Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
TroostH5162, troostH5162 Mijn volkH5971, zal ulieder GodH430 zeggenH559.
Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.
KJV
Comfort1
ye, comfort2
ye my people,3
saith4
your God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
SpreektH1696 naarH413 het hartH3820 van JeruzalemH3389, en roeptH7121 haar toe, datH3588 haar strijdH6635 vervuldH4390 is, datH3588 haar ongerechtigheidH5771 verzoendH7521 is, datH3588 zij van de handH3027 des HEERENH3068 dubbelH3718 ontvangenH3947 heeft voor alH3605 haar zondenH2403.
Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
KJV
Speak1
ye comfortably3
to Jerusalem,4
and cry5
unto her, that her warfare9
is accomplished,8
that her iniquity12
is pardoned:11
for she hath received14
of the LORD'S16
hand15
double17
for all her sins.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Een stemH6963 des roependenH7121 in de woestijnH4057: BereidtH6437 den wegH1870 des HEERENH3068, maakt rechtH3474 in de wildernisH6160 een baanH4546 voor onzen GodH430!
Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
KJV
The voice1
of him that crieth2
in the wilderness,3
Prepare4
ye the way5
of the LORD,6
make straight7
in the desert8
a highway9
for our God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
AlleH3605 dalenH1516 zullen verhoogdH5375 worden, en alleH3605 bergenH2022 en heuvelenH1389 zullen vernederdH8213 worden; en wat kromH6121 isH1961, dat zal rechtH4334, en wat hobbelachtigH7406 is, dat zal tot een valleiH1237 gemaakt worden.
Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.
KJV
Every valley2
shall be exalted,3
and every mountain5
and hill6
shall be made low:7
and the crooked9
shall be made straight,10
and the rough places11
plain:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
En de heerlijkheidH3519 des HEERENH3068 zal geopenbaardH1540 worden; en alleH3605 vleesH1320 te gelijk zal zienH7200, datH3588 het de mondH6310 des HEERENH3068 gesprokenH1696 heeft.
En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.
KJV
And the glory2
of the LORD3
shall be revealed,1
and all flesh6
shall see4
it together:7
for the mouth9
of the LORD10
hath spoken
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Een stemH6963 zegtH559: RoeptH7121! En hij zegtH559: WatH4100 zal ik roepenH7121? AlleH3605 vleesH1320 is grasH2682, en alH3605 zijn goedertierenheidH2617 als een bloemH6731 des veldsH7704.
Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.
KJV
The voice1
said,2
Cry.3
And he said,4
What shall I cry?6
All flesh8
is grass,9
and all the goodliness11
thereof is as the flower12
of the field:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Het grasH2682 verdortH3001, de bloemH6731 valtH5034 af, alsH3588 de GeestH7307 des HEERENH3068 daarin blaastH5380; voorwaarH403, het volkH5971 is grasH2682.
Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.
KJV
The grass2
withereth,1
the flower4
fadeth:3
because the spirit6
of the LORD7
bloweth8
upon it: surely10
the people12
is grass.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
Het grasH2682 verdortH3001, de bloemH6731 valtH5034 af; maar het WoordH1697 onzes GodsH430 bestaatH6965 in der eeuwigheidH5769.
Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
KJV
The grass2
withereth,1
the flower4
fadeth:3
but the word5
of our God6
shall stand7
for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
O SionH6726, gij verkondigster van goede boodschapH1319, klimH5927 opH5921 een hogenH1364 bergH2022; o JeruzalemH3389, gij verkondigster van goede boodschapH1319, hefH7311 uw stemH6963 op met machtH3581, hefH7311 ze op, vreesH3372 nietH408, zegH559 den stedenH5892 van JudaH3063: ZieH2009 hier is uw GodH430!
O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!
KJV
O Zion,7
that bringest good tidings,6
get thee up4
into the high3
mountain;2
O Jerusalem,12
that bringest good tidings,11
lift up8
thy voice10
with strength;9
lift it up,13
be not afraid;15
say16
unto the cities17
of Judah,18
Behold your God!
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
ZietH2009, de HeereH136 HEEREH3069 zal komenH935 tegen den sterkeH2389, en Zijn armH2220 zal heersenH4910; zietH2009, Zijn loonH7939 is bijH854 Hem, en Zijn arbeidsloonH6468 is voor Zijn aangezichtH6440.
Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
KJV
Behold, the Lord2
GOD3
will come5
with strong4
hand, and his arm6
shall rule7
for him: behold, his reward10
is with him, and his work12
before
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Hij zal Zijn kuddeH5739 weidenH7462 gelijk een herderH7462; Hij zal de lammerenH2922 in Zijn armenH2220 vergaderenH6908, en in Zijn schootH2436 dragenH5375; de zogendenH5763 zal Hij zachtjes leidenH5095.
Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
KJV
He shall feed1
his flock2
like a shepherd:3
he shall gather5
the lambs6
with his arm,4
and carry8
them in his bosom,7
and shall gently lead10
those that are with young.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WieH4310 heeft de waterenH4325 met Zijn vuistH8168 gemetenH4058, en van de hemelenH8064 met de spanH2239 de maat genomenH8505, en heeft met een drielingH7991 het stofH6083 der aardeH776 begrepenH3557, en de bergenH2022 gewogenH8254 in een waagH6425, en de heuvelenH1389 in een weegschaalH3976?
Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?
KJV
Who hath measured2
the waters4
in the hollow of his hand,3
and meted out7
heaven5
with the span,6
and comprehended8
the dust10
of the earth11
in a measure,9
and weighed12
the mountains14
in scales,13
and the hills15
in a balance?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Wie heeft den GeestH7307 des HEERENH3068 bestierdH8505, en wieH4310 heeft Hem als Zijn raadsmanH376 onderwezenH3045?
Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?
KJV
Who hath directed2
the Spirit4
of the LORD,5
or being his counsellor6
hath taught
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
MetH854 wienH4310 heeft Hij raadH3289 gehouden, die Hem verstandH995 zou geven, en Hem zou lerenH3925 van het padH734 des rechtsH4941, en Hem wetenschapH1847 zou lerenH3925, en Hem zou bekendH3045 maken den wegH1870 des veelvoudigen verstandsH8394?
Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
KJV
With whom took he counsel,3
and who instructed4
him, and taught5
him in the path6
of judgment,7
and taught8
him knowledge,9
and shewed12
to him the way10
of understanding?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
ZietH2005, de volkenH1471 zijn geachtH2803 als een druppelH4752 van een emmerH1805, en als een stofjeH7834 van de weegschaalH3976; zietH2005, Hij werptH5190 de eilandenH339 henen als dun stofH1851!
Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!
KJV
Behold, the nations2
are as a drop3
of a bucket,4
and are counted7
as the small dust5
of the balance:6
behold, he taketh up11
the isles9
as a very little thing.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
En de LibanonH3844 is nietH369 genoegzaamH1767 om te brandenH1197, en zijn gedierteH2416 is nietH369 genoegzaamH1767 ten brandofferH5930.
En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.
KJV
And Lebanon1
is not2
sufficient3
to burn,4
nor the beasts5
thereof sufficient7
for a burnt offering.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
AlleH3605 volkenH1471 zijn als nietsH369 voor Hem; en zij worden bij Hem geachtH2803 minderH657 dan niet, en ijdelheidH8414.
Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.
KJV
All nations2
before him are as nothing; and they are counted7
to him less than nothing,5
and vanity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Bij wienH4310 dan zult gij GodH410 vergelijkenH1819, of watH4100 gelijkenisH1823 zult gij op Hem toepassenH6186?
Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
KJV
To whom then will ye liken3
God?4
or what likeness6
will ye compare
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
De werkmeesterH2796 giet een beeldH6459, en de goudsmidH6884 overtrektH7554 het met goudH2091, en giet er zilverenH3701 ketenenH7577 toe.
De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
Ook in dit vers
gietH5258
gietH6884
KJV
The workman3
melteth2
a graven image,1
and the goldsmith4
spreadeth6
it over with gold,5
and casteth9
silver8
chains.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Die verarmdH5533 is, dat hij niet te offerenH8641 heeft, die kiestH977 een houtH6086 uit, dat nietH3808 verrotteH7537; hij zoektH1245 zich een wijzenH2450 werkmeesterH2796, om een beeldH6459 te bereidenH3559, dat nietH3808 wankeleH4131.
Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.
KJV
He that is so impoverished1
that he hath no oblation2
chooseth6
a tree3
that will not rot;5
he seeketh9
unto him a cunning8
workman7
to prepare11
a graven image,12
that shall not be moved.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
WeetH3045 gijlieden niet? HoortH8085 gij niet? Is het u van den beginneH7218 aan niet bekendH5046 gemaakt! Hebt gij op de grondvestenH4146 der aardeH776 niet geletH995?
Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?
KJV
Have ye not known?2
have ye not heard?4
hath it not been told6
you from the beginning?7
have ye not understood10
from the foundations11
of the earth?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Hij is het, Die daar zitH3427 bovenH5921 den klootH2329 der aardeH776, en derzelver inwonersH3427 zijn als sprinkhanenH2284; Hij is het, Die de hemelenH8064 uitspantH5186 als een dunnen doekH1852, en breidtH4969 ze uit als een tentH168, om te bewonenH3427;
Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;
KJV
It is he that sitteth1
upon the circle3
of the earth,4
and the inhabitants5
thereof are as grasshoppers;6
that stretcheth out7
the heavens9
as a curtain,8
and spreadeth them out10
as a tent11
to dwell in:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
Die de vorstenH7336 te nietH369 maakt; de richtersH8199 der aardeH776 maakt Hij tot ijdelheidH8414.
Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.
Ook in dit vers
maaktH5414
maaktH6213
KJV
That bringeth1
the princes2
to nothing; he maketh7
the judges4
of the earth5
as vanity.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
Ja, zij worden niet geplantH5193, ja, zij worden niet gezaaidH2232, ja, hun afgehouwen stamH1503 worteltH8327 niet in de aardeH776; ookH1571 als Hij op hen blazenH5398 zal, zo zullen zij verdorrenH3001, en een stormwindH5591 zal hen als een stoppelH7179 wegnemenH5375.
Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.
KJV
Yea, they shall not be planted;3
yea, they shall not be sown:6
yea, their stock11
shall not take root9
in the earth:10
and he shall also blow13
upon them, and they shall wither,15
and the whirlwind16
shall take18
them away as stubble.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
Bij wienH4310 dan zult gijlieden Mij vergelijkenH1819, dien Ik gelijk zij? zegtH559 de HeiligeH6918.
Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.
KJV
To whom then will ye liken3
me, or shall I be equal?4
saith5
the Holy One.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
HeftH5375 uw ogenH5869 op omhoogH4791, en zietH7200, WieH4310 deze dingen geschapenH1254 heeft; DieH428 in getalH4557 hun heirH6635 voortbrengtH3318; Die ze alleH3605 bij nameH8034 roeptH7121, vanwege de grootheidH7230 Zijner krachtenH202, en omdat Hij sterkH533 van vermogenH3581 is; er wordt er nietH3808 een gemistH5737.
Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.
KJV
Lift up1
your eyes3
on high,2
and behold4
who hath created6
these things, that bringeth out8
their host10
by number:9
he calleth13
them all by names12
by the greatness14
of his might,15
for that he is strong16
in power;17
not one18
faileth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
WaaromH4100 zegtH559 gij dan, o JakobH3290! en spreektH1696, o IsraelH3478! mijn wegH1870 is voor den HEEREH3068 verborgenH5641, en mijn rechtH4941 gaat van mijn GodH430 voorbijH5674?
Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
KJV
Why sayest2
thou, O Jacob,3
and speakest,4
O Israel,5
My way7
is hid6
from the LORD,8
and my judgment10
is passed over11
from my God?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
WeetH3045 gij het niet? Hebt gij niet gehoordH8085, dat de eeuwigeH5769 GodH430, de HEEREH3068, de SchepperH1254 van de eindenH7098 der aardeH776, nochH3808 moedeH3286 nochH3808 matH3021 wordt? Er is geen doorgrondingH2714 van Zijn verstandH8394.
Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
KJV
Hast thou not known?2
hast thou not heard,5
that the everlasting7
God,6
the LORD,8
the Creator9
of the ends10
of the earth,11
fainteth13
not, neither is weary?15
there is no searching17
of his understanding.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
Hij geeftH5414 den moedenH3287 krachtH3581, en Hij vermenigvuldigtH7235 de sterkteH6109 dien, die geenH369 krachtenH202 heeft.
Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
KJV
He giveth1
power3
to the faint;2
and to them that have no might5
he increaseth7
strength.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
De jongenH5288 zullen moedeH3286 en matH3021 worden, en de jongelingenH970 zullen gewisselijkH3782 vallenH3782;
De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
KJV
Even the youths2
shall faint1
and be weary,3
and the young men4
shall utterly5
fall:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
Maar dien den HEEREH3068 verwachtenH6960, zullen de krachtH3581 vernieuwenH2498; zij zullen opvarenH5927 met vleugelenH83, gelijk de arendenH5404; zij zullen lopenH7323, en nietH3808 moedeH3021 worden; zij zullen wandelenH3212, en nietH3808 matH3286 worden.
Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
KJV
But they that wait1
upon the LORD2
shall renew3
their strength;4
they shall mount up5
with wings6
as eagles;7
they shall run,8
and not be weary;10
and they shall walk,11
and not faint.
ulieder
Te weten Christus, waarachtig God in het vlees geopenbaard.
Hertaald:
ulieder
Namelijk: Christus, waarachtig God, geopenbaard in het vlees.
zeggen
Te weten tot de apostelen en al degenen, die Hij zal uitzenden om het Evangelie te prediken.
Hertaald:
zeggen
Namelijk: tot de apostelen en allen die Hij zal uitzenden om het Evangelie te prediken.
Spreekt
Te weten ten tijde der verschijning van Christus in het vlees.
Hertaald:
Spreekt
Namelijk: in de tijd van de verschijning van Christus in het vlees.
naar het hart
Dat is, vriendelijk en troostelijk. Zie Gen. 34:3 .
Hertaald:
naar het hart
Dat is: vriendelijk en troostrijk. Zie Gen. 34:3.
van Jeruzalem,
Dat is, van de burgers te Jeruzalem en de kerk Gods in het algemeen.
Hertaald:
van Jeruzalem,
Dat is: van de burgers van Jeruzalem en van de kerk van God in het algemeen.
roept haar toe,
Of, predikt haar.
Hertaald:
roept haar toe,
Of: predikt haar.
haar strijd
Aldus noemt hij allerlei ellende en zwarigheid, waarmede zij te strijden hadden gehad, toen God hem met dezelve bezocht had; in het bijzonder kan men hieronder verstaan de zware oorlogen, waarmede het Joodse volk vóór de tijden van Christus is bezocht geweest; en versta wijders inzonderheid de vijandschap tussen God en ons, die door Christus den Middelaar is weggenomen. Anders: hun gezetten tijd. Zie de aantekening Job 7:1 .
Hertaald:
haar strijd
Zo noemt hij allerlei ellende en moeite waarmee zij te strijden gehad hadden toen God hen daarmee bezocht had. In het bijzonder kan men daaronder de zware oorlogen verstaan waarmee het Joodse volk vóór de tijd van Christus bezocht is; en versta er verder vooral de vijandschap tussen God en ons onder, die door Christus de Middelaar weggenomen is. Anders: hun vastgestelde tijd. Zie de aantekening bij Job 7:1.
ongerechtigheid
Dat is, al hunne zonden.
Hertaald:
ongerechtigheid
Dat is: al hun zonden.
verzoend is,
Hebreeuws, aangenaam, of welgevallig is geworden; namelijk God den Heere; dat is de boetvaardige zondaars zijn in genade ontvangen door de voldoening van onzen Heere Christus en de vergeving hunner zonden. Vergelijk boven Jes. 27:9 .
Hertaald:
verzoend is,
Hebreeuws: aangenaam of welgevallig geworden is, namelijk aan God de HEERE — dat is: de boetvaardige zondaars zijn in genade aangenomen door de voldoening van onze Heere Christus en door de vergeving van hun zonden. Vergelijk hierboven Jes. 27:9.
dat zij van de hand
Of, want zij heeft van, enz. Als God zijn volk kastijdt, en dat dan hetzelve zich onder zijn slaande hand verootmoedigt, zo worden terstond de ingewanden zijner barmhartigheid [gelijk de Schriftuur menselijk van God spreekt] over hetzelve beroerd, en het berouwt Hem dat Hij hen hard geslagen heeft; zie Jer. 16:18 .
Hertaald:
dat zij van de hand
Of: want zij heeft van, enzovoort. Wanneer God Zijn volk kastijdt en het zich dan onder Zijn slaande hand verootmoedigt, worden de ingewanden van Zijn barmhartigheid — zoals de Schrift op menselijke wijze over God spreekt — meteen over hen bewogen, en berouwt het Hem dat Hij hen hard geslagen heeft; zie Jer. 16:18.
dubbel
Dat is, overvloedig genoeg; vergelijk Jer. 16:18 , en Jer. 17:18 , ook onder Jes. 61:7 .
Hertaald:
dubbel
Dat is: ruimschoots genoeg; vergelijk Jer. 16:18 en Jer. 17:18, en ook hieronder Jes. 61:7.
Een stem
Te weten ten tijde der komst van Christus.
Hertaald:
Een stem
Namelijk: in de tijd van de komst van Christus.
des roependen
Of, van den prediker; te weten van Johannes den Doper. Zie Mal. 3:1 ; Matt. 3:3 ; Marc. 1:3 ; Luc. 3:4 ; Joh. 1:23 .
Hertaald:
des roependen
Of: van de prediker, namelijk van Johannes de Doper. Zie Mal. 3:1, Matth. 3:3, Mark. 1:3, Luk. 3:4 en Joh. 1:23.
Bereidt den weg
Dat is, weert uit uwe harten alle boosheid en verdorvenheid, en zoekt bij Christus vergeving derzelve, opdat Hij tot u inkere en in uwe harten wone.
Hertaald:
Bereidt den weg
Dat is: weert uit uw hart alle boosheid en verdorvenheid en zoekt bij Christus de vergeving daarvan, opdat Hij bij u binnenkomt en in uw hart woont.
in de wildernis
Aldus noemt Hij de zondige wereld, of de boosheid der mensen in dezelve. Of, deze woorden kunnen zien op de plaats, waar Johannes de Doper gepredikt heeft.
Hertaald:
in de wildernis
Zo noemt Hij de zondige wereld, of de boosheid van de mensen daarin. Of deze woorden kunnen zien op de plaats waar Johannes de Doper gepredikt heeft.
baan
Of, gehoogden weg, straat.
Hertaald:
baan
Of: verhoogde weg, straat.
Alle dalen
Dat is, hij zal alles richtig en effen maken, de harten der uitverkorenen zullen tot God bekeerd worden, te weten door de predikatie van Johannes den Doper. Zie Luc. 1:16-17 .
Hertaald:
Alle dalen
Dat is: Hij zal alles recht en effen maken; de harten van de uitverkorenen zullen tot God bekeerd worden, namelijk door de prediking van Johannes de Doper. Zie Luk. 1:16-17.
alle bergen
Dat is, de hovaardigen en schijnheiligen zullen gedeemoedigd en tot kennis hunner zonden gebracht worden.
Hertaald:
alle bergen
Dat is: de hoogmoedigen en schijnheiligen zullen vernederd en tot kennis van hun zonden gebracht worden.
wat krom is,
Dat is, de schalksheid en boosheid zal veranderd worden in eenvoudigheid en oprechtheid.
Hertaald:
wat krom is,
Dat is: de sluwheid en boosheid zal veranderd worden in eenvoud en oprechtheid.
hobbelachtig is,
Of, hoekig.
Hertaald:
hobbelachtig is,
Of: hoekig.
een vallei
Dat is, tot een effen land.
Hertaald:
een vallei
Dat is: tot een effen land.
de heerlijkheid
Dat is, de grote genade en goedertierenheid des Heeren over zijn volk en de eer zijner waarheid, doende hetgeen Hij tevoren beloofd had.
Hertaald:
de heerlijkheid
Dat is: de grote genade en goedertierenheid van de HEERE over Zijn volk en de eer van Zijn waarheid, doordat Hij doet wat Hij tevoren beloofd had.
zal geopenbaard
Te weten in den persoon van den Messias, door zijne menschwording en goddelijke wonderen; Joh. 1:14 ; 1 Tim. 3:16 .
Hertaald:
zal geopenbaard
Namelijk: in de persoon van de Messias, door Zijn menswording en Zijn goddelijke wonderen; Joh. 1:14 en 1 Tim. 3:16.
vlees
Dat is, alle uitverkorenen, van wat staat zij zijn, gelijk onder Jes. 66:23 .
Hertaald:
vlees
Dat is: alle uitverkorenen, van welke stand ook, zoals hieronder in Jes. 66:23.
zien,
Dat is, geloven en belijden.
Hertaald:
zien,
Dat is: geloven en belijden.
dat het
Dat is, dat de Heere waarachtig is in al zijne beloften. Of aldus: Alle vlees tegelijk zal het zien, want de mond des Heeren heeft het gesproken. Of, alle vlees tegelijk zal zien dat de mond des Heeren [te weten Christus ] spreekt, te weten lerende in het Joodse land. Zie vs.9.
Hertaald:
dat het
Dat is: dat de HEERE waarachtig is in al Zijn beloften. Of zo: alle vlees tegelijk zal het zien, want de mond van de HEERE heeft het gesproken. Of: alle vlees tegelijk zal zien dat de mond van de HEERE — namelijk Christus — spreekt, namelijk terwijl Hij onderwijst in het Joodse land. Zie vers 9.
Een stem zegt
Te weten de stem Gods, die de profeten, apostelen, evangelisten en alle getrouwe leraars onderwijst in de leer der waarheid, die zij den mensen moeten voordragen.
Hertaald:
Een stem zegt
Namelijk: de stem van God, Die de profeten, apostelen, evangelisten en alle getrouwe leraars onderwijst in de leer van de waarheid, die zij de mensen moeten voorhouden.
Roept
Of, predikt. Alzo straks wedeRom.
Hertaald:
Roept
Of: predikt. Zo ook meteen daarna.
hij zegt
Te weten, elkeen der dienaren Gods.
Hertaald:
hij zegt
Namelijk: ieder van de dienaren van God.
Alle vlees
Dat is, alle mensen, zodanig als zij van nature zijn; Ps. 102:12 , en Ps. 103:15 . Zie ook Ps. 56:5 , en Jak. 1:10 ; 1 Petr. 1:24 .
Hertaald:
Alle vlees
Dat is: alle mensen, zoals zij van nature zijn; Ps. 102:12 en Ps. 103:15. Zie ook Ps. 56:5, Jak. 1:10 en 1 Petr. 1:24.
gras,
Dat is, zo vergankelijk als gras en gans van gene waarde, zodat zij buiten zichzelven hunne zaligheid zoeken moeten.
Hertaald:
gras,
Dat is: even vergankelijk als gras en volstrekt zonder waarde, zodat zij hun zaligheid buiten zichzelf moeten zoeken.
al zijn goedertierenheid
Dat is, alles wat het goede vermag, aangaande het tijdelijke leven en het beleid van dien; zie 1 Petr. 1:24 .
Hertaald:
al zijn goedertierenheid
Dat is: alles wat het aan goeds vermag met betrekking tot het tijdelijke leven en de inrichting daarvan; zie 1 Petr. 1:24.
het volk is gras
Niet alleen de algemene hoop van het zondige volk, maar ook zelfs het volk Gods.
Hertaald:
het volk is gras
Niet alleen de grote massa van het zondige volk, maar zelfs het volk van God.
bestaat
Want het is een onvergankelijk zaad, door hetwelk wij wedergeboren worden ten eeuwigen leven; 1 Petr. 1:23 , 1 Petr. 1:25 .
Hertaald:
bestaat
Want het is een onvergankelijk zaad, waardoor wij wedergeboren worden tot het eeuwige leven; 1 Petr. 1:23 en 1 Petr. 1:25.
O Sion
Alwaar de apostelen met de kracht uit de hoogte zouden aangedaan worden, en vanwaar het Evangelie zou uitgaan om door de ganse wereld uitgebreid te worden; zie Jes. 2:3 ; Mi. 4:2 ; Hand. 2:8 .
Hertaald:
O Sion
Waar de apostelen met de kracht uit de hoogte bekleed zouden worden, en vanwaar het Evangelie zou uitgaan om over de hele wereld verbreid te worden; zie Jes. 2:3, Micha 4:2 en Hand. 2:8.
verkondigster
Anderen vertalen dit vs. aldus: O gij [ziel], die een goede boodschap brengt aan Zion. Of, O gij predikster, of verkondigster van goede boodschap aan Zion. En zo in het volgende lid.
Hertaald:
verkondigster
Anderen vertalen dit vers zo: o u die een goede boodschap aan Sion brengt. Of: o u, predikster of verkondigster van goede boodschap aan Sion. En zo ook in het volgende zinsdeel.
goede boodschap,
Versta hier door de goede boodschap de zaligheid door Christus.
Hertaald:
goede boodschap,
Versta onder de goede boodschap hier de zaligheid door Christus.
uw God
Te weten Jezus Christus, zie Hand. 2, 3, 4, 5.
Hertaald:
uw God
Namelijk: Jezus Christus; zie Hand. 2, 3, 4 en 5.
de Heere HEERE
Te weten Christus. Dit zijn nu de woorden van den profeet.
Hertaald:
de Heere HEERE
Namelijk: Christus. Dit zijn nu de woorden van de profeet.
tegen den sterke,
Te weten den duivel van de hel, Matt. 12:29 ; Joh. 12:31 ; Kol. 2:15 ; Hebr. 2:14 ; 1 Joh. 3:8 . Anders: met een sterke [hand].
Hertaald:
tegen den sterke,
Namelijk: de duivel van de hel, Matth. 12:29, Joh. 12:31, Kol. 2:15, Hebr. 2:14 en 1 Joh. 3:8. Anders: met een sterke hand.
zal heersen;
Anders, zal over hem [te weten den Satan] heersen; dat is, Christus zal den duivel overwinnen. [Alzo wordt heersen voor overwinnen genomen, onder Jes. 41:2 ] . Hij zal hem zijne wapenen uittrekken en zijne macht benemen. Vergelijk Luc. 11:21 ; Joh. 12:31 ; Kol. 2:15 ; Hebr. 2:14 .
Hertaald:
zal heersen;
Anders: zal over hem — namelijk over de satan — heersen, dat is: Christus zal de duivel overwinnen. Zo wordt heersen voor overwinnen genomen in Jes. 41:2. Hij zal hem zijn wapens ontnemen en zijn macht wegnemen. Vergelijk Luk. 11:21, Joh. 12:31, Kol. 2:15 en Hebr. 2:14.
Zijn loon
Dat is, de straf, die Hij dien sterke en deszelfs aanhangers geven zal, te weten den Satan en den goddelozen mensen, dien zal Hij de eeuwige verdoemenis geven en de genadige beloning aan zijne uitverkorenen. Vergelijk Rom. 2:6 ; Openb. 22:12 .
Hertaald:
Zijn loon
Dat is: de straf die Hij die sterke en zijn aanhang zal geven, namelijk de satan en de goddeloze mensen: hun zal Hij de eeuwige verdoemenis geven, en aan Zijn uitverkorenen de genadige beloning. Vergelijk Rom. 2:6 en Openb. 22:12.
bij Hem,
Te weten bij den Heere; gelijk Jes. 62:11 .
Hertaald:
bij Hem,
Namelijk: bij de HEERE, zoals in Jes. 62:11.
Zijn arbeidsloon
Hebreeuws, zijn werk; dat is, werkloon, of vergelding, die Hij den mensen naar hun werk geven zal; vergelijk Jer. 22:13 , met de aantekening.
Hertaald:
Zijn arbeidsloon
Hebreeuws: Zijn werk — dat is: werkloon, of de vergelding die Hij de mensen naar hun werk zal geven; vergelijk Jer. 22:13 met de aantekening.
Zijn kudde
Dat is, zijne schapen, de gelovigen. Zie Ezech. 34:23-24 , en Job 10:11 .
Hertaald:
Zijn kudde
Dat is: Zijn schapen, de gelovigen. Zie Ezech. 34:23-24 en Job 10:11.
weiden
Dat is, onderrichten en onderwijzen door de predikatie van zijn Woord.
Hertaald:
weiden
Dat is: onderrichten en onderwijzen door de prediking van Zijn Woord.
de lammeren
Dat is, de nederigen en verslagenen van gemoed zal Hij vriendelijk aannemen en troosten; Matt. 11:28 .
Hertaald:
de lammeren
Dat is: de nederigen en verslagenen van gemoed zal Hij vriendelijk aannemen en troosten; Matth. 11:28.
zogenden
Of, dragende.
Hertaald:
zogenden
Of: dragende.
Wie heeft
Alsof hij zeide: Heeft het niet Jezus Christus, als een almachtig God, gedaan? wiens macht, wijsheid en majesteit oneindelijk en onbegrijpelijk zijn.
Hertaald:
Wie heeft
Alsof hij zei: heeft Jezus Christus dat niet gedaan, als almachtig God, Wiens macht, wijsheid en majesteit oneindig en onbegrijpelijk zijn?
met Zijn vuist
Of, met zijn holle hand.
Hertaald:
met Zijn vuist
Of: met Zijn holle hand.
een drieling
Zie de aantekening Ps. 80:6 .
Hertaald:
een drieling
Zie de aantekening bij Ps. 80:6.
den Geest
Vergelijk Rom. 11:34 , en 1 Kor. 2:16 .
Hertaald:
den Geest
Vergelijk Rom. 11:34 en 1 Kor. 2:16.
bestierd,
Of, afgemeten, of afgewogen; dat is volkomenlijk gekend.
Hertaald:
bestierd,
Of: afgemeten, of afgewogen — dat is: volkomen gekend.
onderwezen?
Of, geleerd. Hebreeuws, kennis gegeven, of wetende gemaakt.
Hertaald:
onderwezen?
Of: geleerd. Hebreeuws: kennis gegeven, of wetend gemaakt.
Met wien
Alsof hij zeide: Wie durft zich beroemen dat hij den Heere heeft gewezen den weg, dien Hij ingaan en houden moet om zijne schepselen wijs en rechtvaardig te regeren?
Hertaald:
Met wien
Alsof hij zei: wie durft zich erop te beroemen dat hij de HEERE de weg gewezen heeft die Hij moet inslaan en houden om Zijn schepselen wijs en rechtvaardig te regeren?
die Hem verstand
Of, die hem verstandig zou maken.
Hertaald:
die Hem verstand
Of: die Hem verstandig zou maken.
veelvoudigen
Hebreeuws, der verstandigheden.
Hertaald:
veelvoudigen
Hebreeuws: van de verstandigheden.
zijn geacht
Te weten van den Heere, en bij Hem vergeleken zijnde.
Hertaald:
zijn geacht
Namelijk: door de HEERE, en dan met Hem vergeleken.
als een druppel
Te weten als een druppel, die aan een emmer vol water blijft hangen, of als een dropje water, dat in een emmer blijft nadat er het water uitgegoten is.
Hertaald:
als een druppel
Namelijk: als een druppel die aan een volle emmer water blijft hangen, of als een druppeltje water dat in een emmer achterblijft nadat het water eruit gegoten is.
van de weegschaal;
Dat is, dat in de weegschaal blijft, te weten als men poeder of gestoten kruid of iets dergelijks daarin gewogen heeft.
Hertaald:
van de weegschaal;
Dat is: wat in de weegschaal achterblijft, namelijk wanneer men er poeder of gestampt kruid of iets dergelijks in gewogen heeft.
werpt
Of, Hij ligt, of heft op; te weten om weg te werpen.
Hertaald:
werpt
Of: Hij tilt op, of heft op, namelijk om weg te werpen.
de Libanon
Dat is, de bomen van den Libanon.
Hertaald:
de Libanon
Dat is: de bomen van de Libanon.
is niet genoegzaam
Dat is, zou niet genoeg hout kunnen leveren, te weten als men den Heere naar zijne waardigheid en hoogheid zou vereren met genoegzame menigte van brandoffers.
Hertaald:
is niet genoegzaam
Dat is: zou niet genoeg hout kunnen leveren, namelijk wanneer men de HEERE naar Zijn waardigheid en hoogheid zou willen eren met een toereikende hoeveelheid brandoffers.
om te branden,
Anders: om [het brandoffer] te verbranden.
Hertaald:
om te branden,
Anders: om het brandoffer te verbranden.
zijn gedierte
Te weten van den Libanon, dat is, de dieren, die op den berg Libanon weiden.
Hertaald:
zijn gedierte
Namelijk: van de Libanon, dat is: de dieren die op de berg Libanon weiden.
zijn als niets
Te weten vergeleken zijnde bij den groten en almogenden God; Dan. 4:35 .
Hertaald:
zijn als niets
Namelijk: wanneer zij vergeleken worden met de grote en almachtige God; Dan. 4:35.
ijdelheid
Of, woest; zie de aantekening Gen. 1:2 .
Hertaald:
ijdelheid
Of: woest; zie de aantekening bij Gen. 1:2.
dan zult gij
Te weten, dewijl Hij zulk een groot en machtig God is, en zo vol van majesteit.
Hertaald:
dan zult gij
Namelijk: omdat Hij zo'n groot en machtig God is en zo vol majesteit.
De werkmeester
Het Hebreeuwse woord betekent een handwerksman in het koper, of in het ijzer, of in het hout; hier betekent het een kopergieter; want daar volgt straks dat het de goudsmid verguldt; vs.20 betekent het een timmerman of beeldsnijder.
Hertaald:
De werkmeester
Het Hebreeuwse woord betekent een handwerksman in koper, ijzer of hout; hier betekent het een kopergieter, want er volgt meteen dat de goudsmid het verguldt. In vers 20 betekent het een timmerman of beeldsnijder.
een beeld,
Het Hebreeuwse woord betekent wel eigenlijk een gesneden of gegraveerd beeld, maar hier wordt het genomen voor een gegoten beeld.
Hertaald:
een beeld,
Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een gesneden of gegraveerd beeld, maar hier wordt het genomen voor een gegoten beeld.
de goudsmid
Eigenlijk betekent het Hebreeuwse woord een getier of smelter.
Hertaald:
de goudsmid
Eigenlijk betekent het Hebreeuwse woord een gieter of smelter.
overtrekt
Hebreeuws, rekt, of spant het uit. Gen. 1:6 is hetzelfde Hebreeuwse woord. De zin is hier: De goudsmid spreidt het goud eerst uit, te weten als hij het in dunne platen of bladen slaat; daarna overtrekt hij het beeld daarmede.
Hertaald:
overtrekt
Hebreeuws: rekt of spant het uit. In Gen. 1:6 staat hetzelfde Hebreeuwse woord. De betekenis is hier: de goudsmid spreidt het goud eerst uit, namelijk wanneer hij het tot dunne platen of bladen slaat, en daarna overtrekt hij het beeld ermee.
giet
Hebreeuws, hij giet, of smelt zilveren ketenen; te weten om het beeld daaraan vast te maken, dat het niet afvalle; of om hetzelve daarmede te versieren.
Hertaald:
giet
Hebreeuws: hij giet of smelt zilveren ketenen, namelijk om het beeld daaraan vast te maken zodat het niet omvalt, of om het ermee te versieren.
dat hij niet
Dat is, dat hij geen koper heeft, hetwelk hij den kopergieter brenge, noch goud, noch zilver, dat hij den goudsmid brenge. De zin is: die zo arm is, dat hij niet veel missen kan om een kostelijk beeld te laten maken. Anderen: die arm is, die kiest ter offerande een hout uit, dat niet verrot. Anderen: is in een gevaar; een offerande, te weten belooft hij, hoe betaalt hij die? Hij kiest een hout uit, dat niet verrot, en dat offert hij in de plaats van goud of zilver.
Hertaald:
dat hij niet
Dat is: dat hij geen koper heeft om naar de kopergieter te brengen, en geen goud of zilver om naar de goudsmid te brengen. De betekenis is: iemand die zo arm is dat hij niet veel kan missen om een kostbaar beeld te laten maken. Anderen: wie arm is, kiest tot offerande een hout uit dat niet verrot. Anderen: hij verkeert in gevaar; een offerande belooft hij, maar hoe betaalt hij die? Hij kiest een hout uit dat niet verrot, en dat offert hij in plaats van goud of zilver.
dat niet wankele
Of, dat zich niet kan bewegen, of dat niet bewogen wordt.
Hertaald:
dat niet wankele
Of: dat zich niet kan bewegen, of dat niet bewogen wordt.
Weet gijlieden niet?
Alsof hij zeide: Gij volk van Israël, aan wien zich God van den beginne heeft geopenbaard en zijne wet gegeven heeft, zoudt gijlieden niet weten of verstaan dat de beelden niet dan ijdelheid zijn, en dat God niet kan en mag afgebeeld worden, en dat er geen andere God is dan de enige, eeuwige, ware God, die alles geschapen heeft en nog onderhoudt, bestuurt en door zijne wijsheid regeert?
Hertaald:
Weet gijlieden niet?
Alsof hij zei: u, volk van Israël, aan wie God Zich vanaf het begin geopenbaard en Zijn wet gegeven heeft — zou u niet weten of begrijpen dat de beelden niets dan ijdelheid zijn, dat God niet afgebeeld kan en mag worden, en dat er geen andere God is dan de enige, eeuwige, ware God, Die alles geschapen heeft en het nog onderhoudt, bestuurt en door Zijn wijsheid regeert?
van den beginne
Hebreeuws, van het hoofd; dat is, van dien tijd af, dat het fondament der aarde gelegd was. Sommigen nemen ook het volgende aldus: En hebt gij het van de grondvesten der aarde af niet verstaan?
Hertaald:
van den beginne
Hebreeuws: van het hoofd — dat is: vanaf de tijd dat het fundament van de aarde gelegd werd. Sommigen vatten het vervolg ook zo op: en hebt u het niet begrepen vanaf de grondvesting van de aarde?
Hij is het,
Te weten God.
Hertaald:
Hij is het,
Namelijk: God.
als sprinkhanen;
Te weten met God vergeleken zijnde. Zie deze gelijkenis ook Num. 13:33 .
Hertaald:
als sprinkhanen;
Namelijk: wanneer zij met God vergeleken worden. Zie deze vergelijking ook in Num. 13:33.
breidt
Te weten de hemelen. Zie Ps. 104:2 .
Hertaald:
breidt
Namelijk: de hemelen. Zie Ps. 104:2.
maakt;
Hebreeuws, geeft; vergelijk Ps. 2:9 .
Hertaald:
maakt;
Hebreeuws: geeft; vergelijk Ps. 2:9.
maakt Hij
Dat is, Hij maakt dat zij als niets voor Hem zijn; of dat zij haast vergaan en teniet komen.
Hertaald:
maakt Hij
Dat is: Hij maakt dat zij voor Hem als niets zijn, of dat zij spoedig vergaan en tenietgaan.
zij
Te weten die heersers en rechters der aarde.
Hertaald:
zij
Namelijk: die heersers en rechters van de aarde.
worden niet geplant,
Kunnen of zullen niet zijn of bestaan, indien het God gelieven zal zijne macht aan hen te betonen.
Hertaald:
worden niet geplant,
Zij kunnen of zullen niet bestaan wanneer het God behaagt Zijn macht aan hen te tonen.
als een stoppel
Dat is, alsof zij stoppelen waren.
Hertaald:
als een stoppel
Dat is: alsof zij stoppels waren.
de Heilige
Te weten God.
Hertaald:
de Heilige
Namelijk: God.
deze dingen
Te weten die dingen, die in de hoogte zijn, als de hemel en al wat daarin en daaraan is.
Hertaald:
deze dingen
Namelijk: de dingen die in de hoogte zijn, zoals de hemel en alles wat daarin en daaraan is.
hun heir
Dat is, de sterren, die Hij elk in haar orde gesteld heeft en als een heirleger elk op hare beurt doet tevoorschijn komen, en zij allen zijn Hem gehoorzaam; zie Ps. 147:4 .
Hertaald:
hun heir
Dat is: de sterren, die Hij elk in hun eigen orde gesteld heeft en die Hij als een leger elk op hun beurt tevoorschijn laat komen; en zij zijn Hem allen gehoorzaam; zie Ps. 147:4.
voortbrengt;
Of, uitvoert.
Hertaald:
voortbrengt;
Of: uitvoert.
niet een gemist
Te weten van al die soldaten in zijn heir; dat is, van al de sterren.
Hertaald:
niet een gemist
Namelijk: van al die soldaten in Zijn leger, dat is: van alle sterren.
o Jakob
O mijn volk, mijne kerk.
Hertaald:
o Jakob
O Mijn volk, Mijn kerk.
mijn weg
Dat is, mijne gelegenheid, namelijk in welk ongeluk ik ben. Alsof hij zeide: De Heere weet niet hoe het mij gaat, dewijl Hij mij uit mijne ellende niet verlost.
Hertaald:
mijn weg
Dat is: mijn toestand, namelijk in welk ongeluk ik verkeer. Alsof hij zei: de HEERE weet niet hoe het mij vergaat, omdat Hij mij niet uit mijn ellende verlost.
mijn recht
Dat is, God doet mij geen recht over mijne vijanden, die mij onrechtvaardig vervolgen.
Hertaald:
mijn recht
Dat is: God doet mij geen recht tegenover mijn vijanden, die mij onrechtvaardig vervolgen.
noch moede noch mat
Te weten in het regeren der wereld en zijner kerk in dezelve.
Hertaald:
noch moede noch mat
Namelijk: in het regeren van de wereld en van Zijn kerk daarin.
De jongen
Dat is, de jonge en rappe lieden, die zich op hunne jonkheid verlaten.
Hertaald:
De jongen
Dat is: de jonge en vlugge mensen, die op hun jeugd vertrouwen.
vernieuwen;
Hebreeuws, verwisselen, of veranderen; te weten door de werking van den Heiligen Geest, die in hen woont, alzo Jes. 41:1 .
Hertaald:
vernieuwen;
Hebreeuws: verwisselen of veranderen, namelijk door de werking van de Heilige Geest, Die in hen woont; zo ook in Jes. 41:1.
de arenden;
Deze vogel verheft zich hoger in de lucht dat enige andere vogel. Zie Job 39:30 ; Ps. 103:5 ; Jer. 49:16 ; Ob. 1:4 .
Hertaald:
de arenden;
Deze vogel verheft zich hoger in de lucht dan enige andere vogel. Zie Job 39:30, Ps. 103:5, Jer. 49:16 en Obadja 1:4. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen" (Jes. 40:1). Het woord staat er twee keer, en het is een opdracht aan meer dan één: er wordt in het meervoud gesproken. Wat gezegd moet worden staat er ook bij: "Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden" (Jes. 40:2). Drie dingen worden dus aangezegd: de diensttijd is voorbij, de schuld is verzoend, en de tuchtiging is ruimschoots gedragen. Het vorige hoofdstuk eindigde bij de aankondiging dat alles naar Babel weggevoerd zou worden (reeds behandeld bij Jes. 39:6). Bijbelse betekenis: Merk op waar deze woorden staan. Zij volgen op de aankondiging van de ballingschap, dus de troost wordt uitgesproken voordat de nood begonnen is. Wie later in Babel zit, kan teruglezen dat het einde ervan al vaststond toen het nog moest beginnen. Let vervolgens op de uitdrukking naar het hart spreken. Dat is de taal van iemand die een bedroefde toespreekt, niet van een boodschapper die een besluit voorleest. Let ten slotte op de volgorde in Jes. 40:2. De strijd is vervuld en de ongerechtigheid is verzoend; het tweede is de grond van het eerste. Zonder verzoening zou het einde van de ballingschap alleen uitstel zijn. Typologie: Paulus noemt God met dezelfde naam: Hij is "de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting", en Hij troost opdat wij anderen zouden kunnen troosten (2 Kor. 1:3-4). De opdracht van Jes. 40:1 is in het Nieuwe Testament dus niet vervallen maar doorgegeven. Jes. 40:1-2; Jes. 39:6; 2 Kor. 1:3-4 "Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!" (Jes. 40:3). Het beeld komt uit de gewoonte om een weg klaar te maken voor een koning die op komst is. Wat daarvoor moet gebeuren is ingrijpend: "Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht" (Jes. 40:4). En er staat bij waar het op uitloopt: "En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft" (Jes. 40:5). Bijbelse betekenis: Merk op wie de weg maakt en wie hem gaat. De hoorders krijgen een opdracht, maar wat er gebeurt gaat hun kracht te boven: bergen worden geslecht en dalen opgehoogd. Het is dus geen zelfwerkzaamheid maar het klaarmaken van ruimte voor Iemand die komt. Let vervolgens op het woord woestijn. De weg loopt niet langs de bewoonde route maar dwars door het lege land, precies waar men geen doortocht verwacht. Let ten slotte op Jes. 40:5. Wat zichtbaar wordt is niet de weg en niet de bouwers, maar de heerlijkheid van de HEERE; en het is niet voor een kleine kring, want alle vlees zal het zien. Typologie: Alle vier de evangelisten passen dit woord toe op Johannes de Doper. Mattheüs schrijft: "De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!" (Matt. 3:3). Lukas haalt het vers verder aan tot en met de zin die de volken erbij betrekt: "alle vlees zal de zaligheid Gods zien" (Luk. 3:6). Jes. 40:3-5; Matt. 3:3; Luk. 3:6 "Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen?" (Jes. 40:6). Op die vraag komt geen opsomming van onderwerpen, maar dit: "Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds." De reden volgt in het volgende vers: "Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras" (Jes. 40:7). En dan komt de tegenstelling waar het gedeelte om draait: "Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid" (Jes. 40:8). Bijbelse betekenis: Merk op dat dit gezegd wordt tot mensen in ballingschap. Zij zagen de macht van Babel dagelijks voor ogen, en juist die macht wordt hier gras genoemd. Wat groot lijkt heeft geen wortel in zichzelf. Let vervolgens op wat er verdort. Niet alleen de kracht van de mens maar ook zijn goedertierenheid; ook het beste dat hij opbrengt houdt geen stand. Dat is geen minachting van de mens maar een nuchtere maat. Let ten slotte op de tegenstelling van Jes. 40:8. Er wordt niet gezegd dat God eeuwig is — dat wisten zij — maar dat Zijn Woord blijft staan. Voor wie op een belofte moet leven, is dat het enige dat telt. Typologie: Petrus haalt dit gedeelte aan om te zeggen waaruit de gelovigen wedergeboren zijn: "alle vlees is als gras", maar "het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is" (1 Petr. 1:24-25). Hij past de belofte dus rechtstreeks toe op de prediking van het Evangelie. Jes. 40:6-8; 1 Petr. 1:24-25 "O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg" (Jes. 40:9). Er wordt bij gezegd hoe: met macht, zonder vrees, en de inhoud is kort: "Zie hier is uw God!" Wat volgt tekent Hem eerst als de Sterke: "de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen" (Jes. 40:10). En dan komt onmiddellijk een ander beeld: "Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden" (Jes. 40:11). Bijbelse betekenis: Merk op hoe dicht de twee beelden bij elkaar staan. In het ene vers heerst Zijn arm, in het volgende draagt diezelfde arm de lammeren. Kracht en tederheid staan hier niet tegenover elkaar; het is dezelfde arm. Let vervolgens op wie er met name genoemd worden. Niet de sterke dieren van de kudde maar de lammeren en de zogende ooien, dus juist die het tempo niet kunnen bijhouden. Het tempo van de kudde wordt bepaald door de zwakste. Let ten slotte op de inhoud van de boodschap in Jes. 40:9. Zij bestaat uit drie woorden: zie hier is uw God. De boodschapper wijst niet naar zichzelf en niet naar wat er gaat gebeuren, maar naar Hem. Typologie: De Heere Jezus neemt dit beeld op Zichzelf en voegt er iets aan toe wat hier nog niet staat: "Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen" (Joh. 10:11). Jes. 40:9-11; Joh. 10:11 Het gedeelte bestaat vrijwel geheel uit vragen. "Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen?" (Jes. 40:12). En verder: "Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?" (Jes. 40:13). Dan worden de volken gewogen: "Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal" (Jes. 40:15). Daarop volgt de vraag die het gedeelte zijn naam geeft: "Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?" (Jes. 40:18). Het antwoord van de wereld wordt er spottend naast gezet: een werkmeester giet een beeld en de goudsmid overtrekt het met goud (Jes. 40:19). En het gedeelte eindigt bij de sterren: "Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft" (Jes. 40:26). Van die sterren wordt gezegd dat Hij ze alle bij name roept, en dat er niet een gemist wordt. Bijbelse betekenis: Merk op tot wie dit gezegd wordt. Niet tot hoogmoedigen die kleiner gemaakt moeten worden, maar tot ballingen die dachten dat hun God het had afgelegd tegen de goden van Babel. De vragen zijn dus geen vernedering maar een rechtzetting van de maat. Let vervolgens op het gewicht van de volken (Jes. 40:15). Een druppel aan de emmer en een stofje op de weegschaal tellen niet mee bij het wegen; dat is niet gezegd om mensen te minachten, maar om de angst voor wereldrijken op maat te brengen. Let ten slotte op het slot van Jes. 40:26. God kent de sterren bij name en er ontbreekt er niet één. Wie dat leest en zich zelf verloren waant in de menigte, hoort daar meteen het antwoord op. Typologie: Paulus haalt Jes. 40:13 aan bij het slot van zijn betoog over Gods wegen met Israël: "wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?" (Rom. 11:34). Ook daar staat de vraag niet om te vernederen maar om te aanbidden. Jes. 40:12-26; Rom. 11:34 De klacht wordt woordelijk aangehaald: "Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?" (Jes. 40:27). Het antwoord begint bij Wie God is: "de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt" (Jes. 40:28). Dan wordt dat toegepast: "Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft" (Jes. 40:29). Zelfs de sterksten houden het niet vol: "De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen" (Jes. 40:30). En dan komt het slotvers: "Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden" (Jes. 40:31). Bijbelse betekenis: Merk op wat het volk eigenlijk zegt. Niet dat God niet bestaat, maar dat Hij hun zaak niet ziet en dat hun recht Hem voorbijgaat. Dat is de klacht van mensen die lang gewacht hebben, en zij wordt niet bestraft maar beantwoord. Let vervolgens op wie de kracht krijgt. Niet wie zich inspant maar wie verwacht; en juist de jongelingen, die het van kracht moesten hebben, vallen. Let ten slotte op de volgorde in het slotvers. Eerst opvaren, dan lopen, dan wandelen — van het buitengewone naar het gewone. Dat lijkt een anticlimax en is het niet: het volhouden van de dagelijkse gang vraagt vaak meer dan een enkele hoge vlucht. Typologie: Dezelfde uitnodiging klinkt uit de mond van de Heere Jezus, en ook daar aan wie het niet meer opbrengt: "Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt" (reeds behandeld bij Matt. 11:28). En Paulus zegt hoe dat in de praktijk gaat: "als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Kor. 12:10). Jes. 40:27-31; Matt. 11:28; 2 Kor. 12:10 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas De Engel des HEEREN niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Na negenendertig hoofdstukken van aanzegging en oordeel verandert de toon van het boek volkomen. Het nieuwe deel begint niet met een eis maar met een opdracht aan wie het aan mag zeggen. Er wordt een weg gebaand voor Iemand Die komt, en alle vier de evangelisten wijzen aan wie de roepende stem was. Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Het woord staat er twee keer, en het is de eerste keer in dit boek dat God zo begint. Wat er getroost moet worden, staat er meteen bij: spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is. Dan klinkt de stem: bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God. Dat is de taal van een koningsbezoek — voor een vorst die op reis ging werden de wegen geëffend. De evangelisten laten er geen misverstand over bestaan wie die stem is. Alle vier passen zij dit vers toe op Johannes de Doper. En het gevolg is niet gering: de weg die geëffend wordt, is de weg *des HEEREN* — en Die komt, blijkt Christus te zijn. Daarna komt de tegenstelling die het hoofdstuk draagt. Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds; het gras verdort, de bloem valt af. En dan: doch het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. Petrus haalt dat aan en voegt eraan toe dat dit het Woord is dat onder u verkondigd is. Het slot brengt twee beelden bijeen die men niet naast elkaar verwacht. Eerst: de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen. En dan, in hetzelfde adem: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen en in Zijn schoot dragen. De sterke arm en de schoot waarin lammeren gedragen worden, zijn van Dezelfde. In het Nieuwe Testament: Mattheüs 3:3; Markus 1:2-3; Lukas 3:4-6; Johannes 1:23; 1 Petrus 1:24-25
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Als een herder zal Hij Zijn kudde weiden. Jesaja 40:11 Onze goede Herder heeft in Zijn kudde schapen van allerlei aard — sommigen zijn sterk in de Heere,… Hij zal de lammeren in zijn armen nemen en ze in Zijn boezem dragen. Jesaja 40:11 Eng. vert. KJV Wie is Hij, van wie zulke genadige woorden worden… De heerlijkheid van de HEERE zal geopenbaard worden, en alle vlees tezamen zal het zien. Jesaja 40:5 Kijk jij ook zo uit naar die prachtige dag waarop de… Klim op een hoge berg. Jesaja 40:9 Elke gelovige zou moeten dorsten naar God, de levende God, en verlangen de berg van de Heere te beklimmen om Hem… En deze ganze vergadering zal weten, dat de Heere niet door het zwaard, noch door de spies verlost want de krijg is van de Heere. Die zal u… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Klim op een hoge berg. Jesaja 40:9 Onze kennis van Christus lijkt op het beklimmen van een van de bergen in… Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Jesaja… Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden. Jesaja… Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. Jesaja 40:8 Er kan tussen Gods openbaring in Zijn Woord en in… Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? LUKAS 18:7 Zolang er een plaats van… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden; en alle vlees tegelijk zal zien. Jesaja 40:5 Wij zien de blijde dag tegemoet, wanneer… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Klim op een hoge berg. Jesaja 40:9 Iedere gelovige zou naar God moeten dorsten, naar de levende God, en ernaar moeten… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hij zal de lammeren in zijn armen vergaderen. Jesaja 40:11 Onze goede Herder heeft in Zijn kudde allerlei verschillende schapen. Sommige zijn… Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden. Jesaja 40:3 Als een pijl uit de boog schiet de arend, de koning van de vogels, omhoog. Daar ademt hij… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Hij zal de lammeren in zijn armen vergaderen en in zijn schoot dragen. Jesaja 40:11 Wie is Hij, van Wie zulke vriendelijke woorden gezegd… Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen. Jesaja 40:31 Menselijke kracht, van hoe verschillende aard ook, wordt in een bepaalde tijd uitgeput. God kan aan mensen onmetelijke… Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn. Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een… Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Jesaja 40: 1 Hoe zorgvuldig is God voor de Zijnen, hoe zorgdragend omtrent hen, niet alleen wat hun leven, ook… Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen. Jesaja 40:1 Beproeving oefent onze genade, en de oefening In genade maakt dat we ons behaaglijker en vrijer gevoelen. Waar… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jesaja 40
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Bereidt den weg des HEEREN — 40:1-11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
De goede Herder
De goede Herder
De heerlijkheid van onze Heere
Dichter bij God
1 Sam. 17:47 - De krijg is van de Heere
Klim op een hoge berg
Hij vergadert de lammeren
Hij weidt Zijn kudde
Het meest verheven Boek
Geef nooit op
De blijde dag tegemoet
Verlang naar meer
Als lammeren in Zijn armen
Zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden
Hij zal de lammeren in zijn armen vergaderen en in zijn schoot dragen
Vernieuwing van kracht
Zij gaan van kracht tot kracht
Hoe zorgvuldig
Lijden en troost


Jesaja 40
Jesaja 40:1-2.KruisverwijzingenJesaja 51:12→Sefanja 3:14→2 Korinthe 1:4→Jeremia 31:10→Jesaja 49:13→Jesaja 51:3→Zacharia 9:9→Zacharia 9:12→
— Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.
God wil dat Zijn volk gelukkig is. Hij weet dat wij niet in een sterke, krachtige staat verkeren, en wij eren Zijn Naam niet wanneer het ons aan heilige blijdschap ontbreekt. Laten de zondaars maar onrustig zijn; laten zij zijn als de onstuimige zee die niet rusten kan. Maar wat Gods volk betreft: het is Zijn grote vreugde dat zij gelukkig zijn. Hij gebiedt Zijn dienaren telkens opnieuw hen te troosten. Het is alsof Hij zegt: zij hebben het nodig, en zij zullen het hebben; let er wel op, Mijn dienaren, dat u het hun geeft.
Soms zijn wij in een toestand van strijd en liggen wij onder de roede van de tucht; maar nu verschijnt de HEERE genadig aan Zijn dienaren en zegt: uw strijd is voorbij, uw kastijding is ten einde. Nu keert de HEERE in barmhartigheid terug en geeft Hij een besef van vergeven zonde.
De eerste betekenis van deze woorden was, dat Jeruzalem — na een tijd van grote verdrukking doorgemaakt te hebben — een tijd van rust zou krijgen. Maar de grote evangeliebetekenis voor u en voor mij is, dat onze Heere Jezus onze strijd gestreden en de overwinning voor ons gewonnen heeft. Hij heeft onze schuld betaald en aan de goddelijke gerechtigheid het dubbele voor al onze zonden gegeven. Daarom is onze ongerechtigheid verzoend. Dit is genoeg om iemand gelukkig te maken, zou men denken. Het is het beste wat zelfs Jesaja zeggen kon, of wat God Zelf door de mond van Jesaja zeggen kon, toen Zijn doel was het beproefde volk van de HEERE te vertroosten.
Jesaja 40:3.KruisverwijzingenMarkus 1:2→Johannes 1:23→Maleachi 3:1→Lukas 1:16→Mattheüs 3:1→Maleachi 4:5→Jesaja 57:14→Lukas 1:76→
— Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!
U weet dat dit Johannes de Doper was, die kwam om de Zaligmaker aan te kondigen. Dát was de beste troost die Gods volk kon hebben: de komst van de HEERE. En zo is het nu. De vreugde van de gemeente is de komst van de HEERE, en voor ieder van ons is de grootste bron van vreugde dat onze Heere ons nadert. Verschijnt Hij aan ons, dan is onze winter voorbij en is de zon van onze zomer opgegaan. Is Christus met ons, dan is de tijd van het zingen van de vogels gekomen, en ons hart is blij.
Jesaja 40:4-5.KruisverwijzingenLukas 3:5→Habakuk 2:14→Lukas 3:6→Ezechiël 21:26→Jesaja 52:10→2 Korinthe 4:6→Jesaja 6:3→Jesaja 1:20→
— Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.
Waar Christus ook komt, daar is het zo. Bij Zijn verschijnen wordt alles recht; en laat de HEERE Zich vanavond aan ons openbaren, aan ieder van ons, dan zullen wij bevinden dat het kromme recht gemaakt is. Wij zullen de bergen van moeilijkheid geslecht zien, en al de diepe laagten opgevuld, en er zal een heerbaan zijn waarlangs de HEERE in triomf rijden zal om de grootheid van Zijn macht te tonen. Wanneer God tot mensen wil komen, kan niets Hem stuiten of Zijn weg versperren. Hij zal bergen slechten en valleien vullen, maar Hij zal op de een of andere wijze tot Zijn volk komen. En komt Hij tot hen en vindt Hij veel kromme dingen aan hen, dan zal Hij het kromme recht maken en het hobbelachtige tot een vlakte.
En omdat Hij het gesproken heeft, moet het geschieden. Zou Hij het gezegd hebben en het niet doen? Bij Hem is iets zeggen hetzelfde als de volbrenging ervan willen.
Jesaja 40:6-8.KruisverwijzingenJob 14:2→Psalmen 102:11→Psalmen 103:15→Jakobus 1:10→1 Petrus 1:25→Markus 13:31→Mattheüs 24:35→1 Petrus 1:24→
— Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.
Dat is nu een roep die wij allen moeten horen: de doodskreet van alle vertrouwen op het schepsel. Want de mens op zijn allerbest is niet meer dan gras in de bloei. Het zal te zijner tijd afgemaaid worden; en al komt de zeis er niet bij, dan nog zal het in zijn seizoen verwelken, want het is een voorbijgaand ding. Elke hoop en elk vertrouwen dat gebouwd is op wat gezien wordt, moet tijdelijk zijn en moet vergaan.
Al de vreugde die u vanavond hebt, al de hoop en al het vertrouwen dat op een aardse zaak gebouwd is, moet trapsgewijs verdwijnen. Niets is eeuwig dan wat uit het Eeuwige voortkomt. Is onze hoop niet in de HEERE alleen, dan zal die hoop ons vroeg of laat begeven. En dit is een roep die wij nodig hebben, want zolang wij het schepsel niet moe zijn, keren wij ons niet tot de Schepper. Voordat wij met de valse vertrouwens hebben afgerekend, maken wij God niet tot ons vertrouwen.
Toch mag u nog altijd tot uw Heere zeggen, in de woorden van ons lied: hoe zou ik van alles beroofd kunnen zijn, daar ik van U niet scheiden kan? De maaier met de scherpe zeis maait het gras af, maar hij kan de verborgen bron van onze hoop en blijdschap en van ons vertrouwen op God niet aanraken; en bovenal kan hij de God niet aanraken op wie wij ons verlaten.
Jesaja 40:9.KruisverwijzingenJesaja 12:2→Jesaja 25:9→Jesaja 52:7→Efeze 6:19→Jesaja 61:1→Jesaja 58:4→1 Samuël 26:13→Handelingen 5:41→
— O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!
Zie weg van deze verwelkende dingen en aanschouw uw God. Zie weg van de helderste vreugde die u hebt, al is die als de weide, met veelkleurige bloemen bezaaid, en zie op uw God, en op uw God alleen. Zie hier is uw God — uw God in Christus; uw God die door de wildernis gekomen is en Zich een heerbaan gebaand heeft om tot u te komen. Verheug u in Christus, uw Zaligmaker, en u zult een vreugde hebben die u nooit ontnomen zal worden.
Heeft de voornaamste, de beste, de heiligste stad haar God gevonden, is Jeruzalem zo begunstigd, laat zij dan de blijde tijding over de heuveltoppen heen zingen tot de verste steden van het land en tot hen zeggen: zie hier is uw God. Hebt u uw Heere gezien, geliefden, verkondig dan het goede nieuws aan wie bijna vergeten zijn dat er een God is, en zeg tot hen: zie hier is uw God. Hij is nog altijd te zien, door het oog van het geloof, genadig werkende te midden van de aarde.
Jesaja 40:10-11.KruisverwijzingenOpenbaring 22:12→Micha 5:4→Ezechiël 34:23→Jesaja 62:11→Ezechiël 34:12→Jesaja 9:6→Psalmen 110:6→Psalmen 23:1→
— Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht. Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.
Behoort u vanavond tot de kudde? Laat dit u dan troosten. Bekommer u niet over de verwelkende bloemen: “Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder.” Hij heeft u vanavond in de weide gebracht. Vertrouw erop dat Hij u niet langs een verkeerde weg geleid heeft. En al is uw ziel nu hongerig en dorstig, u zult geen gebrek hebben.
De zwaksten eerst. De meeste zorg voor wie de meeste zorg nodig hebben: “Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen.” Hij kent hun zwakheid, hun matheid, hun pijn, en hoe onbekwaam zij zijn tot snel en lang reizen; Hij is heel teder en meedogend, en Hij zal hen zachtjes leiden.
Uw droefheid moet nog komen; zij is alleen aan uzelf bekend. Niemand kan met u meevoelen. Híj zal u zachtjes leiden. Bij Christus wordt niets opgejaagd. Soms drijven Zijn dienaren, om Gods volk in het ene opzicht recht te zetten, hen in het andere opzicht te hard; en het is mogelijk dat men, terwijl men de huichelaar bestraft, de oprechte gelovige bedroeft. Maar onze Heere is een beter Herder dan de onderherders op hun allerbest zijn. Wat een gezegende Helper hebben wij! Laten wij in Hem rusten.
Dit ambt van Christus verblijdt het hart van wie het te prediken hebben. Onze stem op te heffen en aan anderen de goede tijding te verkondigen is aangename dienst. Het is de vreugde van de gemeente dat Jezus, de Heere God almachtig, sterk is tot de verdediging van Zijn volk en tegelijk teder is jegens hun zwakheden. Laten wij ons verheugen en blij zijn in Hem.
Jesaja 40:12-14.Kruisverwijzingen1 Korinthe 2:16→Romeinen 11:34→Spreuken 30:4→Hebreeën 1:10→Psalmen 102:25→Kolossenzen 2:3→Jesaja 48:13→Psalmen 104:2→
— Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal? Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen? Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?
Wie zou zo’n God als deze niet vertrouwen — deze enige God? Hoe goed mogen wij tevreden zijn ons van de verwelkende schepselen af te keren tot deze eeuwige Heere en ons vertrouwen op Hem te stellen! Het verwonderlijke is werkelijk dat wij het schepsel wél vertrouwen, en nog verwonderlijker dat wij de machtige Schepper niet vertrouwen. Het geloof, dat zo moeilijk lijkt, is tenslotte niets anders dan geheiligd gezond verstand. Het is het meest verstandige wat er in de wereld bestaat: te vertrouwen op almacht, op oneindige, onveranderlijke liefde, op onfeilbare waarheid. Ergens anders op vertrouwen vraagt heel wat rechtvaardiging, maar op God vertrouwen behoeft geen verontschuldiging. Hij verdient het ten volle. O mijn ziel, vertrouw op Hem.
En toch handelen wij soms alsof wíj Gods leermeesters waren, alsof wij Hem moesten onderwijzen wat Hij moet doen. Omdat wij onze weg niet zien, dromen wij bijna dat Híj hem ook niet ziet; en omdat wij in verlegenheid zijn, menen wij dat de oneindige wijsheid geen uitweg meer weet. Maar het is niet zo. Hij was vol wijsheid toen er niemand was met wie Hij raad kon houden, en Hij is nog altijd wijs in de hoogste graad.
Jesaja 40:15.KruisverwijzingenJeremia 10:10→Jesaja 40:22→Jesaja 59:18→Jesaja 41:5→Jesaja 11:11→Jesaja 66:19→Daniël 11:18→Sefanja 2:11→
— Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!
Niet een volle emmer, maar juist het ene druppeltje dat in de emmer achterblijft nadat u meende dat hij volkomen leeggegoten was. Bedenk dat dit gezegd wordt van de vólken. China, India, Europa, Afrika, met al hun wemelende menigten, zijn niet meer dan het stofje van de weegschaal, dat door de lichtste windstoot weggeblazen wordt.
Jesaja 40:16.KruisverwijzingenMicha 6:6→Psalmen 40:6→Hebreeën 10:5→Psalmen 50:9→
— En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.
Met al zijn cederwouden. Denk aan al de cederen van Libanon als in lichterlaaie, zoals een grote bosbrand, en toch niet voldoende om het hout voor Gods altaren te leveren. En of het de wilde of de tamme dieren zijn die op dat gebergte wonen: zij zijn niet genoegzaam tot een brandoffer voor de Allerhoogste.
Jesaja 40:17.KruisverwijzingenPsalmen 62:9→Daniël 4:34→Job 25:6→Jesaja 29:7→2 Korinthe 12:11→
— Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.
Alsof zij niets dan de schaduw van iets waren, en niet meer invloed op Hem hadden dan wanneer zij niet bestonden.
Jesaja 40:18.KruisverwijzingenJesaja 46:5→Handelingen 17:29→1 Samuël 2:2→Jesaja 40:25→Exodus 8:10→Exodus 9:14→Exodus 15:11→Exodus 20:4→
— Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?
Dit is een sterk bewijs tegen de afgodendienst, tegen het aanbidden van God onder welke zichtbare gestalte ook. De heidenen maakten die vermeende gelijkenissen van God wel. Hier volgt een beschrijving van de wijze waarop zij hun afgoden vervaardigden.
Jesaja 40:19.KruisverwijzingenHabakuk 2:18→Jeremia 10:9→Psalmen 115:4→Jesaja 37:18→Jesaja 2:20→Jeremia 10:3→Exodus 32:2→Hosea 8:6→
— De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.
Het ruwe metaal wordt in een zekere vorm gegoten, en dan legt de goudsmid er zijn dunne plaatjes goud op, en de zilveren ketenen dienen om het te versieren.
Jesaja 40:20.KruisverwijzingenJeremia 10:3→Jesaja 46:7→1 Samuël 5:3→Jesaja 41:7→Jesaja 2:8→Daniël 5:23→Jesaja 44:13→
— Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.
De arme man, die niet in staat is een god van goud te maken, kiest een goed stuk kernhout van eik of duurzame olm. Dan wordt het stevig vastgezet en de post diep in de aarde gedreven, zodat het een onbeweeglijke god is.
Jesaja 40:21-26.KruisverwijzingenNumeri 13:33→Psalmen 104:2→Psalmen 107:40→Job 12:21→Jesaja 40:18→Jesaja 51:6→Handelingen 14:17→Job 9:8→
— Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet? Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen; Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid. Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen. Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige. Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.
Stel dat het nacht is: hef uw ogen op omhoog en zie. Deze wonderbare werelden, deze sterren die het uitspansel bezaaien! Want God kent het aantal van hen alle, en de naam van elke afzonderlijke wereld die zich in de onmetelijke ruimte beweegt. Zij worden niet door pilaren gestut, en zij hangen ook niet aan machtige koorden, en toch blijven zij de banen bezetten die God hun aangewezen heeft. Hij hangt de wereld aan niets en houdt haar op haar plaats door het onophoudelijke uitgaan van Zijn macht.
Er is geen andere macht die die lampen van de hemel op hun plaats hangt en ze altijd doet branden, dan de macht van Zijn Woord. Heel deze ronde aarde van ons hangt aan niets dan aan het bevel van de Allerhoogste. Ik herinner mij hoe Luther zich in moeilijke tijden troostte door te zeggen: kijk naar dat blauwe gewelf daarboven; er is geen pilaar die het opheft, en toch, wie heeft ooit de hemel zien vallen? Niets dan de macht van God houdt hem omhoog. Mijn ziel, als alle werelden door Zijn Woord gemaakt zijn, kunt u dan niet aan dat Woord hangen? Als alle dingen enkel bestaan door de wil en het woord van uw Vader, kan Hij u dan niet ondersteunen, en kunt u Hem dan niet vertrouwen? Och, dit vertrouwen op het onzienlijke en eeuwige zou ons als kinderen van God vanzelf moeten zijn. Maar ach, hier ligt onze grote zonde: dat wij vaak op een arm van vlees vertrouwen en onze God vergeten.
Jesaja 40:27.KruisverwijzingenLukas 18:7→Jesaja 49:4→Job 27:2→Jesaja 49:14→
— Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?
Hoe kan dat! Terwijl Hij niet één van al die machtige heirscharen van sterren vergeten is, en er valt geen spreeuw ter aarde zonder dat Hij het merkt. Hoe kunt u dan dromen dat Hij u vergeten heeft, of dat uw weg voor Hem verborgen is? Hij vergeet geen ster onder de tienduizenden, geen schepsel onder de menigten. Hij heeft in Zijn boek de baan opgetekend van elk deeltje lucht, van elk stofje en van elke druppel schuim — en hoe zou u dan vergeten kunnen worden?
Jesaja 40:28-29.KruisverwijzingenPsalmen 147:5→Jesaja 41:10→Romeinen 11:33→Filippenzen 4:13→Handelingen 13:47→Johannes 5:17→2 Korinthe 12:9→1 Korinthe 6:3→
— Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand. Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.
Hij schept er behagen in Zich in ledige vaten uit te gieten. Hij geeft Zijn kracht niet aan de sterken, maar Hij geeft de moeden kracht; en hoe matter u bent, des te meer ruimte is er voor Zijn sterkte. Vertrouw op Hem. Bent u zo belast dat u niet staande kunt blijven, leun dan op Hem. Hoe meer u leunt, des te meer zal Hij u liefhebben. Hij schept er behagen in Zijn volk te helpen.
Jesaja 40:30.KruisverwijzingenPsalmen 33:16→Jesaja 13:18→Amos 2:14→Jesaja 9:17→Prediker 9:11→Jeremia 6:11→Psalmen 34:10→Psalmen 39:5→
— De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
Wij wensen soms dat wij zo jong waren als sommigen, en dat wij al hun overvloeiende geestdrift hadden, al het opbruisen van hun jeugdige vuur. Ach, wij hoeven het niet te wensen; want louter sterfelijke kracht zal verslappen en sterven, en aardse veerkracht zal ophouden, terwijl wie de HEERE vertrouwen hun kracht vermeerderd zullen vinden.
Jesaja 40:31.Kruisverwijzingen2 Korinthe 4:16→Psalmen 103:5→Klaagliederen 3:25→2 Korinthe 12:9→Psalmen 27:13→Hebreeën 12:1→Galaten 6:9→2 Korinthe 4:8→
— Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.
Opvaren met vleugels is er veel bij als zij beginnen. Zij willen enkel vliegen, en God geeft hun een heerlijke vlucht, en zij zijn zo blij en zo verrukt. Maar zij zullen het nog beter doen dan dat. Is lopen beter dan vliegen? Ja, dat is het — een betere gang om vol te houden; en God stelt Zijn knechten tenslotte in staat de weg van hun plicht bij te houden en daarin te lopen. Maar er is een nog betere gang dan die.
Wandelen is een goede, gestadige gang. Het is de gang die Enoch hield toen hij met God wandelde. Soms is het gemakkelijker een spurt in te zetten dan dag aan dag te blijven wandelen, wandelen, wandelen, in de bezonnenheid van de christelijke omgang. Velen kunnen onder opwinding een wedloop lopen, maar het beste van alles is bestendig te kunnen doorwandelen, wandelende met God de Heere. De HEERE brenge ons tot die gang: “zij zullen wandelen, en niet mat worden”.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Het diepzinnigste troostboek voor het bij Jehova niet vergeten en geenszins voor altijd verstoten volk der ballingschap, dat het tweede hoofddeel van de profetieën van Jesaja vormt, en ons hem als enen voor de aandacht stelt, die geheel midden in de ballingschap leeft en zich beweegt, bevat drie groepen, die elk in drie maal drie redenen zijn gescheiden (Hoofdstuk 40-48, 49-57, 58-66), Op de vleugelen der Godskracht, die hem draagt, verheft de profeet zich op het toppunt der Oud-Testamentische openbaring en opent van daar aan zijn volk den zaligsten blik in de verte op het einde der wegen Gods met Zijn Israël tot in het nieuwe Jeruzalem, tot in de nieuwe wereld die uit de puinhopen der oude zal ontstaan. Het gehele Nieuwe Testament, van den voorloper van Christus af, tot aan het laatste Hoofdstuk der Openbaring van Johannes, opent zich spoedig als eens schilderij voor zijn oog, zonder dat op de wetten der perspectief acht wordt geslagen, met meerder of minder duidelijke schaduwverdeling. Wij begrijpen, hoe Petrus (1 Petrus 1:11) van de profeten kon zeggen, dat zij “onderzochten op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, die in hen was, beduidde en te voren betuigde, ” en hoe onze oude kerkleraars konden beweren, dat ook de vaderen van het Oude Verbond door het geloof in Christus waren gerechtvaardigd.
I. Vs. 1-31.KruisverwijzingenMarkus 1:2→Johannes 1:23→Maleachi 3:1→Lukas 1:16→Mattheüs 3:1→Maleachi 4:5→Jesaja 57:14→Lukas 1:76→
— Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden. Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God! Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft. Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid. O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God! Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.
Het gedeelte, dat wij in de eerste plaats moeten behandelen, bevat naar de wijze van Jesaja de openingsrede, waarop al het overige gebouwd wordt, en die dat als een kiem in zich verbergt. De Heere komt zeker om Zijn volk te verlossen; reeds hoort het oor, dat door den geest der profetie geopend is, de stem van den Hem voorafgaanden heraut klinken, bijzonder heerlijk zal het heil zijn, dat hij brengt (vs. 1-11). Welk een onvergelijkelijk heerlijk boven al het aardse hoog verheven God is toch, wanneer men Zijn Wezen en werken bepeinst, Hij, wiens verschijning tot verlossing van Zijn volk zo nabij is (vs. 12-17 Zijne onvergelijkelijke verhevenheid, gelijk zij aan de ene zijde het dwaze van den afgoden- en beeldendienst openbaar maakt, welken het grootste deel der mensheid huldigt, en tot welken ook Israël zozeer genegen is (vs. 19-26), zo verstrekt zij aan de andere zijde het volk Gods tot troost: en dit heeft juist in zijne ballingschap dien troost te meer nodig, hoe minder het zich daar in Gods wegen kan vinden (vs. 27-31
Troost, troost 1) Mijn volk, 2) zal ulieder God zeggen; o kinderen van Israël, die in de ballingschap zijt, tot Zijne knechten, de profeten; want ook midden in den toorn, die op u drukt, zodat gij in uwe ellende niet weet, waarheen, heeft Hij toch niet opgehouden uw God te zijn.
Het is goddelijk anderen de tranen te drogen, misschien moet uw geloof de handdoek zijn, waarmee gij uwen broeder de tranen afwist. Hij, die tweemalen: zegt “troost” kan u tot enen Barnabas (Hand. 4:36), tot enen zoon der vertroosting maken. Het karakter, de profetieën van Jesaja eigen, wordt door de eerste woorden, waarmee het tweede gedeelte zijner voorzeggingen begint, kortelijk en krachtig uitgedrukt. Immers hij heet bij de Christenen de profeet-evangelist, en bij de Israëlieten de profeet der vertroosting. Zo spreekt de Heere God niet tot de Priesters maar tot de profeten, tot Zijne boden, die nog leven onder het volk der ballingschap. Het volk der ballingschap moet het weten, dat die God, die hen uit Jeruzalem en Juda naar Babel bracht, nog immer hun God is. De Heere mocht zich als een rechtvaardig en heilig God in Zijn straffen, om der zonde wil, geopenbaard hebben, Hij was tevens ook die God, die zijn Israël niet vergat, die het roepen en kermen van Zijn echte kinderen hoorde, een roepen en kermen door Hem Zelven verwekt, en die nu daarom Zijn woord van troost laat uitroepen.
Israël, dat de profeten volgens hun roeping moesten vertroosten, is ondanks zijn afval van den Heere, zijnen God, toch eenmaal volgens eeuwige, onherroepelijke verkiezing, Zijn volk, en wanneer ook het volk, ontrouw aan het verbond, den Heere, Zijnen God verlaat, kan toch de Heere, naar Zijne onveranderlijke trouw, Israël, Zijn volk, niet verlaten. Hij moet het straffen voor zijnen afval van Hem met de toedeling van het smartelijkste gericht; maar de wortel van het gericht is de liefde des Vaders tot den zoon, en zijne heerlijke vrucht zal zijn het antwoord van den berouwvollen zoon op de hoewel ook ernstige en smartvolle, meer liefdevolle taal des Vaders, in woord en daad: “Uw volk. “
Spreekt naar het hart van Jeruzalem, zo beveelt Hij hen, opdat zij vertrouwen in Mij verkrijgen en in hunnen ongelukkigen toestand weer moed vatten (Gen. 34:3; 50:21. (Richt. 19:3), en roept haar toe, dat haar strijd, haar harde en moeitevolle diensttijd onder enen vreemde, 1) waarin zij moest leren den trouwen Heere, dien zij vroeger verlieten, weer te zoeken, vervuld is, een einde heeft, dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van dr hand des HEREN dubbel 2) ontvangen heeft voor al hare zonden 3) (zie bij vs. 10).
Zulk enen zwaren gedwongen dienst onder een vreemden overheerser, waar men strijdt en arbeidt met veel gevaar en ontbering en daarvoor karig loon ontvangt en hard behandeld wordt, had Israël’s volk in Babel (Hoofdstuk 14:3), maar nog veel harder is de verdrukking onder den Satan en de zonde in het ongeloof (Rom. 7:20-23).
Dit is niet rekenkunstig op te vatten, in welk geval God als overrechtvaardig en dus als onrechtvaardig zou voorkomen. Jeruzalem (de heilige stad is hier gedacht als één geheel met het volk, dat tot haar behoort), heeft niet meer geleden dan het schuldig was. Maar Gods barmhartigheid ziet, wat Zijne gerechtigheid over Jeruzalem moest brengen, nu voor meer dan overvloedig aan; deze ontferming drukt zich uit in het woord “voor al hare zonden”; er is geen overschot, dat nog meer zou te straffen zijn. Het keerpunt van toorn tot liefde is gekomen; de toorn is dubbel geweest in welk ene intensiviteit (inwendige volheid van macht) zal nu de lang teruggedrongene liefde te voorschijn treden! .
De inhoud der verkondiging zou een drievoudige zijn, en met dezen drievoudigen inhoud komen dan de drie afdelingen van ons troostboek, die boven nader zijn aangegeven, overeen.
Luistert! Reeds wordt de stem van den heraut vernomen, die den Heere aanmeldt, welke tot Zijn volk is gekomen en den eis laat horen, om de wegen voor Hem gereed te maken, dat niets de snelheid van Hem, die komt, tegenhoude en niets de volheid van Zijne genade in den weg sta. Wat ik, de profeet, met geestelijk oor verneem is 1) ene stem des roependen, die in de woestijn, door welke de Heere moet trekken, om tot Zijn volk te komen, daarheen gaat, en het geroep van dezen heraut klinkt, gelijk een lang aanhoudend trompetgeklank, aldus: Bereidt, gelijk het betamelijk is, als een koning de onderdanen van zijn rijk bezoekt, den weg des HEREN, maakt recht in de wildernis, die het land der belofte van het land uwer tegenwoordige dienstbaarheid scheidt, ene baan voor onzen God, opdat Hij van daar u kan terughalen.
MATTHEUS. 3:3. Mark. 1:3. Luk. 3:4. Joh. 1:23.
Beter: Er is een stem des roependen: Bereidt in de woestijn den weg des Heren, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God! Wie de roeper is, wordt hier niet gezegd. Hij is als de voorloper van den groten koning, die er voor zorg draagt, dat de koning, zonder stoornis en altijd door, den weg door de woestijn kan betreden, de baan kan gaan door de wildernis. De koning is hier de HEERE, die door de woestijn tot zijn volk in de ballingschap komt om het uit Babel te halen. Gelijk voor het oude Israël de woestijn lag tussen Egypte en Kanaän, zo lag ook woest Arabië, de woestijn van Arabië, tussen Kanaän en Babel. Edoch er ligt meer dan een letterlijke, er ligt een geestelijke betekenis in deze woorden. God, geopenbaard in het vlees, zou tot Zijn volk komen, om het niet alleen uit de vleselijke ballingschap, maar ook uit de geestelijke ballingschap te verlossen. De grote Koning, door Zijn heraut voorafgegaan, zou zich straks in zijn genade en verlossing openbaren aan Zijn geestelijk Israël.
Alle dalen, die zich op dezen weg door de woestijn bevinden en Zijnen grootsen optocht in den weg staan, zullen verhoord worden, tot effene vlakten worden opgevuld, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden, en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot ene vallei gemaakt worden. De opwekking, geestelijk verstaan, is tot opbeuring der nederslagenen, tot verootmoediging der eigengerechtigen en gerusten, verandering van onredelijkheid in oprechtheid, en van ongenaakbaren trots in overgave. De dalen vertonen ons boetvaardige mensen, deze zouden verhoogd, dat is vertroost, van hun ontmoedigende bekommeringen ontheven en tot voorwerpen van Gods bijzondere gunst gesteld worden. Bergen en heuvelen daarentegen zijn hoogmoedige mensen, die op hun verdiensten en voorrechten vertrouwen, deze zouden vernederd, van hun valse gronden afgetrokken en verootmoedigd worden, of zo blijvende uit de Goddelijke gunst worden uitgesloten. Het kromme en het hobbelachtige schildert ons de valse leer, welke ten tijde van Johannes den Doper door de wetgeleerden werd gepredikt; deze was enen krommen en hobbelachtigen weg gelijk, voor zo ver het ware onder het valse vermengd was, maar hij zou recht en tot ene vallei gemaakt, dat is van alle dwalingen en menselijke inzettingen gezuiverd worden. Onze harten te hoog verheven en verhovaardigd op eigen werk of gerechtigheid, moeten door de genade van God verootmoedigd worden en erkennen, dat we niet zijn dan door die genade, en met dezelve ook alles vermogen, doch zonder dezelve ellendig, arm, blind en naakt zouden zijn. Dezulken daarentegen, wier zielen als kwijnende door verlegenheid en wanhoop, zijn de dalen, die verhoogd moeten worden en opgebeurd, om van Gods liefde alles te hopen, als zij maar in den weg des Heren rustig blijven voortgaan, zonder moede of mat te worden.
En a) de heerlijkheid des HEREN zal in Zijne zichtbare nederdaling geopenbaard worden; en niet alleen Israël, waarvoor in de eerste plaats deze verschijning van de heerlijkheid des groten Gods is, maar alle vlees tegelijk, de gehele mensheid op aarde, zal zien, zal uit de daadzakelijke vervulling van hetgeen zo even gezegd is gewaar worden, dat het de mond des HEREN gesproken heeft, dat dit woord der belofte een woord van den genadigen God zelven, en gene hoogdravende, door eigen geest ingegevene gedachte eens mensen is.
Joh. 1:14. Het bereiden van den weg is reeds de aanvang van het komen van den Koning. De baan recht te maken is ene onmisbare voorwaarde, dat de Heere zelf komt, ingaat en blijft, is vrije genade en nieuwe gave. Op die wijze is in de zeven honderd jaren tussen het uitspreken van deze profetie en het komen van Christus op aarde de weg bereid geworden, en wie weet wat in de laatste achttien eeuwen geschied is? Alle verandering, die in de ontwikkeling der rijken dezer wereld plaats grijpt, elke vooruitgang en achteruitgang, met één woord alles moet dienen om Zijne wederkomst voor te bereiden. Al wat hoog en al wat nederig is moet geëffend, alle dalen moeten verhoogd en alle bergen vernederd worden. Wat waarheid is voor grote volken blijft waarheid ook voor elke ziel. Bergen van hoogmoed en dalen van wantrouwen en moedeloosheid, veelal gescheiden, veelal in hetzelfde hart verbonden, moeten verdwijnen en den Heere moet een weg worden gebaand. Het duurt lang in elke ziel, het duurt zeer lang, eer alle vlees zien zal, “dat de mond des Heren gesproken heeft. ” Gewonnen en overwonnen wordt alles, niet door wonderen of andere openbaringen der macht, maar door het woord des Heren. Zien zal alle vlees, dat zij niet slechts de stem des roependen hebben gehoord maar dat de mond des Heren zelf openlijk tot hen gesproken heeft. “Alle vlees” wil zeggen: alle volken, de gehele wereld; ook de Heilige Geest zou uitgegoten worden op alle vlees. Dit alles ziet en wijst heen naar dien tijd, waarin vervuld zal worden wat de Serafijnen uitriepen in het tempelgezicht van Jesaja: “De ganse aarde is van Zijne heerlijkheid vol!” Met Christus komst op aarde begon die bedeling, waarin alle Gods beloften hare vervulling zullen ontvangen. Wanneer wij den stillen maar geweldigen gang des Heren door de wereldgeschiedenis met opmerkzame blikken gadeslaan, dan zien wij wel, hoe voor Zijne schreden zich dalen verheffen en bergen neerzinken, hoe steile hellingen tot effen banen worden en rotsen tot vlakten. Vrezen wij niet door de woestijn des levens te trekken, wanneer God met ons is; het is ene wandeling op lieflijke, op effen paden! .
Moge het ook nog lang duren, voordat het gezegde geschiedt, het zal toch zeker vervuld worden. Luistert: Ene stem, namelijk die van den Heere zelven, zegt: Roep! En hij, tot wie de Heere die oproeping richt een persoon, dien de profeet als in een visioen voor zich heeft zegt: Wat zal ik roepen? Des Heren antwoord luidt: Dit is het, wat gij moet prediken: a) Alle vlees, alles, wat mens heet, alles wat in het vlees leeft, in deze beperkte, machteloze mensen-natuur, is, wat zijn bestaan aangaat, niets meer dan gras 1), en al zijne goedertierenheid 2), zijne heerlijkheid, wat het schoonste schijnt en het meeste belooft, is toch slechts, ondanks alle schijnbare grootheid en voortreflijkheid, als ene bloem des velds, die wel iets meer is dan gewoon gras, maar desniettemin tot dezelfde soort behoort en hetzelfde lot daarmee deelt.
Job 14:2. Ps. 90:5, 6; 102:12; 103:15. 1 Petrus 1:24.
Alle macht des vlezes, hoe geweldig zij ook te voorschijn treedt, is ten laatste aan het gericht des woords, dat geest en waarheid Gods is, onderworpen.
Beter: Zijne heerlijkheid of bevalligheid. De Profeet vestigt het oog des volks op de grote tegenstelling tussen God en Zijn woord en den mens, ook den meest aanzienlijken, ook den meest heerlijken. Tegen de nietigheid van den mens stelt de Profeet in vs. 9 de vastheid van het Woord Gods. Nog wordt Israël verdrukt, nog heersen machtigen en aanzienlijken over het volk der ballingschap, maar straks zal de dood hen wegmaaien, zodat zij voor anderen moeten plaats maken, maar Israël heeft, te midden van zijn ellende, de belofte Gods en de toezegging van Zijn verbond. Daarop kan Israël staat maken en dit Woord zal bevestigd worden. Uit de ellende en verdrukking zal het volk worden verlost.
Het gras verdort, de bloem valt af, nadat zij korten tijd, de eerste in frisheid, de tweede in bloei, hebben gestaan; als de Geest des HEREN, die, even als Hij de natuurlijke wereld tot aan zijn heeft geroepen (Gen. 1:2), zo nu ook verder haar bestuurt, en nu eens weldoende en onderhoudende, dan eens verdervende en verwoestende Zich openbaart, daarin blaast, als een verzengende oostenwind 1) (Gen. 41:6, (Ezechiël. 17:10. Hos. 13:15), dan zijn ze niet meer; voorwaar het volk der gehele aarde, al wat vlees of mens heet (vs. 6) is gras.
Ons gras ziet er in de lente fris, in den zomer weelderig en in den herfst dor en geelachtig uit, maar het blijft onder alle omstandigheden gras. In Palestina groeit het gras slechts zo lang, als de grond door winter-regen bevochtigd wordt. Reist men in de lente door zulke oorden, dan kan men zich in weelderigen wasdom en menigte van bloemen verheugen; het gehele land schijnt dan den reiziger toe te roepen: “Zie ons aan, en zeg, of wij, heuvelen en delen, niet, gelijk de Schrift zegt, een land vol melk en honing zijn?” Maar nauwelijks zijn de late regens voorbij en de lentestormen gedaan, of de hoge zon verschroeit gras en bloemen, de verzengende zuidoostenwinden waaien uit de woestijn, en de reiziger, die heden over een groen en bont tapijt van gras en bloemen rijdt, ontdekt drie weken later geen grashalmpje meer; alle plantengroei is verbrand; en heeft in den tussentijd de Sirocco met kracht gewaaid, dan is ook het tot hooi verdroogde gras verre weggeveegd, zodat de aardkost in vuil geel koper schijnt veranderd te zijn.
Het gras, zowel in eigenlijken als in oneigenlijken zin (vs. 7) verdort, de bloem valt af, terwijl het ene geslacht na het andere wegsterft, en de ene grootheid na de andere onder de mensenkinderen in het stof zinkt; maar het a) woord onzes Gods, die aan ons, Zijn uit alle vlees verkoren volk (Deut. 7:6) zo grote beloften heeft geschonken, bestaat, gelijk Hij zelf (Ps. 92:9; 102:13, 27) in der eeuwigheid, door alle tijden heen wordt het vervuld en aan het einde van den tijd zal het zich in zijne volle heerlijkheid openbaren.
1 Petrus 1:25. Heeft Gods woord in ‘t algemeen eeuwig bestaan, zo in ‘t bijzonder het woord van de verschijning van God, den Verlosser, het Woord, waarin alle woord Gods Ja en Amen wordt. De onvergankelijkheid van dit Woord nu heeft de vergankelijkheid van alle vlees en van diens schoonheid tot zijn donkeren grondslag. Sterflijk zijn Israël’s verdrukkers, en hun goedertierenheid, waardoor zij indruk maken en omkopen, is vergankelijk; maar het Woord Gods, waarmee Israël zich mag vertroosten, houdt stand en verzekert het een heerlijk uiteinde zijner geschiedenis. Het Woord Gods, de heerlijkheid des Heren, het Evangelie aan ons geopenbaard en door ons aangenomen zal eeuwiglijk duren en daardoor zal de gelovige altijd met terugstelling van allen aardsen troost leven als bij een onvergankelijk zaad, waardoor zij wedergeboren is. Wij moeten dus, om wel bereid te wezen voor des Heren weg, overtuigd worden van de ijdelheden van alle schepselen, die aan het licht verdorrende gras gelijk zijn, want wij zelf zijn zodanig en dus kunnen wij ons zelven niet helpen en alle onze vrienden zijn van gelijke soort en kunnen ons dus mede niet helpen. Al het schone der schepselen, hetwelk hen beminnelijk maakt, is maar als een bloem van het gras, die schielijk verflenst en hetwelk ons dus nooit bij God kan aanprijzen.
Verheug u, o volk van den Heere! reeds van wege de onveranderlijkheid der Goddelijke belofte; in Hem, die komt, alsof hij reeds ware verschenen. O Zion, gij, de moedergemeente, die tot eerste ervaring der genade geroepen zijt, en daarom ook tot Evangeliste voor de dochtergemeenten gesteld zijt, gij verkondigster van goede boodschap! klim op enen hogen berg, om van daar als van enen kansel de boodschap over het gehele land te verbreiden. O Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap! hef uwe stem op met macht, dat zij verre, zeer verre gehoord worde, hef ze op vol blij vertrouwen, vrees niet alsof het nog geen volkomen heil ware, dat gij te verkondigen hebt; zeg integendeel der steden van Juda, tot welke gij in betrekking staat als ene geestelijke moeder: Ziet, hier is uw God! 1) Hij heeft Zich, nadat Hij lang verre van u was, nu weer op nieuwe, veel heerlijker wijze, in uw midden geplaatst.
Zion en Jeruzalem worden hier aangesproken als verkondigsters van het Evangelie der redding en verlossing. Betreedt de Profeet in het volgende vers weer den weg der profetie, hier in dit vers spreekt hij de stad aan als stond hij midden in de volle openbaring des heils, alsof de dag der redding en der verlossing reeds is gekomen. Hij ziet den dag der tijdelijke en der eeuwige verlossing. Hij leeft als in de dagen, waarin de Heere God alleen op Zion en in Jeruzalem Zijn woning zal hebben, en daarom roept hij het uit, dat zij het aan de omliggende steden moeten verkondigen, dat zij niet moeten vrezen; hij ziet echter ook de dagen der geestelijke verlossing en daarom draagt hij de moedergemeente Jeruzalem op, om overal en in elke plaats het Evangelie der zaligheid te brengen.
Dat heil, dat Hij aanbrengt, is inderdaad volkomen en onbegrensd, Ziet, de Heere HEERE, de Albestuurder, Jehova zal komen tegen den sterke, 1) in de eigenschap van Hem, die alle macht heeft in hemel en op aarde, en Zijn arm zal heersen, en voortaan met almacht Zijn volk beschutten en behoeden, zodat gene klacht meer wordt gehoord als in Hoofdstuk 63:19; ziet, Zijn loon, waarmee Hij Zijn volk wil zegenen, omdat het zich tot Hem bekeerd heeft, is bij Hem, is in Zijne hand, om den Zijnen toe te delen, en Zijn arbeidsloon, waarmee Hij Israël voor al zijn lijden wil schadeloos stellen, is voor Zijn aangezicht; de vergelding ligt open, zodat ieder het mag nemen (Hoofdstuk 62:11).
In het Hebr. Bechazak. Beter: als een sterke, d. i. in de kracht, het wezen vertonende van een sterke. De Engelse vertaling heeft: Hij zal komen met een sterke hand. Luther: Hij komt geweldig. Deze vertaling past ook geheel in het verband van het tweede gedeelte, Zijn arm zal heersen, d. i. Zijn arm oefent voor Hem heerschappij uit. En het gevolg zal zijn, dat terwijl Hij het loon der vergelding toevoegt aan al Zijne tegenstanders en vijanden en aan de tegenstanders en vijanden Zijns volks, Hij het genade loon geeft aan al Zijne getrouwen. Ja, de Heere zal komen, om Satan te overwinnen, dezen zijn door te ontnemen, en waar de vijand woelt en werkt en belaagt, daar zal Hij, Jehova-Jezus, als een getrouw Herder zich betonen (vs. 11).
Hij, Jehova, zal a) Zijne kudde weiden gelijk een herder, nadat zij als het ware verlaten was en in den vreemde verstrooid. Hij zal ze leiden en hoeden, weiden en verplegen (Joh. 10:11 vv. (Ps. 23:1 vv.); Hij zal de herderlijke trouw jegens Zijn volk in zeer bijzondere voorzorg en hoede aan den dag leggen ten opzichte der zwakken. Hij zal de lammeren, die nog niet met gelijke schreden de kudde konden volgen, in Zijne armen vergaderen, en in Zijnen schoot dragen, opdat zij niet omkomen, de zogenden, die bijzondere zorg nodig hebben, zal Hij overeenkomstig hun behoefte b) zachtjes leiden; bij het voortdrijven der kudde zal Hij Zich naar deze richten, zodat zij zich niet hebben te overhaasten. (Gen. 33:13).
(Ezechiël. 34:23, 24. Mich. 7:14. Joh. 10:11. b) Jes. 49:10. De tedere liefde en hoede Gods kan niet treffender en troostelijker worden voorgesteld, dan onder het beeld van een herder. “De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. ” (Ps. 23:1), luidt het lied der stil-vergenoegde overgave des vromen in de Vaderarmen des Albestuurders. En geen naam is voor ons welluidender, dan die, welken Hij Zich gegeven heeft, die met den staf der liefde de Zijnen in de groene dreven des geloofs weidt, wanneer Hij zegt: “Ik ben de goede Herder” (Joh. 10:11). Dezelfde koning, die met een sterke hand als een volstrekt Vorst en Prins regeert, leidt en voert al zijn volk met de vriendelijke hand eens welverzorgenden herders. Hij houdt het opzicht over Zijne kleine kudde en weidt ze met alle wijsheid en voorzichtigheid. Zijn Woord is het voedsel voor Zijn kudde om op te azen, en Zijne instellingen zijn de weiden om er in te grazen.
Wie heeft de gehele massa der wateren met Zijne vuist, alleen met de holte der hand, gemeten? en van de gehele onmetelijke ruimte der hemelen met de span Zijner vingeren de maat genomen? en heeft met enen drieling (een derde van ene efa: (Exod. 16:36) het stof der aarde begrepen? en de bergen gewogen in ene waag, en de heuvelen in ene weegschaal? 1) Wie heeft het heelal in zulk ene wonderbare orde geformeerd, dat alles als het ware afgemeten, afgepast en afgewogen is? Dat doet Hij, wiens macht en grootheid zo oneindig is, dat al het grote en verhevene in de wereld bij Hem klein is en gering.
De bedoeling van den vrager is niet, dat op al die vragen het antwoord van iemand onder de mensen wordt gegeven, maar dat de toehoorder besluite van de kleinheid van het schepsel tot de grootheid van den Schepper. Wat kunnen wij met onze vuist houden, wat met ons vingeren meten, wat met een derde van een efa? En toch, wat de Heere afmeet met Zijn hand, en met Zijn vinger, is niet minder dan al wat bestaat en al wat Hij uit het niet te voorschijn heeft geroepen. Dit wil de Profeet hebben dat men verstaan zal.
En gelijk Hij zo oneindig in macht en grootheid is, zo is Hij het ook in wijsheid. Wie heeft den Geest des HEREN 1) bestierd, Hem onderricht, wat Hij moest besluiten en hoe hij het moest volbrengen, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen bij Zijn werken in den hemel en op aarde (Rom. 11:34. 1 Kor. 2:16
De Geest des Heren is hier de Geest die daar zweefde over de wateren, die daar broedde op den chaos, en er leven in bracht. De derde Persoon van het Hoogheilig Wezen Gods. Wijst de Profeet in het vorige vere op de Almacht Gods, hier en in het volgende op Zijne Wijsheid.
Met wie heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, in moeilijke gevallen met goeden raad ter hulpe zou komen, en Hem zou leren van het pad des rechts, hoe Hij als Rechter der gehele wereld (Gen. 18:25) Zich moest gedragen? en Hem wetenschap zou leren, om in alle zaken recht te handelen, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands, 1) Hem aanwijzingen zou geven tot zoveel wonderbare kennis als in al Zijne werken doorstraalt?
Zijne Wijsheid is ondoorgrondelijk en geen schepsel kan iets aan dezelve onderrichten of helpen besturen. Gelijk niemand kan doen, hetgeen God gedaan heeft en nog doet, zo kan niemand Hem bijstaan in iets te verrichten, of in iets aan de hand te geven, waarop Hij niet dacht. Als de Heere door Zijne Geest de wereld had geschapen, zo was er niemand, die Zijn Geest bestuurde, of hem enigen raad gaf, om dus of anders te handelen. In het bestuur der wereld heeft hij niemands overleg of aanwijzing van node. Hij weet volmaaktelijk wat er gedaan is, en wat er nog te doen staat, want Hij is bewust van het rechte einde en de gepaste middelen. Hier wordt te dezer plaatse zeer op gedrongen, naardien de arme gevangenen niemand hadden, die hun belangen ten Hove konden voorstaan, of hen op den weg helpen ter bereiking hunner vrijheid. Dan zij behoefden dus niet verlegen te staan. Zij hadden een God, die geen staats- noch krijgslieden behoefde, die de paden des rechts volmaaktelijk kende, zowel als den weg van het veelvoudig verstand, en dit heeft Hij ook vooral getoond, in het werk onzer verlossing uit de gevangenis van Satan en de wereld, door Zijn Zoon Jezus Christus, die Zijne Wijsheid is en Zijne kracht (1 Kor. 2:7).
Wat zijn toch bij dezen onmetelijken en ondoorgrondelijken God, dien een mens noch nameten kan, wat Hij bij de wereldschepping heeft afgemeten, noch vóórzeggen, wat Hij verder bij het regeren der wereld te doen heeft, alle volkeren in hun vermeende grootheid en trotse heerlijkheid! Ziet, de volken, de heidenen, die in hun ontelbare menigte zo machtig, en wegens de rol, die zij in de wereldgeschiedenis spelen, zich zelven zo gewichtig voorkomen, zijn geacht bij Hem als een druppel van enen emmer, die daarin overblijft, wanneer men den inhoud van dezen uitgiet; wie telt zulk een waterdruppel? en als een stofje van de weegschaal-wanneer men daarop heeft gewogen, wie denkt dan daaraan? Ziet, Hij werpt de eilanden, de verschillende landen en delen der aarde, op welke de volken verstrooid zijn, henen als dun stof, zodat zij, gelijk stofjes in de lucht zweven, zo ook te midden der watermassa zijn! Al de volkeren der aarde zijn in vergelijking met Gods macht, slechts als een droppel water, die licht vervliegt en als een stofje, dat met de minste ademing van den wind wordt weggeblazen. In dit vers wordt het Albestuur Gods geschetst. Aan Hem het regiment over al wat bestaat, en zo verheven en hoog is dit regiment, dat de volken, op zich zelve zo gewichtig bij Hem vergeleken niet meer zijn dan een druppel in den emmer, of een stofje aan de weegschaal. Ja, evenmin als één druppel meetelt in een emmer en één zandkorrel in de weegschaal, wat de zwaarte betreft, evenmin verminderen of vermeerderen alle volken te samen den last en de zwaarte van Zijn regiment. In het volgende vers, een tussenzin, wordt gesproken over Zijne Algenoegzaamheid. Hij is de algenoegzame in Zich zelven. Hij behoeft van mensenkinderen niet gediend te worden als iets behoevende. Al was de Libanon één altaar en al de bomen gebruikt tot brandhout, en al de dieren tot brandoffer, zo zou men God toch niet daarmee kunnen dienen, als iets behoevende, toch zou zulk een dienst, zulk een verheerlijken Zijne ere niet vermeerderen. Met vs. 16 gaat de Profeet weer terug tot het uitspreken van de hoogverhevenheid Gods boven de volken.
En de Libanon met den onmetelijken overvloed van zijn hout, is niet genoegzaam om te branden, om dezen God naar behoren te eren, en zijn gedierte is al te zamen niet genoegzaam ten brandoffer, wanneer dezen God een offer moest gebracht worden, overeenkomstig Zijne grootheid en verhevenheid. Er is ten aanzien der taal in ‘t Oude Testament niets volkomener, niets duidelijker dan de trilogie (drie derde delen) der Jesajaanse redenen in Hoofdstuk 40-66. In Hoofdstuk 1-39 is de taal van den profeet bepaald meer gedrongen, meer lapidarisch (meer afgekort, naar de wijze van het steenschrift), meer plastisch (beeldrijker), hoewel ook daar reeds zijn stijl in alle kleuren afwisselt. Doch hier, waar hij niet meer op den bodem van het tegenwoordige staat, maar in de verre toekomst als in zijn vaderland verplaatst is, heeft ook de taal het karakter van het ideale en om zo te spreken etherische. Zij is tot een breden, helderen, lichten stroom geworden, die ons op majestueuze, maar zachte en doorzichtige golven als in de toekomst verplaatst. Geweldiger offer heeft nog gene fantasie verdicht. De prachtige Libanon het altaar, in den onmetelijken tempel der natuur-alle zijne heerlijke cederen, tot hout voor ‘t vuur-en alle dieren zijns wouds het offer! .
Alle volken zijn als niets voor Hem, zij zijn als een enkele in den emmer achtergeblevene droppel (vs. 15), en zij, worden bij Hem geacht, als een stofje in de weegschaal. Ja minder dan a) niet en ijdelheid. 1)
Dan. 4:35.
Dit vergroot en verheerlijkt Gods liefde jegens het mensdom, dat Hij, hoe gering het altoos in zich zelven en hoe verachtelijk het in Zijne ogen somwijlen is, nochtans gedachten van vrede jegens hetzelve gevormd, en voor hetzelve, om het uit de zonde en uit den dood te redden, Zijn eniggeboren, enigen en lieven Schootzoon geschonken en ten offer overgegeven heeft. (Joh 3:16) .
a) Bij wie dan zult gij, o huis Israël’s! die u door de gewaande heerlijkheid der heidenen zozeer tot valse bewondering laat vervoeren en door hun voorbeeld laat verleiden, den boven al het geschapene en boven al die heerlijkheid hoog verhevenen God vergelijken? of wat gelijkenis, die werkelijk Zijne grootheid nabij kwam, die gene verlaging voor Hem zou zijn, zult gij op Hem toepassen?
Jes. 46:5. Hand. 17:29.
1) Het duidelijkst zien wij dat vernederende, wanneer men het gehele ontstaan van dergelijke beelden of gelijkenissen, als de heidenen hebben, zich levendig voorstelt. De werkmeester, wie iemand de vervaardiging van enen afgod opdraagt, giet een beeld naar de gedaante eens mensen, die zelf niets is bij God, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet ter bevestiging aan den wand er zilveren ketenen toe; dan is zijn god gereed-inderdaad minder dan niets, zoveel minder als het maaksel minder is dan die het gemaakt heeft.
In vs. 19 en 20 wordt door den Profeet gewezen op het onmogelijke om den Heere God met iets of met iemand te vergelijken. Hij vraagt dan hier, heilig ironisch, bij een beeld? Maar immers wil hij zeggen, indien iemand rijk is, laat hij een beeld maken van edel metaal, en is bij arm dan van hout. Is dan de god van den rijke zo veel edeler dan die van den arme? Heeft dan de rijke een anderen God als de arme? O, dwaasheid, al te dwaas! De Profeet zal nu in de volgende verzen zeggen wie God is, hoe majestueus machtig Hij is, hoe diep wijs!
Die verarmd is, die uit armoede niet zulk een rijk beeld kan laten maken, omdat hij niet rijke gaven te offeren heeft, die kiest, tot voorstelling van zijnen god, een hout uit, dat niet verrotte, dat nog onaangetast, nog gezond is; hij zoekt, al het mogelijke in zijne dwaasheid aan ene nutteloze zaak verkwistende, zich enen wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat van onderen gelijk gemaakt en zwaarder dan boven, niet wankele, vaststa, niet bij elke stoot neervalle.
Weet gij, huis Israël’s, dat naar den afgodendienst overhelt, als voor ene voor u aannemelijke wijze van Godsverering, weet gijlieden niet reeds door gewoon nadenken, dat toch Gods Wezen boven al het natuurlijke hoog verheven is, en door geen schepsel is na te maken (Ps. 19:2 vv. Rom. 1:20)? hoort gij niet wat de natuurlijke openbaring in Gods woord van Hem getuigt? is het u van den beginne van uw volksbestaan aan niet bekend gemaakt, hoe Hij wil woorden aangebeden en verheerlijkt? hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet, hoe daarop geschreven staat, wie ze uit het niet heeft te voorschijn geroepen en wie de Werker is der daarin aanwezige krachten?
Welaan! Ik wil trachten u een beeld van Hem te geven, zo als het werk der schepping en het Woord Zijner openbaring in Zijne betrekking tot de wereld Hem beschrijven. Hij is het, die daar op enen hogen en verhevenen troon (Hoofdstuk 6:1) zit boven den kloot der aarde, boven de ronde vlakte, waarmee de aarde als overwelfd (Hebr. : cirkelvlak, het rond); en hare inwoners, de mensenkinderen, zijn als sprinkhanen in Zijne ogen, wanneer Hij van Zijne onmetelijke hoogte op hen neerziet (Num. 13:33); Hij is het, die de hemelen, den fijnen ether boven ons, uitspant als enen dunnen doek, en breidt ze uit als ene tent, om te bewonen 1) (Hoofdstuk 42:5; 44:24; (Ps. 104:2. Job 9:8).
Hij, die in het bijzonder Zijnen zetel in de wereld, boven ons geplaatst heeft, heerst toch over deze lagere wereld, aan welke Hij wetten geeft en welker bewegingen Hij te Zijner eer schikt, en dus zit Hij onverwrikbaar als een Regeerder op Zijn troon, vanwaar Hij de aarde bevestigt, dat ze niet wankele in hare bewegingen. Hij breidt de hemelen uit, of houdt ze, door Zijne voorzienigheid uitgestrekt, totdat de dag zal komen, wanneer Hij ze als een gordijn, of als een tapijt zal ineen rollen, terwijl die nu nog, als een paviljoen of als een tent over de aarde henen getrokken zijnde, nu eens een glansvollen lichthemel, verguld door de blinkende stralen der zon, dan eens een blinkenden sterrenhemel, verlicht door de zilveren maan, aan de inwoners der aarde ten toon spreidt.
Men herinnere zich hier de beroemde plaats uit den brief van Luther aan den Saksischen kanselier Dr. G. Brück van het jaar 1530. Ik heb onlangs twee wonderen gezien, het eerste, toen ik uit mijn venster de sterren zag aan den hemel en het ganse schone gewelf Gods. Ik zag nergens pilaren, waarop de Meester zijn gewelf zou gezet hebben, en toch viel de hemel niet in en staat het gewelf vast. Nu zijn er sommigen, die zulke pilaren zoeken, en zij zouden die gaarne tasten en voelen; omdat zij dit niet kunnen vrezen en sidderen zij, alsof de hemel zeker zou invallen.
Die de a) vorsten, de bezitters van de grootste macht en den meesten invloed onder de mensen, te niet maakt, aan den ondergang overgeeft; de richters der aarde, die de hoogste macht in regeringszaken bezitten, maakt Hij tot ijdelheid (woordelijk tot tohoe, woest (Gen. 1:2).
Job 12:21 vv. Ps. 107:40.
Ja zij, die vorsten en richters, worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; of ook als Hij op hen blazen zal, enige noodlottige gebeurtenis over hen laat komen, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen met het grootste gemak en geheel en al als enen stoppel wegnemen. God roeit hen zodanig uit, dat niemand van hun nakroost overig blijft, of immer weer den troon beklimt, alle hoop op herstel wordt voor zulke vorsten en hun nazaten voor altoos afgesneden. Het kost den Almachtige gene moeite om de grootste vorsten op het onverwachts te vernederen. Met een enkel geblaas Zijner gramschap zijn zij verdorven, even als de hete Oostenwind de planten verzengt. Hiermede wijst de Profeet op de nietigheid van het schepsel, ook van den machtigste. Hij vergelijkt ze met bomen, en zegt nu, want dit is de betekenis, nauwelijks zijn zij geplaatst of geplant, en hebben zij hun wortelen in de aarde geslagen, of een enkele aanblazing van den Allerhoogste doet hen reeds verdorren en een enkele stormvlaag neemt hen weg, rukt hen omver, als een stoppel op het stoppelveld.
Bij wie dan zult gijlieden Mij, dezen zo hoog verhevenen en almachtigen God vergelijken, dien Ik gelijk zij? Staat niet integendeel alles diep beneden Mij? zegt de Heilige (Hoofdstuk 5:4).
Heft uwe ogen omhoog, en ziet den hemel boven u, zo ga ik, de profeet, in de rede des Heren voort (Deut. 11:14); merkt op wie deze dingen geschapen heeft, als zon, maan en sterren; die in getal hun heir voortbrengt, ze zaait in door mensen niet te tellen menigte, die, gelijk een krijgsheld zijn leger plaatst, Zijn sterrenheir des avonds aan de hemelvlakte uitspreidt. Het is God, die ze allen bij name roept, iedere ster kent Hij in ‘t bijzonder op t nauwkeurigst, en Hij gebiedt over deze als Heere (Ps. 147:4), van wege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist, 1) ieder staat ter bestemder tijd op de hem aangewezene plaats.
Duidelijk stelt de Profeet hier de hoge verhevenheid van den Heere God, tegenover het ijdele en nietige der afgoden. Van het schepsel voert hij hen af om hen op te leiden tot den Schepper.
Is het nu bij zulk ene verhevenheid, macht en grootheid van den levenden God ene grote dwaasheid en ene misdadige vernedering, wanneer men Hem op heidense wijze tot iets oneindigs maakt, zo is het ook ene ontering Zijner heerlijkheid, wanneer men in kleinmoedigheid vreest, en zich niet tot Hem in den geloven verheft. Waarom zegt gij dan, o Jakob! vol van zulke kleinmoedigheid en spreekt, o Israël! (Hoofdstuk 29:22) liever de ingevingen van het natuurlijk mensenhart (17:9) volgende, dan in de voetstappen van uwen vader wandelende (Gen. 32:28): mijn weg, die hier in de ballingschap zo moeilijk is, is voor den HEERE verborgen, is zo goed als aan Zijne kennis onttrokken, daar Hij zich daarom niet bekommert, en mijn recht, mijn goed recht tegenover mijne verdrukten, het gaat onopgemerkt van mijnen God, die Zich toch over mij moest ontfermen, voorbij, daar Hij volstrekt gene toebereidselen maakt, om mij van de overmacht der verdrukkers te bevrijden.
Op bestraffende wijze komt de Profeet hier het volk in de ballingschap tegen, hen bestraffende vanwege hun ongeloof en zonden. Israël’s volk meende dat God Zich aan hen niet liet gelegen liggen en daarom waren zij bekommerd. Zij dachten er niet om, dat de Heere hun Verbonds-God was, dat Hij niet verandert al verandert de mens ook duizendmaal. Hun oog was er voor gesloten, dat er geen bezwaren zo groot zijn, dat de Heere God ze niet uit den weg kan ruimen. De naam Jakob gaat hier den naam Israël vooraf, dewijl de Heere zijn volk bij hun voorvader wil bepalen, die eerst in den weg van worsteling en verootmoediging Israël werd.
Weet gij het niet? hebt gij niet reeds uit eigen dagelijks aanschouwen van de werken der schepping, waarvan ik vroeger sprak (vs. 21 en 26), geleerd, welk een God de Heere, uw God is? hebt gij niet uit de openbaring, die van ouds af tot u kwam, gehoord, hoe machtig groot Zijn vermogen is, dat de eeuwige, de nooit verouderde, Zich altijd gelijk blijvende (Gen. 21:33) God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, de gehele aarde met al wat daarop en daarboven is, van het ene einde tot het andere, en die daardoor Zich aanstonds als de oneindige en onbegrensde God heeft geopenbaard, noch moede, noch mat wordt? 1) Nooit ontbreekt het Hem aan kracht. Er is voor den kortzichtigen, zwakken mens a) gene doorgronding van Zijn verstand; het zijn dus alle slechts bijzondere bedoelingen en wegen, die op welvaart en zegen uitlopen, al heeft het ook uiterlijk den schijn, dat Hij niet helpen zou, omdat Hij toeft ter hulpe te komen.
Ps. 147:5.
Beter: dat de eeuwige God, de HEERE is de Schepper van de einden der aarde. Hij wordt niet moede of mat. Want de Profeet wijst juist het zuchtende volk er op, welk een God zij hebben. Hij, de eeuwige God, die van alle eeuwigheid is, is de HEERE, d. i. de onveranderlijke Verbonds-God, en die onveranderlijke Verbonds-God is de Schepper, die alles uit het niet heeft te voorschijn geroepen, en die Schepper is het, die moede noch mat wordt. Schep dan moed en troost, o gij volk dat nog in ellende verkeert. Klem u vast en houd u vast aan dien God. Heft uwe ogen op naar de eeuwige bergen van hulp en genade!
Daarom moet gij u, in plaats van tegen Hem te klagen, u integendeel door Hem laten sterken, opdat men Zijne wonderbare wegen vertrouwe, en daarbij is Hij toch zo bereidwillig voor allen, die zich biddend tot Hem wenden: Hij geeft den moede, die door lijden en strijd geheel zijn uitgeput kracht, zodat zij daaronder niet bezwijken, en Hij vermenigvuldigt de sterkte tot geduldig vaststaan en zegerijk overwinnen, dien, die in zich zelven gene krachten heeft. 1)
Hij geeft den zijnen sterkte en kracht, en helpt hen, door hen bekwaam te maken. Hij, die de sterke de alles vermogende God is, is dus de sterkte van Israël. Zulke, die hun zwakheid gevoelen en erkennen, en bij God alleen sterkte zoeken, handelen niet te vergeefs, en ondervinden wel ras Zijne ondersteunende hand, want als men zwak is in zich zelven is men sterk in den Heere.
De jongen, die nog in het volle bezit van hun eigene natuurlijke kracht zijn, zullen moede en mat worden, daar ook de grootste kracht door al te grote en al te lange inspanning ten ouder gaat, en de jongelingen zullen gewis vallen, wanneer hun een al te zware aanval op hunnen weg ontmoet.
Maar die den HEERE verwachten, en in geloof met Hem, de onuitputtelijke Levensbron, verbonden zijn, zullen uit Zijne volheid genade voor genade ontvangende, de kracht vernieuwen, wanneer die was uitgeput; zij zullen uit de donkere diepte van hun leed opvaren naar de hoogte van zegen met vleugelen, krachtig gelijk de arenden, bij wie na de kaalheid (Micha 1:16) nieuwe vederen groeien (Ps. 103:5); zij zullen, om ene andere gelijkenis te bezigen, in de loopbaan (1 Kor. 9:24 vv.) lopen en niet moede worden, hoe moeilijk hun weg ook is; zij zullen wandelen, steeds nader komende aan hun doel, en niet mat worden, daar het bij hen van kracht tot kracht voortgaat (Ps. 84:8). Het is bekend, dat het door Aug. Herm. Franke in de jaren 1698-1701 te Halle gestichte weeshuis van voren onder het beeld van den adelaar, die naar de zon opstijgt, het opschrift draagt: “die den Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. ” Hoeveel geloofsmoed en geduld vereist werd, om zulk een bouw te beginnen, voort te zetten en te voltooien, daarover heeft Franke zelf, door hevige aanvallen er toe genoodzaakt, bericht gegeven in zijn geschrift: “zegenrijke voetstappen van den nog levenden en werkenden, liefdevollen en getrouwen God. “. Laat ons waken tegen ongeloof, hovaardij en zelfvertrouwen. Indien wij in onze eigene kracht voortgaan, zullen wij verkwijnen en geheel neerzinken; maar, wachtende op den Heere, zullen wij uit zwakheid sterkte verkrijgen. Onze harten en onze verwachtingen in den hemel hebbende, zullen wij verhoren zijn boren alle moeilijkheden, en bekwaam zijn om voorwaarts te streven en te beantwoorden aan onze hoge roeping in Jezus Christus.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel