin kan treffen en blijven hangen, terwijl een lange toespraak volledig in het niets kan verdwijnen. Geef een traktaatje weg wanneer u maar kunt. Nog beter: geef een boekje dat niet verscheurd wordt, een met een kaft erom, want waarschijnlijk ziet u het op tafel liggen als u weer langskomt. Spreek een woord voor de Meester wanneer dat maar mogelijk is, en bid kort bij elke geschikte gelegenheid. Ik denk dat we er een regel van moeten maken om, telkens als we op straat een vuil of godslasterlijk woord horen (en helaas horen we dat voortdurend), altijd te bidden voor degene die het uitspreekt. Misschien vindt de duivel het dan raadzaam om mensen niet tot vloeken aan te zetten, als hij weet dat christenen daardoor tot gebed worden aangespoord. Probeer het in elk geval, en kijk of het geen stille kracht heeft om de goddeloze taal te stoppen die zo verschrikkelijk toeneemt.

Maar boven en behalve al deze indirecte dienst behoren alle christenen directe pogingen te doen tot de bekering van de mensen om hen heen. Probeer ieder van u wat u kunt doen door anderen persoonlijk aan te spreken. Ik heb gehoord van iemand die volstrekt vreemd was aan de godsdienst en die tot Christus werd gebracht doordat een heer hem op de schouder tikte en zei: ‘Wel, mijn broeder, hoe gaat het vandaag met uw ziel?’ Degene die hij aansprak, draaide zich om; hij had nog nooit zo’n vraag gehoord. Toen de ander zijn gezicht zag, riep hij uit: ‘Neemt u mij duizendmaal niet kwalijk! Ik dacht dat u mijn oude vriend die-en-die was, die mij die vraag altijd stelt.’ Het was een vergissing, maar een heel gezegende, want de Geest van God gebruikte haar om een geweten wakker te schudden dat sliep. Het was een eerlijk geweten, dat alleen nog gewekt moest worden door zo’n onverwachte vraag als deze.

Lieve vrienden, probeer met een aantal vrienden persoonlijk te spreken over hun onsterfelijke ziel! Ik weet dat het voor sommigen van u geen gemakkelijk werk is om het ijs te breken en met zulke dienst te beginnen, maar ik kan u verzekeren dat het u steeds beter zal afgaan naarmate u het vaker probeert.

Breng mensen daarnaast onder de genademiddelen, met het duidelijke doel van hun bekering. Help mij zoveel u kunt in mijn pogingen om tot de mensen te preken. Laat iedereen om wie u bezorgd bent, naar het huis van God komen. Een jongeman die later een zeer bruikbare dienaar van Christus werd, was volkomen onverschillig geweest over goddelijke zaken, totdat een buurman tegen hem zei: ‘Ik heb een zitplaats in de Tabernacle. Als je met mij meegaat, kun je mijn kaartje gebruiken.’ De vriend die dat vriendelijke voorstel deed, stond de hele dienst op een plek waar hij de jongeman kon zien, en bad al die tijd ernstig voor hem. Het gevolg van het uitlenen van zijn zitplaats bij die ene gelegenheid was dat de jongeman tot de Zaligmaker werd gebracht! Al snel was hij onderwijzer op de zondagsschool, en later werd hij, zoals ik u zei, een zeer bruikbare predikant.

Zijn er niet meer van u die dit zouden kunnen proberen? Ik weet dat sommigen van u dit al gedaan hebben; doe het dan telkens opnieuw! Ontzeg uzelf een christelijk voorrecht om anderen te brengen waar de Heere hen waarschijnlijk zal ontmoeten, zeker als u het woord van de prediker ondersteunt met uw voortdurende gebed voor hen die u hebt meegebracht om naar zijn boodschap te luisteren!

Als u werkelijk zielen tot Christus wilt brengen, bedenk dan verder dat er kinderen zijn die onderwezen moeten worden. Juist nu kwijnen al onze scholen weg door gebrek aan onderwijzers. O, u die uw kroon met edelstenen bezet wilt zien, zoek die onder de kleinen! Het is een blijde taak, hoe zwaar ook, geef u er dus aan met heel uw hart en ziel. Anderen van u, die zich niet geroepen voelen om een klas kinderen les te geven, zouden soms woorden van waarschuwing kunnen spreken tot de grovere zondaren met wie ze in aanraking komen, en woorden van bemoediging tot hen die de Zaligmaker zoeken. Er zijn zoveel arme zondaren die rondspartelen in de Poel van Mistrouwen. Ze hebben alleen iemand nodig, die terecht Hulp heet, om hun te wijzen waar de stapstenen liggen, of om hun de hand te reiken zodat ze niet helemaal wegzinken onder de verpletterende last van hun schuld.

Dit weet ik, lieve christenvrienden: als u niet probeert zondaren tot de Zaligmaker te brengen, mist u het hoofddoel van uw bestaan, en mist u ook het meest vreugdevolle werk dat ooit uw aandacht kan vragen. O, als u een ziel tot Jezus brengt, is de vreugde daarover onuitsprekelijk! Op dit moment zie ik in gedachten een klein huisje op het platteland voor me. Daar woonde de eerste van wie ik hoorde dat ik het middel was geweest om haar tot Jezus te brengen. Nadat ik een tijdje had gepreekt, verlangde ik naar een zegel op mijn dienst. Toen zei de diaken van de kleine gemeente waarvan ik predikant was tegen mij: ‘Vorige zondagavond was er een arme vrouw tot in het hart getroffen, en ik geloof dat ze de Zaligmaker heeft gevonden.’ Ik ging er meteen op af om haar te bezoeken. Wie van u iets dergelijks heeft meegemaakt, kan zich voorstellen hoe blij ik was toen ik haar het verhaal hoorde vertellen. Ze is jaren geleden naar Huis gegaan, misschien als de eerste van hen die God door mijn middel geroepen heeft en die nu in de hemel zijn. Ik was zo blij, zo gelukkig en zo verrukt over mijn eerste bekeerling, dat ik tegen u zeg: ‘Zoek dezelfde vreugde, als u zelf de Heere kent!’

Dat was dus mijn tweede punt: dat wij allen die in Christus geloven, anderen tot Hem mogen brengen.

III. Mijn derde opmerking is dat er gevallen zijn die gezamenlijke inspanning vereisen.

God de Heilige Geest doet natuurlijk het hele werk in de bekering van een ziel, maar Hij werkt door middelen. En er zijn wanhopige gevallen waarin Hij niet door slechts één werktuig op een ziel inwerkt, maar een aantal personen in beweging brengt om daartoe samen te werken. Onze tekst zegt: ‘Zij brachten denzelven tot Hem.’ Deze arme jongen schuimde, knarste met zijn tanden en rukte zichzelf heen en weer, zoals u mensen bij een epileptische aanval hebt zien doen, zodat er verscheidene mensen nodig waren om hem vast te houden. Samen grepen ze hem vast en met één wanhopige, gezamenlijke inspanning brachten ze hem aan de voeten van Jezus. En Jezus dreef de boze geest uit en genas de arme lijder.

Zo kunnen gemeente en predikant samenwerken om zondaren tot de Zaligmaker te brengen. Er komen hier misschien mensen die nooit bekeerd zullen worden totdat u en ik samen hun zaligheid zoeken. Iemand moet preken, maar anderen moeten bidden. En als er twintig van u voor één bepaalde persoon in de samenkomst zouden bidden, geloof ik dat het niet lang zal duren voordat die epilepticus genezen is! De duivel zelf zal verslagen worden door de gezamenlijke gebeden van veel gelovigen, vooral als het die machtige gebeden zijn waarover onze Zaligmaker sprak toen Hij zei: ‘Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten’ (vers 29), wanneer de biddende zielen hongeren naar de zaligheid van de lijdende en eensgezind tot God roepen om die te bewerken!

We hebben veel blijde eenheid gekend in het christelijke werk; laten we er nog meer van hebben! Zeg tegen elkaar: ‘Terwijl de predikant preekt, zullen wij bidden. Ja, meer nog: we zullen hem voortdurend in onze gebeden gedenken, want we weten dat hij ze nodig heeft en ze op prijs stelt.’ Dat is heel waar, lieve vrienden, want het is geen kleinigheid om elke zondag het Woord te bedienen aan deze grote menigte mensen, en vervolgens via de gedrukte bladzijde tienduizenden lezers aan te spreken, tot aan de einden der aarde. Ja, ik heb uw gebeden en uw hulp werkelijk nodig. Geef ze mij, want dan kunnen we er zeker van zijn dat ‘zij’, dat wil zeggen: wij allemaal samen, er velen tot Jezus zullen brengen!

Een andere vorm van samenwerking is deze: er is een ziel voor wie gebeden is, maar er is geen antwoord gekomen. Dan roept u een paar biddende mensen bij u thuis samen, vertelt hun de bijzonderheden van het geval en maakt er een punt van om speciaal voor die persoon te bidden. Ik heb gevallen gekend waarin broeders en zusters een twintigtal christelijke vrienden bijeenbrachten, die misschien nog nooit op één plaats samen waren geweest. Maar ze verbonden zich om voor één bepaald geval te bidden, en hun gezamenlijke gebeden hebben met Gods zegen bewerkt wat daarvoor onmogelijk leek! Er is terecht gezegd dat je iets heel hards kunt snijden met iets wat nog harder is. En als een hart bijzonder hard is, kan God de harde, sterke, volhardende vurigheid van andere krachtige, bewogen zielen gebruiken om de zegen van het eeuwige leven in dat koppige, opstandige hart neer te bidden! Ik zou graag vaker horen van vrienden die zich met elkaar verbinden en bij iemand thuis samenkomen om voor de een of ander te bidden, en die degene om wie ze bezorgd zijn tot het onderwerp van bijzondere smeking maken. Dat zou de manier zijn om hem tot Jezus te brengen!

Voeg vervolgens aan dat gebed een duidelijke, gezamenlijke inspanning toe. Als één vriend met die persoon spreekt, neemt hij hem dat misschien kwalijk. Spreekt een ander hem daarna aan, dan reageert hij misschien koeltjes. Maar als weer een ander met hem spreekt, begint hij misschien wat aandachtiger te luisteren, en de volgende kan in staat zijn de sleutel in het slot te steken en in de hand van God het middel te zijn om de gesloten deur van het hart van die man te openen. Als God ons beweegt om ons samen voor een ziel in te spannen, geloof ik niet dat dat vaak op een mislukking uitloopt. In elk geval: als iemand erop staat naar de hel te gaan, zou ik willen dat we het hem heel moeilijk maakten om daar te komen! Als hij zich niet tot Christus wil wenden, zou ik willen dat we vastbesloten waren dat het niet zal komen doordat er te weinig voor hem gebeden of te weinig ernstig met hem gepleit is. We zullen rein zijn van zijn bloed. We zullen zelfs het stof van onze voeten afschudden tegen hen die vastbesloten zijn onbekeerd te blijven. En we nemen ons voor dat Christus, naar ons uiterste vermogen, zo zal worden voorgesteld, dat mensen, als ze Hem al verwerpen, Hem willens en wetens verwerpen.

O, dat mijn woorden u allen die belijden christen te zijn, mochten opwekken! We hebben meer dan vijfduizend leden, bijna zesduizend. O, als allen voor God leefden en ijverig waren in Zijn dienst, ‘allemaal aan het werk, en altijd aan het werk’, wat zou er dan niet gedaan kunnen worden, als God de Heilige Geest onze arbeid zegende? Maar helaas, er zijn hier veel mensen die zijn als het volk dat achter een leger aan trekt en niet meevecht als de strijd losbreekt! Zij die wel strijden, worden vaak door deze anderen gehinderd, en soms hebben ze bijna het gevoel dat ze het veld moeten schoonvegen van zulke treuzelaars en dwarsliggers. Maar in plaats van dat te doen, smeek ik u allen, lieve vrienden, wakker te worden en te zien wat u kunt doen voor Christus, Die zoveel voor u gedaan heeft! Laten we allemaal vragen om opnieuw gewekt en grondig aangevuurd te worden in de dienst van de Zaligmaker! God geve dat dit zuiden van Londen, en ook het noorden, westen en oosten, doordrongen en verzadigd mag worden van uw ijverige pogingen om zondaren tot de Zaligmaker te brengen! De Heere zegene u, om Christus’ wil!

Amen.

Preek nr. 2731 · Gehouden te Newington, Londen, zondagavond 22 augustus 1880, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 47. Oorspronkelijke titel: “Bringing Sinners to the Savior”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.