Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
BroedersG80, de toegenegenheidG2107 mijns hartenG2588, enG2532 het gebedG1162, dat ik totG4314 GodG2316 voor IsraelG2474 doe, isG1510 totG1519 hun zaligheidG4991.
Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid.
KJV
Brethren,1
my6
heart's7
desire4
and8
prayer10
to12
God14
for15
Israel17
is,
that3
they might be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Want ik geefG3140 hun getuigenisG3140, datG3754 zij een ijverG2205 tot GodG2316 hebbenG2192, maarG235 nietG3756 met verstandG1922.
Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.
KJV
For2
I bear1
them3
record
that4
they have7
a zeal5
of God,6
but8
not9
according10
to knowledge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
WantG1063 alzo zij de rechtvaardigheidG1343 GodsG2316 niet kennenG50, enG2532 hun eigenG2398 gerechtigheidG1343 zoekenG2212 op te richtenG2476, zo zijn zij der rechtvaardigheidG1343 GodsG2316 nietG3756 onderworpenG5293.
Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
KJV
For2
they being ignorant1
of God's5
righteousness,6
and7
going about11
to establish12
their own9
righteousness,10
have18
not17
submitted themselves
unto the righteousness14
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantG1063 het eindeG5056 der wetG3551 is ChristusG5547, totG1519 rechtvaardigheidG1343 een iegelijkG3956, die gelooftG4100.
Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.
KJV
For2
Christ4
is the end1
of the law3
for5
righteousness6
to every one7
that believeth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WantG1063 MozesG3475 beschrijftG1125 de rechtvaardigheidG1343, die uitG1537 de wetG3551 is, zeggende: De mensG444, die deze dingen doetG4160, zal doorG1722 dezelveG846 levenG2198.
Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.
Ook in dit vers
[zeggende]G3754
KJV
For2
Moses1
describeth3
the righteousness5
which4
is of7
the law,9
That10
the man14
which doeth12
those things13
shall live15
by16
them.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
MaarG1161 de rechtvaardigheidG1343, dieG3778 uitG1537 het geloofG4102 is, spreektG3004 aldusG3779: ZegG2036 nietG3361 in uw hartG2588: WieG5101 zal in den hemelG3772 opklimmenG305? Hetzelve isG1510 ChristusG5547 van boven afbrengenG2609.
Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen.
KJV
But2
the righteousness5
which is of3
faith4
speaketh7
on this wise,6
Say
not8
in10
thine
heart,12
Who14
shall ascend15
into16
heaven?18
(that is,
to bring22
Christ21
down
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
OfG2228, wieG5101 zal inG1519 den afgrondG12 nederdalenG2597? Hetzelve isG1510 ChristusG5547 uitG1537 de dodenG3498 opbrengenG321.
Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.
KJV
Or,1
Who2
shall descend3
into4
the deep?6
(that is,
to bring up12
Christ9
again
from10
the dead.)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
MaarG235 wat zegtG3004 zij? NabijG1451 uG4771 is het WoordG4487, inG1722 uw mondG4750 enG2532 inG1722 uw hartG2588. DitG3778 isG1510 het WoordG4487 des geloofsG4102, hetwelkG3739 wij predikenG2784.
Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.
KJV
But1
what2
saith it?3
The word7
is
nigh4
thee,
even in9
thy
mouth,11
and13
in14
thy
heart:16
that is,
the word21
of faith,23
which24
we preach;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Namelijk, indienG1437 gijG4771 met uw mondG4750 zult belijdenG3670 den HeereG2962 JezusG2424, enG2532 metG1722 uw hartG2588 gelovenG4100, datG3754 GodG2316 HemG846 uitG1537 de dodenG3498 opgewektG1453 heeft, zo zult gijG4771 zaligG4982 worden.
Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
KJV
That1
if2
thou shalt confess3
with4
thy
mouth6
the Lord8
Jesus,9
and10
shalt believe11
in12
thine
heart14
that16
God18
hath raised20
him19
from21
the dead,22
thou shalt be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantG1063 met het hartG2588 gelooftG4100 men ter rechtvaardigheidG1343 enG1161 met den mondG4750 belijdtG3670 men ter zaligheidG4991.
Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.
KJV
For2
with the heart1
man believeth3
unto4
righteousness;5
and7
with the mouth6
confession is made8
unto9
salvation.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantG1063 de SchriftG1124 zegtG3004: Een iegelijkG3956, die in HemG846 gelooftG4100, die zal nietG3756 beschaamdG2617 worden.
Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.
KJV
For2
the scripture4
saith,1
Whosoever5
believeth7
on8
him9
shall11
not10
be ashamed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Want er isG1510 geenG3756 onderscheidG1293, noch van JoodG2453 noch van GriekG1672; wantG1063 eenzelfdeG846 is HeereG2962 van allenG3956, rijkG4147 zijnde over allenG3956, die Hem aanroepenG1941.
Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.
KJV
For2
there is
no1
difference4
between6
the Jew5
and7
the Greek:8
for10
the same11
Lord12
over all13
is rich14
unto15
all16
that call upon18
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WantG1063 een iegelijkG3956, dieG3739 den NaamG3686 des HeerenG2962 zal aanroepenG302, zal zaligG4982 worden.
Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.
KJV
For1
whosoever3
shall call upon5
the name7
of the Lord8
shall be saved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
HoeG4459 zullen zij dan Hem aanroepenG1941, inG1519 WelkenG3739 zij nietG3756 geloofdG4100 hebben? EnG1161 hoeG4459 zullen zij in Hem gelovenG4100, van WelkenG3739 zij nietG3756 gehoordG191 hebben? EnG1161 hoeG4459 zullen zij horenG191, zonder die hun prediktG2784?
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
KJV
How1
then2
shall they call on3
him in4
whom5
they have7
not6
believed?10
and9
how8
shall they believe in
him of whom11
they have13
not12
heard?16
and15
how14
shall they hear
without17
a preacher?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG1161 hoe zullen zij predikenG2784, indienG1437 zij nietG3361 gezondenG649 worden? Gelijk geschrevenG1125 is: Hoe liefelijkG5611 zijn de voetenG4228 dergenen, die vredeG1515 verkondigenG2097, dergenen, die het goedeG18 verkondigenG2097!
En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
Ook in dit vers
hoeG4459
HoeG5613
KJV
And2
how1
shall they preach,3
except
they be sent?6
as7
it is written,8
How9
beautiful10
are the feet of them12
that preach the gospel14
of peace,15
and bring glad tidings17
of good things!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
DochG235 zij zijn nietG3756 allenG3956 het EvangelieG2098 gehoorzaamG5219 geweest; wantG1063 JesajaG2268 zegtG3004: HeereG2962, wieG5101 heeft onze predikingG189 geloofdG4100?
Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?
KJV
But1
they have4
not2
all3
obeyed
the gospel.6
For8
Esaias7
saith,9
Lord,10
who11
hath believed12
our
report?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Zo is dan het geloofG4102 uitG1537 het gehoorG189, enG1161 het gehoorG189 doorG1223 het WoordG4487 GodsG2316.
Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.
KJV
So then1
faith3
cometh by4
hearing,5
and7
hearing8
by9
the word10
of God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
MaarG235 ik zegG3004: Hebben zij het niet gehoordG191? Ja toch, hun geluidG5353 is over de geheleG3956 aardeG1093 uitgegaanG1831, enG2532 hunG846 woordenG4487 totG1519 de eindenG4009 der wereldG3625.
Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.
KJV
But1
I say,2
Have5
they not
heard?
Yes verily,6
their14
sound13
went11
into7
all8
the earth,10
and15
their23
words22
unto16
the ends18
of the world.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
MaarG235 ik zegG3004: Heeft IsraelG2474 het niet verstaanG1097? MozesG3475 zegtG3004 eerstG4413: IkG1473 zal ulieden tot jaloersheid verwekkenG3863 door degenen, die geen volkG1484 zijn; door een onverstandigG801 volkG1484 zal ik uG4771 tot toorn verwekkenG3949.
Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
KJV
But1
I say,2
Did5
not
Israel6
know?
First7
Moses8
saith,9
I10
will provoke11
you
to jealousy
by13
them that are no4
people,15
and by16
a foolish18
nation17
I will anger19
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
En JesajaG2268 verstoutG662 zich, en zegtG3004: Ik ben gevondenG2147 van degenen, die MijG1473 nietG3361 zochtenG2212; Ik ben openbaarG1717 gewordenG1096 dengenen, die naar MijG1473 nietG3361 vraagdenG1905.
En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.
KJV
But2
Esaias1
is very bold,3
and4
saith,5
I was found6
of them that sought10
me
not;9
I was made12
manifest11
unto them that asked16
not15
after
me.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
MaarG1161 tegen IsraelG2474 zegtG3004 Hij: Den gehelen dagG2250 heb IkG1473 Mijn handenG5495 uitgestrektG1600 totG4314 een ongehoorzaamG544 en tegensprekendG483 volkG2992.
Maar tegen Israel zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
But2
to1
Israel4
he saith,5
All6
day long8
I have stretched forth9
my
hands11
unto13
a disobedient15
and16
gainsaying17
people.
tot hun zaligheid
Dat is, opdat zij bekeerd en alzo zalig mochten worden; hetwelk verstaan wordt van degenen, die uit onwetendheid dwaalden, gelijk uit vs.2 blijkt, niet van degenen, die in den Heiligen Geest zondigden, van welke Christus spreekt Matt. 12:31 .
Hertaald:
tot hun zaligheid
Dat is: opdat zij bekeerd zouden worden en zo zalig zouden worden. Dat wordt gezegd van hen die uit onwetendheid dwaalden, zoals uit vers 2 blijkt, en niet van hen die tegen de Heilige Geest zondigden, over wie Christus spreekt in Matth. 12:31.
een ijver tot God hebben,
Grieks, ijver Gods; dat is een vurige begeerte hebben om de wet Gods en den godsdienst, door Mozes ingesteld, voor te staan; en tegen te staan degenen, welke die schenen te willen veranderen.
Hertaald:
een ijver tot God hebben,
Grieks: ijver van God; dat is: een vurige begeerte hebben om de wet van God en de eredienst die door Mozes ingesteld is te verdedigen, en zich te verzetten tegen hen die daarin verandering schenen te willen brengen.
niet met verstand
Grieks, niet naar kennis; dat is, niet met rechte kennis, waartoe de wet en de godsdienst in het Oude Testament was ingesteld, gelijk vs.3 ook medebrengt.
Hertaald:
niet met verstand
Grieks: niet naar kennis; dat is: niet met de juiste kennis van het doel waartoe de wet en de eredienst in het Oude Testament ingesteld waren, zoals vers 3 ook meebrengt.
de rechtvaardigheid Gods
Dat is, die God in het Evangelie geopenbaard heeft, en die ons God door Christus schenkt; 2 Kor. 5:21 ; Fil. 3:9 .
Hertaald:
de rechtvaardigheid Gods
Dat is: de gerechtigheid die God in het Evangelie geopenbaard heeft en die God ons door Christus schenkt; 2 Kor. 5:21; Filipp. 3:9.
hun eigen gerechtigheid
Namelijk door hun eigen werken, of door de gehoorzaamheid der wet; waarin zij nochtans verre tekortkomen, gelijk bewezen is van alle mensen, Rom 3 , en van Abraham en David, Rom 4 .
Hertaald:
hun eigen gerechtigheid
Namelijk door hun eigen werken, of door de gehoorzaamheid aan de wet — waarin zij toch ver tekortschieten, zoals bewezen is van alle mensen in hoofdstuk 3 en van Abraham en David in hoofdstuk 4.
op te richten,
Grieks, te stellen. Hier wordt de vermetelheid van het menselijk gemoed betekend, dat zijn eigen gerechtigheid voor God staande wil houden, gelijk de Farizeën; Luc. 18:11-12 .
Hertaald:
op te richten,
Grieks: te stellen. Hiermee wordt de vermetelheid van het menselijke gemoed aangeduid, dat zijn eigen gerechtigheid voor God staande wil houden, zoals de Farizeeën; Luk. 18:11-12.
niet onderworpen
Dat is, willen zichzelven die niet onderwerpen; en daarom kunnen zij tot de gerechtigheid, die voor God bestaat, niet komen; gelijk Rom. 8:7 .
Hertaald:
niet onderworpen
Dat is: zij willen zich daaraan niet onderwerpen, en daarom kunnen zij niet komen tot de gerechtigheid die voor God standhoudt, zoals Rom. 8:7.
het einde der wet is Christus,
Dat is het oogmerk, waarom de wet door Mozes is gegeven, is opdat de mensen daardoor tot kennis hunner zonden gebracht zijnde, tot Christus en zijne rechtvaardigheid hunne toevlucht zouden nemen, als die de wet voor ons volkomen volbracht heeft. Zie Gal. 3:19 , enz.
Hertaald:
het einde der wet is Christus,
Dat is: het doel waarom de wet door Mozes gegeven is, is dat de mensen daardoor tot kennis van hun zonden gebracht zouden worden en zo hun toevlucht zouden nemen tot Christus en Zijn gerechtigheid, aangezien Hij de wet voor ons volkomen volbracht heeft. Zie Gal. 3:19, enzovoort.
Want Mozes
In deze navolgende zeven verzen stelt de apostel een klaar onderscheid tussen de rechtvaardigheid der wet en des geloofs; en bewijst zowel de ene als de andere met de woorden van Mozes zelven.
Hertaald:
Want Mozes
In de volgende zeven verzen stelt de apostel een duidelijk onderscheid tussen de gerechtigheid van de wet en die van het geloof, en hij bewijst beide met de woorden van Mozes zelf.
die deze dingen doet,
Namelijk volmaakt en zonder iets na te laten; Deut. 27:26 ; Gal. 3:10 ; Jak. 2:10 .
Hertaald:
die deze dingen doet,
Namelijk volmaakt en zonder iets na te laten; Deut. 27:26; Gal. 3:10; Jak. 2:10.
spreekt aldus
Dat is, luidt aldus; of van dezelve wordt aldus gesproken; Deut. 30:11-12 .
Hertaald:
spreekt aldus
Dat is: luidt aldus, of: daarover wordt aldus gesproken; Deut. 30:11-12.
Zeg niet
Sommigen menen dat deze woorden eigenlijk van de bevelen des geloofs door Mozes gesproken zijn, alzo hij even tevoren gehandeld had van de besnijdenis des harten en ware bekering, welke eigenlijk beloften zijn des Evangelies en niet der wet. Anderen menen omdat Paulus niet zegt: Mozes spreekt aldus, maar: de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus, dat deze drie verzen van Paulus bij toepassing op het geloof toegepast worden, alzo hij ook enige woorden uitlaat en enige daarbij doet; in dezen zin: Indien Mozes van de geboden der wet dit gezegd heeft, veel meer mag het gezegd worden van de beloften en bevelen des Evangelies, die niet alleen licht zijn om te verstaan, gelijk de wet, maar ook lichter zijn om na te komen, door de kracht van Gods Geest, die door het Evangelie het geloof in ons werkt; Gal. 3:2 .
Hertaald:
Zeg niet
Sommigen menen dat deze woorden door Mozes eigenlijk over de bevelen van het geloof gesproken zijn, aangezien hij vlak daarvoor gehandeld had over de besnijdenis van het hart en de ware bekering, wat eigenlijk beloften van het Evangelie zijn en niet van de wet. Anderen menen, omdat Paulus niet zegt: Mozes spreekt aldus, maar: de gerechtigheid uit het geloof spreekt aldus, dat deze drie verzen door Paulus bij wijze van toepassing op het geloof betrokken worden — aangezien hij ook enkele woorden weglaat en enkele toevoegt. De betekenis is dan: als Mozes dit over de geboden van de wet gezegd heeft, mag het des te meer gezegd worden van de beloften en bevelen van het Evangelie, die niet alleen gemakkelijk te begrijpen zijn zoals de wet, maar ook gemakkelijker na te komen, door de kracht van Gods Geest, Die door het Evangelie het geloof in ons werkt; Gal. 3:2.
in uw hart
Namelijk als twijfelende, waar gij den weg der zaligheid zult zoeken en vinden.
Hertaald:
in uw hart
Namelijk terwijl u twijfelt waar u de weg van de zaligheid zult zoeken en vinden.
Wie zal in den hemel opklimmen?
Namelijk om ons vandaar te halen den wil van God van onze gerechtigheid en zaligheid.
Hertaald:
Wie zal in den hemel opklimmen?
Namelijk om vandaar Gods wil over onze gerechtigheid en zaligheid te halen.
Hetzelve is Christus
Namelijk bij ons, Christenen, zoveel alsof wij ontkenden dat Christus eens van den hemel nedergedaald is om ons dien weg te openbaren en de gerechtigheid te verwerven; en dat Hij nog eens daartoe moest afdalen.
Hertaald:
Hetzelve is Christus
Namelijk voor ons, christenen, evenveel alsof wij zouden ontkennen dat Christus eenmaal uit de hemel neergedaald is om ons die weg te openbaren en de gerechtigheid te verwerven, en alsof Hij daartoe nog eens zou moeten afdalen.
in den afgrond nederdalen?
Namelijk om daar te zien hoe wij uit den hel zouden kunnen verlost worden en die kennis daarvan halen.
Hertaald:
in den afgrond nederdalen?
Namelijk om daar te zien hoe wij uit de hel verlost zouden kunnen worden, en die kennis daarvandaan te halen.
Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen
Dat is, even zoveel alsof men wilde dat Christus, om ons te verlossen, de smarten des doods en der hel nog eenmaal zou moeten lijden, en alzo daaruit opstaan; hetwelk hij nu eens gedaan heeft, en ons genoeg geopenbaard is.
Hertaald:
Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen
Dat is: evenveel alsof men zou willen dat Christus, om ons te verlossen, de smarten van de dood en de hel nog eens zou moeten lijden en zo daaruit zou moeten opstaan — terwijl Hij dat nu eenmaal gedaan heeft en het ons voldoende geopenbaard is.
wat zegt zij?
Namelijk de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, gelijk voren, vs.6, daar hij maar geantwoord heeft wat zij niet zegt, maar nu antwoordt hij wat zij zegt.
Hertaald:
wat zegt zij?
Namelijk de gerechtigheid die uit het geloof is, zoals hiervoor in vers 6. Daar heeft hij alleen geantwoord wat zij niet zegt; nu antwoordt hij wat zij wél zegt.
Dit is het Woord des geloofs,
Dat is, des Evangelies, door hetwelk wij tot het geloof worden vermaand en gebracht; Rom. 1:16 .
Hertaald:
Dit is het Woord des geloofs,
Dat is: van het Evangelie, waardoor wij tot het geloof vermaand en gebracht worden; Rom. 1:16.
wij prediken
Namelijk apostelen, als getuigen en boodschappers van Christus in Zijnen naam; 2 Kor. 5:20 .
Hertaald:
wij prediken
Namelijk de apostelen, als getuigen en boodschappers van Christus in Zijn naam; 2 Kor. 5:20.
zult belijden
Namelijk oprecht naar het geloof uws harten; en de apostel stelt hier de belijdenis voor, omdat die van anderen eerst wordt bekend.
Hertaald:
zult belijden
Namelijk oprecht, overeenkomstig het geloof van uw hart. De apostel noemt de belijdenis het eerst, omdat die door anderen het eerst opgemerkt wordt.
den Heere Jezus,
Namelijk uw Heere en Zaligmaker te zijn naar het voorbeeld van Paulus; Gal. 2:20 ; 1 Tim. 1:15-16 .
Hertaald:
den Heere Jezus,
Namelijk dat Hij uw Heere en Zaligmaker is, naar het voorbeeld van Paulus; Gal. 2:20; 1 Tim. 1:15-16.
uit de doden opgewekt heeft,
Namelijk nadat Hij tot verzoening uwer zonden was gestorven; Rom. 4:25 .
Hertaald:
uit de doden opgewekt heeft,
Namelijk nadat Hij tot verzoening van uw zonden gestorven was; Rom. 4:25.
gelooft men ter rechtvaardigheid
Namelijk als zijnde een middel, waardoor de rechtvaardigheid van Christus aangenomen, ons toegerekend en geschonken wordt; Rom. 3:24-25 , en Rom. 4:5 .
Hertaald:
gelooft men ter rechtvaardigheid
Namelijk als een middel waardoor de gerechtigheid van Christus aangenomen, ons toegerekend en geschonken wordt; Rom. 3:24-25 en Rom. 4:5.
belijdt men ter zaligheid
De ware belijdenis wordt hier gesteld als een weg, waardoor wij tot de zaligheid, die ons door Christus' gerechtigheid verworven is, moeten komen, Matt. 10:32 , en als een kenteken van het ware geloof, dat in het hart verborgen is; 1 Joh. 4:15 .
Hertaald:
belijdt men ter zaligheid
De ware belijdenis wordt hier gesteld als een weg waarlangs wij moeten komen tot de zaligheid die ons door de gerechtigheid van Christus verworven is, Matth. 10:32, en als een kenteken van het ware geloof dat in het hart verborgen is; 1 Joh. 4:15.
in Hem gelooft,
Namelijk Christus, van wien bij Jes. 28:16 , geprofeteerd wordt.
Hertaald:
in Hem gelooft,
Namelijk Christus, over Wie in Jes. 28:16 geprofeteerd wordt.
zal niet beschaamd worden
Het Hebreeuwse woord Jes. 28:16 betekent eigenlijk en zal zich niet verhaasten, doch wordt in de Griekse overzetting vertaald en zal niet beschaamd, dat is in zijne mening bedrogen worden; omdat degenen, die zich zeer haast, zonder te weten waarheen hij zijne toevlucht zal nemen, lichtelijk beschaamd of bedrogen wordt.
Hertaald:
zal niet beschaamd worden
Het Hebreeuwse woord in Jes. 28:16 betekent eigenlijk: en hij zal zich niet haasten. Maar in de Griekse vertaling is het weergegeven met: en hij zal niet beschaamd worden, dat is: in zijn verwachting bedrogen uitkomen. Want wie zich zeer haast zonder te weten waarheen hij zijn toevlucht zal nemen, komt gemakkelijk beschaamd of bedrogen uit.
geen onderscheid,
Namelijk nu in de tijden des Nieuwen Testaments; Ef. 2:13 .
Hertaald:
geen onderscheid,
Namelijk nu, in de tijd van het Nieuwe Testament; Ef. 2:13.
eenzelfde is Heere van allen,
Namelijk God in Christus, of dezelfde Heere van allen is rijk over allen, enz.
Hertaald:
eenzelfde is Heere van allen,
Namelijk God in Christus. Of: dezelfde Heere van allen is rijk over allen, enzovoort.
rijk zijnde over allen,
Dat is, overvloedig genadig, òf goedertieren.
Hertaald:
rijk zijnde over allen,
Dat is: overvloedig genadig, of goedertieren.
die Hem aanroepen
Namelijk door het ware geloof, gelijk volgt. En hieruit blijkt dat het woord belijden, vs.9,10, ook de ware aanroeping begrijpt, die een voornaam deel is van onze belijdenis voor God en de mensen; Dan. 6:11 .
Hertaald:
die Hem aanroepen
Namelijk door het ware geloof, zoals volgt. Hieruit blijkt dat het woord belijden in vers 9 en 10 ook de ware aanroeping omvat, die een voornaam deel is van onze belijdenis voor God en de mensen; Dan. 6:11.
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen,
In de rest van dit hfdst. verklaart de apostel het middel, waardoor het ware geloof in Christus wordt verkregen; namelijk door de predikatie des Evangelies, gepredikt van degenen, die daartoe wettelijk gezonden zijn, hoewel deze in allen hare behoorlijke vrucht niet heeft.
Hertaald:
Hoe zullen zij dan Hem aanroepen,
In de rest van dit hoofdstuk verklaart de apostel het middel waardoor het ware geloof in Christus verkregen wordt: namelijk door de prediking van het Evangelie, verkondigd door hen die daartoe wettig gezonden zijn — hoewel die prediking niet bij allen haar behoorlijke vrucht draagt.
niet gehoord hebben?
Dat is, geen wetenschap hebben, daar zij door het gehoor van Gods Woord toe gebracht worden; dewijl de kennis noodzakelijk tot het geloof vereist wordt; Joh. 17:3 .
Hertaald:
niet gehoord hebben?
Dat is: geen kennis hebben, terwijl zij daartoe gebracht worden door het horen van Gods Woord; want de kennis is noodzakelijk voor het geloof; Joh. 17:3.
die hun predikt?
Namelijk het Woord Gods. Het Griekse woord Keryssein betekent eigenlijk ene uitroeping, of publieke verkondiging doen, die door de stadsboden vanwege de overheid aan de burgers geschiedt, en wordt alhier, gelijk ook doorgaans in de Heilige Schrift, genomen voor de verkondiging des Evangelies, die door de apostelen en andere leraars van Christus' wege aan de mensen gedaan wordt. Zie Matt. 3:1 , en Matt. 4:17 , Matt. 4:23 ; Marc. 1:4 , Marc. 1:7 , en Marc. 16:15 ; 2 Kor. 5:19-20 .
Hertaald:
die hun predikt?
Namelijk het Woord van God. Het Griekse woord keryssein betekent eigenlijk: een afkondiging of openbare verkondiging doen, zoals die door de stadsomroepers namens de overheid aan de burgers gedaan wordt. Hier wordt het, zoals overal in de Heilige Schrift, gebruikt voor de verkondiging van het Evangelie, die door de apostelen en andere leraars namens Christus aan de mensen gedaan wordt. Zie Matth. 3:1 en Matth. 4:17, Matth. 4:23; Mark. 1:4, Mark. 1:7 en Mark. 16:15; 2 Kor. 5:19-20.
hoe zullen zij prediken,
Namelijk recht en behoorlijk, van Christus' wege en in Christus' naam, als voren. Want er zijn er anderszins ook geweest, die liepen en profeteerden eer zij gezonden waren; Jer. 23:21 .
Hertaald:
hoe zullen zij prediken,
Namelijk op de juiste en behoorlijke wijze, namens Christus en in Zijn naam, zoals hierboven. Want er zijn er ook geweest die liepen en profeteerden voordat zij gezonden waren; Jer. 23:21.
gezonden worden?
Namelijk van degenen, wiens woord zij verkondigen; hetzij nu zulks buitengewoon van God en Christus zelven, hetzij het gewoon door de gemeente en hare opzieners, die daartoe van God gelast zijn, geschiedde.
Hertaald:
gezonden worden?
Namelijk door Hem Wiens woord zij verkondigen — hetzij buitengewoon, door God en Christus Zelf, hetzij op de gewone wijze, door de gemeente en haar opzieners, die daartoe door God gemachtigd zijn.
liefelijk zijn de voeten
Dat is, aangenaam. Deze woorden zijn genomen uit Jes. 52:7 , waarvan de verlossing en verbreiding van Gods gemeente door Christus, en van de verkondiging derzelfde verlossing gehandeld wordt.
Hertaald:
liefelijk zijn de voeten
Dat is: aangenaam. Deze woorden zijn ontleend aan Jes. 52:7, waar gehandeld wordt over de verlossing en de uitbreiding van Gods gemeente door Christus, en over de verkondiging van diezelfde verlossing.
vrede verkondigen,
Namelijk met God door Christus. Zie Rom. 5:1 ; Ef. 2:14 .
Hertaald:
vrede verkondigen,
Namelijk vrede met God door Christus. Zie Rom. 5:1; Ef. 2:14.
allen het Evangelie gehoorzaam geweest;
Namelijk wien het Evangelie is gepredikt.
Hertaald:
allen het Evangelie gehoorzaam geweest;
Namelijk zij aan wie het Evangelie gepredikt is.
prediking geloofd?
Grieks, gehoor; waarvan zie Joh. 12:38 .
Hertaald:
prediking geloofd?
Grieks: gehoor; zie daarover Joh. 12:38.
door het Woord Gods
Namelijk dat gepredikt is; of door het bevel Gods, die hen tot het prediken heeft gezonden.
Hertaald:
door het Woord Gods
Namelijk het Woord dat gepredikt is. Of: door het bevel van God, Die hen tot het prediken gezonden heeft.
zij het niet gehoord?
Namelijk Joden en heidenen; want van beiden spreekt hij daarna verscheidenlijk.
Hertaald:
zij het niet gehoord?
Namelijk Joden en heidenen; want over beide spreekt hij daarna afzonderlijk.
Ja toch,
Namelijk zij hebben het allen waarlijk gehoord.
Hertaald:
Ja toch,
Namelijk: zij hebben het allen werkelijk gehoord.
hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan,
Deze plaats, genomen uit Psa 19 , die eigenlijk spreekt van de kennis van God, die alle mensen hebben kunnen uit het aanschouwen van den hemel en van de schepselen, die daarin zijn, menen sommigen dat ook een profetie in zich begrijpt van hetgeen ten tijde der apostelen geschieden zou. Doch alzo de apostel dit eigenlijk niet bijbrengt als van David voorzegd, gelijk hij elders wel doet, zo kan dit zeer bekwamelijk genomen worden voor een heilige toepassing van deze woorden tot het voornemen van den apostel, gelijk hierboven vs.6, dergelijk in de plaats Deut. 30:11 gezien is. En daarom verandert hij ook een woord of twee daarin, dat op zijn voornemen niet paste.
Hertaald:
hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan,
Deze plaats, ontleend aan Ps. 19, spreekt eigenlijk over de kennis van God die alle mensen kunnen hebben uit het aanschouwen van de hemel en van de schepselen die daarin zijn. Sommigen menen dat zij ook een profetie inhoudt van wat in de tijd van de apostelen zou gebeuren. Maar aangezien de apostel dit niet uitdrukkelijk aanvoert als een voorzegging van David, zoals hij elders wel doet, kan het heel goed opgevat worden als een heilige toepassing van deze woorden op het doel van de apostel — zoals hierboven bij vers 6 iets dergelijks gebeurde met de plaats Deut. 30:11. Daarom verandert hij er ook een enkel woord in dat niet bij zijn doel paste.
tot de einden der wereld
Namelijk door de apostelen en evangelisten onder alle volken der wereld, ook onder de heidenen, naar het bevel van Christus, Matt. 28:19 ; Marc. 16:15 , waarvan de vervulling alsdan alrede geschiedde; Rom. 1:8 , en Rom. 15:19 ; Kol. 1:6 .
Hertaald:
tot de einden der wereld
Namelijk door de apostelen en evangelisten onder alle volken van de wereld, ook onder de heidenen, naar het bevel van Christus, Matth. 28:19; Mark. 16:15. De vervulling daarvan gebeurde toen al; Rom. 1:8 en Rom. 15:19; Kol. 1:6.
Heeft Israël
Hier bewijst de apostel met drie verscheidene plaatsen der Schrift van het Oude Testament, dat de Joden het ook gehoord hebben zowel als de heidenen, maar dat de heidenen het hebben aangenomen en de Joden ten merendeel verworpen. En legt alzo den grond van hetgeen hij in Rom 11 belangende de aanneming der heidenen en de verwerping der Joden, voorgenomen had te verhandelen.
Hertaald:
Heeft Israël
Hier bewijst de apostel met drie verschillende plaatsen uit het Oude Testament dat ook de Joden het gehoord hebben, evengoed als de heidenen, maar dat de heidenen het aangenomen hebben en de Joden het grotendeels verworpen hebben. Zo legt hij de grondslag voor wat hij zich voorgenomen had in hoofdstuk 11 te behandelen over de aanneming van de heidenen en de verwerping van de Joden.
het niet verstaan?
Dat is niet gehoord? Namelijk het woord des Evangelies, of der rechtvaardigheid des geloofs.
Hertaald:
het niet verstaan?
Dat is: niet gehoord? Namelijk het woord van het Evangelie, of van de gerechtigheid van het geloof.
zegt eerst
Namelijk tot Israël, dat is tot het Joodse volk.
Hertaald:
zegt eerst
Namelijk tot Israël, dat is: tot het Joodse volk.
tot jaloersheid verwekken
Namelijk omdat gij zult zien dat Ik de heidenen, die nu mijn volik niet zijn, ten tijde van den Messias meer voordeel zal doen in het aannemen van het Evangelie, dan u, Joden, die nu mijn volk zijt; en dat om uwe ondankbaarheid te straffen en u daardoor tot bekering te roepen en te verwekken. Want jaloersheid is eigenlijk een ongenoegen, dat iemand hierover heeft, dat hij ziet een ander meer deel te hebben aan iemands liefde of weldaad, dat hij zelf heeft, als hij meent dat het hem meer toekomt. Zie hierna Rom. 11:11 .
Hertaald:
tot jaloersheid verwekken
Namelijk omdat u zult zien dat Ik in de tijd van de Messias de heidenen, die nu Mijn volk niet zijn, meer goed zal doen in het aannemen van het Evangelie dan u, Joden, die nu Mijn volk bent — en dat om uw ondankbaarheid te straffen en u daardoor tot bekering te roepen en op te wekken. Want jaloersheid is eigenlijk het ongenoegen dat iemand erover heeft dat hij ziet hoe een ander meer deel heeft aan iemands liefde of weldaad dan hijzelf, terwijl hij meent dat het hem meer toekomt. Zie hierna Rom. 11:11.
geen volk zijn ;
Namelijk Gods, gelijk toen de heidenen waren.
Hertaald:
geen volk zijn ;
Namelijk geen volk van God, zoals de heidenen toen waren.
een onverstandig volk
Zo noemt hij de heidenen, omdat zij de rechte kennis van God en Zijne rechten niet hadden; Ps. 147:19-20 .
Hertaald:
een onverstandig volk
Zo noemt hij de heidenen, omdat zij de juiste kennis van God en Zijn rechten niet hadden; Ps. 147:19-20.
verstout zich,
Dat is, spreekt nog vrijmoediger van de bekering der heidenen en van hunne roeping, niettegenstaande den ondank der Joden.
Hertaald:
verstout zich,
Dat is: hij spreekt nog vrijmoediger over de bekering van de heidenen en over hun roeping, ondanks de ondankbaarheid van de Joden.
gevonden van degenen,
Namelijk door de verkondiging van mijn Evangelie en krachtige werking mijns Geestes aan de heidenen, die God niet zochten, maar hun eigene wegen ingingen ten verderve. Zie Hand. 14:16 , en Hand. 17:30 .
Hertaald:
gevonden van degenen,
Namelijk door de verkondiging van Mijn Evangelie en de krachtige werking van Mijn Geest onder de heidenen, die God niet zochten maar hun eigen wegen gingen, het verderf tegemoet. Zie Hand. 14:16 en Hand. 17:30.
die naar Mij niet vraagden
Dat is, die zorgeloos hunne onwetendheid en wereldse lusten navolgden. Zie Ef. 2:1 , enz. Tit. 3:3-5 .
Hertaald:
die naar Mij niet vraagden
Dat is: die zorgeloos hun onwetendheid en wereldse lusten volgden. Zie Ef. 2:1, enzovoort; Tit. 3:3-5.
Mijn handen uitgestrekt
Namelijk om hun tot mij en mijne rechtvaardigheid te roepen en te noden. Zie dergelijke wijze van spreken Spr. 1:20 , enz.
Hertaald:
Mijn handen uitgestrekt
Namelijk om hen tot Mij en tot Mijn gerechtigheid te roepen en te nodigen. Zie een soortgelijke manier van spreken in Spr. 1:20, enzovoort.
tegensprekend volk
Dat is, wederspannig, moedwillig. Zie een voorbeeld Jer. 44:16 ; Ezech. 3:7 .
Hertaald:
tegensprekend volk
Dat is: weerspannig, moedwillig. Zie een voorbeeld in Jer. 44:16; Ezech. 3:7. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Paulus schrijft over zijn eigen volk, en hij begint met wat hem daarin bezighoudt: mijn hartelijke begeerte en gebed tot God voor hen is tot zaligheid. Wat hij daarna zegt is geen verwijt over onverschilligheid maar over iets anders. Zij hebben ijver, zegt Paulus, maar niet met verstand — en juist die ijver liep de verkeerde kant op. De diagnose is genadeloos precies: ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Het gaat dus niet om luiheid. En dan zegt hij wat er misging: dewijl zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. Iemand die zijn eigen huis bouwt, gaat niet in het huis wonen dat hem gegeven wordt. Dan volgt de zin waarom dit gedeelte bekend staat: want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft. Dat woord einde kan tweeërlei betekenen, en de kanttekening kiest onomwonden. Zij schrijft dat het gaat om het doel waarom de wet door Mozes gegeven is. Namelijk dat de mensen daardoor tot kennis van hun zonden gebracht zouden worden. En dat zij zo hun toevlucht zouden nemen tot Christus en Zijn gerechtigheid, aangezien Hij de wet voor ons volkomen volbracht heeft. Einde betekent hier dus niet dat de wet ophoudt maar waar zij op mikt. Een weg eindigt bij een bestemming, en dat is niet hetzelfde als een weg die wordt opgebroken. Paulus laat vervolgens Mozes zelf aan het woord om te bewijzen dat dit geen nieuwe leer is. Hij haalt Deuteronomium 30 aan. Daar staat dat het woord niet in de hemel is en niet aan de andere zijde der zee, maar zeer nabij: in uw mond en in uw hart. En hij past dat toe: “Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.” Wat daarna volgt is een reeks vragen die als een trap terugloopt. Hoe zullen zij Hem aanroepen in Welken zij niet geloofd hebben? Hoe zullen zij geloven van Welken zij niet gehoord hebben? “Hoe zullen zij horen zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken indien zij niet gezonden worden?” De gevolgtrekking staat in vers 17: zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. De kanttekening voegt eraan toe: namelijk het Woord dat gepredikt is — of: door het bevel van God, Die hen tot het prediken gezonden heeft. In het Nieuwe Testament: Deuteronomium 30:11-14; Galaten 3:24; Filippenzen 3:9; Mattheüs 5:17
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Spurgeon legt eenvoudig uit hoe mensen gered worden: door de Naam van de Heere aan te roepen (Rom. 10:13), wat aanbidding, bidden, vertrouwen in Christus en belijdenis betekent.… Spurgeon vergat zijn preek, maar God gebruikte een onweersbui om twee mannen tot geloof te brengen. Zo is dan het geloof uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God. Romeinen 10:17 Merk op dat de vreugde van het geloof geworteld is… Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt. Romeinen 10:9 Er was eens een man die manager was van een grote brouwerij. Dat is een plek waar… Doch zij zijn niet allen het evangelie gehoorzaam geweest, want Jesaja zegt: Heere: wie heeft onze prediking geloofd? Rom. 10:16 De mens is onder alle bedelingen hetzelfde ongehoorzame… En hij stond op en ging naar zijn vader. En toen hij nog ver van hem verwijderd was, zag zijn vader hem en deze was met innerlijke ontferming… Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Romeinen 10:10 De jonge Jozef verliest zijn mantel aan zijn wellustige meesteres,… Die de Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden Romeinen 10: 13 Twijfelen aan uw recht om tot Jezus te komen is een droevige zaak. Het bederft… Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen… Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof… En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen die naar Mij niet vraagden. Maar tegen Israël… Laten wij in de eerste plaats letten op Gods soevereiniteit zoals we daarvan lezen in Rom. 10:20-21: “Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; Ik ben… Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. Romeinen 10:4 Onlangs spraken we samen over de dagen van de Zoon des mensen. O, dat… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Romeinen 10
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Het einde der wet is Christus — 10:1-17
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Een eenvoudige preek voor zoekende zielen
Wat moet ik prediken?
God heeft gesproken
Christus of werk
Rom. 10:16 - Ongehoorzaamheid aan het evangelie
Rust niet eerder dan om Zijn hals
Belijden
Niet uitgesloten
Hoor je de roeping?
Een gedenkteken voor de doden en een stem voor de levenden
Vrije genade
Ben ik wel uitverkoren?
Want het einde der wet is Christus


Romeinen 10
Romeinen 10:1-3
KruisverwijzingenHandelingen 21:20→Lukas 16:15→Romeinen 1:17→Openbaring 3:17→Filippenzen 3:9→1 Korinthe 9:20→Filippenzen 1:9→Romeinen 3:22→— Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid. Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
Laat dit onze hartelijke wens en ons gebed tot God voor Israël zijn. Smarten op smarten zijn over Gods oude volk gekomen, tot op deze dag; en zij zijn verstrooid en geplunderd, verscheurd en verdeeld, in bijna elk land. Wie heeft geen medelijden met hun verdriet en ellende? Laat het onze hartelijke wens en ons dagelijks gebed voor Israël zijn, dat zij behouden mogen worden door het geloof in de Messias, Die zij zo lang verworpen hebben.
Deze mensen hadden de apostel vervolgd. Overal waar hij ging, hadden zij hem achtervolgd. Zij hadden zijn werk belemmerd; zij hadden hem naar het leven gestaan. Toch was dit het enige wat hij hun teruggaf: te wensen en te bidden dat zij behouden mochten worden. Laten wij ons nooit afkeren van dat liefdevolle verlangen naar hen onder wie wij wonen. Wij wensen hun niets ergers, wij kunnen hun niets beters wensen, dan dat zij behouden mogen worden. Laten wij het niet alleen wensen, maar er ook voor bidden.
Verlangen is de moeder en de ziel van het gebed. Deze Israëlieten hadden Paulus opgejaagd, en hem naar het leven gestaan. Zij waren zijn doodsvijanden; maar het enige wat hij hun teruggaf, was te bidden dat zij behouden mochten worden. Ik hoop dat u nooit een slechtere wens voor uw ergste vijand zult hebben.
Het is een betreurenswaardige, droevige fout, dat mensen ernstig en zeer ijverig kunnen zijn, en er toch niets van terechtkomt, omdat zij die ijver in de verkeerde richting besteden. Mensen willen zichzelf rechtvaardig maken. Zij willen voor God verschijnen in het gewaad van hun eigen werken, terwijl God al een gerechtigheid gemaakt heeft, die Hij vrijelijk schenkt. Voor ons om te proberen een andere te maken, is in wedijver te treden met God: Zijn Zoon te beledigen, en oneer aan Zijn Naam te doen.
Romeinen 10:2-3
KruisverwijzingenHandelingen 21:20→Lukas 16:15→Romeinen 1:17→Openbaring 3:17→Filippenzen 3:9→Filippenzen 1:9→Romeinen 3:22→Psalmen 71:19→— Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.
In Paulus’ dagen waren zij zeer ijverig in het onderhouden van elke vorm van uiterlijke godsdienst. Velen van hen verlangden oprecht om goed te staan met God; maar zij wisten niet hoe zij het gewenste doel moesten bereiken.
Houd altijd rekening met alles wat goed is in hen die nog niet bekeerd zijn. Wij mogen niet onrechtvaardig tegen hen zijn, alleen omdat wij eerlijk tegen hen willen zijn.
Zie altijd al het goede dat er te zien is; en, moet u vermanen en bestraffen, begin dan met te erkennen wat goed is: “zij hebben een ijver tot God, maar niet met verstand.”
Misschien spreek ik hier tot sommigen die zeer bezorgd zijn om goed te staan met God; zij zijn geen huichelaars, maar zijn werkelijk ontwaakt tot een besef van hun gevaar, en toch kunnen zij geen vrede van gemoed vinden. De reden is dat zij, evenals de Israëlieten, hun eigen gerechtigheid trachten op te richten. Zij strijden, worstelen, zoeken, matten zich af om een eigen gerechtigheid te verkrijgen die zij nooit zullen bereiken. Zij kennen de rechtvaardigheid Gods niet, die in Christus volbracht is, en die vrijelijk geschonken wordt aan allen die in Hem geloven. Helaas, zij hebben zich niet onderworpen aan deze gerechtigheid Gods. Zij zijn zo hoogmoedig, dat zij zich niet willen onderwerpen om behouden te worden door de gerechtigheid van een Ander, ook al is die Ander de Heere Jezus Christus Zelf. Toch is dit het hoofdpunt: de onderwerping van onze hoogmoedige wil aan de gerechtigheid Gods.
Dat is het grote kwaad bij mensen die niet behouden zijn. Zij zijn zeer oprecht, zeer ernstig, maar zij willen zich niet onderwerpen aan de gerechtigheid Gods. Zij willen niet toestemmen om rechtvaardig gemaakt te worden door de genade van God door Jezus Christus; maar zij trachten hun eigen gerechtigheid op te richten. Het drukt heel treffend uit hoeveel energie mensen erin steken, en tot welke uitvluchten zij hun toevlucht nemen, om een eigen gerechtigheid tot stand te brengen. Zij zullen ernaar streven, ja, tot aan de poorten van de hel; zij zullen proberen omhoog te klimmen met gebeden, tot aan de poorten van de hemel toe. Zij trachten hun eigen gerechtigheid op te richten, maar zij kennen de gerechtigheid Gods niet, en weigeren zich eraan te onderwerpen.
Zij waren zeer ijverig; maar het was blinde ijver. Zij waren zeer energiek; maar zij gebruikten hun energie om de verkeerde weg te gaan. God heeft een gerechtigheid, en onze wijste weg is ons eraan te onderwerpen. Onze eigen gerechtigheid, stellen wij haar tegenover Gods weg van zaligheid, zal onze zonde alleen maar vermeerderen. U kunt evengoed door uw gerechtigheid te gronde gaan als door uw ongerechtigheid, stelt u haar in de plaats van de zaligheid door genade door het geloof in Jezus Christus.
Romeinen 10:4
KruisverwijzingenGalaten 3:24→Romeinen 8:3→Hebreeën 9:7→Romeinen 7:1→Mattheüs 5:17→Jesaja 53:11→Mattheüs 3:15→Handelingen 13:38→— Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.
Christus is het einddoel van de wet; en gaan wij tot de wet, aangenomen en beschermd door Hem, dan bieden wij aan de wet alles wat zij ooit van ons zou kunnen eisen. Christus heeft de wet vervuld namens allen die in Hem geloven, zodat haar vloek voor ons allen, die door Christus tot haar naderen, is afgeschaft.
Wie in Christus gelooft, is even rechtvaardig als de wet hem ooit gemaakt zou kunnen hebben, had hij haar volmaakt gehouden. Het einde van de wet is gerechtigheid; dat wil zeggen, haar vervulling; en wie Christus heeft, zal de wet in Christus vervuld zien, en de gerechtigheid van Christus op zichzelf toegepast.
Krijgen wij Christus door het geloof, dan hebben wij de gerechtigheid van de wet. Alles wat ooit door de hoogste en volmaaktste gehoorzaamheid aan de wet tot ons had kunnen komen, ontvangen wij door het geloof in Christus Jezus. Wij staan nu niet meer onder dat verbond der werken. Wij zullen nooit op die manier tot gerechtigheid komen.
Romeinen 10:5-9
KruisverwijzingenDeuteronomium 30:14→Lukas 12:8→Filippenzen 2:11→Leviticus 18:5→1 Johannes 4:2→Ezechiël 20:13→Nehemia 9:29→Ezechiël 20:21→— Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken. Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.
“De rechtvaardigheid, die uit het geloof is,” is iets heel anders dan de rechtvaardigheid die uit de wet is. Het is geen zaak van doen, en leven door te doen, maar van vertrouwen, en voor altijd leven door te vertrouwen. Waar bent u mee bezig, u die naar de sterren zou willen klimmen, of u die in de afgrond zou willen storten? Er is niets wat u hoeft te doen, niets wat u hoeft te voelen, niets wat u hoeft te zijn, om door God aangenomen te worden. Maar, zoals u bent, als u Christus in uw hart wilt ontvangen, en Hem met uw mond belijden, zult u behouden worden. Och, deze heerlijke weg van de zaligheid van de zondaren! Zo eenvoudig, en toch zo veilig; zo duidelijk, en toch zo verheven: dat ik mijn eigen gerechtigheid mag afleggen, en gewoon de gerechtigheid van Christus mag aannemen, en ermee bedekt worden van hoofd tot voeten! Ik mag wel bereid zijn mijn eigen gerechtigheid af te leggen, want zij is een hoop vuile lompen, alleen geschikt om verbrand te worden.
Ach, dat is iets heel anders. Het spreekt niet over doen en leven, “maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus.”
Als Degene door Wie de wet gegeven werd, wist Mozes hoe hij haar moest beschrijven; en wij mogen er zeker van zijn dat hij zich niet vergiste. Dit is zijn beschrijving van de wettische gerechtigheid: “De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.” Dat is het: doe en leef. Dat is de wet, en een zeer rechtvaardige wet ook. Laat iets ongedaan, of breek het gebod op enig punt, en u sterft; dat is de wet.
Hoe eenvoudig! Geen klimmen, geen duiken, geen inbeelden, geen langdurig verstandelijk redeneren, geen worsteling van het denkvermogen. Het is eenvoudig: geloof Gods getuigenis aangaande Zijn Zoon, en u zult behouden worden.
Daar hebt u het Evangelie in een notendop. Wat een eenvoudige weg is het, deze grote feiten over de Heere Jezus Christus te geloven, ze werkelijk zo te geloven, dat zij praktische krachten in uw leven worden. Dit is de hele weg van de zaligheid. Christus hoeft niet neergehaald te worden. Hij is gekomen. Hij hoeft niet opgehaald te worden. Hij is uit de doden opgestaan. Het werk is volbracht. Wat u hebt te doen, is dat volbrachte werk te geloven, en het als het uwe aan te nemen, en u zult behouden worden.
Gods weg van de zaligheid is dus: geloof en leef. Geloof in Christus; Christus, Die stierf, Christus, uit de doden opgewekt. Gelooft u zo, dan bent u behouden. U hoeft niet in vervoering ten hemel op te stijgen, en ook niet in wroeging naar de hel af te dalen. Zoals u bent, geloof en leef. Dit is de weg van de gerechtigheid Gods.
Dit is heel iets anders. Ook hier is het Mozes die spreekt, als in het vorige vers. Dit is wat de gerechtigheid van het geloof zegt.
Romeinen 10:10-14
KruisverwijzingenJesaja 28:16→Handelingen 2:21→Joël 2:32→Romeinen 9:33→1 Petrus 2:6→Romeinen 3:22→Jesaja 49:23→Markus 16:15→— Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid. Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden. Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen. Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden. Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?
Hoe kan er waar gebed zijn, zonder geloof? Hoe zal ik waarlijk tot God kunnen bidden, als ik niet werkelijk in Hem geloof? “Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.”
Hoe verschilt dit alles van dat trachten om onze eigen gerechtigheid op te richten, dat opstellen van gebeden, en tranen, en kerkgang, en goede werken, en ik weet niet wat nog meer! In plaats daarvan wordt hier Christus voorgesteld. Neemt u Hem aan als de uwe, dan bent u begenadigd in de Geliefde en, gerechtvaardigd uit het geloof, hebt u vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Och, wat een zegen is dit!
Waar geloof moet vergezeld gaan van een openlijke belijdenis. Kom naar voren, en beken uiterlijk wat u innerlijk gelooft. Denk aan die woorden van de Heere Jezus: “die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Ook hier komt de belijdenis na het geloof, zoals het ook moet zijn. Eerst de werkelijkheid, de zaak zelf, het geloof; daarna het uiterlijke, zichtbare teken in de belijdenis van dat geloof.
Al deed hij veel waarvoor hij zich zou moeten schamen: bracht de wet hem zo tot het geloven in Jezus Christus tot gerechtigheid, dan is hij rechtvaardig. En zo rechtvaardig, dat hij zich nooit zal hoeven te schamen over zijn gerechtigheid, of over zijn geloof in Christus. Wilde God dat sommigen van hen die hun eigen gerechtigheid trachten op te richten, geleid werden om deze weg te proberen, en in Jezus Christus te geloven.
Hij hoeft zich nooit te schamen over zijn geloof. Het zal hem dragen; het zal hem er doorheen dragen; het zal hem ten hemel dragen.
Dit was de oude profetie van Joël. De Joden kenden haar. Het is de nieuwe leer van het Evangelie. De heidenen kennen haar. Och, wie zou niet willen zijn in dat brede “een iegelijk,” opdat hij zaligheid mocht vinden?
Dat is een wonderlijke zin; grijp haar aan. Twijfelende, verontruste zielen, grijp haar aan, geloof haar, beoefen haar; en u zult haar waar bevinden.
Wat een gezegend woord is dat: er is geen onderscheid tussen de Jood en de Griek! Er zijn er die dat onderscheid willen handhaven. Zij zeggen dat wij Israël zijn, of iets dergelijks. Het kan mij niet schelen wat wij zijn. Er is geen onderscheid tussen de Jood en de Griek.
Iemand zei tegen mij: “ik denk dat de Roomse Kerk niet de Kerk van Christus kan zijn. Ik denk niet dat de Kerk van Engeland de Kerk van Christus is. Denkt u dat de Baptisten de Kerk van Christus zijn?” En mijn antwoord was: de Kerk van Christus is te vinden, verspreid door alle kerken, en door geen enkele kerk. Het is een volk dat God uit de mensen heeft uitgekozen. Zij zijn hier en daar en overal te vinden, een geestelijk zaad dat God als het Zijne heeft afgezonderd. Zij zijn hieraan te herkennen, dat zij de Naam van de Heere aanroepen, en “eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.”
Wij roepen die Naam aan door er vertrouwen in te stellen; door tot God te spreken in het gebed, met gebruik van die Naam; door de majesteit en de Naam van God te aanbidden en eerbiedig te verkondigen. Een iegelijk die die grote Naam zal aanroepen of inroepen, zal zalig worden.
Romeinen 10:14-15
KruisverwijzingenJesaja 52:7→Nahum 1:15→Markus 16:15→Titus 1:3→Lukas 24:46→Efeze 6:15→Jesaja 61:1→Efeze 2:17→— Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
Wij moeten weten wát wij moeten geloven; en kennen wij het, dan zullen wij door de Heilige Geest geholpen worden om het te geloven. Bereikt het Woord van de Heere een mens niet, hetzij door de levende stem, hetzij door de drukpers, die vaak de plaats van de prediker inneemt, hoe zal hij het dan kunnen geloven? U ziet hier wat ik dikwijls “het hele werktuig der zaligheid” genoemd heb. Eerst komt de prediker die het Evangelie verkondigt, dan komt de zondaar die luistert, dan komt de hoorder die het gelooft. Als gevolg daarvan roept hij de Naam van de Heere aan, als iemand die met een eeuwige zaligheid behouden is.
Aan de wortel van de zaligmakende aanroeping of oproep moet werkelijk geloof liggen. Er kan geen ware aanbidding van God zijn, tenzij zij gegrond en gefundeerd is op geloof in God.
Er kan niet zoiets zijn als het geloven van wat nooit in ons gehoor gesproken is, en ons nooit bekend gemaakt is. Lezen doet natuurlijk vaak hetzelfde als horen. Het is een soort horen van het Woord; maar een mens moet het weten, anders kan hij het niet geloven.
Ziet u het werktuig van het Evangelie? Daar is het aanroepen van de Naam. Dat komt uit het geloof voort. Daar is het geloof, dat uit het horen komt; maar daar is het horen, dat uit de prediking komt.
Zo goed beschouwd, staat de nederigste prediker van het Evangelie in de meest plechtige verhouding tot de mensheid. Zijn Meester zendt hem. Hij brengt zijn boodschap. Mensen horen haar, geloven haar, en worden erdoor behouden. Gelukkig de boodschapper. Wel mag zijn hart zich verblijden, ook al is zijn ziel bezwaard, omdat hij zulk werk mag doen in de Naam van zijn Meester.
Zie hier het hele werktuig van de zaligheid. God verschaft de zaligheid in Christus Jezus, Hij zendt de prediker om ervan te vertellen, mensen horen, zij geloven, en de zaligheid is de hunne. U hoeft haar niet zelf te bewerken, u hoeft alleen aan te nemen wat voor u gemaakt is. Het is niet wat u zult doen, dat u zal redden; het is wat Christus gedaan heeft. U moet uit zelfvertrouwen komen, tot vertrouwen op Hem; en zodra u dat doet, bent u behouden.
Romeinen 10:15
KruisverwijzingenJesaja 52:7→Nahum 1:15→Efeze 6:15→Jesaja 61:1→Efeze 2:17→Mattheüs 28:18→Efeze 4:11→1 Petrus 1:12→— En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!
Hier is de grote motor achter heel het werktuig: God, Die de prediker zendt; God, Die het Woord zegent; God, Die het geloof in het hart van de hoorders werkt.
Slechte prediking zal niet het soort prediking zijn dat gelovig gehoor voortbrengt, tenzij zij gezonden zijn. Zendt God de man niet, dan had hij beter thuis kunnen blijven. Alleen zoals God hem zendt, zal God hem zegenen. Hij is verplicht Zijn eigen boodschapper te steunen, wanneer die Gods eigen boodschap overbrengt. “Hoe zullen zij dan prediken, indien zij niet gezonden worden?”
Zij zijn zo mooi, omdat, ziet u, God ze aan de wortel van alles heeft gelegd. God maakt de prediker die Hij zendt, tot de bron van zoveel goeds. Door zijn prediking komt het horen, door het horen komt het geloven, en uit het geloven komt het aanroepen van de Naam, en de zaligheid.
Romeinen 10:16
KruisverwijzingenJesaja 53:1→Romeinen 3:3→Hebreeën 4:2→1 Petrus 2:8→Johannes 12:38→Romeinen 2:8→Jesaja 50:10→Romeinen 16:26→— Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?
Wat Jesaja zegt, hebben menig prediker sindsdien moeten herhalen: “wee, wee ons hierover.”
“Doch.” Een droevig “doch” is dit. Och, dit is het kwade ervan. Het Evangelie heeft dus een gezag over zich; anders zou de apostel niet spreken van het Evangelie gehoorzamen. Mensen zijn verplicht te geloven wat God hun verklaart, en hun ongeloof is een ongehoorzaamheid.
Alsof er zo weinigen waren die het geloofden, dat hij moest vragen wie zij waren.
Och nee; allen die het gehoord hebben, hebben het niet gehoorzaamd! Er zijn hier velen die het van kindsbeen af gehoord hebben, en toch hebben zij het niet gehoorzaamd. Let op het woord “gehoorzaam,” want het Evangelie komt tot u met de kracht van een gebod. Verwerpt u het, dan zondigt u ertegen, want het is uw plicht het aan te nemen.
Zo weinigen waren gehoorzaam, dat hij vroeg waar zij waren.
Romeinen 10:17-19
KruisverwijzingenGalaten 3:2→Deuteronomium 32:21→Galaten 3:5→Psalmen 19:4→Romeinen 1:16→Markus 4:24→Romeinen 11:11→Jakobus 1:18→— Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld. Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.
Had het Joodse volk niet een tijd van horen en onderricht gehad? Zeker wisten zij het, en zij wisten ook dat het Evangelie niet tot hen beperkt zou blijven. Zij hadden een waarschuwing dat het zelfs van hen weggenomen en naar andere volken gezonden zou worden.
U bent dus wijs, dierbare vriend, zoekt u de zaligheid, om een hoorder van het Woord te zijn. Maar zorg ervoor dat het het Woord van God is dat u hoort, want het woord van mensen kan u niet redden. Het kan u misleiden. Het kan u een valse vrede geven; maar het horen dat redt, is het horen dat komt door het Woord van God. Och, wees dan voorzichtig dat u niet heen en weer loopt, alleen vanwege de gevatheid van bepaalde sprekers; maar blijf bij het Woord van God, wie het ook predikt, want “zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.”
Och, mochten zij inderdaad horen!
Deze zelfde mensen voor wie de apostel bad, hebben zij niet gehoord?
De prediking van het Evangelie ging uit onder die Israëlieten, die het verwierpen. Waar zij ook gingen, het Evangelie scheen hen te volgen als hun schaduw. Zij konden er niet aan ontkomen, maar zij geloofden het niet.
Heeft Hij het niet gedaan? Israël wordt verworpen, en blijft zonder Christus, terwijl velen uit een dwaas volk van heidenen, die afgodendienaars waren, Christus hebben aangenomen. Mensen die door Gods uitverkoren volk Israël als honden werden beschouwd, zijn het huis van de Heere binnengekomen, en toch weigert Israël te komen.
Werkelijk, Israël wist het wel, maar geloofde het niet.
Mozes vertelde hun dat het zo zou gaan, als zij Christus verwierpen. Christus zou aan de heidenen gepredikt worden, en zij die zij als dwazen beschouwden, zouden ingaan en aannemen wat zij verworpen hadden.
Romeinen 10:20-21
KruisverwijzingenRomeinen 9:30→Jesaja 65:1→Mattheüs 22:9→Jesaja 55:4→Jesaja 49:6→Lukas 14:23→Mattheüs 20:16→Jesaja 65:2→— En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden. Maar tegen Israel zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Hij vertelde hun dus, dat God een volk zou redden dat tot dan toe nooit naar God gezocht had. Hij zou het Evangelie zenden aan een volk dat dood was in de zonde, en nooit gevraagd had om het licht en leven van God te ontvangen.
Hoor dan, u die nooit enige godsdienst gehad hebt; u die zelden naar het huis van God gaat. Ook u kunt behouden worden, want er staat geschreven: “Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten.”
Hier is de openbaring van soevereine genade, God die kiest en zaligmaakt wie Hij wil, ongeacht hun toestand; die de soevereiniteit van Zijn barmhartigheid uitoefent, door de meest onwaardigen te redden.
In de houding van uitnodiging en smeking, en bereidheid om te ontvangen —
En dat heeft Hij ú gedaan, o zorgeloos kind van vrome ouders, o onbekeerde hoorder van het Woord! De hele dag heeft Hij gestaan, en Zijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk. De Heere vergeve dat alles, om Jezus’ wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
III. Vs. 1-21.KruisverwijzingenDeuteronomium 30:14→Lukas 12:8→Galaten 3:24→Filippenzen 2:11→Leviticus 18:5→Handelingen 21:20→Lukas 16:15→1 Johannes 4:2→
— Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid. Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen. Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft. Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven. Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen. Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken. Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden. Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.
De apostel bespreekt in dit hoofdstuk nog nader de vraag hoe het gekomen is, dat Israël van de zaligheid in Christus voorlopig blijft uitgesloten en handelt nader over de oorzaak, die hij in vs. 30-33 van het vorige hoofdstuk heeft genoemd, namelijk over Israël’s werkheiligheid en ongeloof. Ook hier begint de apostel met de verzekering van zijn smart over het ongeloof en de daaruit voortgekomen verwerping van Zijn volk (vs. 1 en 2). Vervolgens handelt hij nader over de schuld van de Joden, in hoofdstuk 9: 32 uitgesproken. Hij zegt: het volk heeft wel een ijver voor God en voor de gerechtigheid voor God, maar nooit kunnen zij op de weg van vervulling van de wet door zichzelf komen tot het doel van de gerechtigheid voor God, alleen is dit mogelijk door het geloof in Christus. Die dubbele weg, die van gerechtigheid uit de wet en die van gerechtigheid uit het geloof heeft reeds Mozes zelf aangeduid, maar in het Nieuwe Testament is de weg van de rechtvaardiging door het geloof als de alleen veilige weg tot zaligheid voor Joden en heidenen nog duidelijker geopenbaard (vs. 3-13). De Joden kunnen zich echter niet daarmee verontschuldigen, dat hun de juiste weg tot rechtvaardiging niet voldoende zou zijn verkondigd. Er zijn toch in de gehele wereld verkondigen van het Evangelie uitgegaan, maar niet allen zijn het Evangelie gehoorzaam geworden. Ook dit ongeloof is reeds door de profeten voorspeld; daarom kan van een niet vervullen van het Woord van God over Israël (Hoofdstuk 9: 6) te minder sprake zijn (vs. 14-21).
Broeders, met wie ik – God zij dank – door gemeenschappelijk geloof in die kostelijke hoeksteen van Zion (Hoofdstuk 9: 33) van mijn zaligheid verzekerd ben. Mijn dienst is wel aan de heidenen gewijd, maar de genegenheid van mijn hart en het gebed dat ik, door die liefde gedrongen, tot God voor mijn, bij al ons inwendig verschil door mij zeer geliefde, broeders in Israël doe, is tot hun zaligheid. Ik bid voor hen, dat zij door de Heere Jezus nog Gods genade zullen verkrijgen en dus door datzelfde geloof mijn broeders zullen worden en hetzelfde heil deelachtig (Hoofdstuk 9: 1 vv.).
Want 1)ik geef hun getuigenis, dat zij a) een ijver tot God hebben, maar niet met verstand. Hun verstand of hun erkentenis is niet verenigd met overgave van het hart aan God en hun gedachten en wensen zijn niet alleen gericht op Gods wil en mening 2).
Hand. 22: 3. Rom. 9: 31. Gal. 4: 17.
Let op dit “want”. Het getuigenis van goede trouw en welmenende godsdienstijver, dat de apostel de bestrijder van het Evangelie, dat hij predikte, schuldig is en betaalt, beweegt zijn hart voor hen tot een te diepere deernis en maakt hem vuriger in het gebed. Ook wij zouden vuriger voor de dwalenden bidden, als wij ons niet toegaven in hen te verdenken, als wij ons beijverden hun recht te laten overkomen en ook zelfs dan wanneer de schijn tegen hen was en het ons moeilijk viel, onszelf nog konden overreden, liever het beste dan het slechte van hen te geloven.
Deze dwaling is niet slechts een dwaling van het verstand, het is vooral een dwaling van het gemoed. Zij komt uit de zonde, zij komt uit de hoogmoed van het hart voort. Deze dwaling is hardnekkig. Zij houdt stand tegenover de duidelijke verkondiging van een betere gerechtigheid. Zij blijft ongevoelig voor de prediking van dat Evangelie, dat de zondige mens zijn rechtvaardiging voor God aanbiedt door het geloof in Christus. Nee, hiervan wilden de eigengerechtigde Joden niets weten, hiervan niets inzien. Aan deze prediking, al wordt zij ook met wonderen en tekenen van de hemel ondersteund, onderwerpen zij zich niet. Integendeel, zij verzetten zich met kracht. Het dwalend Israël van Paulus’ dagen is niet verdraagzaam, het is vervolgziek. Het ijvert voor zijn dwaling tegen de waarheid, die Paulus predikt; het ijvert niet slechts met woorden, maar met geweld. De apostel voorwaar heeft het ondervonden. Wat heeft hij, omdat hij uit Corinthiërs aan de Romeinen schrijft, al niet te verdragen gehad van het dwalend, het door zijn dwaling verblind, het in zijn dwaling zich verhardend Jodendom. Wat al tegenstand, smaad, mishandeling en geselslagen in hun synagogen, steniging door de hand van een heidense bevolking, maar die door hen met stenen is gevuld.
De apostel kon zeker van hun ijver getuigen, want hij was vroeger hun medehelper geweest (Hand. 22: 3). De geest van ijver is een goede geest, als de “vertoornde liefde” naar de ware God en tegen het verachten van Hem gericht is (Ps. 119: 139). Nu was de ijver van de Joden volgens hun mening voor God, voor Zijn wet en Zijn belofte, voor Zijn volk en verbond en hoewel Paulus moet ontkennen, dat hun ijver was voor de ware God en Zijn waarachtige goederen, (want in hun onverstand ijverden zij niet volgens die kennis, die alleen God vindt, namelijk in Christus), gaat toch hun onverstandige ijver hem zeer ter harte, omdat deze een hoewel misvormd overblijfsel is van Israël’s ingeschapen rotsaard en kracht, die al het aardse en tijdelijke voor de eer van God opoffert.
Er is een ijver ten leven en een ijver ten dode. De ijver ten dode is het lopen op eigen wegen, het geestelijke naar eigen keus (Kol. 2: 20). Nu is zeker soms de kennis, waar de ijver wordt gemist, maar dan is het ook niet de juiste kennis.
De kennis, hier door de apostel bedoeld, is altijd verbonden met liefdevolle overgave en energie van de wil voor de persoon, die men kent.
Want als zij de rechtvaardigheid van God niet kennen, niet willen weten van de gerechtigheid, die God zelf de mensen uit genade verleent en die daarom ook alleen voor God geldend is en zij hun eigen gerechtigheid een door vermeende vervulling van de wet uit eigen krachten verworvene proberen op te richten en voor God als oorzaak van hun zaligheid te doen gelden, dan zijn zij aan de rechtvaardigheid van God niet onderworpen, zij buigen zich niet voor de wil van God, die ons de weg van de genade als de enige weg tot behoud heeft aangewezen.
De eigen gerechtigheid is die, waardoor een mens bij God aangenaam en deelgenoot van Zijn genade denkt te zijn, hoewel God die niet heeft verordend, noch voorgeschreven, noch goedkeurt en die op een verkeerd onderwezen en niet onderworpen wil gebouwd is, met een valse mening van rechtvaardigheid en zaligheid. Van deze aard is na de val de werkheiligheid, die in het bijzonder in tegenstelling van de gerechtigheid door het geloof, die toegerekend is een eigen wordt genoemd. Zij bestond bij de Joden in het bijzonder daarin, dat zij op het uitwendige verbond van God, als Zijn volk en eigendom, op hun vleselijke afkomst van de vaderen, op hun vermeend houden van de wet, dat zij alleen in uitwendige werken stelden, op hun tempel, godsdienst, offers, vasten, aalmoezen, op hun nauwkeurig volbrengen van de voorvaderlijke instellingen vertrouwden en daarbij, ondanks hun zonden en hun ongeloof, zich diets maakten bij God in genade, rechtvaardig en van de zaligheid zeker te zijn. Zij meenden dat ook dus het geloven in Jezus van Nazareth en het aannemen van Zijn Evangelie onnodig, ja, omdat het met opheffing van hun wet en van het oude verbond moest geschieden, onrechtvaardig en godslasterlijk was.
De mens is met zijn eigen gerechtigheid een ware duizendkunstenaar, zoals de duivel zelf. Duizenden wegen, die goed schijnen, kunnen de slangenaard en list in de mens uitdenken, waardoor men God denkt te winnen. Zoals het naar de omstandigheden van tijd, personen, zaken enz. de oude Adam behaagt, gaat men naar eigen keus te werk. Ieder gaat naar eigen mening. Nu wil men deze deugd naar eigen keuze volbrengen en verkrijgen en dan een andere. Men wil zelf bidden en tegen de zonde strijden zonder de Geest van Christus. Men vormt zichzelf een valse ootmoed in het gemoed met uitwendige gebeden, woorden en inzettingen. Men maakt zichzelf een bekering naar eigen gevoel en bouwt daarop een valse tevredenheid met huichelachtige troostgronden, stelt zijn vroomheid in zekere ontberingen en andere uitwendige zaken en wil met alle macht voor zichzelf vroom worden. Heeft men dan daarbij nog enige tedere ervaringen van de genade van God, dan stelt men zichzelf gerust, vertrouwt op zijn opgevatte meningen en volgt geen ernstige, strenge tucht van de wijsheid, ja wordt zelfs niet gebonden door duidelijke getuigenissen. Dit alles komt daarvan, dat de mensen zo graag hun eigen gerechtigheid willen oprichten en de ware evangelische niet gehoorzaam willen zijn. Zij willen niet geloven dat God alleen rechtvaardig en heilig maken kan, daarentegen alle mensen leugenachtig en vals zijn, ook bij hun bevindingen en godsdienstige verrichtingen, die de beste schijnen. Daarom geven zij hun Schepper niet de eer, dat zij zich door Hem alleen laten leren en leiden, maar zij verlaten de bron van alle waarachtig leven en graven zichzelf bakken, die geen water houden. De vleselijke gezindheid blaast zichzelf op en stelt zich niet alleen de mensen voor als recht, maar ziet er ook geen zonde voor God in om zijn eigen wil te doen en als onomstotelijk voor te stellen, in plaats van voor God neer te vallen en zich aan Zijn oordeel te onderwerpen.
Gerechtigheid door de werken en gerechtigheid door het geloof zijn volstrekt onverenigbaar. a) Want het einde 1) van de wet is Christus. Waar Hij, het doel, de volkomen Vervuller van de wet Zich openbaart, daar houdt de mens op zijn eigen gerechtigheid te willen werken, daar houdt de wet ook op aan te klagen en te verdoemen. Christus alleen is voldoende tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft. Die Zijn volkomen gehoorzaamheid, Zijn plaatsbekledend lijden en sterven gelooft, die ontvangt vergeving van de zonden, vertroosting tegen Gods toorn, behoud van de eeuwige dood en is door de mededeling van Zijn gerechtigheid rechtvaardig voor God.
Hand. 13: 38. 2 Kor. 3: 13.
Het Griekse woord telov is hier terecht door “einde” vertaald. Ja, het is het hoogste goed van de gerechtvaardigde, dat hij in de vrijheid van de genade van God van haar en door haar leeft, zodat de wet niet meer als een uitwendige, eisende letter, niet meer als een koud aanklager en veroordeler staat met zijn “mens! u moet sterven” en hij daarop blij kan antwoorden: “Ik ben gestorven, ja, heb de eeuwige dood geleden, want alles wat Christus gedaan heeft is het mijne. ” En de wet klaagt zo iemand ook niet meer aan, omdat de gerechtigheid van Christus en de liefde van God hem omgeeft, die juist de zin en de bedoeling van de wet is, in zijn hart woont en dus de wet is, die in de vlezen tafels van zijn hart is geschreven.
Hoewel nu telov ook de betekenis van “doel” kan hebben, is dit hier niet gemeend, maar bij het woord “einde” verondersteld. Want voor wie de wet nog geen tuchtmeester tot Christus is geweest, voor die bestaat zij in haar volle kracht als letter ten dode. Het spreekt ook vanzelf dat de apostel niet bedoelt dat de gerechtvaardigde de wet, dat is de boete, in het geheel niet meer nodig heeft, of ook, dat hij van het door de wet geëiste heilige leven door het geloof is losgemaakt. Niemand, die zich in waarheid in de Heere Jezus verheugt, kan dat menen, hij weet dat door het geloof in Christus de wet pas echt wordt vervuld, lief en dierbaar wordt en aan het hart in haar hele goddelijke diepte openbaar wordt. (Hoofdstuk 3: 31. Matth. 5: 17).
Dit groot verschil en het onverenigbare van eigengerechtigheid en gerechtigheid van het geloof is echter geen nieuwe uitvinding, maar wordt ook door het Oude Testament, ja ook door die, die de gever van de wet is, steeds duidelijk betuigd. Want Mozes beschrijft in Lev. 18: 5, als hij op de gehele wet van God het oog vestigt, de rechtvaardigheid, die uit de wet is en zegt: a) “De mens, die deze dingen doet, al wat de Heere in Zijn wet heeft bevolen, zonder enig gebrek, zal daardoor leven; door het volbrengen van de wet zal hij het eeuwige ware leven verkrijgen (Ezechiël. 20: 21. Neh. 9: 29. Luk. 10: 28. MATTHEUS. 19: 16 vv.).
Gal. 3: 12.
Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt uit de mond van diezelfde Mozes in Deut. 30: 12 vv., daar waar hij het volk voor de laatste maal vermaant tot gelovig aannemen en opvolgen van de openbaring, die het in de wet van God heeft ontvangen. Hij spreekt daar aldus: “Zeg niet in twijfelmoedigheid en ongeloof in uw hart: “Wie in de hele wereld zal in de hemel opklimmen? Dat is in het Oude Testament de openbaring van de heilige wil van God in Zijn wet en hier in het Nieuwe Testament Christus, de openbaring van de Heilige wil van God en Zijn Evangelie, van boven afbrengen. U hoeft er niet voor bezorgd te zijn, hoe u zelf de openbaring van God, Zijn zaligheid en zijn verlossing zou tot stand zou kunnen brengen, zij is reeds gegeven door Gods vrije genade, zij is in Christus verschenen en heeft uw vlees en bloed aangenomen.
Of wie zal van de hele wereld in de afgrond, het rijk van de doden, neerdalen? Dat is in de voorafbeelding van het Oude Testament de openbaring van de wet en hier in de vervulling van het Nieuwe Testament de openbaring van Zijn genadige verlossing te voltooien en Christus uit de doden opbrengen. U hoeft er niet voor bezorgd te zijn, hoe u zelf de openbaring van God of Zijn verlossing tot voleindiging zou kunnen brengen, zij is door Gods groteliefde en macht volbracht, want Christus is reeds van de dood opgestaan en leeft in eeuwige heerlijkheid. Uw gerechtigheid en zaligheid is dus aanwezig, grijp die aan en neem ze.
Liever moet men in de beide laatste verzen in plaats van “dat is enz. ” vertalen, “namelijk om Christus af te brengen”, “namelijk om Christus uit de dood op te brengen”.
Maar wat zegt zij nu over zichzelf door de mond van Mozes? Nabij u en iedere mens is het woord, waarin God de openbaring van Zijn heilige wil, eerst van Zijn wet, later van Zijn verlossing, heeft gegeven, het is namelijk in uw mond en in uw hart. De Heere zelf legt het door Zijn Heilige Geest daarin. Strek slechts uw hand uit en neem het aan.
EPISTEL OP de DAG VAN ST. ANDREAS – Vs. 18. Uit 4: 18.
Dit woord, waarop de profeet Mozes in de geest gewezen heeft, is geen ander dan het woord van het geloof in Jezus Christus, waarop de gehele wet wijst, waarin God Zijn wil in volkomen mate heeft geopenbaard en dat wij, apostelen, nu in de hele wereld prediken, zodat het in ieders mond en hart komt.
Het is de apostel in deze verzen 5-8 er duidelijk om te doen dat hij aanwijst, hoe het Oude Testament, in het bijzonder zijn hoofd-vertegenwoordiger Mozes zelf heeft bevestigd dat Christus het einde van de wet is en dat gerechtigheid door de wet en gerechtigheid van het geloof sterk tegen elkaar over staan. Op een hoogst merkwaardige manier plaatst nu de apostel tot dat einde twee gezegden naast elkaar, beide van Mozes, waarvan het eerste als gevolg van het houden van de goddelijke geboden de zaligheid belooft, terwijl in het tweede de gerechtigheid door het geloof wordt voorgesteld. Door deze bijeenvoeging leert de apostel tevens wat hij ook elders zo herhaald en duidelijk verklaart, dat niet in het Oude Testament de gerechtigheid uit de wet en in het Nieuwe Testament die uit het geloof, dus een andere weg tot zaligheid in het ene en in het andere wordt gewezen. Wanneer nu God over Zijn hele wet (niet alleen van de zedenwet, maar evenzeer van de godsdienstige of offerwet) zegt: “De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven”, dan beschrijft Hij daarmee zeker een gerechtigheid, die door de mens door eigen handelen wordt verworven, maar toch niet in de mening dat enig mens, die vlees uit vlees geboren is, op deze weg het leven zou kunnen verwerven. Integendeel weet God wel dat ieder, die deze weg betreedt, of in Farizese zelfmisleiding en huichelarij of in wanhoop over al zijn eigen werk vervalt, zodat hij zich daardoor gedrongen voelt om zich aan God op genade of ongenade over te geven en van Zijn ontferming in Christus vergeving te verwachten. Wij kunnen toch geen spotten van God in deze woorden zien, met de dwaze, opgeblazen mens, die zich inbeeldt de wet te kunnen houden. Integendeel wijst God op de enige, die eens zal komen en de hele wet van God in Zijn leven van de kribbe tot het kruis met volkomen gehoorzaamheid zal vervullen en voor Zich, de waarachtige mens, als ook voor allen, die in Hem geloven en daarvoor Zijn plaats bekledende gehoorzaamheid tot hun eigendom verkrijgen, het eeuwige leven zou verwerven. Sinds Hij is verschenen, is het woord: “De mens, die deze dingen doet, zal leven”, voor iedere gelovige van kracht. Deze vervult de wet door het geloof in Hem, die het voor hem vervuld heeft en zo ontvangt hij het leven. – Bij het tweede woord, dat de apostel uit Deut. 30 aanhaalt, is veel door de uitleggers gestreden, of de apostel deze woorden van Mozes, in strenge zin aanhaalt om daarmee de aard van de gerechtigheid van het geloof aan te wijzen, zodat hij zelf ook gemeend heeft, dat Mozes op die plaats van diezelfde gerechtigheid van het geloof sprak, of dat de apostel de woorden van Mozes slechts tot de zijne maakte om er zijn bedoeling in te leggen, terwijl hij zich bewust is geweest dat Mozes daarin niet in de eerste plaats van het geloof, maar van de wet sprak. Wij voor ons kunnen niet voor de laatste opvatting beslissen, omdat zij ons voorkomt moeilijk met de waarachtigheid van de apostolische leerwijze verenigd te kunnen worden. Wij menen dat de apostel krachtens zijn bekende diepe opvatting van het Oude Testament in die plaats van Deuteronomium een uitspraak heeft gezien, die zeker in de eerste plaats doelt op de openbaring van de wet, maar vervolgens in het algemeen over de openbaring van God handelt en over de verhouding, die de mens tot deze moet innemen; dus in elk geval spreekt van de hoogste trap van de goddelijke openbaring ook in de volkomenste mate. Zeker haalt de apostel de woorden van Mozes met bewonderenswaardige vrijheid aan, want hij verandert de woorden van de Alexandrijnse vertaling: “Wie zal in de diepte van de zee neerdalen? ” in: “Wie zal in de afgrond (de hel) neerdalen”, omdat hij een tegenstelling wil maken tegen de opstanding van de Heere uit de dode. Verder voegt hij zijn eigen verklarende woorden tussen de woorden van Mozes. Maar door dit alles wordt de bedoeling van Mozes’ woorden niet veranderd. Die zin drukt P. Gerhard in zijn lied: “Hoe zal ik u ontvangen? ” met de volgende woorden uit: “Wees niet bekommerd, zondaar, Vol angsten dag en nacht. Hoe u Hem aan moogt grijpen Met menselijke kracht. Hij komt, Hij komt gewillig. Vertrouw het toch gerust; Uw krankheên te genezen Is ‘s Heren vreugde en lust.” Het kinderlijk aannemen van de genade van God, zoals die zich aanbiedt, zonder eigen gedachten daarin te mengen, zonder door eigen willen en lopen iets te willen uitwerken, met gehele erkenning van haar uitgestrektheid en volkomenheid, dat is juist het wezen van het geloof, dat de gerechtigheid verkrijgt.
En dit woord geeft aan ieder, die het aanneemt, gerechtigheid, leven en zaligheid. Namelijk, als u met uw mond zult belijden de Heere Jezus, dat Hij, de arme, vernederde mensenzoon, de waarachtige God is, die van de hemel is neergedaald, die verloren en veroordeelde mensen verlost heeft en gered van alle zonden en als u met uw hart zult geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft (vs. 7) en door Hem leven en onverderfelijkheid aan het licht heeft gebracht, dan zult u door zo’n levend en belijdend geloof rechtvaardig en zalig worden (vs. 5).
De woorden “mond” en “hart” in de aangehaalde plaats worden door Paulus opgevat in hun diepe betekenis, in de zin van het Nieuwe Testament. Reeds in het Oude Testament was door Gods genade Zijn woord de mens zozeer nabij gebracht, dat hij het in hart en mond met zich kon omdragen; maar het woord hem toen geopenbaard, was vooral heilvoorspellend, doordat het op de toekomst wees. Des te meer evenwel geldt nu, wat daarvan gezegd is, van het woord van God in het Evangelie. De woorden zijn, zoals uit vs. 10 blijkt, zo op te vatten: “Wanneer u met uw mond Jezus als uw Heer belijdt en deze belijdenis het uitvloeisel is van het geloof van uw harten, dat God daarin heeft verwekt. ” De belijdenis van de mond staat op de voorgrond, omdat de apostel spreekt in verband met vs. 8 Jezus als Heer belijden sluit de hele gehoorzaamheid van het geloof in zich. Van de opstanding spreekt Paulus kort, als de voleinding van geheel het verlossingswerk, omdat door haar de verzoening overgegeven, de dood overwonnen en het nieuwe leven van Christus de gelovigen is meegedeeld geworden.
Als de heilige apostelen het Evangelie in dergelijke korte belijdenissen uitspreken, dan is altijd de gehele Christus daarin vervat, die in alle artikelen van de leer van de zaligheid beleden en in elke verkeerde leer wordt verloochend. Dit wordt de dwalenden voor ogen gehouden, of zij ook zouden verschrikken; dat is werkelijke liefde, terwijl de roem van “zachtheid en gematigdheid” onverschilligheid en lauwheid genoemd moet worden, die noch voor God kan bestaan, noch voor de naaste nuttig is. Die in onze tekst wordt aangesproken is dus niet onder die velerlei geesten, die de klank van de woorden: “Jezus is de Heer”, in de mond hebben, maar in de gemeente van de Heilige Geest, die in alle waarheid leidt, omdat Hij in dat éne inleidt, dat Jezus de Heere is. Weer baat echter de belijdenis van de mond, die de ware Jezus werkelijk Heere noemt, toch hun niet ter zaligheid, die er een werk van maken en een soort van gerechtigheid van de leer in plaats van gerechtigheid van het geloof oprichten.
“Zo zult u zalig worden”, zegt de apostel tot de gelovige belijder met grote zekerheid. Kracht en vertroosting van deze Evangelische belofte begrijpen wij juist, als wij die in het licht van de tegenstelling tot de belofte van de wet opvatten, die luidt: “De mens, die deze dingen doet, zal daardoor leven” (vs. 5). Wij moeten toch de wil van de Vader van onze Heere Jezus Christus doen, om in het koninkrijk der hemelen te komen (MATTHEUS. 7: 21); die wil van Gods genade heet: belijd in het geloof en geloof met belijdenis. De wet van het geloof, het dierbaar Evangelie, brengt leven en zaligheid aan, omdat het gerechtigheid en vergeving van zonden toedeelt in de naam van de Heere Jezus, de Gekruisigde en Opgestane.
Beiden, geloven en belijden, zijn onafscheidelijk verbonden; want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid voor God, omdat het geloof de gerechtigheidvan Christus aangrijpt en met de mond belijdt men ter zaligheid.
De apostel vervolgt hier, waar niet meer, zoals in vs. 9, de uitwendige afhankelijkheid van het Mozaïsche woord (vs. 8) bestaat, de gedachtegang, die voor de inhoud van ons vers ook onvoorwaardelijk nodig is, omdat hij het “met het hart geloven” vóór het “met de mond belijden” plaatst. Men zou kunnen zeggen, dat noch het geloven zonder belijden tot gerechtigheid leidt, noch het belijden zonder te geloven. Evenals dus geloof en zaligheid, zo zijn ook gerechtigheid en zaligheid steeds onafscheidelijk met elkaar verbonden en de scheiding, die hier plaats vindt, moet weer niet zozeer als een zakelijke, maar alleen uitwendige beschouwd worden, die om het parallellisme wordt aangebracht. Intussen is de gedachte, die hier op de voorgrond moet worden gesteld, deze, dat wel het geloof van het hart rechtvaardigt, dat dit zich echter daardoor als rechtvaardigend geloof van het hart moet betonen, dat werkelijk tot zaligheid leidt, dat hij belijdt, omdat het geloof dat stom, dat zonder belijdenis is, het ware niet is. Omdat dus alleen de belijdenis de verzekering aanbiedt voor het aanwezig zijn van het rechtvaardigend geloof, dat tot zaligheid leidt en omdat alleen het geloof, niet de belijdenis, zelfs niet wanneer zij als gelovige belijdenis wordt gedacht, de gerechtigheid teweeg brengt, komt het plaatsen van de gerechtigheid bij het geloof van het hart en van zaligheid bij belijdenis van de mond, ook zakelijk voor als voldoende gerechtvaardigd. In de belijdenis, die niet alleen in de juiste vorm, maar ook van de juiste aard is, betoonde zich overigens, niet alleen in de eerste tijden van de Christenvervolging, maar ten allen tijde op de duidelijkste en meest besliste manier zowel het aanwezig zijn van het geloof in het algemeen, als ook de maat en graad daarvan, terwijl een vrijmoedige belijdenis, zonder aanzien van de gevolgen een belijdenis van Jezus Christus als de Heere, het meest besliste bewijs daarvoor levert, dat het zo belijdende subject deze Heere reeds inwendig zijn leven geheel ten offer heeft gebracht (MATTHEUS. 10: 32. 2 Kor. 4: 13).
Gods levend woord komt eerst tot het hart van de mens en overtuigt hem van al het valse van rechten en aanspraken, die hij op het rijk van God maakt, waarbij men de Heere Zijn hemel graag door Zijn eigen zaken zou willen afkopen. Dit wijst het woord “met het hart” af; verwerpt alle schijnheilige voorraad van eigen werken voor God, het stelt de mens naakt en bloot voor als de ellendigste zondaar, huichelaar en bedrieger. Daarnaast wijst het met de vinger van de Heilige Geest op een geheel andere manier om voor God rechtvaardig te zijn en neemt het schijnheilige verstand onder een andere gehoorzaamheid gevangen, zodat men niet meer begeert, maar het gevaarlijk acht om voor zichzelf alleen te lopen en te werken, zonder Christus en Zijn Geest – maar men leert God omwille van Zijn lieve Zoon bidden, dat Hij Zijn eeuwig woord en leven in Christus zalig en krachtig toont tot een andere en nieuwere grond van een goddelijke gerechtigheid in Christus Jezus. Dan gaat de zorg teniet die men had, alsof men daarom niet in het uitwendige getrouw en rechtvaardig zou hoeven te worden, omdat de ware gerechtigheid voornamelijk uitwendig en geestelijk is. Want uit zo’n goddelijke gerechtigheid kunnen vervolgens niets anders voortkomen dan rechtvaardige en goede werken, evenals uit een zuivere bron zuiver water komt. En zo wordt de wet niet door het geloof opgeheven, maar vervuld.
Hier splitst de apostel de werkzaamheid van het hart en haar vrucht en die van de mond. Door het hart, onze innerlijke, eigen persoonlijkheid, geloven wij en in dat geloof worden wij de rechtvaardigheid van God in Christus deelachtig. Door de mond voegen wij het uiterlijk zegel aan ons innerlijk geloof en openbaren wij aan de mensen Gods genade aan ons geschied, tot eer en heerlijkheid van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. Daarom is het belijden even nodig als het geloven, omdat zonder belijdenis bijzonder de naam van de Zoon niet geëerd wordt, terwijl de Vader die geëerd wil hebben als Zijn eigen naam en de Heilige Geest wil, dat ieder door Hem bekeerde mens, met Hem de getuige worde van de Zoon, tot heerlijkheid van de Vader. De belijdenis is dan ook de blijdschap, de aanvankelijke zaligheid van de gelovige; zonder belijdenis mist hij de vreugde van het geloof.
Niets, volstrekt niets anders dan geloof van het hart is nodig om de gerechtigheid en zaligheid deelachtig te worden. Want de Schrift zegt: (Jes. 28: 16 vv. ; Hoofdstuk 9: 33) “Een ieder, die in Hem, de kostelijke hoeksteen, gelooft, die zal in zijn hoop op Godsgerechtigheid en de toekomstige zaligheid niet beschaamd worden.
Het bezitten van het goddelijk woord in zichzelf, in onuitsprekelijke nabijheid, zodat het ons nader is dan wij onszelf zijn, is het wezen van het geloof, die het belijden in zich sluit. Hij, die dit bezit, verkrijgt door de kracht van het goddelijke, dat in Hem is gelegd, de zaligheid, waartoe hij zonder dit niet zou gekomen zijn. Deze kracht van het geloof, die tot de zaligheid leidt, erkent Jesaja in Hoofdstuk 28 Geen waar geloof blijft zonder belijdenis, evenmin als het vuur zonder de glans; iedere belijdenis veronderstelt het geloof.
Door het geloof in Christus komen wij tot vergeving van de zonden. Daarop moet ook het belijden volgen, dat wij niet stom zijn maar spreken, zoals wij het in ons hart geloven. Dit maakt dan iemand tot een Christen, alle andere werken maken het hem niet. Deze twee stukken vullen elkaar aan. Het is het ware geloof niet, wanneer u heimelijk in het hart in Christus wilt geloven en Hem in een boek wilt prijzen; u moet Hem vrij voor ieder met de mond belijden, zoals u in uw hart gelooft. Daaraan hangt dan uw leven. Want zo’n belijder wil noch duivel noch mens horen; het kruis is aan zo’n belijder verbonden, zodat de profeet terecht zegt: “Ik zal de beker van de verlossingen opnemen en de naam van de Heere aanroepen. ” Wanneer ik God wil loven en belijden, dan zullen ze mij daarom wel de drinkbeker van de marteling doen drinken. Welaan, ik wil die aannemen in de naam van God en daarom van Gods lof niet zwijgen; het zal mij ook geen schade doen, maar tot genezing en tot zaligheid strekken.
a) Want er is wat de weg ter zaligheid aangaat, geen onderscheid, noch van Jood, de bezitter van de wet, noch van Griek of heiden (Hoofdstuk 1: 16), die zonder de wet van God in de wereld leven; want eenzelfde Middelaar is Heere van allen, namelijk Jezus Christus, evenals zij allen dezelfde schuld dragen, rijk zijnde in genade en ontferming over allen, die Hem in geloof aanroepen.
Hand. 15: 9. Rom. 8: 22.
Paulus’ mond vloeit over van lof over de rijkdom van de Heere Jezus. Hier roemt hij niet alleen de volheid van de genade, waaruit ieder, de gehele menigte van alle volken mag drinken, zonder dat de overvloed wordt uitgeput, maar ook dat allen, die drinken, uit de rijkdom van vrije genade putten, zodat niemand onder allen, die zalig worden, de Heere verrijkt door enige voorafgaande gave, of door eigen bereiden van het vat, om mee te putten, of zelf optrekken van de emmer uit die bron. – Kortom, dat het niet ligt aan iemands willen of lopen, maar aan Gods ontferming (Hoofdstuk 9: 16); deze is de boven allen even heerlijk uitgestorte rijkdom, die Paulus predikt. Luther zegt: “Let op deze woorden: “over allen”, of ook u niet daaronder behoort en een van die bent, die onder de veldtekenen van de zondaars liggen en strijden. Zoals dan uw hart zelf u zal overtuigen en u in uw geweten voelt, wilt u te hoog stijgen en vliegen en aan verkeerde gedachten plaats geven en Gods woord in de wind slaan. Daarom heeft u meer reden om te bidden en te smeken en zo biddend te vertrouwen. Als God uitstelt en niet dadelijk komt, blijft Hij toch niet geheel weg, want Hij verlaat niet degenen die Hem aanroepen. U moet het vrezen en sidderen door dat bidden terzijde stellen, ja, geheel en al uitdrijven en aan de wanhoop en haar hoofd, dat is de duivel, afscheid geven.”
a) Want het is in Joël 3: 5 voorspeld en nu vervuld dat een ieder, wie hij ook zij, die de naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.
Joël 2: 32. Hand. 2: 21.
De profeet spreekt van de heerlijkheid van de laatste tijd, die zich in het bijzonder zou openbaren in de algemene uitstorting van de Heilige Geest. De Heere treedt in deze tijd op bijzondere manier op als de Zoon van God, als de Messias, daarom vat de apostel het daar vermelde aanroepen terecht op als door Christus gezegd en geeft daarmee tevens aan de Zoon de naam van de Allerhoogste. (V.).
Omdat Christus Heer van allen is, heeft Hij het vermogen of de macht hen allen, heidenen en Joden, als zij Hem in geloof aanroepen; de zaligheid deelachtig te maken.
Aanroepen en belijden zijn twee manieren waarop het geloof zich in woorden uitdrukt, de ene gericht ten hemel, de andere tot de wereld. Daarom verbindt de apostel boven het geloof en het belijden, hier het geloven en aanroepen. Hier past de uitdrukking “aanroepen” beter, omdat de zaligheid als beantwoording van het aanroepen, als beloning van het gebed van de gelovigen wordt gedacht.
In het bijzonder moeten wij letten op het onbeperkte woord: “een ieder”, dat Paulus vooral gedrongen heeft dit woord aan te halen; want God sluit niemand van de zaligheid uit, die Hij degenen, die Hem aanroepen, om niet en vrijwillig belooft. Het heeft zijn nut dit te weten, om verkeerde en daardoor gevaarlijke gedachten tegen te gaan over de verkiezing van de genade, zoals die de harten buiten het woord van God, ja zelfs tegen dat woord koesteren. Want ten eerste wordt in deze en dergelijke uitspraken in het algemeen aan allen het woord en de barmhartigheid van God aangeboden. Daarom hebben ook de dienaars van het goddelijke woord het bevel om aan een ieder zondevergeving te prediken. Met deze goddelijke bepaling moeten wij tevreden zijn en geloven dat, omdat God ons Zijn woord zendt, wij degenen zijn die verkoren zijn. Daarom moesten wij ook naar deze belofte aanroepen en op de zaligheid vertrouwen, die Hij zo duidelijk belooft. Dat is in weinige woorden samengevat: daarin alleen bestaat onze zaligheid, dat wij de goddelijke barmhartigheid inroepen en deze verlangen, zoals van dergelijke plaatsen de Psalmen vol zijn.
Ons hoofdstuk wordt beheerst door twee hoofdgedachten, die de apostel in vs 3 heeft uitgesproken. De eerste gedachte, dat de zaligheid van het Nieuwe Testament werkelijk bestaat in de gerechtigheid, die voor God geldt en die uit genade door het geloof wordt aangenomen. Dat Christus, in Wie alleen deze gerechtigheid is, het einde is van de wet, is door de apostel in het vorige uiteengezet. Hij gaat er nu toe over om de tweede gedachte, dat de Joden aan deze gerechtigheid niet gehoorzaam zijn geworden, uit elkaar te leggen en te bewijzen.
Hoe zullen of kunnen zij, de mensen in het algemeen, dan Hem als Heere en Redder aanroepen, waarin zij niet geloofd hebben, omdat toch, zoals vanzelf spreekt, aan hem, die in geloof aanroept, alleen de belofte van de zaligheid is gegeven? En hoe zullen of kunnen zij in Hem, in de Heere geloven, waarvan zij niet gehoord hebben? En hoe zullen of kunnen zij horen zonder die hun predikt?
En hoe zullen of kunnen zij Hem prediken, als zij daartoe niet door God gezonden worden? Een goddelijke opdracht toch is voor alle dingen nodig tot een prediking zo belangrijk, die de enige weg tot zaligheid in dit en het volgend leven aanwijst. Ja zeker, God zelf moest met de uitzending van apostelen en predikers het begin maken, wanneer het zou komen tot een gezegende verkondiging van de zaligheid in Christus, of van de gerechtigheid, die voor God kan bestaan, tot een gezegend horen, tot geloof, tot aanroeping in geloof en eindelijk daardoor tot zaligheid van de hoorders. Ook Jesaja heeft dat geprofeteerd, toen hij in de geest de snelle voeten zag van de door God gezonden apostelen en predikers van de toekomstige zaligheid; zoals geschreven is in Jes. 52: 7 : a) “Hoe liefelijk, hoe troostvol en verblijdend voor alle vermoeideen bedrukte harten, zijn de voeten van degenen, die de vrede verkondigen, die God zelf, tegen wie zij hebben gezondigd, tot stand heeft gebracht en voor ieder heeft opengesteld, de voeten van degenen die het goede verkondigen, dat God in deze vrede aan de zielen schenkt (God moet de eerste steen leggen en in u beginnen, zodat u Hem zoekt en bidt).
Nah. 1: 15.
Hij is reeds aanwezig als u begint en zoekt. Is Hij er niet, dan vangt u niets aan dan enkel zonde en des te grotere naarmate u groter en heiliger werken u voorneemt; u wordt een verstokte huichelaar.
Deze plaats is van zeer groot belang voor de leer van het predikambt. De apostel verzekert hier helder en duidelijk de noodzakelijkheid van het ambt tot stichting en onderhouding van de kerk, zijn goddelijke instelling en daarom ook zijn voortduren tot aan de volmaking van het rijk van God in heerlijkheid. Tegenover deze woorden verdwijnen alle zelf uitgedachte dromerijen van een voortkomen van het ambt van het Nieuwe Testament uit de gemeente om de uitwendige orde.
O hoeveel is er voor een mens nodig om zalig te worden; horen, leren, roepen. Schone keten! Maar waaraan ontbreekt het? Aan het horen, aan juist en grondig prediken, velen duizenden aan zending en roeping. Een ontzaglijke schade! U ongeroepenen, of u die door uw vlees, vrouw, geld of zelfs door de duivel geroepen bent, vlucht; ongeroepen predikers te horen is zielenmoorden, zegt Paulus.
Alles is gelegen aan de roeping en het gezonden zijn. Daarom moet het goed zijn. De menselijke roeping blijft voor hetgeen het maatschappelijke aangaat. Maar er is nog een ander fundament nodig bij degenen die dienaars van het Evangelie willen zijn. Zij zijn door God gezonden, die geen slechten, maar herders naar Zijn hart zendt en zelf ze daartoe maakt, dan kunnen zij ook met kracht leren en prediken. Zijn er ware predikers, dan horen de toehoorders niet tevergeefs het woord van de predikers aan, maar het valt diep in het hart en groeit bij hen op tot vrucht, zodat het ten minste niet leeg terugkeert.
Zijn er nu in de eerste plaats boden van Gods genade nodig, het heeft waarlijk aan deze niet ontbroken. Heerlijk is vervuld wat Jesaja heeft geprofeteerd. Maar zij, zowel die uit Israël als die uit de heidenen zijn, zijn niet allen het Evangelie, de goede boodschap van de vrede, gehoorzaam geweest. Zij zijn dus niet gekomen tot de zaligheid, die het deel wordt van allen, die Hem aanroepen, maar zij zijn onder de toorn en het gericht van God gebleven. Zo dragen zij zelf alleen de schuld daarvan door hun ongeloof, of ongehoorzaamheid aan de goddelijke prediking. Maar ook dit ongeloof van zo velen in Israël was reeds lang tevoren verkondigd en bevestigt slechts de waarheid van het woord van God. Want dezelfde Jesaja, die de uittrekkende boden van het Evangelie in de geest gezien heeft, voorspelt, waar hij van de vernedering van de knecht van God spreekt, ook dat Israël zich daaraan zal ergeren en aan het Evangelie, dat deze vernedering van de knecht van God tot de dood van de kruis verkondigt, de rug zal toekeren, als hij in Jesaja 53: 1 zegt: a) “Heere, wie heeft onze prediking, de prediking van Uw boden, de profeten en de apostelen geloofd?
Joh. 12: 38.
Zo bevestigt dan Jesaja in deze woorden, wat ik boven (vs. 14) gezegd heb en zo is dan het geloof uit het gehoor van de prediking van het Evangelie en het gehoor van die prediking door het woord van God. Het bevel, de roeping van de Heere om te prediken, maakt alleen dat dit woord kracht heeft om geloof te wekken en tot zaligheid te leiden.
Even ontwijfelbaar als het is, dat de kracht van de prediking van Christus rust op het bevel en de opdracht van God en een prediker alleen dan zich kan troosten met de belofte: “Die u hoort, die hoort Mij” en zo waarschijnlijk als het is, dat hier onder het “woord van God” in de eerste plaats moet worden verstaan de uitzending van de kant van God, omdat vs. 17 een gevolg uit vs. 16 en een bevestiging van vs. 14 inhoudt, zo zeker is de gewone uitlegging van ons vers, volgens welke “woord van God” de inhoud van de prediking te kennen geeft en met het “woord van de waarheid, van de goddelijke openbaring gelijke betekenis heeft, volkomen juist. Wie zou willen bestrijden dat het eeuwige woord van God, waarin alle leven, alle wijsheid en alle genade besloten is, de bron is van de kracht van elke evangelische prediking?
Wij zijn ook wel gewoon de tekst zó te verstaan: het woord van God, dat geschreven staat, is de bron en het woord van God, dat gepredikt wordt, is de beek. Dat is ook juist. Paulus bedoelt echter niet uitsluitend het geschreven woord, als hij aan het woord van God tot opwekking van prediking en aan de prediking het werken van geloof toeschrijft. De heilige Schrift is weliswaar regel en richtsnoer van alle prediking; wat God de Heilige Geest heeft gesproken door de profeten en apostelen, licht steeds op de kandelaar van de Schrift als een helder licht. Het woord, dat de kerk leert, belijdt en predikt, wordt door dit licht ontstoken en door dat schijnsel helder gemaakt als Gods woord en verlicht haar, zodat zij licht uit licht wordt. Het verwekt zichzelf predikers en geeft de tongen tot uitspreken, evenals op de Pinksterdag het woord van de Geest, dat zij spraken, die de Heilige Geest ontvingen, gever en bewerker voor hen zelf was (Hand. 2: 4). Omdat het woord van de prediking van de Geest doortrokken is, d. i. omdat de persoonlijke Geest van God in, bij en onder de mensenstem, die gehoord wordt, met kracht aanwezig is, daarom komt het prediken uit het woord van God voort, evenals de zonnestraal uit de stralende zon.
Dit heiligdom is het ware heiligdom, de ware zalf, die ten eeuwigen leven zalft. Wij spreken echter van het uitwendige woord, door mensen als u en ik, mondeling gepredikt. Want dat heeft Christus achtergelaten als een uiterlijk teken, waaraan men Zijn kerk of Zijn heilig Christen-volk in de wereld zou kennen. Ook spreken wij van zo’n mondelinge prediking, als welke ernstig geloofd en openlijk beleden wordt voor de wereld. Waar u nu hoort of ziet dat zo’n woord geloofd, beleden en daarnaar gehandeld wordt, dan is er geen twijfel aan, of daar moet een ware ecclesia sancta Catholica, een heilig Christenvolk, zijn, hoewel zeer weinig daarvan te zien is. Gods woord toch keert niet leeg terug (Jes. 55: 11), maar moet minstens een vierde deel van de akker hebben. Gods woord kan niet zonder Gods volk zijn. En weer Gods volk kan niet zonder Gods woord zijn. Wie zou het anders prediken of horen prediken, als er geen volk van God was? En wat zou Gods volk kunnen of willen geloven, als Gods woord er niet was? Dit is het wat alleen wonderen doet, alles terecht brengt, allen onderhoudt, alles volvoert, alles teweeg brengt, alle duivelen uitdrijft, alle bedevaartduivels, aflaatduivels, bulleduivels, broederschapduivels, heiligeduivels, misduivels, papenduivels, oproerduivels, ketterduivels, alle pausduivels en antinomianenduivels; maar niet zonder geschreeuw en geroep. Maar het baat hun niet, de duivel moet er uit en kan de kracht van het woord niet verdragen. Zij zelf belijden dat het wel Gods woord en de Heilige Schrift is, maar uit de vaderen en conciliën kan men het beter weten, hoe het hoofd-deel en heiligdom de kerk reinigt, onderhoudt, voedt, sterkt en beschermt, zoals Augustinus zegt. Die zulke vervolgen en verdoemen, die zich daaraan houden, deze openbaren zichzelf door hun vruchten. Waar het uitwendige hoorbare woord niet wordt gepredikt, daar vermoedt men niet dat de Heilige Geest daar werkt. Het is evenals met de zon, die twee zaken aan zich heeft, het licht en de warmte. Waar nu het licht en de glans heengaan, daar komt ook de warmte, maar waar het licht niet heengaat, daar blijft ook de warmte weg. Zo gaat het ook met het uitwendig woord en de Heilige Geest. De Heilige Geest werkt nergens, waar Hij niet te voren door het woord, als door een buis, in het hart komt.
Maar ik zeg of vraag verder: “Heeft Israël het misschien niet begrepen, dat het woord van de door God gezonden predikers in alle landen d. i. ook tot de heidenen zou uitgaan en dienvolgens ook uitgegaan is? Heeft het dus misschien enig recht gehad om zich daaraan te ergeren? ” Ja waarlijk, zij moesten het weten, dat het Evangelie voor de hele wereld bestemd was en dat de heidenen tot God zouden terugkeren. Mozes toch zegt eerst (treedt reeds als de eerste in de heilige Schrift op tegen die enghartige zelfzucht in Deut. 32: 21, waar de Heere het afgodische Israël dreigt dat Hij de Kanaänieten zou zegenen en het daardoor tot jaloersheid verwekken omdat het Hem door zijn afgoderij tot toorn heeft verwekt, zodat Hij met dat woord de latere algemene bekering en zegen van alle heidenen door het Evangelie voorspelt): “Ik zal jullie, die Gods heilig woord verwerpt en dat ongehoorzaam bent, tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn, die deze naam vanwege hun goddeloosheid en verdorvenheid onwaardig zijn en die Ik toch door de prediking van Mijn Evangelie wil begenadigen en tot een waar volk, ja tot Mijn volk wil maken. Door een onverstandig volk, een volk dat aan de dwaasheid en het onverstand van de afgoderij is overgegeven, zal Ik u tot toorn verwekken, zodat ook u uit jaloersheid u weer tot Mij zult keren en Mijn zaligheid in geloof zoeken zult.
En Jesaja bevestigt deze voorspelling van Mozes. Hij drukt zich zelfs nog sterker uit, als hij de aanneming van de heidenen, die nog in de toekomst is, als reeds aanwezig ziet; hij verstout zich en zegt in Hoofdstuk 15: 1 : “Ik de Heere, ben gevonden, heb Mij laten vinden (Hand. 17: 27) door degenen die Mij niet zochten. Ik ben openbaar geworden, heb Mij in liefde en genade geopenbaard aan degenen die daar Mij niet vroegen.
Maar tegen Israël zegt hij, dezelfde Jesaja in Jes. 65: 2, de ongehoorzaamheid jegens God en Zijn heilige wil bestraffend en het ongeloof aan het Evangelie eveneens voorspellende: “De hele dag heb Ik, de Heere, Mijn handen, liefderijk en vriendelijk lokkend en uitnodigend, uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk, dat altijd Mijn woorden ongehoorzaam is. Dit is nu vervuld, want ook nu daaraan de uitnodiging om tot Christus te komen en Zijn genade aan te nemen is verbonden, heeft Israël weerbarstig gezegd: “Wij willen niet! ” (MATTHEUS. 23: 37. Joh. 19: 12).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel