Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, een liedH7892, voor den opperzangmeesterH5329.
Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm2
and Song4
of David.]]3
Praise
waiteth
for thee, O God,
in Sion:
and unto thee shall the vow
be performed.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De lofzangH8416 is in stilheidH1747 tot U, o GodH430! in SionH6726; en U zal de gelofteH5088 betaaldH7999 worden.
De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.
KJV
O thou that hearest
prayer,
unto thee shall all flesh
come.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij hoortH8085 het gebedH8605; totH5704 U zal alleH3605 vleesH1320 komenH935.
Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
KJV
Iniquities
prevail
against me: as for our transgressions,
thou shalt purge them away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
OngerechtigeH5771 dingen hadden de overhandH1396 over mij; maar onze overtredingenH6588, die verzoentH3722 GijH859.
Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.
KJV
Blessed
is the man whom thou choosest,
and causest to approach
unto thee, that he may dwell
in thy courts:
we shall be satisfied
with the goodness
of thy house,
even of thy holy
temple.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
WelgelukzaligH835 is hij, dien Gij verkiestH977, en doet naderenH7126, dat hij woneH7931 in Uw voorhovenH2691; wij zullen verzadigdH7646 worden met het goedH2898 van Uw huisH1004, met het heiligeH6918 van Uw paleisH1964.
Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
KJV
By terrible things
in righteousness
wilt thou answer
us, O God
of our salvation;
who art the confidence
of all the ends
of the earth,
and of them that are afar off
upon the sea:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
VreselijkeH3372 dingen zult Gij ons in gerechtigheidH6664 antwoordenH6030, o GodH430 onzes heilsH3468! o VertrouwenH4009 allerH3605 eindenH7099 der aardeH776, en der verreH7350 gelegenen aan de zeeH3220!
Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!
KJV
Which by his strength
setteth fast
the mountains;
being girded
with power:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Die de bergenH2022 vastzet door Zijn kracht, omgordH247 zijnde met macht.
Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.
Ook in dit vers
machtH1369
vastzetH3559
krachtH3581
KJV
Which stilleth
the noise
of the seas,
the noise
of their waves,
and the tumult
of the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Die het bruisen der zeeenH3220 stiltH7623, het bruisen harer golvenH1530, en het rumoer der volkenH3816.
Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.
Ook in dit vers
rumoerH1995
bruisenH7588
bruisenH7588
KJV
They also that dwell
in the uttermost parts
are afraid
at thy tokens:
thou makest the outgoings
of the morning
and evening
to rejoice.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
En die op de eindenH7098 wonenH3427, vrezenH3372 voor Uw tekenenH226; Gij doet de uitgangenH4161 des morgensH1242 en des avondsH6153 juichenH7442.
En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.
KJV
Thou visitest
the earth,
and waterest
it: thou greatly
enrichest
it with the river
of God,
which is full
of water:
thou preparest
them corn,
when thou hast so provided
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Gij bezoektH6485 het landH776, en hebbende het begerigH7783 gemaakt, verrijktH6238 Gij het grotelijks; de rivierH6388 GodsH430 is vol watersH4325; wanneer Gij het alzoH3651 bereid hebt, maakt Gij hunlieder korenH1715 gereed.
Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.
Ook in dit vers
bereidH3559
gereedH3559
volH4390
KJV
Thou waterest
the ridges
thereof abundantly:
thou settlest
the furrows
thereof: thou makest it soft
with showers:
thou blessest
the springing
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronkenH7301; Gij doet ze dalenH5181 in zijn vorenH8525; Gij maakt het week door de druppelenH7241; Gij zegentH1288 zijn uitspruitselH6780.
Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.
Ook in dit vers
maakt weekH4127
KJV
Thou crownest
the year
with thy goodness;
and thy paths
drop
fatness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Gij kroontH5849 het jaarH8141 Uwer goedheidH2896; en Uw voetstappenH4570 druipenH7491 van vettigheidH1880.
Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.
KJV
They drop5
upon the pastures
of the wilderness:
and the little hills
rejoice
on every side.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Zij bedruipenH7491 de weidenH4999 der woestijnH4057; en de heuvelenH1389 zijn aangegordH2296 met verheugingH1524.
Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.
KJV
The pastures
are clothed
with flocks;
the valleys
also are covered over
with corn;
they shout for joy,
they also sing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
De veldenH3733 zijn bekleedH3847 met kuddenH6629, en de dalenH6010 zijn bedektH5848 met korenH1250; zij juichenH7321, ook zingenH7891 zij.
De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.
lied,
Zie Ps. 48:1 .
Hertaald:
lied,
Zie Ps. 48:1.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
in
Of zwijgende, dat is, in uwe kerk prijst men U, met stilheid en geduld verwachtende en waarnemende uwe weldaden. Verg. Ps. 62:2 .
Hertaald:
in
Of: zwijgend; dat is: in Uw kerk prijst men U, terwijl men in stilte en met geduld Uw weldaden verwacht en waarneemt. Vergelijk Ps. 62:2.
de gelofte
Te weten, van dankbaarheid, die men in den nood biddende U beloofd heeft. Zie in den volgenden Ps. 66:13-14 , en boven Ps. 61:6 .
Hertaald:
de gelofte
Namelijk: van dankbaarheid, die men U in de nood biddend beloofd heeft. Zie in de volgende psalm, Ps. 66:13-14, en hierboven Ps. 61:6.
Gij
Of, Gij die het gebed hoort, of o Gij hoorder des gebeds.
Hertaald:
Gij
Of: U Die het gebed hoort, of: o U, Hoorder van het gebed.
alle
Dat is, alle soorten van mensen. Verg. Gen. 6:12 ; Ps. 145:21 ; Joël 2:28 ; Hand. 2:17 . Aldus kan men dit nemen als ene profetie van de bekering der heidenen tot God. Anders, [dies] komt alle vlees; dat is, plegen allerlei standen van mensen tot U te komen; te weten, omdat Gij zo genadig zijt in het verhoren der gebeden.
Hertaald:
alle
Dat is: alle soorten mensen. Vergelijk Gen. 6:12; Ps. 145:21; Joël 2:28; Hand. 2:17. Zo kan men dit opvatten als een profetie van de bekering van de heidenen tot God. Anders: [daarom] komt alle vlees; dat is: allerlei standen van mensen plegen tot U te komen, namelijk omdat U zo genadig bent in het verhoren van de gebeden.
Ongerechtige
Hebr. woorden, of dingen, zaken der ongerechtigheden waren geweldiger of machtiger dan ik. Dit kan men duiden op Sauls regering of Absaloms oproer, en voorts nemen als een bekentenis van Gods volk, aangaande de zonden, die zij somtijds, in den geestelijken strijd onderliggende, bedreven hadden.
Hertaald:
Ongerechtige
Hebreeuws: woorden, of dingen, zaken van ongerechtigheid waren geweldiger of machtiger dan ik. Dit kan men betrekken op de regering van Saul of op het oproer van Absalom, en verder opvatten als een belijdenis van Gods volk over de zonden die zij soms bedreven hadden wanneer zij in de geestelijke strijd het onderspit dolven.
verzoent
Of, Gij bedekt ze genadiglijk; Gij vergeeft ze om de verzoening van den Messias. Verg. Dan. 9:24 , en Lev. 1:4 . Het Hebr. woord ziet op het verzoendeksel, dat op de ark des verbonds was, [ Ex. 25:17-18 ,] zijnde een voorbeeld der verzoening onzes Heeren Jezus Christus.
Hertaald:
verzoent
Of: U bedekt ze genadig; U vergeeft ze om de verzoening door de Messias. Vergelijk Dan. 9:24, en Lev. 1:4. Het Hebreeuwse woord ziet op het verzoendeksel dat op de ark van het verbond lag [Ex. 25:17-18], dat een voorafbeelding was van de verzoening door onze Heere Jezus Christus.
voorhoven;
Zie 2 Kron. 33:5 ; Hebr. 12:22 , enz. en Ef. 2:19 .
Hertaald:
voorhoven;
Zie 2 Kron. 33:5; Hebr. 12:22, enzovoort, en Ef. 2:19.
verzadigd
Zie boven, Ps. 63:6 , en Ps. 36:9 .
Hertaald:
verzadigd
Zie hierboven Ps. 63:6, en Ps. 36:9.
heilige
Of, heilige dingen, gelijk offeranden, enz. op den Messias ziende. Anders, heilige [plaats], heiligdom; in het volgende: paleis; dat is, tabernakel. Zie Ps. 5:8 .
Hertaald:
heilige
Of: heilige dingen, zoals offers, enzovoort, met het oog op de Messias. Anders: heilige [plaats], heiligdom; en in het vervolg: paleis, dat is: tabernakel. Zie Ps. 5:8.
antwoorden,
Op onze gebeden antwoord gevende uit uw heiligdom, en teken van den hemel, tegen onze vijanden, tot verzekering van uwe verhoring; zijnde beide zeer onzichtelijk, en overeenkomende met uwe gerechtigheid. Zie Num. 7:89 ; Ps. 3:5 , en Ps. 18:7-8 , enz.
Hertaald:
antwoorden,
Doordat U vanuit Uw heiligdom antwoord geeft op onze gebeden, en een teken uit de hemel tegen onze vijanden, tot bevestiging van Uw verhoring; beide zijn zeer ontzagwekkend en in overeenstemming met Uw gerechtigheid. Zie Num. 7:89; Ps. 3:5, en Ps. 18:7-8, enzovoort.
vertrouwen
Dit kan alzo verstaan worden, dat alle mensen in de wereld hun onderhoud, bewaring en onderstand van God moeten hebben, indien zij bestaan zullen. Verg. Ps. 104:27 , enz. Of men mag het nemen van het zaligmakend vertrouwen op God, ten aanzien ven de beroeping der heidenen tot het geloof in Christus. Zie Jes. 42:4-6 , enz.
Hertaald:
vertrouwen
Dit kan men zo verstaan, dat alle mensen ter wereld hun onderhoud, bewaring en ondersteuning van God moeten hebben om te kunnen bestaan. Vergelijk Ps. 104:27, enzovoort. Of men kan het opvatten van het zaligmakende vertrouwen op God, met het oog op de roeping van de heidenen tot het geloof in Christus. Zie Jes. 42:4-6, enzovoort.
uitgangen
Dat is, de mensen en wilde dieren, die des morgens en des avonds uitgaan. Zie Ps. 104:20-21 , enz. Anders, de uitkomsten, dat is, het is van U dat een vrolijke morgen en avond komt.
Hertaald:
uitgangen
Dat is: de mensen en wilde dieren die 's morgens en 's avonds uitgaan. Zie Ps. 104:20-21, enzovoort. Anders: de uitkomsten; dat is: het komt van U dat er een vrolijke morgen en avond komt.
bezoekt
Dat is, Gij doet wel bij het land, of de aarde, door uw milden zegen, gelijk volgt. Verg. Deut. 11:12 , en zie Gen. 21:1 .
Hertaald:
bezoekt
Dat is: U doet goed aan het land, of aan de aarde, door Uw milde zegen, zoals hierna volgt. Vergelijk Deut. 11:12, en zie Gen. 21:1.
begerig
Of, graag, dat is dorstig naar regen. Anders, Gij zijt het welgenegen. Anderen zetten het over: Gij watert het, nemende het Hebr. woord van een anderen oorsprong.
Hertaald:
begerig
Of: gretig, dat is: dorstig naar regen. Anders: U bent het goedgezind. Anderen vertalen het met: U bewatert het, waarbij zij het Hebreeuwse woord van een andere stam afleiden.
rivier
Zo noemt de profeet Gods regen, dien Hij zendt om het land vruchtbaar te maken, of de wolken, waaruit Hij den regen afzendt. Sommigen nemen het woord Gods, als bijgevoegd tot uitdrukking van een overvloedigen regen, als bergen en cederen Gods, dat is, zeer grote hoogte. Verg. Deut. 11:10-11 .
Hertaald:
rivier
Zo noemt de profeet Gods regen, die Hij zendt om het land vruchtbaar te maken, of de wolken waaruit Hij de regen neerzendt. Sommigen vatten het woord Gods op als een toevoeging om een overvloedige regen aan te duiden, zoals bergen Gods en cederen Gods, dat is: zeer grote hoogte. Vergelijk Deut. 11:10-11.
het alzo
Te weten, het land.
Hertaald:
het alzo
Namelijk: het land.
hunlieder
Te weten, der mensen, waarvan zij zullen leven.
Hertaald:
hunlieder
Namelijk: van de mensen, waarvan zij zullen leven.
opgeploegde
Van het Hebr. woord, betekenende, naar veler gevoelen, de scherpe ruggen tussen twee voren opgeworpen en uitstekende; zie Job 31:38 .
Hertaald:
opgeploegde
Van het Hebreeuwse woord, dat naar de mening van velen de scherpe ruggen aanduidt die tussen twee voren opgeworpen zijn en uitsteken; zie Job 31:38.
dronken;
Dat is, Gij bewatert en begiet haar overvloedig met den regen.
Hertaald:
dronken;
Dat is: U bewatert en begiet haar overvloedig met de regen.
week
Hebr. Gij smelt, of ontdoet het; te weten het land.
Hertaald:
week
Hebreeuws: U smelt of ontdoet het; namelijk het land.
druppelen
Dat is, druipende regen, of slagregen, dichte regen. Het Hebr. woord komt van menigte, of grootheid der droppelen.
Hertaald:
druppelen
Dat is: druipende regen, of slagregen, dichte regen. Het Hebreeuwse woord komt van de menigte of de grootte van de druppels.
kroont
Elk deel van het jaar versierende met bijzondere zegeningen.
Hertaald:
kroont
Doordat U elk deel van het jaar met eigen zegeningen versiert.
goedheid
Dat is, uw goed jaar, dat van uw goede daden overvloeit; als berg uwer heiligheid en dergelijke.
Hertaald:
goedheid
Dat is: Uw goede jaar, dat overvloeit van Uw goede daden; zoals berg van Uw heiligheid en dergelijke.
voetstappen
Hebr. wagensporen; dat is, voetpaden. Alsof hij zeide: Overal waar Gij henenvaart of passeert, laat Gij uwen zegen achter. Verg. Joël 2:14 . Of, uwe sporen; dat is uwe wolken, waarop Gij vaart als op een wagen; Psa 104 zie ook Job 36:28 , en Job 38:26-27 .
Hertaald:
voetstappen
Hebreeuws: wagensporen; dat is: voetpaden. Alsof hij zei: overal waar U langs gaat, laat U Uw zegen achter. Vergelijk Joël 2:14. Of: Uw sporen, dat is: Uw wolken, waarop U rijdt als op een wagen; Ps. 104. Zie ook Job 36:28, en Job 38:26-27.
druipen
Of, druppen vettigheid.
Hertaald:
druipen
Of: druppen vettigheid.
weiden
Gelijk Ps. 23:2 . Anders, de hutten der woestijn druipen.
Hertaald:
weiden
Zoals Ps. 23:2. Anders: de hutten van de woestijn druipen.
aangegord
Groenende en versiert zijnde met gras door den regen, waardoor zij, als vrolijk, de mensen toelachen; zie Job 8:18 .
Hertaald:
aangegord
Doordat zij groen worden en door de regen met gras versierd zijn, waardoor zij de mensen als het ware vrolijk toelachen; zie Job 8:18. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden" (Ps. 65:2). Dan volgt een zin die de deur wijd openzet: "Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen" (Ps. 65:3). En daarna de belijdenis waar het gedeelte om draait: "Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij" (Ps. 65:4). Let op de wisseling van enkelvoud naar meervoud: hij begint bij zichzelf en spreekt daarna namens allen. Het volgende vers noemt wat daarop volgt: "Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven" (Ps. 65:5). En dan wordt God aangesproken als "Vertrouwen aller einden der aarde" (Ps. 65:6). Bijbelse betekenis: De volgorde van deze psalm is het onderwijs. Voordat er over regen en koren gesproken wordt, staat er dat de overtredingen verzoend worden; het gaat dus van het heiligdom naar de akker en niet andersom. Merk op wat er in Ps. 65:5 gezegd wordt over het naderen. Niet de mens kiest zijn plaats in de voorhoven, maar God verkiest hem en doet hem naderen; beide werkwoorden hebben God als onderwerp. Let ten slotte op Ps. 65:3. Dat alle vlees tot Hem komen zal, is in een psalm van Israël een woord dat verder reikt dan het eigen volk. Typologie: Paulus zegt van de verzoening dat God haar zelf tot stand bracht: God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor. 5:19). Ps. 65:2-9; 2 Kor. 5:19 "Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters" (Ps. 65:10). Wat volgt is de gewone gang van het boerenjaar, maar telkens met God als handelende persoon: Hij maakt de omgeploegde aarde dronken, doet de voren dalen, maakt het week door de druppels en zegent het uitspruitsel (Ps. 65:11). En dan komt het beeld waar de psalm om bekend staat: "Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid" (Ps. 65:12). Het slot tekent de weiden van de woestijn die bedruipt worden en heuvels die met verheuging aangegord zijn (Ps. 65:13). Bijbelse betekenis: De psalm beschrijft geen wonder maar een gewoon groeiseizoen, en juist dat wordt aan God toegeschreven. Regen en oogst zijn hier geen natuurverloop waar God buiten staat. Merk op het beeld van de voetstappen. God gaat als het ware over het land, en waar Hij loopt blijft vruchtbaarheid achter; het jaar krijgt Zijn goedheid als een kroon op het hoofd. Let ten slotte op de plaats van dit gedeelte. Het volgt op de verzoening van Ps. 65:4, en daarmee staat de dankbaarheid voor het brood in het licht van de vergeving. Typologie: Paulus zei in Lystre hetzelfde over de gewone oogst: God heeft Zichzelf niet onbetuigd gelaten, "ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid" (Hand. 14:17). Ps. 65:4; Ps. 65:10-13; Hand. 14:17 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas U kroont het jaar van Uw goedheid. Psalm 65:12 Het hele jaar door, elk uur van elke dag, schenkt God ons zijn zegeningen in overvloed. Zijn liefde stroomt… Gij kroont het jaar Uwer goedheid. Psalm 65:12 Geliefden, we zien uit naar een tijd wanneer het jaar van de wereld met Gods goedheid gekroond zal worden -… Gij kroont het jaar Uwer goedheid. Psalm 65:12 De Joden van weleer proefden nooit van de opbrengst van gerste- of de tarweoogst, voordat ze die op het feest… Gij kroont het jaar Uwer goedheid. Psalm 65:12 In de warme maanden van de zomer kleedt het koninklijke jaar zich in schoonheid, en tooit het zich in weelderige… Gij kroont het jaar met Uw goedheid." - Psalm 65:12. Het hele jaar door, elk uur van elke dag, zegent God ons rijkelijk; zowel als we slapen als… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Uw voetstappen druipen van overvloed. Psalm 65 vers 12 Veel van de wegen van de Heere druipen van overvloed, maar dit… De lofzang wacht op U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. O Gij, Die het gebed hoort, tot U zal alle vlees komen.… De lofzang wacht op U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. O Gij, Die het gebed hoort, tot U zal alle vlees komen.… Gij maakt de opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in de voren; u maakt het week door de druppelen; Gij zegent het uitspruitsel. Psalm 65:11 Laat Gods zegenende… Gij kroont het jaar Uwer goedheid en Uw voetstappen druipen van vettigheid. Psalm 65:12 Het hele jaar rond, ieder uur van de dag, zegent God ons rijkelijk. Zowel… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Gij kroont het jaar van Uw goedheid. Psalm 65:12 Het gehele jaar rond, elk uur van iedere dag zegent God ons… Gij kroont het jaar van Uw goedheid. Psalm 65:12 De gelovigen uit oude tijden gevoelden, dat God hen zeer nabij was. Al wat ze zagen in de natuur schreven… 10 Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij… 6 Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee! 7 Die de… 1 Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester. 2 De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. 3… Een preek uitgesproken op zondagmorgen 11 februari 1866, door C.H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Gij zegent het uitspruitsel. Psalm 65:11 De andere jaargetijden mogen door de overvloed… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 65
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Dankbaarheid voor zegeningen
De Heere God almachtig regeert
De Heere danken
Gij kroont het jaar Uwer goedheid
Het hele jaar door
Verzadigd uit overvloed
U zal de gelofte betaald worden
Lofzangen en geloften in Sion aanvaard
God zegent
Het zal de rechtvaardige welgaan
Gij kroont het jaar van Uw goedheid
Een God, die kroont met zegen
Psalm 65:10-14
Psalm 65:6-9
Psalm 65:1-5
Lente in het hart


Psalmen 65
Psalmen 65:2.KruisverwijzingenJesaja 66:23→Psalmen 86:9→Psalmen 145:18→1 Johannes 5:14→Daniël 9:17→Psalmen 66:4→Jeremia 29:12→Jesaja 65:24→
— De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.
“De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion.” Wat wij ook doen, laten wij er zeker van zijn dat onze ziel den HEERE grootmaakt en de gedachte van zelfverheerlijking verfoeit. Heeft de HEERE ons gezegend, laten wij dan elke gedachte afschudden om ons zélf den lof toe te schrijven — gelijk Paulus de adder van zijn hand afschudde.
Wij zijn louter ijdelheid, en ons behoort de schaamte. Dát is ons bezit; het is de enige erfenis die onze vaderen ons gelaten hebben. Wat zijn wij, dat de HEERE ons zegenen zou?
Heb ik onlangs een ziel tot Christus gebracht? Dan zegen ik den Heiligen Geest, Die mij door Zijn kracht geholpen heeft zo’n goddelijke daad te doen. Heb ik gisteren een vrijmoedig getuigenis voor de waarheid gegeven? Dan zegen ik Hem Die de getrouwe en waarachtige Getuige is, dat ik aan Zijn voeten geleerd heb waarachtig te zijn en door Zijn Geest in staat gesteld werd moedig te wezen.
Met alle kracht wijzen wij de gedachte af om onszelf te eren. Keer op keer leggen wij de kroon van den overweldiger weg die de satan ons aanbiedt.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David, een lied (Psalm 48: 1. 1 Kronieken 25: 31 ), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1). 2. De Vulgata verklaart, op het voetspoor van enige Griekse afschriften, de uitdrukking: “Een lied”, door de toevoeging, dat wij hier een lied van Jeremia en van Ezechiël voor ons hebben bestemd voor het volk, als het weer uit Babel naar Palestina zou trekken. Ook latere uitleggers willen dienovereenkomstig het opschrift: “een Psalm van David,” opvatten in den zin van: “een naar David’s voorbeeld gedichte Psalm,” maar nemen als geschiedkundige aanleiding tot het ontstaan van het lied, het begin van den nieuwen zegen des oogstes, die in Jes. 37: 30. 2 Koningen 19: 29 voor het jaar 711 vóór Chr. geprofeteerd is. Wij houden echter vast, dat David den Psalm dichtte, en menen, dat de in 2 Samuel 21: 1 vv, verhaalde gebeurtenis de geschiedkundige aanleiding tot den Psalm is geweest, bij vs. 14 65.13 van die plaats zijn reeds enige wenken tot recht verstand van het lied gegeven.
I. Vs. 2-5.KruisverwijzingenJesaja 66:23→Psalmen 38:4→Psalmen 84:4→Psalmen 33:12→Psalmen 36:8→Psalmen 86:9→Psalmen 79:9→Jesaja 6:7→
— De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden. Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen. Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij. Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
De gemeente, die bij ‘t heiligdom verzameld is, kan na het ondervondene in den laatsten tijd, slechts in stilte God loven en hare gelofte betalen, toch verheugt zij zich met een bewogen hart over den rijkdom Zijner genade, die haar in de verhoring harer gebeden en in de vergeving van hare zonde ten deel gevallen is; zij roemt in de grote goederen, die zij in zijn huis mag genieten.
De lofzang is in stilheid 1), met vermijding van alles wat gerucht maakt, tot U, o God die Uwen toorn van ons land hebt afgekeerd; hij wordt U gebracht in Zion 1), waar Uw heiligdom is (2 (Samuel 6: 17); en U zal de gelofte door dezen lofzang, zowel als door offeranden, betaald worden 3), al de geloften, die in de drie vorige jaren van nood U gegeven zijn.
In het hart van den gelovige is soms, ja gedurig ene lofzegging des harten, welke door niemand gehoord wordt dan door God. “De gelovige zingt en speelt den Heere in zijn hart,” zegt het N.Testament in overeenstemming met het Oude. Het zijn die onuitsprekelijke woorden, die de Heilige Geest in ons hart spreekt. Hoe dikwijls zijn wij als overstelpt, zodat wij niet weten, wat te zeggen, en dus niets zeggen, en toch veel zeggen, maar in ons hart.
In stilheid, wil hier niet zeggen, dat alleen het hart vol is van lof en dank, maar de lippen zwijgen, maar dit in stilheid is in tegenstelling van een vroegeren toestand. Toen toch de Heere kastijdde met grote droogte, was de ziel fel bewogen en was er een roepen en schreeuwen uit de diepte tot God. Maar nu, nu de Heere de bede had verhoord en zich weer als een verzoend God had geopenbaard, nu was ook in de ziel van David en van zijn volk de rust en vrede teruggekeerd en kon de lofzang in stilheid, in vrede, in gerustheid des gemoeds tot den Heere worden opgezonden.
Op Zion stond de tent met de arke des verbonds, En daarom spreekt David hier van dien veelbetekenenden berg, dewijl de lofzang in het nauwste verband stond met de verzoening, die gevonden was. Zion is de zetel der genade, gelijk Sinaï de zetel is der Wet.
De gelofte in het algemeen is de dank. Dank is de schuldbrief, waarin wij zeggen: “Ontvangen van God deze en die weldaad, waarvoor wij ons schuldig verklaren naar lijf, goed en leven, tot de terugbetaling toe, dat is in alle eeuwigheid.” Want aan terugbetaling aan God is toch wel niet te denken; doch juist daarin ligt onze zaligheid, dat wij eeuwig Gods schuldenaars zijn, dat Hij ons niet loslaat, dat Hij de eigenaar is van ons goed en bloed, ons leven. God beschikt heden over dit en morgen over iets anders. God stelt ons tot Zijne bankiers, en welk een voorrecht is het, Gods schatmeesters te zijn. Wij moeten dus Gode betalen al wat Hij van ons vraagt, al is het ook maar een oort, gelijk Hij van de weduwe in het Evangelie vroeg; maar wij moeten tegelijk het gehele kapitaal voor Hem beschikbaar houden. Eist God al ons goed, trekt Hij een wissel op het leven onzer dierbaren, ja, op ons eigen leven, wij moeten het Hem geven. Nochtans dat zijn ogenblikken, waarin onze knieën knikken en ons hart ons ontzinkt. En God geve ons staande te blijven, Hij geve ons genade, om het liefste zelfs over te geven met bereidwilligheid hoe vele tranen en zuchten het ons ook koste.
Gij hoort het gebed 1), dat is de ervaring, die wij op zo heerlijke wijze onlangs gemaakt hebben; tot U zal alle vlees komen2), om bij U hulp te zoeken, daar al wat mens heet, U wel kent, als degene, die rijk zijt over allen, die U aanroepen (Rom. 10: 12).
God hoort het gebed, doch Hij is gelijk in alles, ook in de verhoring des gebeds wonderlijk. Meermalen verhoort Hij ons, wanneer wij niet meer aan de verhoring des gebeds denken. Ons gebed zij dan ook een zaaien. God zal op Zijnen tijd den oogst geven. Waar Hij niet verhoort zet Hij het gebed op rente, en geeft Hij ons later het kapitaal met de rente. Het gebed is de schoonste vrucht van den boom des geloofs en de wezenlijkste.
Hoorder der gebeden, dat is Jehova’s erenaam, boven alle afgoden der Heidenen. In de gebedsverhoring verheerlijkt God al Zijne deugden en Volmaaktheden, zij is de betoning van Zijne alomtegenwoordigheid, almacht, liefde en trouw. In de gebedsverhoring wordt God het nauwst en het tederst door Zijne kinderen gekend als een getrouw God en een liefhebbend Vader. Gebedsverhoringen zijn voor hen de onderpanden, de voldane wissels, die zij in bange dagen, in het geloof op God getrokken hebben, en hen uit den hemel zijn toegezonden.
Elke nood, elke behoefte is een hoewel onbewust komen tot God, een gebed tot Hem den enigen Helper. Volgens Psalm 104: 21. Job 38: 41 en Genesis 21: 17 wachten zelfs alle dieren op God, dat Hij hun hun spijze geve ter hunner tijd; de jonge raven roepen tot Hem en God verhoort den niet biddenden maar schreienden Ismaël.
David belijdt hier God als den Schepper en Onderhouder van alle mensen. In den weg zijner gemene genade zorgt God voor allen en mogen allen tot Hem naderen, om van Hem de vervulling hunner behoeften te smeken en te verwachten.
Ongerechtige dingen, in ene menigte, zodat wij ze niet kunnen optellen, hadden de overhand over mij 1), zij drukten dikwijls genoeg zo zwaar, dat wij meenden onder den last te zullen bezwijken; maar onze overtredingen, die verzoent Gij 2), wanneer wij in onzen zielennood ons berouwvol tot U wenden; dit hebben wij weer onlangs ervaren.
David zegt hier niet ons maar mij, dewijl David niet in de eerste plaats aan anderen, en aan anderer zonde denkt, maar aan zijn eigen, en die voor zijn God brengt. Als hij echter straks van verzoening spreekt, dan sluit hij ook de anderen er bij in, dewijl hij ondervindt, dat God niet alleen voor hem, maar ook voor anderen een verzoenend God is.
Het woord “verzoenen”, betekent in het oorspronkelijke niet enkel “vergeven”, maar “bedekken.” Men bedekt iets door iets anders er op te plaatsen, en dat andere is Christus. Christus in Zijne Godmenselijke persoonlijkheid, in zijn leven, lijden, sterven, opstanding en hemelvaart staat voor God boven de zonde en zo wordt de zonde, die anders bloot zou liggen voor God, door Christus voor Gods ogen bedekt. Wie kan nu echter voor Gods alziende ogen de zonde bedekken, dan God zelf? Daarom is Christus als de Zaligmaker noodzakelijk God. Het is wiskunde, het kan niets anders. God ziet in den gelovige, in den Christus toebehorenden mens niet meer de zonde maar Christus. Daarom zei Luther zo schoon: “Christus had gene andere zonde dan ons, en wij hebben gene andere gerechtigheid dan Hem. -Wij zijn gewoon de lijdensgeschiedenis des Heren uit de breiden, en er is niets liefelijker dan bij al de bijzonderheden van dat Godmenselijk lijden voor onze zaligheid langdurig en bij herhaling stil te staan; doch hier hebben wij deze gehele lijdensgeschiedenis saamgetrokken in een enkel woord. Gij ziet, hoe Gods woorden groeien. Dit woordje is door alle eeuwen groter geworden, totdat het eindelijk in den persoon van Christus een volwassen man is geworden. Zo worden al de beloften Gods in de Bank der Schrift gelegd, om op zijn tijd met woeker te kunnen worden teruggeëist.
Welgelukzalig is daarom hij, dien Gij verkiest1), dien Gij tot een lid van Uw uitverkoren volk maakt, en dien Gij doet naderen, in Uwe nabijheid laat leven, dat hij wone, zich te huis gevoele in Uwe voorhoven, die rondom Uw heiligdom zijn (Psalm 15: 1; 27: 4; 84: 5); wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis 2); met volle teugen mag men daar genieten de volheid van Uwe genade goederen, geestelijke en lichamelijke (Psalm 36: 9. (Efeziers 2: 19 vv.).
De dichter brengt ook hier alles tot God terug. Het is Gods vrije, verkiezende liefde, het is zijn gunstrijk Welbehagen, dat Hij doet wonen. Niet om den mens, maar om Zichzelfs wil, spreidt Hij Zijn goedheid over Zijn volk uit.
Gelijk na de dankoffers heilige maaltijden werden gehouden, zo wordt hier het gehele leven in de gemeenschap met den God des verbonds beschreven als ene verzadiging aan den dis des Heren. (Psalm 23: 5,6; 36: 9).
6.
II. Vs. 6-9.KruisverwijzingenPsalmen 93:1→Psalmen 89:9→Jesaja 17:12→Psalmen 46:4→Psalmen 107:29→Psalmen 93:3→Psalmen 68:9→Psalmen 104:13→
— Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee! Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht. Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken. En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.
De gemeente herinnert zich hierop de wijze, waarop haar gebed is verhoord geworden; zij erkent, ondanks de wonderbare gerechtigheid Gods, die zich daarin openbaart, Hem voor den enigen Helper van alle mensenkinderen op aarde. Zij denkt aan Zijn besturen aan de bewegingen der volken hier beneden, waardoor Hij Zijnen eeuwigen raad volvoert, en na den strijd weer vrede in het land schenkt. Over dit kostbaar kleinood verheugt zij zich met een dankbaar hart.
Vreselijke dingen zult Gij, gelijk wij in ons geval gezien hebben (2 (Samuel 21: 2), ons in gerechtigheid antwoorden 1), op het gebed om afwending van Uwen toorn, o God onzes heils! Dat zijt Gij, want bij al het vreselijke openbaart Gij U als den enigen Heiland en Helper, o Vertrouwen aller einden der aarde, van allen, die daar wonen, en der verre gelegenen aan de zee!
Hij zegt daarmee, dat God Zijn volk antwoordt in wonderen, of in geduchte tekenen, als zei hij: God, Gij verhoort ons altijd, zodat in Uwe wonderbare uitredding Uwe macht even zowel zichtbaar wordt als vroeger, toen onze vaderen uit Egypte togen; want God bewaart Zijne gemeente niet op gewone wijze, maar met vreselijke macht.
Dat kan ook alleen een God als Gij, die de bergen vastzet door Zijne kracht, door Zijne kracht hen zo vast doet blijven staan, omgord zijnde met macht, waaraan alles moet onderworpen zijn.
Dat zijt Gij, die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, niet alleen in de natuur, maar ook onder de mensen (MATTHEUS. 8: 26. (Psalm 89: 10), en daar is onder dat bruisen te verstaan het rumoer, de onstuimigheid der volken 1), gelijk kort geleden dat der Ammonieten onderdrukt is (2 Samuel 10-12). Oproeren zijn zeer te vrezen. Als het onderste der maatschappij zich naar boven keert, dan is er een rumoer als het bruisen der golven. De duivel blaast in den vlam der hartstochten, en de mensen storten op- en woelen door elkaar als de golven der zee, en wie wil of niet wil, gaat mede; want er is ene zekere dronkenschap, zodat men niet weet, wat men wil, en wat men doet, en het slaat over van den een op den ander, en er zou geen einde aan zijn en onbegrensd voortgaan, indien niet God, die het bruisen der zeeën stilt, ook niet het rumoer der volken stilde.
En die op de einden wonen, de meest verwijderde en woeste volken, vrezen voor Uwe tekenen, waardoor Gij toont de Almachtige te zijn. Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen 1).
Of, de plaatsen, waar de morgen en de avond opkomt, doet gij juichen, met andere woorden: het Oosten en het Westen, met betrekking tot hun bewoners. De dichter wil hier zeggen, dat de Heere God overal grote juichensstof geeft. Is het waar, dat God hen, die op de grenzen der aarde wonen, doet vrezen voor Zijne tekenen, het is ook aan de andere zijde waar, dat Hij hen verheugt en verblijdt door Zijne goedertierenheid en genade. Beide zijden van Gods openbaring worden in deze verzen verheerlijkt, zowel Zijne gestrengheid, als Zijne barmhartigheid. 10.
III. Vs. 10-14.KruisverwijzingenJesaja 55:12→Joël 2:21→Job 38:26→Psalmen 147:8→Jesaja 35:1→Jesaja 44:23→Deuteronomium 32:2→1 Korinthe 3:6→
— Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed. Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel. Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid. Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.
Ten slotte ziet de gemeente, die ongeveer in de lente van het jaar 1032 vóór Christus bij het heiligdom verzameld is, van de eersteling gaven, welke zij gebracht heeft, op het land, dat een rijken oogst belooft. Zij ziet daar overal de sporen van Gods zegenende goedheid op veld en akker, in vlakten en op heuvelen, en zingt het lied der dankbaarheid.
Gij bezoekt het land weer, na langen tijd van onvruchtbaarheid (2 (Samuel 21: 1), en hebbende het begerig gemaakt in die langdurige droogte, verrijkt Gij het grotelijks, door de vruchten, die Gij groeien laat bij de overvloedigen regen; de rivier Gods, die in de hoogte is, en waaruit de voor Kanaän zo nodige regen (Deuteronomium 11: 11) vloeit, is vol waters 1); het komt er maar op aan, dat goddelijke toorn dien niet toesluit (1 (Koningen 17: 1 vv.) maar genade zijne stromen laat vloeien. Wanneer Gij het land alzo bereid hebt 2) door den regen, maakt Gij hunlieder koren gereed, dit kan nu groeien en vruchten dragen.
Wanneer de bronnen daar boven geen water geven, zo helpen gene bronnen of rivieren op aarde, de laatste drogen eindelijk uit, wanneer het niet regent. Gods geestelijke genadebronnen hebben een overvloed van water der vertroosting voor alle bedroefde en treurige zielen, zodat niemand troosteloos behoeft weg te gaan.
Noemt de zanger hier de rivier Gods, hij erkent daarmee in gelovigen eenvoud, de opperheerschappij van dien God, Wie de hemelen en de aarde zijn, en die alles bestuurt en regeert naar Zijnen wil. In hoger, in overvloediger zin en mate is het in het Koninkrijk der hemelen waar: de rivier Gods is vol waters. De heilfontein, die er ontsprongen is op Golgotha’s heuvel is een eeuwige en onmetelijke gerechtigheid, en ook de vele beloften Gods zijn in den Gekruisigde ja en amen.
Gij zijt de rechte Bouwer, die het land bebouwd, veel meer en beter dan de landman, die er niets meer aan doet, dan den akker ploegt, echt en zaait en daarna laat liggen. God moet er echter altijd bij zijn met regen en warmte en alles doen, dat het groeie en wel gedije, terwijl de landman ligt en slaapt en niets gedaan heeft, behalve, dat hij het aardrijk toebereidde.
Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze (den regen) dalen en zijne voren; Gij maakt het week door de druppelen, Gij zegent, wanneer de voorbereiding ten einde is, zijn uitspruitsel, het gewas. Driemalen wordt de bevochtiging van den grond ter voorbereiding genoemd, en slechts eens die van het gewas. In westelijk Palestina (in het oostelijk gedeelte in de streken van het tegenwoordige Haran is het nog enigszins anders) moet, gelijk Dr. Wetstein bericht, de boer driemalen ploegen, voordat hij kan zaaien. Een goed landman laat, na het scheuren van het land in den winter, ploegen in de lente, voor de derde maal in den zomer, en voor de vierde maal in den nazomer. Wilde men in het pas gescheurde land zaaien, zo ware het zaad verloren.
Met deze woorden wijst hij aan, dat de gehele orde der natuur een getuigenis is van Gods vaderlijke liefde jegens ons, omdat Hij zich verwaardigt, Zijn zorg uit te oefenen voor onze dagelijkse levensbehoeften. Doch ook met verscheidene woorden prent hij in het geheugen in, die genade Gods, welke een groot deel der wereld goddeloos en misdadig verdonkert. Want naarmate iemand scherpzinniger is in het waarnemen van de natuurlijke middelen, naarmate blijft hij ook daaraan hangen, zodat hij tot God volstrekt niet opklimt. Wel moest het wijsgerig nadenken, hoe nauwkeuriger het de geheimenissen Gods onderzoekt, ons nader tot Hem brengen, indien maar niet onze gevoelloosheid en ondankbaarheid ons in den weg stonden. Maar dewijl men zeer scherp onderzoek doet naar den oorsprong van den regen in de lucht en de elementen, en de ogen en zinnen van God afwendt, is het van behoefte, dat zij er meer toe worden opgewekt.
Gij kroont het jaar, opdat het een jaar Uwer goedheid blijke te zijn; en Uwe voetstappen uwe sporen druipen van vettigheid; overal, waar Gij bij het bezoeken des lands (vs. 10) wandelt, blijven zegen en voorspoed als sporen achter.
Zij bedruipen zelfs de weiden der woestijn 1), die plaatsen der overigens onbebouwde en onbewoonde woestijn, die bij toereikenden regen ten minste goede weiden voor het vee geven (Job 38: 26 vv.); en de heuvelen, die eerst kaal en treurig stonden, zijn aangegord met verheuging, zij zijn opgetooid met schoon en fris groen.
Of, en beter, de weiden der woestijn druipen. In het tweede gedeelte wordt dan ook van de heuvelen gezegd, dat zij aangegord zijn met verheuging. Zo wordt dan ook in het eerste gedeelte van de steppen gesproken, dat zij druipen, fris en groen zijn, druipen van vettigheid. Heerlijk schoon tekent de dichter hier den veranderden toestand, dien het aardrijk heeft ondergaan. Het is alsof hij degene, die hem hoort, wil doen zien en doen horen, hoe de regen ruist en hoe het koren wast en groeit. Het is dan ook niet te verwonderen, dat hij aan het slot zegt: zij juichen, ook zingen zij, in den zin van ons, alles juicht, alles zingt. Wegzinkende onder de goedertierenheid Gods is het hem behoefte, om zijn blijde harte lucht te geven en om de genade Gods op het hoogste te verheerlijken.
De velden zijn bekleed met kudden, die duur rijkelijk voedsel vinden, en de dalen zijn bedekt met koren, waarin zij zich als in een vrolijk gewaad hebben gestoken; Zij, de mensen die dit mogen aanschouwen juichen, ook zingen zij.
God geeft ook feesten, feesten der natuur, feesten voor ieder jaargetijde, onder welke het feest van den oogst het schoonste is, omdat daarin de mensen het meest hun vreugde betonen en juichend zingen. Mocht hun oogst, gejuich en gezang maar altijd zijn als dat van David in dezen Psalm; want wat betekent alle verheerlijking, wanneer God niet verheerlijkt wordt?.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel