“Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.”—Psalm 32:5
Lees verder: Psalm 51:3-21.
David was lange tijd erg bedroefd over zijn zonden. De gevolgen waren van buiten zichtbaar: zijn botten teerden weg en zijn levenssap veranderde in zomerse droogte. Hij vertelt ons dat hij een tijdlang zweeg, waardoor zijn hart nog meer met verdriet werd gevuld. Zoals een bergmeer waarvan de uitgang geblokkeerd is, zo zwol zijn ziel op van verdriet. Hij was bang om zijn zonden onder ogen te zien. Hij kwam met verontschuldigingen en probeerde zijn gedachten af te leiden, maar het was allemaal tevergeefs. De pijl van de overtuiging deed de wond opnieuw bloeden en maakte haar elke dag groter en dieper. Als een etterende wond hoopte zijn verdriet zich op en werd het steeds groter. Zolang hij de wond niet opende door zijn zonden te belijden, werd zijn geest steeds meer gekweld en had hij geen rust vanwege zijn zonden. Om niet te sterven moest hij zich uiteindelijk toch nederig en berouwvol tot zijn God keren. Daarom haastte hij zich naar de genadetroon. Daar beleed hij al zijn ongerechtigheden voor de Alziende. Hij erkende al het kwaad in wat hij gedaan had. Toen hij dat gedaan had — zo eenvoudig en toch zo moeilijk voor de trots — ontving hij meteen het bewijs van Gods vergeving: hij was gebroken geweest, maar nu was hij blij. Hij kwam uit zijn binnenkamer en bezong hoe gelukkig degene is van wie de zonden vergeven zijn, van wie de zonde bedekt is. Echte belijdenis van zonde, door genade gewerkt, moet boven alles gewaardeerd worden, want wie zijn zonde belijdt en opgeeft, vindt genade.
Ter overdenking
David was zich pijnlijk bewust van de geestelijke en lichamelijke gevolgen van zijn zonden (Psalm 32:3-4; 51:9-11). Het belijden van zonden aan God geneest altijd de innerlijke geestelijke ziekte van een christen (1 Johannes 1:9) en kan ook de uiterlijke symptomen verlichten (Jakobus 5:16).
Preek 641, 23 juli 1865

