Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een onderwijzingH4905 van DavidH1732. WelgelukzaligH835 is hij, wiens overtredingH6588 vergevenH5375, wiens zondeH2401 bedektH3680 is.
Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
KJV
[[A Psalm of David,1
Maschil.]]2
Blessed3
is he whose transgression5
is forgiven,4
whose sin7
is covered.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
WelgelukzaligH835 is de mensH120, dien de HEEREH3068 de ongerechtigheidH5771 niet toerekentH2803, en in wiens geestH7307 geen bedrogH7423 is.
Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
KJV
Blessed1
is the man2
unto whom the LORD5
imputeth4
not iniquity,7
and in whose spirit9
there is no guile.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Toen ik zweegH2790, werden mijn beenderenH6106 verouderdH1086, in mijn brullenH7581 den gansenH3605 dagH3117.
Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
KJV
When I kept silence,2
my bones4
waxed old3
through my roaring5
all the day
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
WantH3588 Uw handH3027 was dagH3119 en nachtH3915 zwaarH3513 opH5921 mij; mijn sapH3955 werd veranderdH2015 in zomerdroogtenH2725. SelaH5542.
Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
KJV
For day2
and night3
thy hand6
was heavy4
upon me: my moisture8
is turned7
into the drought9
of summer.10
Selah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Mijn zondeH2403 maakte ik U bekendH3045, en mijn ongerechtigheidH5771 bedekteH3680 ik nietH3808. Ik zeideH559: Ik zal belijdenisH3034 van mijn overtredingenH6588 doen voor den HEEREH3068; en GijH859 vergaaftH5375 de ongerechtigheidH5771 mijner zondeH2403. SelaH5542.
Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
KJV
I acknowledged2
my sin1
unto thee, and mine iniquity3
have I not hid.5
I said,6
I will confess7
my transgressions9
unto the LORD;10
and thou forgavest12
the iniquity13
of my sin.14
Selah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Hierom zal U iederH3605 heiligeH2623 aanbiddenH6419 in vindenstijdH6256; ja, in een overloopH7858 van groteH7227 waterenH4325 zullen zij hem nietH3808 aanrakenH5060.
Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
KJV
For this shall every one that is godly5
pray3
unto thee in a time7
when thou mayest be found:8
surely in the floods10
of great12
waters11
they shall not come nigh
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gij zijt mij een VerbergingH5643; Gij behoedtH5341 mij voor benauwdheidH6862; Gij omringtH5437 mij met vrolijke gezangenH7438 van bevrijdingH6405. SelaH5542.
Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
KJV
Thou art my hiding place;2
thou shalt preserve5
me from trouble;4
thou shalt compass8
me about with songs6
of deliverance.7
Selah.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Ik zal u onderwijzenH7919, en u lerenH3384 van den wegH1870, dien gij gaanH3212 zult; Ik zal raadH3289 geven, Mijn oogH5869 zal opH5921 u zijn.
Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
KJV
I will instruct1
thee and teach2
thee in the way3
which4
thou shalt go:5
I will guide6
thee with mine eye.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Weest niet gelijk een paardH5483, gelijk een muilezelH6505, hetwelk geen verstandH995 heeft, welks muilH5716 men breideltH1102 met toomH4964 en gebitH7448, opdat het totH413 u niet genakeH7126.
Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
KJV
Be ye not as the horse,3
or as the mule,4
which have no understanding:6
whose mouth9
must be held10
in with bit7
and bridle,8
lest11
they come near
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
De goddelozeH7563 heeft veelH7227 smartenH4341, maar die op den HEEREH3068 vertrouwtH982, dien zal de goedertierenheidH2617 omringenH5437.
De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
KJV
Many1
sorrows2
shall be to the wicked:3
but he that trusteth4
in the LORD,5
mercy6
shall compass
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
VerblijdtH8055 u in den HEEREH3068, en verheugtH1523 u, gij rechtvaardigenH6662! en zingtH7442 vrolijk, alleH3605 gij oprechtenH3477 van harteH3820!
Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
KJV
Be glad1
in the LORD,2
and rejoice,3
ye righteous:4
and shout5
for joy, all ye that are upright7
in heart.
onderwijzing
Hebr. Maskijl, dat is, onderwijzer, die verstand geeft, verstandig maakt; dat is, een onderwijs, of leerpsalm; alzo genoemd vanwege de nodige en gewichtige leer, die daarin begrepen is. Dezen titel hebben ook verscheidene andere psalmen, die tot een bijzonder onderwijs en stichting, zo voor den dichter zelf, als voor de ganse kerk gemaakt zijn.
Hertaald:
onderwijzing
Hebreeuws: Maschil, dat is: onderwijzer, die verstand geeft, verstandig maakt; dat is: een onderwijzend, of lerend psalm; zo genoemd vanwege de nodige en gewichtige leer die daarin vervat is. Deze titel dragen ook verschillende andere psalmen, die voor bijzonder onderwijs en stichting gemaakt zijn, zowel voor de dichter zelf als voor de hele kerk.
Welgelukzalig
Zie de verklaring dezer leer, Rom. 4:6-7 , enz.; 2 Kor. 5:19 , 2 Kor. 5:21 .
Hertaald:
Welgelukzalig
Zie de uitleg van deze leer, Rom. 4:6-7, enzovoort; 2 Kor. 5:19, 2 Kor. 5:21.
vergeven,
Of, weggenomen. Welke manier van spreken ook in het Nieuwe Testament gebruikt wordt. Zie boven Ps. 25:18 , en verg. Hebr. 9:28 ; Hebr. alsof men zeide: Verlicht, of vergeven van overtreding, of een vergeven der overtreding, bedekt van zonde; welke Hebr. manier van spreken zulks betekent, gelijk in den tekst staat.
Hertaald:
vergeven,
Of: weggenomen. Deze manier van spreken wordt ook in het Nieuwe Testament gebruikt. Zie hierboven Ps. 25:18, en vergelijk Hebr. 9:28; Hebreeuws: alsof men zei: verlicht, of vergeven van overtreding, of een vergeven van de overtreding, bedekt van zonde; zoals deze Hebreeuwse manier van spreken betekent wat er in de tekst staat.
geen
Dat is, die zonder huichelarij of geveinsdheid God dient en zijne zonden met een oprecht hart voor Hem bekent.
Hertaald:
geen
Dat is: die zonder huichelarij of geveinsdheid God dient en zijn zonden met een oprecht hart voor Hem belijdt.
zweeg,
Dat is, mijne zonden voor den HEERE niet bekende.
Hertaald:
zweeg,
Dat is: mijn zonden niet aan de HEERE beleed.
hand
Dat is, plaag. Verg. Ruth 1:13 , en Job 13:21 .
Hertaald:
hand
Dat is: plaag. Vergelijk Ruth 1:13, en Job 13:21.
sap
Dat is, de natuurlijke warme vochtigheid, die des mensen leven onderhoudt.
Hertaald:
sap
Dat is: het natuurlijke warme vocht, dat het leven van de mens onderhoudt.
Sela
Zie Ps. 3:3 .
Hertaald:
Sela
Zie Ps. 3:3.
maakte
Dat is, maar als ik, enz. zo vergaaft Gij, enz.
Hertaald:
maakte
Dat is: maar toen ik, enzovoort, vergaf U, enzovoort.
vergaaft
Of, neemt weg.
Hertaald:
vergaaft
Of: neemt weg.
de ongerechtigheid
De schuld en de straf, zodat ik mij met recht voor gelukzalig achtte, gelijk vs.1.
Hertaald:
de ongerechtigheid
De schuld en de straf, zodat ik mij met recht als gelukzalig beschouwde, zoals vers 1.
heilige
Zie van het Hebr. woord Ps. 4:4 .
Hertaald:
heilige
Zie over het Hebreeuwse woord Ps. 4:4.
vindenstijd;
Dat is, als Gij, o Heere, te vinden zijt. Zie Jes. 55:6 . Anders in treffenstijd; dat is, als de straffen de mensen treffen, dat met het volgende ook wel overeenkomt. Zie Ps. 21:9 ; Ps. 116:3 ; idem Deut. 4:30 , enz.
Hertaald:
vindenstijd;
Dat is: wanneer U, o HEERE, te vinden bent. Zie Jes. 55:6. Anders: in de tijd dat het treft; dat is: wanneer de straffen de mensen treffen, wat met het vervolg ook goed overeenkomt. Zie Ps. 21:9; Ps. 116:3; eveneens Deut. 4:30, enzovoort.
grote
Of, vele, geweldige wateren; dat is, grote en zware noden, aankomen. Zie 2 Sam. 22:17 .
Hertaald:
grote
Of: vele, geweldige wateren; dat is: grote en zware noden, die naderen. Zie 2 Sam. 22:17.
verberging
Als een schuilplaats. Ps. 31:21 .
Hertaald:
verberging
Als een schuilplaats. Ps. 31:21.
Ik zal
Hier wendt de profeet zijn rede tot de mensen; hoewel sommigen menen dat het Gods eigen woorden zijn, dien David invoert aldus sprekende.
Hertaald:
Ik zal
Hier richt de profeet zijn woorden tot de mensen; hoewel sommigen menen dat het Gods eigen woorden zijn, die David hier zo laat spreken.
mijn oog
Dat is, Ik zal voor u zorgdragen, of zorg voor u dragen. Verg. Deut. 11:12 ; Ezra 5:5 ; idem 1 Kon. 8:29 ; Ps. 33:18 , en Ps. 34:16 ; Jer. 24:6 ; Jer. 39:12 ; Jer. 40:4 .
Hertaald:
mijn oog
Dat is: Ik zal voor u zorgdragen, of zorg voor u dragen. Vergelijk Deut. 11:12; Ezra 5:5; eveneens 1 Kon. 8:29; Ps. 33:18, en Ps. 34:16; Jer. 24:6; Jer. 39:12; Jer. 40:4.
opdat
Dat paard of muilezel u niet kwetse. Of, als het tot u niet wil naderen.
Hertaald:
opdat
Zodat dat paard of die muilezel u niet kwetst. Of: wanneer het niet tot u wil naderen.
smarten,
Verg. Spr. 13:21 ; Spr. 19:29 ; Spr. 24:20 .
Hertaald:
smarten,
Vergelijk Spr. 13:21; Spr. 19:29; Spr. 24:20.
goedertierenheid
Te weten, des Heeren.
Hertaald:
goedertierenheid
Namelijk: van de HEERE.
oprechten
Zie Ps. 7:11 .
Hertaald:
oprechten
Zie Ps. 7:11. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is" (Ps. 32:1). Het volgende vers voegt er een derde woord aan toe: "Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is" (Ps. 32:2). Daarna vertelt David hoe het ging vóórdat hij sprak: "Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag" (Ps. 32:3). Het zwijgen was dus geen rust maar uitputting: "Uw hand was dag en nacht zwaar op mij" (Ps. 32:4). En dan de omslag, in één vers. Eerst wat hij deed: "Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet." En dan wat God deed: "Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Ps. 32:5). Bijbelse betekenis: Let op de twee soorten bedekken die in deze psalm tegenover elkaar staan. In Ps. 32:1 bedekt God de zonde, en dat is zaligheid; in Ps. 32:5 weigert David haar te bedekken, en dat is de weg daarheen. Wie zelf toedekt, houdt haar in leven; wie haar openlegt, ziet haar door God bedekt worden. Merk daarnaast op hoe lichamelijk het zwijgen beschreven wordt: verouderde beenderen, uitgedroogd sap. De Schrift kent het verband tussen een onbeleden geweten en een uitgeput lichaam. Let ten slotte op de drie woorden voor zonde in Ps. 32:1-2 — overtreding, zonde en ongerechtigheid — en op de drie voor vergeving: vergeven, bedekt, niet toegerekend. Er blijft niets liggen. Typologie: Paulus haalt deze twee verzen aan als bewijs dat de zaligheid buiten de werken om geschonken wordt: "Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn" (Rom. 4:7), en: "Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent" (Rom. 4:8). Ps. 32:1-5; Rom. 4:7-8 Na de belijdenis spreekt God zelf: "Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn" (Ps. 32:8). Dan volgt de waarschuwing: "Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit" (Ps. 32:9). Het beeld is duidelijk: een dier zonder verstand moet met ijzer in de bek gestuurd worden. De psalm eindigt met een tegenstelling en een oproep: de goddeloze heeft veel smarten, maar wie op de HEERE vertrouwt wordt door goedertierenheid omringd (Ps. 32:10), en: "Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen!" (Ps. 32:11). Bijbelse betekenis: Het onderscheid in dit gedeelte is dat tussen leiding door het oog en leiding door het gebit. God biedt het eerste aan: onderwijs, raad, een oog dat op de weg let. Wie dat niet aanneemt, houdt de andere manier over, en die doet pijn. Merk op dat dit staat na de vergeving en niet ervoor. Eerst wordt de schuld weggedaan, en pas dan komt de vraag hoe verder gelopen wordt; de volgorde in deze psalm is niet omkeerbaar. Let ten slotte op het slot. Een psalm die begon bij verouderde beenderen eindigt bij zingen; dat is dezelfde weg die Ps. 30:12 beschrijft. Typologie: De Heere Jezus belooft dezelfde leiding aan wie Hem volgen: "die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Joh. 8:12). Ps. 32:8-11; Ps. 30:12; Joh. 8:12 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Het opschrift noemt deze psalm een onderwijzing. De kanttekening geeft het Hebreeuwse woord — Maschil — en legt uit dat het gaat om een lerende psalm, zo genoemd vanwege de gewichtige leer die erin vervat is. David geeft dus les, en hij doet dat door te vertellen wat hij zelf heeft meegemaakt. De psalm begint bij het einde: gelukkig is de man wiens zonde bedekt is. Daarna vertelt David wat het hem kostte om zover te komen. Drie woorden voor het kwaad staan in de eerste twee verzen naast elkaar: overtreding, zonde, ongerechtigheid. En er staan drie woorden tegenover voor wat God ermee doet: vergeven, bedekt, niet toegerekend. De kanttekening merkt bij het eerste op dat men het ook mag lezen als weggenomen, en zij verwijst voor de uitleg naar Romeinen 4 en 2 Korinthe 5. Dan vertelt David hoe het ging vóórdat hij sprak. Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd in mijn brullen den gansen dag; want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerse droogten. Dat is geen beeldspraak van iemand die er licht over denkt. Zwijgen bleek hem lichamelijk op te breken. De omslag komt in één vers, en het gaat sneller dan men verwacht: mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE — en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Let op de volgorde. Hij is nog aan het zeggen dat hij het zeggen zal, en de vergeving is er al. Daarna verandert de toon volkomen. Gij zijt mij een verberging; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. En God zelf spreekt: Ik zal u onderwijzen en u leren van den weg dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Het enige verwijt in de psalm is zacht en praktisch. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit. Wie luistert heeft de teugel niet nodig. Paulus haalt de eerste twee verzen woordelijk aan in Romeinen 4, als bewijs dat David spreekt van de zaligheid van den mens welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken. In het Nieuwe Testament: Romeinen 4:6-8; 1 Johannes 1:8-9; 2 Korinthe 5:19-21; Lukas 18:13-14
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor de HEERE. En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.… Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd. Psalm 32:6 Ik ken geen betere thermometer van uw geestelijke temperatuur dan deze: de intensiteit van uw gebed. Ik heb het… Ervaar diepe worsteling, schuld en bevrijding: Spurgeon roept op tot vertrouwen op Christus, precies zoals je bent. Verblijdt u in de HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van hart! Psalm 32:11 Met Gods hulp kunnen we ons altijd in God verheugen.… Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Psalm 32:1 De mensen hebben hun eigen ideeën over zaligheid. Deze ideeën staan vaak haaks op de uitspraken… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide, ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de… 6 Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. 7 Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt… 1 Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. 2 Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in… Een preek, bedoeld om te lezen op zondag 3 november 1895, uitgesproken door C. H. Spurgeon in het Metropolitan Tabernacle te Newington op donderdagavond 27 oktober 1887. Hierom… Die op de HEERE vertrouwt, die zal de goedertierenheid omringen. Ps. 32:10 O schone beloning van het vertrouwen! Mijn HEERE, schenk haar mij tenvolle. Hij, die vertrouwt, voelt zich… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 32
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven is — 32:1-11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Belijd je zonden
Zie, hij bidt
Verschillende diepten van berouw
Verblijd u...
Vergeven zonde is beter dan vergaarde rijkdom
Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet
Psalm 32:6-11
Psalm 32:1-5
Bidden, het bewijs van Godsvrucht
Omgeven door goedertierenheid


Psalmen 32
Het opschrift luidt: een onderwijzing van David — dat wil zeggen: een leerzame psalm. Ik veronderstel dat David hem geschreven heeft nadat hem vergeving geschonken en hij in de goddelijke gunst hersteld was. Ik denk dat wij hem mogen lezen als een deel van onze eigen ondervinding, hetzij bij de bekering, hetzij bij het herstel na afdwaling.
Psalmen 32:1-2.KruisverwijzingenRomeinen 4:6→Psalmen 85:2→Handelingen 13:38→Johannes 1:47→Jesaja 44:22→Psalmen 40:4→Micha 7:18→Jesaja 1:18→
— Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.
Tweemaal zegt hij “welgelukzalig”. Hij had het gewicht van de zonde gevoeld; hij was zeer bedroefd geweest, en nu Nathan tot hem gezonden is met het woord der vergeving — de HEERE heeft uw zonde weggenomen, u zult niet sterven — rekent hij zich dubbel gezegend. Niet: welgelukzalig is de mens die nooit gezondigd heeft; maar welgelukzalig is hij die, gezondigd hebbende, vergeven is. Niet de mens die geen zonde hééft, maar wiens zonde bedekt is. Wonderlijk woord! De heilige bedekking die de zonde zo bedekt dat zij verborgen is, zelfs voor het oog van God Zelf! Een wonderbare daad! Welgelukzalig is de mens die die goddelijke bedekking kent!
“Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.” Al die tijd na Davids zonde was hij heel arglistig en zeer sluw geworden, vol bedrog. U kent de listen waartoe hij zijn toevlucht nam om zijn zonde te bedekken; hij trachtte zelfs enige van zijn kunstgrepen op God Zelf toe te passen, maar hij gevoelde dat het een verderfelijke en dwaze zaak was: hij was onrustig, hij was ongelukkig.
Wij hebben wel eens horen zeggen dat David na zijn zonde negen maanden lang ongevoelig bleef, totdat hij de goddelijke bestraffing ontving; maar zo was het niet. Hij bleef heel gevoelig, zeer neergedrukt, heel ongelukkig, en hij trachtte op deze en gene wijze zijn zonde en zijn bedrog te bedekken. Hij kon het niet. Hij behoorde het ronduit te belijden voor God, en zijn kromme wegen op te geven met al zijn gedachten om zichzelf te verontschuldigen; en toen hij dat gedaan had, toen hij zijn bedrog én zijn schuld opgegeven had, toen ontving hij de dubbele zegen. Zijn er onder u die kromme wegen bewandelen met God en met mensen, geeft ze dan op. Ik weet niets dat u ze zo zal doen opgeven als de kennis van een vrije, volle, volmaakte vergeving door het dierbare bloed van Christus en door de vrije genade van God. Die twee gaan samen, de schuld en het bedrog; die twee gaan samen uit ons weg: wanneer de schuld vergeven is, is het bedrog gedood.
Hier is nu een mens die tegen God gezondigd heeft, en hij vraagt: hoe kan ik vergeving ontvangen? Zijn eerste gedachte is: ik zal mijn wegen trachten te beteren. Door de deugd van de toekomst zal ik de dwaasheden van het verleden goedmaken; en ik vertrouw dat een barmhartig God geneigd zal zijn mijn zonden te vergeven en mijn schuldige maar boetvaardige ziel te sparen. Dan wendt hij zich tot de Schrift om te zien of zijn verwachtingen gegrond zijn, en hij leest daar: “Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor Hem.”
Dan zegt de zondaar: als ik mijn wegen in de toekomst beter, dan is daar nog altijd de donkere lijst van voorbije misdaden die mij achtervolgt. Al maak ik geen andere schulden meer, daar staan de oude rekeningen. Hoe kan ik die betaald krijgen? Hoe kan ik mijn voorbije zonden vergeven krijgen? Mensen kunnen ons niet helpen. Engelen kunnen ons niet helpen; de grootste aartsengel vermag niets voor ons. Waar kunnen wij vergeving vinden? Waar is die onschatbare parel? De mijn heeft haar niet in haar diepten. De sterren hebben haar niet in haar glans. Zij is verborgen in de heilige raadslagen des Allerhoogsten.
En dan hoor ik van den troon Gods zeggen: Ik ben de Plaatsvervanger. En opziende zie ik daar, gezeten op den troon, een God en toch een mens — een mens Die eenmaal geslacht is. Ik zie Zijn doorboorde handen en Zijn doorstoken zijde. Maar Hij is ook God, en vriendelijk glimlachend zegt Hij: Ik heb vergeving, Ik heb kwijtschelding. Ik heb die gekocht met het bloed Mijns harten. Deze kostbare schatkist der Godheid werd opengebroken voor uw zielen. Ik moest sterven, “Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen”; Ik moest om uwentwil ondraaglijke zielsangst lijden, onuitsprekelijke smarten en weedom die u niet bevatten kunt.
En mag ik zeggen dat deze verbazende genade de mijne is? Heeft Hij mijn onwaardige naam ingeschreven in het verbond Zijner genade? Zie ik het bloedteken op mijn vrijbrief? Weet ik dat Hij die met zo’n prijs gekocht heeft? Kan ik dan weigeren te zeggen: welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is!
Psalmen 32:3.KruisverwijzingenPsalmen 38:8→Psalmen 22:1→Psalmen 102:3→Klaagliederen 3:8→Jesaja 57:17→Psalmen 6:2→Hosea 7:14→Job 30:30→
— Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.
Een wulpse blik, en de zonde met Bathseba. Waar was het genot ervan gebleven, toen het hem dit alles kostte? Zo’n brullen dat zijn beenderen zelf verouderden alsof zij verrot waren, en zijn hart zo zwaar was dat hij wenste te sterven.
Psalmen 32:4.KruisverwijzingenJob 33:7→Psalmen 102:3→Psalmen 22:15→1 Samuël 5:11→Psalmen 38:2→Job 30:30→Psalmen 90:6→1 Samuël 5:6→
— Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
God handelde met hem; God drukte hem zwaar met Zijn hand, en drong hem zijn zonde op, zodat hij zeggen moest: mijn zonde is steeds voor mij. O, de ellende van het zondigen voor een kind van God! Verbeeld u nooit dat wij ooit enig genot in de zonde kunnen hebben; de wereldling kan dat misschien, de gelovige nooit. Voor hem is zij een dodelijke adder, die zijn aderen met brandend vergif vult.
Toen hij trachtte te bidden, was het een uitgedroogd gebed; hij trachtte een psalm te maken, maar het was een uitgedroogd lied; hij trachtte iets goeds te doen, want hij was nog altijd een goed man, maar het was alles verdord zonder den Geest van God. Zijn sap was uit hem gegaan, veranderd in zomerdroogten — en de zomer was in Davids land inderdaad iets zeer dors. Alles wat menselijk was versmachtte; het gras scheen tot stof te worden; zo was het met hem. Sela: tijd om op te houden, tijd voor een rust in de muziek; hij was op zo’n lage toon, dat hij nu de snaren van de harp moest opschroeven en tot iets liefelijkers moest opklimmen.
Psalmen 32:5.Kruisverwijzingen2 Samuël 12:13→Jesaja 65:24→Spreuken 28:13→Psalmen 38:18→Job 33:27→Psalmen 86:5→Job 31:33→Hosea 6:1→
— Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
Hij moet tot belijdenis komen: volledig, uit eigen beweging, zonder voorbehoud; er moet een besluit zijn. “Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE” — een vast besluit om niets te verbergen, de zonde zelf te zien en den HEERE te zeggen dat u haar ziet, en haar te belijden met grote droefheid en smart.
Welk een wonderlijk woord is dat: “en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.” God nam de zonde weg; ja, het pit en het merg ervan. Neem het been weg, en ook het merg van het been. Het is alles weg, geheel weg; door één slag van Gods goddelijke genade was de zondaar vergeven. En weer een Sela.
Psalmen 32:6.KruisverwijzingenJesaja 55:6→Jesaja 43:2→Psalmen 42:7→Psalmen 4:3→Psalmen 34:2→2 Korinthe 6:2→Johannes 7:34→Psalmen 144:7→
— Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.
“Hierom” — om deze zaak en om deze zegen — “zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd.” De vergevende God moet gezocht worden. Er ligt een aantrekkingskracht in de grootheid van Zijn barmhartigheid. Die godvruchtig zijn moeten, al hebben zij misdaan en zijn zij afgedwaald, terugkeren en vergeving zoeken in vindenstijd.
“Ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.” De godvruchtige is veilig wanneer de wateren buiten hun oevers treden. Er waren tijden dat in Davids land grote wateren de overhand kregen; de beken werden soms rivieren en kwamen met geweld neder wanneer men het het minst verwachtte. En hier zegt hij dat, wanneer zoiets gebeuren mocht, Gods volk toch behouden zal worden. Zij zullen komen, maar zij zullen hen niet aanraken. Bent u in de dag van uw zonde tot God gegaan en hebt u vergeving gevonden, dan zal Hij Die de zonde weggenomen heeft ook de droefheid wegnemen.
Psalmen 32:7.KruisverwijzingenPsalmen 9:9→Psalmen 119:114→Psalmen 31:20→Richteren 5:1→Psalmen 40:3→Psalmen 18:5→Exodus 15:1→Psalmen 27:5→
— Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.
“Gij zijt mij een Verberging” — dierbare woorden! Er staat niet: “Gij zijt één verberging”, maar: “Gij zijt míjn Verberging.” Een mens die door vijanden omsingeld is, blijft niet stilstaan om te zeggen: ja, ik zie dat daar een schuilplaats is; maar hij snelt erheen. Geliefden, snelt heden tot uw schuilplaats, ieder van u die aanspraak op Christus en deel aan Hem hebben mag; snelt nu tot Hem en zegt: “Gij behoedt mij voor benauwdheid.”
David is uit het brullen tot het zingen opgeklommen; de hele dag brulde hij, en nu zingt hij de hele dag. Hij hoort overal gezangen; hij leeft in een kring van muziek, zo blij is zijn hart. Hij mag wel nog een Sela plaatsen, want hij heeft de snaren heel vrolijk aangeslagen, en zij moeten weer gestemd worden.
Psalmen 32:8.KruisverwijzingenMattheüs 11:29→Spreuken 3:5→Psalmen 33:18→Jesaja 49:10→Spreuken 3:1→Spreuken 8:10→Psalmen 25:8→Spreuken 4:1→
— Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
En hier verandert de spreker: “Ik zal u onderwijzen.” Ik heb u vergeven; Ik zal u onderwijzen en u leren van den weg dien u gaan zult. Ik heb u tot de weg teruggebracht; nu zal Ik u leren in de weg dien u gaan zult. “Mijn oog zal op u zijn” — het uwe zou u kunnen doen afdwalen. Ik zal op het pad zijn, Ik zal Mijn oog op u vestigen.
Psalmen 32:9.KruisverwijzingenSpreuken 26:3→Jakobus 3:3→Job 35:11→Jakobus 4:7→Jeremia 8:6→Jeremia 4:22→Jeremia 31:18→
— Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.
Weest niet zoals een paard — niet alleen David, maar u allen. Wil God u leiden, laat u dan leiden; wil Hij u onderwijzen, weest dan leerzaam; wil Hij u genadig zijn, weest dan genadig jegens Hem.
Psalmen 32:10.KruisverwijzingenSpreuken 16:20→Spreuken 13:21→Psalmen 5:12→Psalmen 84:12→Psalmen 34:8→Psalmen 16:4→Psalmen 34:19→1 Timotheüs 6:10→
— De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
“De goddeloze heeft veel smarten”; David had dat ondervonden; zijn zonde had hem een vluchtig genot gebracht, maar een blijvende ellende. Maar wie op den HEERE vertrouwt zal een lijfwacht van goedertierenheid hebben; God zal hem genadig zijn, teder jegens hem, en Hij zal hem niet verlaten.
Psalmen 32:11.KruisverwijzingenPsalmen 64:10→Psalmen 68:3→Filippenzen 4:4→Psalmen 97:12→Psalmen 33:1→Psalmen 5:11→Deuteronomium 12:12→Romeinen 5:11→
— Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
Verblijdt u. Ja maar, zegt iemand, u kunt u niet altijd verblijden. “Verblijdt u in den HEERE”; in Hém kunt u u altijd verblijden. Hier is een onveranderlijke bron van blijdschap. Zie, de man die zwijgend was, is nu tot zingen gekomen. Is het niet genoeg om hem daartoe te brengen? Tweemaal werd hij zalig gesproken in het eerste en tweede vers; en nu is hij vergeven, is hij verlost, is hij met goedertierenheid omringd — wel, hij móét zich verblijden!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Ene onderwijzing d.i. een leerdicht van David (1 Kronieken 25: 31 ) Onze Psalm heeft zijne geschiedkundige aanleiding in dezelfde ervaring des harten van David, waaraan ook Psalm 51 zijn ontstaan te danken heeft, met dit onderscheid slechts, dat Psalm 51 vroeger, nog in den strijd, Psalm 32 eerst na den wederverkregen vrede vervaardigd is (2 Samuel 12: 15 ). Augustinus heeft dezen, gelijk Selneker verhaalt, dikwijls met wenend hart en oog gelezen, en voor zijne in de dien aan den muur tegenover zijn ziekbed laten schrijven, terwijl hij zich in zijne ziekte daarin geoefend en troost gezocht heeft.
Deze Psalm is de blijde boodschap des N.T. in het O.T., de boodschap van genade aan doodschuldigen. David spreekt over zonde, en wie nog niet over zonde geklaagd heeft, die heeft nog niet als mens geklaagd. Wij allen zijn zondaren, en behoeven dezelfden troost. De zondaar is als iemand, die aan den enen kant bedreigd wordt door het water, en aan den anderen kant door het vuur; maar de Schrift draagt ons door vuur en water heen. In dezen Psalm vinden wij ene belijdenis van zonde, vervolgens de belofte Gods en eindelijk de vreugde ener begenadigde ziel. De Psalmist stort zich uit in de diepte der bevinding. Mochten wij hetzelfde gevoel in onze harten hebben! De man naar Gods hart had gene andere sterkte, dan dat hij een zondaar, en God zijne toevlucht was. O, laat ons dan met David en met den tollenaar komen voor Gods aangezicht. Paulus was geen overspeler en moordenaar gelijk David, en toch stelde hij zich met David gelijk; hij wilde op gene andere wijze behouden worden dan als de voornaamste der zondaren. Dat is het rechte Evangelische standpunt der gelovigen. Zo moest dan David niet verhinderd worden te vallen, opdat deze heerlijke vrucht der genade voor ons allen daaruit groeien zou. Zo staan ook in de natuur de kostbaarste vruchten op uwe tafel, en van waar zijn ze gekomen? uit de door mest verontreinigde aarde. -En nu er zijn vele wegen, om spoedig tot bepaalde plaatsen te komen; er zijn spoorwegen en andere wegen, die soms onder de aarde en door donkere bergholen heenlopen; zo is er ook een weg, om uit de allerdiepste hellesmart op te stijgen tot in de hoogste hemelblijdschap. En wilt gij dien weg kennen? David heeft hem in dezen Psalm beschreven. In slechts elf minuten (verzen) leggen wij dezen schijnbaar eindelozen weg af.
Met een: “Ik zei, (Psalm 31: 23) zag David in den vorigen Psalm op een troostelozen toestand van zijn inwendig leven terug, uit welken Gods alvermogende genade hem uitgerukt had, en met een: “Ik zei, (32: 6) laat hij ons in dezen Psalm op een godzalig besluit van zijn hart terugzien, dat op eens den ban, die op zijn hart lag, heeft opgeheven. Geluk bij nu den vorigen Psalm sloot met ene opwekking aan allen, die den Heere wachten, om, ook als de toestand wanhopig schijnt, toch niet te wanhopen, zo sluit hij dezen met ene opwekking aan de vromen en rechtvaardigen, om zich te verheugen in hunnen God, wiens goedheid hen omringt. Deze Psalm is de tweede in de rij der zeven boetpsalmen (Psalm 6: 11 ); zijn thema is de kostelijke schat, die uit den afgrond van inwendigen nood is te voorschijn gebracht, de leer, hoe zalig de vergeving der zonden is, hoe gemakkelijk, om op den weg van oprechte, volkomen schuldbelijdenis daartoe te komen, en hoe heilig en vrolijk hij is, die in het bezit daarvan zich in Gods gemeenschap weet.
I. Vs. 1-5.KruisverwijzingenRomeinen 4:6→Psalmen 85:2→Handelingen 13:38→Johannes 1:47→2 Samuël 12:13→Jesaja 65:24→Jesaja 44:22→Spreuken 28:13→
— Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag. Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela. Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.
Uit ene ontzettende beklemdheid zijner ziel, als het ware op nieuw adem scheppende, begint de heilige zanger met ene zaligprijzing van hem, die vergeving zijner zonden ontvangen heeft, nadat hij Gode de eer heeft gegeven, en in oprechtheid, zonder verberging zijne schuld beleden heeft; daarop, daar hij dit uit ervaring van zijn eigen inwendig leven spreekt, laat hij ons een blik slaan in de diepte der kwellingen, die hij geleden heeft, zo lang hij nog beproefde zijne misdaad te loochenen; aan deze kwellingen was op eens een einde gekomen, toen de onoprechtheid eindigde en hij zijn hart ontsloot om den Heere zijne overtreding te belijden.
Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven weggenomen, wiens zonde bedekt is 1) (Leviticus 1: 4 ).
Rom. 4: 6, 7.
Er is een bedekken der zonde door ontkenning en een bedekken door zich zelven te rechtvaardigen. Ik deed het niet, of: ik deed daar geen kwaad aan. Al deze bedekselen zijn verkeerd; hij, die zijne zonde zo bedekt, zal niet voorspoedig zijn. Maar er is een zalig bedekken der zonde; in vergeving van zonde ligt alleen de zaligheid. De grondtekst drukt duidelijk uit, dat de dichter hier in de eerste plaats op het oog heeft, de losrukking van God, dan de afdwaling van hetgeen Gode behaagt en eindelijk in vs. 2 de overtreding, de misdaad. Verder, eerst wordt er gesproken van opheffing of wegneming, dan van bedekking, zodat de heilige God de zonde niet meer ziet, en eindelijk van een niet toerekenen. Dit is zeker, als God de zonde, de misdaad niet meer ziet, rekent Hij ook niet meer toe. En daarom wordt hier niet gesproken van een rechtvaardigheid uit de wet, maar van een rechtvaardigheid, zonder de werken der wet. Een bedekte van zonde, is iemand, over wiens zonde voor Gods heilige ogen het deksel der verzoening ligt.
Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid, waarin hij het recht verkeerd heeft, de schuld niet toerekent 1), daar Hij haar als ene afgedane zaak wil aanzien, en in wiens geest geen bedrog is2), niet meer die leugen en het bedrog van het natuurlijke hart, dat zo gaarne de zonde loochent, verkleint, verschoont, verontschuldigt en in bescherming neemt (Rom. 4: 6 vv. (Jes. 38: 17), want alleen bij oprechtheid des harten kan er vergeving zijn.
De Psalmist noemt den mens gelukzalig, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is, wiens ongerechtigheid niet toegerekend wordt. Dit is ene drie-eenheid van uitdrukking, welke veelvuldig in de Schrift voorkomt, als de afdruk van het drievuldige in Gods Wezen. Het woord vergeving is onbepaald. De vraag blijft over: waardoor geschiedt zij? Vergeeft de heilige God maar zo van zelven de zonde, zonder meer, wanneer en aan wie Hij wil, met opheffing van Zijn eigen vonnis over de overtreding? Neen, in God is geen willekeur, Hij kan Zich zelven niet verloochenen. Hij kan Zijn eigen vonnis over de overtreding en over den overtreder (en beiden zijn niet te scheiden) niet opheffen zonder ene algenoegzame reden, en deze is de bedekking, d.i. de verzoening der zonde. Men bedekt iets, dat niet gezien mag worden, door iets, dat wel gezien mag worden, en dat is het bloed van Jezus Christus. Dat bedekt, dat verzoent onze zonde. En hoe is nu het bloed van Jezus Christus zonde verzoenend geworden? Door toerekening onzer zonde aan Hem, den Christus. Omdat de zonde Christus toegerekend is geworden, wordt zij aan degenen die in Christus geloven, niet toegerekend. Of zoudt gij menen, dat in het grootboek Gods de debetcijfers doorgehaald of uitgeschrapt mogen worden? Neen, de som, waarvoor wij debet staan, moet op behoorlijke wijze vereffend worden door haar op een ander hoofd over te brengen, en dat hoofd is Christus, wiens creditkapitaal oneindig is, omdat Hij zo waarachtig God is, als Hij mens is. Daarmee is de rekening voldaan, en wordt de schuld niet meer aan den oorspronkelijken schuldenaar toegerekend.
Even als de kinderen zich verbeelden, dat men ze niet ziet, wanneer zij zelf de hand op de ogen leggen en die zo bedekken, dat zij zelf niemand zien, zo meent men ook op dwaze wijze, wanneer men zijne zonde en schande slechts voor zich zelven verbergt, dat men ook voor Gods alziende ogen verborgen zal zijn. De wortelen van dit bedrog, dat wij reeds aanstonds na den val (Genesis 3: 8 vv.) ontmoeten, zijn de hoogmoed, het gebrek aan vertrouwen op God en de liefde tot zonde. Velen worden daardoor van elke erkentenis van hun zonden afgehouden; zij vervallen in Pelagiaanse zelfverblinding, in ellende, en houden zich zelven voor zeer voortreffelijk. Bij anderen openbaren zich wel de eerste beginselen van ware zondenkennis, maar zij komen niet aan het verlangde doel, omdat de onoprechtheid hen niet tot de erkenning van de gehele grootte van hun zonde laat komen. Ook diegenen, die werkelijk in den staat der genade gekomen zijn, ontroven door hun onoprechtheid zich zelven dikwijls het heil van de vergeving der zonde, in welker bezit zij door oprechtheid kwamen. Wat hen aan deze verzoeking blootstelt, is hun strenge opvatting van de zonde en van hare verdoemelijkheid voor God, en het bewustzijn van de van God verkregene genade en haren stand; de natuur verzet zich met kracht tegen de diepe verootmoediging, welke juist de kennis en het bewustzijn der zonde met zich voert. Daarom is het wel noodzakelijk, dat men het: “welgelukzalig is hij,” dat David hier toeroept uit eigen smartelijke ervaring van de ellende, die de ten gevolge van onoprechtheid onvergevene zonde met zich brengt, recht ter harte neemt.
Ziet gij, de vergeving gaat niet buiten ons om. Niet ieder mens heeft deel aan Christus, maar alleen zij, die in Hem geloven, en dat zijn de oprechten Zó noemde Christus Nathanaël. De kern van alle kenmerken, of wij den Heere toebehoren, is dan ook: of wij oprecht zijn in ons hart en in ons geloof voor God en mensen, zonder bedrieglijkheid en bedrog. Niet dat wij ons hart van alle arglistigheid en bedrieglijkheid kunnen of moeten zuiveren, alvorens God ons begenadigt; indien wij tot zolang op de genade moesten wachten, wij zouden heel ons leven moeten wachten. Neen, maar wij moeten oprecht en zonder bedrog zijn in onze begeerte, om vergeving van zonden te ontvangen, zullen wij die werkelijk verkrijgen. Wie het niet waarlijk te doen is, om begenadigd te worden, die wordt niet begenadigd. “Wilt gij gezond worden?” ziedaar de vraag van Christus aan ons, welke vraag wij even eenvoudigen oprecht moeten beantwoorden met ons: “Ja Heere! van ganser harte!” als de van dorstversmachtende onze vraag: “Wilt gij drinken hebben?” beantwoorden zou met een: “ja gaarne!”.
Hoezeer daarentegen, wie zijne schuld niet wil belijden, zich zelven martelt en kwelt, dat heb ik aan mij zelven ervaren. Toen ik dien langen tijd, die er verliep tussen mijnen val en des Profeten woord (2 (Samuel 12: 1), zweeg 1), noch mij zelven noch God wilde bekennen, wat kwaad ik deed, toen werden mijne beenderen verouderd, toen werd mijne lichaamskracht verbroken (Psalm 31: 11), in mijn brullen den gansen dag 2), daar mijne ziel onnoembaar veel moest lijden onder de gewetenskwellingen, die zich onophoudelijk verhieven en zich door niets wilden laten smoren.
Met den naam van zwijgen wijst hij niet aan de onaandoenlijkheid of de stompheid, maar de gemoedsbeweging, die het midden houdt tussen dulden en niet te willen buigen, een gemoedsbeweging, die zowel aan deugd als aan ondeugd verwant is.
David wijst hier dus den toestand aan van een gelovige, die bewust van zijn zonde, de zonde niet wil belijden voor zijn God, dewijl hij haar vergoelijkende niet met haar wil breken. Hij heeft er geen vrede mede, maar ook gaat hij er niet mede naar zijn God, om van haar verlost te worden. En dit verwekt een onrust, die zelfs het lichaam aantast, dewijl de vrede des harten gemist wordt.
Het is niet altijd goed, dat mensen veel met elkaar spreken over hun zonden, want dat wordt licht ene gewoonte, een roem, ene huichelarij, maar met God moeten wij veel spreken over onze zonden. David zweeg in het eerst. Zijn geweten had wel gene rust; zijn gebeente verouderde of dorde uit; hij vermagerde wel, ja hij brulde, hij schreeuwde zijn jammer uit den gansen dag; maar toch hij verzweeg wat hij had moeten zeggen; hij beleed zijne zonden niet. Het gaat hiermede als met ene ziekte, die benauwdheid veroorzaakt. Als deze niet behoorlijk naar buiten komt, zodat men lucht krijgt, dan hoopt zich de ziektestof op, en werpt zich met kracht op een of ander edel levensdeel. In het lichamelijke is men in zulk een geval ziek, of men heeft zware pijn; men heeft gene rust dag of nacht; men roept, men kermt het uit; doch komt men nu aan het zweten (in het geestelijke: komt men aan het spreken) dan komt het kwade naar buiten, en men krijgt lucht, de pijnen gaan weg en men wordt weer gezond. Men houde dan de poriën van het hart open, en zorg, dat het hart gedurig zijne ziektestof naar buiten werpe door veel met God te spreken over onze zonden, door ze voor Hem te belijden.
Want Uwe hand o Heere! die mij in die stem des gewetens deed gevoelen, hoezeer ik Uwen toorn en Uwe ongenade verdiend had, hoezeer ik mij daartegen verzette, Uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, ik zag U niet anders dan alsof gij voor mij stondt met een knots gewapend, ieder ogenblik gereed de vreselijke dreigingen van Uw gericht (Deuteronomium 28: 15 vv.) aan mij ten uitvoer te leggen; ik kon mij niet meer verheugen in Uwe genadige belofte (2 (Samuel 7: 12 vv.), maar moest altijd aan den ondergang van Saul en van zijn huis denken, alsof die ene profetie van mijn lot ware geworden; dan brandde mij een vuur van angst in het binnenste, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten, wanneer de zonnestralen verzengend heet op de aarde branden 1). Sela 2).
Het is ene waarheid, vergeving is ontwijfelbaar verbonden aan belijdenis. Tantum valent tres syllabae: Pec-ca-vi zei Augustinus: “van zo groot ene kracht zijn deze drie lettergrepen” in het Latijn, bij ons drie woorden, als met een gebroken hart wordt geuit: “Ik heb gezondigd.” Indien God degenen, die Hij begenadigd heeft, zo zwaar kastijdt, hoe gestreng zal Hij degenen niet straffen, die Hij niet begenadigde? Zijt gij met David en alle heiligen een arm zondaar, zo doe ook met hen ware boete. Alles is niets, als de communicatie tussen God en ons maar open blijft.
Het gezang zwijgt, daarentegen verheft zich de muziek en doet het hare, om de helse pijn van het ontwaakte geweten bij een nog niet verbroken hart te schilderen.
Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet, gelijk de huichelaars doen (Job 31: 33), en ook ik gedaan had. Ik zei, ik nam eindelijk het besluit: Ik zal a) belijdenis van mijne overtredingen 1) doen voor den HEERE, gelijk ik aanstonds deed, toen Nathan mij mijne zonden voorhield 2) (2 (Samuel 12: 13); en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde 3) (2 (Samuel 12: 13). Sela 4).
Spreuken 28: 13. 1 Joh. 1: 9.
Dezelfde uitdrukkingen, die in vs. 1 en 2 voorkwamen, vinden wij weer in dit vers: overtreding, zonde, ongerechtigheid. De maat der zonden vergeving richt zich nauwkeurig naar de mate der zondenbelijdenis; slechts voor dien wordt de zonde bedekt, die ze zelf niet meer verheelt. God spreekt tot ons in de ordeningen der natuur, in alle gangen der geschiedenis. In dit alles spreekt Hij tot ons van Zijne heiligheid en van onze onheiligheid, onze zonde. Dit is het onwillekeurig gevoel, dat elk oorspronkelijk, nog niet door valse beschaving afgestompt menselijk hart bevangt. Bij voorbeeld, de Griekse wereldbeschouwing spreekt zeer sterk dit besef in hare edelste woordvoerders uit. Bij hun oude treurspeldichters en wijsgeren vindt men uitspraken omtrent de zonde, omtrent den vloek des noodlots, die ten gevolge der zonde over de wereld en de mensen ligt, uitspraken zo sterk en somber, dat de oppervlakkigheid dergenen, die heden ten dage de grens tussen goed en kwaad pogen uit te wissen, in de verte hare diepe waarheid niet vat. Aan dat knellend besef kan de mens op twee wijzen trachten te ontkomen. Hij kan het trachten te loochenen, en hij kan er van verlost worden. De eerste weg is de gemakkelijkste. Daarom kiezen hem de meesten. Zij verklaren, dat in deze sombere raadselen der natuur en der mensenwereld zich niet de heiligheid, maar slechts de nog niet van ons doorschouwde grootheid, de onbegrijpelijkheid Gods openbaart. Maar, zeggen zij, hadden wij volkomen kennis, het zou opgehelderd zijn. Het kwaad, de zonde, is slechts onvolmaaktheid, het is slechts betrekkelijk. Deze wereldbeschouwing geeft een sterk sprekend gevoel van vrede (?). De strijd is verdwenen, althans van zijn scherpsten prikkel beroofd. Hoor hen, die na ene opgelegde orthodoxie, welke geen leven in hen geworden is, te hebben aangekleefd, nu tot de “moderne” beschouwing gekomen zijn. Hoe opgeheven is hun stemming. Hoe gaan zij daar heen in het volle besef van nu hunner natuur geen geweld meer aan te doen, van nu geheel vrij en natuurlijk te zijn! Hoe veel edele (?) vruchten van zelfverloochenende (?), ja ons, die den Christus der Schriften belijden, maar al te dikwijls beschamende liefde (?), bloeien op dezen grond. Ja! gevoel van vrede hebt gij, maar de werkelijkheid van den vrede niet. Gij gevoelt u gelukkig, maar gij zijt het niet, gelijk in Bulwer’s “laatste dagen van Pompeji” de man, die daags vóór de uitbarsting van den Vesuvius, de aansporing om te vluchten met een glimlach der kalme gerustheid beantwoordde, zich uiterst gelukkig op zijne schone villa gevoelde, doch enige uren later was hij verzengd. Deze beschouwing maakt God tot een leugenaar in dezen zin: het gehele bestuur Gods in natuur en mensenwereld loopt uit op Christus, kruis. Het spreekt van heiligheid Gods en verdoemelijkheid der mensen. Wie nu de zonde ontkent (hetzij hij het woord late staan, hetzij niet), hij maakt God tot een leugenaar. Hij laat toch als onverklaard niet alleen, maar als onverklaarbaar het “zuchten der creatuur” en het offer van Christus staan. God roept met al Zijne leidingen in de wereld: O mens, Gij zijt onrein en hebt verzoening, vernieuwing nodig-deze mens zegt: niet alzo, alleenlijk opheldering en verbetering behoeven wij. Dit is een spot met de werkelijkheid.
David belijdt zijne zonden vrijwillig aan God, omdat hij de overtuiging heeft, dat deze hem helpen kan en zal, terwijl de afgeperste bekentenis van den goddeloze met wanhoop en met morren tegen God verbonden is (1 Samuel 15: 30. MATTHEUS. 27: 3 vv.). Tot zulk een vertrouwen zich te verheffen moest onder het Oude Verbond oneindig moeilijker zijn, dan onder het Nieuwe Verbond, waar wij in de barmhartigheid Gods in Christus en in Zijne verdienste de oorzaak onzer rechtvaardiging aanschouwen. Wanneer wij daar om toeven tot de vergevende genade Gods onze toevlucht te nemen, zo is onze schuld veel groter dan die van David.
Nauwelijks is het woord op de tong, of de wonde in het hart wordt geheeld. Christen! acht de reis naar den hemel niet te ver; de gehele weg daarheen is gene schrede breed (Luk. 23: 42 vv.). Kurie eleison.
Het Sela hier is een tegenspel van het vorige vs.4; daar droevige klachten over den zondaar, die zich te vergeefs afmartelt, hier een blij vreugdegeklank over de zalige ervaring van hem, die zijn hart voor God uitstort-een muzikaal Ja en Amen op de grote waarheid der rechtvaardigende genade.
6.
II. Vs. 6-10.KruisverwijzingenMattheüs 11:29→Spreuken 3:5→Psalmen 33:18→Jesaja 49:10→Spreuken 3:1→Spreuken 8:10→Psalmen 25:8→Spreuken 4:1→
— Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken. Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela. Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake. De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
David spreekt hierop de verwachting uit, dat ieder vrome, door de hier uitgesprokene ervaring geleerd, zich ter rechter tijd tot God zou wenden en alzo het dreigend gericht ontvluchten. Hij beschrijft de heerlijkheid van den tegenwoordigen staat der genade, waarin hij zich verheugt in goddelijke bescherming, hulp en leiding. Hij richt, zijne belofte vervullende, dat hij de overtreders Gods wegen zou leren, tot deze de eerste vermaning, om toch niet in dwaasheid en verblinding God te wederstreven, maar gewillig het trekken Zijner genade te volgen, daar zij zich anders vele smarten zouden veroorzaken, terwijl hij, die zich den Heere toevertrouwt, Hem zijne zonde beleidt en zijne genade zoekt, ook door Zijne goedheid omringd wordt.
Hierom, als tot vergelding, dat Gij naar Uwe tegemoet komende genade op mijne schuldbelijdenis aanstonds de vergeving der zonde hebt laten volgen, zal U ieder heilige aanbidden, om vergeving smeken in vindenstijd 1), ter rechter tijd en niet eerst lang in stilzwijgen over de misdaad voortleven; ja, daar zij zolang Gij nog te vinden zijt, U ook werkelijk zoeken en, vóórdat de dag des toorns aanbreekt, de reddende genade aangrijpen, in enen overloop van grote wateren, zullen zij, die alles overstromende gerichten Gods, hem niet aanraken (Joh. 5: 24); wanneer alles op ons aanstroomt om ons te overweldigen, zullen wij er nochtans gene schade door lijden.
“Ieder heilige” -en hier wordt van zondaars gesproken? Wie een rechte, een oprechte zondaar is, is een heilige: zijne zonden zijn hem vergeven. Hij is bekleed met de gerechtigheid van Christus. Deze is de welaangename tijd; de tijd, waarin de genade van het Evangelie ons wordt aangeboden. Zo was de komst van Jezus te Jericho de vindenstijd voor de twee blinden, en zij maakten er gebruik van, en werden behouden.
Over zulk ene zalige zekerheid verheug ik mij dan ook in mijnen wederverkregen staat der genade, daar ik tot U mag spreken: a) Gij zijt mij ene Verberging, en, daar ik tegen alle gevaren mij met het gebed kan wapenen, Gij behoedt mij voor benauwdheid, Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding; aan alle zijden, waarheen ik mij ook wende, zie ik mij van enkel gejubel omgeven. Sela.
Psalm 27: 5; 31: 21.
Wederom spreekt de Heere tot mij in deze gemeenschap der genade, die tussen hem en mij bestaat: Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult. Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn, de zorgvuldigste leiding zal Ik u schenken. Na gerechtvaardigd te zijn, wordt men geleid, onderwezen, geoefend, opgevoed, en dat is het werk van den Heiligen Geest, want de Vader openbaart Zich in den Zoon, en de Zoon openbaart Zich door den Heiligen Geest, en de Heilige Geest openbaart Zich in de gelovigen, en zo is alles uit Eén en tot Eén. Doch deze dingen moeten ondervonden worden. Zo lang de waarheden Gods voor ons enkel in letter op het papier staan, of in woorden, die een ander uitspreekt, bestaan, hebben wij er niets aan. Ons hart zelf moet er ondervinding van hebben. Ieder, die bekeerd is, heeft het ondervonden en ondervindt het onophoudelijk, dat Vader, Zoon en Heilige Geest één enig God is, die leeft en regeert, in eeuwigheid; die het ontkent levert daarmee enkel het bewijs, dat hij den Geest van God niet heeft (1 Joh. 4: 13-15). -Wij zien het, met de kwijtschelding der oude schuld geeft God nieuwe kapitalen van belofte. Is God niet meer dan koninklijk mild? Als de koning gratie verleent, dan bestaat deze in de verandering van ene doodstraf in ene andere, die het naast aan den dood is, en dit kan niet anders. Een koning kan een misdadiger niet aan de maatschappij teruggeven, maar God, die den zondaar, met kwijtschelding zijner schuld, tegelijk weet te bekeren, vergeeft volkomen en herstelt niet alleen den schuldige in zijnen vorigen staat, maar plaatst hem nog hoger dan hij te voren stond.
Treffend wordt hiermede aangeduid, hoe het geweten in Gods gemeenschap steeds fijner gevoelt, de levenswandel voorzichtiger wordt geleid, des Heren Woord getrouwer wordt geraadpleegd, en naar de stem Zijns Geestes meer opmerkzaam wordt geluisterd.
Die drievoudige herhaling: “Ik zal onderwijzen, Ik zal leren, Ik zal raadgeven” leert ons de drie werkzaamheden van een goed leraar: ten eerste moet hij het volk den weg des behouds leren kennen, ten tweede hen voorgaan, ten derde over hen en hun wegen waken.
En nu, o mensenkinderen, heb ik ook, gelijk het opschrift van den Psalm zegt (vs. 1), ene onderwijzing voor u, met welke ik aan mijne belofte (Psalm 51: 15) voldoe. Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, dieren, die ver beneden u staan. Onderscheidt u van het dier a), welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake, (liever: wanneer het tot u niet wil komen, niet naar uwe stem wil luisteren). Gij zoudt aan die redeloze dieren gelijk zijn, wanneer gij op middelen van geweld wildet wachten, voordat gij u tot den Heere wildet laten geleiden.
Spreuken 26: 3. Jak. 3: 3. Ik meen toch, dat God Nebukadnézar gebit en toom in den muil legde en alzo het trotse dier temde (Dan. 4). Ik meende, dat God Manasse gebit en toom in den muil legde, toen hij in ijzeren ketenen gevangen lag en gaarne de knieën voor God gebogen had, om van de ijzeren boeien los te komen (2 Kronieken 33: 9 vv.). Den hoogmoedigen koning Faraö dwong onze lieve God door verachtelijke schepselen, door kikvorsen, luizen, sprinkhanen en legde alzo het trotse paard een wonderlijk gebit in den muil.
Wanneer wij er ons niet in voegen, om God gewillig te dienen, zo moeten wij toch eindelijk, of wij willen of niet. Degene, die uit Gods gewilligen dienst loopt, valt in Zijnen gedwongen dienst; daarom bad die nauwgezette man: “Leid mij, o God! den weg, dien Gij verkozen hebt; wanneer ik echter niet wil, dan is niets beters, dan dat ik gedwongen werd”. David gebruikt dit beeld, om daarmee te doen uitkomen, dat alzo de zondaar ook niet tot God wil komen, ofschoon de Heere er recht op heeft, tenzij hij door innerlijke smart overmand, door de genade Gods tot waarachtige bekering komt, en alsdan nadert tot de voetbank van Zijn troon.
Daarmee zoudt gij uzelven slechts grote smarten veroorzaken, want de goddeloze, die den Heere en Zijne genade veracht, heeft vele smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal, gelijk mijn voorbeeld bewijst, de goedertierenheid omringen. De goddelozen willen wel gaarne van alles een kruis maken, wat hun door God ter straffe wordt toegezonden, maar het is dien naam niet waard, het is niets dan ene ezelsroede. Het kruis der gelovigen is ene vaderlijke roede ten goede, tot tucht en onderwijzing en heeft een vrolijk einde.
Hij zal omringd zijn van genade, gelijk iemand omringd is van de lucht, van het zonlicht. Hij zal genade en goedertierenheid vinden overal, te huis en daar buiten, bij dag en bij nacht, in gezelschap en in eenzaamheid, in ziekte en gezondheid, in leven en dood, in tijd en eeuwigheid. Hij zal wandelen te midden van genade, hij zal sterven te midden van genade; hij zal leven in ene betere wereld te midden van eeuwige goedertierenheid.
Daarmee zoudt gij uzelven slechts grote smarten veroorzaken, want de goddeloze, die den Heere en Zijne genade veracht, heeft vele smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal, gelijk mijn voorbeeld bewijst, de goedertierenheid omringen. De goddelozen willen wel gaarne van alles een kruis maken, wat hun door God ter straffe wordt toegezonden, maar het is dien naam niet waard, het is niets dan ene ezelsroede. Het kruis der gelovigen is ene vaderlijke roede ten goede, tot tucht en onderwijzing en heeft een vrolijk einde.
Hij zal omringd zijn van genade, gelijk iemand omringd is van de lucht, van het zonlicht. Hij zal genade en goedertierenheid vinden overal, te huis en daar buiten, bij dag en bij nacht, in gezelschap en in eenzaamheid, in ziekte en gezondheid, in leven en dood, in tijd en eeuwigheid. Hij zal wandelen te midden van genade, hij zal sterven te midden van genade; hij zal leven in ene betere wereld te midden van eeuwige goedertierenheid. 11.
III. Vs. 11.KruisverwijzingenPsalmen 64:10→Psalmen 68:3→Filippenzen 4:4→Psalmen 97:12→Psalmen 33:1→Psalmen 5:11→Deuteronomium 12:12→Romeinen 5:11→
— Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!
Ten slotte roept de heilige zanger degenen, die hij in ‘t begin van den Psalm zalig geprezen heeft, tot vreugde in den Heere en tot luide jubelliederen op.
Verblijdt u in den HEERE, met wien gij in gemeenschap staat, en verheugt u over al den zegen, welke uit die gemeenschap voortvloeit, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, van Zijne genade en heerlijkheid, die gij dagelijks ondervindt, alle gij oprechten van harte! O mens! waar zijt gij? Verbergt gij u nog in de holen der zonde en maakt gij daarbij het ontkennen en verzwijgen tot uwe bescherming en uwe toevlucht? Of zijt gij bij ware erkenning en verkregene vergeving der zonden onder Gods bescherming (vs. 7) gekomen? In het begin van dezen Psalm heeft de boeteling, gebogen onder het gevoel van zijne ellende ten gevolge van zijne zonde, den zegen des rechtvaardigen verheven. Hij doet weer hetzelfde op het einde door een blij gevoel van zijn vergeving en herstelling tot dezen gelukkigen toestand. Laat ons, o Heere Jezus! in U en in Uwe redding ons verblijden, zo zullen wij ons inderdaad verheugen.
Looft den HEERE met de harp, de cither; psalmzingt Hem met de luit en het tiensnarig Instrument, op de tiensnarige harp. (1 Kronieken 25: 31 ).
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel