Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalmH4210 van DavidH1732, voor den opperzangmeesterH5329, voor JeduthunH3038.
Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
KJV
[[To the chief Musician,1
even to Jeduthun,2
A Psalm3
of David.]]4
I said,
I will take heed
to my ways,
that I sin
not with my tongue:
I will keep
my mouth
with a bridle,
while the wicked
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Ik zeideH559: Ik zal mijn wegenH1870 bewaren, dat ik niet zondigeH2398 met mijn tongH3956; ik zal mijn mondH6310 met een breidelH4269 bewaren, terwijl de goddelozeH7563 nog tegenoverH5048 mij is.
Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Ook in dit vers
bewarenH8104
bewarenH8104
KJV
I was dumb
with silence,
I held my peace,
even from good;
and my sorrow
was stirred.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Ik was verstomdH481 door stilzwijgen, ik zweegH2814 van het goedeH2896; maar mijn smartH3511 werd verzwaardH5916.
Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Ook in dit vers
stilzwijgenH1747
KJV
My heart
was hot
within
me, while I was musing
the fire
burned:
then
spake
I with my tongue,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Mijn hartH3820 werd heetH2552 in mijn binnensteH7130, een vuurH784 ontbranddeH1197 in mijn overdenkingH1901; toen sprakH1696 ik met mijn tongH3956:
Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
KJV
LORD,
make me to know
mine end,
and the measure
of my days,
what it is; that I may know
how frail
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
HEEREH3068! maak mij bekendH3045 mijn eindeH7093, en welke de mate mijner dagenH3117 zij; dat ik weteH3045, hoeH4100 vergankelijkH2310 ik zij.
HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
Ook in dit vers
mate 2H4060
KJV
Behold, thou hast made
my days5
as an handbreadth;
and mine age
is as nothing before thee: verily every
man
at his best state
is altogether
vanity.
Selah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
ZieH2009, Gij hebt mijn dagenH3117 een handbreedH2947 gesteld, en mijn leeftijdH2465 is als nietsH369 voor U; immers is een ieder mensH376, hoe vast hij staatH5324, enkel ijdelheidH1892. SelaH5542.
Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
Ook in dit vers
mensH120
enkelH3605
nietsH3605
gesteldH5414
KJV
Surely every man
walketh
in a vain shew:
surely they are disquieted
in vain:10
he heapeth up
riches, and knoweth
not who shall gather
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Immers wandeltH1980 de mensH376 als in een beeldH6754, immers woelenH1993 zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weetH3045 nietH3808, wieH4310 het naar zich nemenH622 zal.
Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
Ook in dit vers
ijdelheidH1892
brengt bijeenH6651
KJV
And now, Lord,
what wait
I for? my hope
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
En nuH6258, watH4100 verwachtH6960 ik, o HEERE! Mijn hoopH8431, dieH1931 is op U.
En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
Ook in dit vers
HEEREH136
KJV
Deliver
me from all my transgressions:
make
me not the reproach
of the foolish.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
VerlosH5337 mij van alH3605 mijn overtredingenH6588; en stelH7760 mij nietH408 tot een smaadH2781 des dwazenH5036.
Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.
KJV
I was dumb,
I opened
not my mouth;
because thou didst
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Ik ben verstomdH481, ik zal mijn mondH6310 nietH3808 opendoenH6605, wantH3588 GijH859 hebt het gedaanH6213.
Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
KJV
Remove
thy stroke
away
from me: I am consumed
by the blow
of thine hand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Neem Uw plageH5061 van opH5921 mij wegH5493, ik ben bezwekenH3615 van de bestrijdingH8409 Uwer handH3027.
Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
KJV
When thou with rebukes
dost correct
man
for iniquity,
thou makest his beauty
to consume away
like a moth:
surely every man
is vanity.
Selah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
KastijdtH3256 Gij iemandH376 met straffingenH8433 om de ongerechtigheidH5771, zo doet Gij zijn bevalligheidH2530 smeltenH4529 als een motH6211; immers is een ieder mens ijdelheidH1892. SelaH5542.
Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
Ook in dit vers
mensH120
KJV
Hear
my prayer,
O LORD,
and give ear
unto my cry;
hold not thy peace
at my tears:
for I am a stranger
with thee, and a sojourner,
as all my fathers
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
HoorH8085, HEEREH3068! mijn gebedH8605, en neem mijn geroepH7775 ter ore; zwijgH2790 nietH408 totH413 mijn tranenH1832; want ik ben een vreemdelingH1616 bijH5973 U, een bijwonerH8453, gelijk alH3605 mijn vadersH1.
Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
Ook in dit vers
neemH238
KJV
O spare
me, that I may recover strength,
before I go hence,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
WendH8159 U van mij afH4480, dat ik mij verkwikkeH1082, eerH2962 dat ik heenga, en ik nietH369 meer zij.
Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
Ook in dit vers
eengaH3212
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
Jedúthun
Van dezen, zie 1 Kron. 16:41-42 . 1 Kron. 25:1 , 1 Kron. 25:3 .
Hertaald:
Jedúthun
Over hem, zie 1 Kron. 16:41-42; 1 Kron. 25:1, 1 Kron. 25:3.
mijn wegen
Dat is, ik zal naarstiglijk en scherpelijk op mijn doen letten. Zie 1 Kon. 2:4 .
Hertaald:
mijn wegen
Dat is: ik zal nauwlettend en scherp op mijn doen letten. Zie 1 Kon. 2:4.
breidel
Of, muilkorf, muilband; ene gelijkenis, genomen van de beesten, dien men den mond toesluit opdat zij niet bijten of eten; het Hebr. woord komt van een woord, dat van het muilbanden der ossen gebruikt wordt; Deut. 25:4 . Hij wil zeggen dat hij zich ten enemale wil bedwingen om niet tegen God uit ongeduldigheid te murmureren, of iets onbetamelijks van van zijne vijanden te spreken, zolang het God beliefde, dat zij aldus op hem loerden en in voorspoed voor zijn ogen en rondom hem zweefden.
Hertaald:
breidel
Of: muilkorf, muilband; een vergelijking, ontleend aan de dieren, die men de mond dichtbindt opdat zij niet bijten of eten. Het Hebreeuwse woord komt van een woord dat gebruikt wordt voor het muilbanden van de ossen, Deut. 25:4. Hij wil zeggen dat hij zich volkomen wil bedwingen om niet uit ongeduld tegen God te morren, of iets onbetamelijks over zijn vijanden te zeggen, zolang het God behaagde dat zij zo op hem loerden en in voorspoed voor zijn ogen en om hem heen zweefden.
goede
Daar ik goede redenen had om mijne onschuld en de gerechtigheid mijner zaak te kennen te geven.
Hertaald:
goede
Terwijl ik goede redenen had om mijn onschuld en het recht van mijn zaak bekend te maken.
verzwaard
Hebr. verstoord, beroerd; dat is, ik werd niet dan te meer onrust.
Hertaald:
verzwaard
Hebreeuws: verstoord, beroerd; dat is: ik werd alleen maar onrustiger.
overdenking
Als ik overdacht het groot ongelijk en geweld, dat mij werd aangedaan, barstte ik ten laatste uit door menselijke zwakheid, waarvoor ik mij nochtans vastelijk voorgenomen had te wachten, vs.2.
Hertaald:
overdenking
Toen ik het grote onrecht en geweld overdacht dat mij werd aangedaan, barstte ik ten slotte los door menselijke zwakheid, terwijl ik mij toch vast had voorgenomen mij daarvoor te hoeden, vers 2.
maak mij
Dit verstaan sommigen alzo, dat David [gelijk Job] verdrietig zijnde over zijn lijden, begeerd heeft te sterven. Anderen meenden dat hij door dit gebed en de volgende betrachting zijn menselijke zwakheid overwonnen en zijn murmureren gestild heeft.
Hertaald:
maak mij
Sommigen vatten dit zo op dat David [net als Job] verdrietig over zijn lijden verlangd heeft te sterven. Anderen menen dat hij door dit gebed en de overweging die volgt zijn menselijke zwakheid overwonnen en zijn morren gestild heeft.
mate
Hoe lang, of hoe weinig tijds ik op aarde nog te leven heb.
Hertaald:
mate
Hoe lang, of hoe weinig tijd ik nog op aarde te leven heb.
vergankelijk
Hebr. eigenlijk alsof men zeide: Hoe ophoudelijk ik [zij]; dat is, hoe vast ik ophouden zal te leven, hoe kort mijn leven, of ik van leven zij.
Hertaald:
vergankelijk
Hebreeuws letterlijk, alsof men zei: hoe vergankelijk ik ben; dat is: hoe zeker ik zal ophouden te leven, hoe kort mijn leven is, of hoe kort ik te leven heb.
een handbreed
Hebr. handbreedte.
Hertaald:
een handbreed
Hebreeuws: handbreedte.
vast
Ofschoon hij in eer, voorspoed, vermogen en middelen op het hoogste bloeit. Verg. Jak. 4:14 . en boven, Ps. 30:7-8 .
Hertaald:
vast
Ook al bloeit hij in eer, voorspoed, vermogen en middelen op zijn hoogst. Vergelijk Jak. 4:14, en hierboven Ps. 30:7-8.
enkel
Hebr. alle, of de ganse ijdelheid, dat is, niets dan ijdelheid.
Hertaald:
enkel
Hebreeuws: geheel, of: de hele ijdelheid, dat is: niets dan ijdelheid.
Sela
Zie Ps. 3:3 .
Hertaald:
Sela
Zie Ps. 3:3.
mens
Hebr. de man, of een ieder; gelijk dikwijls elders.
Hertaald:
mens
Hebreeuws: de man, of: ieder; zoals vaak elders.
beeld
Of, gelijkenis, schijn; dat is, hij schijnt wat te zijn en is niets inderdaad, gelijk ene schilderij, figuur, of schaduw, of een schijnsel en beeld, in den droom voortkomende.
Hertaald:
beeld
Of: gelijkenis, schijn; dat is: hij lijkt iets te zijn en is in werkelijkheid niets, als een schilderij, een figuur of een schaduw, of een verschijning en beeld dat in een droom opkomt.
men brengt
Te weten, vele goederen. Verg. Pred. 2:18-19 .
Hertaald:
men brengt
Namelijk: veel goederen. Vergelijk Pred. 2:18-19.
dwazen
Hierdoor verstaan sommigen Absalom, die door enkel dwaze jeugdelijke regeerzucht zijn goede vader vervolgde; gelijk zij ook het volgende vs.10 en het begin van dezen psalm passen op Simei's vloeken, waartegen hij zich hield alsof hij stom ware geweest.
Hertaald:
dwazen
Sommigen verstaan hieronder Absalom, die uit louter dwaze jeugdige heerszucht zijn goede vader vervolgde; zoals zij ook het volgende vers 10 en het begin van deze psalm toepassen op de vervloekingen van Simeï, waartegenover hij zich hield alsof hij stom was.
Gij hebt
Verg. 2 Sam. 12:10-12 ; 2 Sam. 16:10 .
Hertaald:
Gij hebt
Vergelijk 2 Sam. 12:10-12; 2 Sam. 16:10.
bestrijding
Omdat Gij mij met uw strafbare hand aldus bekrijgt, of dezen oorlog aandoet.
Hertaald:
bestrijding
Omdat U mij met Uw straffende hand zo bestrijdt, of deze oorlog aandoet.
bevalligheid
Dat is, al wat lieflijk, fraai, schoon en begeerlijk in hem is, doet Gij in der haast vergaan, gelijk een mot haast, ja meteen aangetast, verwreven en teniet is. Verg. Job 4:19 ; Job 13:28 . Jes. 50:9 ; Jes. 51:8 . Hos. 5:12 .
Hertaald:
bevalligheid
Dat is: alles wat lieflijk, mooi, fraai en begeerlijk aan hem is, laat U in haast vergaan, zoals een mot snel, ja meteen bij het aanraken, fijngewreven en vernietigd is. Vergelijk Job 4:19; Job 13:28; Jes. 50:9; Jes. 51:8; Hos. 5:12.
zwijg
Of, wees niet doof, houdt U niet of Gij doof waart tot al mijn geween, dat ik met uitstorting van tranen voor U doe.
Hertaald:
zwijg
Of: wees niet doof, houd U niet alsof U doof was voor al mijn geween, dat ik met het uitstorten van tranen voor U doe.
vreemdeling
En dienvolgens heb ik van doen dat Gij mij voorstaat, geleidt en helpt, totdat ik kom in het hemelse Kanaän, waar het burgerschap en het vaderland der gelovigen is. Zie Hebr. 11:13-16 . Fil. 3:20 .
Hertaald:
vreemdeling
En daarom heb ik het nodig dat U mij bijstaat, leidt en helpt, totdat ik kom in het hemelse Kanaän, waar het burgerschap en het vaderland van de gelovigen is. Zie Hebr. 11:13-16; Fil. 3:20.
vaders
Dat is, voorvaders, voorouders.
Hertaald:
vaders
Dat is: voorvaders, voorouders.
Wend
Dat is, houd op van mij aldus te kastijden, opdat ik niet bezwijke, en maar enigzins ademhale om mijn strfdag, door uwe genade in rust te verwachten. Verg. Ps. 27:13 .
Hertaald:
Wend
Dat is: houd op mij zo te kastijden, opdat ik niet bezwijk maar enigszins adem kan halen, om door Uw genade mijn sterfdag in rust af te wachten. Vergelijk Ps. 27:13.
niet
Te weten, in dit leven, op aarde. Zie Job 3:16 .
Hertaald:
niet
Namelijk: in dit leven, op aarde. Zie Job 3:16. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong" (Ps. 39:2). Het zwijgen dat hij zich voornam, hield hij niet vol: "mijn smart werd verzwaard. Mijn hart werd heet in mijn binnenste" (Ps. 39:3-4). Wat hij dan zegt, is een gebed om inzicht in zijn eigen vergankelijkheid: "HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij" (Ps. 39:5). Het antwoord komt in beelden: "Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid" (Ps. 39:6). En: "immers wandelt de mens als in een beeld" (Ps. 39:7). Toch blijft er hoop: "En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U" (Ps. 39:8). Het slot noemt zijn plaats op aarde: "ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders" (Ps. 39:13). Bijbelse betekenis: Deze psalm gebruikt hetzelfde grondwoord als Prediker: ijdelheid, dat damp of adem betekent en dus op vluchtigheid ziet en niet op zinloosheid (reeds behandeld bij Pred. 1:2). Merk op waar de dichter om vraagt. Niet om een langer leven maar om te wéten hoe kort het is; dat is een gebed dat weinigen bidden. Let ook op het beeld van de handbreed. Een handbreed is de kleinste maat die men bij de hand had, en toch is het een maat: het leven is kort én afgemeten door God. Let ten slotte op Ps. 39:8. Na alles wat over vergankelijkheid gezegd is, blijft er één zin over die niet vluchtig is: mijn hoop, die is op U. Typologie: De Hebreeënbrief noemt de gelovigen met hetzelfde woord als Ps. 39:13: zij hebben beleden "dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren" (Hebr. 11:13). Ps. 39:2-13; Pred. 1:2; Hebr. 11:13 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas En de Heere zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik ben een vreemdeling bij U. Psalm 39 vers 13 Ja Heere, ik ben een vreemdeling bij U, maar niet voor… Zolang ik mijn pijn toeschrijf aan een ongeval, mijn verlies toeschrijf aan een vergissing van een ander, mijn ongemak aan een vijand, enzovoort, dan denk ik aardsgezind en… 8 En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U. 9 Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des… 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun. 2 Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Ik zal mijn wegen bewaren. Psalm 39:2 Medereiziger, zeg niet in uw hart: "ik zal her– en derwaarts gaan en niet zondigen";… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 39
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
God bestuurd alles
Ik ben een vreemdeling bij U
Onderwerping aan Gods wil
Psalm 39:8-14
Psalm 39:1-7
Ik zal mijn wegen bewaren


Psalmen 39
Psalmen 39:2.KruisverwijzingenMattheüs 27:12→Mattheüs 7:6→Jesaja 53:7→Job 32:19→Psalmen 38:13→Handelingen 4:20→
— Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.
Dit besturen van de tong is een zeer belangrijk deel van onze wegen; het is een wezenlijk stuk van heilige tucht. En toch hebben wij gehoord van een heilige die zei dat hij zeventig jaar geleefd had en zijn tong had trachten te beheersen, maar dat hij de kunst pas begon te verstaan toen hij stierf.
Goddeloze mensen hebben zulke scherpe oren, en zij zijn zo gereed onze woorden verkeerd uit te leggen en verkeerd weer te geven; en kunnen zij één woord vinden dat scheef staat, dan houden zij er meteen een lange preek over. Laten wij daarom onze mond in toom houden zolang zij in de buurt zijn. De verkeerde woorden van christenen leveren zondaars maar al te vaak hun teksten, en zo wordt God gelasterd uit de mond van Zijn eigen geliefde kinderen. Laat dat bij niemand van u zo zijn, geliefden.
Psalmen 39:3.KruisverwijzingenJeremia 20:9→Lukas 24:32→Ezechiël 3:14→
— Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.
Wij weten allen dat onze droefheid, wanneer zij geen uiting vinden kan, opzwelt en aangroeit tot ons hart op breken staat. Wij hebben gehoord van een wijs geneesheer die een man in grote moeite gebood zoveel te wenen als hij maar kon. “Houd uw droefheid niet in”, zei hij, “maar laat haar er helemaal uit.” Hij gevoelde dat alleen zo het hart van de arme lijder voor breken bewaard zou blijven. David nam zich voor voor de goddelozen in het geheel niets te zeggen, en al bruisten zijn smarten in hem op, toch hield hij ze een tijdlang binnen.
Psalmen 39:4.KruisverwijzingenPsalmen 90:12→Psalmen 119:84→Psalmen 103:14→Job 14:13→
— Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:
Hij kon niet langer zwijgen. Het zou goed geweest zijn als hij het wél gedaan had, want hij sprak een onwijs gebed uit toen hij met zijn tong sprak.
Psalmen 39:5.KruisverwijzingenPsalmen 62:9→Psalmen 89:47→Psalmen 144:4→Psalmen 90:9→Jesaja 40:17→Psalmen 39:11→2 Petrus 3:8→Job 14:1→
— HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
Dat is wat u en ik geneigd zijn te zeggen wanneer wij in een kleine moeite raken: wij willen sterven en er vanaf zijn. Wij zeggen dat wij verlangen met Christus te zijn, maar ik vrees dat het vaak alleen maar een luie wens is om in de buit van de overwinning te delen zonder de slag te slaan; om het loon van de heiligen te ontvangen zonder het werk van de heiligen te doen; en de hemel binnen te gaan zonder de moeiten en gevaren van de pelgrimsweg. Misschien is dat soms bij ons het geval geweest, terwijl wij meenden dat ons verlangen van de beste en heiligste soort was.
Toen David bad: “HEERE! maak mij bekend mijn einde”, was zijn gebed niet erg wijs; maar wat erop volgde was zo dwaas niet. Och, of wij allen wisten hoe broos wij zijn! Maar wij rekenen op jaren terwijl wij nauwelijks nog minuten over hebben; wij menen dat de zandloper van ons leven vol is terwijl het zand er bijna doorheen gelopen is; en al staat de wijzer van Gods grote klok misschien op het slaan, wij menen dat ons korte uur nog maar net begonnen is.
Psalmen 39:6.Kruisverwijzingen1 Korinthe 7:31→Prediker 2:26→Lukas 12:20→Jakobus 4:14→Job 27:16→Prediker 5:14→Prediker 4:7→Prediker 2:8→
— Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
Dit is een heel gewone maat, de breedte van een mensenhand; en David zegt dat die handbreed de maat van zijn leven is. Sommigen hier moeten al een groot deel van die handbreed verbruikt hebben; laten zij en laten wij allen bereid zijn onze God te ontmoeten wanneer de grens van die korte spanne bereikt is.
Het is een onberekenbaar klein stipje vergeleken bij de onmeetbare ouderdom van den Eeuwige. Toen Alcibiades op zijn grote landgoederen roemde, bracht de wijsgeer hem een kaart van de wereld en zei tot hem: kunt u uw landgoederen op deze kaart vinden? Zelfs Athene zelf was er maar als een speldenpunt; waar waren dan de landgoederen van Alcibiades? Nergens te zien. Zo ook: wanneer wij de grote kaart van de eeuwigheid voor ons uitgespreid zien, waar is dan heel de geschiedenis van deze wereld? Zij is maar een stipje — en waar zijn dan uw leven en het mijne? Zij zijn als niets voor God. En als dat zijn beste toestand is, wat moet hij dan wel zijn in zijn slechtste?
Psalmen 39:7.KruisverwijzingenPsalmen 38:15→Romeinen 15:13→Psalmen 119:81→Psalmen 130:5→Psalmen 119:166→Lukas 2:25→Genesis 49:18→Job 13:15→
— Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
Zij ontstellen zich, en tobben, en jagen, en kwellen zich — en waarover? Over niets. Wij zeggen wel eens: over honderd jaar zal het allemaal hetzelfde zijn. Ach, maar het zal veel eerder allemaal hetzelfde zijn, wanneer zes voet aarde heel ons erfdeel is.
“Bedenk”, zegt een oude schrijver, “telkens wanneer u uw geld in een kist wegsluit, hoe spoedig de dood ú in uw kist zal wegsluiten.” Sommige mensen lijken wel op de spaarpotten van onze kinderen, waar geld in gaat maar die stukgeslagen moeten worden voordat er iets uit kan komen. Wat moet het voor sommigen een droeve gedachte zijn dat zij hun leven lang rijkdom vergaard hebben en niet weten voor wie zij hem vergaderd hebben! Misschien erft een vreemde hem; en krijgen hun eigen vlees en bloed hem, dan verkwisten zij hem misschien even grondig als de vrek hem opgepot heeft.
Psalmen 39:8.KruisverwijzingenPsalmen 44:13→Psalmen 51:14→Psalmen 79:4→Micha 7:19→2 Samuël 16:7→Psalmen 65:3→Joël 2:19→Psalmen 25:18→
— En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
Zijn alle aardse dingen niets dan leegheid, wat verwacht ik dan? “Ik verwacht hier niets, want er is hier niets om op te wachten.” Maar dan komt het antwoord: “Mijn hoop, die is op U.” Ach, deze hoop maakt het leven de moeite waard. Nu wij op God hopen, nu wij weten dat er nog een andere en betere wereld is dan deze wereld van schaduwen, krijgt het leven zijn ware ernst.
Psalmen 39:9-10.KruisverwijzingenJob 2:10→Job 9:34→2 Samuël 16:10→Job 13:21→Psalmen 38:13→1 Samuël 3:18→Leviticus 10:3→Job 1:21→
— Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen. Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
Het is altijd een gezegende grond tot berusting wanneer wij van enig verlies of enige beproeving zeggen kunnen: de HEERE heeft het gedaan. Zal Hij niet met het Zijne doen wat Hij wil? Laten wij dan met Job zeggen: “De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!”
Psalmen 39:11-13.KruisverwijzingenJob 13:28→1 Petrus 2:11→Hebreeën 11:13→Genesis 47:9→Jesaja 50:9→1 Kronieken 29:15→Psalmen 119:19→Leviticus 25:23→
— Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand. Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
Tranen hebben altijd grote kracht bij God gehad. Christus gebruikte deze heilige wapenen toen Hij “met sterke roeping en tranen” tot Zijn Vader bad in Gethsemane, en verhoord werd uit de vreze. Zondaar, er ligt zo’n vermogen in de tranen van een boetvaardige, dat u het bij God winnen zult als u wenend over uw zonde tot Hem komt en op het dierbare bloed van Christus pleit.
Uw tranen kunnen de hemel niet verdienen en uw zonden niet afwassen; maar treurt u boetvaardig over uw zonden en vertrouwt u op de grote verzoenende offerande van Jezus Christus, dan zullen uw tranenrijke gebeden een genadig antwoord van vrede krijgen. Bunyan beschrijft hoe de stad Menseziel meester Natte-ogen als een van haar gezanten naar den Vorst Emanuël zond — en hij is nog altijd een zeer welkom gezant bij den Koning der koningen. Wie zijn hart aan de voet van het kruis weet uit te wenen, zal niet lang zonder barmhartigheid blijven. Tranen zijn diamanten die God graag aanschouwt.
Psalmen 39:13.KruisverwijzingenJob 10:20→Job 14:10→Genesis 5:24→Genesis 42:36→Job 7:19→Job 14:5→
— Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.
“Ik ben voor U geen vreemdeling, o mijn God! Geloofd zij Uw heilige Naam, ik ken U wel; maar ik ben een vreemdeling bíj U. Gij zijt een vreemdeling in Uw eigen wereld, en ik ook. De wereld kent U niet, en de wereld kent mij niet; en wanneer ik doe zoals Gij doet, haat de wereld mij gelijk zij U haat.”
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm van David (Psalm 3: 1), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1), voor Jedúthun, het hoofd van een der Levitische zangkoren, naar wie het gehele koor genoemd werd (1 Kronieken 25: 1,31 ). Bij de reeks van Psalmen, aan welke wij bij 2 Samuel 16: 23 dachten (Psalm 25-28 en 37), komt hier nog een zesde, met welken als zevende Psalm 62 in hoge mate verwant is. Deze kon echter, daar wij hier enkel met Jehova-psalmen te doen hebben (vgl. Psalm 41: 14 ), als een Elohiem-psalm hier gene plaats vinden. Van den 37sten Psalm daarentegen onderscheidt zich de onze zo, dat de laatste in hevige vervolging en zware aanvechting gedicht is, de eerste in en tijd geschreven is, toen David met een rustig gemoed de zaak, gelijk zij was, in ogenschouw nam.
Kon David volgens den vorigen Psalm tegenover zijne vijanden, die hem lasterden en vervolgden, als een stomme en dove zijn, als een, die gene tegenrede kon voortbrengen (Psalm 38: 14 v.) in dezen toont hij ons, op welken weg hij tot deze buitengewoon heerlijke en kostelijke deugd gekomen is. 2.
I. Vs. 2-7.KruisverwijzingenPsalmen 90:12→Psalmen 38:15→Jeremia 20:9→Lukas 24:32→Psalmen 62:9→Psalmen 89:47→1 Korinthe 7:31→Prediker 2:26→
— Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is. Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard. Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong: HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij. Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela. Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
David is door goddelozen in diep ongeluk gestort, en ziet hen in vol geluk en in ‘t genot van al zijne goederen. Eerst heeft hij in eigen kracht beproefd te zwijgen; het is hem echter op die wijze niet gelukt, de rechte stilte en overgave te verkrijgen. Het zich zelven opgelegde zwijgen deed slechts de met geweld teruggedrongen smart groter worden, en hij verzondigde zich toch met zijne tong door allerlei uitbarstingen van moedeloosheid. Van het voornemen in eigen kracht, dat gebleken was onuitvoerbaar te zijn, wendt hij zich vervolgens tot den Heere, en bidt dien, dat Hij hem stille vergeving lere, terwijl hij zich troost met de beschouwing van de kortheid des aardsen levens.
Ik zei, toen het ongeluk mij overkwam en de goddelozen mij meester werden (2 Samuel 15: 13 vv.): Ik zal mijne wegen bewaren, ik zal mij wachten, dat ik niet door morren en klagen over mijne ellende bij het zien van het geluk der goddelozen (Psalm 37: 1), zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond met enen breidel bewaren, enen toom aandoen, die het spreken verhindert, terwijl, zolang als de goddeloze nog tegenover mij is, en bij alle misdaden, die hij begaat, nog zo in het volle genot van geluk en levenskracht is, alsof er geen God van gerechtigheid ware en geen gericht over de boosdoeners. David wist hoeveel listen satan gewoon is aan te wenden; hij zag daarom hierheen en daarheen en stelde overal ene wacht, opdat niet de verzoeking ter rechter of linkerhand insluipende, in zijne ziel zou dringen; van alle zijden werden de toegangen gesloten.
Ik deed dan ook in den beginne naar dit voornemen, ik was verstomd door stilzwijgen 1); ik wist op stoïsche wijze mij zelven geweld aan te doen, ik zweeg van het goede, dat ik den goddeloze zag genieten, zonder mij daarover te uiten; maar mijne smart werd verzwaard, het mij zelven opgelegde zwijgen was gene van God gewerkte overgave, maar diende slechts om de in het hart onderdrukte smart des te heviger te doen losbarsten. (Jer. 20: 9).
In ziekten der ziel niet minder dan in die des lichaams dient, wat de noodzakelijke crisis verhindert, slechts daartoe, dat het kwaad vermeerdert. Bij den gemoedstoestand, in welken zich de zanger bevond, was het zondigen met de tong voor hem beter dan het toch slechts afgedwongen en wettische zwijgen; hij kon slechts door den val tot opstaan, slechts door het zondige spreken tot een waardig Evangelisch zwijgen komen.
Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijne overdenking; zo dikwijls ik dacht over der goddelozen voorspoed, werd het als een brandend vuur, dat een ogenblik bedwongen maar niet uitgeblust, met alle kracht uitbreekt. Toen sprak ik met mijne tong: Wanneer in ons hevige hartstochten bruisen, moeten wij ons den strijd van David in het geheugen terugroepen, opdat wij den moet niet opgeven, of onze zwakheid ons niet tot wanhoop vervoere.
Indien de Heilige Geest ons onzen plicht niet leert, kunnen wij ons nooit overtuigen van de tegenwoordigheid en den haast des doods, en daarbij gerust zijn. Laat ons daarom bidden, dat God onze harten met Zijne genade vervulle, opdat wij recht over den dood leren denken en iedere dag en ieder uur waarderen, alsof het de dag en het uur onzes stervens ware.
HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik weet, hoe vergankelijk ik zij; leer Gij het mij meer bedenken, dat het leven zo kort is, aan welks einde mij rust wacht, dan zal ik meer leren berusten in alle leed en gewillig den opgelegden last kunnen dragen. Indien er gene hoop na dit leven ware, met welk doel zou hier de arme ellendige mens al zijne dagen geslingerd zijn op de golven der ijdelheid, en dan neerliggen in het graf, om nooit meer van hem te horen? Maar dat is zo niet: hij is geschapen voor een heerlijk, gezegend leven na dit, en ons vergeten daarvan is de oorzaak van al onze ellende en ijdelheid hier.
David zei, dat hij overdacht (vs. 4), en de naastvolgende woorden zijn een gebed. Ik peins over het werk Uwer handen, ik strek mijne handen naar U uit in het gebed. Als Christus op den berg was bad Hij, zo is ook de ziel, als zij op den berg van nadenken is, in de juiste stemming voor gebed. Gebed is het kind van overpeinzing.
Zie, Gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld 1), ik heb nog maar weinig tijd om te leven, en mijn leeftijd is als niets voor U, die van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt (Psalm 90:
; immers a) is een ieder mens, hoe vast hij staat, al schijnt hij ook nog zo sterk te zijn, enkel ijdelheid. Sela of pauze; terwijl de muziek zich verheft, wordt den hoorder tijd gegeven over deze diep weemoedige zaak verder na te denken.
Psalm 62: 10; 144: 4
Alsof hij wil zeggen, dat het leven des mensen spoedig voorbij vliegt en het einde bijzonder aan het begin verbonden is. Waaruit hij besluit dat alle stervelingen voor Gods aangezicht ijdelheid zijn. Wat nu de woorden betreft, David eist niet, dat hem de kortheid des levens als iets dat hem onbekend is, worde aangetoond, maar het is ene ironische vorm van spreken, alsof hij wilde zeggen: Laten wij het getal der jaren berekenen, die mij nog overig zijn, of zij tot vergoeding van de rampen, die ik doorsta, voldoende zijn.
Zie, Gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld 1), ik heb nog maar weinig tijd om te leven, en mijn leeftijd is als niets voor U, die van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt (Psalm 90:
; immers a) is een ieder mens, hoe vast hij staat, al schijnt hij ook nog zo sterk te zijn, enkel ijdelheid. Sela of pauze; terwijl de muziek zich verheft, wordt den hoorder tijd gegeven over deze diep weemoedige zaak verder na te denken.
Psalm 62: 10; 144: 4
Alsof hij wil zeggen, dat het leven des mensen spoedig voorbij vliegt en het einde bijzonder aan het begin verbonden is. Waaruit hij besluit dat alle stervelingen voor Gods aangezicht ijdelheid zijn. Wat nu de woorden betreft, David eist niet, dat hem de kortheid des levens als iets dat hem onbekend is, worde aangetoond, maar het is ene ironische vorm van spreken, alsof hij wilde zeggen: Laten wij het getal der jaren berekenen, die mij nog overig zijn, of zij tot vergoeding van de rampen, die ik doorsta, voldoende zijn.
Immers wandelt de mens, van een zo nietig en vluchtig leven, als in een beeld, ene schaduw, die slechts den schijn van leven heeft, daarheen; immers woelen zij ijdelijk, spannen zij zich zeer in, vermoeien en bekommeren zij zich om vele dingen, die eigenlijk nietige dingen zijn van wege de kortheid dezes levens; men brengt in onverzadelijke begeerte de schatten dezer wereld bijeen (Luk. 12: 18 v.),en men weet niet, wie het met veel onrust en veel moeite samengebrachte goed naar zich nemen zal 1) (Prediker 2: 18, 21). Wat baat het dan den goddeloze, zo het hem hier uiterlijk wel gaat!
Is die bittere klacht des dichters af te keuren, toch zeggen wij: beter zo geklaagd, dan te verstommen door gewelddadig zwijgen. Een kind van God is in zulk een toestand der ziel te vergelijken, bij een die aan een gevaarlijke ziekte lijdt, en voor wie geen herstelling te wachten is, zolang de ziekte niet op zijn hoogst is gekomen, de crisis, zoals men dit noemt, is er nog niet, er is nog niets van te zegen. Evenzo moet de ziele in hare ziekte het ziekteproces doorlopen, het moet tot zijn hoogte komen, en dan is het niet, zoals bij lichamelijke ziekte, nog onzeker of de ziele zal behouden worden, neen, dan is die genezing zeker.
David had willen zwijgen, had zijn tong en lippen willen bewaren, maar ziet, in zijn hart begon het nu heviger te bruisen, en dit maakte zijn toestand niet beter, maar erger. Eerst toen hij zijn klacht voor zijn God ging uitstorten, toen kwam er ruimte, eerst toen begon hij weer iets te gevoelen van het rusten in God. 8.
II. Vs. 8-14.KruisverwijzingenPsalmen 44:13→Job 2:10→Job 9:34→Job 13:28→1 Petrus 2:11→Hebreeën 11:13→Genesis 47:9→2 Samuël 16:10→
— En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U. Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen. Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand. Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
In dit tweede gedeelte van den Psalm zien wij in David enen gelovige voor ons, in wiens hart een keerpunt gekomen is, die in zijn lijden Gods hand erkent en weet, dat hij niets beters verdiend heeft, die niet meer tegen God mort, en zijn oog niet meer in jaloersheid over der goddelozen voorspoed laat gaan, maar alleen op den Heere en diens genade zijne hoop vestigt. De Heere moge dan zijn hart losmaken van den zo zwaren last en hem van alle zonden vrijmaken, die verhore zijn bidden en roepen, die late Zich bewegen door zijne tranen, die redde hem, voordat het te laat is.
En nu, wat verwacht ik, wat zal ik wensen? O HEERE! mijne hoop, die is op U (Psalm 25:
. Het zou kunnen bevreemden, dat de zanger in vs. 5-7 de kortheid van het menselijk leven een grond van rust en troost wil laten zijn; hier hebben wij de verklaring. Hoewel van een zalig leven aan gindse zijde des grafs nog niet nadrukkelijk verzekerd, grijpt zijn geloof midden in het sterven Jehova als den Levende en den God der levenden aan. Dat is juist het heroïsche van het oud-Testamentische geloof, dat het midden in de raadsels van dezen tijd en in het gezicht van de toekomst, die zich in een duisteren nacht verliest, zich onvoorwaardelijk Gode in de armen werpt.
Uit vers is ten hoogste karakteristiek. David zag gene uitkomst in zijn tegenwoordigen nood, te zegepralen over zijn eigen volk en over zijn eigen zoon (Absalom) was hem bijkans zo akelig als overwonnen te worden. hij weet derhalve niet wat hij hopen moet, en laat de uitkomst aan den God zijner verwachting over.
8.
II. Vs. 8-14.KruisverwijzingenPsalmen 44:13→Job 2:10→Job 9:34→Job 13:28→1 Petrus 2:11→Hebreeën 11:13→Genesis 47:9→2 Samuël 16:10→
— En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U. Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen. Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand. Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela. Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.
In dit tweede gedeelte van den Psalm zien wij in David enen gelovige voor ons, in wiens hart een keerpunt gekomen is, die in zijn lijden Gods hand erkent en weet, dat hij niets beters verdiend heeft, die niet meer tegen God mort, en zijn oog niet meer in jaloersheid over der goddelozen voorspoed laat gaan, maar alleen op den Heere en diens genade zijne hoop vestigt. De Heere moge dan zijn hart losmaken van den zo zwaren last en hem van alle zonden vrijmaken, die verhore zijn bidden en roepen, die late Zich bewegen door zijne tranen, die redde hem, voordat het te laat is.
En nu, wat verwacht ik, wat zal ik wensen? O HEERE! mijne hoop, die is op U (Psalm 25:
. Het zou kunnen bevreemden, dat de zanger in vs. 5-7 de kortheid van het menselijk leven een grond van rust en troost wil laten zijn; hier hebben wij de verklaring. Hoewel van een zalig leven aan gindse zijde des grafs nog niet nadrukkelijk verzekerd, grijpt zijn geloof midden in het sterven Jehova als den Levende en den God der levenden aan. Dat is juist het heroïsche van het oud-Testamentische geloof, dat het midden in de raadsels van dezen tijd en in het gezicht van de toekomst, die zich in een duisteren nacht verliest, zich onvoorwaardelijk Gode in de armen werpt.
Uit vers is ten hoogste karakteristiek. David zag gene uitkomst in zijn tegenwoordigen nood, te zegepralen over zijn eigen volk en over zijn eigen zoon (Absalom) was hem bijkans zo akelig als overwonnen te worden. hij weet derhalve niet wat hij hopen moet, en laat de uitkomst aan den God zijner verwachting over.
Verlos mij van al mijne overtredingen 1), die de oorzaak zijn van al mijn lijden en van al die straffen over mijne zonde, Gij neemt toch met de reden ook het gevolg weg; en stel mij niet tot enen smaad der dwazen, die niet aan U, noch aan Uw woord geloven (Psalm 14: 1 vv.), doordat Gij mij laat omkomen, dat zou tevens Uwen naam onteren.
De dichter belijdt hiermee, dat de oorzaak van zijn lijden niet bij of in God ligt; maar in hem zelven, d.i. in zijne zonden en overtredingen. Hij weet het, die overtredingen maken een scheiding tussen God en zijne ziele, trekken wolken voor het licht van de zon der gerechtigheid. En daarom heeft hij ook nu zulk een grote behoefte, dat God zelf dit wolkgordijn verscheurt en Zich zelven weer aan hem openbaart als een gaarne vergevend God.
Ik ben verstomd, en nu niet meer, omdat ik mijzelven dwing (vs. 2 v.), maar omdat ik vluchtende onder Uwe vleugelen, daar werkelijk rust vond; ik zal mijnen mond niet opendoen, alsof ik met U zou willen richten tot mijn ongeluk; want Gij hebt het gedaan 1), Gij hebt mij dit leed opgelegd, en Gij zult het in alles met mij wel maken.
Dit zwijgen is een geheel ander zwijgen als dat, waarvan hij in het begin van den Psalm spreekt, toen stond hij nog in eigen kracht, toen was het eigen werk, maar nu is het een stilzwijgen des geloofs, een wachten op het heil des Heeren, een stil berusten in den weg, dien de Heere voortaan met hem houden wil.
Neem, daar Gij mij genade voor recht laat ondervinden, Uwe plage van op mij weg, want het is toch Uw toorn over mijne zonde, die in de vijandschap der bozen door mij ondervonden wordt; ik ben naar lichaam en ziel bezweken van de bestrijding Uwer hand, en zou bij zulk een voortgang moeten omkomen.
Neem, daar Gij mij genade voor recht laat ondervinden, Uwe plage van op mij weg, want het is toch Uw toorn over mijne zonde, die in de vijandschap der bozen door mij ondervonden wordt; ik ben naar lichaam en ziel bezweken van de bestrijding Uwer hand, en zou bij zulk een voortgang moeten omkomen.
Kastijdt Gij iemand, dat zie en gevoel ik, met straffingen om de ongerechtigheid, die hij misdreven heeft, Zo doet Gij zijne bevalligheid, zijne schoonheid en kracht, zijn rijkdom en zijne eer smelten, vergaan als ene mot als een kleed, dat door de mot verteerd wordt (Job 33: 19 vv.); immers is een ieder mens ijdelheidniets meer dan een nietig, zondig wezen. Sela (vs.
. Gelijk de motten een wollen kleed doorvreten, zelfs het allerschoonste kleed verderven, hoe schoon het ook te voren was, zo is het ook met des mensen schone gedaante. Wanneer de hand des Almachtigen iemand drukt, en God iemand een weinig verlaat, zo wordt een mens door zielenangst en treurigheid in weinige dagen zo veranderd, dat niemand hem kent, gelijk wij aan Jobs voorbeeld zien (Job 2: 12 v.); toen zijne vrienden hen in zijn kruis kwamen bezoeken, kenden zij hem niet, begonnen zij te wenen en konden zij in zeven dagen niet met hem spreken, want zij zagen dat zijne smart zeer groot was.
De motten van het Oosten zijn zeer groot en schoon, maar kort levende. Na een weinig regen kunnen deze schitterende insecten gezien worden, zich bewegende in elke koelte, maar het droge weer en hun talloze vijanden bestemmen hen spoedig tot het algemene lot. Alzo gaat de schoonheid van een mens voorbij, gelijk die van lezen vrolijken zwerver, gekleed in zijne klederen van purper en scharlaken.
Hoor, HEERE! mijn gebed om afwending mijner plaag (vs. 11), en neem mijn geroep om wederaanneming in genade ter oren; zwijg niet tot mijne tranen, die voor mensen ene veel dringender sprake zijn, dan de woorden des monds (Genesis 27: 38. (Luk. 7: 13. Joh. 11: 33), terwijl bij U de tranen der Uwen het allerminst te vergeefs zouden zijn en verloren zouden gaan (Psalm 56: 9); want a) ik ben een vreemdeling bij U, ik ben een zwerveling geworden, die Uwe bescherming en gastvriendschap behoeft, een bijwoner, gelijk al mijne vaders slechts gasten geweest zijn in het land, waarin zij leefden (Genesis 23: 4; 35: 27).
Leviticus 25: 23. 1 Kronieken 29: 15. Psalm 119: 19. Hebr. 11: 13. 1 Petrus 2: 11.
Hoor, HEERE! mijn gebed om afwending mijner plaag (vs. 11), en neem mijn geroep om wederaanneming in genade ter oren; zwijg niet tot mijne tranen, die voor mensen ene veel dringender sprake zijn, dan de woorden des monds (Genesis 27: 38. (Luk. 7: 13. Joh. 11: 33), terwijl bij U de tranen der Uwen het allerminst te vergeefs zouden zijn en verloren zouden gaan (Psalm 56: 9); want a) ik ben een vreemdeling bij U, ik ben een zwerveling geworden, die Uwe bescherming en gastvriendschap behoeft, een bijwoner, gelijk al mijne vaders slechts gasten geweest zijn in het land, waarin zij leefden (Genesis 23: 4; 35: 27).
Leviticus 25: 23. 1 Kronieken 29: 15. Psalm 119: 19. Hebr. 11: 13. 1 Petrus 2: 11.
Wend U van mij af, als de vertoornde God, en laat mij Uwe genade ervaren, dat ik mij ook nog hier verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij 1) (vgl. (Job 10: 20 vv.).
Welke vorm van spreken bijna die der wanhopig nabij komt, niet omdat David meende, dat hij den dood zou ondergaan, of dewijl de hoop op hulp was verdwenen, en hij aan het verderf zich zag overgegeven, maar dewijl hij door droefheid overmand, zijn gemoed niet zo snel als het moest naar boven kon opheffen.
Hebt ook gij het reeds ervaren, dat het uitwendige bedwingen van den mond niet de rechte uitwerking heeft, zolang de inwendige smart en uwe gevoeligheid niet door gehele verloochening gedood is, ga dan ook met David in de goede school, en leer onder alle lijden uwe schuld te erkennen, en uzelven te versmaden, zo zult gij ook spoedig ondervinden, hoe groot de rust is, die uit een stillen geest voortkomt.
Hoe gezegend is het los te zijn van de dingen dezer aarde, zodat wij onze gemeenschap in den hemel hebben, dat, daar wij naar ‘s Vaders huis gaan, wij de wereld mogen gebruiken als niet misbruikende, wetende, dat hare begeerlijkheid voorbijgaat. Dat wij steeds als de aartsvaders zien op de stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel