Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Aleph. IkH589 ben de manH1397, die ellendeH6040 gezienH7200 heeft door de roedeH7626 Zijner verbolgenheidH5678.
Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
KJV
I am the man2
that hath seen3
affliction4
by the rod5
of his wrath.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Aleph. Hij heeft mij geleidH5090 en gevoerdH3212 in de duisternisH2822, en nietH3808 in het lichtH216.
Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
KJV
He hath led2
me, and brought3
me into darkness,4
but not into light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewendH7725, Hij heeft Zijn handH3027 den gansenH3605 dagH3117 veranderdH2015.
Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
KJV
Surely against me is he turned;3
he turneth4
his hand5
against me all the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Beth. Hij heeft mijn vleesH1320 en mijn huidH5785 oudH1086 gemaakt, Hij heeft mijn beenderenH6106 gebrokenH7665.
Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
KJV
My flesh2
and my skin3
hath he made old;1
he hath broken4
my bones.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Beth. Hij heeft tegenH5921 mij gebouwdH1129, en Hij heeft mij met galleH7219 en moeiteH8513 omringdH5362.
Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
KJV
He hath builded against1
me, and compassed3
me with gall4
and travail.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Beth. Hij heeft mij gezetH3427 in duistereH4285 plaatsen, als degenen, die over langH5769 doodH4191 zijn.
Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
KJV
He hath set2
me in dark places,1
as they that be dead3
of old.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Gimel. Hij heeft mij toegemuurdH1443, dat ik er nietH3808 uit gaan kanH3318; Hij heeft mijn koperen boeienH5178 verzwaardH3513.
Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
KJV
He hath hedged1
me about, that I cannot get out:4
he hath made my chain6
heavy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Gimel. OokH1571 wanneer ik roepH2199 en schreeuwH7768, sluitH5640 Hij de oren voor mijn gebedH8605.
Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
KJV
Also when I cry3
and shout,4
he shutteth out5
my prayer.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Gimel. Hij heeft mij wegenH1870 toegemuurdH1443 met uitgehouwen stenenH1496, Hij heeft mijn padenH5410 verkeerdH5753.
Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
KJV
He hath inclosed1
my ways2
with hewn stone,3
he hath made my paths4
crooked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Daleth. HijH1931 is mij een loerendeH693 beerH1677, een leeuwH738 in verborgen plaatsenH4565.
Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
KJV
He was unto me as a bear1
lying in wait,2
and as a lion5
in secret places.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Daleth. Hij heeft mijn wegenH1870 afgewendH5493; en Hij heeft mij in stukken gebrokenH6582; Hij heeft mij woestH8074 gemaakt.
Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.
KJV
He hath turned aside2
my ways,1
and pulled me in pieces:3
he hath made4
me desolate.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Daleth. Hij heeft Zijn boogH7198 gespannenH1869, en Hij heeft mij den pijlH2671 als ten doelH4307 gesteldH5324.
Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.
KJV
He hath bent1
his bow,2
and set3
me as a mark4
for the arrow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
He. Hij heeft Zijn pijlenH1121 in mijn nierenH3629 doen ingaanH935.
He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
KJV
He hath caused the arrows3
of his quiver4
to enter1
into my reins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
He. Ik ben al mijn volkH5971 tot belachingH7814 geworden, hun snarenspelH5058 den gansenH3605 dagH3117.
He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
KJV
I was a derision2
to all my people;4
and their song5
all the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
He. Hij heeft mij met bitterhedenH4844 verzadigdH7646, Hij heeft mij met alsemH3939 dronkenH7301 gemaakt.
He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
KJV
He hath filled1
me with bitterness,2
he hath made me drunken3
with wormwood.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Vau. Hij heeft mijn tandenH8127 met zandsteentjesH2687 verbrijzeldH1638, Hij heeft mij in de asH665 nedergedruktH3728.
Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
KJV
He hath also broken1
my teeth3
with gravel stones,2
he hath covered4
me with ashes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Vau. En Gij hebt mijn zielH5315 verre van den vredeH7965 verstotenH2186, ik heb het goedeH2896 vergetenH5382.
Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
KJV
And thou hast removed1
my soul3
far off
from peace:2
I forgat4
prosperity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Vau. Toen zeideH559 ik: Mijn sterkteH5331 is vergaanH6, en mijn hoopH8431 van den HEEREH3068.
Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.
KJV
And I said,1
My strength3
and my hope4
is perished2
from the LORD:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zain. GedenkH2142 aan mijn ellendeH6040 en aan mijn ballingschapH4788, aan den alsemH3939 en galleH7219.
Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.
KJV
Remembering1
mine affliction2
and my misery,3
the wormwood4
and the gall.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Zain. Mijn zielH5315 gedenktH2142 er wel terdegeH2142 aanH5921, en zij buktH7743 zich neder in mij.
Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.
KJV
My soul5
hath them still1
in remembrance,2
and is humbled
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
Zain. DitH2063 zal ik mij ter harteH3820 nemenH7725, daaromH3651 zal ik hopenH3176;
Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
KJV
This I recall2
to my mind,4
therefore have I hope.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Cheth. Het zijn de goedertierenhedenH2617 des HEERENH3068, datH3588 wij nietH3808 vernieldH8552 zijn, datH3588 Zijn barmhartighedenH7356 geenH3808 eindeH3615 hebben;
Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
KJV
It is of the LORD'S2
mercies1
that we are not consumed,5
because his compassions9
fail
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Cheth. Zij zijn allen morgenH1242 nieuwH2319, Uw trouwH530 is grootH7227.
Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.
KJV
They are new1
every morning:2
great3
is thy faithfulness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Cheth. De HEEREH3068 is mijn DeelH2506, zegtH559 mijn zielH5315, daaromH3651 zal ik opH5921 Hem hopenH3176.
Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
KJV
The LORD2
is my portion,1
saith3
my soul;4
therefore will I hope
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Teth. De HEEREH3068 is goedH2896 dengenen, die Hem verwachtenH6960, der zieleH5315, die Hem zoektH1875.
Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
KJV
The LORD2
is good1
unto them that wait3
for him, to the soul4
that seeketh
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
Teth. Het is goedH2896, dat men hopeH3175, en stilleH1748 zij op het heilH8668 des HEERENH3068.
Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.
KJV
It is good1
that a man should both hope2
and quietly wait3
for the salvation4
of the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
Teth. Het is goedH2896 voor een manH1397, datH3588 hij het jukH5923 in zijn jeugdH5271 draagtH5375.
Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
KJV
It is good1
for a man2
that he bear4
the yoke5
in his youth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
Jod. Hij zitteH3427 eenzaamH910, en zwijge stilH1826, omdatH3588 Hij het hem opgelegdH5190 heeft.
Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
KJV
He sitteth1
alone2
and keepeth silence,3
because he hath borne
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Jod. Hij stekeH5414 zijn mondH6310 in het stofH6083, zeggende: Misschien is er verwachtingH8615.
Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
KJV
He putteth1
his mouth3
in the dust;2
if so be there may be5
hope.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
Jod. Hij geveH5414 zijn wangH3895 dien, die hem slaatH5221, hij worde zat van smaadH2781.
Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.
KJV
He giveth1
his cheek3
to him that smiteth2
him: he is filled full4
with reproach.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Caph. WantH3588 de HeereH136 zal nietH3808 verstotenH2186 in eeuwigheidH5769.
Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
KJV
For the Lord5
will not cast off3
for ever:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
Caph. MaarH3588 als Hij bedroefdH3013 heeft, zoH518 zal Hij Zich ontfermenH7355, naar de grootheidH7230 Zijner goedertierenhedenH2617.
Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.
KJV
But though he cause grief,3
yet will he have compassion4
according to the multitude5
of his mercies.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
Caph. WantH3588 Hij plaagtH6031 of bedroeftH3013 des mensenkinderenH1121 nietH3808 van harteH3820.
Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.
Ook in dit vers
mensenH376
KJV
For he doth not afflict3
willingly4
nor grieve5
the children6
of men.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
Lamed. Dat men alH3605 de gevangenenH615 der aardeH776 onderH8478 Zijn voetenH7272 verbrijzeltH1792;
Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;
KJV
To crush1
under his feet3
all the prisoners5
of the earth,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
Lamed. Dat men het rechtH4941 eens mansH1397 buigtH5186 voor het aangezichtH6440 des AllerhoogstenH5945;
Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;
KJV
To turn aside1
the right2
of a man3
before the face5
of the most High,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Lamed. Dat men een mensH120 verongelijktH5791 in zijn twistzaakH7379; zou het de HeereH136 nietH3808 zienH7200?
Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
KJV
To subvert1
a man2
in his cause,3
the Lord4
approveth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Mem. WieH4310 zegtH559 wat, hetwelk geschiedtH1961, zo het de HeereH136 nietH3808 beveeltH6680?
Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?
KJV
Who is he that saith,3
and it cometh to pass, when the Lord5
commandeth
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
Mem. Gaat nietH3808 uit den mondH6310 des AllerhoogstenH5945 het kwadeH7451 en het goedeH2896?
Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?
KJV
Out of the mouth1
of the most High2
proceedeth4
not evil5
and good?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
Mem. WatH4100 klaagtH596 dan een levendH2416 mensH120? Een ieder klage vanwegeH5921 zijn zondenH2399.
Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.
KJV
Wherefore doth a living4
man3
complain,2
a man5
for the punishment of his sins?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
Nun. Laat ons onze wegenH1870 onderzoekenH2664 en doorzoekenH2713, en laat ons wederkerenH7725 totH5704 den HEEREH3068.
Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.
KJV
Let us search1
and try3
our ways,2
and turn again4
to the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
41
Nun. Laat ons onze hartenH3824 opheffenH5375, mitsgaders de handenH3709, totH413 GodH410 in den hemelH8064, zeggende:
Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:
KJV
Let us lift up1
our heart2
with our hands4
unto God6
in the heavens.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
42
Nun. Wij hebben overtredenH6586, en wij zijn wederspannigH4784 geweest, daarom hebt GijH859 nietH3808 gespaardH5545.
Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.
KJV
We1
have transgressed2
and have rebelled:3
thou hast not pardoned.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
43
Samech. Gij hebt ons met toornH639 bedektH5526, en Gij hebt ons vervolgdH7291; Gij hebt ons gedoodH2026, Gij hebt nietH3808 verschoondH2550.
Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.
KJV
Thou hast covered1
with anger,2
and persecuted3
us: thou hast slain,4
thou hast not pitied.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
44
Samech. Gij hebt U met een wolkH6051 bedektH5526, zodat er geen gebedH8605 doorkwamH5674.
Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
KJV
Thou hast covered1
thyself with a cloud,2
that our prayer5
should not pass through.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
45
Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagselH5501 en wegwerpselH3973 gesteldH7760, in het middenH7130 der volkenH5971.
Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.
KJV
Thou hast made3
us as the offscouring1
and refuse2
in the midst4
of the people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
46
Pe. AlH3605 onze vijandenH341 hebben hun mondH6310 tegenH5921 ons opgesperdH6475.
Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.
KJV
All our enemies5
have opened1
their mouths
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
47
Pe. De vrezeH6343 en de kuilH6354 zijnH1961 over ons gekomen, de verwoestingH7612 en de verbrekingH7667.
Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.
KJV
Fear1
and a snare2
is come upon us, desolation5
and destruction.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
48
Pe. Met waterbekenH6388 looptH3381 mijn oogH5869 nederH3381, vanwegeH5921 de breukH7667 der dochterH1323 mijns volksH5971.
Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.
KJV
Mine eye4
runneth down3
with rivers1
of water2
for the destruction6
of the daughter7
of my people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
49
Ain. Mijn oogH5869 vlietH5064, en kan niet ophoudenH1820, omdat er geen rustH2014 is;
Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
KJV
Mine eye1
trickleth down,2
and ceaseth4
not, without any intermission,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
50
Ain. TotdatH5704 het de HEEREH3068 van den hemelH8064 aanschouweH8259, en het zieH7200.
Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.
KJV
Till the LORD4
look down,2
and behold3
from heaven.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
51
Ain. Mijn oogH5869 doet mijn zieleH5315 moeite aan, vanwege alH3605 de dochterenH1323 mijner stadH5892.
Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.
KJV
Mine eye1
affecteth2
mine heart3
because of all the daughters5
of my city.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
52
Tsade. Die mijn vijandenH341 zijn zonder oorzaakH2600, hebben mij als een vogeltjeH6833 dapperlijkH6679 gejaagdH6679.
Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.
KJV
Mine enemies4
chased1
me sore,2
like a bird,3
without cause.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
53
Tsade. Zij hebben mijn levenH2416 in een kuilH953 uitgeroeidH6789, en zij hebben een steenH68 op mij geworpenH3034.
Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.
KJV
They have cut off1
my life3
in the dungeon,2
and cast4
a stone
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
54
Tsade. De waterenH4325 zwommenH6687 overH5921 mijn hoofdH7218; ik zeideH559: Ik ben afgesnedenH1504!
Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!
KJV
Waters2
flowed over1
mine head;4
then I said,5
I am cut off.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
55
Koph. HEEREH3068! Ik heb Uw NaamH8034 aangeroepenH7121 uit den onderstenH8482 kuilH953.
Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.
KJV
I called1
upon thy name,2
O LORD,3
out of the low5
dungeon.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
56
Koph. Gij hebt mijn stemH6963 gehoordH8085, verbergH5956 Uw oorH241 nietH408 voor mijn zuchtenH7309, voor mijn roepenH7775.
Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
KJV
Thou hast heard2
my voice:1
hide4
not thine ear5
at my breathing,6
at my cry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
57
Koph. Gij hebt U genaderdH7126 ten dageH3117, als ik U aanriepH7121; Gij hebt gezegdH559: VreesH3372 nietH408!
Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
KJV
Thou drewest near1
in the day2
that I called3
upon thee: thou saidst,4
Fear
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
58
Resch. HeereH136! Gij hebt de twistzakenH7379 mijner zielH5315 getwistH7378, Gij hebt mijn levenH2416 verlostH1350.
Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.
KJV
O Lord,2
thou hast pleaded1
the causes3
of my soul;4
thou hast redeemed5
my life.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
59
Resch. HeereH3068! Gij hebt gezienH7200 de verkeerdheidH5792, die men mij aangedaan heeft, oordeelH8199 mijn rechtzaakH4941.
Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.
KJV
O LORD,2
thou hast seen1
my wrong:3
judge4
thou my cause.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
60
Resch. Gij hebt al hun wraakH5360 gezienH7200, alH3605 hun gedachtenH4284 tegen mij.
Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.
KJV
Thou hast seen1
all their vengeance3
and all their imaginations
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
61
Schin. HEEREH3068! Gij hebt hun smadenH2781 gehoordH8085, en alH3605 hun gedachtenH4284 tegenH5921 mij;
Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
KJV
Thou hast heard1
their reproach,2
O LORD,3
and all their imaginations
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
62
Schin. De lippenH8193 dergenen, die tegen mij opstaanH6965, en hun dichtenH1902 tegenH5921 mij den gansenH3605 dagH3117.
Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.
KJV
The lips1
of those that rose up2
against me, and their device3
against me all the day.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
63
Schin. AanschouwH5027 hun zittenH3427 en opstaanH7012; ikH589 ben hun snarenspelH4485.
Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.
KJV
Behold3
their sitting down,1
and their rising up;2
I am their musick.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
64
Thau. HEEREH3068! geefH7725 hun weder die vergeldingH1576, naar het werkH4639 hunner handenH3027.
Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
KJV
Render1
unto them a recompence,3
O LORD,4
according to the work5
of their hands.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
65
Thau. GeefH5414 hun een dekselH4044 des hartenH3820; Uw vloekH8381 zij over hen!
Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!
KJV
Give1
them sorrow3
of heart,4
thy curse
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
66
Thau. VervolgH7291 ze met toornH639, en verdelgH8045 ze van onderH8478 den hemelH8064 des HEERENH3068.
Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
KJV
Persecute1
and destroy3
them in anger2
from under the heavens5
of the LORD.
Aleph
In dit hfdst. zijn doorgaans drie verzen na elkander met dezelfde letter beginnende; zie boven Klaagl. 1:1 .
Hertaald:
Aleph
In dit hoofdstuk beginnen telkens drie verzen achter elkaar met dezelfde letter; zie hierboven Klaagl. 1:1.
Ik ben de man,
De profeet spreekt hier van zichzelven alleen niet onder den naam van een man, maar van de gehele kerk, die maar een lichaam uitmaakt.
Hertaald:
Ik ben de man,
De profeet spreekt hier niet alleen over zichzelf onder de naam van een man, maar over de hele kerk, die maar één lichaam vormt.
Zijner verbolgenheid
Te weten des Heeren; vergelijk Jes. 10:5 .
Hertaald:
Zijner verbolgenheid
Namelijk van de HEERE; vergelijk Jes. 10:5.
in de duisternis,
Dat is, in grote ellenden en zwarigheden; zie Gen. 15:12 . Alzo betekent licht hier groten welstand; zie Ps. 27:1 .
Hertaald:
in de duisternis,
Dat is: in grote ellende en moeiten; zie Gen. 15:12. Zo betekent licht hier grote welstand; zie Ps. 27:1.
Zijn hand
Dat is, plaag, straf. Zie Ps. 32:4 .
Hertaald:
Zijn hand
Dat is: plaag, straf. Zie Ps. 32:4.
veranderd
Of, omgekeerd; de zin is: Nu slaat Hij mij met die hand, met welke Hij mij tevoren heeft beschut en beschermd. In een woord: Hij stelt zich geheel anders tegen mij dan Hij placht te doen; zie de aantekening Ps. 77:11 .
Hertaald:
veranderd
Of: omgekeerd. De betekenis is: nu slaat Hij mij met dezelfde hand waarmee Hij mij vroeger beschut en beschermd heeft. Kortom: Hij stelt Zich geheel anders tegenover mij op dan Hij placht te doen; zie de aantekening bij Ps. 77:11.
Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt,
Dat is, de tekenen van zijn zware hand tegen mij, vanwege mijne zonden, blijken daaraan, dat mijn vlees vergaat en mijne huid verrimpelt.
Hertaald:
Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt,
Dat is: de tekenen van Zijn zware hand tegen mij vanwege mijn zonden blijken hieruit, dat mijn vlees vergaat en mijn huid rimpelt.
beenderen gebroken
Dat is, Hij heeft mij al mijne kracht benomen. Zie ook boven Klaagl. 1:13 , en Ps. 6:3-4 , en Ps. 32:3 , en Ps. 51:10 , en Ps. 141:7 ; Jes. 38:13 .
Hertaald:
beenderen gebroken
Dat is: Hij heeft mij al mijn kracht ontnomen. Zie ook hierboven Klaagl. 1:13, en Ps. 6:3-4, Ps. 32:3, Ps. 51:10 en Ps. 141:7; Jes. 38:13.
heeft tegen mij gebouwd,
Dat is, Hij heeft mij rondom bezet en besloten als met bolwerken der ellenden, zodat ik zijn hand niet kan ontkomen of tegenstaan; zie Job 10:17 .
Hertaald:
heeft tegen mij gebouwd,
Dat is: Hij heeft mij rondom ingesloten en omsingeld als met bolwerken van ellende, zodat ik Zijn hand niet kan ontkomen en niet kan weerstaan; zie Job 10:17.
galle en moeite omringd
De gal betekent, vanwege hare bitterheid, grote ellenden en kwaad, dat den mensen overkomt, alzo vs.19; Jer. 8:14 , en Jer. 9:15 , en Jer. 23:15 ; zie Ps. 69:22 .
Hertaald:
galle en moeite omringd
De gal betekent vanwege haar bitterheid grote ellende en kwaad dat de mensen overkomt, zo ook vers 19; Jer. 8:14, Jer. 9:15 en Jer. 23:15; zie Ps. 69:22.
Hij heeft mij gezet
Dat is, Hij heeft mij in grote zwarigheden gebracht; zie vs.2; Ezech. 37:13 . Anderen verstaan dit van de gevangenis, waarin Jeremia heeft gesloten gelegen. Anderen verstaan het van de graven.
Hertaald:
Hij heeft mij gezet
Dat is: Hij heeft mij in grote moeiten gebracht; zie vers 2; Ezech. 37:13. Anderen verstaan dit van de gevangenis waarin Jeremia opgesloten heeft gelegen. Weer anderen verstaan het van de graven.
als degenen,
Hebreeuws, als de doden der eeuwigheid; dat is gelijk degenen, die over langen tijd gestorven en nu al vergeten zijn; vergelijk Ps. 88:5-7 , en Ps. 143:3 , en de aantekening aldaar.
Hertaald:
als degenen,
Hebreeuws: als de doden van de eeuwigheid; dat is: zoals zij die al lang geleden gestorven en nu al vergeten zijn; vergelijk Ps. 88:5-7 en Ps. 143:3, met de aantekening daar.
mij toegemuurd,
Zie Job 19:8 ; zie ook boven vs.5, en onder vs.9.
Hertaald:
mij toegemuurd,
Zie Job 19:8; zie ook hierboven vers 5 en hierna vers 9.
mijn koperen boeien verzwaard
Of, mijn stalen boeien. Anders, mijn ijzers; dat is, Hij heeft mijne ellenden, die mij omsingelen, van tijd tot tijd meer en meer vergroot.
Hertaald:
mijn koperen boeien verzwaard
Of: mijn stalen boeien. Anders: mijn ijzers; dat is: Hij heeft mijn ellenden, die mij omsingelen, van tijd tot tijd meer en meer vergroot.
sluit Hij
Of, Hij sluit mijn gebed uit; dat is, Hij neemt mijn gebed niet aan, immers gevoel ik geen verlichting; vergelijk Ps. 22:2 , en Ps. 77:8 , enz.
Hertaald:
sluit Hij
Of: Hij sluit mijn gebed buiten; dat is: Hij neemt mijn gebed niet aan, althans ik voel geen verlichting; vergelijk Ps. 22:2 en Ps. 77:8, enzovoort.
Hij heeft mij wegen toegemuurd
Dat is, Hij heeft mij alle wegen van uitkomst afgestopt met onoverwinnelijke verhindernissen; zie Num. 22:24 ; Job 19:8 , en Hos. 2:5 .
Hertaald:
Hij heeft mij wegen toegemuurd
Dat is: Hij heeft mij alle wegen tot uitkomst afgesloten met onoverkomelijke hindernissen; zie Num. 22:24; Job 19:8 en Hos. 2:5.
uitgehouwen stenen,
Of, gesnedene; zie 1 Kron. 22:2 ; zie ook Jes. 9:9 .
Hertaald:
uitgehouwen stenen,
Of: gehouwen stenen; zie 1 Kron. 22:2; zie ook Jes. 9:9.
heeft mijn paden verkeerd
Dat is, Hij heeft al mijne aanslagen teniet gemaakt, die ik voorgenomen had tot mijne verlossing. Het is enerlei zin met vs.5, 7.
Hertaald:
heeft mijn paden verkeerd
Dat is: Hij heeft al mijn plannen tenietgedaan die ik tot mijn verlossing gemaakt had. Het heeft dezelfde betekenis als vers 5 en 7.
Hij is mij een loerende beer,
Of, Hij heeft op mij geloerd als een beer, enz.; vergelijk Job 10:16 ; Jes. 38:13 ; Hos. 5:14 , en Hos. 13:8 ; Am. 5:19 .
Hertaald:
Hij is mij een loerende beer,
Of: Hij heeft op mij geloerd als een beer, enzovoort; vergelijk Job 10:16; Jes. 38:13; Hos. 5:14 en Hos. 13:8; Amos 5:19.
een leeuw in verborgen plaatsen
Een leeuw, schuilende in zijn hol en loerende op de mensen of beesten, die voorbijgaan, om die te betrappen en te verslinden. Zie deze gelijkenis ook Hos. 5:14 , en Hos. 13:7 .
Hertaald:
een leeuw in verborgen plaatsen
Een leeuw die in zijn hol schuilt en loert op de mensen of dieren die voorbijgaan, om die te betrappen en te verslinden. Zie deze vergelijking ook in Hos. 5:14 en Hos. 13:7.
Hij heeft mijn wegen afgewend;
Dat is, Hij heeft mijne daden geheel tot een ander einde gewend dan ik gemeend had. Anders: Als mijne wegen wederspannig [of afwijkende] zijn, zo verbreekt of verscheurt Hij mij.
Hertaald:
Hij heeft mijn wegen afgewend;
Dat is: Hij heeft mijn daden een heel ander einde gegeven dan ik bedoeld had. Anders: wanneer mijn wegen weerspannig of afwijkend zijn, verbreekt of verscheurt Hij mij.
en Hij heeft mij
Dat is, Hij heeft zo den kerkestand als de politie verscheurd en te schande gemaakt.
Hertaald:
en Hij heeft mij
Dat is: Hij heeft zowel de kerkelijke als de burgerlijke staat verscheurd en te schande gemaakt.
in stukken gebroken;
Gelijk een schaap, dat in de klauwen der leeuwen of der beren vervalt.
Hertaald:
in stukken gebroken;
Zoals een schaap dat in de klauwen van leeuwen of beren terechtkomt.
Hij heeft mij woest gemaakt
Dat is, Hij heeft mij beroofd van mijne vrienden, goederen en alle behulpzame middelen, zodat ik niets behouden heb.
Hertaald:
Hij heeft mij woest gemaakt
Dat is: Hij heeft mij beroofd van mijn vrienden, mijn goederen en alle hulpmiddelen, zodat ik niets overgehouden heb.
Hij heeft Zijn boog
Dat is, Hij heeft zijne wapenen tegen mij bereid om gestrengelijk met mij te handelen. Gode worden hier en elders figuurlijkerwijze, stoffelijke wapenen toegeschreven. Zie Richt. 7:20 ; Job 16:12 ; Ps. 21:13 ; Hab. 3:9 , Hab. 3:11 ; Jes. 27:1 , en Jes. 34:5-6 .
Hertaald:
Hij heeft Zijn boog
Dat is: Hij heeft Zijn wapens tegen mij gereedgemaakt om streng met mij te handelen. Aan God worden hier en elders bij wijze van beeldspraak stoffelijke wapens toegeschreven. Zie Richt. 7:20; Job 16:12; Ps. 21:13; Hab. 3:9, Hab. 3:11; Jes. 27:1 en Jes. 34:5-6.
gespannen,
Hebreeuws, getreden; zie Ps. 7:13 , en Klaagl. 2:4 .
Hertaald:
gespannen,
Hebreeuws: getreden; zie Ps. 7:13 en Klaagl. 2:4.
Hij heeft mij den pijl
Zie Job 16:12 , en vergelijk Job 7:20 ; zie ook Ps. 64:4 .
Hertaald:
Hij heeft mij den pijl
Zie Job 16:12, en vergelijk Job 7:20; zie ook Ps. 64:4.
Zijn pijlen
Hebreeuws, de zonen, of kinderen van zijn pijlkoker; zie Job 6:4 . Daarom worden de pijlen aldus genoemd omdat zij in den pijlkoker besloten zijn; Ps. 127:4-5 , worden ook de zonen bij pijlen vergeleken.
Hertaald:
Zijn pijlen
Hebreeuws: de zonen of kinderen van Zijn pijlkoker; zie Job 6:4. De pijlen worden zo genoemd omdat zij in de pijlkoker besloten zijn; in Ps. 127:4-5 worden ook de zonen met pijlen vergeleken.
in mijn nieren doen ingaan
Dat is, Hij heeft de pijlen zijner plagen doen gaan tot in de binnenste delen mijns lichaams en mijner ziel. Zie Job 16:13 , en Job 19:27 ; Ps. 139:13 .
Hertaald:
in mijn nieren doen ingaan
Dat is: Hij heeft de pijlen van Zijn plagen doen doordringen tot in de binnenste delen van mijn lichaam en mijn ziel. Zie Job 16:13 en Job 19:27; Ps. 139:13.
al mijn volk
Te weten al dengenen, die mijne vrienden en bekenden geweest zijn; inzonderheid dengenen, die afgevallen zijn vanwege deze zware ellenden, die Gij, Heere, ons toeschikt.
Hertaald:
al mijn volk
Namelijk allen die mijn vrienden en bekenden geweest zijn, en vooral hen die afgevallen zijn vanwege deze zware ellende die U, HEERE, ons toeschikt.
tot belaching geworden,
Dat is, een stof van belaching en bespotting.
Hertaald:
tot belaching geworden,
Dat is: een aanleiding tot uitlachen en bespotten.
snarenspel
Hebreeuws, snarenslaging. De zin is: Zij dichten liedjes van mij en hebben hun genoegen daarin, dat zij mij dagelijks in hunne liedjes mijne ellende verwijten en voorwerpen; zie Job 17:6 , en Job 30:9 , en Ps. 69:13 , en onder vs.63; vergelijk Deut. 28:37 .
Hertaald:
snarenspel
Hebreeuws: snarenslaging. De betekenis is: zij dichten liedjes over mij en hebben er hun genoegen in dat zij mij dagelijks in hun liedjes mijn ellende verwijten en voorwerpen; zie Job 17:6 en Job 30:9, Ps. 69:13 en hierna vers 63; vergelijk Deut. 28:37.
met bitterheden verzadigd,
Of met grote bitterheid, of met gans bittere spijs; dat is met groten angst, kruis en droefheid; zie boven vs.5, en onder vs.19.
Hertaald:
met bitterheden verzadigd,
Of: met grote bitterheid, of: met volkomen bittere spijs; dat is: met grote angst, kruis en droefheid; zie hierboven vers 5 en hierna vers 19.
Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt
Te weten, de Heere heeft mij, door de veelheid van droefenissen en smarten, schier van mijne zinnen en verstand beroofd.
Hertaald:
Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt
Namelijk: de HEERE heeft mij door de menigte van droefheid en smart bijna van mijn zinnen en mijn verstand beroofd.
Hij heeft mijn tanden
Dat is, Hij heeft mij zulk brood te eten gegeven, dat vol zandstenen was, hetwelk mij de tanden gebroken heeft; zie Spr. 20:17 .
Hertaald:
Hij heeft mijn tanden
Dat is: Hij heeft mij zulk brood te eten gegeven dat het vol steengruis was, waardoor mijn tanden gebroken zijn; zie Spr. 20:17.
Hij heeft mij in de as nedergedrukt
Dat is, Hij heeft mij tot den allernederigsten en verachtelijksten staat gebracht.
Hertaald:
Hij heeft mij in de as nedergedrukt
Dat is: Hij heeft mij tot de allerlaagste en meest verachte staat gebracht.
mijn ziel
Dat is, allen welstand en vreugde hebt Gij, o Heere, ver van mijn hart weggedaan.
Hertaald:
mijn ziel
Dat is: alle welstand en vreugde hebt U, o HEERE, ver van mijn hart weggedaan.
ik heb het goede vergeten
Hij wil zeggen: Ik heb nu zolang in ellende geleefd, dat ik vergeten heb wat welstand en geneugte is; mij heugen geen goede dagen meer.
Hertaald:
ik heb het goede vergeten
Hij wil zeggen: ik heb nu zo lang in ellende geleefd dat ik vergeten ben wat welstand en genoegen is; ik herinner mij geen goede dagen meer.
Mijn sterkte
Te weten, om deze ellende langer te kunnen dragen.
Hertaald:
Mijn sterkte
Namelijk om deze ellende langer te kunnen dragen.
mijn hoop van den HEERE
Te weten, dat ik van dezelve eenmaal zou kunnen verlost worden, gelijk ik van den Heere gehoopt had.
Hertaald:
mijn hoop van den HEERE
Namelijk de hoop dat ik daar eens uit verlost zou kunnen worden, zoals ik van de HEERE gehoopt had.
Gedenk aan mijn ellende
Anders: gedenkende, of als ik gedacht.
Hertaald:
Gedenk aan mijn ellende
Anders: gedenkende, of: toen ik dacht.
ballingschap,
Vergelijk boven Klaagl. 1:7 .
Hertaald:
ballingschap,
Vergelijk hierboven Klaagl. 1:7.
aan den alsem en galle
Dat is, aan de bitterheid, die daarin was. Zie vs.5, 15.
Hertaald:
aan den alsem en galle
Dat is: aan de bitterheid die daarin lag. Zie vers 5 en 15.
gedenkt er wel terdege aan,
Hebreeuws, gedenkende gedenkt er mijne ziel aan; dat is, zij overdenkt en overlegt wel ernstiglijk de ellenden, die mij zijn overkomen vanwege mijne zonden.
Hertaald:
gedenkt er wel terdege aan,
Hebreeuws: gedenkende gedenkt mijn ziel eraan; dat is: zij overdenkt en overweegt zeer ernstig de ellende die mij vanwege mijn zonden overkomen is.
zij bukt zich neder in mij
Zij wordt er door vernederd en gedwee gemaakt.
Hertaald:
zij bukt zich neder in mij
Zij wordt daardoor vernederd en gedwee gemaakt.
Dit zal ik mij ter harte nemen,
Alsof hij zeide: Als ik deze dingen, [te weten die straks zullen verhaald worden] wel overweg, zo zal ik daaruit besluiten dat God mij nog eindelijk zal genadig zijn.
Hertaald:
Dit zal ik mij ter harte nemen,
Alsof hij zei: wanneer ik deze dingen — namelijk die meteen hierna genoemd worden — goed overweeg, dan zal ik daaruit concluderen dat God mij uiteindelijk toch genadig zal zijn.
Het zijn de goedertierenheden des HEEREN,
Dat is, het is aan de overvloeiende genade Gods toe te schrijven.
Hertaald:
Het zijn de goedertierenheden des HEEREN,
Dat is: het is toe te schrijven aan de overvloeiende genade van God.
dat Zijn barmhartigheden
Dat is, dat Hij ons nu nog zijne genade bewijst.
Hertaald:
dat Zijn barmhartigheden
Dat is: dat Hij ons nu nog Zijn genade bewijst.
Zij zijn allen morgen nieuw,
Zie Ps. 73:14 . De zin is: Wij gevoelen alle dagen nieuwe bewijzen uwer goedertierenheid te onswaarts.
Hertaald:
Zij zijn allen morgen nieuw,
Zie Ps. 73:14. De betekenis is: wij ervaren elke dag nieuwe bewijzen van Uw goedertierenheid jegens ons.
Uw trouw is groot
O Heere, uwe trouw is groot in het volbrengen uwer beloften; 1 Kor. 10:13 ; 2 Tim. 2:13 .
Hertaald:
Uw trouw is groot
O HEERE, Uw trouw is groot in het vervullen van Uw beloften; 1 Kor. 10:13; 2 Tim. 2:13.
De HEERE is mijn Deel,
De Heere is het, die mij aan ziel en aan lichaam onderhoudt, zijnde in alle manier voor mij genoegzaam, Gen. 17:1 ; Ps. 16:5 , en Ps. 73:26 ; Jer. 10:16 .
Hertaald:
De HEERE is mijn Deel,
De HEERE is het Die mij naar ziel en lichaam onderhoudt en Die mij in alle opzichten genoeg is; Gen. 17:1; Ps. 16:5 en Ps. 73:26; Jer. 10:16.
zegt mijn ziel,
Dat is, ik ben in mijn hart daarvan genoegzaam verzekerd; zie de aantekening Ps. 16:5 , en Ps. 18:3 , en Ps. 73:25-26 ; Rom. 8:38 .
Hertaald:
zegt mijn ziel,
Dat is: ik ben daarvan in mijn hart voldoende verzekerd; zie de aantekening bij Ps. 16:5, Ps. 18:3 en Ps. 73:25-26; Rom. 8:38.
die Hem verwachten,
Dat is, die vastelijk zich op Hem verlaten en met waar geloof op Hem vertrouwen.
Hertaald:
die Hem verwachten,
Dat is: zij die zich vast op Hem verlaten en met waar geloof op Hem vertrouwen.
der ziele,
Dat is, den mens, die zich van ganser harte benaarstigt om God te genaken door de middelen, die Hij verordineerd heeft om tot zijne kennis te komen.
Hertaald:
der ziele,
Dat is: voor de mens die zich van ganser harte inspant om God te naderen door de middelen die Hij verordend heeft om tot Zijn kennis te komen.
Het is goed,
Hij is gelukkig, die zijne hoop vast op den Heere gesteld heeft en in stilheid verlossing van den Heere is verwachtende; zie Ps. 37:7 ; zie ook Jes. 30:7 . Anders: het is goed als men smart lijdt, dat men stil zij, enz.
Hertaald:
Het is goed,
Gelukkig is hij die zijn hoop vast op de HEERE gesteld heeft en in stilheid verlossing van de HEERE verwacht; zie Ps. 37:7; zie ook Jes. 30:7. Anders: het is goed dat men stil is wanneer men smart lijdt, enzovoort.
op het heil des HEEREN
Dat is, op de verlossing, die de Heere bewijst dengenen, die op Hem vertrouwen.
Hertaald:
op het heil des HEEREN
Dat is: op de verlossing die de HEERE bewijst aan hen die op Hem vertrouwen.
voor een man,
Dat is, voor een iegelijk. Anderen verstaan door man een voortreffelijken man.
Hertaald:
voor een man,
Dat is: voor ieder mens. Anderen verstaan onder man een voortreffelijk man.
dat hij het juk
Dat is, dat hij kruis en tegenspoed lijdt, en zich der tucht onderwerpt, opdat zijn boze en verdorven natuur getoomd en getemd worde; vergelijk Ps. 119:71 .
Hertaald:
dat hij het juk
Dat is: dat hij kruis en tegenspoed lijdt en zich aan de tucht onderwerpt, opdat zijn boze en verdorven natuur getoomd en getemd wordt; vergelijk Ps. 119:71.
in zijn jeugd draagt
Eer de zonde te diep in zijn hart wortele en ten enemale over hem heerse.
Hertaald:
in zijn jeugd draagt
Voordat de zonde te diep in zijn hart wortelt en volledig over hem gaat heersen.
Hij
Te weten, die het juk in zijne jeugd heeft leren dragen. Anders: hij zal zitten, enz., of, [dat] hij zitte.
Hertaald:
Hij
Namelijk hij die het juk in zijn jeugd heeft leren dragen. Anders: hij zal zitten, enzovoort, of: dat hij zitte.
zitte eenzaam,
Hij neme het kruis in zijne enigheid stil op, zonder groot gebaar te maken, gedachtig zijnde dat het de Heere hem tot zijn best heeft opgelegd; zie Ps. 39:10 .
Hertaald:
zitte eenzaam,
Laat hij het kruis in zijn eenzaamheid stil opnemen, zonder groot misbaar te maken, gedachtig dat de HEERE het hem tot zijn bestwil opgelegd heeft; zie Ps. 39:10.
Hij het hem opgelegd heeft
Te weten de Heere.
Hertaald:
Hij het hem opgelegd heeft
Namelijk de HEERE.
Hij steke zijn mond
Dat is, hij werpe zichzelven zeer deemoediglijk ter aarde voor het aanschijn Gods, bekennende dat Hij hem met gerechtigheid al die ellende oplegt; vergelijk 1 Kor. 14:25 ; Job 42:6 ; Ps. 22:16 , Ps. 22:30 ; het tegendeel zie Ps. 73:8-9 .
Hertaald:
Hij steke zijn mond
Dat is: laat hij zich zeer deemoedig ter aarde werpen voor Gods aangezicht en erkennen dat Hij hem al die ellende met recht oplegt; vergelijk 1 Kor. 14:25; Job 42:6; Ps. 22:16, Ps. 22:30; het tegendeel: zie Ps. 73:8-9.
Misschien is er verwachting
Alsof hij zeide: Ofschoon ik geen uitkomst zie, alle middelen mij omstaande en de hand des Heeren dus zwaar op mij zijnde, nochtans zal ik hopen, vertrouwende dat God mij toch eindelijk zijne genade zal laten smaken. Het woord misschien betekent niet altoos twijfeling of onzekerheid, maar ook dikwijls ene vertroosting of aanporring in zwaarwichtige zaken; gelijk Joz. 14:12 . Zie de aantekening Joël 2:14 .
Hertaald:
Misschien is er verwachting
Alsof hij zei: al zie ik geen uitkomst, al ontbreekt het mij aan alle middelen en al ligt de hand van de HEERE zo zwaar op mij, toch zal ik hopen, in het vertrouwen dat God mij uiteindelijk toch Zijn genade zal laten smaken. Het woord misschien duidt niet altijd twijfel of onzekerheid aan, maar dient vaak ook tot vertroosting of aansporing in zware zaken, zoals Joz. 14:12. Zie de aantekening bij Joël 2:14.
Hij geve zijn wang dien,
Dat is, dat hij met geduld aanneme de slagen en plagen, die hem de mensen onverdiend of zonder wettelijke oorzaak aandoen.
Hertaald:
Hij geve zijn wang dien,
Dat is: laat hij met geduld de slagen en plagen aanvaarden die de mensen hem onverdiend of zonder wettige reden aandoen.
hij worde zat van smaad
Zie Job 7:4 . Het is hier te zeggen, met geduld allerlei kwaad verdragen.
Hertaald:
hij worde zat van smaad
Zie Job 7:4. Het betekent hier: met geduld allerlei kwaad verdragen.
Want de HEERE
De zin is: Ofschoon God de Heere somtijds een tijdlang zijne goedertierenheid zijnen kinderen schijnt te onttrekken, nochtans zal zulks niet altijd duren. Zie 1 Kor. 10:13 . Zie dergelijke spreuken Ps. 30:6 , en Ps. 73:24 , en Ps. 126:5-6 , en Ps. 130:7 , en Ps. 135:14 ; Jes. 27:6-8 , en Jes. 54:7-8 ; Jer. 10:24 , en Jer. 30:11 , en Jer. 46:28 ; Hab. 3:2 ; 2 Kor. 4:17 ; 1 Petr. 1:6 .
Hertaald:
Want de HEERE
De betekenis is: hoewel God de HEERE soms een tijdlang Zijn goedertierenheid aan Zijn kinderen lijkt te onttrekken, zal dat toch niet altijd duren. Zie 1 Kor. 10:13. Zie soortgelijke uitspraken in Ps. 30:6, Ps. 73:24, Ps. 126:5-6, Ps. 130:7 en Ps. 135:14; Jes. 27:6-8 en Jes. 54:7-8; Jer. 10:24, Jer. 30:11 en Jer. 46:28; Hab. 3:2; 2 Kor. 4:17; 1 Petr. 1:6.
naar de grootheid Zijner goedertierenheden
Of, naar de veelheid, z.g.; dat is, zijne goedertierenheid is zonder einde.
Hertaald:
naar de grootheid Zijner goedertierenheden
Of: naar de veelheid daarvan; dat is: Zijn goedertierenheid is zonder einde.
des mensenkinderen
Hebreeuws, des mans kinderen, mans voor mensen; zie Job 12:10 .
Hertaald:
des mensenkinderen
Hebreeuws: de kinderen van de man, waarbij man voor mens staat; zie Job 12:10.
niet van harte
Hebreeuws, niet uit zijn hart; dat is, Hij heeft er geen lust aan, maar de zonden der mensen zijn de oorzaken daarvan; vergelijk Jes. 28:21 . En als Hij zijne kinderen kastijdt, dat doet Hij om hen van zondigen af te trekken.
Hertaald:
niet van harte
Hebreeuws: niet uit Zijn hart; dat is: Hij heeft er geen behagen in, maar de zonden van de mensen zijn daarvan de oorzaak; vergelijk Jes. 28:21. En wanneer Hij Zijn kinderen kastijdt, doet Hij dat om hen van het zondigen af te trekken.
Dat men al de gevangenen der aarde
De zin is: Ofschoon de Heere dikwijls de tirannen als roeden gebruikt, zo heeft Hij nochtans daar geen welgevallen aan, dat men al degenen, die door de macht en het geweld in de gevangenis geworpen zijn, zou zonder aanzien van personen en daden te schande maken. Zie Ps. 109:16 ; Zach. 1:15 ; Luc. 6:36 .
Hertaald:
Dat men al de gevangenen der aarde
De betekenis is: hoewel de HEERE de tirannen vaak als roeden gebruikt, heeft Hij er toch geen welgevallen in dat men allen die door macht en geweld in de gevangenis geworpen zijn, zonder aanzien van personen en daden te schande maakt. Zie Ps. 109:16; Zach. 1:15; Luk. 6:36.
verbrijzelt;
Dat is, vertreedt. Zie voorbeelden hiervan, Joz. 10:24 , en vergelijk Job 5:4 ; Ps. 143:3 , en Ps. 44:20 .
Hertaald:
verbrijzelt;
Dat is: vertrapt. Zie voorbeelden hiervan in Joz. 10:24, en vergelijk Job 5:4; Ps. 143:3 en Ps. 44:20.
buigt
Dat is, vertrekt, verwijlt, hetzij door valse getuigen of andere onbetamelijke middelen; zie een voorbeeld Luc. 18:4 , en vergelijk Ex. 23:6-7 ; Deut. 16:19 ; 2 Kron. 19:6-7 .
Hertaald:
buigt
Dat is: verdraait of ophoudt, hetzij door valse getuigen of door andere ongeoorloofde middelen; zie een voorbeeld in Luk. 18:4, en vergelijk Ex. 23:6-7; Deut. 16:19; 2 Kron. 19:6-7.
verongelijkt
Hetzij door geweld, gezag of arglistigheid. Hebreeuws, verkeert.
Hertaald:
verongelijkt
Hetzij door geweld, gezag of arglistigheid. Hebreeuws: verkeert.
twistzaak;
Of rechtvordering, proces.
Hertaald:
twistzaak;
Of: rechtsvordering, proces.
zou het
Zou er de Heere geen acht op geven?
Hertaald:
zou het
Zou de HEERE daar geen acht op geven?
de HEERE niet zien?
Die rechtvaardig is; zie Ps. 11:7 , en vergelijk Ps. 94:5-6 , enz.
Hertaald:
de HEERE niet zien?
Hij Die rechtvaardig is; zie Ps. 11:7, en vergelijk Ps. 94:5-6, enzovoort.
Wie zegt wat,
Welk creatuur in den hemel of op de aarde kan met zekerheid zeggen dat zulks zal geschieden, daar het toch niet kan geschieden, tenzij dat het den Heere belieft het te doen? De voorzienige regering Gods strekt zich over alle dingen, die er geschieden in den hemel of op de aarde.
Hertaald:
Wie zegt wat,
Welk schepsel in de hemel of op de aarde kan met zekerheid zeggen dat iets zal gebeuren, terwijl het toch niet kan gebeuren tenzij het de HEERE behaagt het te doen? Gods voorzienige regering strekt zich uit over alle dingen die in de hemel of op de aarde gebeuren.
Gaat niet uit
Is het niet God, die alle dingen in zijn raad besluit, ordineert en in het werk stelt?
Hertaald:
Gaat niet uit
Is het niet God Die alle dingen in Zijn raad besluit, verordent en uitvoert?
den mond des Allerhoogsten
Dat is, besluit of bevel; zie Gen. 41:40 .
Hertaald:
den mond des Allerhoogsten
Dat is: besluit of bevel; zie Gen. 41:40.
het kwade en het goede?
Hebreeuws, kwaden. De zin is: Alle tegenspoed en voorspoed, die den mens overkomt; zie Am. 3:6 .
Hertaald:
het kwade en het goede?
Hebreeuws: kwaden. De betekenis is: alle tegenspoed en voorspoed die de mens overkomt; zie Amos 3:6.
Wat klaagt dan een levend mens?
De zin is: Dewijl de mens bij zichzelven genoegzaam overtuigd is waarom God zijne straffen over hem laat komen; te weten om zijner zonden wil; waarom kwelt hij zich en klaagt inplaats van raad te zoeken? Waarom ziet hij meer op zijne ellende dan op de oorzaken derzelve?
Hertaald:
Wat klaagt dan een levend mens?
De betekenis is: aangezien de mens bij zichzelf genoeg overtuigd is waarom God Zijn straffen over hem laat komen — namelijk om zijn zonden — waarom kwelt hij zich dan en klaagt hij in plaats van raad te zoeken? Waarom ziet hij meer op zijn ellende dan op de oorzaken daarvan?
zonden
Te weten met welke hij de slaande hand Gods op zijn hals gehaald heeft, en hij bidt die af, opdat hij daarvan verlost en bevrijd worde.
Hertaald:
zonden
Namelijk de zonden waarmee hij de slaande hand van God over zich gehaald heeft; en die bidt hij af, opdat hij daarvan verlost en bevrijd wordt.
wegen onderzoeken en doorzoeken,
Dat is, onze gedachten, woorden en werken, gedenkende wat dezelve wel verdiend hebben naar de weegschaal van Gods rechtvaardig oordeel.
Hertaald:
wegen onderzoeken en doorzoeken,
Dat is: onze gedachten, woorden en werken, terwijl wij bedenken wat die verdiend hebben op de weegschaal van Gods rechtvaardig oordeel.
laat ons wederkeren tot den HEERE
Hebreeuws eigenlijk: laat ons wederkeren tot den HEERE toe; dat is, laat ons hartelijk berouw hebben vanwege onze menigvuldige zonden en om vergiffenis van dezelve bidden, met een vast vertrouwen van het te zullen verkrijgen en met een voornemen van ons leven voortaan te beteren; vergelijk Hos. 14:2 ; Joël 2:12 ; 2 Kor. 7:9 .
Hertaald:
laat ons wederkeren tot den HEERE
Hebreeuws letterlijk: laat ons wederkeren tot de HEERE toe; dat is: laat ons hartelijk berouw hebben over onze talrijke zonden en om vergeving daarvan bidden, met een vast vertrouwen dat wij die zullen verkrijgen en met het voornemen ons leven voortaan te beteren; vergelijk Hos. 14:2; Joël 2:12; 2 Kor. 7:9.
mitsgaders de handen,
Anders: tot de wolken; zie de aantekening Job 36:32 .
Hertaald:
mitsgaders de handen,
Anders: tot de wolken; zie de aantekening bij Job 36:32.
tot God in den hemel,
Die alleen kan en wil vergeven de zonden der boetvaardige zondaren.
Hertaald:
tot God in den hemel,
Die als enige de zonden van boetvaardige zondaars kan en wil vergeven.
daarom hebt Gij niet gespaard
Versta hierbij, maar Gij hebt ons wel dapper gekastijd, te weten zolang wij volhard hebben in onze zonden en overtredingen.
Hertaald:
daarom hebt Gij niet gespaard
Vul hierbij aan: maar U hebt ons wel degelijk zwaar gekastijd, namelijk zolang wij in onze zonden en overtredingen volhard hebben.
Gij hebt ons met toorn bedekt,
Eigenlijk naar de Hebreeuwse letter: Gij hebt ons met toorn, als met ene tent overdekt, of Gij hebt ons overtent, of overhut; zie Ps. 5:12 .
Hertaald:
Gij hebt ons met toorn bedekt,
Eigenlijk naar de Hebreeuwse letter: U hebt ons met toorn als met een tent overdekt, of: U hebt ons overtent; zie Ps. 5:12.
vervolgd;
Te weten met uw rechtvaardige oordelen, overal waar wij heengingen.
Hertaald:
vervolgd;
Namelijk met Uw rechtvaardige oordelen, overal waar wij heen gingen.
Gij hebt niet verschoond
Gij hebt geen medelijden gehad over ons noch over onze kinderen, zie boven Klaagl. 2:2 , Klaagl. 2:17 .
Hertaald:
Gij hebt niet verschoond
U hebt geen medelijden gehad met ons en met onze kinderen; zie hierboven Klaagl. 2:2, Klaagl. 2:17.
met een wolk bedekt,
Als met een scheidsmuur; vergelijk Jes. 59:1-2 .
Hertaald:
met een wolk bedekt,
Als met een scheidsmuur; vergelijk Jes. 59:1-2.
zodat er geen gebed doorkwam
Zodat ons gebed voor uw aangezicht niet kon komen.
Hertaald:
zodat er geen gebed doorkwam
Zodat ons gebed niet voor Uw aangezicht kon komen.
tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld,
Of, tot ene afschuring; dat is, tot zulk ene vuiligheid of onreinigheid, die men afschuurt; dat is, tot zulke mensen, waar men een afkeer of afschuw van heeft; vergelijk 1 Kor. 4:13 .
Hertaald:
tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld,
Of: tot een afschraapsel; dat is: tot zulk vuil of onreinheid als men wegschraapt, dat is: tot zulke mensen waarvan men een afkeer of afschuw heeft; vergelijk 1 Kor. 4:13.
volken
Over wie wij eertijds geheerst hebben.
Hertaald:
volken
Over wie wij vroeger geheerst hebben.
hebben hun mond tegen ons opgesperd
Zij hebben vrijmoediglijk uitgebazuind al wat zij bedenken konden, dat het enigszins was tot onze oneer strekkende. Zie boven Klaagl. 2:16 , en vergelijk Ps. 22:14 .
Hertaald:
hebben hun mond tegen ons opgesperd
Zij hebben vrijmoedig alles rondgebazuind wat zij maar konden bedenken dat enigszins tot onze oneer strekte. Zie hierboven Klaagl. 2:16, en vergelijk Ps. 22:14.
De vreze en de kuil zijn over ons gekomen,
Vergelijk Ps. 11:6 ; Jes. 24:17 ; Jer. 48:43 . De zin is: Wij zijn in een ellendigen staat, in groten schrik en benauwdheid, en wij zien gene uitkomst.
Hertaald:
De vreze en de kuil zijn over ons gekomen,
Vergelijk Ps. 11:6; Jes. 24:17; Jer. 48:43. De betekenis is: wij verkeren in een ellendige staat, in grote schrik en benauwdheid, en wij zien geen uitkomst.
de verwoesting en de verbreking
Te weten zijn over ons gekomen.
Hertaald:
de verwoesting en de verbreking
Namelijk zijn over ons gekomen.
Met waterbeken loopt mijn oog neder,
Dat is, daar komt zulk een overvloed van tranen uit mijne ogen, alsof zij geheel in water versmolten waren; vergelijk Klaagl. 1:16 .
Hertaald:
Met waterbeken loopt mijn oog neder,
Dat is: er komt zo'n overvloed van tranen uit mijn ogen alsof zij geheel in water versmolten waren; vergelijk Klaagl. 1:16.
waterbeken
Zie Ps. 1:3 .
Hertaald:
waterbeken
Zie Ps. 1:3.
der dochter mijns volks
Dat is, van mijn volk, hetwelk ik bemin als mijne dochter, gelijk Klaagl. 1:6 ; zie ook Klaagl. 2:11 , Klaagl. 2:13 .
Hertaald:
der dochter mijns volks
Dat is: van mijn volk, dat ik liefheb als mijn dochter, zoals Klaagl. 1:6; zie ook Klaagl. 2:11, Klaagl. 2:13.
vliet,
Te weten van tranen. Anders: wordt vlietende.
Hertaald:
vliet,
Namelijk van tranen. Anders: wordt vlietend.
geen rust is;
De grote ellende van de dochter mijns volks houdt niet op.
Hertaald:
geen rust is;
De grote ellende van de dochter van mijn volk houdt niet op.
Totdat het
Dat is, totdat de HEERE metterdaad doet blijken dat Hij ons gunstig is. Zie boven vs.8; idem vs.43, 44, en Klaagl. 2:1 .
Hertaald:
Totdat het
Dat is: totdat de HEERE metterdaad laat blijken dat Hij ons gunstig is. Zie hierboven vers 8, en ook vers 43 en 44, en Klaagl. 2:1.
de HEERE van den hemel aanschouwe,
Aldus noemt ook de apostel Paulus den Heere Christus; 1 Kor. 15:47 .
Hertaald:
de HEERE van den hemel aanschouwe,
Zo noemt ook de apostel Paulus de Heere Christus; 1 Kor. 15:47.
het zie
Te weten mijne ellende.
Hertaald:
het zie
Namelijk mijn ellende.
Mijn oog
Dat is, de ellende, die ik met mijne ogen aanschouw.
Hertaald:
Mijn oog
Dat is: de ellende die ik met mijn ogen aanschouw.
doet mijn ziele moeite aan,
Of, werkt in mijne ziel; dat is, beweegt mijne ziel, of doet mijne ziel wee. Of verteert mijne ziel.
Hertaald:
doet mijn ziele moeite aan,
Of: werkt in mijn ziel; dat is: beweegt mijn ziel, of doet mijn ziel pijn. Of: verteert mijn ziel.
vanwege al de dochteren mijner stad
Die namelijk van de vijanden zijn geschonden en gevankelijk weggevoerd. Zie onder Klaagl. 5:11 . Anders: boven al de dochteren mijner stad; dat is, meer dan enige vrouwspersonen gewoon zijn te doen over hetgeen zij allermeest beminnen.
Hertaald:
vanwege al de dochteren mijner stad
Namelijk die door de vijanden onteerd en gevankelijk weggevoerd zijn. Zie Klaagl. 5:11. Anders: meer dan alle dochters van mijn stad; dat is: meer dan vrouwen gewoonlijk doen over wat zij het meest liefhebben.
zonder oorzaak,
Dat is, zonder dat ik hun ooit enig kwaad heb gedaan of gezocht te doen. Of zonder dat zij enig voordeel daarvan hebben te verwachten; zie Ps. 35:7 , en Ps. 69:5 , en Ps. 109:3 , en Ps. 119:161 .
Hertaald:
zonder oorzaak,
Dat is: zonder dat ik hun ooit enig kwaad gedaan heb of heb willen doen. Of: zonder dat zij daar enig voordeel van te verwachten hebben; zie Ps. 35:7, Ps. 69:5, Ps. 109:3 en Ps. 119:161.
als een vogeltje
Dat is, gelijk een vogelvanger de vogeltjes zoekt te vangen; vergeljk Ps. 11:1 , en Ps. 102:8 , en Ps. 124:7 ; Pred. 9:12 .
Hertaald:
als een vogeltje
Dat is: zoals een vogelvanger de vogeltjes probeert te vangen; vergelijk Ps. 11:1, Ps. 102:8 en Ps. 124:7; Pred. 9:12.
dapperlijk gejaagd
Te weten om mij ten enenmale ten verderve te brengen. Hebreeuws, jagende gejaagd.
Hertaald:
dapperlijk gejaagd
Namelijk om mij volkomen te gronde te richten. Hebreeuws: jagende gejaagd.
Zij hebben
Te weten de vijanden, waarvan vs.52 gesproken is.
Hertaald:
Zij hebben
Namelijk de vijanden over wie in vers 52 gesproken is.
mijn leven in een kuil uitgeroeid,
Dat is, mij in eigen persoon. De zin is: Zij hebben mij niet alleen gevangen genomen, [hetwel waarlijk geschied is aan den persoon van Jeremia, Jer. 37:16 , en Jer. 38:6 ] , maar zij hebben ook grote wreedheid gebruikt, pogende mij het leven te benemen. Vergelijk Gen. 37:24 .
Hertaald:
mijn leven in een kuil uitgeroeid,
Dat is: mij in eigen persoon. De betekenis is: zij hebben mij niet alleen gevangengenomen — wat werkelijk gebeurd is met de persoon van Jeremia, Jer. 37:16 en Jer. 38:6 — maar zij hebben ook grote wreedheid gebruikt in hun poging mij het leven te benemen. Vergelijk Gen. 37:24.
een steen
Het zij om den mond des grafs toe te sluiten, opdat ik er niet kon uitkomen, of om mij te versmachten en te doden.
Hertaald:
een steen
Hetzij om de mond van het graf af te sluiten zodat ik er niet uit kon komen, hetzij om mij te verstikken en te doden.
op mij geworpen
Dat is, op het graf, waarin ik lig, of voor de deur des puts, waarin zij mij gesloten hebben. Vergelijk Joz. 10:18 ; Dan. 6:18 ; Matt. 27:60 .
Hertaald:
op mij geworpen
Dat is: op het graf waarin ik lig, of voor de opening van de put waarin zij mij opgesloten hebben. Vergelijk Joz. 10:18; Dan. 6:18; Matth. 27:60.
De wateren zwommen over mijn hoofd;
Versta hier door de wateren vele en grote ellenden; zie Ps. 69:2-3 , en Ps. 124:4-5 . De profeet spreekt in den persoon van Gods volk, doch alzo dat hij somtijds [als een lid van Gods volk] zijn lijden voorstelt, dat hem was overkomen, en de genade, die hem God bewezen had, zijnde een voorbeeld en vertroosting voor Gods volk.
Hertaald:
De wateren zwommen over mijn hoofd;
Versta hier onder de wateren veel en grote ellende; zie Ps. 69:2-3 en Ps. 124:4-5. De profeet spreekt namens Gods volk, maar zo dat hij soms — als lid van Gods volk — zijn eigen lijden voorstelt dat hem overkomen was, en de genade die God hem bewezen had, als een voorbeeld en een vertroosting voor Gods volk.
ik zeide
Ik beeldde mijzelven in en sprak.
Hertaald:
ik zeide
Ik beeldde mij in en zei.
Ik ben afgesneden
Het is ten enenmale met mij gedaan, ik zie geen middel van verlossing, maar veel meer het tegendeel; vergelijk Ps. 31:23 , met de aantekening.
Hertaald:
Ik ben afgesneden
Het is volkomen met mij gedaan; ik zie geen middel tot verlossing, maar veeleer het tegendeel; vergelijk Ps. 31:23, met de aantekening.
uit den ondersten kuil
Hebreeuws, uit den kuil der benedenheden; dat is, toen ik in de uiterste benauwdheid was; zie Ps. 88:7 ;, en Ps. 120:1 .
Hertaald:
uit den ondersten kuil
Hebreeuws: uit de kuil van de diepten; dat is: toen ik in de uiterste benauwdheid was; zie Ps. 88:7 en Ps. 120:1.
Gij hebt mijn stem gehoord,
Dat is, Gij hebt mij gegeven hetgeen waar ik U om gebeden heb.
Hertaald:
Gij hebt mijn stem gehoord,
Dat is: U hebt mij gegeven waar ik U om gebeden heb.
verberg Uw oor niet
Weiger toch voortaan niet, acht te geven op mijn ijverig en hartgrondelijk gebed.
Hertaald:
verberg Uw oor niet
Weiger toch voortaan niet acht te geven op mijn ernstig en innig gebed.
voor mijn zuchten,
Anders: opdat ik adem moge scheppen.
Hertaald:
voor mijn zuchten,
Anders: opdat ik adem mag scheppen.
genaderd
Dat is, uw gunstige hulp laten smaken, hetwelk Gij mij zo duidelijk hebt te kennen gegeven, alsof Gij met uitgedrukte woorden tot mij gezegd hadt: vrees niet; Jes. 41:10 .
Hertaald:
genaderd
Dat is: mij Uw gunstige hulp laten smaken, wat U mij zo duidelijk te kennen gegeven hebt alsof U met zoveel woorden tot mij gezegd had: vrees niet; Jes. 41:10.
Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist,
Dat is, Gij hebt mij beschermd en verlost, als men mij zocht te doden. Vergelijk Jer 38 ; zie ook Ps. 35:1 .
Hertaald:
Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist,
Dat is: U hebt mij beschermd en verlost toen men mij zocht te doden. Vergelijk Jer. 38; zie ook Ps. 35:1.
Gij hebt mijn leven verlost
Dat is, Gij hebt mij verlost uit de handen dergenen, die mij wredelijk zochten te doden.
Hertaald:
Gij hebt mijn leven verlost
Dat is: U hebt mij verlost uit de handen van hen die mij wreed zochten te doden.
de verkeerdheid,
Hebreeuws, mijne verkeerdheid; dat is, die mij aangedaan is; Jer. 2:2 .
Hertaald:
de verkeerdheid,
Hebreeuws: mijn verkeerdheid; dat is: het onrecht dat mij aangedaan is; Jer. 2:2.
oordeel mijn rechtzaak
Dat is, neem mijne zaak aan en oordeel mij naar mijne oprechtheid, help mij tot mijn recht. Vergelijk Ps. 43:1 .
Hertaald:
oordeel mijn rechtzaak
Dat is: neem mijn zaak aan en oordeel mij naar mijn oprechtheid; help mij aan mijn recht. Vergelijk Ps. 43:1.
hun
Te weten van mijne vijanden.
Hertaald:
hun
Namelijk van mijn vijanden.
wraak gezien,
Dat is, hoe wraakgierig, ja ook hoe bloedgierig zij tegen mij zijn.
Hertaald:
wraak gezien,
Dat is: hoe wraakzuchtig, ja hoe bloeddorstig zij tegen mij zijn.
hun smaden gehoord,
Dat is, hun spijtige en smadelijke woorden, die zij over mij uitgestort hebben.
Hertaald:
hun smaden gehoord,
Dat is: hun hatelijke en smadelijke woorden die zij over mij uitgestort hebben.
De lippen dergenen,
De woorden mijner vijanden, waarmede zij mij dreigen.
Hertaald:
De lippen dergenen,
De woorden van mijn vijanden, waarmee zij mij bedreigen.
hun dichten
Dat is, de gedachten van hun boos hart.
Hertaald:
hun dichten
Dat is: de gedachten van hun boze hart.
tegen mij den gansen dag
Versta hierbij, hebt Gij gehoord.
Hertaald:
tegen mij den gansen dag
Vul hierbij aan: hebt U gehoord.
hun zitten en opstaan;
Zie Ps. 1:1 , en Ps. 139:2 , en vergelijk Jes. 37:28 .
Hertaald:
hun zitten en opstaan;
Zie Ps. 1:1 en Ps. 139:2, en vergelijk Jes. 37:28.
hun snarenspel
Zie boven de aantekening vs.14, en Job 30:9 .
Hertaald:
hun snarenspel
Zie hierboven de aantekening bij vers 14, en Job 30:9.
hun weder die vergelding,
Te weten welker liedjes en snarenspel ik ben, gelijk vs.63.
Hertaald:
hun weder die vergelding,
Namelijk hun over wie ik in liedjes en snarenspel bezongen word, zoals vers 63.
naar het werk hunner handen
Zie Ps. 28:4 , en Ps. 94:2 .
Hertaald:
naar het werk hunner handen
Zie Ps. 28:4 en Ps. 94:2.
een deksel des harten;
Dat is, zulke bedwelming en mist des harten, die hen berooft van alle manhaftigheid en moed, alzo dat zij ons geen kwaad kunnen doen.
Hertaald:
een deksel des harten;
Dat is: zo'n bedwelming en beneveling van het hart dat zij van alle moed en manhaftigheid beroofd worden, zodat zij ons geen kwaad kunnen doen.
van onder den hemel des HEEREN
Dat is, overal, zo wijd als de hemel strekt, gelijk Ex. 17:14 ; Deut. 7:24 , en Deut. 25:19 , en Deut. 29:20 ; 2 Kon. 14:27 .
Hertaald:
van onder den hemel des HEEREN
Dat is: overal, zo ver als de hemel reikt, zoals Ex. 17:14; Deut. 7:24, Deut. 25:19 en Deut. 29:20; 2 Kon. 14:27. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid" (Klaagl. 3:1). Wat volgt is een reeks zinnen die alle met Hij beginnen: "Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht" (Klaagl. 3:2). "Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan" (Klaagl. 3:7). Zelfs het gebed lijkt af te stuiten: "Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed" (Klaagl. 3:8). En het eerste deel van het lied eindigt in het donker: "Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE" (Klaagl. 3:18). Bijbelse betekenis: Merk op wie hier spreekt. Niet de stad maar één mens, en hij spreekt in de eerste persoon. Het middelste en langste lied is daarmee het meest persoonlijke; wie zelf in de knel zit, vindt hier woorden. Let vervolgens op de bouw van deze verzen. Bijna elke zin begint bij God: Hij heeft geleid, Hij heeft toegemuurd. De klager schrijft zijn nood dus niet toe aan mensen of aan het lot; hij houdt God erbij, ook als hij niets van Hem begrijpt. Let ten slotte op Klaagl. 3:18. Hier staat zwart op wit dat de hoop weg is. De Schrift laat die zin staan zonder er meteen iets tegenin te brengen, en het register doet dat evenmin. Wat erop volgt komt pas in het volgende gedeelte, en het is de moeite waard om die volgorde te bewaren. Typologie: Dezelfde toon staat in de donkerste psalm, die eindigt zonder omslag (reeds behandeld bij Ps. 88:18). En de Heere Jezus heeft de woorden van een klaagpsalm aan het kruis uitgeroepen: "Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!" (Matt. 27:46). Klaagl. 3:1-18; Ps. 88:18; Matt. 27:46 Het gedeelte begint nog in het donker: "Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle" (Klaagl. 3:19). Dan komt de zin waarop alles draait: "Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen" (Klaagl. 3:21). En wat hij zich ter harte neemt, volgt meteen: "Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben" (Klaagl. 3:22). Daarbij staat de bekendste regel van het boek: "Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot" (Klaagl. 3:23). Dan volgt de belijdenis: "De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen" (Klaagl. 3:24). En de gevolgtrekking: "De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten", en: "Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN" (Klaagl. 3:25-26). Bijbelse betekenis: Merk op waar de omslag vandaan komt. Er is niets veranderd aan de stad, aan de honger of aan de ballingschap; wat verandert is waaraan hij denkt. Er staat: dit zal ik mij ter harte nemen, en dat is een daad en geen stemming. Let vervolgens op wat er in Klaagl. 3:22 als grond genoemd wordt. Niet dat het meevalt, maar dat het niet erger is: het is Gods goedertierenheid dat zij niet vernield zijn. Wie op dat punt begint te rekenen, komt niet uit bij een klein restje maar bij barmhartigheden die geen einde hebben. Let ten slotte op het woord morgen. De trouw wordt niet in één keer gegeven maar elke dag opnieuw, precies zoveel als die dag vraagt. Dat is de reden dat dit vers midden in het donkerste boek van de Schrift kan staan. Typologie: Paulus zegt hetzelfde over de vernieuwing die dagelijks gebeurt terwijl het uitwendige afneemt: "hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag" (2 Kor. 4:16). En de psalmist belijdt hetzelfde deel: "Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid" (Ps. 73:26). Klaagl. 3:19-26; 2 Kor. 4:16; Ps. 73:26 "Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt" (Klaagl. 3:27). Wat daarbij past, wordt in de verzen erna gezegd: "Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft" (Klaagl. 3:28), en: "Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting" (Klaagl. 3:29). Er staat zelfs: "Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad" (Klaagl. 3:30). En dan volgt de reden waarom dat gedragen kan worden. Eerst: "Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid" (Klaagl. 3:31). Dan: "Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden" (Klaagl. 3:32). En ten slotte: "Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte" (Klaagl. 3:33). Bijbelse betekenis: Merk op hoe voorzichtig Klaagl. 3:29 spreekt: misschien is er verwachting. Dat is geen ongeloof maar eerlijkheid; wie in het stof ligt, heeft nog geen zekerheid en houdt toch de mogelijkheid open. Let vervolgens op Klaagl. 3:31-32. Er staan drie dingen achter elkaar: het verstoten duurt niet eeuwig, na het bedroeven komt de ontferming, en de maat daarvan is de grootheid van Zijn goedertierenheid. De volgorde is dus niet: eerst ontferming en dan verdriet, maar andersom. Let ten slotte op Klaagl. 3:33. Dit is het antwoord van het boek op zijn eigen zwaarste zin, dat de Heere als een vijand geworden is (reeds behandeld bij Klaagl. 2:5). God doet dit niet van harte. Wie dat gelooft, kan de slag dragen zonder Hem kwaad te noemen. Typologie: Wat in Klaagl. 3:30 staat, heeft de Knecht des HEEREN letterlijk gedaan: "Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan" (reeds behandeld bij Jes. 50:6). En de Heere Jezus geeft in de bergrede dezelfde houding aan de Zijnen: "zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe" (Matt. 5:39). Klaagl. 3:27-33; Klaagl. 2:5; Jes. 50:6; Matt. 5:39 "Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?" (Klaagl. 3:37). Daarop volgt een vers dat vragen oproept: "Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?" (Klaagl. 3:38). En dan komt de gevolgtrekking: "Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden" (Klaagl. 3:39). Wat er meteen op volgt is geen zwijgen maar een oproep: "Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE" (Klaagl. 3:40). En daarna: "Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel" (Klaagl. 3:41). Bijbelse betekenis: Let eerst op Klaagl. 3:38. Het woord dat de Statenvertaling hier met kwaad vertaalt, staat tegenover het goede in de zin van voorspoed en tegenspoed; het gaat om wat een mens overkomt en niet om zonde. Dat is dezelfde zaak als eerder in Jesaja (reeds behandeld bij Jes. 45:7), en het register gaat er ook hier niet verder in dan de tekst zelf gaat. Merk vervolgens op wat Klaagl. 3:39 wel en niet zegt. Het verbiedt het klagen niet — het hele boek is één klacht — maar het richt het: klagen over de gevolgen zonder de oorzaak te noemen, houdt niet lang stand. Let ten slotte op wat erop volgt. Er wordt niet gezegd: zwijg dan maar, maar: onderzoek uw wegen en keer weder. Het onderzoeken loopt uit op opgeheven handen, dus op gebed. Typologie: Jakobus stelt de grens aan de andere kant en laat geen misverstand bestaan: "God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand" (Jak. 1:13). De twee uitspraken sluiten elkaar niet uit: het ene gaat over wat God beschikt, het andere over wat de mens doet. Klaagl. 3:37-42; Jes. 45:7; Jak. 1:13 In het middelste lied komen twee bittere dingen bij elkaar: "Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt" (Klaagl. 3:15). Enkele verzen later staan zij samen in het gebed: "Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle" (Klaagl. 3:19). Alsem is een kruid met een scherpe, bittere smaak; gal staat in de Schrift naast vergif en bitterheid. De beelden zijn niet nieuw. Jeremia had ze in zijn eigen boek al uit Gods mond gehoord als aankondiging van het oordeel: "Ik zal dit volk spijzen met alsem, en Ik zal hen drenken met gallewater" (Jer. 9:15). Wat daar aangekondigd werd, wordt hier geproefd. Bijbelse betekenis: Het opvallendste staat in de plaats waar deze twee woorden voor de tweede keer vallen. Zij staan niet in een verwijt maar in een gebed: gedenk aan de alsem en de gal. De klager vraagt God dus om te denken aan wat hij proeft, en hij verzacht het niet. En juist dit vers is het laatste vóór het keerpunt van het hele boek: twee verzen verder staat dat hij zich iets ter harte neemt en daarom hopen zal (Klaagl. 3:21, reeds behandeld). De bitterheid wordt dus niet weggenomen voordat de hoop terugkomt; zij worden in één adem uitgesproken. Wie meent dat een gelovige eerst zijn verdriet moet wegwerken voordat hij weer hopen mag, leest hier de omgekeerde volgorde. Typologie: Bij het kruis wordt dezelfde gal aangeboden, en daar gebeurt iets bijzonders: "Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken" (Matt. 27:34). Hij weigerde de verdoving en dronk daarna wel de drinkbeker die de Vader Hem gaf. Wat in Klaagliederen de smaak van het oordeel is, heeft Hij dus tot de bodem toe geproefd zonder verzachting. Klaagl. 3:15; Klaagl. 3:19; Klaagl. 3:21; Jer. 9:15; Matt. 27:34 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De verlossing en de losser niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking De stad is gevallen, de tempel verbrand, het volk weggevoerd. Vijf klaagliederen staan er, en dit derde is het langste en het persoonlijkste: ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede van Zijn verbolgenheid. Midden in het diepste klaaglied van de Bijbel keert de dichter zich om, en juist daar staan de bekendste woorden van het boek. De eerste twintig verzen zijn onverbloemd. God heeft hem in duisternis gezet, zijn beenderen verouderd, zijn gebed afgesloten. Mijn kracht is vergaan, en mijn hoop van den HEERE. En dan komt de wending, met één zin die alles kantelt: dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. Wat hij zich ter harte neemt, is niet zijn eigen toestand maar Gods aard. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. De kanttekening geeft de nuchtere uitleg: het is toe te schrijven aan de overvloeiende genade van God dat Hij ons nu nog Zijn genade bewijst. Er staat dus niet dat het meevalt. Er staat dat zij niet vernield zijn, en dat dát al genade is. Wat volgt is even ingehouden als eerlijk. De HEERE is goed dengenen die Hem verwachten. Het is goed dat men hope en stille zij op het heil des HEEREN. Hij geve zijn wang dien die hem slaat. Want de Heere verstoot niet eeuwiglijk — maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen naar de grootheid Zijner goedertierenheden. De kanttekening voegt eraan toe: Zijn goedertierenheid is zonder einde. De woorden over de wang geven aan wie het hoort een bekende klank, want er is Iemand geweest Die dat werkelijk gedaan heeft, en Wiens verdriet in Klaagliederen zijn taal gevonden heeft. Petrus schrijft van Hem dat Hij, gescholden zijnde, niet wederschold, maar het overgaf aan Dien Die rechtvaardiglijk oordeelt. In het Nieuwe Testament: 1 Petrus 2:23; Hebreeën 12:6; Romeinen 8:32; 2 Korinthe 1:3 Hoever dit reikt: Niveau 3. Klaagliederen spreekt over Jeremia's eigen lijden en dat van de stad. Dat de Schrift Christus met soortgelijke woorden beschrijft, geeft het lied zijn draagwijdte; een uitspraak over Hem doet het niet.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Denk niet, wanneer uw gebeden soms ongehoord of onopgemerkt lijken en u in droefheid gelaten wordt, dat de HEERE u daarom niet liefheeft. Al is het uit de diepten van de uiterste nood dat wij God zoeken, wij zullen Hem goed voor ons vinden. Gods tijd is altijd de beste tijd. Ons nu al te verlossen zou ons de weldaad van de beproeving kunnen ontnemen. Wij moeten haar dragen totdat zij “een vreedzame vrucht der gerechtigheid” voortbrengt (Hebreeën 12:11). Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte. Zo handelt God niet. Tirannen mogen zo doen, maar de tedere, meewarige God — onze genadige, liefhebbende Vader — zal dat nooit doen. Ligt u in het stof voor Hem, dan zal Hij niet op u trappen. Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen, tot God in de hemel! Klaagliederen 3:41 Het bidden laat ons zien dat we het niet waard zijn, wat een… Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laten wij terugkeren tot de HEERE! Klaagliederen 3:4 Zoals een vrouw die haar man intens liefheeft nauwelijks kan verdragen dat… Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel. Klaagliederen 3:24 Zie je wat daar staat? Er staat niet: “De Heere is een deel van mijn leven” of “De… Dit zal ik ter harte nemen, daarom zal ik hopen. (Klaagliederen 3:21) Lees verder Psalm 73:1—28. In het noorden gebeurde er in één van de kolenmijnen een betreurenswaardig ongeluk.… Ach, Heere HEERE! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk. (Jeremia 32:17)… Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Klaagliederen 3:27 Een juk dragen is niet aangenaam, maar het is wel goed. Niet alles… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd. Klaagliederen 3 vers 58 Wat is de profeet hier stellig in zijn… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel. Klaagliederen 3 vers 24 Hier staat niet: ‘De HEERE is gedeeltelijk mijn deel.’… Zij zijn alle morgen nieuw. Klaagliederen 3:23 De christen mag God ervoor danken dat hij nog een dag heeft, waarop hij als Henoch met God mag wandelen, nog… Zij zijn alle morgen nieuw. Klaagliederen 3:23 Ik weet dat Gods genadegaven elke morgen nieuw zijn, en er dus nieuwe genade zal zijn zodat ik nieuwe verzoekingen kan… Zij zijn alle morgen nieuw. Klaagliederen 3:23 Het water in een waterbak is misschien voldoende voor een lange tijd; maar als we het bewaren, blijft het niet fris.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen, tot God in de hemel! Klaagliederen 3 vers 41 Door te bidden… Weet u nog dat ik u vertelde van de smerige gevangenissen in Venetië, die zich onder het waterpeil van het kanaal bevinden. Waar men, nadat men door nauwe,… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Al de Israëlieten morden. Numeri 14:2 Vandaag zijn er onder de christenen net zo goed mopperaars als er vroeger onder het… Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is. Totdat het de… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. Klaagliederen 3:21 De herinnering is dikwijls de slaaf van de vertwijfeling.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den Heere. KLaagliederen 3:40 De vrouw, die haar afwezige echtgenoot tederlijk… Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid. Klaagliederen 3:31 De Heere kan verstoten voor een tijd, maar niet tot in eeuwigheid. Een vrouw kan haar sieraden voor een… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Klaagliederen 3
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Alle morgen nieuw — 3:1-33
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Het belang van het gebed
Ga naar het kruis
Mijn Heere, mijn alles
Dit zal ik ter harte nemen
Vertrouw alleen op God
Het beste juk voor jonge schouders
Weg met je twijfel en angsten
Maak de wereld jaloers
Denk aan de genade van God
Dagelijkse genade
Elke morgen nieuw
In gebed naar de genadetroon
Dankbaar voor de genade
Niet meer klagen
Mededogen voor anderen
Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen
Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken
God is trouw tot in eeuwigheid


Klaagliederen 3
Klaagliederen 3:1.KruisverwijzingenPsalmen 88:7→Psalmen 88:15→Job 19:21→Jeremia 20:14→Klaagliederen 1:12→Jeremia 15:17→Jesaja 53:3→Psalmen 71:20→
— Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
De meeste zielen maken in hun nood dezelfde vergissing: zij menen dat niemand ooit gevoeld heeft wat zij nu voelen. John Bunyan beschrijft hoe Christen in het dal van de schaduw des doods iemand de Schrift hoorde aanhalen. Dat troostte hem zeer, want toen merkte hij dat er anderen in hetzelfde geval waren als hij. Denk dus niet, arme bedroefde ziel, dat niemand ooit zo in stukken gebroken is als u. Uw pad van droefheid is een veelbetreden pad.
Dit hoofdstuk is vol droefheid. Het is een zeer sprekend portret van een hart dat gewekt is en zijn verloren staat leert voelen. Het eerste deel ervan behoort tot het droevigste van heel het boek van God. En toch eindigt het hoofdstuk niet zoals het begint. Er is daglicht voor de arme lijder, na alles.
Klaagliederen 3:2.KruisverwijzingenJob 30:26→Jesaja 59:9→Amos 5:18→Jeremia 13:16→Judas 1:13→Judas 1:6→Klaagliederen 3:53→Jeremia 4:23→
— Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.
Dit lijkt het zwaarste deel van ons lot: dat God ons de duisternis in leidt. “Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis.” En toch is dat juist het zoetste van onze beproeving. Want ligt de duisternis op de plaats waarheen God ons geleid heeft, dan is het voor ons het best om in het donker te zijn. Een kind in het donker mag zich troosten met deze gedachte: mijn vader heeft mij hier gebracht. En hij heeft mij zo lief dat hij mij nooit ergens zou brengen waar ik gevaar liep. Hij moet een goed doel voor ogen gehad hebben met wat hij gedaan heeft. Daar ligt toch iets vertroostends in voor een beproefd kind van God.
Sommigen van ons herinneren zich hoe wij vroeger onze kamer opzochten, de deur sloten, zo’n hoofdstuk als dit lazen en zeiden: hier staat mijn eigen toestand beschreven. Wij waren eens in stukken gebroken en vaneengescheurd door een verschrikkelijk besef van zonde. Onze gedachten waren als een doos messen die ons onophoudelijk staken. In zo’n tijd waren dit onze woorden, evengoed als die van Jeremia: “Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.”
Dit is een Hebreeuwse manier om te zeggen dat het een dikke duisternis was, zonder enig licht: geen sterrenlicht en geen maanlicht. U die deze staat van overtuiging doorgemaakt hebt, weet wat dat betekent. Geen troost uit de inzettingen, geen troost uit Gods Woord, geen troost uit uw dagelijkse weldaden. Elke beek van vertroosting lijkt voor u opgedroogd, en de zonde ligt zwaar op u.
Klaagliederen 3:3.KruisverwijzingenKlaagliederen 2:4→Jesaja 5:25→Jesaja 1:25→Job 31:21→Deuteronomium 29:20→Jesaja 63:10→
— Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.
Wanneer een man op het punt staat te slaan, slaat hij soms niet met de open hand maar keert hij zijn hand om. Zo, zegt de profeet, deed God met hem. Hij voelde dat hij getroffen werd met de zwaarste slagen die God maar geven kon.
Klaagliederen 3:4.KruisverwijzingenJesaja 38:13→Psalmen 51:8→Jeremia 50:17→Psalmen 38:2→Psalmen 102:3→Psalmen 31:9→Psalmen 32:3→Psalmen 22:14→
— Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.
De overtuiging van zonde lijkt het sap van ons leven op te drogen, totdat wij verdorren als van ouderdom. Erger dan de pijn van een gebroken been is de smart van een gebroken hart. Wanneer de Heilige Geest van zonde overtuigt, is dat geen kinderspel; bij sommigen van ons was het een pijnlijk verwonden. Zoals mensen door overmatige droefheid soms voortijdig oud lijken te worden, zo was het de profeet vergaan. Hij voelde het alsof zijn beenderen gebroken waren. De zware kwellingen van zijn geest hadden de vaste pilaren van het huis van zijn mannelijkheid uit hun plaats gerukt.
Klaagliederen 3:5.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:19→Jeremia 23:15→Job 19:8→Klaagliederen 3:7→Jeremia 8:14→Jeremia 9:15→Psalmen 69:21→
— Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.
Belegeraars wierpen een wal tegen een stad op en gooiden aarden werken op. Zo, zegt de profeet, lijkt God aarden werken opgeworpen te hebben om vandaar de grove stukken van de wet op hem af te vuren. “Alsof Hij met opzet muren bouwde om mij de weg te versperren, en burchten oprichtte om mijn ziel aan te vallen.” En: “Hij heeft mij ingesloten in een kring van bitterheid.” Zo zegt de profeet ook: ik ben als een belegerde stad, waaromheen sterke schansen gebouwd zijn om haar aan alle kanten in te sluiten.
Klaagliederen 3:6.KruisverwijzingenPsalmen 88:5→Psalmen 143:3→Psalmen 143:7→
— Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.
Alsof hij in een graf moest wonen, waar leven noch licht bij hem kon komen.
Klaagliederen 3:7.KruisverwijzingenJob 3:23→Job 19:8→Psalmen 88:8→Jeremia 38:6→Jeremia 40:4→Hosea 2:6→Klaagliederen 5:5→Klaagliederen 3:9→
— Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
Als een gevangene in zijn kerker, die handboeien en voetboeien dragen moet. “Mijn weg lijkt versperd; niets gelukt mij.” Een veroordeelde sleept soms zijn ketting achter zich aan, met een kogel aan zijn voet. Zo voelde de profeet het alsof God hem met een zware ketting belast had, zodat hij zich door het gewicht niet bewegen kon.
Het is voor sommigen gemakkelijk zo’n gedeelte te lezen. Maar anderen hebben het gelezen met een pijnlijk voorhoofd en met ogen rood van het wenen. De profeet beschrijft juist zulke smarten als zij zelf voelen. Vaak zullen zij bij het lezen daarvan gezegd hebben: dan zijn wij toch niet alleen in onze droefheid. Misschien worden ook wij nog verlost, zoals Jeremia verlost werd.
Klaagliederen 3:8.KruisverwijzingenJob 30:20→Psalmen 22:2→Job 19:7→Habakuk 1:2→Mattheüs 27:46→Klaagliederen 3:44→Psalmen 80:4→
— Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
Dit was de zwaarste beproeving van alle. Wat een droefheid is dat — te voelen dat zelfs het gebed niets meer uitricht! En toch was deze smekeling geen genadeloze zondaar. Hij was een dierbaar kind van God, een van de edelste profeten uit de oude tijd, een van de getrouwste dienaren van de HEERE.
Denk daarom niet, wanneer uw gebeden soms ongehoord of onopgemerkt lijken en u in droefheid gelaten wordt, dat de HEERE u niet liefheeft. “Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.” En dat woord “geselt” is zeer sterk; het betekent veel meer dan een gewone tuchtiging. In welke vreselijke staat van droefheid komt uw hart, wanneer zelfs de troost van het gebed u ontzegd lijkt!
Klaagliederen 3:9.KruisverwijzingenJesaja 63:17→Klaagliederen 3:11→Jesaja 30:28→Hosea 2:6→
— Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
Men geloofde dat een muur van uitgehouwen stenen het sterkst was, omdat de voegen dan het nauwst op elkaar sluiten. Jeremia spreekt alsof God moeite en zorg besteed had aan het bouwen. Niet ruw met gewone stenen, zoals mensen doen, maar met gepolijste en welgevormde moeiten, als sterke muren op zijn weg. “De HEERE heeft mij geheel ingesloten, alsof Hij aan alle kanten een muur om mij heen gebouwd had.”
Klaagliederen 3:10.KruisverwijzingenPsalmen 10:9→Hosea 6:1→Job 10:16→Amos 5:18→Psalmen 17:12→Hosea 5:14→Jesaja 38:13→Hosea 13:7→
— Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
Hij voelde het alsof de gerechtigheid van God op hem zou springen. Hij durfde zich niet te bewegen, uit vrees dat de loerende leeuw op hem zou aanvallen en hem verscheuren. John Bunyan beschrijft in zijn Overvloeiende genade voor de grootste der zondaren uit zijn eigen ervaring precies wat de profeet hier zegt.
Klaagliederen 3:11-13.KruisverwijzingenHosea 6:1→Job 16:12→Job 7:20→Psalmen 38:2→Klaagliederen 1:13→Klaagliederen 2:4→Psalmen 7:12→Job 6:4→
— Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt. Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld. He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.
De pijlen van de Koning hadden hem tot in het diepst gewond. Misschien weet een van u wat het is om naar de Bijbel te gaan en er toch geen troost in te vinden. De kostbare beloften leken u te goed om waar te zijn, en het was of u meteen elk donker en dreigend gedeelte opgezocht had en zei: dát is voor mij! U hebt bittere dingen tegen uzelf geschreven en gedacht dat u wel het doelwit moest zijn waarop God Zijn scherpste pijlen afschoot. “Elke preek die ik hoor lijkt een schot op mij, elke tekst van de Schrift lijkt een pijl die op mij gericht is.” En: “Zij zijn niet alleen op mij afgeschoten, zij hebben mij ook werkelijk geraakt; zij hebben mij gewond, zij hebben mij in mijn edele delen doorboord.”
En al die tijd vond hij nergens troost, wat zijn verdriet nog verzwaarde. U die zich die ervaring herinnert, dank God dat u haar doorgemaakt hebt, dat u over die ruwe weg de plaats van vrede en rust in Christus bereikt hebt. En u die dit pad nooit gekend hebt: het zal goed voor u zijn wanneer u het wel kent, hoe zwaar u het ook vinden mag.
Klaagliederen 3:14.KruisverwijzingenJeremia 20:7→Klaagliederen 3:63→Psalmen 22:6→Psalmen 69:11→Jeremia 48:27→Psalmen 35:15→1 Korinthe 4:9→Mattheüs 27:39→
— He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.
Zo gaat het met een mens die onder een besef van zonde ligt. Zijn makkers vragen hem waarom hij zo zwaarmoedig is; hij heeft een aanval van neerslachtigheid, zeggen zij. Zij willen zijn gezelschap niet en jagen hem uit hun midden weg. Het verbaast mij niet dat zij hem niet willen, want ik weet maar al te goed dat hij hen ook niet wil. Maar dit voegt veel toe aan zijn verdriet: dat zij zijn wee tot een voorwerp van spot en gelach maken.
Klaagliederen 3:15.KruisverwijzingenJeremia 9:15→Psalmen 60:3→Jeremia 25:27→Jeremia 25:15→Jeremia 23:15→Klaagliederen 3:19→Jesaja 51:17→Job 9:18→
— He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.
Wat een sterke uitdrukking gebruikt de profeet! Zoals een dronken man zijn verstand kwijt is en waggelt zonder te weten waarheen, zo is een zondaar wanneer hij de bitterheid van de zonde werkelijk begint te proeven. Hij handelt niet als iemand die met rede begiftigd is; de wanhoop en de droefheid hebben zijn zinnen verdreven.
Klaagliederen 3:16.KruisverwijzingenSpreuken 20:17→Jeremia 6:26→Psalmen 58:6→Psalmen 3:7→Mattheüs 7:9→Lukas 11:11→Job 4:10→Psalmen 102:9→
— Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.
De mensen in het oosten bakten hun koeken gewoonlijk op de haard. Vaak zaten er dan stukjes gruis in, misschien grote brokken sintel en soms kleine steentjes, die de tanden konden breken. De profeet lijkt te zeggen: toen ik voedsel wilde nemen door brood te eten, werd ik teleurgesteld; mijn tanden werden met zandsteentjes verbrijzeld. Ik herinner mij nog hoe ik naar het huis van God ging om troost te zoeken, en er ellendiger vandaan kwam dan ik gekomen was. De zonde, die grote verslindende draak, volgde mij immers overal.
Klaagliederen 3:17.KruisverwijzingenJesaja 59:11→Jesaja 54:10→Jeremia 8:15→Jeremia 16:5→Psalmen 119:155→Jeremia 20:14→Jesaja 38:17→Zacharia 8:10→
— Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.
“Het is zo lang geleden dat ik voorspoed had, dat ik vergeten ben wat het was. Ik ben zo aan moeite en droefheid gewend geraakt, dat het lijkt of ik nooit geweten heb wat vreugde is.” De grondtekst is nog droeviger: ik vergeet het goede.
Klaagliederen 3:21.KruisverwijzingenPsalmen 130:7→Psalmen 119:81→Psalmen 77:7→Klaagliederen 3:24→Habakuk 2:3→
— Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;
Let op de genadige verandering die hier plaatsvindt, alsof de zon opging na de zwartheid en somberheid van de nacht. Nu beginnen de vogels van de vreugde te zingen en openen de bloemen van de hoop hun gouden kelken.
En zolang uw verdrukkingen u werkelijk vernederd hebben, arme bedroefde zielen, mag u hoop hebben. Roep het uzelf in gedachten dat Gods kastijdende slagen u in ootmoedige onderwerping aan Zijn voeten gebracht hebben en aan al uw roemen een einde gemaakt hebben. Dáárin mag u hoop hebben.
Let erop dat deze man in al zijn droefheid nog hoop had. Zijn ziel was vernederd, en daarom had hij hoop. Ik meen dat het woord voor hoop in de taal van Nieuw-Zeeland “zwemmende gedachte” betekent: de gedachte die blijft drijven wanneer al het andere verdronken is. Och, wat een barmhartigheid is het dat de hoop kan blijven leven wanneer al het andere lijkt te sterven!
Klaagliederen 3:22.KruisverwijzingenPsalmen 86:15→Psalmen 78:38→Psalmen 106:45→Nehemia 9:31→Lukas 1:50→Maleachi 3:6→Ezra 9:13→Ezechiël 20:8→
— Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;
Hoe erg onze staat ook is, wij zijn nog niet in de hel; wij zijn nog niet buiten het bereik van de hoop. Zie waar Jeremia zijn troost vandaan haalt. Hij lijkt te zeggen: hoe erg mijn geval ook is, het had erger gekund, want ik had verteerd kunnen zijn. En ik zóu verteerd zijn als de barmhartigheden van de HEERE opgehouden hadden.
Ach, broeders en zusters, wij hadden op dit ogenblik in de hel kunnen zijn! Wij hadden midden in de heetste vlammen van die hopeloze plaats de toorn van God kunnen dragen. Maar wij zijn daar niet, en geloofd zij Zijn naam daarvoor. Hoor het, bedroefd hart: u bent nog niet verdelgd, u bent nog in het land der levenden, nog op biddende grond en op pleitende voet met God. “Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben.” Hij heeft nog steeds ontferming over ons. Had Hij die niet, dan zou Hij ons geheel hebben opgegeven. Maar er is liefde in Zijn hart, ook al ligt er een frons op Zijn voorhoofd, en terwijl Zijn hand ons slaat, heeft Zijn hart ons nog lief.
Klaagliederen 3:23.KruisverwijzingenPsalmen 30:5→Jesaja 33:2→Sefanja 3:5→Hebreeën 10:23→Psalmen 36:5→Psalmen 146:6→Titus 1:2→Psalmen 89:33→
— Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.
Wij hebben vanmorgen nieuwe weldaden gehad, en wij hebben vanavond weer verse weldaden gehad. God is ons niet vergeten. De adem in onze neusgaten is al een bewijs van Zijn goedheid; laten wij daarom nog verdere gunsten van Hem verwachten.
Brengt elke dag zijn moeite, elke dag brengt ook zijn barmhartigheid. Tot op deze dag zijn wij in elk geval niet omgekomen. De HEERE heeft ons gekastijd, maar Hij heeft ons niet vermorzeld. Wij zijn neergeworpen, maar wij zijn niet verdelgd. “Uw trouw is groot.” Niemand kan dat zo waarachtig zeggen als wie weet wat het is die grote trouw te ondervinden in een grote verdrukking. Juist toen de beproeving zwaar was, heeft de gelovige ziel zich op de altijd getrouwe God geworpen. Zo heeft zij haar zegel kunnen zetten op deze waarheid: Uw trouw is groot.
Klaagliederen 3:24.KruisverwijzingenPsalmen 16:5→Psalmen 73:26→Klaagliederen 3:21→Psalmen 33:18→Jeremia 10:16→1 Petrus 1:21→Psalmen 130:7→Psalmen 142:5→
— Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.
“Met al mijn moeiten en verliezen en smarten heb ik nog altijd een God; daarom zal ik op Hem hopen.” Wat! Met zijn mond vol zandsteentjes, dronken gemaakt met alsem, overstelpt van droefheid, en toch zegt hij: de HEERE is mijn Deel. O ja, geliefden, wat wij ook verloren hebben, wij hebben onze God niet verloren. De dieven hebben ons van ons kleine spaargeld beroofd, maar bij het goud dat wij in de bank hebben konden zij niet komen. Zij konden niet inbreken in de grote schatkamer van de eeuwige liefde. Bunyan zegt: Klein-Geloof verloor zijn zakgeld, maar de dieven konden zijn juwelen niet vinden. En onze juwelen kunnen zij evenmin vinden; die zijn alle veilig.
Kunt u deze gezegende waarheid vastgrijpen, u die hier bedroefd zit? Gebroken zondaar, kunt u deze vertroostende verzekering aangrijpen? Dan zal er spoedig vrede voor u zijn. Kan ik het anker van de hoop nergens anders uitwerpen, dan mag ik nog altijd op Hem hopen — en welke betere hoop zou ik willen?
Klaagliederen 3:25.KruisverwijzingenPsalmen 37:34→2 Kronieken 19:3→Psalmen 27:8→Jesaja 25:9→Psalmen 25:8→Psalmen 40:1→Psalmen 37:7→Psalmen 27:14→
— Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.
Wees niet haastig. Verwacht niet dat u uit uw moeite verlost wordt zodra u voor het eerst tot God begint te roepen. O nee: “De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.” Al is het uit de diepten van de uiterste nood dat u God zoekt, u zult Hem goed voor u vinden. Hij is voor niemand hard en voor niemand onvriendelijk. Ga alleen maar en beproef Hem, en u zult ondervinden dat het zo is als ik zeg.
Klaagliederen 3:26.KruisverwijzingenPsalmen 37:7→Hebreeën 10:35→Psalmen 119:166→Psalmen 119:174→Psalmen 130:5→Hebreeën 3:14→Jesaja 30:15→Psalmen 37:34→
— Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.
Gods tijd is altijd de beste tijd. U nu al te verlossen zou u de weldaad van de beproeving kunnen ontnemen. U moet haar dragen totdat zij “een vreedzame vrucht der gerechtigheid” voortbrengt. Wanneer de arts een trekpleister legt, halen wij die niet de volgende minuut weer weg. Nee, de lijdzaamheid moet haar volmaakte werk hebben, opdat wij “volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk”.
Klaagliederen 3:27.KruisverwijzingenPrediker 12:1→Psalmen 119:71→Psalmen 94:12→Psalmen 90:12→Mattheüs 11:29→Hebreeën 12:5→
— Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.
Dit juk mag een tijdlang zeer zwaar lijken. Maar wanneer het ons vernederd heeft en tot Christus gebracht, zal het ons ontelbare zegeningen brengen. En het is ook niet slecht voor een mens als hij het in zijn ouderdom blijft dragen. Onze schouders hebben het juk altijd nodig; wij zijn zulke onzekere schepselen dat wij te veel vrijheid niet verdragen kunnen, zelfs geen vrijheid van droefheid.
Klaagliederen 3:28.KruisverwijzingenJeremia 15:17→Klaagliederen 2:10→Psalmen 102:7→Psalmen 39:9→
— Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
Zodra de verdrukking een mens ertoe brengt de eenzaamheid te zoeken om te overdenken en te overwegen, doet zij hem al goed.
Klaagliederen 3:29.KruisverwijzingenJob 40:4→Sefanja 2:3→Jeremia 31:17→Lukas 18:13→Ezechiël 16:63→2 Kronieken 33:12→Job 42:5→Joël 2:14→
— Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.
Dát is de weg om de hoop te vinden. Niet door uw mond op te heffen om de HEERE te trotseren of tegen Hem te morren. Ook niet door uw mond te openen in roem. Maar door uw mond in het stof te steken. Een ootmoedige, boetvaardige, berustende, zwijgende en onderworpen geest zal spoedig hoop vinden.
Klaagliederen 3:31.KruisverwijzingenPsalmen 94:14→Jesaja 54:7→Psalmen 77:7→Micha 7:18→Jeremia 31:37→Jesaja 57:16→Psalmen 103:8→Jeremia 33:24→
— Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.
Wat een muziek ligt er in die regel! Hij mag u een tijdlang van Zich stoten en u schijnbaar verlaten, maar “de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid”. God mag het lijken alsof Hij ons van Zich wegdoet, maar er staat geschreven dat Hij het verlaten haat. Er bestaat geen echtscheiding tussen Christus en de ziel die eenmaal aan Hem ondertrouwd is. Hun scheiding zal niet blijvend zijn, want niets zal ons kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere.
Och, grijp die gezegende waarheid vast! Ik bid u, kinderen van de droefheid, neem haar aan en laat haar nooit los. De HEERE mag naar alle schijn een tijdlang verstoten, maar Hij zal niet verstoten in eeuwigheid.
Klaagliederen 3:33.KruisverwijzingenEzechiël 33:11→Ezechiël 18:32→Hebreeën 12:9→Jesaja 28:21→
— Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.
Tenzij Hij er een genadig oogmerk mee heeft, plaagt of bedroeft Hij hen nooit. En doet Hij het toch, dan is het zoals een vader zijn kind slaat: omdat het gebeuren móét, niet omdat hij het graag doet. Zie dan de grote barmhartigheid van God. Mocht zij de zondaar tot bekering leiden, ja, mocht zij ons allen leiden om ons vertrouwen op de HEERE te stellen!
Zo handelt God niet. Tirannen mogen zo doen, maar de tedere, meewarige God, onze genadige en liefhebbende Vader, zal dat nooit doen. Ligt u in het stof voor Hem, dan zal Hij niet op u trappen.
Klaagliederen 3:35-36.KruisverwijzingenHabakuk 1:13→Jesaja 59:15→Jeremia 22:3→2 Samuël 11:27→
— Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten; Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?
Nogmaals: zo handelt God niet.
Klaagliederen 3:52-55.KruisverwijzingenPsalmen 35:7→Psalmen 35:19→Jeremia 38:6→Jeremia 38:9→Daniël 6:17→Jona 2:3→Jeremia 37:16→Ezechiël 37:11→
— Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd. Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen. Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden! Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.
Hij zei: ik ben afgesneden. En toch riep hij de naam van de HEERE aan uit de onderste kuil waarin zijn vijanden hem geworpen hadden. Wat een barmhartigheid is het dat Gods knechten vaak zo genadig tegenstrijdig zijn als Jeremia hier was! Zij zijn bang dat de HEERE hen niet horen zal, en toch blijven zij tot Hem bidden. Zij zijn bang dat zij voor eeuwig verstoten zijn. En toch blijven zij het voorrecht van een kind van God gebruiken en tot Hem roepen, terwijl zij betwijfelen of zij daar als kind wel recht op hebben. Ga door, geliefden, met die gezegende tegenstrijdigheid, en de HEERE zal u daarin zegenen.
Klaagliederen 3:56.KruisverwijzingenPsalmen 55:1→Job 34:28→Psalmen 3:4→Psalmen 88:13→Psalmen 116:1→Psalmen 6:8→Psalmen 34:6→Romeinen 8:26→
— Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
Soms worden onze gebeden zo zwak dat zij niet meer zijn dan een zuchten. En toch mogen wij nooit vergeten dat het gebed de adem van God in de mens is, terugkerend naar de plaats waar hij vandaan kwam. Biddende adem wordt nooit tevergeefs besteed.
Is dat geen prachtige beschrijving van het gebed — wanneer de ziel geen woorden vinden kan en er niets overblijft dan een zuchten? Zei ik: niets dan een zuchten? Maar dat is juist het wezen van het gebed. Geluid met de stem kunnen ook huichelaars voortbrengen. Onze kinderen hebben poppen of beestjes die zij indrukken om ze te laten piepen, maar er is geen leven in. Zo kan er geluid zijn en toch geen leven. Maar ik heb nog nooit gehoord van iets dat werkelijk ademde en geen leven had. En wanneer uw ziel zich voor God uitademt in het gebed, dan is er geestelijk leven in u. Ook al kan zij door de droefheid van uw hart geen enkel woord uitbrengen.
Klaagliederen 3:57.KruisverwijzingenJesaja 41:10→Jakobus 4:8→Jesaja 41:14→Psalmen 145:18→Handelingen 18:9→Jesaja 43:1→Openbaring 2:10→Jeremia 1:17→
— Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!
Och, wat een zoete ervaring! Kunt u niet zeggen, geliefden, dat deze woorden even goed op u passen als op Jeremia? Ik ben geneigd tegen hem te zeggen: ze zijn van míj, Jeremia; zeker, ze waren van u, maar ik weet zeker dat ze evengoed van mij zijn.
Klaagliederen 3:58.KruisverwijzingenJeremia 51:36→1 Samuël 25:39→Psalmen 71:23→Jeremia 50:34→Psalmen 34:22→Genesis 48:16→Psalmen 103:4→
— Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.
Wat een troost is het dat Christus in de hemel onze grote Voorspraak is, en dat Hij de twistzaken van onze ziel voor de troon van God bepleit heeft! En Hij Die onze Voorspraak is, is ook onze Verlosser; daarom zijn wij dubbel veilig. Geloofd zij Zijn heilige naam tot in alle eeuwigheid!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
C. Hadden reeds in de beide eerste liederen wolken van kommer en van hartverscheurende smart zich over Zion, de gelovigen in Israël en hun vertegenwoordigers, de Profeten, zaamgepakt, nu stijgt deze donkerheid op hun gemoederen in het derde lied tot een volkomen nacht. De wolken trekken zich dicht te zamen tot een onweder, dat zich in hevige bliksemen en donderslagen ontlast. De droefheid wordt tot ene werkelijk geestelijke aanvechting, daar het hart zich geheel verlaten gevoelt van zijnen God en van diens troostvolle beloften; het gevoelt den barmhartigen God tegenover zich slechts als enen overmachtigen vijand en vervolger. Dat gevoel van vollen nacht des harten, onder Gods gerichten verpletterd, van de zwaarste verzoeking en bestrijding om het ineenstorten van het rijk Gods met al zijne eeuwige en onaantastbare inzettingen en goederen, had Jeremia en met hem alle gelovigen gedurende de verovering en verwoesting van Jeruzalem ondervonden en doorleefd. Zijne ziel had echter doorgeworsteld tot het licht, omdat zij altijd in den diepsten grond nog vasthield aan den Heere, en zij was gekomen tot rust en vrede in den Heere. Toen Jeremia de Klaagliederen daar te Mizpa zong, stond deze ervaring der diepste troosteloosheid en inwendige bestrijdingen, die hij met de gelovigen doorleefd had, reeds objectief tegenover hem, en hij legt ze in dit 3de hoofdstuk aan zichzelven en aan de gelovigen van dien en van alle tijden ter vertroosting voor. De beide eerste liederen staan tot dit derde in dezelfde verhouding, als de zoelheid vóór het onweder, en de storm, die zich verheft, tot het onweder zelf. Het vormt in ieder opzicht het hoofdpunt van het gehele Boek. Even als in het onweder de gespannen levensgeesten in de natuur tegen elkaar losbarsten, en in den strijd der elementen veel onreins en schadelijks wordt overwonnen en ter zijde gesteld, zo is ook in de zware, geestelijke bestrijdingen der knechten Gods, en in de voorstellingen hunner ervaringen de strijdende overwinning, het worstelen uit den nacht tot het licht, uit den twijfel tot vast vertrouwen duidelijk te zien. Tot recht verstand van dit 3de lied is daarom het verstaan van dat, wat bestrijding en verzoeking is, zo als die ons van Jakob in dien wonderbaren nachtelijken strijd met den Heere, van Job, Jona, Elia, Jeremia, den Prediker van Salomo, Johannes den Doper bericht worden, zo als ze alle ware gelovigen, vooral de uitverkoren werktuigen Gods beleefd hebben en meten beleven, noodzakelijk, biedt het lied aan den beschouwer ene reeks van onbegrepene, overdrevene klachten aan, op welke weer enige troostwoorden volgen. De vorm van dit lied is tot in bijzonderheden zeer kunstvol. De dichter heeft zelfs elk der verzen in drie delen verdeeld, en laat ieder van die drie delen met dezelfde letter naar de orde van het alphahet beginnen, zelfs in het midden van het lied, waar de nacht der bestrijdingen wordt gebroken, waar de strijd des harten op het hevigst wordt, begint ieder versdeel zelfs met hetzelfde woord. De inhoud wordt in 4 delen verdeeld, van welke het eerste (vs. 1-18 La 1- ) de gehele zwaarte der bestrijding uitdrukt, welke door de vorige gebeurtenissen over de gelovigen onder Gods volk zijn gekomen; het tweede (vs. 19-39) toont het doorbreken der hoop en hare versterking, op grond der herinnering aan de Goddelijke genade en voorzienigheid, het derde (vs. 40-54) bevat de erkenning van Gods gerechtigheid in het opleggen der straffen, die echter door de boosheid der vijanden zo wordt vermeerderd, dat de Heere de klacht over vertreding van Zijn volk niet afwijzen kan. Eindelijk in het vierde deel (vs. 55-56) dringt dat vertrouwen op de Goddelijke gerechtigheid tot gebed, waarin het vertrouwen, dat God zal helpen en op de vijanden wraak zal nemen doorbreekt.
I. Vs. 1-18.KruisverwijzingenJesaja 38:13→Psalmen 51:8→Klaagliederen 3:19→Job 30:20→Psalmen 22:2→Psalmen 88:7→Jeremia 50:17→Jeremia 23:15→
— Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid. Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht. Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd. Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken. Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd. Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn. Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard. Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed. Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd. Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.
In deze gehele afdeling heerst de allerdiepste droefheid van een sterk bestreden hart, de allerhevigste nachtelijke strijd van ene ziel, die in de gemeenschap met God staat, die Hem niet kan loslaten met ene onzichtbare, door haar zelfs niet eens genoemde, haar vijandig tegenoverstaande macht. Deze is echter niemand anders dan de Heere zelf, die steeds de trouwe Verbonds-God is. De worstelende ziel noemt Hem echter niet, vrezende zichzelve aan de eeuwige, onveranderlijke trouw des Heeren en hare eigene nog onverzwakte liefde te herinneren; zo was het ook bij Job gedurende den tijd van zijnen hevigsten strijd, zo ook bij den Prediker. De oorzaak van die kwelling des harten is het in elkaar storten van het rijk Gods, het geliefde Zion, het dierbare Jeruzalem, en de gruwelen, waarmee het vergezeld was. Wie echter hier zijnen mond opendoet, om zijne klachten tegen God, den Heere, zo vele er maar in het hart zijn, uit te storten, kan niet twijfelachtig zijn. Het is de Profeet, die uit het hart aller gelovigen in Israël spreekt, of het zijn ook de gelovigen, die als één persoon zijn zaamgevat. Men moet echter niet in de dwaling vervallen, dat de Profeet hier zijn persoonlijk lijden optelt, dat hij gedurende de belegering en verwoesting van Jeruzalem en ook daarna nog te lijden had. Dit de slechts één punt van het gehele gericht Gods, onder welks slagen het den gelovige in Israël zo nameloos bang om de ziel werd, dat hij bijna op het punt was, om zijne hoop op den Heere, die geheel van verre stond en geen bidden hoorde, weg te werpen.
Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft, die uit- en inwendig, naar lichaam en geest niets den jammer gevoel door de roede Zijner verbolgenheid 1) die door goddeloze en boze vijanden (Job 21:9; 9:34) op mij is gekomen.
De Profeet zegt hier dat hij zeer ellendig is, maar tegelijk geeft hij de oorzaak aan, dewijl hij hard door den vertoornden God gekastijd werd. De Profeet noemt hier niet den naam van Hem, die dit lijden heeft bewerkt. Eerst in vs. 18 spreekt hij den naam van den HEERE uit. Het is het bewijs, dat dit klaaglied, het lied is van een aangevochtene ziele, die eerst dan tot rust komt, als zij eindelijk in den Heere God, met al hare ellende, rust. Het is niet zo zeer Jeremia zelf die hier over zijn bange lijden klaagt, maar het is het geestelijk Zion, in wiens naam hij al deze verzuchtingen slaakt.
Aleph. Hij heeft mij bij de hand genomen, en mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht, door de donkerheid heen tot hetgeen geen licht is (Job 12:25). Gene ster van hoop en troost, geen straal van de lieflijke zon Zijner genade lichtte over mij terwijl Zijne slagen nedervielen. Hij schildert de droefheid van zich en van zijn volk, even als wanneer men enen kwaaddoener in enen donkeren, vreeslijken, sterken, vasten toren werpt en in ijzeren boeien legt, waar hij noch zon noch maan kan zien, aan alle zijden bewaakt is, zodat hij nergens kan uitbreken, met water en brood wordt gespijzigd, en zo diep in duisternis zit, dat, al schreit hij ook, hij niemand kan beroepen.
Aleph. Hij heeft zich immer altijd door tegen mij gewend; terwijl Hij anders met hulp en zegen den vromen tot vertroosting Zich openbaart, is het nu alsof Hij een vijand is geworden; Hij heeft Zijne hand, die anders in genen nood verkort was en altijd wilde redden, den gansen dag veranderd in ene slaande hand.
Beth. Hij heeft door zulke onophoudelijke plagen en kwellingen mijn vlees en mijne huid van wege grote treurigheid oud gemaakt (Ps. 6:8; 39:12. Job 13:28 mijne beenderen gebroken
zodat al mijne krachten verdwenen zijn, en ik daar nederzit als ene schim aan den wand (Job 30:17).
De Profeet ziet derhalve niet op de uitwendige verliezen, maar op het bewijs van Gods straf, dewijl het volk uit al die ongelukkige tekenen niets anders kan opmaken dan dat God hun in een vijand was veranderd. En dit was waar. God nu had hen dikwijls vermaand tot berouw, maar wijl ze geheel en al ongeneeslijk waren gebleken, had Hij zich eindelijk tot het uiterste gewroken, zoals billijk was. Dit is de reden, waarom hij zegt, dat God de beenderen gebroken had. Het beeld is ontleend aan den leeuw, die zijn prooi de beenderen breekt, om haar geheel te kunnen verslinden. Dat beeld is bij den Profeet meer gebruikelijk om daarmee de kracht en de sterkte Gods aan te geven, maar ook om Zijnen niets sparenden toorn aan te duiden. Juda en Jeruzalem zijn gelijk aan hen, wien de beenderen gebroken zijn, van alle macht en kracht beroofd, om ook maar den geringsten tegenstand te kunnen bieden.
Beth. Hij heeft, even als men ene vijandige stad, die men wil innemen, rondom van een wal omgeeft, tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij, gelijk men ene stad met krijgslieden omlegert, met galle en moeite omringd, want talloze ellenden, die mijn leven vergiftigden, dringen op mij aan.
Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn 1) en bij de mensen geheel vergeten (Ps. 88:5-7).
Dit vers in een herhaling van Ps. 143:3. De dichter bedoelt degenen, die in de graven zijn weggeborgen, want duistere plaatsen is dichterlijke uitdrukking, voor graven. Daarom voegt hij er ook bij, die over lang dood zijn, d. w. z. die niet weer tot het leven terugkeren. De Profeet vergelijkt derhalve Zion hier bij de doden, voor wie geen herstelling in dit leven is te wachten. Zo zwaar wordt hij aangevochten, dat het één twijfel bij hem is aan de herstelling van Zion, van stad en tempel. Vandaar dat hij ook in het volgende vers spreekt van muren en koperen boeien, die ontoegankelijk en onverbrekelijk zijn. Al zijn hoop in weg, al zijn verwachting op redding is verdwenen. Beeld van den geestelijken toestand van menig gelovige, als hij in het moeras van wanhoop en vertwijfeling als weggezonken is.
Gimel. Hij heeft mij als enen misdadiger in ene nauwe plaats toegemuurd, rondom versperd, dat ik er niet uitgaan kan; Hij heeft mijne koperen boeien verzwaard (Job 19:8. Ps. 88:8), zodat al mijne hoop, om uit mijn angst verlost te worden, verdwenen is.
Gimel. En het allerzwaarste in deze ellenden is: ook wanneer ik uit de diepte mijner ellende tot Hem roep en schreeuw, sluit Hij, die mij toch zo vele beloften van gebedsverhoring heeft gegeven, zo dikwijls mijn zuchten gehoord heeft, de oren voor mijn gebed 1) zodat ik als in den wind roep (Spr. 1:28).
Hier beschrijft de Profeet het uiterste van alle ellenden, omdat hij namelijk niets verkrijgt met roepen en bidden. Want wij weten dat wij daartoe in alle ellenden geroepen worden. De naam des Heeren is een zeer sterke toren, tot Hem zal de rechtvaardige vluchten en behouden worden. (Spreuken 18:10). Vervolgens: wie den naam Gods zal aanroepen zal zalig worden, bij Joël (2:32). En de Schriftuur is vol van dergelijke getuigenissen, waarin God alle gelovigen vriendelijk tot Zich nodigt (Ps. 91:15; 88:2. Jes. 65:24), Hij zal tot Mij roepen en Ik zal hem verhoren: In dien dag zal hij roepen en Ik zal verhoren. Vervolgens: Voordat gij zult roepen. Kortom alle plaatsen bij elkaar te brengen is niet nodig, maar wij mogen te vreden zijn met dit ene, dat, wanneer God Zich die eigenschap voorbehoudt, dat Hij de gebeden hoort, Hij aanwijst dat dit niet van Zijn eeuwig Wezen en Godheid kan gescheiden worden, dat Hij n. l. geneigd is om de gebeden te verhoren. Daarom zegt de Profeet: Tot U zal alle vlees komen. Wanneer derhalve Jeremia klaagt, dat zijne gebeden te vergeefs zijn geweest en alle vrucht en gevolg hebben gemist, dan schijnt dit iets ongerijmds te zijn. Maar wij weten dat God de zielen der gelovigen ondersteunt en zo verhoort, dat Hij soms langen tijd hun geduld beproeft en van kracht berooft. Dit is de reden waarom Hij Zijn hulp uitstelt en vertraagt. Derhalve is het niet te verwonderen, dat God de gebeden van Zijn knecht niet verhoort heeft n. l. naar de begeerten van zijn vlees. God nu stoot de zijnen nooit terug en is niet doof voor hun gebeden en zuchten, maar de gelovigen spreken dikwijls uit de begeerten van hun vlees. Dewijl derhalve de Profeet zag, dat hij met zijn bidden niet iets verder kwam, daarom zegt hij dat zijne gebeden verhinderd werden, of toegesloten, of dat de deur voor hem was toegeworpen, zodat zijne gebeden niet tot God kwamen. Doch deze plaats is waardig om opgemerkt te worden, dewijl, indien God ons niet terstond verhoort wij moedeloos worden, en niet slechts de ijver om te bidden bij ons verkoelt, maar bijna wordt uitgeblust. Het gebed sluiten wil derhalve niet zeggen dat de Profeet, en daarmee Zion, geen gebed meer kon uitstorten voor Gods aangezicht, maar dat er geen opmerking des gebeds was, dat het gebed als met gebroken vleugelen op de ziele terugviel, dat God de verhoring des gebeds uitstelde, of niet scheen te willen horen.
Gimel. Hij heeft mijne wegen toegemuurd met uitgehouwene stenen, met grote vierkante stenen, die op elkaar sluiten, zodat er geen uitweg is. Hij heeft mijne paden verkeerd, zodat ik daarop niet meer kan wandelen (Job 30:13). Dat is een harde weg, die alleen uit de ervaring wordt gekend; vroeger had de ziel, om tot haren God te komen, ene straat en een weg, dien zij gemakkelijk kon volgen, zij kon alleen in Hem rust vinden en Zijne leiding volgen. Nu is echter haar weg door stenen versperd, zodat zij niet verder kan voortkomen. Deze benemen alle hoop, om ooit daaruit te kunnen komen, daar zij, hard en vast zijn en dicht aaneengesloten, om de ziel niet door te laten. De wegen zijn niet alleen versperd, maar de kleine stegen en valse uitvluchten, waardoor zij meende te ontkomen, vertonen zich ook niet meer, zodat de ziel in dien toestand moet blijven, totdat het Gode behaagt, haar daaruit te verlossen. O liefde! hoe schoon kunt gij uwe gevangenen bewaren. De Dichter wil hier zeggen, dat God hem elken uitweg heeft afgesneden en zijn pad onbegaanbaar gemaakt, zodat hij niet meer voort kan. Niet, zoals sommigen menen, dat hij op dwaalwegen was geleid, want de Profeet had immer den weg zijns Gods bewandeld en niettegenstaande de grootste verdrukkingen, den weg Gods verkondigd, maar dat hij nu niet verder kon. En waarom niet? dewijl God Zijn oor voor hem, naar hij meende, geheel had toegestopt en hij de hand des Heeren niet meer gevoelde. In het volgende vers drukt hij nog treuriger toestand uit, n. l. dat God hem op allerlei wijze vervolgde om hem te vernietigen.
Daleth. Doch Hij heeft mij niet alleen elken uitweg afgesneden, maar vervolgt mij ook op alle wijzen. Hij is mij een loerende beer (Hos. 13:8. Amos 5:19), een roofgierige leeuw in verborgene plaatsen, die mij zoekt te overvallen en met zijne scherpe tanden te ontvlesen; terwijl ik zwak, onvoorbereid en gerust was.
Daleth. Hij heeft mijne wegen afgewend, 1) en Hij heeft mij gegrepen in Zijnen toorn en in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt, mij geheel vernietigd.
Dit is hetzelfde als in vs. 9b. De Profeet zegt hier dat God hem de wegen heeft afgesneden om verder te gaan, zodat hij het verderf niet kan ontvluchten. Zonder licht, zonder hope, zonder uitzicht moet hij zijn pad bewandelen. Het licht is hem in duisternis verkeerd, het leven in den dood. Gebroken door Gods gramschap ligt hij als ontzield ter neer, en geen stem der hope glinstert meer voor hem in dien donkere nacht der ellende. Wat hij meent te zien is niet anders dan dat hij het voorwerp, het doelwit is van Gods pijlen, van Zijne gramschap (vs. 12).
Daleth. Hij heeft, gelijk aan een bekwamen jager, die op wild jaagt, Zijnen boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl, het zwaarste lijden, als ten doel gesteld.
He. Hij heeft Zijne dodelijke pijlen van Zijn goddelijk gericht uit Zijnen pijlkoker genomen, en in mijne nieren doen ingaan; Hij heeft mijn binnenste doorboord, zodat mijne verborgenste gevoelens, mijne diepste levenskracht, smartelijk werd getroffen (Job 6:4; 16:12 v.).
He. Ik ben doordat Zijne pijlen mij zo diep wondden en mij alle blijdschap ontnamen, met de weinige andere waarlijk vromen, al mijn volk, aan de grote menigte dergenen, die zich door Zijne gerichten niet lieten verootmoedigen, maar tot het einde weerspannig zijn gebleven, tot belaching geworden, hun snarenspel, hun honend lied (Job 12:4; 30:9) den gansen dag; daarmee zochten zij den ernst van Gods toorn, die over hen was gekomen, weg te zingen. Dat het getal groot was van hen, die in den ondergang van het rijk de kastijdende hand Gods niet wilden zien en met de vermaningen des Profeten spotten, toont niet alleen de geschiedenis van den eersten tijd na Jeruzalems verwoesting (Jer. 41 vv.) de daad van Ismaël en van zijnen aanhang (Jer. 41:2 vv.), en van de weerspannige mannen, die ondanks Jeremia’s waarschuwing naar Egypte trokken (Jer. 43:2) maar ook de geest, die onder de ballingen heerste, tegen welke Ezechiël moest strijden (Ezech. 12:22). Evenzo ziet ook de grote menigte der tegenwoordige Christenen niets van de gerichten Gods, die reeds over ons zijn begonnen en bij voortduring nog dreigen; zelfs waar ze met de handen te tasten zijn, spot en zingt men ze weg met spot en hoon over al degenen, die door den ernst der tijdsomstandigheden, door den dreigenden en reeds uitgestorten toorn Gods getroffen, in hun binnenste gewond en diep ter neer geslagen zijn, maar vooral op de dienaren en profeten van God, die op Gods gerichten wijzen en op boete en bekering aandringen.
He. Hij heeft mij in plaats van met de vroegere zoete weide en het aangename van Zijne troostvolle toespraak en vriendelijkheid in mijne ganse ziel, met bitterheden verzadigd (Job 9:18), Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt, 1) daar treurigheid, angst en harteleed mijn dagelijks brood en mijn dagelijkse drank is.
God heeft toegang tot den geest der mensen, en kan dien zo verbitteren, dat daardoor alle de genietingen verbitterd worden, gelijk wanneer de maag vervuild is, wordt alles wat men eet verzuurd. Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt, dat is, zo dronken gemaakt door een gevoel van mijne rampen, dat ik niets weet te zeggen of te doen.
Vau. Ja meer nog! Hij heeft mij oneetbare, onverteerbare stenen gegeven in plaats van brood, in plaats van Zijn woord en Zijnen Geest, waardoor Hij mij dagelijks sterkte. Hij heeft mijne tanden met zandsteentjes verbrijzeld 1), Hij heeft mij op den grond geworpen en in de as nedergedrukt, mij de smadelijkste vernedering en het diepste lijden aangedaan (Job 30:19).
In het Hebr. Wajagrees bèchsatseets sjinnai. Beter: Hij heeft mijne tanden zandsteentjes te vermorzelen gegeven. Een uitdrukking, welke de zwaarste ellende moet te kennen geven. Het is hetzelfde als stenen voor brood geven.
Vau. En Gij hebt mijne ziel door al die ellende en den diepen smaad, die op mij is opeengehoopt, verre van den vrede verstoten, dien ik in Uwe gemeenschap genoot en die mijn hoogste goed was, ik, zeer bedroefde mens, die dagelijks ongeluk zonder maat en einde ondervind, heb het goede, het geluk vergeten 1), dat er nog op aarde is; want ik heb gene hoop meer, het ooit weer te vinden.
De dichter staat hier als het ware op het punt om te wanhopen, om weg te zinken in het moeras der vertwijfeling. Hij heeft alleen een gezicht voor zijn ellende, en zo heeft de donkerheid der ellende hem omringd, dat de herinnering aan het goede, dat hij genoten had, schier is verdwenen. Ja straks zal hij nog zeggen (vs. 18), dat zijn sterkte, zijn hoop op den Heere helemaal is vergaan. Dit is echter het keerpunt. Waar hij den naam van HEERE weer mag noemen, daar ontsteekt die Naam voor hem het licht der hope weer. Gelijk voor den verloren zoon in de gelijkenis, het noemen van den naam vader, het keerpunt was, het ogenblik, waarin de hope op redding weer ontvlamde in zijn door zonde en ellende verslagen ziele: zo ook voor den Profeet hier het noemen van den naam HEERE. God laat Zijn kind wel zinken, maar niet verzinken. Hij zelf redt hem op Zijn eigen, d. i. op Goddelijken wijze uit den ruisenden kuil van doffe neerslachtigheid.
Vau. Toen zei ik, toen dacht ik bij al mijn uit- en inwendig lijden in mijn hart: Mijne sterkte om nog langer te leven isdoor den Almachtige, die mij ten vijand geworden is, vergaan, en mijne hoop van den HEERE 1), die eens mijne gehele ziel vervulde en mij sterk maakte als een koperen muur, is verloren en in den duisteren nacht van wanhoop en troosteloosheid verzonken.
Hij noemt den dierbaren naam des Heeren (Jehova) weer voor de eerste maal, en terwijl hij dien in den mond neemt, brandt ook deze zalige Naam, die vrede en troost, sterkte en kracht geeft, in zijne ziel, die altijd zozeer naar des Heeren troost en hulp smacht, en overtuigt hem, dat er ook voor hem nog reden is om te hopen en te vertrouwen. Het noemen van den Naam van Hem, die van ouds af de God van Zijn volk is, en het verbond met hen heeft bezworen, bewaart zijne ziel voor het wegzinken in wanhoop en drijft hem aan, het vertrouwen op den Heere niet te laten zinken, zodat hij nu in het volgende den Heere zijnen nood kan klagen en Zijne hulpe kan afsmeken, en den Heere niet meer aanklaagt. Hier wordt zulk ene ernstige, diepe klacht des Profeten beschreven, dat velen hebben gemeend, er werd daarin niet anders dan van het bitter lijden en sterven van Christus gehandeld. Men vindt dan ook bij afbeeldingen van Christus, waar Hij met gesels gemarteld wordt voorgesteld en op Zijn hoofd de doornenkroon, het begin van dit Hoofdstuk in ‘t latijn daaronder geschreven. Wij leren hier hoe diep God dikwijls ook Zijne liefste kinderen en uitverkorenen, Zijne heiligen op aarde laat verzocht worden, zodat zij enigermate de angsten der helle moeten smaken, met den duivel strijden en zijne vurige pijlen tegen zich gevoelen. Ja dikwijls komt het zo ver met hen, dat ook God hun schijnt tegen te zijn, hetwelk dan de allerhoogste bestrijding is, die een mens onder de zon kan ondervinden. Alle andere aanvechting is niets bij deze, wanneer God Zich als een vijand tegenover den mens schijnt te plaatsen. Want zolang overigens de vromen in hun hart de genade Gods smaken en Zijne Vaderlijke goedheid ondervinden, kan alle wederwaardigheid door hen worden gedragen, kunnen zij vrolijk en goedsmoeds zijn, ook te midden van uitwendig lijden, zo als wij in den Profeet David zien, die al zijne vijanden kan trotseren, wanneer hij in het hart Gods genade gevoelt, zodat hij uitroept: “De Heere is bij mij; ik zal niet vrezen, wat zal mij een mens doen?” en: “Immers is mijne ziel stil tot God, van Hem is mijn Heil. Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn hoog vertrek; ik zal niet grotelijks wankelen. ” En wederom: “Wien heb ik nevens U in den hemel; nevens U lust mij niets op de aarde! Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid. ” Maar daarentegen wanneer God Zich in ene andere gedaante verbergt, en doet als hoorde Hij niet, als ware Hij op het sterkst tegen ons, dan gaat de weeklacht op, dan begint het verborgen, geestelijk lijden, de wonderbaar grote angst, onder welken wij zouden moeten versmachten en ter helle nederzinken, zo God Zijne hand niet over ons hield en den angst deed eindigen. Dat zijn rechte stoten des satans, het hevigste der helse bestrijdingen, het zijn de beken Belials, die den mens willen overmeesteren. Dan is het hun te moede, als waren zij in duisternis gelegd, in ene eeuwige gevangenis van alle droefenis ingemuurd, als stopte de Heere Zijne oren voor hun klaaggeschrei, ja als had Hij Zijnen boog tegen hen gespannen en hen tot mikpunt gesteld, om al Zijne schoten en pijlen tegen hen af te schieten, alsof Hij ze uit den vrede en uit alles goeds geheel en voor altijd had uitgestoten. Dan komt het ten laatste zover, dat zij denken: “mijne kracht en mijne hoop op den Heere zijn verdwenen”, totdat God hun wederom de lieflijke zon van Zijne Goddelijke, hemelse vertroosting en van Zijne vaderlijke goedheid uit het donkere der bestrijdingen laat te voorschijn komen. Intussen moeten zij echter een tijd lang den toekomstigen toorn smaken, dien de veroordeelden eens eeuwig zullen dragen. Dit moet men echter voor zeker houden: wat God tijdelijk Zijnen uitverkorenen kinderen laat ondervinden, dat zal Hij volkomen en eeuwig laten komen over de geruste, goddeloze wereld, waar gene ware oprechte boete, berouw noch bekering volgt. De goddelozen zullen den droesem van den oneindigen, eeuwigen, onverdraaglijken toorn Gods moeten uitdrinken, daar zij van angst en onuitsprekelijke kwelling zullen spreken: “Gij bergen! valt op ons, en gij heuvelen, bedekt ons, ” waar hun worm niet sterft en hun vuur niet wordt uitgeblust, waar zij den dood zullen zoeken en niet vinden, zullen begeren te sterven, maar waar de dood van hen zal vlieden. Daarom zo troostvol deze voorbeelden van Jeremia, Job, David en anderen den boetvaardigen zijn, zo verschrikkelijk zullen zij zijn voor de goddelozen, opdat deze tot zich zelven inkeren, en de onfeilbare rekening maken: Maakt onze Heere God het alzo met Zijne liefste kinderen op aarde, dat Hij ze in angst en nood laat komen, o wee, hoe zal het dan eindelijk aflopen met de goddelozen, die in hun verstokking en gerustheid nauwelijks een ogenblik voor de hel sidderen?” . Wij mogen echter nooit het onderscheid voorbijzien, dat er is tussen Jobs verzoeking en de bestrijding van Jeremia en de gelovigen in Israël te dier tijde. Terwijl Jobs verzoeking enkel door lijden van persoonlijken aard werd veroorzaakt, waren het bij Jeremia en de vromen de onweders van Gods toorn over Zijn gehele rijk met al zijne instellingen en grote beloften, die hun tot bestrijding dienden. Daarom was deze bestrijding ook veel zwaarder dan die van Job, en alleen te vergelijken met die, welke de prediker Salomo ondervond. Even als wanneer heden de gehele kerk des Heeren in droefenis en smaad is, hare heilige instellingen vervallen, de vijanden over haar heersen en triomferen, hare eigene kinderen in massa haar den rug toekeren, de valse profeten luide voor allen leugen prediken en geprezen worden, dan is dat oordeel des Heeren voor alle gelovigen ene oorzaak der diepste treurigheid, waarin zij den toorn Gods duidelijk zien, en deze bestrijding is voor hen zwaarder, dan wanneer een enkele gelovige in droefheid en angst verkeert. 19.
II. Vs. 19-39.KruisverwijzingenPsalmen 86:15→Psalmen 30:5→Psalmen 78:38→Jesaja 33:2→Sefanja 3:5→Hebreeën 10:23→Psalmen 106:45→Nehemia 9:31→
— Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle. Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij. Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen; Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben; Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot. Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen. Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN. Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt. Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.
In dit tweede deel verheft de Profeet zich weer uit den nacht des lijdens in den helderen dag van troost en hoop; toch gaat deze dag als het ware ene morgenschemering vooraf, daar hij nog met de wanhoop strijdt, met welke hij was aangevallen, om zich dan in het volgende in geloof weer omhoog te worstelen. De Profeet kan weer bidden! Hij bidt dus tot den Heere, dat Hij zijner weer gedenke, en maakt zich van zijne zijde ook gereed vertroostingen te zoeken. Deze vindt hij vooral daarin, dat het met het rijk Gods nog niet geheel uit is, dat er nog een overblijfsel van gelovigen bestaat, bij welke ene wending ten goede kan plaats hebben. Dat is aan Gods genade en barmhartigheid te danken, wier voortduren de Profeet ook met de innigste vreugde gevoelt. Uit dit gezichtspunt der Goddelijke barmhartigheid beschouwt nu de Profeet zijn lijden en dat der gelovigen: de Heere meent het altijd goed, ook wanneer Hij slaat; men wachtte dus in stille overgave, dan zullen de stralen der Goddelijke ontferming ook weer doorbreken. Zo komt alle lijden, ook dat door des mensen boosheid ons overkomt, als ene heilzame, Goddelijke schikking voor, zodat niet dat lijden zelf, maar alleen de oorzaak daarvan, de zonde, te beklagen is.
Zain. Ach Heere! Gedenk 1) aan mijne ellende (vs. 1) en aan mijne ballingschap aan den bitteren alsem(vs. 15) en de vergiftige galle (vs. 5).
Hier schijnt de Profeet uit te drukken, hoe de hoop bijna bij hem is afgesneden, dat hij niets meer ondervindt van de kracht Gods, dewijl hij als het ware door de rampen wordt ondergehouden. Dit nu is zeer ongerijmd, dat zij, die enigzins het mededogen Gods hebben ervaren, zo alle hoop wegwerpen, dat zij niet meer durven besluiten om tot God de toevlucht te nemen. Wat dus volstrekt niet was te denken verontschuldigt hier eigenlijk de Profeet en leert dat het niet verwonderlijk is, dat hij neergebogen ligt onder de uiterlijke beproevingen, dewijl hij als het ware zo gedrukt was door kastijdingen en moeiten, dat zijn ziel als gedrenkt was met vergif en gal. Maar ondertussen toont hij door het woord, gedenk, hoe, wanneer die beproeving overvalt zij tegelijk onze zielen moet bezig houden, wanneer wij ons al te veel met onze rampen bezig houden. Want de gelovigen moeten in hun droefheid de middenmaat houden. Terwijl de profeet de woorden van dit gebed uit de verzen 1, 5 en 15 neemt, vat hij den hoofdinhoud van zijne gehele, voorgaande hartverscheurende klacht te zamen, en legt die biddend voor den troon Gods ter neer.
Zain. Mijne ziel gedenkt er wel terdege aanhoeveel ellende ik heb moeten doorworstelen, en zij bukt, zij buigt, zich neer in mij.
De Profeet ontboezemt hier schier het zelfde wat ook de dichter van Ps. 42 en 43 uitspreekt. Als hij zag op al het leed wat hem had getroffen, op al de ellende, die hij had ondergaan, aan al de onheilen die stad en tempel hadden getroffen, den kromp zijn ziel ineen van weedom en smart. Alles wat schier een mensenkind had kunnen ondergaan, had hij ervaren, en dat al omdat het de innigste wens van zijn hart was, dat Jeruzalem en Juda nog voor den val konden behoed worden. Het was gehoorzamen aan God, maar ook liefde tot zijn afvallig volk geweest, dat hij de vervolging niet had geschuwd. En ziet al wat hij gesproken en al wat hij gebeden had, het had schier niets gebaat. Jeruzalem was verwoest. Juda’s volk was weggevoerd. Op de puinhopen van stad en tempel zingt hij zijn klaaglied. Alles dus van menselijke zijde gezien eindigt in nachtelijk donker. Maar ziet de Heere laat zijn knecht niet varen. Hij is het die den moedelozen kracht geeft. De Profeet ervaart het dan ook, dat als hij in de duisternis gezeten zal zijn, de Heere hem tot een licht zal wezen. Hij wordt afgetrokken van zijn ellende en krijgt een oog voor de goedertierenheden des Heeren. Hij krijgt genade om ook de lichtzijde nog te zien en daarom zegt hij, dat hij hierop nog zal hopen, dat het de goedertierenheden des Heeren zijn, dat hij niet vernield is.
Zain. Dit zal Ik mij ter harte nemen, namelijk dat mijne ziel door het nadenken over alles, wat zij ervaren heeft, slechts wordt nedergedrukt, en daarom haren nood den Heere moet klagen, dat Hij Zich harer ontferme en verzachting geve; daarom, omdat ik weet, dat God alleen mij kan helpen, zal ik hopen, dat er nog een tijd zal komen, wanneer Hij Zijne hulp, die ik zo dikwijls heb ondervonden, met vreugde openbaart. Midden in de duisternis moet den vrome door den Genadige, Barmhartige en Rechtvaardige het licht van Gods genade opgaan. Van zulk ene troostvolle leer weten geruste, onverzochte harten niets. Maar die met den duivel hebben moeten worstelen in den zwaren strijd der hevige bestrijdingen, zodat hun de wijde wereld te benauwd werd, wanneer die weer uit den angst zijn verlost, weten zij het later en hebben zij in hun hart gevoeld, welke een dierbaar, edel kleinood het is, wanneer God uit de dikke, donkere wolk weer het licht van Zijn Goddelijk aangezicht met troost en hulp laat lichten. De herinnering is dikwijls de slaaf der twijfeling. Moedeloze harten roepen elk duister voorgevoel van het verleden in het geheugen terug, en weiden uit over elke donkere omstandigheid in het leven, dus biedt de herinnering, in zak en as gezeten, den geest een beker aan met gal en alsem gevuld. Dat is echter niet nodig. De wijsheid kan haar gemakkelijk in een engel der vertroosting veranderen. Hetzelfde herinneringsvermogen, dat in zijn linkerhand zoveel onheilspellende voortekens draagt, kan er toe geleid worden met zijn rechter een schat van hoopgevende tekens te omvatten. Het behoeft geen ijzeren kroon te dragen, het kan zijn voorhoofd sieren met een gouden haarband, met sterren getooid. Dit was de ervaring van Jeremia; in het vorige vers had de herinnering zijne ziel diep vernederd: “Mijne ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neer in mij, ” en nu doet zij nieuw leven en vertroosting in hem ontwaken: “Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen. ” Gelijk aan een tweesnijdend zwaard doodde zij zijn hoogmoed met den enen, en zijn wanhoop met den anderen kant. Wij zouden in den regel indien wij ons geheugen met wijsheid wilden gebruiken, in onze donkerste uren ene toorts kunnen aansteken, die de lamp der vertroosting aanstonds zou doen branden. God behoeft niets nieuws op aarde te scheppen om de vreugde der gelovigen te doen wederkeren. Indien zij, biddende, de as van het verledene willen oprakelen, zouden zij licht voor het tegenwoordige hebben, en indien zij zich tot het Boek der waarheid en den troon der genade wenden, zouden hun kaarsen spoedig even helder branden als te voren. Herdenken wij dan de goedertierenheden des Heeren, en roepen wij ons Zijne genadige besturingen voor den geest. Laat ons het boek der herinneringen openslaan, dat zo rijk versierd is met gedenktekenen van Gods trouw, en wij zullen spoedig gelukkig zijn. Zo kan het geheugen worden wat Coleridge het zei te zijn: de springader der vreugde, en wanneer de Goddelijke Trooster het in Zijnen dienst neemt, de beste aardse vertrooster.
Cheth. Het zijn a) de goedertierenheden 1) des HEEREN, aan welke wij het alleen te danken hebben, dat wij niet vernield zijn; ware het aan de vijanden overgelaten geweest, zij hadden ons zonder enige barmhartigheid opgegeten, maar de Heere heeft hem verhinderd. Wij zijn nog aanwezig en dit zegt ons, dat Zijne barmhartigheden over Zijn volk geen einde hebben.
Jes. 1:9. Hab 3:13.
Hier wordt gesproken van goedertierenheid in het meervoud, betekenende den overvloed en de verscheidenheid dezer goedertierenheid. God is een onuitputbare Bron van goedertierenheid, de Vader der barmhartigheid. Merkt hieraan: wij allen hebben het aan de bewarende goedertierenheid van God dank te weten, dat wij niet verteerd zijn; anderen zijn verteerd rondom ons, en wij zelven zijn in de vertering geweest en nochthans zijn wij niet verteerd, wij zijn buiten het graf, wij zijn buiten de hel. Was er met ons gehandeld naar onze zonden, wij hadden lang verteerd geweest, maar met ons is gehandeld naar Gods barmhartigheid en wij zijn verplicht het te erkennen tot Zijn lof. De beproefde gelovige mag hopen dat het heil des Heeren zal komen, hoewel alles tegen hem schijnt, indien hij onder dat alles maar stil is, d. w. z. niet met zijn God twist of tegen Hem murmureert, maar stil berust in Zijn beleid. Dit is geen vrucht die op eigen akker groeit, maar het is een vrucht des geloofs, door den H. Geest. Ons natuurlijk hart murmureert immer, maar indien de Heere de hand op den mond legt en wij de daden des Heeren leren goedkeuren en leren wachten op Hem, die slaat, maar ook geneest, zal uit de beproeving nog een vreedzame vrucht der gerechtigheid worden geboren.
Cheth. Zij a) zijn allen morgen nieuw; zo dikwijls de zon opgaat en de dag aanbreekt, breken ook de stralen Zijner onuitputtelijke goedheid door; Uwe trouw, o Heere! is groot, en verlaat ons niet, al dreigt ook de dikste duisternis, geweld en wreedheid der vijanden die ons omgeeft, ons te vernietigen.
Ps. 30:6. Even als iemand, die in den donkeren nacht door schrik overvallen was, en vrolijk wordt als het lieflijk morgenrood aanbreekt en het dag begint te worden, zo wil de Profeet zeggen, zo zijn ook wij in donkerheid en duisternis. Maar uit dezelfde duisternis schittert ons tegen het lieflijke, schone, verkwikkende morgenrood van Gods barmhartigheid, die wordt ons elken morgen nieuw en houdt nimmer op. Een getrouw vader kastijdt zijn kind wel, wanneer het zondigt, maar hij wendt zijn vaderlijk hart daarvan niet af; te midden van denzelfden ernst, waarmee hij het kind slaat, behoudt hij toch het vaderlijk hart, en ontfermt hij zich weer over het arme kind. Zo handelt inderdaad God met ons als een vader; wanneer wij zondigen en struikelen herinnert Hij ons, waartegen wij zondigen.
Cheth. De HEERE, de Barmhartige en Getrouwe, isen blijft mijn erfdeel, dat mij rijk maakt. Wanneer ik daarom Hem slechts heb, wanneer Hij slechts de mijne is, wil ik al het andere laten varen, zegt mijne ziel; a) daarom gelijk ik reeds gezegd heb, zal ik ook verder getroost op Hem hopen; Hij zal mij niet tot schande laten worden (Ps. 16:5; 73:26; 110:5, 7).
Hab. 2:3. De Profeet leert ons hier den waren grond en den eigenlijken aard van het geluk. Het bestaat daarin met God alleen tevreden te zijn, en aan Zijne genade genoeg te hebben. Gelukkig wil iedereen zijn, maar de meesten dolen rond, en zoeken hun geluk buiten God. Daar is geen geduld mogelijk, wanneer het ongeluk komt. Het is daarom iets groots, wanneer wij er toe komen met God tevreden te zijn en in Hem alles te hebben. De goedheid Gods, welke zich in gaven openbaart, ondervindt alleen in waarheid hij, die haar zoekt, want alleen zulk een verstaat en geniet de ganse Goddelijke ontferming, die zich in de gaven openbaart. Deze kan het dan ook verdragen, wanneer de Goddelijke Vaderliefde niet altijd schittert en God menigmaal op de beloning Zijner liefde, die ene onveranderlijke is, laat wachten. De vleselijke natuur wil altijd feitelijke bewijzen hebben, daarom is zij ongelovig en kan zij het kruis niet verdragen, maar de Geest weet, dat er zonder lijden en smart ook geen geloof en genen hoop kan bestaan. Hier is vooral op te merken, dat onze afdeling vol van vertroosting, het midden is niet alleen van het 3de hoofdstuk, maar van het gehele Boek. Gelijk Hoofdstuk 3 het midden inneemt onder de vijf, zo vormen wederom deze troostrijke verzen vrij nauwkeurig het midden van het 3de Hoofdstuk. Ook hier treedt duidelijk de kunst van den vervaardiger voor den dag. Op den duisteren nacht der wanhoop vs. 18 laat hij aanstonds den helderen dag der blijde hoop en overgave volgen. Daar nu de afdeling, welke op vs. 42 volgt, weer de ellende van het volk en van den Profeet met de donkerste kleuren schildert, zo is dit lichte deel als het ware aan beide zijden door diepe duisternis ingesloten, op welks achtergrond de heldere kleuren van het vertroostende beeld des te helderder te voorschijn treden. Zo vormt dan als het ware de band van het kunstig gebouw der Kaagliederen ene lichtpyramide, die zich uit donkere smart verheft, waardoor allen reeds de troostrijke waarheid in het helderste licht wordt geplaatst, dat voor den gelovige de zon des heils toch eindelijk over den nacht van ellende en jammer moet triomferen. Wij zien hier, dat er tweeërlei troost is, een inwendige en uitwendige. De inwendige is, wanneer iemand in zijn hart verzekerd is, dat hij een genadig God heeft, van Wien hij in allen nood en tegenspoed alles goeds mag verwachten. Maar deze troost wijkt soms, zo als wij het in Jeremia en uit Davids woorden zien. Dikwijls schijnt het alsof God met hemel en aarde iemand tegen is. Hoe moet zich nu zulk een in de bestrijding houden? Antwoord: Hij moet den uitwendigen troost aangrijpen, dien hij niet in zijn hart maar in de Heilige Schrift, in zo vele en velerlei vertroostende uitspraken vindt, welke God ons daarin voorhoudt met vele voorbeelden derzulken, in wie God zulke beloften vervuld en waar gemaakt heeft. En dan zijn inzonderheid ook deze heerlijke woorden, die Jeremia hier gebruikt, wel op te merken, woorden, die hij niet in zijn hart gevonden heeft, want dit zei hem geheel iets anders, maar zij zijn hem door den Heiligen Geest ingegeven. Deze spreuken moet men in sterke bestrijdingen vastgrijpen en ook tegen de gedachten en sprake van zijn eigen hart in gelovig vasthouden. Daardoor zal God de inwendige vertroosting in een bestreden hart ook weer opwekken. Het is niet: “de Heere is ten dele mijn deel, ” noch de Heere is in mijn deel, maar Hij zelf is het geheel van het erfdeel mijner ziel. Binnen den omtrek van dezen cirkel ligt alles wat wij bezitten of wensen. De Heere is mijn deel. Niet slechts Zijne genade, noch Zijne liefde, noch Zijn verbond, maar Jehova zelf. Hij heeft ons tot Zijn deel uitverkoren, en wij hebben Hem tot het onze gekozen. Het is waar, dat de Heere eerst ons erfdeel voor ons moet kiezen; anders zullen wij het nooit voor ons zelven kiezen, maar indien wij werkelijk volgens het voornemen Zijner uitverkiezende liefde geroepen zijn, zo kunnen wij zingen: “Mijn Heiland minde mij het eerst en heeft mij uitverkoren. Ik min Hem weer op het zeerst, en blijf hem toebehoren. De Heere is ons algenoegzaam deel. God is volkomen in Zich zelf, en indien God al genoegzaam in Zich zelf is, dan is Hij het ook voor ons. Het valt niet licht, des mensen verlangen te bevredigen. Wanneer hij droomt dat hij voldaan is, dan ontwaakt hij op eens tot het bewustzijn, dat er nog iets daarboven is, en terstond roept de stem in zijn hart: “Geef, geef. ” maar alles wat wij verlangen kunnen, wordt in ons Goddelijk erfdeel gevonden, zodat wij vragen: Wien heb ik nevens U in den hemel? nevens U lust mij ook niets op de aarde. Wel mogen wij ons verlustigen in den Heere, die ons uit den stroom Zijner lieflijkheden laat drinken. Ons geloof slaat de vleugels uit en stijgt op als een adelaar in den hemel der Goddelijke liefde, waar zij haar ware tehuis vindt. De snoeren zijn ons in lieflijke plaatsen gevallen; ene schone erfenis is ons geworden. Laat ons ten alle tijde in den Heere verblijd zijn; laat ons aan de wereld tonen, dat wij een gelukkig en gezegend volk zijn, en haar aldus nopen uit te roepen: Wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.
Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachtenook wanneer Hij kastijdt; Hij is goed der ziele, die met een ootmoedigen en verslagen geest Hem zoekt 1) (Ps. 25:3; 34:9; 69:7. 86:5).
De boze vijand is gewoon aan ons mensen, wanneer wij in smart en verzoeking zijn, God geheel anders af te schilderen en voor te stellen, dan Hij waarlijk is. Hij stelt Hem voor als een Rechter zonder genade, onbarmhartig en toornig, met wien niet te handelen is, die ons slechts doodt en verdoemt en niet zalig wil zien. Zo wil de boze vijand ons verschrikken en tot wanhoop brengen. Hier moeten wij dit verschrikkelijk beeld van den satan uit het oog zetten en zien, hoe de Profeet Jeremia hier als het aangezicht des Heeren voor ogen schildert, ja hoe God Zichzelven in Zijn heilig Woord heeft voorgesteld, namelijk aldus: De Heere is goed der ziele, die hem zoekt.
Teth. Het is goed, het is ene kostelijke zaak, die niemand zal berouwen, maar zijne ziel zal bevredigen en versterken, dat men in alle smarten steeds hope, en zowel in- als uitwendig zonder morren en klagen stille zij 1), wachtende op het heil des HEEREN(Ps. 37:7. (Jes. 30:15).
Hoe nodig en nuttig is het rustig en stil te zijn en wat goeds brengt dat niet te weeg! God heeft de toestanden, waardoor Hij de zielen leidt, zo duidelijk in Zijne Schrift geopenbaard, dat hij, die ze leest, en wel in het licht van God en zonder vooraf door iets anders te zijn ingenomen, dat daarin gemakkelijk kan vinden. Het kruidje geduld groeit niet in den tuin van alle mensen. Daartoe moet ons echter dringen 1) dat het ene zeer kostelijke deugd is en een stuk van den godsdienst volgens de eerste tafel; 2) dat zij met nog meer deugden verbonden is, namelijk met de hoop op God; 3) dat zij ons lichter valt, wanneer wij ons van der jeugd af daaraan gewennen; 4) dat men er veel onrecht, smaad en slagen mede kan overwinnen; 5) dat het ongeluk niet eeuwig duurt; 6) dat altijd het einde goed wordt; 7) dat God niet van harte plaagt, maar altijd iets anders, iets beters met ons voor heeft, ook liever wilde, dat Hij niet behoefde te straffen.
Teth. Het is goed voor enen man, wie hij ook zij, dat hij het juk, den tegenspoed reeds in zijne jeugd draagt, en zich alzo bij tijds oefene in heilig geduld en in stilheid des harten; want wie in den tijd van frisse kracht het juk des lijdens leert dragen, die zal ook niet vrezen, wanneer het hem in den ouderdom treft.
Dit vers houdt een dubbelen zin in, dewijl het woord juk kan uitgelegd worden of omtrent het onderwijs, of omtrent de kastijding Gods. Op tweeërlei wijze nu vatten en nemen wij het juk op n. l. wanneer wij geneigd zijn om Zijn onderwijs aan te nemen, vervolgens, wanneer wij ook stil zijn als Hij ons kastijdt en niet murmureren, maar ons vrijwillig onder Zijne tucht stellen. Dewijl derhalve het woord juk, sommigen opvatten voor het juk der kennis, anderen voor het juk der kastijding, daarom kunnen beide betekenissen ons behagen, zoals ik gezegd heb, en beide keuren we goed. Maar het schijnt dat Jeremia eerder spreekt van de gehoorzaamheid in het algemeen, welke de gelovigen Gods bewijzen, wanneer zij zich laten regeren door Zijn besluit. Dit is derhalve ons waar geluk, wanneer wij erkennen dat wij niet ons eigen meester zijn, Gode het hoog bewind laten, opdat Hij met ons handele naar het Hem goeddunkt, maar de aanvang moet geschieden van de wet van God zelf. Dan worden we gezegd Gods juk te dragen, wanneer wij eigen mening prijs geven, niet wijzer willen zijn dan God, wanneer we met opgeven van eigen mening, ja met ten onderbrenging er van, horen naar wat God ons voorschrijft en aannemen wat Hij beveelt. Calvijn staat dus meer de mening voor dat onder juk dragen, het in alles zich gedragen naar Gods wil moet verstaan worden. Wij voor ons Zijn echter van mening dat hier in de allereerste plaats wordt bedoeld het juk van Gods kastijdingen, de tegenspoeden, welke de Heere God zendt, echter ook in den zin dat tegelijk daarmee bedoeld wordt: het zich onderwerpen aan Zijn wil, het goedkeuren van wat Hij oplegt. Dit wordt nader bevestigd in de volgende verzen.
Jod. Omdat het nu goed is vroegtijdig tegenspoed te leren dragen, morre de geslagene niet. Hij zitte eenzaam, 1) gelijk het treurenden betaamt, en zwijge stil in onderworpenheid des harten, zonder te klagen, omdat Hij het hem naar Zijn raadbesluit opgelegd heeft.
De gedachtengang is deze: Dewijl het voor den mens goed is, dat hij lere, het lijden te verdragen, zo zitte hij, wanneer God hem zulks oplegt stil en drage het in geduld. Hij zitte eenzaam zoals het treurenden betaamt en zwijge zonder te morren, wanneer Hij hem een last oplegt. Eenzaam zitten en stil zwijgen is het beeld van hem, die voor God zijn lijden brengt, Hem het lijden bekendmaakt en van Hem verwacht kracht en sterkte. Die niet van den mens en het mensenkind troost verwacht, maar van Hem, die hem dat lijden heeft toebeschikt.
Jod. Hij steke 1), zich verootmoedigende onder Gods machtige hand, zijnen mond zwijgend in het stof, zodat hij met zijnen gehelen mens betoont, dat hij zich buigt voor den alleen Wijze en Rechtvaardige, die macht heeft over alles, zeggende in de gedachten zijns harten: a) Misschien is er verwachting, dat de Heere te Zijner tijd uit de smart zal redden (Job 11:18. (Jer. 31:17).
Hand. 8:22.
In het Hebr. Jittheen bèäfar pichoo. Beter: Hij legge zijn mond in het stof, Het beeld is genomen van de Oosterse gewoonte, om voor hoogaanzienlijken zich zo diep mogelijk te buigen, en heeft dezelfde betekenis als het stof kussen. De Dichter wil hier dus zeggen, dat hij, die door God gekastijd wordt, zich zo diep mogelijk voor Hem verootmoedige, opdat de Heere zich over hem ontferme en zijn lijden wegneme. Daarom volgt er: Misschien is er verwachting, n. l. dat Hij, ziende het waarachtig en diep berouw ook weer geneze, waar Hij geslagen heeft.
Jod. Ja hij lere eindelijk nog, wat het zwaarste is, smaadheden en lasteringen van mensen geduldig te dragen. Hij geve, gelijk Job en zo als de Knecht Gods, Jezus Christus, gedaan heeft (Job 16:10. (Jes. 50:6. Matth. 5:39) in diepen ootmoed zijne wang, dien van de misdadigers, die hem slaat, hij worde zat van smaad, 1) hij verdrage, al moet hij ook smaad lijden tot verzadiging toe.
Hier vermeldt hij een tweede vrucht van geduld, n. l. dat de gelovigen, ook indien hun beledigingen worden aangedaan door de goddelozen, echter stil en gelaten zijn. Er zijn er velen, die zich aan God onderwerpen, wanneer zij Zijn hand gevoelen, d. i. om een voorbeeld aan te voeren, indien iemand met ziekte wordt bezocht, gevoelt hij, dat deze bezoeking hem van God komt. Indien de pest komt of hongersnood vanwege onregelmatig weer, dan ziet hij daarin de hand Gods. Velen gedragen zich dan geduldig. Maar indien de vijand hem overvalt, die hevig beledigt, barst hij weldra in deze woorden uit: Niets komt mij over, dan onder Gods bestuur, maar deze goddeloze vervolgt mij onbillijk. Hier toont derhalve de Profeet dat het geduld der vromen zich moest uitstrekken tot het verdragen van beledigingen.
Caph. Want de HEERE zal de Zijnen, dien Hij een kruis oplegt, niet verstoten in eeuwigheid 1).
Het zijn treffende en bijzonder troostvolle woorden, met welke de Profeet de diepte dor onuitsprekelijke barmhartigheid Gods opent, en waarmee hij zich en zijn volk vertroost, als wilde hij zeggen: Het is tegen Gods harte, dat Hij ons onder zulk een harde tucht moet houden en ons door de wereld moet laten bemoeilijken en beledigen. Maar hij doet het tot ons welzijn; niet om ons te verderven, maar om ons op te bouwen; niet om ons te bedroeven, maar om ons eeuwig te verheugen. Hij is niet gezind als we kinderen der mensen; wanneer die eens zijn begonnen toornig te worden is er geen einde aan. Maar God, hoewel Hij ons kastijdt, en Zijnen toorn, Zijnen ernst en Zijn gericht ons laat ondervinden, ontfermt Zich weer, zodra de mensen van harte zuchten over hun misdaad. Daarom moet men de tegenwoordige ballingschap niet beschouwen, als had Hij eeuwig verstoten en wilde Hij de gevangenis van Zijn arm volk niet meer afwenden.
Caph. Maar als Hij bedroefd heeft door allerlei nood en ellende, zo zal Hij Zich ontfermen, als de tijd komt en Zijn heilig doel met onze ziel is bereikt, dan neemt Hij den last weer af naar de grootheid Zijner goedertierendheden, zodat ten laatste, als de ziel terugziet, de ontferming veel groter is, dan Zijn toorn was (Ps. 30:6. Job 5:18. Jes. 54:8. Hos. 6:1).
Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensen kinderen niet van harte; 1) het is voor Hem gene vreugde. Hij doet het alleen gedwongen, en als een werk, dat Hem leed doet, bestraft Hij de mensen om hun zonden, opdat hun ziel worde gered. (Jer. 32:41. Hand. 14:22. 2 Kor. 4:17
In vs. 32 en 33 wijst de Profeet er op, dat de Heere God met zijn volk niet rechterlijk, maar Vaderlijk te werk gaat. Dat derhalve Zijne kastijdingen niet eeuwig zullen duren. Gelijk een rechtgeaard vader zijn kinderen niet bestraft of kastijdt met een opgeruimd gemoed, of uit lust om te plagen, maar als met een wenend hart, alzo kastijdt de Heere God zijn volk niet, omdat Hij er behagen in heeft het te doen, maar omdat het dienen moet tot heiliging des levens, opdat straks Zijn gunst te heerlijker worde genoten. Ook met de diepste wegen heeft de Heere Zijne bedoelingen.
Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijne voeten verbrijzelt; wanneer zij in ballingschap gaan door oorlog en verovering van hun land, wanneer zij in de ketenen en boeien der zware verdrukkingen smachten;
Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten, en de rechters alzo het recht verdraaien (Ex. 22:7, 9);
Lamed. Dat men in ‘t dagelijks leven enen mens door het geweld der machtigen en onrechtvaardigen verongelijkt in zijne twistzaak, gelijk wij dit zo menigmaal ondervonden, dat alles wat wij geleden hebben en waarover wij hebben geklaagd: zou het de Heere, de Alwetende en Rechtvaardige niet zien 1) en Hij er zich niet over bekommeren?
Merkt op, dat God, alhoewel hij mensen gebruikt als Zijn hand, of liever als werktuigen in Zijn hand, tot tuchtiging van zijn volk, Nochthans verre is van behagen te hebben in de onrechtvaardigheid hunner handelingen en in het kwaad dat zij aan hetzelve doen. Alhoewel God zijn eigen oogmerk bevordert, door het geweld van goddeloze en onredelijke mensen, nochthans volgt daaruit niet, dat Hij dat geweld goedkeurt, gelijk Zijn verdrukt volk soms in verzoeking komt om te denken. Wat de Profeet hier zeggen wil is niets anders dan dat alle lijden, ook dat van de mensen wordt aangedaan, staat onder Gods toezicht, dat er niets plaats heeft of het gaat naar Gods Raad en Zijn besluit, en dat derhalve Gods volk niet in de allereerste plaats klage over de gevolgen der zonde, maar over de zonde zelf.
Mem. a) Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, wiens woord brengt iets tot stand, zo het de Heere niet beveelt? 1) Al wat wij van ellende en geweld door de ongerechtigheid en verdrukking van vijanden en volksgenoten hebben ondervonden, is niet op ‘s mensen bevel, maar onder Gods wijze toelating alzo geschied.
Ps. 33:9.
De mensen kunnen niets doen dan volgens Gods raad, noch zij hebben geen macht of goed gevolg dan dat steun van boven gegeven is. ‘s Mensen hart overdenkt zijn weg, hij maakt ontwerpen en heeft voornemens, hij zegt, hij zal zo en zo doen, maar de Heere bestuurt zijn gang geheel anders dan hij voorhad, en hetgeen hij gedacht en verwacht had gebeurt niet, tenzij het datgene is, wat Gods hand en raad er over bepaald had dat geschieden zou. De mensen zijn maar werktuigen, welke de grote God gebruikt en die Hij bestuurt, zoals ‘t Hem behaagt, in de regering van deze benedenwereld, en zij kunnen gene van hun oogmerken vervullen zonder Hem.
Mem. Gaat niet uit den mond 1) des Allerhoogsten het kwade en het goede? Geluk en ongeluk komen over de kinderen der mensen alleen volgens het bevel van Hem, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er. Niets komt ons door het toeval over (Jes. 45:7. (Amos 3:6).
Onder mond hebben wij te verstaan, het besluit Gods, wat God decreteert. En waar hier gezegd wordt, dat God het kwade en het goede decreteert en uitvoert, daar wil de Profeet niet zeggen dat God de Auteur is van het kwade, maar dat Hij de goddelozen met het kwade straft, over degenen, die van Zijn wet afwijken, het kwade brengt. Ook de zonde is op zichzelve niet zelden een straf, welke de Heere God over den zondaar beschikt.
Mem. Wanneer dit dan zo is, dat alle ellende op aarde in de macht des Heeren staat, en zonder Zijnen heiligen en rechtvaardigen wil niets geschiedt, wat klaagt dan een levend mens? 1) zo lang hij in zijn leven, zo lang hij op deze aarde vol schuld en zonde is, over de smarten, die hem wedervaren, alsof hem iets zeldzaams wedervoer, dat niet door den rechtvaardigen wil van God ware geregeld? Een ieder klage van wege zijne zonden, om welker wil de Heere hem dat heeft moeten laten overkomen, en kere met waar berouw tot den Heere, den alleen Rechtvaardige, zo zal hij spoedig van zijnen last worden ontheven. “Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo de Heere het niet beveelt?” Dat is een kostelijk woord. Vooreerst zijn alle tegenstanders, hoe listig ook hun aanslagen zijn, toch slechts de boden van mijnen Heer en Zijne knechten, die Hem moeten dienen, wanneer Hij bedoelingen der liefde met hen heeft. Luther zegt terecht: “God verstaat meesterlijk de kunst, om den enen zondaar door den anderen te kastijden. ” Vervolgens: spoedig moet zich het oog van de gedachten en bedoelingen van alle wederpartijders afwenden tot de gedachten der liefde, die mijn Heere daarbij heeft, zo als David zingt: Hij dekt mijne tafel voor het aangezicht mijner vijanden, en vult mijnen beker. Terwijl zij woeden en beraden is men goedsmoeds en zegt: Ik weet het, dat wat God mij wil doen toekomen, geen schepsel weren kan. Zo is er dan voor mensen op aarde slechts één ongeluk, en dat is de zonde. Gods almachtige regering en Zijne wonderbare Voorzienigheid strekt zich uit over alles, wat ooit bij de mensen geschiedt of geschieden kan. Alles wat goed en recht is en bij de mensen plaats heeft en door hen gedaan wordt beveelt God. Hij laat het geschieden, bevordert en beloont het ook, zo als dat in ‘t bijzonder uit de leer der wet en daarmee verbondene beloften duidelijk is. Niet dat Hij een welgevallen in de zonde zou hebben, of de mensen er heimelijk toe zou dringen, of de mensen tot zonde beschikken. Dat zij verre. Maar Hij weet ze wel; aller mensen boosheid is Hem bekend, en niets daarvan is verborgen, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht, zodat Hij ze wel opmerkt en te Zijner tijd zal oordelen. Meent gij, dat iemand zich zo heimelijk voor Mij zou kunnen verbergen, dat Ik hem niet zag, zegt de Heere? Gene zonde of ongerechtigheid is dus den Heere verborgen, daar de ogen des Heeren veel helderder zijn dan de zon en alles zien wat de mensen doen en ook in de verborgen hoeken zien. Gelijk voor God, den Heere, alle zonden en boosheid der mensen openstaan en niet verborgen zijn, zo verbiedt Hij ze ernstig, en hoewel Hij ze om bijzondere redenen bestuurt en laat geschieden, zo heeft Hij er noch lust noch welbehagen in, maar Hij heeft er een ernstigen afkeer van, zij zijn voor Hem een gruwel. Het klagen over den tegenspoed en de straf van de zonden en niet over de zonden zelven, komt voort uit een boos, verstokt en onboetvaardig hart, hetwelk weigert zijn schuld en goddeloosheid te erkennen en daarvan afstand te doen. In zulk een klagen ziet de zondaar zich zelven te verschonen en God van hardigheid, onbarmhartigheid en onrechtvaardigheid te beschuldigen, als handelde Hij met hem al te ongenadig en te gestreng, en als hadden zij zulke harde behandeling niet verdiend. Het klagen over de zonde bestaat echter hierin, dat men zijne zonde en ongerechtigheid tegen des Heeren wet kent, en van zijn schuldigheid en goddeloosheid ganselijk overtuigd is; dat men over zijne zonden voor God innig beschaamd en verlegen is; dat men zich zelven ten enenmale schuldig verklaart en waardig al die plagen en oordelen; dat men ook met een smartelijke droefheid en oprecht berouw over zijne zonden is aangedaan; dat men al klagende en wenende zijne zonde met ootmoed voor God belijdt; dat men ook al klagende en wenende zijne zonden belijdt voor elkaar, en eindelijk dat men in nederigen ootmoed en geloof bij God, den Heere, aanhoudt om genade, vergeving en verlossing. 40.
III. Vs. 40-54.KruisverwijzingenKlaagliederen 3:8→Klaagliederen 2:21→Psalmen 119:59→2 Korinthe 13:5→Psalmen 25:1→Klaagliederen 2:17→1 Korinthe 4:13→Klaagliederen 2:16→
— Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE. Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende: Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond. Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam. Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken. Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd. Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking. Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks. Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;
In het voorgaande sprak de Profeet duidelijk uit, dat alle klachten over geledene smarten ijdel en vruchteloos zijn, ja zelfs Gode mishagen, wanneer zij niet uit de erkentenis van de bron der droefheid, de zonde en uit berouw daarover voortkomen. Nu belijdt hij in den naam van alle gelovigen in Israël de zonde, welke de Heere vertoornd heeft. De erkentenis van schuld dringt tot het gebed om ontferming, hetwelk de Profeet vervolgens tot den Heere opzendt. De klacht over de wreedheid der vijanden, en over de diepe ellende, waarin het ganse volk verzonken is, welke de Profeet daarop weer verheft, klinkt nu uit droefheid naar God geheel anders. Die hoofdtrek is niet meer woeste scheurende smart, maar boetvaardige aanklacht van zichzelven. Hij zelf, die er zijn leven aan gewaagd heeft, om Zijn volk te redden, en het diepste medelijden gevoelt met dat ongeluk, wil stromen van tranen over die ellende wenen, totdat de Heere des hemels het aanziet. In die droefheid over het ontzaglijk ongeluk van zijn volk, spreekt hij nogmaals over de vervolgingen en het lijden, waaraan de vromen waren blootgesteld, en welke een bijzonder duidelijk teken waren van het diepe ongeluk des gehelen volks.
Nun. Daarom laat ons ons opmaken, en in plaats van tegen den Heere en Zijne oordelen te morren, liever onze wegen onderzoeken en ons ganse leven, onzen wandel, door onze woorden, werken en gedachten aan den duidelijken spiegel van Zijne heilige wet voor te houden, doorzoeken, {1} en, als wij daarbij, hetgeen niet anders kan zijn, onzen groten schuldenlast met diep leedwezen erkennen, zo laat ons met ons ganse hartwederkeren tot den HEERE, van wien wij zijn afgeweken. {1} Hij zegt derhalve dat dit het enige middel is in tegenspoeden, indien de mensen zich ijverig onderzoeken en overwegen wat zij verdiend hebben. Tegelijk verbindt hij er de wederkering mede, dewijl zij niet blijven staan, die ernstig met de vreze Gods zijn bezield, bij hun onderzoek, maar hoger stijgen, dewijl nu God hun tot den weg terugroept, wanneer zij erkennen, dat zij van Hem zijn vervreemd, en de toevlucht nemen tot Zijn mededogen, vervolgens zich zelven mishagen van wege hun zonden en zoeken te geraken tot nieuwigheid des levens. Alzo schrijft onze Profeet ons een zekere orde voor, opdat wij geheel ons eigen leven uitblussen; vervolgens door de vreze Gods aangeraakt, tot Hem terugkeren, dewijl, terwijl Hij gestreng met ons handelt, tegelijk ons vriendelijk nodigt, door immer vergiffenis aan de zondaren aan te bieden. De Profeet voert derhalve de Kerk hier in als schuldbelijdende tot den Heere wederkerende. De wegen onderzoeken en doorzoeken, wil toch niet anders zeggen, dan belijden dat de Heere recht is in al Zijn weg en werk, dat het was om eigen schuld en om eigen zonden, dat de Heere zo gestreng met haar handelde, maar ook dat er alleen heil was te verwachten in het wederkeren tot den Heere, in het terugkeren tot den Heere, in het wandelen op Zijn wegen en het betrachten van Zijn wil. Met deze woorden wekt de Profeet, en door den Profeet de Kerk zich op tot gebed, en wel tot schuldbelijdend en genade begerend gebed. God vergeeft de zonde en delgt de schuld uit op ootmoedig gebed, op zulk een gebed, waarin het recht Gods erkend wordt en de zondaar zich op het diepst vernedert. Op zulk een gebed, hetwelk de H. Geest uit het hart doet oprijzen en op de lippen brengt. Hij vergeeft uit vrije genade, om de Borggerechtigheid van Christus Jezus, maar niet zonder waar berouw en geloof.
Nun. Laat ons onze harten opheffen 1), mitsgaders de handen met gebed en smeking om ontferming en vergeving, tot God in den hemel, den Almachtige, dat Hij op ons nederzie en ons hulp zende, zeggende:
Het bidden leert ons onze onwaardigheid, en dit is ene heilzame les voor hoogmoedige schepselen, gelijk wij zijn. Indien God ons Zijne weldaden gaf zonder ons te noodzaken er om te bidden, dan zouden wij onze armoede nooit gevoelen, maar een waar gebed is ene opsomming van behoeften, ene lijst van noden, ene openbaring van verborgen armoede. Het gebed is een toevlucht nemen tot den Goddelijken overvloed en ene belijdenis van menselijk gebrek. De gezondste toestand van den Christen is, voortdurend ledig in zichzelven en gedurig afhankelijk van den Heere te zijn, ter vervulling zijner behoeften, altijd arm in zich zelven en rijk in Jezus; zelf zwak als water, maar machtig in God om kloeke daden te doen; en van daar de nuttigheid van het gebed, dat God aanbidt, en het schepsel op zijne plaats, d. i. in het stof legt. In zich zelf reeds, en afgezien van het antwoord, dat wij ontvangen, is het gebed ene grote weldaad voor den Christen. Gelijk de hardloper door dagelijkse oefening zijne krachten tot den wedloop vermeerdert, zo verkrijgen wij door den geheiligden arbeid des gebeds de nodige kracht tot den groten wedloop des levens. Het gebed scherpt de vleugelen van Gods jonge arenden, opdat zij leren zouden zich boven de wolken te verheffen. Het gebed gordt de lendenen van Gods strijders, en zendt hen naar den strijd met krachtig gespierde leden. Een ernstig bidder treedt uit zijne binnenkamer, gelijk de zon uit het oosten verrijst, vaardig als een held om het pad te lopen. Het gebed is de opgeheven hand van Mozes, die de Amalekieten beter dan het zwaard van Jozua verslaat; het is de pijl, dien de Profeet uit zijne kamer schoot, als een voorteken van de nederlaag der Syriërs. Het gebed wapent de menselijke zwakheid met Goddelijke kracht; het verandert de dwaasheid der mensen in hemelse wijsheid, en schenkt den vrede Gods aan beangstigde stervelingen. Wij weten niet, waar toe het gebed niet in staat is! Wij danken U, o God dat wij toegang hebben tot den troon der genade. Het is een heerlijk bewijs Uwer goedertierenheid; leer ons daarvan het rechte gebruik maken.
Nun. Laat ons uit éénen mond en uit één hart alleen zeggen: Wij hebben uwe heilige geboden overtreden, en wij zijntegen U weerspannig geweest, daarom hebt Gij, die rechtvaardig en heilig zijt, en gene goddeloosheid in Uw volk kunt dulden, niet gespaard. Uwe straffen en oordelen niet teruggehouden (Ps. 106:6. Dan. 9:5).
Samech. Gij hebt Uw heilig aangezicht voor ons verborgen, en ons naar Uwe vergeldende gerechtigheid met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd: Gij hebt ons gedood, door het zwaard der vijanden, door honger en pest (Jer. 29:18), Gij hebt niet verschoond.
In het Hebr. Saccothah baäaf. Beter: Gij hebt U in toorn gehuld, m. a. w. : Gij hebt Uw aangezicht bedekt in toorn, d. i. Gij hebt Uw aangezicht voor ons in toorn verborgen. Hetzelfde wat de dichter in Ps. 27:9 afsmeekt dat God niet doen moet. Het is schier hetzelfde als wat ook in het volgende vers gezegd wordt van het zich bedekken Gods in een wolk. Gods aangezicht was voor Zijn volk verborgen vanwege hun zonde en schuld. Het straalde hun niet verzoenend en vergevend, maar straffend en kastijdend tegen.
Samech. Gij hebt u en Uw genadig aangezicht met ene wolk 1) bedekt, zodat er geen gebed om verschoning en hulp doorkwam, dewijl wij zolang naar Uwe vriendelijke en ernstige roepstem niet gehoord hadden (Jes. 59:2).
De Profeet bevestigt hier hetzelfde, maar met verandering van woorden. Wederom herhaalt hij het woord van bedekken, maar opdat de betekenis te helderder en duidelijker zou zijn, zegt hij: in een wolk. Hij wijst eenvoudig aan, dat er een wolk is tussen gesteld, opdat God de Joden te vrijer zou straffen, zoals zij verdiend hadden. Een weinig anders zegt de Profeet Jesaja, maar met dezelfde bedoeling: De hand Gods is niet, zegt hij (Jes. 59:1 en 2 1,), verkort, noch Zijne oren zwaar om te horen; maar uwe zonden maken een scheiding tussen u en God. Het is niet twijfelachtig of Jesaja wil hetzelfde als onze Profeet zeggen. Dat God n. l. niet Zijn natuur heeft veranderd en daarom, waar Hij scheen te woeden tegen zijn volk, de oorzaak aan de zonde moet worden toegeschreven, dewijl God altijd Zich zelven gelijk blijft. Wij weten wat er in den Psalm gezegd wordt (Ps. 65:3): Gij zijt God, die het gebed hoort. God is derhalve altijd geneigd om het gebed te verhoren. Vervolgens is Hij krachtig genoeg om hulpe te verschaffen, maar de scheiding is er vanwege onze zonden. Zo ook zegt nu de Profeet dat er een wolk tussen gesteld is.
Pe. Al onze vijanden triomferen over ons en hebben hunnen mond honend en spottend tegen ons opgesperd (Hoofdst. 2:16).
Pe. De vreze en de kuil 1) zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking (Jer. 48:43). Wij zijn uit de ene ellende in de andere gekomen, de ene slag volgt op den andere 1).
Zo leren wij de zonde van harte vijand worden. Want wie zou daarover niet moeten klagen, daar de zonde ons allerlei ellende berokkent. Daarom is de allergewichtigste en allerveiligste weg, waarop wij tijdelijk en eeuwig van de zonde en van alle daaraan verbondene ellende gered worden, dat wij ons tot den Heere bekeren, onze handen ten hemel heffen en spreken: Wij, wij hebben gezondigd, wij zijn ongehoorzaam geweest, daarom hebt Gij niet gespaard. En hier zal zich niemand rein voorstellen, alsof wel anderen schuldig waren, maar hij geen water had troebel gemaakt. Hij zal zichzelven mede insluiten, zo als ook hier Jeremia zichzelven niet uitsluit, en zijne zonde evenzeer als de andere Joden belijdt. Voor God is niemand onschuldig, als voor wien de hemelen niet rein zijn, en in Zijne engelen vindt Hij wat te berispen is. Daarom hebben ook vrome, heilige mensen zich niet afgezonderd van zulk ene belijdenis hunner eigene zonden. Maar wanneer het gebed en de belijdenis van zonde Gode aangenaam zal zijn, wordt er gevorderd, dat niet alleen de mond bidt, maar gelijk Jeremia zegt: hart en handen moeten ten hemel worden verheven; want wanneer alleen de mond bidt en het hart er niet bij is, acht God dat geesteloze gebed even zo weinig als de gebeden der Farizeën en der heidenen. In het Hebr. Fagad wafagath. Een geliefkoosde uitdrukking van Jeremia, zie Jer. 48:43, om de allerschrikkelijkste ellende aan te duiden en de allernaarste beroering. Alles is verloren, wil hij er mee zeggen. Onze nationaliteit, ons volkbestaan, alles is weg. Wij zijn aan de heidenen, aan de vijanden overgeleverd, en dat als straf vanwege onze zonden, omdat het aangezicht Gods in toorn tot ons gekeerd is, vanwege onze ongerechtigheden.
Pe. Ik, Uw Profeet, had zo gaarne mijn leven gegeven, om het arme verleide volk te redden en uw rijk weer te bouwen, maar met waterbeken van tranen loopt mijn oog neer; zo groot is mijne smart van wege de breuk der dochter mijns volks, waartoe de zonde hare ziel heeft laten komen en die door Uwe straffen is teweeg gebracht.
Ain. Mijn oog vliet rusteloos van tranen, en kan niet ophouden met wenen, omdat 1) er gene rust is;
Beter: zodat, zodat de betekenis is: rusteloos. Dit geeft aan niet alleen de grootte der smart, maar ook de grootte der ellende, waaraan geen einde kwam. Dewijl aan de ellende geen einde kwam, was er ook geen reden om op te houden met wenen. Het was echter geen murmurerend wenen, maar tegelijk een zuchten tot den Heere om uitkomst.
Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, hoe groot de nood van Zijn volk is en het zie 1) in ontferming, totdat Hij de wolk van Zijnen toorn weer heeft weggedaan, en Zijn aangezicht weer heeft laten lichten.
Dit duidt aan, dat zij overtuigd waren dat Gods genadig aanschouwen van hen in hun ellende, ene krachtige herstelling in al hun bezwaren zou teweeg brengen. Indien God, die Zich zelven nu met een wolk bedekt, alsof Hij geen kennis nam van onze droefenissen, maar weer te voorschijn kome, dan zou alles wel zijn; indien Hij ons ziet, zullen wij behouden zijn. Hoe slecht ook de zaak zij, een gunstige aanblik van den hemel zal alles terecht brengen. 2e. Dat zij hope hadden, dat Hij eindelijk nog eens in genade op hen zou nederzien en hen verlossen; ja, zij nemen het voor toegestaan dat Hij het zal doen, hoewel Hij lang twist, zal Hij niet eeuwig twisten, hoewel wij verdienden dat Hij het deed.
Ain. Mijn oog, dat onophoudelijk weent, doet mij zeer en vermeerdert de zielesmart in mij, het doet mijne ziele moeite aanvan wege de ontzettende ellende mijns volks, van wege al de dochteren mijner stad Jeruzalem, die door haar beklagenswaardig lot het gehele ongeluk ten duidelijkste openbaren, zo als zij zonder bescherming den vijand tot smaad waren overgegeven.
Tsade. Ach, welk een storm van lijden trof mij met alle vromen, die des Heeren wil en Zijne gerichten erkenden, en ons voor Hem verootmoedigden. Welk een lijden overkwam ons van allen, die in hoogmoed huns harten zich niet wilden buigen en de bekering verwierpen. Deze, die mijne vijanden zijn zonder oorzaak, en die zowel onder de groten en machtigen als onder de geringen des volks gevonden worden, zowel priesters als valse profeten, hebben mij met alle gelovigen, zo lang Gods gerichten naderden en duurden, tot op dit uur, in ‘t geheim en in ‘t openbaar, als een vogeltje dapperlijk gejaagd, hoewel ik hun toch gene reden had gegeven om mij te haten en te vervolgen (Ps. 11:1).
Tsade. Zij hebben mijn leven in enen of door eenkuil uitgeroeid; zij stortten mij in enen kuil, om daarin mijn leven te vernietigen (Jer. 38:6), en zij hebben een steen op mij geworpen,
als op enen verrader en godslasteraar.
Wat de Profeet hier zegt is niet zo zeer een klagen over eigen lijden alleen, maar meer een klagen over de ellende, die Gods volk is aangedaan, zowel van de Heidenen als van de vijandige Joden. Hij herinnert wel aan wat hem persoonlijk is wedervaren, maar wat hem persoonlijk wedervoer, is tevens beeld van wat de Kerk is aangedaan.
Tsade. De wateren van doodsangst en grote bedroefdheid der ziel, zwommen over mijn hoofd (Ps. 69:2 v. 124:4 v. 42:8 ik zei in mijn hart: Ik ben afgesneden 1) van alle menselijke en Goddelijke hulp; ik zal met smart heengaan en het land der levenden niet wederzien (Ps. 31:23; 88:6).
Wij zien dikwijls dit, dat de gelovigen klagen dat zij door God zijn verlaten, dat God in den hemel slaapt, of slaperig is of van hen afgekeerd is. Dit alles moeten wij terugbrengen tot het vleselijk gevoelen. Terwijl dan de gelovigen hun ogen op de gevaren slaan, en de dood hun tegenkomt, beven zij niet slechts, maar worden zeer bang en zinken in. Ondertussen kunnen zij alleen door het geloof, tegen alle beproevingen stand houden. Zo derhalve moet deze plaats opgevat worden, dat de Profeet vaststelde dat hij verloren was, n. l. voor zover hij kon oordelen naar het tegenwoordige er toen geen hoop voor de kerk overbleef. Maar wij zien ook dat de Profeet zich niet aan de wanhoop heeft prijsgegeven. Duidelijk is hier ook bij dan Profeet een strijd tussen vlees en geest. Als hij op zich zelven ziet als hij op de omstandigheden let, als hij de vijanden in ogenschouw neemt, ziet hij niets dan ellende, dood en verderf, maar ziet, als door Gods genade hem een blik wordt gegeven op wat God doen kan, op wat Hij altijd is geweest en zal zijn, doemt het geloof weer op en wendt hij zich vol vertrouwen tot den Heere HEERE, bij Wien er uitkomsten zijn tegen den dood. Van het eerste is vs. 54, van het laatste het volgende vers een duidelijk bewijs. 55.
IV. Vs. 55-66.KruisverwijzingenJesaja 41:10→Psalmen 28:4→Psalmen 55:1→Jakobus 4:8→Jesaja 41:14→Klaagliederen 5:1→Ezechiël 36:3→Psalmen 139:2→
— Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil. Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen. Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet! Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost. Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak. Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij. Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij; Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag. Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel. Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.
Even als de eerste en tweede klaagzang, zo sluit ook de derde met een innig gebed, om aan te tonen, hoe elke ware, Gode welgevallige klacht, elke, die uit de diepte komt, noodzakelijk tot den Heere leidt en eindigen moet met een uitstorten des harten voor God. Na de boetvaardige klacht van den Profeet over alles, wat zij gedurende de gerichten des Heeren hadden ondervonden, verheft zich nu de ziel tot gebed om redding uit den nood, en om het rechtvaardig gericht der vergelding aan de vijanden van Gods volk. Het vertrouwen van den Profeet op de verhoring van zijn smeken is zo van harte en vast, dat hij de hulp en redding reeds als verschenen ziet en voorstelt.
Koph. HEERE! ik heb steeds met een boetvaardig en gelovig hart Uwen Naam aangeroepen 1). O God van Uw volk, dat Gij U verkoren hebt! Ik heb tot U gebeden uit den ondersten kuil, uit den kuil des grafs, waarin Uwe hand mij had geworpen.
Wij kunnen door dit ganse kapittel heen, ene worsteling in het gemoed des Profeets opmerken tussen het gevoel en het geloof, tussen vreze en hope; nu klaagt hij en dan vertroost hij zich, nu stelt hij zijne vertroostingen uit en dan keert hij weer tot zijne klachten, evenals de dichter in den 42sten Psalm. Maar evenals daar, zo behoudt het geloof hier het laatste woord en komt er als overwinnaar af, want in deze verzen besluit hij met enige vertroosting. Op twee voorname dingen wijst de Profeet hier in deze verzen. Vooreerst op de ondervinding van Gods goedheid, ook te midden van zijn verdrukking. Hij wijst op de gebedsverhoring hem geschonken, op het wegnemen der vreze. Haar vervolgens ook op Gods Rechtvaardigheid en op Zijne Alwetendheid, waarop de Profeet een beroep doet. Uit de lieflijke zegeningen, welke Hij heeft ondervonden, neemt hij vrijmoedigheid om zich bij vernieuwing tot Hem te wenden en uit de wetenschap, dat hij met een Rechtvaardig God te doen heeft, besluit hij dat de Heere hem eindelijk zal verlossen uit al zijn ellende.
Koph. Gij hebt, ik geloof het vast, ik weet het, Mijne stem gehoord, die uit de diepte van den doodsnood tot U schreide; verberg Uw oor dan ook verder niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen om hulp.
Koph. Gij hebt U genaderd, Gij waart nabij ten dage, als ik U aanriep (Ps. 145:8). Gij hebtdoor Uwen Heiligen Geest mij ter vertroosting gezegd: Vrees niet 1) voor uwe vijanden en wederpartijders, wees onverschrokken in bestendig vertrouwen op Mijne Goddelijke hulp, en wacht getroost op Mijne verlossing.
Tot zulk een innig gebed worden wij door ons lijden als met enen stormklok opgewekt. Het volk van God erkent het, dat het in den hoogsten angst is geweest en in de groeve des verderfs bijna geheel tot den bodem toe was gezonken, maar toen den naam des Heeren heeft aangeroepen en verhoord is geworden. Zo dikwijls nu God iemand in den kuil werpt, dat is in een lichamelijk ongeluk: of in geestelijke smart laat zinken, zo dikwijls moet hij denken, dat hij daardoor tot gebed wordt aangemaand, dat hij zijn hart tot God moet verheffen en Hem met zuchten en smeken moet aanroepen. Dat is ook het bijzondere nut van het lijden en de beproeving, dat wij mensen daardoor gedreven worden om God te zoeken en Hem ernstig aan te roepen. Van dienzelfden zegen getuigt de dierbare, heerlijke Profeet Jesaja (Hoofdst. 26), als hij zegt: “Heere! in benauwdheid hebben zij U gezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uwe tuchtiging over hen was. Behalve onze nood moet ons ook tot het gebed drijven de grote zegen, dien wij daarvan hebben. Want zodra de mens ernstig begint te bidden, openbaart zich de lieflijke troost des Heiligen Geestes, die aan onzen geest getuigenis geeft en een levendig vertrouwen in onze harten opwekt, dat wij niet moeten vrezen, dat God zal helpen, dat God zal aanschouwen en verzachting geven, ook ten laatste den last des kruises zal afnemen. Niet alleen ontvangt de mens in het gebed vertrouwen op God, en wordt hij verzekerd, dat Hij hoort en Zijne oren opent naar zulk zuchten en geschrei, en dat Hij nabij degenen is, die Hem aanroepen, maar eindelijk ondervindt hij ook hulp en redding ter gelegener tijd, zodat hem ook in deze wereld zijn kruis wordt ontnomen, of wanneer het Gods wil is, dat hij het tot in den dood draagt, zo moet het hem toch tot een heilig en nuttig kruis gewijd worden, daar dengenen, die God liefhebben, alle dingen moeten medewerken ten goede. Het gebed des rechtvaardigen is een sleutel des hemels; het gebed stijgt op, de ontferming Gode daalt neer.
Resch. HEERE! Gij, de beste Helper, hebt de twistzake mijner ziel getwist alles, wat mijn heil, leven en welvaart aangaat, tot het rechte einde geleid, Gij hebt mijn leven verlost van al het dreigende verderf, en zult het ook verder doen. (Ps. 103:4). Merk op hoe beslist de Profeet spreekt. Hij zegt niet: Ik hoop, ik vertrouw, ik denk soms dat God mijne twistzake getwist heeft, maar hij spreekt hiervan als een onbetwistbaar feit. Gij hebt de twistzake mijner ziel getwist. Laat ons met de hulp van den genadigen Trooster de twijfelingen en angsten van ons werpen, die onzen vrede en onze rust zo dikwijls storen. Laat dit ons gebed zijn, dat wij bevrijd mogen worden van de harde en ruwe stem der vermoedens en verdenkingen, om met de klare en welwillende stem van ene volkomene verzekerdheid te spreken. Bemerk hoe dankbaar de Profeet spreekt, en al de eer aan God alleen geeft. Gij ziet dat er geen woord is betreffende hem zelf of zijne eigene gebeden. Hij schrijft zijne verlossing in genen dele aan mensen toe, en nog minder aan zijne eigen verdiensten; maar hij zegt: Gij-o Heere, Gij hebt de twistzake mijner ziel getwist. Gij hebt mijn leven verlost. Een dankbaar gemoed moet altoos door den Christen aangekweekt worden; in het bijzonder moeten wij na verlossingen den Heere een lied zingen. De aarde moest een tempel zijn, vervuld met den lof van dankbare gelovigen, en elke dag moest een wierookvat zijn, vervuld met den lieflijken geur der dankbaarheid. Hoe vrolijk schijnt Jeremia te zijn, terwijl hij des Heeren goedertierenheid verhaalt. Hoe zingt hij op verhoogden toon. Hij is in den diepsten kerker geweest en is zelfs nu geen ander dan de wenende Profeet; en toch, in dat zelfde boek dat de Klaagliederen genaamd wordt, horen wij een lied, zo helder als het gezang van Mirjam, toen zij met trommelen en luiten uitging, en als de stem van Deborah, toen zij Barak met triomfkreten der overwinning tegemoet ging, het is de stem van Jeremia, die naar den hemel opstijgt. Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist; Gij hebt mijn leven verlost. O, kinderen Gods, zoekt een levendige ondervinding van des Heeren goedertierenheid, en wanneer gij die ontvangen hebt, spreekt er met beslistheid van, zingt een dankbaar lied, verheft een triomfgezang.
Resch. HEERE! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, den overmoed der vijanden van Uw volk; oordeel mijne rechtzaak tegenover hen.
Resch. Gij Alwetende! hebt al hunonrechtvaardige wraak gezien, al hun zo listige en heimelijke gedachtenvan wraak tegen mij. 1)
Hij beroept zich op Gods kennis van de gebeurde zaak, hoezeer spijtig en kwaadaardig zijne vijanden waren. De boosheid dien zij tegen hem hadden, hoe zij verlangen mij kwaad te doen, alsof het was bij wijze van wedervergelding voor enig groot ongelijk dat ik hun aangedaan had. Merkt hieraan: wij moeten overwegen tot onze schrik en waarschuwing, dat God alle de wraakzuchtige gedachten weet, die wij in onze harten tegen anderen hebben, en daarom zulke gedachten bij ons niet laten vernachten, en dat Hij ook al de wraakzuchtige gedachten weet, die anderen zonder oorzaak in hun harten tegen ons hebben, en dat wij daarom niet bevreesd voor hen moeten zijn, maar het aan Hem overlaten om ons tegen hen te beschermen.
Schin. HEERE! Gij hebt toch hun dagelijkssmaden gehoord en al hun honende en smadende gedachten, die niet zo zeer tegen mij waren, als wel tegen Uwen heiligen naam.
Schin. Aanschouw in ‘t bijzonder hun zitten en opstaan. Wat zij ook doen, ik ben hun snarenspel, in hun liederen verheugen zij zich over mijne grote door hen veroorzaakte ellende.
Thau. Daar er dan aan al die misdaad en overmoed, trotsheid en boosheid geen einde is, zo maak U op. HEERE! geef hun weer die vergelding, doe hun naar de misdaad aan uw uitverkoren volk, naar het werk hunner handen. Gij immers zijt de Wreker van alle boosheid en de Verlosser van Uw volk.
Thau. Geef hun een deksel des harten, verblind ze, en stort ze daarna in het verderf (Ps. 28:4); Uw vloek zij over hen van den hemel, zodat zij geheel te gronde gaan!
Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN, opdat hun naam te niet ga, zo ver Uwe wereldheerschappij reikt. Dit is het gebed van Gods volk tegen hun vijanden, wederpartijders, drijvers en vervolgers. Wij moeten echter niet denken, dat zij uit menselijke wraakgierigheid hebben gebeden, maar uit een Goddelijken ijver voor God op Zijn woorden uit liefde voor Zijne kerk op aarde. Want daar zij te doen hadden met onboetvaardige, verstokte, openlijke vijanden van God en Zijn volk, die uit duivelsen hoogmoed en boosheid God verachten en Zijne heilige kerk onder een hard juk gevangen hielden, hun alle leed aandeden, en in hun bittere droefheid hen met bitteren hoon belachten, zo is hierop Gods volk in rechtmatigen ijver ontbrand, om zulk een ernstig gebed tegen hun woeden tot den rechtvaardigen, almachtigen Rechter op te zenden. Zij doen dit, opdat de ere Gods mocht worden gered, en aan den overmatigen hoogmoed dezer lieden een einde komen. Dit gebed verkreeg dan ook zijne verhoring, toen de Babyloniërs met hun monarchie en heerlijkheid door de Perzen en Meden van onder den hemel verdelgd zijn, en al hun pochen en spotten is geëindigd. Dit zij echter tot schrik van zulke bittere vijanden, vervolgers en tyrannen der kinderen Gods, en tot vertroosting van de kerk Gods van alle bedroefde, beledigde harten opdat zij weten, dat God hun zaak zou leiden, en als een rechtvaardig Rechter Zich ernstig hun zaak zou aantrekken. Eens toch zal er een tijd komen, dat het spel zal worden omgekeerd, de verdrukkers wederom verdrukt zullen worden, daarentegen alle verdrukten, die hun zaken in Gods hand hebben gesteld, eeuwig zullen getroost worden. In afwachting daarom van deze algemene verandering, kunnen en moeten de godvruchtigen in den tijd van droefheid geduld hebben, hun zaken Gode overgeven, totdat deze eens aan al de misdadige macht der goddelozen een einde maakt, en de Zijnen van alle kwaad verlost, waar alle smaad van hen zal worden afgewend, en alle tranen van hun aangezicht zullen worden afgewist, en de geledene smaad door heerlijkheid, de ondervondene droefheid door vreugde en eeuwige hemelse zaligheid zal worden vergoed. Wat hier de gelovigen in Israël baden, of de Profeet in hunnen naam tegen het wereldrijk, dat God en Zijn rijk haatte, mag en moet de kerk eveneens bidden tegen de macht der wereld die haar haat, en tegen alle goddelozen, spotters en tirannen, en zij bidt het ook dagelijks in de bede: verlos ons van den boze, wanneer het gebed maar voortkomt uit een hart, dat zich voor God kent als alle straffen en gerichten verdiend hebbende, en het gebed uit de diepte des harten voortkomt. Wie niet eerst heeft gebeden: “vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren, ” die mag ook niet bidden: “Verlos ons van den boze. ” Onder die voorwaarde is echter het gebed door den Heere geëist en is Zijne belofte zeker. De kerk bidt dan niet om de verdoemenis der arme verleide zielen in het goddeloze rijk der wereld, maar om uitroeiing der goddeloosheid en der tirannie tegen de kinderen Gods, in den grond der zaak tegen den duivel zelven. De opwekkingen van den Profeet Jeremia voor zijne tijdgenoten gesproken, mogen ook voor ons nuttig zijn, omdat wij onszelven nauw, ja zeer nauw onderzoeken moeten, de kennis van onze behoefte en van den drang der ziele behoren uit te drukken in het wederkeren tot den Heere, in het biddend opheffen onzer handen tot Hem, en in welmenend schuld belijden voor Hem (vs. 40-42); dan moge al de nood hoog klimmen en bang worden; dan mag het schijnen dat er geen gebed door de wolken dringen kan, en dat de hand des Heeren zwaar op ons volk, ook zelfs op de godvruchtigen en op de leraars rust, des Heeren doel blijft heilig en zal heerlijk bereikt worden; want terwijl Hij Zijne majesteit verheft in het rechtvaardig straffen der boosdoeners, die onbekeerlijk waren, zal Hij door loutering heiligen, Zijn oog op al Zijne gunstgenoten blijven vestigen, en hun sterkte zijn; alzo wordt zijn naam verheerlijkt, alzo komt zijn koninkrijk, en terwijl Jezus Christus leeft en regeert, zo maakt Hij allen dienstbaar aan de bereiking van het grote doel van God: de redding en zaliging van vele verlorene zondaren, en de verbreiding van Zijne eeuwige eer in deze. Wat de Profeet hier uitspreekt is het in toepassing brengen van het woord des Heeren: Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. De Profeet wil zich zelven niet wreken, maar geeft de wrake over aan den Heere God, wetende dat Hij een rechtvaardig Rechter is. Het is geen persoonlijke wraak waarom hij vraagt, maar die van den Heere God zelven, om den moedwil den vijanden tegen Zijn volk gepleegd.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel