Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Ter zelfder tijdH6256, spreektH5002 de HEEREH3068, zal Ik allenH3605 geslachtenH4940 IsraelsH3478 tot een GodH430 zijn; en zij zullen Mij tot een volkH5971 zijn.
Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
KJV
At the same time,1
saith3
the LORD,4
will I be the God6
of all the families8
of Israel,9
and they shall be my people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: Het volkH5971 der overgeblevenenH8300 van het zwaardH2719 heeft genadeH2580 gevondenH4672 in de woestijnH4057, namelijk IsraelH3478, als Ik henengingH1980 om hem tot rustH7280 te brengen.
Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.
KJV
Thus saith2
the LORD,3
The people7
which were left8
of the sword9
found4
grace5
in the wilderness;6
even Israel,12
when I went10
to cause him to rest.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
De HEEREH3068 is mij verschenenH7200 van verreH7350 tijden! Ja, Ik heb u liefgehadH157 met een eeuwigeH5769 liefdeH160; daaromH3651 heb Ik u getrokkenH4900 met goedertierenheidH2617.
De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
KJV
The LORD2
hath appeared3
of old1
unto me, saying, Yea, I have loved7
thee with an everlasting6
love:5
therefore with lovingkindness11
have I drawn
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
Ik zal u weder bouwenH1129, en gij zult gebouwdH1129 worden, o jonkvrouwH1330 IsraelsH3478! gij zult weder versierdH5710 zijn met uw trommelenH8596, en uitgaanH3318 met den reiH4234 der spelendenH7832.
Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.
KJV
Again I will build2
thee, and thou shalt be built,3
O virgin4
of Israel:5
thou shalt again be adorned7
with thy tabrets,8
and shalt go forth9
in the dances10
of them that make merry.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Gij zult weder wijngaardenH3754 plantenH5193 op de bergenH2022 van SamariaH8111; de plantersH5193 zullen plantenH5193, en de vrucht genietenH2490.
Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
KJV
Thou shalt yet plant2
vines3
upon the mountains4
of Samaria:5
the planters6
shall plant,7
and shall eat them as common things.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
WantH3588 er zal een dagH3117 zijn, waarin de hoedersH5341 op EfraimsH669 gebergteH2022 zullen roepenH7121: MaaktH6965 ulieden op, en laat ons opgaanH5927 naar SionH6726, totH413 den HEEREH3068, onzen GodH430!
Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!
KJV
For there shall be2
a day,3
that the watchmen5
upon the mount6
Ephraim7
shall cry,4
Arise8
ye, and let us go up9
to Zion10
unto the LORD12
our God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
WantH3588 zoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: Roept luideH7442 over JakobH3290 met vreugdeH8057, en juichtH6670 vanwege het hoofdH7218 der heidenenH1471; doet het horenH8085, lofzingtH1984, en zegtH559: O HEEREH3068! behoudH3467 Uw volkH5971, het overblijfselH7611 van IsraelH3478.
Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.
KJV
For thus saith3
the LORD;4
Sing5
with gladness7
for Jacob,6
and shout8
among the chief9
of the nations:10
publish11
ye, praise12
ye, and say,13
O LORD,15
save14
thy people,17
the remnant19
of Israel.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
ZietH2005, Ik zal ze aanbrengenH935 uit het landH776 van het noordenH6828, en zal hen vergaderenH6908 van de zijdenH3411 der aardeH776; onder hen zullen zijn blindenH5787 en lammenH6455, zwangerenH2030 en barendenH3205 te zamenH3162; met een groteH1419 gemeenteH6951 zullen zij herwaartsH2008 wederkomenH7725.
Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
KJV
Behold, I will bring2
them from the north5
country,4
and gather6
them from the coasts7
of the earth,8
and with them the blind10
and the lame,11
the woman with child12
and her that travaileth with child13
together:14
a great16
company15
shall return
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij zullen komenH935 met geweenH1065, en met smekingenH8469 zal Ik hen voerenH2986; Ik zal hen leidenH3212 aanH413 de waterbekenH5158, in een rechtenH3477 wegH1870, waarin zij zich nietH3808 zullen stotenH3782; wantH3588 Ik ben IsraelH3478 tot een VaderH1, en EfraimH669 isH1961 Mijn eerstgeboreneH1060.
Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene.
KJV
They shall come2
with weeping,1
and with supplications3
will I lead4
them: I will cause them to walk5
by the rivers7
of waters8
in a straight10
way,9
wherein they shall not stumble:12
for I am a father17
to Israel,16
and Ephraim18
is my firstborn.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
HoortH8085 des HEERENH3068 woordH1697, gij heidenenH1471! en verkondigtH5046 in de eilandenH339, die verreH4801 zijn, en zegtH559: Hij, Die IsraelH3478 verstrooidH2219 heeft, zal hem weder vergaderenH6908, en hem bewarenH8104 als een herderH7462 zijn kuddeH5739.
Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
KJV
Hear1
the word2
of the LORD,3
O ye nations,4
and declare5
it in the isles6
afar off,7
and say,8
He that scattered9
Israel10
will gather11
him, and keep12
him, as a shepherd13
doth his flock.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
WantH3588 de HEEREH3068 heeft JakobH3290 vrijgekochtH6299, en Hij heeft hem verlostH1350 uit de handH3027 desgenen, die sterkerH2389 was dan hij.
Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.
KJV
For the LORD3
hath redeemed2
Jacob,5
and ransomed6
him from the hand7
of him that was stronger
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Dies zullen zij komenH935, en opH5921 de hoogteH4791 van SionH6726 juichenH7442, en toevloeienH5102 totH413 des HEERENH3068 goedH2898, tot het korenH1715, en tot den mostH8492, en tot de olieH3323, en tot de jongeH1121 schapenH6629 en runderenH1241; en hun zielH5315 zal zijn als een gewaterdeH7302 hofH1588, en zij zullen voortaanH3254 nietH3808 meerH5750 treurigH1669 zijn.
Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
KJV
Therefore they shall come1
and sing2
in the height3
of Zion,4
and shall flow together5
to the goodness7
of the LORD,8
for wheat,10
and for wine,12
and for oil,14
and for the young16
of the flock17
and of the herd:18
and their soul20
shall be as a watered22
garden;21
and they shall not sorrow25
any more
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Dan zal zich de jonkvrouwH1330 verblijdenH8055 in den reiH4234, daartoe de jongelingenH970 en oudenH2205 te zamenH3162; want Ik zal hunlieder rouwH60 in vrolijkheidH8342 veranderenH2015, en zal hen troostenH5162, en zal hen verblijdenH8055 naar hun droefenisH3015.
Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.
KJV
Then shall the virgin3
rejoice2
in the dance,4
both young men5
and old6
together:7
for I will turn8
their mourning9
into joy,10
and will comfort11
them, and make them rejoice12
from their sorrow.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
En Ik zal de zielH5315 der priesterenH3548 met vettigheidH1880 dronkenH7301 maken; en Mijn volkH5971 zal met Mijn goedH2898 verzadigdH7646 worden, spreektH5002 de HEEREH3068.
En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
KJV
And I will satiate1
the soul2
of the priests3
with fatness,4
and my people5
shall be satisfied8
with my goodness,7
saith9
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: Er is een stemH6963 gehoordH8085 in RamaH7414, een klageH5092, een zeer bitterH8563 geweenH1065; RachelH7354 weentH1058 overH5921 haar kinderenH1121; zij weigertH3985 zich te laten troostenH5162 overH5921 haar kinderenH1121, omdatH3588 zij nietH369 zijn.
Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
KJV
Thus saith2
the LORD;3
A voice4
was heard6
in Ramah,5
lamentation,7
and bitter9
weeping;8
Rahel10
weeping11
for her children13
refused14
to be comforted15
for her children,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068: BedwingH4513 uw stemH6963 van geweenH1065, en uw ogenH5869 van tranenH1832; wantH3588 er is loonH7939 voor uw arbeidH6468, spreektH5002 de HEEREH3068; want zij zullen uit des vijandsH341 landH776 wederkomenH7725.
Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.
KJV
Thus saith2
the LORD;3
Refrain4
thy voice5
from weeping,6
and thine eyes7
from tears:8
for thy work12
shall be10
rewarded,11
saith13
the LORD;14
and they shall come again15
from the land16
of the enemy.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En er is verwachtingH8615 voor uw nakomelingenH319, spreektH5002 de HEEREH3068; want uw kinderenH1121 zullen wederkomenH7725 tot hun landpaleH1366.
En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.
KJV
And there is1
hope2
in thine end,3
saith4
the LORD,5
that thy children7
shall come again6
to their own border.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Ik heb wel gehoordH8085, dat zich EfraimH669 beklaagtH5110, zeggende: Gij hebt mij getuchtigdH3256, en ik ben getuchtigdH3256 geworden als een ongewendH3808 kalfH5695. BekeerH7725 mij, zo zal ik bekeerdH7725 zijn, wantH3588 GijH859 zijt de HEEREH3068, mijn GodH430!
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!
KJV
I have surely1
heard2
Ephraim3
bemoaning4
himself thus; Thou hast chastised5
me, and I was chastised,6
as a bullock7
unaccustomed8
to the yoke: turn10
thou me, and I shall be turned;11
for thou art the LORD14
my God.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
Zekerlijk, nadatH310 ik bekeerdH7725 ben, heb ik berouwH5162 gehad, en nadatH310 ik mijzelven ben bekendH3045 gemaakt, heb ik opH5921 de heupH3409 gekloptH5606, ik ben beschaamdH954, ja, ook schaamroodH3637 geworden, omdatH3588 ik de smaadheidH2781 mijner jeugdH5271 gedragenH5375 heb.
Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
KJV
Surely after2
that I was turned,3
I repented;4
and after5
that I was instructed,6
I smote7
upon my thigh:9
I was ashamed,10
yea, even confounded,12
because I did bear14
the reproach15
of my youth.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Is niet EfraimH669 Mij een dierbareH3357 zoonH1121, is hij Mij niet een troetelkindH8191? WantH3588 sindsH1767 Ik tegen hem gesprokenH1696 heb, denkH2142 Ik nogH5750 ernstelijkH2142 aanH5921 hem; daaromH3651 rommeltH1993 Mijn ingewandH4578 over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijkH7355 ontfermenH7355, spreektH5002 de HEEREH3068.
Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.
KJV
Is Ephraim4
my dear2
son?1
is he a pleasant7
child?6
for since9
I spake10
against him, I do earnestly12
remember13
him still: therefore my bowels18
are troubled17
for him; I will surely20
have mercy21
upon him, saith22
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
RichtH5324 u merktekenenH6725 op, stelH7760 u spitse pilaren, zetH7896 uw hartH3820 op de baanH4546, op den wegH1870, dien gij gewandeldH1980 hebt; keer weder, o jonkvrouwH1330 IsraelsH3478, keer weder totH413 dezeH428 uw stedenH5892!
Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!
Ook in dit vers
pitse pilarenH8564
KJV
Set thee up1
waymarks,3
make4
thee high heaps:6
set7
thine heart8
toward the highway,9
even the way10
which thou wentest:11
turn again,12
O virgin13
of Israel,14
turn again15
to these thy cities.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Hoe langH4970 zult gij u onttrekkenH2559, gij afkerigeH7728 dochterH1323? WantH3588 de HEEREH3068 heeft wat nieuwsH2319 op de aardeH776 geschapenH1254: de vrouwH5347 zal den manH1397 omvangenH5437.
Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.
KJV
How long wilt thou go about,3
O thou backsliding5
daughter?4
for the LORD8
hath created7
a new thing9
in the earth,10
A woman11
shall compass12
a man.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068 der heirscharenH6635, de GodH430 IsraelsH3478: DitH2088 woordH1697 zullen zij nogH5750 zeggenH559 in het landH776 van JudaH3063, en in zijn stedenH5892, als Ik hun gevangenisH7622 wendenH7725 zal: De HEEREH3068 zegeneH1288 u, gij woningH5116 der gerechtigheidH6664, gij bergH2022 der heiligheidH6944!
Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!
KJV
Thus saith2
the LORD3
of hosts,4
the God5
of Israel;6
As yet they shall use8
this speech10
in the land12
of Judah13
and in the cities14
thereof, when I shall bring again15
their captivity;17
The LORD19
bless18
thee, O habitation20
of justice,21
and mountain22
of holiness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
En JudaH3063, mitsgaders alH3605 zijn stedenH5892, zullen te zamenH3162 daarin wonenH3427; de akkerliedenH406, en die met de kuddeH5739 reizenH5265.
En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.
KJV
And there shall dwell1
in Judah3
itself, and in all the cities5
thereof together,6
husbandmen,7
and they that go forth8
with flocks.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
25
WantH3588 Ik heb de vermoeideH5889 zielH5315 dronkenH7301 gemaakt, en Ik heb alleH3605 treurigeH1669 zielH5315 vervuldH4390.
Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
KJV
For I have satiated2
the weary4
soul,3
and I have replenished8
every sorrowful7
soul.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
26
(Hierop ontwaakteH6974 ik, en zagH7200 toe, en mijn slaapH8142 was mij zoetH6149.)
(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
KJV
Upon this I awaked,3
and beheld;4
and my sleep5
was sweet
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
27
ZietH2009, de dagenH3117 komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik het huisH1004 van IsraelH3478 en het huisH1004 van JudaH3063 bezaaienH2232 zal met zaadH2233 van mensenH120 en zaadH2233 van beestenH929.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.
KJV
Behold, the days2
come,3
saith4
the LORD,5
that I will sow6
the house8
of Israel9
and the house11
of Judah12
with the seed13
of man,14
and with the seed15
of beast.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
28
En het zal geschiedenH1961, gelijk als Ik overH5921 hen gewaaktH8245 heb, om uit te rukkenH5428, en af te brekenH5422, en te verstorenH2040, en te verdervenH6, en kwaadH7489 aan te doen; alzoH3651 zal Ik over hen wakenH8245, om te bouwenH1129 en te plantenH5193, spreektH5002 de HEEREH3068.
En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.
KJV
And it shall come to pass, that like as I have watched over3
them, to pluck up,5
and to break down,6
and to throw down,7
and to destroy,8
and to afflict;9
so will I watch over11
them, to build,13
and to plant,14
saith15
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
29
In die dagenH3117 zullen zijH1992 nietH3808 meerH5750 zeggenH559: De vadersH1 hebben onrijpe druivenH1155 gegetenH398, en der kinderenH1121 tandenH8127 zijn stompH6949 geworden.
In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.
KJV
In those days1
they shall say4
no more, The fathers6
have eaten7
a sour grape,8
and the children's10
teeth9
are set on edge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
30
MaarH3588 een iegelijk zal om zijn ongerechtigheidH5771 stervenH4191; een ieder mensH120, die de onrijpe druivenH1155 eetH398, zijn tandenH8127 zullen stompH6949 worden.
Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
KJV
But every one3
shall die5
for his own iniquity:4
every man7
that eateth8
the sour grape,9
his teeth11
shall be set on edge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
31
ZietH2009, de dagenH3117 komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat Ik metH854 het huisH1004 van IsraelH3478 en metH854 het huisH1004 van JudaH3063 een nieuwH2319 verbondH1285 zal maken;
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
KJV
Behold, the days2
come,3
saith4
the LORD,5
that I will make6
a new14
covenant13
with the house8
of Israel,9
and with the house11
of Judah:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
32
NietH3808 naar het verbondH1285, datH834 Ik metH854 hun vaderenH1 gemaakt heb, ten dageH3117 als Ik hun handH3027 aangreepH2388, om hen uit EgyptelandH776 uit te voerenH3318, welkH834 Mijn verbondH1285 zijH1992 vernietigdH6565 hebben, hoewel IkH595 hen getrouwdH1166 had, spreektH5002 de HEEREH3068;
Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;
KJV
Not according to the covenant2
that I made4
with their fathers6
in the day7
that I took8
them by the hand9
to bring them out10
of the land11
of Egypt;12
which my covenant17
they brake,15
although I was an husband19
unto them, saith21
the LORD:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
33
MaarH3588 ditH2063 is het verbondH1285, dat Ik naH310 die dagenH3117 metH854 het huisH1004 van IsraelH3478 maken zal, spreektH5002 de HEEREH3068: Ik zal Mijn wetH8451 in hun binnensteH7130 gevenH5414, en zal die in hun hartH3820 schrijvenH3789; en Ik zal hun tot een GodH430 zijn, en zij zullen Mij tot een volkH5971 zijn.
Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
KJV
But this shall be the covenant3
that I will make5
with the house7
of Israel;8
After9
those days,10
saith12
the LORD,13
I will put14
my law16
in their inward parts,17
and write20
it in their hearts;19
and will be their God,23
and they shall be my people.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
34
En zij zullen niet meerH5750, een iegelijk zijn naasteH7453, en een iegelijk zijn broederH251, lerenH3925, zeggendeH559: KentH3045 den HEEREH3068! wantH3588 zij zullen Mij allenH3605 kennenH3045, van hun kleinsteH6996 af totH5704 hun grootsteH1419 toe, spreektH5002 de HEEREH3068; wantH3588 Ik zal hun ongerechtigheidH5771 vergevenH5545, en hunner zondenH2403 nietH3808 meerH5750 gedenkenH2142.
En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.
KJV
And they shall teach2
no more every man4
his neighbour,6
and every man7
his brother,9
saying,10
Know11
the LORD:13
for they shall all know16
me, from the least18
of them unto the greatest20
of them, saith21
the LORD:22
for I will forgive24
their iniquity,25
and I will remember28
their sin
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
35
ZoH3541 zegtH559 de HEEREH3068, Die de zonH8121 ten lichteH216 geeftH5414 des daagsH3119, de ordeningenH2708 der maanH3394 en der sterrenH3556 ten lichteH216 des nachtsH3915, Die de zeeH3220 klieftH7280, dat haar golvenH1530 bruisenH1993, HEEREH3068 der heirscharenH6635 is Zijn NaamH8034:
Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:
KJV
Thus saith2
the LORD,3
which giveth4
the sun5
for a light6
by day,7
and the ordinances8
of the moon9
and of the stars10
for a light11
by night,12
which divideth13
the sea14
when the waves16
thereof roar;15
The LORD17
of hosts18
is his name:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
36
Indien dezeH428 ordeningenH2706 van voor Mijn aangezichtH6440 zullen wijkenH4185, spreektH5002 de HEEREH3068, zo zal ookH1571 het zaadH2233 IsraelsH3478 ophoudenH7673, dat het geen volkH1471 zijH1961 voor Mijn aangezichtH6440, alH3605 de dagenH3117.
Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.
KJV
If those ordinances3
depart2
from before5
me, saith6
the LORD,7
then the seed9
of Israel10
also shall cease11
from being a nation13
before14
me for ever.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
37
Zo zegtH559 de HEEREH3068: IndienH518 de hemelenH8064 daarboven gemetenH4058, en de fondamentenH4146 der aardeH776 benedenH4295 doorgrondH2713 kunnen worden, zo zal IkH589 ookH1571 het ganseH3605 zaadH2233 IsraelsH3478 verwerpenH3988, om allesH6213, watH834 zij gedaan hebben, spreektH5002 de HEEREH3068.
Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
KJV
Thus saith2
the LORD;3
If heaven6
above7
can be measured,5
and the foundations9
of the earth10
searched out8
beneath,11
I will also cast off14
all the seed16
of Israel17
for all that they have done,21
saith22
the LORD.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
38
ZietH2009, de dagenH3117 komenH935, spreektH5002 de HEEREH3068, dat deze stadH5892 den HEEREH3068 zal herbouwdH1129 worden, van den torenH4026 HananeelH2606 af tot aan de HoekpoortH8179.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.
KJV
Behold, the days2
come,3
saith4
the LORD,5
that the city7
shall be built6
to the LORD8
from the tower9
of Hananeel10
unto the gate11
of the corner.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
39
En het meetsnoerH4060 zal wijders nevens dezelve uitgaanH3318 tot aan den heuvelH1389 GarebH1619, en zich naar GoathH1601 omwendenH5437.
En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.
KJV
And the measuring4
line3
shall yet go forth1
over against it upon the hill7
Gareb,8
and shall compass about9
to Goath.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
40
En het ganseH3605 dalH6010 der dode lichamenH6297 en der asH1880, en alH3605 de veldenH7709 tot aanH5704 de beekH5158 KidronH6939, tot aanH5704 den hoekH6438 van de PaardenpoortH5483 tegen het oostenH4217, zal den HEEREH3068 een heiligheidH6944 zijn; er zal niets weder uitgeruktH5428, nochH3808 afgebrokenH2040 worden in eeuwigheidH5769.
En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.
KJV
And the whole valley2
of the dead bodies,3
and of the ashes,4
and all the fields6
unto the brook8
of Kidron,9
unto the corner11
of the horse13
gate12
toward the east,14
shall be holy15
unto the LORD;16
it shall not be plucked up,18
nor thrown down20
any more for ever.
God zijn;
Gelijk boven Jer. 30:22 , en onder vs.33, en Jer. 32:38 , enz.
Hertaald:
God zijn;
Zoals hierboven Jer. 30:22 en hieronder vers 33, en Jer. 32:38, enzovoort.
der overgeblevenen
Dat is, dat niet mede omgebracht was, zo van andere vijandelijke volken, als inzonderheid toen de Levieten door Gods last een grote menigte hunner broeders om de afgoderij, die zij met het gouden kalf hadden bedreven, met het zwaard doden. Zie Ex. 32:27-28 .
Hertaald:
der overgeblevenen
Dat is: wat niet mee omgebracht was, zowel door andere vijandige volken als in het bijzonder toen de Levieten op Gods bevel een grote menigte van hun broeders met het zwaard doodden vanwege de afgoderij die zij met het gouden kalf bedreven hadden. Zie Ex. 32:27-28.
genade gevonden
Om Mozes' voorbede, Ex. 32:30-31 , enz.; alzo [wil God zeggen] zullen nu ook de overgeblevenen van het zwaard der Babyloniërs genade vinden door den Messias, waarvan in het volgende.
Hertaald:
genade gevonden
Om de voorbede van Mozes, Ex. 32:30-31, enzovoort. Zo, wil God zeggen, zullen nu ook zij die het zwaard van de Babyloniërs ontkomen zijn genade vinden door de Messias, waarover in het vervolg.
hem tot rust te brengen
Om Israël in het land Kanaän te geleiden.
Hertaald:
hem tot rust te brengen
Om Israël naar het land Kanaän te leiden.
De HEERE is mij verschenen
Woorden der zwakgeloviven, die aldus tegenwerpen: Wel is waar dat God mij in voortijden zeer vriendelijk en weldadig geweest is, maar nu [willen zij zeggen] schijnt de liefde verkoud, of verminderd, veranderd te zijn. Hierop antwoordt God met de volgende woorden: Ja Ik heb, enz.
Hertaald:
De HEERE is mij verschenen
Woorden van de zwakgelovigen, die zo tegenwerpen: het is wel waar dat God mij in vroeger tijden zeer vriendelijk en weldadig geweest is, maar nu, zo willen zij zeggen, lijkt de liefde bekoeld, verminderd of veranderd te zijn. Daarop antwoordt God met de volgende woorden: ja, Ik heb, enzovoort.
verre tijden
Dat is, vanouds, in langverleden tijden. Sommigen nemen dit voor woorden der kerk, sprekende van God, en vullen den zin aan met het woord zeggende, aldus: De Heere is mij verschenen van verre tijden, [zeggende], enz.
Hertaald:
verre tijden
Dat is: van oudsher, in lang vervlogen tijden. Sommigen houden dit voor woorden van de kerk die over God spreekt, en vullen de zin aan met het woord zeggende: de HEERE is mij verschenen van verre tijden, zeggende, enzovoort.
u liefgehad
Te weten mijne kerk, Zion. Het woord staat in het vrouwelijk geslacht.
Hertaald:
u liefgehad
Namelijk: Mijn kerk, Sion. Het woord staat in het vrouwelijk.
eeuwige liefde;
Hebreeuws, liefde der eeuwigheid. Vergelijk Joh. 13:1 .
Hertaald:
eeuwige liefde;
Hebreeuws: liefde van de eeuwigheid. Vergelijk Joh. 13:1.
heb Ik u getrokken
Of, de goedertierenheid voortaan over u uitgestrekt, of vervolgd, of daarom vervolgd, of continueer Ik de goedertierenheid aan u, en zal bij u doen, gelijk volgt. Vergelijk Ps. 36:11 , en Ps. 85:8 ; Pred. 2:3 .
Hertaald:
heb Ik u getrokken
Of: daarom heb Ik de goedertierenheid voortaan over u uitgestrekt, of voortgezet; of: daarom zet Ik de goedertierenheid aan u voort en zal Ik bij u doen zoals volgt. Vergelijk Ps. 36:11 en Ps. 85:8, en Pred. 2:3.
trommelen,
Dat is, vreugde bedrijven, zulks te dien tijde alzo gebruikelijk was. Zie Ps. 68:26 , waardoor hier de geestelijke vreugde der kerk Gods bij den tijd van het Evangelie wordt afgebeeld; alzo in het volgende.
Hertaald:
trommelen,
Dat is: vreugde bedrijven, wat in die tijd zo gebruikelijk was. Zie Ps. 68:26. Daarmee wordt hier de geestelijke vreugde van de kerk van God in de tijd van het Evangelie afgebeeld; zo ook in het vervolg.
spelenden
Zie boven Jer. 30:19 .
Hertaald:
spelenden
Zie hierboven Jer. 30:19.
de vrucht genieten
Hebreeuws, ontheiligen; dat is, de vruchten vrijelijk gebruiken en eten; zie Deut. 20:6 .
Hertaald:
de vrucht genieten
Hebreeuws: ontheiligen — dat is: de vruchten vrij gebruiken en eten; zie Deut. 20:6.
dag zijn,
Dat is, een tijd der genade en vreugde.
Hertaald:
dag zijn,
Dat is: een tijd van genade en vreugde.
hoeders op Efraïms gebergte
De herders van Gods kerk, predikers van het Evangelie. Hebreeuws, nozerim, met welk woord sommigen menen dat God gezien heeft op den naam der Nazarenen, die men den Christenen gaf; Hand. 24:5 . Zie ook Num. 6:2 .
Hertaald:
hoeders op Efraïms gebergte
De herders van Gods kerk, de predikers van het Evangelie. Hebreeuws: nozerim; sommigen menen dat God met dat woord gezien heeft op de naam Nazarenen die men de christenen gaf, Hand. 24:5. Zie ook Num. 6:2.
roepen
Hebreeuws, hebben geroepen, of roepen; dat is, alsdan zullen roepen.
Hertaald:
roepen
Hebreeuws: hebben geroepen, of: roepen — dat is: zullen dan roepen.
laat ons opgaan naar Sion,
Vergelijk Jes. 2:2-3 ; Mi. 4:2 , met de aantekening.
Hertaald:
laat ons opgaan naar Sion,
Vergelijk Jes. 2:2-3 en Micha 4:2 met de aantekening.
Roept luide over Jakob
Of, zingt triomf, juicht.
Hertaald:
Roept luide over Jakob
Of: zingt triomf, juicht.
juicht
Het Hebreeuwse woord wordt eigenlijk gebruikt van het hunkeren, wensen en briesen der paarden, maar ook van mensen, hier en Est. 8:15 ; Jes. 10:30 , en Jes. 24:14 , betekenende een klare, heldere, vrolijke stem van zich te geven.
Hertaald:
juicht
Het Hebreeuwse woord wordt eigenlijk gebruikt voor het hinniken, verlangen en briesen van paarden, maar ook van mensen, hier en in Esth. 8:15, Jes. 10:30 en Jes. 24:14; het betekent dan: een heldere, klare, vrolijke stem laten horen.
vanwege het hoofd der heidenen;
Omdat de Joden onder het hoofd der heidenen, dat is de Babyloniërs, gevangen zijnde, evenwel zekerlijk zouden verlost en van het hoofd der heidenen niet ondergehouden kunnen worden. Anders: onder het hoofd, of onder de voornaamste heidenen, te weten in Babel en overal, waar de Joden onder den koning van Babel [die het hoofd der heidenen was] gevangen waren, gelijk wij allen geestelijk onder den satan, den prins der wereld en vorst der duisternis. Anders: in het voorste, vooraan; [dat is, op de kruiswegen, de ingangen en uitgangen der wegen, of straten, gelijk Spr. 1:20-21 ] , onder de heidenen; dat is, openlijk, in het openbaar, voor degenen, wien het heil des Heeren zal worden geopenbaard.
Hertaald:
vanwege het hoofd der heidenen;
Omdat de Joden, hoewel gevangen onder het hoofd van de heidenen — dat is: de Babyloniërs — toch zeker verlost zouden worden en door dat hoofd van de heidenen niet onderdrukt gehouden konden worden. Anders: onder het hoofd, of onder de voornaamste heidenen, namelijk in Babel en overal waar de Joden gevangen waren onder de koning van Babel, die het hoofd van de heidenen was — zoals wij allen geestelijk gevangen zijn onder de satan, de vorst van deze wereld en van de duisternis. Anders: vooraan, aan het begin, dat is: op de kruispunten, bij de in- en uitgangen van de wegen of straten, zoals in Spr. 1:20-21, onder de heidenen; dat is: openlijk, in het openbaar, voor hen aan wie het heil van de HEERE geopenbaard zal worden.
behoud Uw volk,
Of, verlost, maakt zalig.
Hertaald:
behoud Uw volk,
Of: verlost, maakt zalig.
overblijfsel van Israël
Vergelijk Rom. 9:27 .
Hertaald:
overblijfsel van Israël
Vergelijk Rom. 9:27.
noorden,
Dat is, Babel. Zie boven Jer. 1:14 , waar Juda gevangen was; afbeeldende de geestelijke gevangenis.
Hertaald:
noorden,
Dat is: Babel. Zie hierboven Jer. 1:14, waar Juda gevangen was; dat beeldt de geestelijke gevangenschap af.
zijden der aarde;
Dat is, de andere landen, waar de tien stammen gevangen waren, als Assyrië, Medië, enz.
Hertaald:
zijden der aarde;
Dat is: de andere landen waar de tien stammen gevangen waren, zoals Assyrië, Medië, enzovoort.
blinden en lammen,
Vergelijk Jes. 35:5-6 .
Hertaald:
blinden en lammen,
Vergelijk Jes. 35:5-6.
zwangeren en barenden te zamen;
Dat is, zelfs van de allerzwaksten zullen er optrekken van Babel lichamelijk, en versta dit wijders geestelijk, beladen met zonden en zeer zwak. Zie Matt. 11:28 .
Hertaald:
zwangeren en barenden te zamen;
Dat is: zelfs van de allerzwaksten zullen er lichamelijk uit Babel optrekken; en versta dit verder geestelijk: beladen met zonden en zeer zwak. Zie Matth. 11:28.
geween,
Over hunne zonden. Zie Matt. 3:6 ; Hand. 2:37 , enz.
Hertaald:
geween,
Over hun zonden. Zie Matth. 3:6 en Hand. 2:37, enzovoort.
smekingen
Of, biddingen om genade; te weten tot mij, om vergeving.
Hertaald:
smekingen
Of: smeekbeden om genade, namelijk tot Mij, om vergeving.
waterbeken,
Zie Matt. 5:6 ; Joh. 4:14 , enz. en Joh. 7:37 , enz., idem Ps. 23:2 .
Hertaald:
waterbeken,
Zie Matth. 5:6, Joh. 4:14, enzovoort, en Joh. 7:37, enzovoort, en ook Ps. 23:2.
rechten weg,
De zaligmakende leer van het Evangelie.
Hertaald:
rechten weg,
De zaligmakende leer van het Evangelie.
stoten;
Vergelijk Joh. 8:12 , en Joh. 12:35 .
Hertaald:
stoten;
Vergelijk Joh. 8:12 en Joh. 12:35.
eerstgeborene
Zie Ex. 4:22 .
Hertaald:
eerstgeborene
Zie Ex. 4:22.
die verre zijn,
Hebreeuws, van verre; vergelijk Spr. 7:19 .
Hertaald:
die verre zijn,
Hebreeuws: van verre; vergelijk Spr. 7:19.
hem weder vergaderen,
Israël.
Hertaald:
hem weder vergaderen,
Israël.
herder zijn kudde
Zie Joh. 10:11 .
Hertaald:
herder zijn kudde
Zie Joh. 10:11.
heeft Jakob
Dat is, Christus zal zijn volk zo zekerlijk verlossen alsof het alreeds geschied ware.
Hertaald:
heeft Jakob
Dat is: Christus zal Zijn volk even zeker verlossen alsof het al gebeurd was.
vrijgekocht,
Of, gerantsoeneerd.
Hertaald:
vrijgekocht,
Of: vrijgekocht met losgeld.
verlost
Of, gelost, gered.
Hertaald:
verlost
Of: gelost, gered.
sterker was dan hij
Te weten hunner vijanden, voornamelijk des duivels. Vergelijk Jes. 40:10 ; Matt. 12:29 ; Joh. 12:31 ; Kol. 2:15 ; Hebr. 2:14 ; 1 Joh. 3:8 .
Hertaald:
sterker was dan hij
Namelijk: van hun vijanden, en vooral van de duivel. Vergelijk Jes. 40:10, Matth. 12:29, Joh. 12:31, Kol. 2:15, Hebr. 2:14 en 1 Joh. 3:8.
hoogte van Sion juichen,
Te weten in den tempel; dat is, in de Christelijke kerk.
Hertaald:
hoogte van Sion juichen,
Namelijk: in de tempel — dat is: in de christelijke kerk.
toevloeien
Bij menigten, als waterstromen. Vergelijk Ps. 34:6 ; Jes. 2:2 ; Mi. 4:1 .
Hertaald:
toevloeien
Bij menigten, als waterstromen. Vergelijk Ps. 34:6, Jes. 2:2 en Micha 4:1.
goed,
Of, goedheid, alzo onder vs.14; dat is, de weldaden en gaven van den Heere Christus, die hier [gelijk elders dikwijls] door lichamelijke goederen en gaven worden afgebeeld.
Hertaald:
goed,
Of: goedheid, zo ook hieronder in vers 14 — dat is: de weldaden en gaven van de Heere Christus, die hier, zoals elders vaak, met lichamelijke goederen en gaven afgebeeld worden.
jonge schapen en runderen;
Hebreeuws, kinderen der schapen, of geiten, of van klein vee.
Hertaald:
jonge schapen en runderen;
Hebreeuws: jongen van schapen of geiten, of van kleinvee.
gewaterde hof,
Vervuld met geestelijke gaven en vertroostingen van den Heiligen Geest.
Hertaald:
gewaterde hof,
Vervuld met geestelijke gaven en vertroostingen van de Heilige Geest.
voortaan niet meer treurig zijn
Hebreeuws, zullen niet toedoen, of voortvaren meer, of voortgaan treurig te zijn; te weten uit mistroostigheid over hunne zonden.
Hertaald:
voortaan niet meer treurig zijn
Hebreeuws: zij zullen niet meer toedoen of voortgaan treurig te zijn, namelijk uit mistroostigheid over hun zonden.
jonkvrouw
Dat is, jonkvrouwen zullen, enz.
Hertaald:
jonkvrouw
Dat is: jonkvrouwen zullen, enzovoort.
den rei,
Zie boven vs.4.
Hertaald:
den rei,
Zie hierboven vers 4.
priesteren
Van de kerkedienaars. Vergelijk Jes. 66:21 .
Hertaald:
priesteren
Van de dienaars van de kerk. Vergelijk Jes. 66:21.
vettigheid dronken maken;
Dat is, geestelijke gaven; gelijk de priesters in het Oude Testament het schoon vet vlees van groot en klein geofferd vee plachten te ontvangen. Vergelijk de manier van spreken met Ps. 36:9 , en de aantekening.
Hertaald:
vettigheid dronken maken;
Dat is: met geestelijke gaven, zoals de priesters in het Oude Testament het mooie vette vlees van geofferd groot- en kleinvee plachten te ontvangen. Vergelijk deze manier van spreken met Ps. 36:9 en de aantekening.
zal met Mijn
Hebreeuws, zullen, enz.
Hertaald:
zal met Mijn
Hebreeuws: zullen, enzovoort.
goed verzadigd worden,
Gelijk boven vs.12.
Hertaald:
goed verzadigd worden,
Zoals hierboven vers 12.
Daar is een stem gehoord
Zie de voornaamste vervulling dezer profetie Matt. 2:16-18 . God wil zeggen dat de grote geestelijke vreugde over den Messias niet wezen zal zonder kruis, maar dat Hij zulks in vreugde weder zal veranderen, gelijk volgt.
Hertaald:
Daar is een stem gehoord
Zie de voornaamste vervulling van deze profetie in Matth. 2:16-18. God wil zeggen dat de grote geestelijke vreugde over de Messias niet zonder kruis zal zijn, maar dat Hij dat weer in vreugde zal veranderen, zoals volgt.
Rama,
Dat is, in de omstreken tussen Rama en Bethlehem, waar Rachel in barenspijn gestorven en begraven was; Gen. 35:16 , Gen. 35:19-20 ; 1 Sam. 10:2 . Van Rama, zie Joz. 18:21 , Joz. 18:25 ; 1 Sam. 1:1 , 1 Sam. 1:19 , en 1 Sam. 17:17 , en 1 Sam. 8:4 , enz., en 1 Sam. 25:1 , enz.
Hertaald:
Rama,
Dat is: in de omgeving tussen Rama en Bethlehem, waar Rachel in barensnood gestorven en begraven was; Gen. 35:16 en Gen. 35:19-20, en 1 Sam. 10:2. Over Rama, zie Joz. 18:21 en Joz. 18:25, 1 Sam. 1:1 en 1 Sam. 1:19, 1 Sam. 17:17, 1 Sam. 8:4, enzovoort, en 1 Sam. 25:1, enzovoort.
zeer bitter geween;
Hebreeuws, geween der bitterheden.
Hertaald:
zeer bitter geween;
Hebreeuws: geween van de bitterheden.
Rachel weent
Die overlang dood en begraven was, wordt hier figuurlijk ingevoerd als wenende, dat zij gedaan zou hebben indien zij ten tijde van de Babylonische verwoesting en van Herodes' kindermoord geleefd had. Sommigen verstaan door Rachel de moeders daaromtrent wonende, afkomstig van Rachel. Men kan ook wijders Rachel nemen als afbeeldende de kerk.
Hertaald:
Rachel weent
Zij was al lang dood en begraven, maar wordt hier beeldend sprekend ingevoerd als wenende, wat zij gedaan zou hebben als zij geleefd had in de tijd van de Babylonische verwoesting en van de kindermoord van Herodes. Sommigen verstaan onder Rachel de moeders die daar in de buurt woonden en van Rachel afstamden. Men kan Rachel verder ook opvatten als een afbeelding van de kerk.
haar kinderen;
De kinderen van Jozef en Benjamin [hare zonen] en nakomelingen, eerst vermoord, of weggevoerd naar Babel, daarna ten tijde der geboorte van Christus van Herodes tirannelijk omgebracht te Bethlehem en in de omliggende streken.
Hertaald:
haar kinderen;
De kinderen van Jozef en Benjamin, haar zonen, en hun nakomelingen: eerst vermoord of naar Babel weggevoerd, en daarna in de tijd van de geboorte van Christus door Herodes op tirannieke wijze omgebracht in Bethlehem en de omliggende streken.
zijn
Hebreeuws, omdat hij niet [is], dat is, geen van hen behouden is.
Hertaald:
zijn
Hebreeuws: omdat hij niet is — dat is: omdat geen van hen behouden is.
arbeid,
Uw lijden en bekommernis om kinderen.
Hertaald:
arbeid,
Uw lijden en uw zorg om kinderen.
vijands land wederkomen
Gij zult kinderen genoeg weder bekomen, die lichamelijk uit Babel en geestelijk uit het rijk der duisternis zullen geroepen en u toegebracht worden.
Hertaald:
vijands land wederkomen
U zult weer kinderen genoeg krijgen, die lichamelijk uit Babel en geestelijk uit het rijk van de duisternis geroepen en aan u toegebracht zullen worden.
voor uw nakomelingen,
Of, in uw einde; dat is, gij hebt nog ten laatste veel goeds te verwachten. Hebreeuws, achterste, laatste, uiterste; zie Ps. 37:37 , en Ps. 109:13 , en boven Jer. 29:11 ; Am. 4:2 .
Hertaald:
voor uw nakomelingen,
Of: in uw einde — dat is: u hebt ten slotte nog veel goeds te verwachten. Hebreeuws: achterste, laatste, uiterste; zie Ps. 37:37 en Ps. 109:13, en hierboven Jer. 29:11, en Amos 4:2.
kinderen
Vergelijk Jes. 29:23 , enz.
Hertaald:
kinderen
Vergelijk Jes. 29:23, enzovoort.
landpale
Kanaän en de Christelijke kerk.
Hertaald:
landpale
Kanaän en de christelijke kerk.
wel gehoord,
Hebreeuws, horende gehoord.
Hertaald:
wel gehoord,
Hebreeuws: horend gehoord.
beklaagt,
Anders, troost.
Hertaald:
beklaagt,
Anders: troost.
getuchtigd geworden
Dat is, onderwezen, of geleerd van mijn schuldigen plicht.
Hertaald:
getuchtigd geworden
Dat is: onderwezen, of onderricht over mijn plicht.
ongewend kalf
Hebreeuws, ongeleerd; zie boven Jer. 2:24 . Versta, niet gewend tot het juk, maar dartel en weelderig.
Hertaald:
ongewend kalf
Hebreeuws: ongeleerd; zie hierboven Jer. 2:24. Versta: niet gewend aan het juk, maar dartel en uitgelaten.
bekend gemaakt,
Verlicht zijnde door den Heiligen Geest, tot kennis van mijzelven en Gods genade.
Hertaald:
bekend gemaakt,
Doordat ik door de Heilige Geest verlicht ben tot kennis van mijzelf en van Gods genade.
heup geklopt,
Dat is, getreurd of misbaar bedreven, gelijk degenen doen, die hartzeer en groten weedom gevoelen; alzo Ezech. 21:12 .
Hertaald:
heup geklopt,
Dat is: getreurd of misbaar gemaakt, zoals mensen doen die hartzeer en grote smart voelen; zo ook Ezech. 21:12.
schaamrood geworden,
Of, te schande geworden.
Hertaald:
schaamrood geworden,
Of: te schande geworden.
mijner jeugd gedragen heb
Die ik mij met mijn grove en menigvuldige zonden, in voortijden, als door jeugdelijke domheid, en bijzonderlijk in de woestijn, idem in mijn bloeienden staat, op den hals heb gehaald. Van Israëls jeugd zie boven Jer. 2:2 ; Hos. 2:2 , en Hos. 11:1 , enz.
Hertaald:
mijner jeugd gedragen heb
Die ik mij met mijn grove en veelvuldige zonden in vroeger tijden op de hals gehaald heb, als door jeugdige onbezonnenheid, en in het bijzonder in de woestijn en ook in mijn bloeitijd. Over de jeugd van Israël, zie hierboven Jer. 2:2, en Hos. 2:2 en Hos. 11:1, enzovoort.
Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon,
Hij is het zekerlijk, wil God zegge; hoewel Ik hem kastijd, want enz.
Hertaald:
Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon,
Dat is hij zeker, wil God zeggen; hoewel Ik hem kastijd, want, enzovoort.
troetelkind?
Hebreeuws, een kind der vermakingen, of vermakelijkheden, pleisieren. Vergelijk Jes. 66:12 .
Hertaald:
troetelkind?
Hebreeuws: een kind van de vermakingen of van het welbehagen. Vergelijk Jes. 66:12.
tegen hem gesproken heb,
Anders: van hem.
Hertaald:
tegen hem gesproken heb,
Anders: over hem.
ernstelijk aan hem;
Hebreeuws, gedenkende zal Ik zijner gedenken.
Hertaald:
ernstelijk aan hem;
Hebreeuws: gedenkend zal Ik hem gedenken.
rommelt Mijn ingewand over hem;
Dat is, Ik ben innerlijk over hem bewogen. Zie Jes. 63:15 .
Hertaald:
rommelt Mijn ingewand over hem;
Dat is: Ik ben innerlijk over hem bewogen. Zie Jes. 63:15.
zekerlijk ontfermen,
Hebreeuws, ontfermende ontfermen.
Hertaald:
zekerlijk ontfermen,
Hebreeuws: ontfermend Mij ontfermen.
spitse pilaren,
Het Hebreeuwse woord Tamrurim, dat boven [van een anderen oorsprong genomen] vs.15, bitterheden betekende, schijnt hier genomen te zijn van Thamar, dat is een palmboom, [waarbij de afgodische beelden vergeleken worden Jer. 10:5 ] , die zijn spits in de hoogte opsteekt, en alzo wijders te betekenen spits, omhoog opgerichte pilaren, pyramiden, hoge steenhopen [gelijk sommigen] of palmtekenen, om de wegen te kennen. God wil zeggen dat zij den weg wel zullen onthouden, dien zij gegaan zijn naar Babel, omdat zij vandaar zekerlijk zullen wederkeren tot hun land.
Hertaald:
spitse pilaren,
Het Hebreeuwse woord tamrurim, dat hierboven in vers 15 — van een andere stam — bitterheden betekende, lijkt hier afgeleid van thamar, dat is: een palmboom, waarmee de afgodsbeelden vergeleken worden in Jer. 10:5, omdat die zijn top omhoog steekt. Vandaar dat het verder spitse, omhoog opgerichte pilaren, pyramiden of hoge steenhopen kan betekenen, zoals sommigen menen, of palmtekens om de weg te herkennen. God wil zeggen dat zij de weg die zij naar Babel gegaan zijn goed zullen onthouden, omdat zij vandaar zeker naar hun land zullen terugkeren.
baan,
Of, opgehoogden, gebaanden weg, of straat.
Hertaald:
baan,
Of: opgehoogde, gebaande weg of straat.
o jonkvrouw Israëls,
Vergelijk boven Jer. 14:17 , alzo Am. 5:2 .
Hertaald:
o jonkvrouw Israëls,
Vergelijk hierboven Jer. 14:17; zo ook Amos 5:2.
deze uw steden
Uit welke gij gevankelijk zijt weggevoerd.
Hertaald:
deze uw steden
Waaruit u in gevangenschap weggevoerd bent.
onttrekken,
Of, uitdraaien, omdraaien, omgaan, omwenden; dat gij u niet recht tot mij bekeert, maar loopt overal, heen en weder, van mij af. Vergelijk Hoogl. 5:6 , en Hoogl. 7:1 , waar het Hebreeuwse woord ook gevonden wordt.
Hertaald:
onttrekken,
Of: uitdraaien, omdraaien, ronddwalen, omkeren — dat u zich niet werkelijk tot Mij bekeert maar overal heen en weer loopt, van Mij vandaan. Vergelijk Hoogl. 5:6 en Hoogl. 7:1, waar het Hebreeuwse woord ook voorkomt.
Want de HEERE
Of, dewijl, idem, zekerlijk.
Hertaald:
Want de HEERE
Of: omdat; en ook: zeker.
heeft wat nieuws op de aarde geschapen
Dat is, zal het zekerlijk doen; Hij zal een ongelooflijk en wonderlijk ding werken. Vergelijk Num. 16:30 ; idem Jes. 43:19 .
Hertaald:
heeft wat nieuws op de aarde geschapen
Dat is: Hij zal dat zeker doen; Hij zal iets ongelooflijks en wonderlijks werken. Vergelijk Num. 16:30 en ook Jes. 43:19.
de vrouw
Of, ene vrouw zal een man, enz.
Hertaald:
de vrouw
Of: een vrouw zal een man, enzovoort.
omvangen
Of, omsingelen, omringen; dat is, [gelijk sommigen verstaan] de kerk Gods, die als een zwak vrouwspersoon is, zal hare vijanden, vergeleken bij een sterken man [waarop het Hebreeuwse woord ziet] door de kracht van haren Heere Jezus Christus en het geloof overwinnen; Joh. 16:33 ; 1 Joh. 5:4 . Doch de oude leraars verstaan dit van de moeder des Heeren, Maria [die ook ene vrouw genoemd wordt, Gal. 4:4 ] ; die den rechten sterken held en leeuw uit Juda, den Messias, door de verborgen werking van den Heiligen Geest, zonder mans toedoen, in haar lichaam heeft ontvangen, omvangen, of omgeven, en gedragen, dat wel met recht ene schepping van een nieuw groot wonder mag genoemd worden, en op het voorgaande en volgende mede niet kwalijk past. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen vijandelijk omsingelen en belegeren, maar ook anderszins omvangen, omringen, omgeven; zie 1 Kon. 7:15 , 1 Kon. 7:24 ; Ps. 7:8 , en Ps. 32:10 , enz. Men kan het ook verstaan van de kerk, uit Joden en heidenen bekeerd zijnde, dat zij haren bruidegom Christus met grote liefde zal omhelzen.
Hertaald:
omvangen
Of: omsingelen, omringen — dat is, zoals sommigen het verstaan: de kerk van God, die als een zwakke vrouw is, zal haar vijanden, die met een sterke man vergeleken worden (waarop het Hebreeuwse woord ziet), overwinnen door de kracht van haar Heere Jezus Christus en door het geloof; Joh. 16:33 en 1 Joh. 5:4. Maar de oude leraars verstaan dit van de moeder van de Heere, Maria, die ook een vrouw genoemd wordt, Gal. 4:4: zij heeft de ware sterke Held en Leeuw uit Juda, de Messias, door de verborgen werking van de Heilige Geest en zonder toedoen van een man in haar lichaam ontvangen, omvangen of omgeven en gedragen — wat met recht de schepping van een nieuw en groot wonder genoemd mag worden en ook goed bij het voorgaande en volgende past. Het Hebreeuwse woord betekent niet alleen vijandig omsingelen en belegeren, maar ook op andere wijze omvatten, omringen en omgeven; zie 1 Kon. 7:15 en 1 Kon. 7:24, en Ps. 7:8 en Ps. 32:10, enzovoort. Men kan het ook verstaan van de kerk, uit Joden en heidenen bekeerd, die haar Bruidegom Christus met grote liefde zal omhelzen.
woning der gerechtigheid,
Gelijk onder Jer. 50:7 . Versta, de kerk van Jezus Christus.
Hertaald:
woning der gerechtigheid,
Zoals hieronder Jer. 50:7. Versta: de kerk van Jezus Christus.
steden,
Dat is, allen, die tot de steden van Juda behoren, zullen in hare steden weder wonen.
Hertaald:
steden,
Dat is: allen die tot de steden van Juda behoren, zullen weer in hun steden wonen.
kudde reizen
Hetwelk een teken is van rust en vrede in het land.
Hertaald:
kudde reizen
Wat een teken is van rust en vrede in het land.
heb de
Dat is, Ik zal het doen, gelijk boven vs.22.
Hertaald:
heb de
Dat is: Ik zal het doen, zoals hierboven vers 22.
vermoeide ziel
Dat is, dorstige [gelijk de dorst door arbeid en vermoeidheid veroorzaakt wordt. Zie Ps. 63:2 ] , te weten naar genade, vergeving van zonden en gerechtigheid. Vergelijk Matt. 5:6 en Matt. 11:28-29 .
Hertaald:
vermoeide ziel
Dat is: de dorstige ziel, want de dorst wordt door arbeid en vermoeidheid veroorzaakt; zie Ps. 63:2. Namelijk dorstig naar genade, vergeving van zonden en gerechtigheid. Vergelijk Matth. 5:6 en Matth. 11:28-29.
dronken gemaakt,
Met geestelijke vertroosting en vreugde; vergelijk boven vs.14.
Hertaald:
dronken gemaakt,
Met geestelijke vertroosting en vreugde; vergelijk hierboven vers 14.
vervuld
Met geestelijke spijs en drank verzadigd.
Hertaald:
vervuld
Met geestelijke spijs en drank verzadigd.
(Hierop ontwaakte ik,
Of, hierom. Dit zijn woorden van Jeremia, die hij hier invoegt om zijn geestelijke vreugde te betuigen over deze heerlijke profetie van den Messias, die God hem in den slaap openbaarde.
Hertaald:
(Hierop ontwaakte ik,
Of: hierom. Dit zijn woorden van Jeremia, die hij hier invoegt om zijn geestelijke vreugde te betuigen over deze heerlijke profetie over de Messias, die God hem in de slaap openbaarde.
was mij zoet
Of, werd.
Hertaald:
was mij zoet
Of: werd.
bezaaien zal
Wel enigszins na de gevangenschap van Babel, lichamelijk, maar inzonderheid mijne kerk met Joden, die bij mensen, en heidenen, die bij beesten schijnen verstaan te worden; gelijk Matt. 15:25 , Matt. 15:27 , allen wedergeboren door het onvergankelijk zaad van het Evangelie, 1 Petr. 1:23 . Vergelijk Ezech. 36:9-10 , Ezech. 36:37-38 ; Hos. 2:22 , met de aantekening.
Hertaald:
bezaaien zal
Wel enigszins na de gevangenschap van Babel, lichamelijk, maar vooral Mijn kerk: met Joden, die met mensen lijken te worden aangeduid, en heidenen, die met vee lijken te worden aangeduid, zoals in Matth. 15:25 en Matth. 15:27 — allen wedergeboren door het onvergankelijke zaad van het Evangelie, 1 Petr. 1:23. Vergelijk Ezech. 36:9-10 en Ezech. 36:37-38, en Hos. 2:22 met de aantekening.
mensen
Hebreeuws, mens en beest.
Hertaald:
mensen
Hebreeuws: mens en vee.
gelijk als Ik
Gelijk Ik waarlijk mijne dreigementen door straffen heb volvoerd, alzo zal Ik ook daarentegen doen in het volbrengen mijner genadebeloften.
Hertaald:
gelijk als Ik
Zoals Ik Mijn dreigementen werkelijk door straffen uitgevoerd heb, zo zal Ik daarentegen ook doen bij het vervullen van Mijn genadebeloften.
gewaakt heb,
Of, wakker ben geweest. Vergelijk boven Jer. 1:12 , en onder Jer. 32:42 .
Hertaald:
gewaakt heb,
Of: wakker geweest ben. Vergelijk hierboven Jer. 1:12 en hieronder Jer. 32:42.
bouwen en te planten,
Gelijk boven Jer. 24:6 .
Hertaald:
bouwen en te planten,
Zoals hierboven Jer. 24:6.
De vaders hebben
Dat is, onze voorouders hebben in de woestijn en daarna gezondigd, en wij moeten daarom lijden. Dit was het spreekwoord der spottende huichelaars en onboetvaardige murmurerende Joden, die God van onrecht beschuldigden in zijne dreigementen en straffen en zichzelven rechtvaardigden. Zie Ezech. 18:2-3 , enz. met de aantekening.
Hertaald:
De vaders hebben
Dat is: onze voorouders hebben in de woestijn en daarna gezondigd, en wij moeten daarvoor lijden. Dit was het spreekwoord van de spottende huichelaars en de onboetvaardige, morrende Joden, die God van onrecht beschuldigden in Zijn dreigementen en straffen en zichzelf rechtvaardigden. Zie Ezech. 18:2-3, enzovoort, met de aantekening.
druiven gegeten
En dienvolgens zure, anders genoemd wrange.
Hertaald:
druiven gegeten
En dus zure, ook wel wrange genoemd.
zijn stomp geworden
Of, worden stomp, eggig. Hebreeuws eigenlijk, zullen, of zouden stomp worden.
Hertaald:
zijn stomp geworden
Of: worden stomp, gevoelig. Hebreeuws eigenlijk: zullen of zouden stomp worden.
nieuw verbond
Zie Hebr. 8:6 , Hebr. 8:13 .
Hertaald:
nieuw verbond
Zie Hebr. 8:6 en Hebr. 8:13.
maken;
Zie Gen. 15:17-18 .
Hertaald:
maken;
Zie Gen. 15:17-18.
Niet naar het verbond,
Sommigen verstaan dit van het verbond der wet of der werken, geschreven in stenen tafelen, overmits de volgende tegenstelling, en uit vergelijking met 2 Kor. 3:3 , 2 Kor. 3:6-7 , enz. Anderen verstaan het oude verbond der genade, zoals dat in het Oude Testament vóór de komst van Christus in het vlees is bediend geweest, onder verscheidene schaduwen, met veel mindere klaarheid en sobere gaven van den Heiligen Geest, enz.
Hertaald:
Niet naar het verbond,
Sommigen verstaan dit van het verbond van de wet of van de werken, geschreven op stenen tafelen, vanwege de tegenstelling die volgt en op grond van een vergelijking met 2 Kor. 3:3 en 2 Kor. 3:6-7, enzovoort. Anderen verstaan het oude genadeverbond zoals dat in het Oude Testament vóór de komst van Christus in het vlees bediend is: onder allerlei schaduwen, met veel minder helderheid en met soberder gaven van de Heilige Geest, enzovoort.
hand aangreep,
Om hen door mijne kracht, en zeer vriendelijk, als hand aan hand samengaande, te geleiden.
Hertaald:
hand aangreep,
Om hen door Mijn kracht en zeer vriendelijk te leiden, als het ware hand in hand.
welk Mijn verbond
Of, omdat zij mijn verbond vernietigd, of gebroken hebben.
Hertaald:
welk Mijn verbond
Of: omdat zij Mijn verbond tenietgedaan of verbroken hebben.
vernietigd hebben,
Zie boven Jer. 11:7-8 .
Hertaald:
vernietigd hebben,
Zie hierboven Jer. 11:7-8.
getrouwd had,
Of, hunlieder man, of Heere over hen was, mij als hun man, of Heere, gedragen had, hebbende over hen het mannelijk recht, en hen weldoende als een man zijne vrouw. Vergelijk boven Jer. 3:14 , en Hos. 2:6-7 . Anders: zou Ik hun man, of Heere gebleven zijn? alsof de Heere zeide: Geenszins, maar Ik heb hen veracht, gelijk sommigen verstaan dat de apostel dit verklaard heeft; Hebr. 8:9 .
Hertaald:
getrouwd had,
Of: hun man of heer was, Mij als hun man of heer gedragen had, terwijl Ik het echtelijk recht over hen had en hun goed deed zoals een man zijn vrouw. Vergelijk hierboven Jer. 3:14 en Hos. 2:6-7. Anders: zou Ik hun man of heer gebleven zijn? Alsof de HEERE zei: volstrekt niet, maar Ik heb hen veracht — zoals sommigen menen dat de apostel het verklaard heeft; Hebr. 8:9.
zal Mijn wet
Hebreeuws, Ik heb gegeven; dat is, Ik zal het zekerlijk doen; gelijk het volgende verklaart.
Hertaald:
zal Mijn wet
Hebreeuws: Ik heb gegeven — dat is: Ik zal het zeker doen, zoals het vervolg verklaart.
binnenste geven,
Dat is, hart, gelijk in het volgende verklaard wordt. Vergelijk onder Jer. 32:40 , met de aantekening.
Hertaald:
binnenste geven,
Dat is: hart, zoals in het vervolg verklaard wordt. Vergelijk hieronder Jer. 32:40 met de aantekening.
hart schrijven;
Vergelijk onder Jer. 32:39-40 ; Ezech. 36:25-27 , en 2 Kor. 3:3 .
Hertaald:
hart schrijven;
Vergelijk hieronder Jer. 32:39-40, en Ezech. 36:25-27 en 2 Kor. 3:3.
God zijn,
Gelijk boven vs.1.
Hertaald:
God zijn,
Zoals hierboven vers 1.
niet meer,
Hiermede wil God den heiligen kerkedienst en schuldigen plicht van onderling onderwijs en vermaning geenszins uit het Nieuwe Testament wegnemen, waarvan Hij zelf de oorsprong en insteller is, maar te kennen geven dat de klaarheid van het heilige Evangelie en de werking van den Heiligen Geest zodanig zal zijn, dat er geen grote moeite of dwang zal van node zijn om de gelovigen tot hun plicht aan te drijven, dewijl zij van den Heiligen Geest geleerd, daartoe gedreven en vuriglijk genegen zullen zijn. Vergelijk deze manier van spreken met Joh. 16:26-27 , en 1 Joh. 2:27 , en zie Jes. 11:9 ; Joh. 6:45 ; 1 Kor. 1:5 , 1 Kor. 1:7 , en 1 Kor. 2:10 , enz.; 1 Joh. 2:20 .
Hertaald:
niet meer,
Hiermee wil God de heilige kerkedienst en de plicht van onderling onderwijs en vermaning beslist niet uit het Nieuwe Testament wegnemen, waarvan Hij Zelf de oorsprong en instelling is; maar Hij geeft te kennen dat de helderheid van het heilig Evangelie en de werking van de Heilige Geest zo groot zullen zijn dat er geen grote moeite of dwang nodig zal zijn om de gelovigen tot hun plicht aan te sporen, omdat zij door de Heilige Geest geleerd, gedreven en vurig gewillig zullen zijn. Vergelijk deze manier van spreken met Joh. 16:26-27 en 1 Joh. 2:27, en zie Jes. 11:9, Joh. 6:45, 1 Kor. 1:5 en 1 Kor. 1:7 en 1 Kor. 2:10, enzovoort, en 1 Joh. 2:20.
gedenken
Zie Ps. 79:8 ; Ezech. 18:22 ; Mi. 7:18 , met de aantekening.
Hertaald:
gedenken
Zie Ps. 79:8, Ezech. 18:22 en Micha 7:18 met de aantekening.
ordeningen der maan en der sterren
Of, gezette perken; dat is, haar verordineerden loop.
Hertaald:
ordeningen der maan en der sterren
Of: vastgestelde perken — dat is: hun verordende loop.
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15 .
Hertaald:
heirscharen
Zie 1 Kon. 18:15.
ordeningen
In vs.35 vermeld.
Hertaald:
ordeningen
Die in vers 35 genoemd zijn.
wijken,
Dat is, ophouden van hare richting, voor mij.
Hertaald:
wijken,
Dat is: ophouden met hun vaste loop, voor Mijn aangezicht.
zaad Israëls ophouden,
Dat is, de kerk.
Hertaald:
zaad Israëls ophouden,
Dat is: de kerk.
geen volk zij
Dat is, gelijk de voorschreven zaken zullen blijven en bestaan, alzo zal er altijd op aarde ene kerk zijn, die mijn volk is. Vergelijk Ps. 72:5 , Ps. 72:17 , en Ps. 89:37-38 , en Ps. 102:29 .
Hertaald:
geen volk zij
Dat is: zoals de genoemde dingen zullen blijven en bestaan, zo zal er altijd op aarde een kerk zijn die Mijn volk is. Vergelijk Ps. 72:5 en Ps. 72:17, Ps. 89:37-38 en Ps. 102:29.
al de dagen
Vergelijk Matt. 28:20 .
Hertaald:
al de dagen
Vergelijk Matth. 28:20.
om alles,
Dat is, om hunner zonden wil, dewijl die omdes Messias' wil vergeven en vergeten zullen zijn, boven vs.34. De Heere wil zeggen dat Hij hen geenszins daarom zal verwerpen.
Hertaald:
om alles,
Dat is: vanwege hun zonden — die toch omwille van de Messias vergeven en vergeten zullen zijn, hierboven vers 34. De HEERE wil zeggen dat Hij hen daarom volstrekt niet zal verwerpen.
Hanáneël af
Zie Neh. 3:1 , en vergelijk Zach. 2:1-4 , en Zach. 14:10, enz.
Hertaald:
Hanáneël af
Zie Neh. 3:1, en vergelijk Zach. 2:1-4 en Zach. 14:10, enzovoort.
Hoekpoort
Zie 2 Kon. 14:13 .
Hertaald:
Hoekpoort
Zie 2 Kon. 14:13.
het meetsnoer
Anders: haar meetsnoer; te weten der stad.
Hertaald:
het meetsnoer
Anders: haar meetsnoer, namelijk van de stad.
dezelve uitgaan
Hoekpoort.
Hertaald:
dezelve uitgaan
De Hoekpoort.
Gareb,
Dat is, des grindigen, of schurften, alzo [naar sommiger gevoelen] genoemd, omdat aldaar de grindige en andere onreine mensen moesten wonen, buiten de stad bij de gerechtplaats; zodat de stad veel wijder en groter zou gebouwd worden dan tevoren.
Hertaald:
Gareb,
Dat is: van de schurftige of melaatse. Zo genoemd, naar de mening van sommigen, omdat daar de schurftige en andere onreine mensen moesten wonen, buiten de stad bij de gerechtsplaats — zodat de stad veel wijder en groter gebouwd zou worden dan tevoren.
Goath omwenden
Dit houden sommigen voor een hogen berg in het uiterste deel der stad Davids, tegen het westen en het zuiden.
Hertaald:
Goath omwenden
Sommigen houden dit voor een hoge berg in het uiterste deel van de stad van David, naar het westen en het zuiden toe.
dode lichamen
Hierdoor kan men verstaan het dal Hinnoms, waar de kinderen tot as verbrand werden [zie boven Jer. 7:31 ] ; of ene plaats voor de dode lichamen der misdadigers; idem, de velden buiten de Mistpoort. De zin is dat de kerk Gods zal zijn ter plaatse, waar tevoren allerlei heidense gruwelen en onreinigheden gepleegd zijn.
Hertaald:
dode lichamen
Hieronder kan men het dal van Hinnom verstaan, waar de kinderen tot as verbrand werden; zie hierboven Jer. 7:31. Of een plaats voor de dode lichamen van de misdadigers; en ook de velden buiten de Mestpoort. De betekenis is dat de kerk van God zal zijn op de plaats waar tevoren allerlei heidense gruwelen en onreinheden bedreven zijn.
Kidron,
Zie 2 Sam. 15:23 .
Hertaald:
Kidron,
Zie 2 Sam. 15:23.
Paardenpoort
Zie Neh. 3:28 .
Hertaald:
Paardenpoort
Zie Neh. 3:28.
heiligheid zijn;
Dat is, zeer heilig.
Hertaald:
heiligheid zijn;
Dat is: zeer heilig.
niets weder uitgerukt,
Hieruit blijkt dat deze profetie niet gaat op het herbouwde aardse Jeruzalem [dat van de Romeinen is verwoest] maar op het geestelijke, te weten Gods kerk. Vergelijk Ezech. 48:35 .
Hertaald:
niets weder uitgerukt,
Hieruit blijkt dat deze profetie niet gaat over het herbouwde aardse Jeruzalem, dat door de Romeinen verwoest is, maar over het geestelijke Jeruzalem, namelijk Gods kerk. Vergelijk Ezech. 48:35. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas "De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid" (Jer. 31:3). Het vers staat aan het begin van een hoofdstuk vol beloften over terugkeer, herbouw en vreugde, en het geeft daar de grond van aan. Bijbelse betekenis: Merk op hoe de twee helften van het vers samenhangen. Eerst de liefde, dan het trekken; het trekken komt niet op als iets nieuws maar volgt uit iets dat er altijd al was. Let vervolgens op het woord eeuwige. Deze liefde begint niet bij de bekering van het volk en ook niet bij zijn bruikbaarheid; zij gaat aan alles vooraf. Let ten slotte op het werkwoord trekken. Er staat niet dat God wachtte tot zij kwamen, en ook niet dat Hij hen dwong; Hij trok hen, en de tekst zegt erbij waarmee: met goedertierenheid. Dat is de zachtste kracht die er is en tegelijk de sterkste. Typologie: De Heere Jezus gebruikt hetzelfde werkwoord: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke" (Joh. 6:44). En Johannes noemt de volgorde die ook hier staat: "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft" (1 Joh. 4:19). Jer. 31:3; Joh. 6:44; 1 Joh. 4:19 "Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn" (Jer. 31:15). Rachel, de moeder van Jozef en Benjamin, wordt hier sprekend ingevoerd voor het weggevoerde volk. Wat volgt is geen terechtwijzing maar een belofte: "Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen" (Jer. 31:16). En dan: "er is verwachting voor uw nakomelingen" (Jer. 31:17). Bijbelse betekenis: Merk op dat de weigering blijft staan. Er staat dat zij zich niet laat troosten, en dat wordt haar niet verweten; het rouwen wordt niet afgekapt. Wat er tegenover gesteld wordt is geen argument maar een toezegging: de kinderen komen terug. Let vervolgens op het woord loon in Jer. 31:16. Haar tranen worden arbeid genoemd, en aan arbeid hangt loon; dat is een opmerkelijke waardering van verdriet dat vruchteloos leek. Let ten slotte op de volgorde. Eerst wordt de klacht in haar volle bitterheid weergegeven, en pas daarna komt de troost. Dat is in de Schrift telkens zo, en het register houdt die volgorde aan. Typologie: Mattheüs haalt dit vers aan bij de kindermoord te Bethlehem: toen werd vervuld wat gesproken is door Jeremia, "Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn" (Matt. 2:18). De aanhaling staat daar zonder verklaring van het waarom, en het register voegt daar niets aan toe. Jer. 31:15-17; Matt. 2:18 God hoort meeluisteren: "Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf" (Jer. 31:18). Wat Efraïm dan bidt, is het kortste bekeringsgebed van de Schrift: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!" En hij zegt hoe het ging: "nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad" (Jer. 31:19). Dan volgt het antwoord: "Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen" (Jer. 31:20). Bijbelse betekenis: Merk op wat er in het gebed gevraagd wordt. Niet om hulp bij de bekering maar om de bekering zelf: bekeer mij, dán zal ik bekeerd zijn. De mens vraagt hier wat hij niet kan opbrengen, en dat sluit aan bij wat eerder in dit boek over de onmacht gezegd is (reeds behandeld bij Jer. 13:23). Let vervolgens op de volgorde in Jer. 31:19. Eerst het bekeerd worden, dan het berouw en de schaamte; het verdriet over de zonde volgt op de omkeer en gaat er niet aan vooraf. Let ten slotte op de uitdrukking in Jer. 31:20 dat Gods ingewand over hem rommelt. Dat is de sterkste uitdrukking die de Schrift voor ontferming heeft; zij tekent iets dat van binnen omdraait. Wat de Vader hier doet, is niet een besluit maar een bewogenheid. Typologie: Dezelfde bewogenheid staat in de gelijkenis van de verloren zoon: de vader zag hem toen hij nog ver weg was en werd met innerlijke ontferming bewogen (reeds behandeld bij Luk. 15:20). En Paulus zegt waar zulk bidden vandaan komt: het is God Die in ons werkt beide het willen en het werken (Fil. 2:13). Jer. 31:18-20; Jer. 13:23; Luk. 15:20; Fil. 2:13 "In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden" (Jer. 31:29). Wat ervoor in de plaats komt staat er meteen bij: "Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden" (Jer. 31:30). Ezechiël bestrijdt hetzelfde spreekwoord in een heel hoofdstuk (Ezech. 18:2-4). Bijbelse betekenis: Merk op wat het spreekwoord deed. Het schoof de schuld door naar de vorige geslachten: wij zitten met de gevolgen van wat zij deden. Er zat waarheid in — gevolgen dragen inderdaad door — maar het werd gebruikt om onder de eigen verantwoordelijkheid uit te komen. Let vervolgens op wat ervoor in de plaats komt. Niet dat gevolgen niet meer overgaan, maar dat ieder om zijn eigen ongerechtigheid sterft. Wie zich achter zijn ouders verschuilt, verliest daarmee zijn excuus. Let ten slotte op de plaats van deze verzen. Zij staan vlak vóór de belofte van het nieuwe verbond, waarin God zegt de zonde niet meer te gedenken. Eerst wordt de schuld persoonlijk gemaakt, en pas daarna wordt de vergeving beloofd. Typologie: Paulus zegt hetzelfde over het oordeel: "een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven" (Rom. 14:12). En de Heere Jezus wijst de gedachte af dat wie getroffen wordt daarom schuldiger is dan anderen (Luk. 13:2-3). Jer. 31:29-30; Ezech. 18:2-4; Rom. 14:12; Luk. 13:2-3 "Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken" (Jer. 31:31). Er staat bij waarin het van het oude verschilt: "Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had" (Jer. 31:32). En dan volgt de inhoud: "Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn" (Jer. 31:33). Bijbelse betekenis: Merk eerst op wat er níet nieuw is. Niet de wet, want die wordt niet vervangen maar verplaatst; niet de verhouding, want de woorden Ik zal hun tot een God zijn stonden al bij de uittocht (reeds behandeld bij Jer. 7:23). Wat nieuw is, is de plaats waar de wet komt te staan. Let vervolgens op waar het oude verbond op stukliep. Er staat niet dat het gebrekkig was maar dat zij het vernietigd hebben; de fout lag niet in de wet maar in het hart dat haar moest houden. Juist daarom moest de vernieuwing dáár beginnen. Let ten slotte op wie er handelt. Vier keer staat er Ik zal: Ik zal maken, Ik zal geven, Ik zal schrijven, Ik zal hun tot een God zijn. In heel dit gedeelte wordt van de mens niets geëist en aan hem alles gegeven. Dat is het antwoord op alles wat dit boek eerder heeft blootgelegd: de gebroken bakken, het arglistige hart, de Moorman die zijn huid niet veranderen kan. Typologie: De Hebreeënbrief haalt dit gedeelte in zijn geheel aan — het langste aanhaalde stuk uit het Oude Testament in het hele Nieuwe — en trekt er één zin uit: "Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt" (Hebr. 8:13). En de Heere Jezus noemt bij de instelling van het avondmaal de drinkbeker "het nieuwe testament in Mijn bloed" (Luk. 22:20). Daarmee is gezegd waardoor dit verbond tot stand komt. Jer. 31:31-33; Jer. 7:23; Hebr. 8:13; Luk. 22:20 "En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE" (Jer. 31:34). En daarop volgt de grond van dat alles: "want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken." Bijbelse betekenis: Merk op wat er over het kennen gezegd wordt. Het onderwijs verdwijnt niet omdat kennis overbodig wordt, maar omdat niemand meer buiten die kennis staat: van de kleinste tot de grootste. Onder het oude verbond hoorde men bij het volk door geboorte; hier hoort men erbij door God te kennen. Let vervolgens op het woordje want waarmee het vers eindigt. De vergeving is niet het laatste dat erbij komt maar de grond waarop het hele verbond rust. Wet in het hart, God tot een God, allen kennende — het staat er alles op. Let ten slotte op de uitdrukking dat God de zonden niet meer gedenkt. Dat is geen vergeetachtigheid maar een besluit: Hij haalt ze niet meer op. Dat is de sterkste vorm waarin de Schrift over vergeving spreekt. Typologie: De Hebreeënbrief haalt juist deze regel twee keer aan en gebruikt hem om te zeggen dat er geen offer meer nodig is: "waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde" (Hebr. 10:18). En de Heere Jezus zegt dat allen die tot Hem komen van God geleerd zijn (reeds behandeld bij Joh. 6:45). Jer. 31:34; Hebr. 10:18; Joh. 6:45 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 1 Het Nieuwe Testament past deze plaats zelf op Christus toe Jeruzalem staat op vallen en Jeremia weet het. Hij heeft veertig jaar gewaarschuwd zonder gehoor. Midden in het boek dat de ondergang aankondigt, staan enkele hoofdstukken vol troost — en dit is het hart daarvan. God kondigt een verbond aan dat anders is dan het vorige, omdat Hij deze keer de wet niet op steen maar in het hart schrijft. Het begint met de vaststelling waarom het oude niet hield: niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen maakte ten dage dat Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben. Daar zit het probleem. Het verbond op de Sinaï was goed, maar het stond buiten de mens: geschreven op tafelen, voorgelezen, beloofd — en gebroken voordat Mozes de berg af was. En dan komt wat God anders doen zal. Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. De kanttekening merkt op dat er in het Hebreeuws staat: Ik heb gegeven — dat is, Ik zal het zeker doen. Zij verwijst naar Ezechiël 36, waar hetzelfde beloofd wordt, en naar Paulus' woord over een brief geschreven niet met inkt maar met den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen maar in vlezen tafelen des harten. Drie beloften volgen elkaar op. Ik zal hun tot een God zijn — het oude verbondswoord blijft. Zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe. En dan de grond waarop het rust: want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. De Hebreeënbrief citeert dit gedeelte tweemaal, in zijn geheel — het langste oudtestamentische citaat van het hele Nieuwe Testament — en trekt daaruit de gevolgtrekking dat het eerste verbond daarmee oud verklaard is. En in de nacht vóór Zijn lijden neemt Christus de drinkbeker en zegt: deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed. Daar wordt het verbond van Jeremia 31 bezegeld, en de prijs ervan genoemd. In het Nieuwe Testament: Hebreeën 8:8-13; Hebreeën 10:16-17; Lukas 22:20; 2 Korinthe 3:3
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Wat God doet, doet Hij grondig. Hij heeft ons met zo’n grote prijs gekocht dat wij Hem te dierbaar zijn om ons ooit te verliezen. Bent u bitter overtuigd van zonde, dan zult u zoet overtuigd worden van vergeving. Een preek uitgesproken op zondagmorgen 31 maart 1867, door C.H. Spurgeon in The Agricultural Hall, Islington. Metropolitan Tabernakel Pulpit preek nr. 743 Ik heb zeker gehoord dat Efraïm… Ik zal hun tot een God zijn. Jeremia 31:33 Voel je je niet helemaal vervuld wanneer God werkelijk jouw God is? Wat zou je ooit méér kunnen verlangen… Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad. Jeremia 31:3 Als je weet dat God van je houdt, word je vanzelf dankbaar. Twijfel dooft die dankbaarheid, maar elk sprankje… Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad. Jeremia 31:3 Soms vertelt de Heere Jezus Zijn kerk over Zijn liefdevolle gedachten. De Heilige Geest is vaak geneigd om op… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Met eeuwige liefde heb Ik u liefgehad. Jeremia 31:3 Soms laat de Heere Jezus aan Zijn gemeente iets van Zijn gedachten… En Ik zal hun tot een God zijn. Jeremia 31:33 Mag ik erop aandringen dat u God gebruikt in het gebed? Ga vaak naar Hem toe, want Hij is… En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale. Jeremia 31:17 Als we door beproevingen diep terneergeslagen zijn en… De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Jeremia 31:3 De belangrijkste… De Heere is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. JEREMIA 31:3 Tussen dat grote hart in… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …Ik heb u . Jeremia 31 vers 3 De donder van de wet en de verschrikkingen van het oordeel hebben als… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" Ik zal hun tot een God zijn. Jeremia 31 vers 33 Dit is alles waarnaar je kunt verlangen. Je hebt behoefte… En Ik zal hun tot een God zijn. Jeremia 31:33 Wat een heerlijk verbond is het tweede verbond! Het wordt terecht genoemd “een heerlijker verbond, dat betere beloften inhoudt”… Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE. Jer. 31:14 Let op dat "mijn”, dat tweemaal voorkomt: "Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden”. Het… En hun ziel zal zijn als een gewaterde hof. Jeremia 31:12 Oh, wat heerlijk dat je ziel onder de hemelse verzorging staat. Niet langer een wildernis, maar een… Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken. Jer. 31:34 Wanneer wij de HEERE kennen, ontvangen wij vergeving van zonden. Wij kennen Hem als… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jeremia 31
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
Een nieuw verbond — 31:31-34
Wat betekenen de niveaus?
Spurgeon Citaten
Verdiepende artikelen
Efraïm beklaagt zichzelf
God is mijn
Gods liefde; ons verlangen
Onmetelijke liefde
Eeuwige liefde
Hij is uw God
Geen gedachten ten kwade
Getrokken met goedertierenheid
Hemelse liefde
Getrokken met goedertierenheid
Ik zal hun tot een God zijn
Gehoorzaamheid komt van God
Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE
Voldoende Verfrissing
Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken


Jeremia 31
Jeremia 31:1.KruisverwijzingenJeremia 30:22→Jesaja 41:10→Jeremia 30:24→Zacharia 13:9→Genesis 17:7→Hebreeën 12:16→Jeremia 30:3→Johannes 20:17→
— Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Tijdens de ballingschap van Israël in Babel lag Gods verbond met hen als het ware stil. Maar in deze belofte van hun terugkeer haalt Hij het weer naar voren, en Hij geeft er een bijzonder genadige wending aan: “zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn”. Wat een barmhartigheid is het een God voor het gezin te hebben, en heel ons gezin in Christus te weten! Broeders, u hebt een huisbijbel, en u hebt, naar ik hoop, een huisaltaar. Mocht heel uw gezin God toebehoren!
Hoe goddelijk spreekt Hij hier — zoals alleen God spreken kan. Deze mensen hadden Hem verworpen, en toch zegt Hij: “zij zullen Mij tot een volk zijn”. Niet sommigen van hen, maar allen. Zie hier de wonderlijke kracht van de goddelijke genade in het hart van weerspannige zondaars. Er is hier geen “als” en geen “maar”. Er staat: Ik zál, en zij zúllen. God weet Zijn eigen voornemens van liefde en barmhartigheid uit te werken.
Jeremia 31:2.KruisverwijzingenPsalmen 95:11→Deuteronomium 1:33→Numeri 10:33→Psalmen 78:23→Exodus 12:37→Exodus 15:9→Psalmen 78:14→Jesaja 63:7→
— Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.
Farao heeft geprobeerd Israël te doden. Toen hij zijn zwaard trok, leek het of het hele volk verslagen zou worden. Maar God bracht hen van Farao weg de woestijn in, en daar bracht Hij hen tot rust. God heeft nog altijd een volk dat Hij zeker behouden zal, en de tegenstander zal het niet kunnen verdelgen.
Komen wij ooit tot ware rust van de ziel, dan moet Gód ons tot rust brengen. David zei het zo: “Hij doet mij nederliggen in grazige weiden.” De rust van het hart is een wonder van goddelijke kracht.
Jeremia 31:3.KruisverwijzingenHosea 11:4→Jesaja 54:8→Deuteronomium 33:3→Deuteronomium 7:7→Maleachi 1:2→Efeze 1:3→Psalmen 103:17→Efeze 2:4→
— De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
Is er ooit een zoeter woord uit de hemel gekomen dan dit? Een eeuwige liefde, bewezen door het trekken van de goddelijke genade. Ik weet dat uw hart vol muziek zal zijn als de Geest van God zo’n boodschap ooit thuis in uw ziel gesproken heeft. Laten wij het nog eens lezen: “De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.”
Daar ligt de bron van alles wat goed en genadig is: een eeuwige liefde. Heeft God die liefde eenmaal op Zijn volk gezet, dan kan daar alles uit voortkomen wat hun ten goede is. Alle tijdelijke goed en alle eeuwige zegeningen komen uit die eeuwige liefde voort. Och, dat ieder van ons genade mocht krijgen om deze gezegende woorden op zichzelf toe te passen! Zij zijn aan het oude Israël gegeven, maar het geestelijke Israël bezit alle voorrechten van het natuurlijke Israël, en nog veel meer.
Jeremia 31:4.KruisverwijzingenJeremia 31:13→Jeremia 33:7→Richteren 11:34→Psalmen 149:3→Psalmen 51:18→Psalmen 150:3→Klaagliederen 1:15→Klaagliederen 2:13→
— Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.
Jeruzalem lag geheel in puin. Haar huizen stonden leeg en haar paleizen waren vervallen. Maar Gods belofte aan haar was: “Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden”. Probeert een prediker hen te herbouwen die geestelijk zijn ingestort, dan kan zijn werk mislukken. Maar doet Gód het, dan is het werkelijk gedaan. Wat God doet, doet Hij grondig; in Zijn werk is nooit een mislukking.
God kan de droefheid van Zijn volk wegnemen en hen met een jubelende blijdschap vervullen. Zij hadden geweend en getreurd, maar zij zouden dansen. Zij waren bedroefd en troosteloos geweest, maar zij zouden hun harpen weer van de wilgen halen en hun trommelen terugkrijgen. Hun snelle voeten zullen de snelle muziek volgen, en zij zullen uitermate blij zijn. Mocht de HEERE Zijn volk nu al blij maken in Zijn huis van gebed!
God heeft goede voornemens van liefde met Zijn oude volk, en Hij zal Israël nog eens in haar eigen land terugbrengen. En geestelijk heeft Hij zulke voornemens van liefde met al Zijn uitverkorenen; zij zullen zich verheugen en juichen met een onuitsprekelijke vreugde. Wat doet het ertoe dat u een tijdlang onvruchtbaar bent? God zal nog tot u komen, en u zult vruchtbaar zijn.
Jeremia 31:5.KruisverwijzingenAmos 9:14→Deuteronomium 28:30→Ezechiël 36:8→1 Samuël 21:5→Zacharia 3:10→Obadja 1:19→Leviticus 19:23→Deuteronomium 20:6→
— Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.
Gods volk zal weer aan het werk gaan. En zij zullen de vrucht van hun arbeid genieten en zich voor God verblijden, omdat zij niet tevergeefs werken en hun kracht niet voor niets besteden.
God maakt de weelde van de genade tot dagelijkse kost voor Zijn volk. Wat eens zo zeldzaam leek dat men het alleen op hoogtijdagen genoot, wordt alledaagse spijze zodra hun Heere Zich aan hen openbaart.
Jeremia 31:6.KruisverwijzingenJeremia 50:4→Ezechiël 33:2→Hosea 1:11→Handelingen 8:5→Jeremia 6:17→Ezra 8:15→Zacharia 8:20→Ezechiël 3:17→
— Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!
De mannen van Efraïm gingen niet op naar Sion om te aanbidden; zij verlieten het ene altaar te Jeruzalem. Maar de dag komt dat zij zich weer tot de HEERE keren zullen. Wachters moeten uitkijken naar vijanden. Toch komt de dag dat zelfs zij hun wachttorens kunnen verlaten en tot elkaar kunnen zeggen: “laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!” Staat iemand van u op dit ogenblik op wacht met angstige ogen? Hebt u de hele nacht doorgewaakt? U hebt niet veel gezien, en uw ogen doen pijn van het uitzien naar onheil. Laat dan het waken varen en zeg tot elkaar: laat ons opgaan naar Sion, tot de HEERE, onze God.
Jarenlang was Israël naar Bethel gegaan om de kalveren te aanbidden, of thuisgebleven om het beeld van Astoreth te vereren. Nu zouden zij naar Sion gaan om de HEERE te dienen. Zie wat de genade van God zelfs voor afgodendienaars doen kan. Heeft iemand van ons zich voor zijn afgoden gebogen, laat hij zich vandaag tot de levende God keren. Mocht de kracht van Zijn genade ons ertoe brengen van harte en eensgezind de HEERE, onze God, te aanbidden.
Jeremia 31:7-8.KruisverwijzingenEzechiël 34:13→Ezechiël 34:16→Jeremia 23:8→Micha 4:6→Jesaja 42:16→Jesaja 37:31→Psalmen 28:9→Psalmen 14:7→
— Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
Vergeet de eerste betekenis van dit gedeelte niet, die op Israël ziet. Maar zuig ook de troost eruit op die het geeft aan allen die in Christus geloven. De HEERE zal al Zijn uitverkorenen zeker tot Zich brengen. Hoe blind zij ook zijn en hoe ver zij ook gedwaald hebben, zij zullen tot Hem terugkeren. Zij zullen terugkomen met tranen van berouw en met verkwikkingen van barmhartigheid, “aan de waterbeken”. Zij keren terug tot hun God, Die zegt: “Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene”.
Let op het gebed en op het antwoord. Het gebed wordt ons in de mond gelegd, en nog voordat wij het goed en wel hebben uitgesproken, komt het antwoord al: “O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. Ziet, Ik zal ze aanbrengen”.
Wat God doet, doet Hij grondig. Wanneer Hij Zijn oude volk herstelt, laat Hij de zwakken niet achter. En genieten wij vandaag Zijn tegenwoordigheid, dan zullen ook de meest bedroefden en de meest gebrekkigen onder ons weten wat de blijdschap van de HEERE is. Dat de HEERE het geve, en wij zullen Zijn heilige naam prijzen.
Jeremia 31:8.KruisverwijzingenEzechiël 34:13→Ezechiël 34:16→Jeremia 23:8→Micha 4:6→Jesaja 42:16→Jesaja 40:11→Jesaja 43:6→Jeremia 3:18→
— Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.
“onder hen zullen zijn blinden en lammen”. Hoe kunnen die komen? Zullen zij elkaar helpen? God Zelf zal ogen zijn voor de blinden en voeten voor de lammen.
Zij waren niet geschikt om te reizen. Toch kan God in Zijn grote barmhartigheid de zwaksten van Zijn volk sterk maken. En wil Hij hen tot Zich brengen, dan zullen zij komen, ook al lijkt het of zij niet komen kónden.
Jeremia 31:9.KruisverwijzingenJeremia 3:4→Exodus 4:22→Jeremia 50:4→Jesaja 63:13→Jeremia 31:20→Zacharia 12:10→Jesaja 35:6→Jeremia 3:19→
— Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene.
Bekommer u niet om het wenen, als zij maar komen. En bedenk: er is geen waar geloof zonder de traan van berouw in het oog. “Zij zullen komen met geween.”
Wenen en bidden gaan goed samen. Er is geen gebed als een nat gebed, doortrokken van de tranen van het berouw. De weg van het gebed is de weg naar huis, naar God.
Hoort dit, u die treurt. God zal in uw nood voorzien met waterbeken, en Hij zal u in een rechte weg doen gaan. Soms zijn wij in verwarring omdat de weg heen en weer kronkelt als een doolhof. Maar God kan ons langs een rechte weg leiden: “Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg”. Gelukkig is het volk dat zulke kostbare beloften heeft. De weg zal recht zijn, en hun voeten zullen er zo vast in staan dat zij zich “niet zullen stoten”.
Zij waren hun verhouding tot de HEERE vergeten. Maar Hij bleef gedenken dat zij Zijn kinderen waren.
Jeremia 31:10-11.KruisverwijzingenJesaja 40:11→Jesaja 48:20→Jesaja 44:23→Jesaja 66:19→Ezechiël 34:12→Psalmen 142:6→Deuteronomium 30:4→Jeremia 15:21→
— Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde. Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.
Zij waren het uitverkoren volk van de HEERE, ook toen zij in Babel gevangenzaten. Hij had hen om hun zonde verstrooid, maar Hij zou hen in Zijn barmhartigheid weer vergaderen.
Het geheim van elke andere zegen is de verlossing. Heeft God vrijgekocht, dan zal Hij ook behouden; reken daarop. Het dierbare bloed van Jezus zal nooit tevergeefs gestort zijn. De verlossing ligt aan de bodem van elke gunst die wij van God ontvangen. Hij zegent ons omdat Hij ons vrijgekocht heeft. Hij heeft ons met zo’n grote prijs gekocht dat wij Hem te dierbaar zijn om ons ooit te verliezen. En omdat Hij Zijn kudde gekocht heeft, zal Hij haar uit de hand van de vijand weghalen.
Jeremia 31:11-12.KruisverwijzingenJesaja 35:10→Jesaja 48:20→Jesaja 44:23→Jesaja 58:11→Psalmen 142:6→Jesaja 65:19→Ezechiël 17:23→Johannes 16:22→
— Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij. Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
Zijn zij vrijgekocht, dan zullen zij ook komen. Christus is niet tevergeefs gestorven; de verlossing die Hij verworven heeft, móét krachtdadig zijn. “Dies zullen zij komen.”
Jeremia 31:12.KruisverwijzingenJesaja 35:10→Jesaja 58:11→Jesaja 65:19→Ezechiël 17:23→Johannes 16:22→Joël 3:18→Openbaring 21:4→Jesaja 60:20→
— Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.
Dit zijn alle tijdelijke weldaden, en het is een grote zegen Gods goedheid daarin te zien. Zegent God de gewone weldaden, dan zijn het werkelijk zegeningen. Maar zonder Zijn zegen kunnen zij afgoden worden, en dan worden zij vloeken.
Wat een heerlijke vergelijking! Het baat het lichaam weinig gevoed te worden als de ziel niet ook goed gevoed wordt: “hun ziel zal zijn als een gewaterde hof”.
Jeremia 31:13-14.KruisverwijzingenPsalmen 30:11→Jesaja 51:11→Jesaja 61:3→Jeremia 31:4→Jeremia 31:25→Psalmen 149:3→Jesaja 51:3→Zacharia 8:19→
— Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis. En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.
Wat een gezegende verandering was dit voor hen die eens bedroefd geroepen hadden: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” En wij verheugen ons in een nog grotere verandering, wanneer de HEERE ons in de geestelijke vrijheid brengt.
God zal de geestelijke leidslieden van Zijn volk genoeg geven, en meer dan genoeg — meer dan zij bevatten kunnen. Hij zal hen met vettigheid verzadigen. Deze woorden zelf zijn al vol merg en vettigheid! De belofte is onuitsprekelijk zoet; wat moet de vervulling ervan dan wel niet zijn? Och, dat wij geloof hadden om haar aan te grijpen! Wat een heerlijke belofte is dit. Luister ernaar en draag haar mee naar huis, u allen die waarlijk het volk van de HEERE bent. En toch klinkt er een toon van droefheid door het luiden van de vreugdeklokken.
Jeremia 31:15.KruisverwijzingenJeremia 40:1→Jozua 18:25→Genesis 37:35→Genesis 42:13→Jeremia 10:20→Genesis 42:36→Psalmen 77:2→Genesis 35:19→
— Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.
Hier ligt een profetische toespeling op de kindermoord van Herodes bij de geboorte van onze Heere (Matthéüs 2:17-18). Het was werkelijk een tijd van droefheid.
Een moeder rouwt zeer diep en zeer lang om haar verloren kinderen. Maar is zij een christin, dan zal zij hen in het land van de zaligen weer ontmoeten, en zij zal nooit meer van hen gescheiden worden. Uw verloren kinderen zullen leven; hun lichamen, die in de aarde vergaan, zullen weer opstaan. Wees niet bovenmate bedroefd of verontrust, “want zij zullen uit des vijands land wederkomen”.
Jeremia 31:16-17.KruisverwijzingenJeremia 30:3→Ruth 2:12→Hebreeën 6:10→2 Kronieken 15:7→Jeremia 29:14→Jeremia 30:18→Jeremia 33:7→Hebreeën 11:6→
— Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen. En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.
Zoals Rachel wordt voorgesteld als wenend over haar kinderen, zo wordt zij ook voorgesteld als treurend over de stammen die in ballingschap werden weggevoerd. En toch wordt zij getroost met de genadige verzekering van de HEERE: “zij zullen uit des vijands land wederkomen”. Zo is het ook gegaan, en er ligt nog een heerlijke toekomst voor het volk van God uit het oude geslacht van Abraham.
Er is nog een andere droefheid, een diepere dan het verdriet om kinderen: de droefheid over de zonde.
Jeremia 31:18.KruisverwijzingenPsalmen 80:3→Jeremia 31:9→Jeremia 3:21→Klaagliederen 5:21→Job 5:17→Handelingen 3:26→Lukas 15:20→Psalmen 80:19→
— Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!
God is het Die hier spreekt. Er is nooit een zucht, een snik, een kreet of een klacht van een boetvaardige zondaar die God niet hoort. Denk niet dat er ooit één boetvaardige roep ongehoord opstijgt uit een verbroken hart. Dat kan niet; God heeft een vlug oor voor het roepen van zondaars. En wat een wonderlijk sprekend woord is dat woord “beklaagt”!
“Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden.” Daarmee was het afgelopen. Ik heb de tuchtiging gedragen, maar er geen baat bij gevonden. Ik heb geen berouw gehad over mijn zonde, ik heb mij niet tot U bekeerd. Nu Uw kastijdingen mij zo weinig geholpen hebben, leg dan Uw hand op mij.
“Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.” Neemt de HEERE het op Zich ons te bekeren, dan worden wij waarlijk bekeerd. Nooit heeft een hart zo gesproken zonder dat de genade er in het verborgen aan gewerkt had. Durven wij Hem onze God te noemen? Verlangen wij ernaar het voorwerp van Zijn bekerende genade te zijn? Reken er dan op dat God dat gewerkt heeft, omdat Hij in Zijn wonderlijke liefde op ons heeft neergezien. Verlangt u ernaar tot God bekeerd te worden, dan bent u al voor een deel tot Hem gekeerd. Het verlangen om te voelen is zelf een soort gevoel; het verlangen om te geloven draagt al iets van geloof in zich. Laat die gedachte u troosten. Maar wees niet tevreden met de plaats waar u nu staat. Ga door totdat u heel de zegen hebt die de HEERE u wachtend en gewillig schenken wil. Gelukkig is de mens die op dit ogenblik tot God zegt: “Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!”
Jeremia 31:19.KruisverwijzingenJeremia 3:25→Ezechiël 36:31→Ezechiël 21:12→Lukas 18:13→Zacharia 12:10→Deuteronomium 30:2→Ezechiël 23:3→Ezechiël 6:9→
— Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
Bekering is een keren van de zonde tot de HEERE. Is hier iemand die met schrik aan het verleden terugdenkt en voor God klaagt over zijn zonden? Luister dan naar wat God zegt.
“heb ik op de heup geklopt” — in echte harteleed, alsof ik mijzelf niet genoeg kon slaan omdat ik gezondigd had. Heeft iemand het wilde pad van zijn jeugd bewandeld? Helpt God hem in Zijn barmhartigheid van dat vreselijke veld terug te keren? Dan denkt hij aan wat hij geweest is, en hij schaamt zich over zichzelf. Soms schaamt hij zich half om zich onder Gods volk te begeven, want hij is bang dat zij niets te maken willen hebben met zo’n ellendeling als hij geweest is. Maar het meest schaamt hij zich om tot zijn God te naderen, om de smaadheid van zijn jeugd. En als een mens zo spreekt, hoe spreekt God dan? Luister naar de genadige woorden van de HEERE over hem.
Jeremia 31:20.KruisverwijzingenJesaja 55:7→Jesaja 63:15→Hosea 14:4→Jesaja 16:11→Richteren 10:16→Hooglied 5:4→Filippenzen 1:8→Deuteronomium 32:36→
— Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.
“Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind?” U zou verwachten dat het antwoord luidt: nee, hij heeft de rechten van het kindschap verspeeld; hij is God onaangenaam geweest en heeft Hem getergd. Maar God geeft op Zijn eigen vraag zo’n antwoord niet. Wij mogen het ook zo lezen: is dít Efraïm, Mijn dierbare zoon? Is dít Mijn troetelkind? Dat is hij nu, nu hij zijn zonde begint te haten.
De HEERE had hem gedreigd en profeten gezonden om hem om zijn zonde onheil aan te zeggen. En toch zegt Hij: “denk Ik nog ernstelijk aan hem”. Niet alleen gedenkt Hij hem; Hij denkt nog érnstelijk aan hem. Wat een wonderlijke taal voor God om te spreken! Zelfs de oneindig gezegende God stelt Zich voor als bewogen over boetvaardige zondaars, hen in ontferming gedenkend en verlangend hun barmhartigheid te bewijzen. “daarom rommelt Mijn ingewand over hem” — Ik kan zijn ellende niet aanzien. Och, wat een zaligheid ligt er in deze genadige belofte! Denk hieraan, u die uw God vergeet, u afkerigen, u die van het huis van uw Vader weggedwaald bent.
Hier kijken wij als het ware in het hart van God zelf. Hij wordt ons voorgesteld alsof er strijdende bewegingen in Hem waren. De ene dag spreekt Hij toornig, de volgende dag gedenkt Hij ernstig de barmhartigheid. God verandert niet, en toch moet Zijn handelen met mensen veranderen, omdat hun toestand zo wisselt. Hij spreekt soms in grote toorn zolang zij aan hun zonde vasthouden, maar zelfs op de bodem van die toorn ligt liefde. En straks verandert Hij van toon, spreekt Hij vertroostend en doet Hij de zonde van de zondaar weg. Dat gebeurt zodra Hij ziet dat Zijn toorn het beoogde gevolg gehad heeft en de zondaar zijn zonde verlaat om tot zijn God te komen. Sommigen van u begrijpen deze behandeling, want u hebt haar ondervonden. Maar de volheid van de barmhartigheid en de liefde die in het hart van God is voor de zondaar die zich bekeert, kunt u niet bevatten.
Jeremia 31:21.KruisverwijzingenJeremia 50:5→Jesaja 48:20→Jeremia 51:50→Jesaja 57:14→Jesaja 62:10→Jeremia 3:14→Psalmen 84:5→Zacharia 2:6→
— Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!
Wie de woestijn doortrekt, werpt kleine steenhopen op om zich bij een volgende reis over die weglozezee van zand te laten wijzen. Zo gebiedt God hun merktekenen op te richten en spitse pilaren te stellen, zodat zij weten hoe zij tot Hem kunnen terugkeren. Werp langs de weg op verschillende punten zulke tekenen op, om andere reizigers de weg te wijzen die zij gaan moeten.
Jeremia 31:22.KruisverwijzingenJeremia 2:23→Jeremia 3:6→Jeremia 49:4→Jeremia 2:36→Genesis 3:15→Jesaja 7:14→Jeremia 2:18→Jeremia 7:24→
— Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.
“Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter?” Hoe lang zult u troost zoeken waar u die niet vinden kunt, en genot waar niets dan ellende komen kan? God vraagt het nog altijd in ontferming: hoe lang zult u hier en daar naar troost zoeken? U zult die nooit vinden voordat u tot uw God terugkeert. Op alles staat leegte geschreven, totdat het hart bij zijn Zaligmaker en Heere komt.
De vijand had Jeruzalem rondom belegerd. Nu zou Jeruzalem zelf de belegeraar worden, haar vijanden omsingelen en verslaan. Sommige uitleggers menen dat hier gedoeld wordt op de geboorte van de Zaligmaker, dat “nieuws op de aarde”: de menswording van de Zoon van God. Hier ligt een profetie van de geboorte van Immanuël, God met ons, geboren uit een vrouw door de bovennatuurlijke kracht van de Heilige Geest. Maria was werkelijk gezegend onder de vrouwen, en wij verheugen ons in die Mens Die zo wonderlijk geboren werd om de Zaligmaker te zijn, Christus de Heere.
Jeremia 31:23.KruisverwijzingenZacharia 8:3→Jesaja 1:26→Jeremia 50:7→Psalmen 87:1→Psalmen 128:5→Jesaja 60:21→Jeremia 33:15→Ruth 2:4→
— Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!
Jeruzalem was om de zonde vervloekt. Maar God verklaarde dat Hij het in Zijn grote barmhartigheid tot een plaats van zegen maken zou, en dat men van haar spreken zou als de “woning der gerechtigheid” en de “berg der heiligheid”. Er liggen goede tijden in het verschiet voor Israël.
Jeremia 31:25.KruisverwijzingenJeremia 31:14→Psalmen 107:9→Johannes 4:14→Mattheüs 5:6→Lukas 1:53→Mattheüs 11:28→2 Korinthe 7:6→Jesaja 50:4→
— Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.
Deze profetie zal vervuld worden in de terugkeer van Israël naar zijn land. Zolang dat niet gebeurd is, draagt de belofte een geestelijke betekenis voor alle kinderen van God. O vermoeide ziel, u zult verzadigd worden — en dat is meer dan tevredengesteld. U zult zoveel heiligheid en blijdschap ontvangen als u dragen kunt. Pleit nu op Zijn belofte, o bedroefde ziel, en dat God haar aan u vervulle!
Jeremia 31:26.KruisverwijzingenPsalmen 127:2→Zacharia 4:1→
— (Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)
“mijn slaap was mij zoet”. Dat zou ik denken. Kon een mens zo dromen, dan zou hij wel weer willen gaan slapen. Dromen van eeuwige liefde, van genadig trekken en van hemels herstel! Dromen van vergeven zonde, weggenomen droefheid en vervuld verlangen! Dan mag de profeet wel zeggen dat zijn slaap hem zoet was. Mochten wij wakend leren wat de profeet in zijn slaap gehoord heeft!
De arme Jeremia weende zo vaak over de rampen van Israël. Juist hij moest wel verkwikt worden toen hij van God hoorde dat Hij Zijn volk in barmhartigheid bezoeken en naar hun eigen land terugbrengen zou. Gelukkig is de dromer die zo’n gezegende droom droomt, een droom die te zijner tijd werkelijkheid werd. Jeremia werd wakker met de aangename indruk van zijn gezicht nog op zich, en dat mocht ook wel. Mocht God ons geven, of wij slapen of waken, altijd bij Hem te zijn! Dan zal onze tijd ons werkelijk zoet zijn.
Jeremia 31:27-28.KruisverwijzingenHosea 2:23→Jeremia 24:6→Jeremia 44:27→Jeremia 1:10→Ezechiël 36:9→Zacharia 10:9→Ezechiël 36:11→Daniël 9:14→
— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten. En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.
Wat een zwarte lijst van woorden staat hier eerst! Gods manier van handelen met Zijn volk, wanneer het van Hem afdwaalt, is zeer streng. Zij móéten worden teruggebracht, maar het gaat over een zeer ruwe weg. De HEERE zegt dat Hij over hen gewaakt heeft “om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen”. En in dezelfde mate verklaart Hij nu dat Hij over hen waken zal om hun goed te doen. Zoals onze verdrukkingen overvloedig zijn, zo zullen ook onze vertroostingen overvloedig zijn door Christus Jezus. Bent u bitter overtuigd van zonde, dan zult u zoet overtuigd worden van vergeving. Hoe dieper God de fundering graaft, hoe hoger Hij het huis bedoelt te bouwen. Wie in grote verdrukking tot Hem gebracht worden, kennen naderhand vaak meer van Christus en meer van de liefde van God dan alle anderen.
Heel het vernuft van de hemel lijkt te worden ingespannen om gelovigen te zegenen. Zoals de mens vele vonden heeft uitgedacht ten kwade, zo zoekt God in Zijn oneindige liefde en barmhartigheid vele vonden uit tot welzijn van Zijn volk.
Jeremia 31:29-30.KruisverwijzingenKlaagliederen 5:7→Jesaja 3:11→Ezechiël 18:20→Ezechiël 18:2→Deuteronomium 24:16→Galaten 6:5→Ezechiël 18:4→Jeremia 31:30→
— In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden. Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.
Wij leven onder een persoonlijke bedeling. Er bestaat niet zoiets als erfelijke godsvrucht of zaligheid bij plaatsvervanging. Ieder mens moet voor zichzelf berouw hebben en voor zichzelf geloven. IJdel en dwaas is de gedachte dat wij christenen zijn omdat wij christelijke ouders gehad hebben. God zou met de Israëlieten stuk voor stuk en persoonlijk handelen; en zo zal Hij ook met ons handelen.
Jeremia 31:31.KruisverwijzingenEzechiël 37:26→Hebreeën 10:16→Jeremia 32:40→Lukas 22:20→2 Korinthe 3:6→Jeremia 30:3→Jeremia 23:5→Jeremia 33:14→
— Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;
Hier staat iets dat het aanzien waard is; lees deze grote belofte met tranen in de ogen. Wat een zaligheid is het van dit nieuwe verbond te weten! Laten wij letten op de inhoud ervan.
Jeremia 31:32-33.Kruisverwijzingen2 Korinthe 3:3→Hebreeën 10:16→Jeremia 24:7→Hebreeën 8:10→Ezechiël 11:19→Jeremia 32:40→Ezechiël 37:27→Openbaring 21:3→
— Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE; Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Het is alles “Ik zal” en “zij zullen”; het is alles verbondsleven. Niet langer de wet gegraveerd op stenen tafelen, maar de wet geschreven in het hart. Niet langer het gebod van de HEERE zonder de kracht en de wil van de mens om het te gehoorzamen. God vernieuwt onze natuur en verandert onze gezindheid, zodat wij liefhebben wat wij eens verafschuwden en verafschuwen wat wij eens liefhadden. Wat een wonderlijke schat van weldaden ligt er in het genadeverbond besloten!
Het oude verbond stond op stenen tafelen geschreven. Maar van het nieuwe verbond zegt de HEERE: “Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven”. De oude wet werd aan het oog onttrokken toen zij voor de tweede maal geschreven en in de ark van het verbond gelegd werd. Van Zijn nieuwe wet zegt God: “zal die in hun hart schrijven”. Zij waren altijd tegen God in opstand en dwaalden bij Hem vandaan. Maar in dit nieuwe, genadige verbond zegt Hij: “Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn”.
Jeremia 31:33.Kruisverwijzingen2 Korinthe 3:3→Hebreeën 10:16→Jeremia 24:7→Hebreeën 8:10→Ezechiël 11:19→Jeremia 32:40→Ezechiël 37:27→Openbaring 21:3→
— Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.
Niet op stenen tafelen, niet op de muren van de kerk, maar Hij “zal die in hun hart schrijven”. U hebt misschien horen zeggen dat Christus Zijn volk niet verlaten zal, maar dat Zijn volk Hém wel verlaten kan. In deze belofte is echter ook in dat tweede voorzien, en niet alleen in het eerste.
Jeremia 31:34.KruisverwijzingenJesaja 43:25→Jeremia 33:8→Jesaja 54:13→Jeremia 50:20→Johannes 6:45→1 Johannes 2:27→Micha 7:18→Jeremia 24:7→
— En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.
Wat een God van oneindige barmhartigheid is Hij! Dit is de kernwaarheid van heel de Schrift; het is de grondslag van heel de Schrift. Wanneer Paulus het genadeverbond wil uiteenzetten, beroept hij zich op dit gedeelte (2 Korinthe 3:6). Tweemaal bouwt de brief aan de Hebreeën er een bewijs op (Hebreeën 9:15 en 12:24), en na het aangehaald te hebben voegt hij eraan toe: “En de Heilige Geest getuigt het ons ook”. Broeders en zusters in Christus, onder het eerste verbond zijn wij verloren; er is voor ons geen zaligheid dan onder dit nieuwe verbond. Laten wij dus tot onze blijdschap en vertroosting lezen wat de beloften en de bepalingen van dat nieuwe verbond zijn.
“En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn.” Alle gelovigen kennen hun Heere, wat zij verder ook niet weten: “zij zullen Mij allen kennen”. God geeft aan heel Zijn volk kennis van Zichzelf. Wat zij verder ook weten of niet weten, zegt de HEERE, zij zullen Mij allen kennen. Zij verschillen wel in hun wasdom in de genade, en toch: “zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE”.
Zowel de vergeving van de zonde als de verandering van de natuur ligt besloten in dat schrijven van de wet op het hart. Och, wat een voorrecht is het tot dit verbondsvolk te behoren! Hoe weten wij of wij erbij horen? Het zegel van het verbond is het geloof in Christus — en dan bedoel ik het persoonlijke zegel op hart en geweten. Gelooft u in Jezus Christus als uw Zaligmaker, en vertrouwt u alleen op Zijn verzoenend offer, dan is God met u in het verbond. Jezus is immers de Middelaar van het nieuwe verbond, en wie Christus heeft, heeft de Borg van het verbond. Hij zal te zijner tijd elke zegen ontvangen die dat verbond waarborgt.
Heeft God uw zonden vergeven, dan zult u Hem stellig kennen; daarover bestaat geen twijfel. Mensen deinzen terug en verbergen zich voor een toornig God Die de zonde straft, want zij begeren Hem niet te kennen. Maar wanneer Hij tevoorschijn treedt, gekleed in het zijden gewaad van de liefde, om vrije vergeving te schenken aan de grootste van de zondaars, dan kennen zij Hem. Laat ik het nog eens lezen, en mochten arme afgedwaalde kinderen van God de belofte horen en blij zijn dat zij ook hun geldt: “want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken”. God geve dat wij allen deze gezegende kennis mogen bezitten!
Jeremia 31:35-37.KruisverwijzingenJesaja 51:15→Jeremia 10:16→Jesaja 54:9→Jeremia 33:20→Psalmen 136:7→Psalmen 148:6→Psalmen 89:36→Jeremia 33:24→
— Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam: Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.
Israël staat nog altijd als een volk afgezonderd van alle andere, en voor het letterlijke zaad van Israël ligt nog een grote en heerlijke toekomst. Maar dan het geestelijke Israël, dat God in de Geest aanbidt en geen vertrouwen stelt op het vlees. God zou eerder de zon en de maan uitblussen dan Zijn volk verwerpen, of ook maar één van hen. Zij zullen allen Zijn volk zijn en Hij zal hun God zijn. Hij zal hen bewaren, en Hij zal Zijn verbond met hen houden tot in alle eeuwigheid. Geloofd zij Zijn heilige naam, de naam van de HEERE, de God van het verbond dat niet verbroken kan worden!
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
II. Vs. 1-40.KruisverwijzingenHosea 11:4→Jesaja 54:8→Deuteronomium 33:3→Deuteronomium 7:7→Jeremia 3:4→Jeremia 30:22→Maleachi 1:2→Exodus 4:22→
— Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God! Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene. Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
Bijna met dezelfde woorden, als met welke de belofte van het vorige Hoofdstuk in vs. 22 eindigde, om vervolgens in vs. 23 en 24 eerst weer op den oordeelstijd te wijzen, die tussen het heden en de vervulling ligt, wordt ons hoofdstuk begonnen. Alzo wordt hier vooral gedrukt op “alle geslachten van Israël, ” en treedt dus de hereniging der vroeger gescheidene stammen tot één volk aanstonds op den voorgrond (vs. 1.) Spoedig spreekt de profetie echter in ‘t bijzonder van de overgeblevenen van Efraïm. of van de tien stammen, en vertoeft nu bij deze het langst en uitvoerigst, omdat zij, naar het uitwendige te zien, het meest reddeloos verloren en voor altijd door den Heere verworpen schenen (vs. 2-22); hierop wendt zij zich tot Juda (vs. 23-26), eindelijk keert zij van de beide delen des volks tot het geheel terug. (vs. 27-40). Zij komt daardoor tot haar toppunt, doordat de kroon der beloften, de kern en het middelpunt van dit alles in dit slot (vs. 33 gevonden wordt, namelijk: “Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. “
Ter zelver tijd, van welken in Hoofdst. 30:18-22 sprake was, spreekt de HEERE, zal Ik, om hier nog meer bepaald te noemen, wien het aangaat, allen geslachten Israëls, Efraïm zowel als Juda, wanneer zij beide zich bekeerd hebben en weer van ééne gezindheid zijn geworden, (Hoofdst. 3:18. (Jes. 11:12 vv.), tot enen God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. 1)
God verzekert hier zijn volk, dat Hij hen weer voor zich in een verbondsbetrekking zal aannemen, waaruit zij schenen vervallen en afgeweken te zijn. Terzelfder tijd spreekt de Heere, wanneer Gods toorn zal uitbreken tegen de goddelozen, zal zijn volk door Hem geëigend worden als Zijne kinderen, als de kinderen Zijner liefde: zal Ik zijn, dit is, zal Ik Mij tonen te zijn, de God van alle geslachten Israëls. Onder alle geslachten hebben we het gehele volk te verstaan. De scheiding is weg. Israëls volk is weer één volk geworden voor den Heere God. En voor dat gehele volk zal de Heere weer de Bonds-God zijn, in wiens ogen het genade heeft gevonden. Na den druk de bevrijding, en met de bevrijding de volle bestraling van Gods vriendelijk aangezicht. Als God de zonde vergeeft, heft Hij niet alleen de roede op, maar geeft ook weer de lieflijke vrucht van de zondevergeving te genieten. Het is daarom dat het verloste volk ook in het volgende vers jubelend wordt ingevoerd.
Zo zegt de HEERE, in de eerste plaats voorstellende wat hij aan Efraïm wil doen, daar Hij ons dadelijk verplaatst in den tijd, waarin de wederbrenging zal plaats hebben, als ware die reeds aanwezig: Het volk der tien stammen, voor zoverre zij gedurende den langen tijd Mijner gerichten overgeblevenen zijn van het zwaard, en het in zijn bestaan nog geheel voorkomt als zeer ellendig en bijna te niet gegaan, heeftvoor Mij genade gevonden in de woestijn, waarin Ik het had uitgestoten, en waarin Ik het heb opgezocht, opdat Ik er Mij over zou ontfermen, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen, want Ik heb Mij opgemaakt om het weer te brengen in het land der vaderen, opdat het weer kome tot vastheid en vrede.
De HEERE is mij verschenen van verre tijden, zo zal Israël dan roemen; want Hij was zeer verre van Mij gegaan in den tijd mijner straf, zodat Hij geheel uit mijne ogen was verdwenen, maar nu is de hulpe uit Zion gekomen (Ps. 14:7). Ja, Ik heb u liefgehad, zo spreekt Hij, terwijl Hij mij verschijnt. Hij wil ook den tijd van toorn als een middel Zijner liefde en Zijner onverbrekelijke verbondstrouw laten erkennen. Ik heb u liefgehad met ene eeuwige liefde, daarom heb Ik udoor middel der kastijding getrokken 1) met goedertierenheid 2), opdat Gij eindelijk uwe misdaad zoudt erkennen en met berouw en leedwezen u van uwe verkeerde wegen tot Mij zoudt wenden, opdat Ik u weer zou kunnen aannemen (Jes. 54:7 vv.).
Over de trekkingen der liefde Gods aan de Zijnen: zij zijn 1) ontelbaar, en worden toch zo dikwijls voorbijgezien; 2) zeer krachtig, en worden toch zo dikwijls weerstaan; 3) zo zegenrijk en worden toch zo dikwijls niet ten nutte gemaakt. Reeds ziet de gemeente in den geest, hoe de Heere Zijne besluiten uitvoert. Van verre, spreekt de Profeet, in naam van de gemeente, waarmee hij zich één gevoelt, is mij de Heere verschenen. Zo lang Israël in de ballingschap zuchtte, had de Heere zich van hen teruggetrokken, zich verre gehouden. Nu ziet hij Hem weer verschijnen van verre, d. i. van Zion, waar Hij als de God van Zijn volk gedacht wordt als op Zijn troon zittend, om het in zijn land te brengen. De Heere echter verzekert tegelijk aan het zijn komst verwachtend volk, Zijn eeuwige liefde. Wijl Hij zijn gemeente met ene eeuwige liefde bemint, daarom heeft Hij het met Zijnen arm behouden, zodat het niet verdelgd werd. Daarom is deze lering vast vooreerst nuttig, dewijl de Profeet aantoont, dat al wat God voor goeds aan het oude volk heeft bewezen, dit moet teruggebracht worden tot het genadeverbond. Doch dat verbond was eeuwig en daarom moet men er niet aan twijfelen, of God is heden bereid om alle volken met zijn heil te begiftigen. Want Hij blijft altijd dezelfde en is onveranderlijk. Vervolgens wil Hij zijn Trouw en standvastigheid in het Verbond doen schitteren, wat hij met de kerk heeft opgericht. Waar derhalve het verbond Gods onverbrekelijk is en niet kan verbroken worden ook al werden hemel en aarde veranderd, laten wij daarom er zelf van overtuigd zijn, dat God altijd voor ons een redder is. Waarom? Zijn verbond blijft eeuwig en daarin ligt Zijn macht om ons te bewaren. De Heere verzekert derhalve dat de redding van zijn volk in het nauwste verband staat met zijn eeuwige liefde. Dewijl zijn liefde een eeuwige liefde is en van geen verandering weet noch van bezwijken, daarom ook alleen zal Hij Zich ontfermen. Dit is een grote troost voor alle gelovigen van alle tijden. De gelovige verandert, maar de Heere God verandert nooit. De gelovige moge ontrouw worden, Gods trouw wordt nooit vernietigd. Hij is en blijft dezelfde tot in eeuwigheid.
Of “de goedertierenheid voortaan over u uitgestrekt, ” òf “daarom vervolg of continueer Ik de goedertierenheid aan u, ” en zal bij u doen als volgt (vgl. Ps. 36:11; 85:7. Pred. 2:3). (STATEN OVERZ.). Ik heb alle gelegenheden waargenomen om u tot Mij te brengen door voorkomende bedrijven van genade en goedertierenheid. Het woord “trekken” is in de Schrift gebruikt van Gods voorkomende genade (Hoogl. 1:4. Hos. 11:4. Joh. 6:44). Soms zegt de Heere Jezus aan Zijne gemeente de gedachten Zijner liefde. Gene stem wordt uit de wolken gehoord, geen nachtelijk visioen wordt gezien, maar wij ontvangen veel zekerder getuigenis dan een van deze beide. Ondervraag de kinderen Gods, die het dichtst bij de poorten des hemels vertoefd hebben, en zij zullen u zeggen, dat zij tijden gekend hebben, waarin de liefde van Christus zo klaar en zeker voor hen was, dat zij er evenmin aan konden twijfelen als aan hun eigen bestaan. De donders der wet en de verschrikkingen des oordeels zijn allen om ons tot Christus te brengen, maar de eindelijke overwinning wordt door goedertierenheid te weeg gebracht. Hetgeen Mozes met zijne stenen tafelen nooit kon doen, doet de Heere Jezus Christus met Zijne doorboorde hand. Dit is de leer der vrije verkiezing.
Welaan, zo gaat de Heere ten opzichte van het in vs. 2 gezegde verder voort: Ik zal u weer bouwen, wanneer gij in uw land zult teruggekeerd zijn, en gij zult gebouwd worden voor altijd, daar gij niet weer zult worden afgebroken (Hoofdst. 24:6), o jonkvrouw Israëls! want tot die ere van heiligheid voor den Heere en van onschendbaarheid voor de wereld (2 (Kon. 19:21) zijt gij weer verheven. Gij zult op de vreugdefeesten, die u in rijken overvloed zullen bescheiden zijn, weer versierd zijn met uwe trommelen, u weer tooien tot feestelijken optocht, en uitgaan uit de poorten uwer steden met den rei a) der spelenden (Exod. 15:20 Richt. 21:21).
Jer. 30:19.
Gij zult weer, gelijk in vorige dagen geschied is, wijngaarden planten op de bergen van Samaria (Hos. 2:15); de planters zullen planten, en de vrucht genieten 1) (Jes.
Het woord, “wehilleloe” hier gebruikt, betekent eigenlijk: “en zullen ontheiligen, ” namelijk de vrucht der wijngaarden; maar het pronomen, daarop ziende, is weggelaten even als Hoofdst. 24:6. Na den tijd van de voorhuid der wijnstokken, welke drie volle jaren na de planting duurde, en na de heiliging van deze, waarmee nog een jaar verliep, zouden zij, die ze geplant hadden, de vrucht daarvan in het vijfde jaar gerust genieten. Zie de wet daaromtrent Lev. 19:23, 25. Deut. 20:6. Zij, wil God zeggen, die de wijngaarden planten, zullen die ter juister tijd genieten en niet beroofd worden van de vrucht van hunnen arbeid. Datgene, waarvoor zij moeite gedaan hebben, zullen vreemden niet beroven noch verslinden. (Jes. 65:21, 22).
Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders, de wachters, op Efraïms gebergte 1), zij, die zijn aangesteld om aan het volk het terugkeren van het feest der nieuwe maan of enig ander godsdienstig feest aan te kondigen, zullen roepen: a) Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Zion, tot den HEERE, onzen God, om Hem in Zijn heiligdom den dank toe te brengen voor de zegeningen, waarin ons land zich verheugt (Hos. 3:5).
Jes. 2:2, 3. Micha 4:2.
Men ging bij het houden der grote feesten af van het zichtbaar worden der nieuwe maan: was deze werkelijk gezien, zo stak men vuren aan, waarop de wachters, die op hoogten en bergen geposteerd waren, acht gaven. Het geroep: Welaan! naar Jeruzalem tot aanbidding van Jehova! zal weer gehoord worden even als vóór de scheuring. Israël en Juda zullen weer in den Heere verenigd zijn. De zamenhang is de volgende: Dit geluk van Efraïm zal vast zijn, want de zonde van Jerobeam, de losscheuring van de tien stammen van het heiligdom des Heeren zal niet voortduren, maar Efraïm zal in de toekomst weer tot den Heere, zijn God, naar Zion komen.
Want zo zegt de HEERE, ons ten tweeden male verplaatsende in den tijd, waarin Zijn raadsbesluit begint volvoerd te worden (vs. 2): Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht van wege het hoofd der Heidenen, of der volken, namelijk van wege Israël (Amos 6:1. Deut. 4:7 vv. 2 Sam. 7:23 doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud uw volk, het overblijfsel van Israël, 1) het overschot of heilig zaad, dat tot bijzondere verheerlijking bewaard is (Jes. 6:13).
De herstelling van Jakob zal opgemerkt worden bij alle de naburen, het zal een stoffe van vreugde voor hen allen zijn, en zij zullen zich allen met Jakob in zijn blijdschap verenigen, en hem daardoor eerbied bewijzen en een vermaardheid over hem brengen.
Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, waarheen zij verdreven zijn (Hoofdst. 16:15), en zal hen vergaderen van de zijden der aarde (Deut. 34:4); onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen. Niet alleen de gezonden, die de bezwaren, aan zulk ene reis verbonden, kunnen verdragen, maar ook de zwaksten en gebrekkigsten, die door Mijne almacht boven alle moeilijkheden zullen worden verheven, (Jes. 35:3) zullen wederkeren; met ene grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. 1)
Alhoewel velen van hen onbekwaam zijn tot de reize, zal zulks hun toch niet hinderen, de blinde en lamme zal komen, zulk een goeden wil zullen zij hebben om hun reizen te doen en zulk een goed hart daarop, dat zij hun blindheid en lamheid niet tot een verschoning zullen nemen, om te blijven daar zij zijn. En hun metgezellen zullen gereed zijn om hen voort te helpen, zij zullen ogen zijn voor de blinden en benen voor de lammen, gelijk goede Christenen voor elkaar behoren te zijn op hun reize naar den hemel. Maar bovendien zal hun God hen helpen, en laat dan niemand klagen of voorwenden dat hij blind is, die God tot zijn Leidsman heeft, of dat hij lam is, die God tot zijn sterkte heeft.
Zij zullen komen met geween, en met smekingen, met de tranen der doorgestane smarten over de scheiding, en van oprecht berouw, onder ernstige gebeden tot den wedergevonden God-want zo keert steeds de verloren zoon in de armen des vaders terug-zal Ik hen voeren 1); Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in enen rechten weg,) waarin zij zich niet zullen stoten3) (Jes. 35:6 vv. 49:10 vv.): want Ik ben Israël, allen den stammen (Hoofdst. 3:19. (Jes. 63:16) tot enen Vader, en Efraïm, het volk der tien stammen, is a) mijn eerstgeborene, 1) waaraan Ik Mijne liefde en genade in de eerste plaats betoon (Hoofdst. 3:11 vv.).
Ex. 4:22.
Dit duidt op de boetvaardige gestalte en op het feit, dat zij nu alleen van den Heere God verwachten heil en zaligheid. Hun zonden zullen zij niet alleen belijden maar ook hun afval diep betreuren en van den Heere smeken, dat Hij de zonde vergeve en hen bestrale met Zijn heil. Dit geldt inzonderheid van het geestelijk Israël, van het volk, hetwelk de Heere zich tot een erve heeft verkoren. Het leven des geloofs is een leven van belijden der zonde en schuld, maar ook een zich vertrouwend overgeven aan den Heere God, er van verzekerd, dat Hij het alles wel zal maken.
De weg zou leiden door de woestijn, dor en mat, maar de Heere zou het niet laten ontbreken aan water voor den dorstigen. De weg was niet geleid, maar de Heere zou een rechten weg maken. Op den weg zouden vele struikelblokken liggen, maar de Heere zou er voor zorgen dat zij zich niet zouden stoten. Als de Heere de Leidsman is, ja, de voor- en achtertocht, dan komt het altijd goed uit, hoe duister ook de weg moge schijnen.
Hier wordt een reden opgegeven, waarom God alle deze zorg van Zijn volk op zich wil nemen. Een Vader, die hem gewonnen heeft en daarom hem beschermen zal, die de zorg en het medelijden van een Vader voor hem heeft. Efraïm zelfs, die van God afgeweken zijnde, niet meer waardig was een zoon genaamd te worden, zal nochthans erkend worden als een eerstgeborene, bijzonder dierbaar, en erfgenaam van een dubbel deel der zegeningen. Israël is het beeld van de kerk in haar bloeienden, levendigen toestand. Efraïm in haar afgezakten. Nochtans zegt de Heere hier, dat Hij niet alleen Israël maar ook Efraïm in genade en ontferming zal aannemen. Gods genadegiften zijn onberouwelijk.
Hoort des HEEREN woord, gij Heidenen, voor wie Israël door zijn ontzettend lot een voorwerp van ontzetting en van hoon was geworden (Hoofdst. 18:16), en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, de kustlanden en eilanden der Middellandse zee, en zegt: Hij die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en, nadat hij hem in de schaapskooi heeft weer gebracht, hem bewaren als een herder zijne kudde (Hoofdst. 23:3. Ps. 80:2
Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen,
die sterker was dan hij, uit de hand van den wereldbeheerser, die hem tot hier toe in zijne macht had, om zelfs als Koning over hem te heersen (Jes. 52:7).
Jes. 40:10; 49:24, 25.
Dies zullen zij komen en op de hoogte van Zion juichen, waarmee zij het toppunt van hun terugkeren naar het vaderland bereikt hebben (Jes. 51:11), en zij zullen van daar zich door het gehele land verbreidende, om het weer te bebouwen, toevloeien tot des HEEREN goed, dat in rijken overvloed hun zal toestromen (Deut. 8:8 vv.), tot het koren en tot den most, en tot de olie en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof vol blijdschap en frisse levenskracht (Jes. 58:11), en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn, zij zullen over gene ellende of nood meer klagen.
Jes. 61:11.
Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei (Ps. 30:12), daartoe zullen de jongelingen en ouden te zamen vreugdeliederen zingen (Ps. 148:12 vv.); want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen en zal hen troosten en zal hen verblijden naar hun droefenis. (Joh. 16:12).
En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken, hun ziel verzadigen met vet ten gevolge der menigvuldige dankoffers, die nu gebracht worden; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE 1) (Ps. 36:9).
Gods volk heeft een overvloedige vertroosting in Gods goedheid. Laat hen voldaan zijn met Gods goedertierenheid, en zij zullen er van voldaan worden en niets meer begeren om hen gelukkig te maken. Dit alles is ook toepasselijk op de geestelijke zegeningen, welke de verlosten des Heeren door Jezus Christus genieten, oneindig dierbaarder den koren, den most en klei, en de vergenoeging der zielen, welke zij in de genietingen daarvan hebben.
Zo zegt de HEERE: Er is ene stem gehoord in Rama 1) (1 (Sam. 1:1), ene klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over hare kinderen; zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, de door Efraïm en Benjamin vertegenwoordigde leden van het rijk der tien stammen, omdat zij niet zijn.
Van het blijde uitzicht in Israëls heerlijke toekomst, en voornamelijk van Efraïm wendt zich het oog van den profeet weer terug op het treurige heden van dezen laatsten. Thans in het land van Efraïm verwoest en verlaten; Rachel treurt om hare zonen, maar zij zal vertroost worden, hare zonen zullen weer terugkeren; want Efraïm is door zijn ongeluk tot inzicht en tot berouw over zijne zonden gekomen; het verlangt naar verzoening met zijnen God, en de Heere is met innig medelijden vervuld, en komt hem liefdevol te gemoet. Het terugkeren is aanstaande, de lange verwijdering moet nu ophouden, en ene nieuwe betrekking tussen Israël en zijnen God beginnen.
Zo zegt de HEERE: Bedwing uwe stem van geween, en uwe ogen van tranen; want er is loon voor uwen arbeid, waarin gij wederom uwe kinderen met angsten zoekt te baren (Gal. 4:19), spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen, waarheen zij verstrooid zijn.
En er is verwachting voor uwe nakomelingen (of voor de toekomst) spreekt de HEERE; want uwe kinderen zullen wederkomen tot hun landpale, en het heilige land bezitten. Om deze plaats menen vele latere uitleggers, dat het graf van Rachel niet, gelijk uit Gen. 35:16 vv. en Matth. 2:18 blijkt, in het zuiden van Jeruzalem, in de nabijheid van Bethlehem zich zou bevonden hebben (vgl Ruth. 1:22), maar integendeel noordelijk van Jeruzalem bij Rama van Samuël. Men verklaart dan het in Gen. 35:16 vv. genoemde Efratha van de plaats Efron of Efraïm (2 Kron. 13:19 Joh. 11:54; in Joz. 18:23 Ofra genoemd). Men verkrijgt dan zeker in zo verre een gepasten zin, als sedert de wegvoering der tien stammen in de Assyrische ballingschap Rachel als het ware in haar graf bij Rama gene rust meer had, maar daar een nachtelijk geween en bitter weeklagen werd gehoord. Intussen moet men dan niet alleen de aanmerking omtrent Efratha in Gen. 35:19 en 48:7 “hetwelk is Bethlehem” voor een later toevoegsel houden, dat op dwaling berust, maar ook beweren, dat de Evangelist in Matth. 2:18 geen recht had, om onze plaats met den kindermoord te Bethlehem in verband te brengen. De gehele aanhaling valt dan van zelf met de herstelling der dwaling, waarin ook Mattheüs deelde, in duigen, en heeft op zijn hoogst alleen de betekenis van een algemeen terugzien op het troosteloze klagen en wenen ener moeder om het verlies harer kinderen. Zij is dan ene herinnering aan die profetische plaats, die den Schrijver in de gedachte is gekomen, maar van de vervulling ener profetie zou eigenlijk gene sprake kunnen zijn. Wij zullen aanstonds gevoelen, dat de dwaling integendeel bij die nieuwere uitleggers is; juist daarom, omdat Rachel niet bij Rama, maar bij Bethlehem begraven lag, had de Evangelist recht, om haar om zo te spreken uit haar graf te laten opstaan, om als vertegenwoordigster der moeders van Bethlehem de kinderen te bewenen, die gedood waren. Men heeft nu wel aangenomen, opdat bij den Profeet ten minste iets dergelijks zou bestaan, dat Rama hier voorkomt als de vergaderplaats der ballingen, van waar zij naar Babels ballingschap gevoerd werden (Hoofdst. 40:1. 2 Kon. 25:11 Tot op die plaats zou als het ware de oude stammoeder des volks, in haar graf bij Bethlehem gene rust meer vindende, hare kinderen zijn nagegaan, om ze daar te bewenen, totdat zij eens zouden zijn teruggekeerd. Men ziet voorbij, dat op onze plaats niet over de wegvoering naar Babel gehandeld wordt; Efraïm, het volk der tien stammen, is het, waarop de profetie betrekking heeft. Nu kan Rama midden in den stam van Benjamin gelegen (Joz. 18:25 grensvesting van het rijk van Efraïm naar de zijde van Juda (1 Kon. 15:17) in aanmerking komen. De stammoeder van Jozef en Benjamin lag in het gebied van Juda, in de nabijheid van Bethlehem begraven. Dat had voor Efraïm ene bestendige herinnering moeten zijn, hoe nauw het met Juda en het huis van David verbonden was, zodat het, ook nadat het zich onder Gods toelating tot een bijzonder rijk gevormd had, toch nooit zulk ene grenslijn had moeten trekken, waardoor niet alleen de tien stammen zich afzonderden, maar ook de stem van Benjamin in twee delen gescheiden werd (1 Kon. 11:39). Daar het nu echter toch in dat Rama om zo te zeggen aan het rijk van Juda den afscheidsbrief schreef, veroordeelde het zich tot den ondergang, waarbij het met Rachels kinderen voor altijd en onwedersprekelijk scheen gedaan te zijn, sedert zij in de Assyrische ballingschap waren weggevoerd. Deze schijnbaar gehele en onherstelbare ondergang, en niet alleen de wegvoering in de ballingschap, is het, wat de stammoeder van de grenzen van het Joodse rijk uit, in welk gebied zij begraven lag, overziende naar dat van het noordelijke, beklaagt en beweent, en waarover zij zich niet wil laten troosten. De 78ste Psalm in den zin, waarin wij dien hebben opgevat, is zulk een klagen en wenen, waarin Rachel als het ware spreekt. Deze Psalm eindigt alleen met klacht en aanklacht, de hoop op ene “wederoprichting” (Hand. 3:21) bevat hij nog niet; daarentegen volgt de voorspelling daaraan op onze plaats, zodat Rachel in dien tijd, waarop de voorzegging doelt, voor haar klagen en wenen, voor haren arbeid in den geest, haar verlangen en smeken, haar loon zal vinden in het terugkeren der tien stammen en in de vereniging met Juda. Bij Mattheüs schijnt juist dat, wat bij Jeremia als ten eindenspoedende op den achtergrond wordt gedrongen, Rachels klagen en wenen over het verlies harer kinderen op den voorgrond te stellen, ja uitsluitend het punt van vergelijking te vormen. Blijft men nu hierbij staan, zo komt men alleen tot ene vergelijking en begrijpt men niet, hoe de Evangelist van ene vervulling der profetie kon spreken. Wij moeten daarom de gedachte hieraan toevoegen, dat even als bij Jeremia Rachels klagen en wenen alleen als een weg tot des te grotere vreugde worde voorgesteld, zo ook Mattheüs het weeklagen en jammeren der Bethlehemietische moeders wil stellen in het licht van het einde der geschiedenis van ‘t koninkrijk Gods. Het bloed dier onschuldig gedode kinderen is niet te vergeefs gevloeid; een ander kind is geborgen en ten prijs van dat bloed gered, en dit kind zal voor het tegenwoordig gejammer der Bethlehemietische moeders niet alleen, maar ook voor Rachels veel oudere en grotere smart ene overvloedige vergoeding en volkomen troost aanbieden. Het is de Redder en Verlosser, door wien het woord van Jeremia in zoverre het de profetie van ene zeer heerlijke toekomst bevat, tot vervulling komt, en voor deze vervulling ligt daarin ene zekerheid, dat dit woord in zoverre het den grond voor de profetie vormt, reeds in de Bethlehemietische moeders zijne vervulling heeft gevonden.
Ik heb, wanneer nu de tijd der grote bekering van Israël (Jes. 63:7; 64:12) zal begonnen zijn, wel gehoord, dat zich Efraïm, hetwelk met die bekering een begin maakt (Hoofdst. 3:12 vv. 18:22 vv.), beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf 1) (Hos. 10:11 11). Bekeer mij, zo roept het, zijne hulp ook tot ware verandering alleen van Mij verwachtende (Klaagl. 5:21), zo zal ik bekeerd zijn, want gij zijt de HEERE, mijn God 1), en overigens heb ik geen helper of redder, tot wien ik mij zou kunnen wenden.
Eer ik getuchtigd werd, was ik als ene onhandelbare var, die het juk niet wilde op zich nemen, noch daarin trekken (Ps. 119:67, 71).
De goddelijke kastijding heeft doel getroffen. Efraïm juicht nu Gods wegen toe en zegt: “Bekeer Gij mij, ” leid mij, breng mij door Uwe kastijding onder het juk Uwer wet terug, Ik zou mij zonder Uwe tucht niet tot u hebben kunnen keren en U gehoorzaam worden, nadat ik Uw juk afgeworpen had. maar Gij hebt mijn weerspannig hart gebroken. Ga voort met mij tot U terug te leiden en mij te bekeren. “Zo word ik bekeerd, want Gij Heere! zijt mijn God, wien ik toebehoor en onder wiens heilig juk alleen ik voorspoedig zijn kan.
Zeker, a) nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mij zelven ben bekend gemaakt, heb ik, vol smart over mijn afkeren van U, op de heup geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb, den hoon, dien ik tot straf voor de zonden mijner jeugd gedragen heb, toen ik nog in verbond met U stond, maar aan die betrekking zo ontrouw was.
Deut. 30:2. Dat wil zeggen, de last mijner vorige zonden weegt mij zwaar op het harte, en ik ben overtuigd, dat al de ellenden en smaadheden, die ik ondergaan heb, slechts de vergelding mijner werken geweest zijn. De profeet, een geheel volk als een enkelen persoon voorstellende, spreekt van zijn vorige zonden alsof die buitensporigheden waren der jeugd. Wij moeten ons dikwijls de zonden onzer jeugd herinneren met berouw en schaamte. Hij is toornig op zichzelven van wege zijne zonde en dwaasheden. Hij gevoelt, dat hij gedrongen wordt om van God af te wijken, en kan niet door enige eigene macht zichzelven bij God houden, veel minder, wanneer hij is afgeweken, zich tot God wederbrengen. Daarom bidt hij: “bekeer Gij mij, en Ik zal bekeerd zijn”. Dit sluit in zich, dat zo God hem niet door Zijne genade bekeerd had, hij nooit zou zijn teruggekeerd, maar eindeloos zou hebben gedwaald. Hij verblijdt zich in zijne ervaring van de gezegende uitwerking der goddelijke genade: “Zeker nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad. ” Al de godsdienstige richtingen van onze harten tot God zijn de vruchten en het gevolg van de machtige werken Zijner genade in ons. Merk op: hij was teruggekeerd, hij was onderwezen, zijn wil was gebogen naar Gods wil. De weg, dien God kiest om zielen tot zich te bekeren, is doordat Hij de ogen opent om te kunnen verstaan, en al het goede is daarvan het gevolg. Wanneer zondaars komen tot ene rechte kennis, zo zullen zij komen tot een rechten weg. Efraïm was gekastijd, maar dat bracht de verlangde uitwerking niet voort; maar wanneer de onderwijzingen van Gods Geest de tuchtigingen van Zijne voorzienigheid vergezelden, dan was er een gezegend gevolg. .
Richt u in stenen zuilen merktekenen, wegwijzers, op, stel u spitse pilaren, die tot wegwijzers dienen, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt, en gij zult dien zeker wedervinden; keer weer, o jonkvrouw Israëls (vs. 4)! keer weer tot deze uwe steden, die gij nu op nieuw zult bouwen. Daar hier gesproken wordt van de tien stammen, die als vernietigd en verloren zijn, zodat niemand onder de mensen ze weer weet te vinden, zo zal wel door de voor ons liggende opwekking zijn uitgesproken, dat zij voor den Heere niet verborgen zijn, maar Hij ze, in zo verre zij nog in ‘t bijzonder bestaan en niet reeds met de eigenlijke Joden zijn zaamgesmolten (2 Kon. 17:23), langs denzelfden weg zal terugbrengen, waarop zij eens in de landen hunner ballingschap gebracht zijn (vs. 10). De voorzegging in Openb. 16:12 vv. heeft dan zijne betekenis. Die wordt door de uitleggers meestal verkeerd verstaan, daar zij, de “koningen, die van den opgang der zon komen zullen” voor helpers van den Antichrist houden, in plaats van voor gelijken aan Cyrus, en werktuigen in de hand des Heeren tot verwezenlijking van Zijne raadsbesluiten over Efraïm. De voorstelling is hier weer hoog dichterlijk: aan Israël wordt beloofd, dat zij zeker zullen wederkeren in hun vaderland, en dit wordt op deze wijze uitgedrukt: “stel bij uw heengaan merktekens op den weg, dien gij gaat; let wel op elk pad, dat gij inslaat, want gij zult langs dienzelfden weg wederkeren; doet als reizigers, die bij hun uitgaan reeds denken aan hun terugkomen, en maatregelen nemen voor de terugreis. Het woord “merktekenen” is eigenlijk “graftekenen” en het volgende “herinneringszuilen, ” eigenlijk “droefheids”- of “bitterheidsmonumenten, ” t. w. wanneer van ene karavaan iemand op de reis sterft, wordt hij aan den weg begraven, en een zuil of steenhoop of ander gedachtenis-teken daar ter plaatse opgericht. Deze gedenktekens of grafmonumenten werden langzamerhand merk- en wegtekenen voor latere reizigers, en van daar hebben, ook andere zodanige tekenen, tot herkenning van den weg denzelfden naam gekregen.
Hoe lang zult Gij u onttrekken, gij afkerige dochter?Zijt gij het omzwerven niet moede? Talm dan niet langer en houd u niet van verre; want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen. Om het ongeduld van de liefde des Heeren, die Zijn volk, nadat Hij Zich weer in genade daartoe heeft gewend, gaarne op het spoedigst in volle mate wil zaligen, en enigermate door des te groteren spoed den tijd wil inhalen, die is voorbijgegaan, volgt Efraïm de uitnodiging om terug te keren niet spoedig genoeg. Het heeft de terughouding, waarin het niet recht vertrouwt de hem voorgehoudene erfenis in bezit te nemen, als een overblijfsel van zijn vroegeren afval, gelijk zij dan ook inderdaad in bewustzijn van vroegere schuld haren oorsprong heeft. Daarop, zo komt het ons voor, rust de vraag in de eerste helft van het vers en de enigszins vreemde aanspraak: “gij zijt toch de afvallige niet meer (Hoofdst. 3:6 vv.) maar de bekeerde, gij, behoeft dus ook nu niet meer u verre te houden. Omtrent de tweede helft van het vers heeft den uitleggers de vraag veel bezig gehouden, wat dit nieuwe, dat de Heere in het land wil scheppen: “de vrouw zal den man omvangen” betekent. Er zijn daarover gehele boeken geschreven. Luther zegt: “Ik werp de opvatting der ouden niet weg, die zeggen: “Christus is de man door Maria omgeven, d. i. ontvangen en geboren. ” Dan zouden wij hier de vervulling hebben van de profetie in Jes. 7:14 (vgl. Gen. 4:1). Intussen is, gelijk Starke juist opmerkt, hier geen sprake van de eerste maar van de laatste tijden des N. T. Dan geeft Openb. 14:1-5 de verklaring; de nieuwe verbondsbetrekking, in welke Israël na zijn terugkeren in het heilige land tot den Heere zal staan, is hier bedoeld. V. d. Palm tekent aan: “Dit gezegde, dat de gedaante van een spreekwoord heeft, betekent, die de zwakste was, is de sterkste geworden: of, de zwakste in schijn zal de sterkste zijn inderdaad. Ene bemoediging voor Israël tegen de gevaren der wederkering. “
Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, ten opzichte van Juda, dat Hij bij de volvoering Zijner raadsbesluiten over Efraïm geenszins zal vergeten: Dit woord zullen zij nog, even als voorheen bij voorbeeld in het optochtslied, Ps. 122, geschied is, zeggen in het land van Juda, en in zijne steden, namelijk dan, als Ik hun gevangenis wenden zal(Hoofdst. 29:14; 30:3, 18): De HEERE zegene u, Jeruzalem, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid(Hoofdst. 50:7; 23:6. Jes. 66:20; 9:16).
Hij bevestigt met andere woorden dezelfde verzekering, en deze herhaling is niet overbodig. Want het was moeilijk den Joden te overtuigen, omdat zij reeds hadden vastgesteld dat, het niet gebeuren kon. Want door hun hardnekkigheid hadden zij alle toegangen voor Gods woord afgesloten. Dewijl derhalve de wanhoop hen zo in bezit had genomen en hun gevoelens had omwonden, was het noodzakelijk met vele woorden hen er bij te bepalen, opdat zij innerlijk de belofte van het heil toegang verleenden. Bij de beloften van toekomstigen zegen, voornamelijk aan Efraïm gegeven, kon het schijnen, dat Juda bij het overige Israël was achtergesteld. Daarom worden als tot geruststelling deze beloften nog uitdrukkelijk ook tot Juda uitgebreid, daar toch uit alle stammen van Israël te zamen het ene volk van God moest bestaan en niet één van den aanstaanden zegen zou zijn uitgesloten. Ook Juda zal in zijn land terugkeren; het heiligdom, het middelpunt en de bron van allen zegen zal weer met zegenwensen worden begroet. Het gehele land zal weer worden bewoond, akkerbouw en veeteelt zullen in bloei zijn: want de Heere wil voor allen nood hulp, voor elke behoefte bevrediging geven.
En Juda, mitsgaders al zijne steden met alle bewoners zijner steden (Hoofdst. 11:12) zullen te zamen daarin, in het land van Juda, (vs. 23) wonen; de akkerlieden en die met de kudden reizen, 1) zodat men zich ongestoord op den vreedzamen akkerbouw en de veeteelt toeleggen kan, even als Samaria op den wijnbouw (vs. 5).
Want ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige versmachtende ziel vervuld. 1) Ik zal Mijn volk, dat zo lang door nood en zorg, door honger en dorst van allerlei aard gekweld en gedrukt werd, bovenmate bevredigen en zaligen.
Hiermee belooft de Heere een volheid van genade, een overvloed van zegeningen. Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is. Als de Heere Zijne zegenende en reddende hand ontsluit in den weg van schulduitdelgende en schuldvergevende genade, stort Hij ook den vollen stroom Zijner genade uit, zodat zijn volk het ervaren mag, dat Hij een overvloeiende mate van zegeningen schenkt. Dat zou Zijn geestelijke kudde op bijzondere wijze ondervinden.
(Hierop ontwaakte ik (vs. 25) uit mijnen slaap, en ik zag toe als een, die bij het ontwaken er over denkt, wat hem nu te doen staat, en mijn slaap was mij zoet; want ik wist, dat ik den rechten tijd niet zou verslapen, noch verzuimen). Door de meesten worden deze woorden op Jeremia toegepast. Zo onze Staten-overzetters: “Dit zijn woorden van Jeremia, die hij hier invoegt, om zijne geestelijke vreugde te betuigen over deze heerlijke profetie van den Messias, die God hem in den slaap openbaarde. ” In denzelfden zin spreken Gataker, Poole, Henry en Scott, Klinkenberg, v. d. Palm enz. De laatste zegt: “Jeremia vergelijkt de profetische verrukking, waarin hij geweest was, en waarvan al het voorgaande in toon, in stijl, in afgebrokenheid en vastheid der wendingen getuigenis draagt, gelijk hij die ook in vs. 3 had aangekondigd; hij vergelijkt deze verrukking, waaruit hij nu voor een poos terug komt bij een zoeten slaap, uit welken hij ontwakende rondom zich ziet; een beeld, waarvan ook Zacharias (4:1) zich bedient, misschien in navolging van onzen Profeet. Dit blijft toch altijd verre weg de natuurlijkste en gemakkelijkste verklaring van deze plaats, en als zodanig te verkiezen boven ene andere, volgens welke het Joodse volk hier sprekende zou worden ingevoerd, verrukt over de voorrechten, die aangekondigd zijn; doch die bezwaarlijk bij een slaap of ontwaken uit enen slaap konden vergeleken worden. Keil zegt terecht: “Mijn slaap was mij zoet, zou in den mond Gods ongepast wezen, wijl God niet slaapt, nergens in de Schrift God een slapen wordt toegekend, en de eis tot ontwaken slechts het niet ingrijpen Gods in de aangelegenheid van zijn volk veronderstelt. “
Ziet, de dagen komen 1) (Hoofdst. 23:5), spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda, die weer tot één volk vergaderd zijn (Hoofdst. 3:18), bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten (Hoofdst. 33:10 vv. (Ezech. 36:9 vv.).
Wij zien dat de Profeet niets nieuws voortbrengt, maar slechts den Joden moed inblaast, om te vertrouwen op hun bevrijding en terugkeer. Doch hij gebruikt een andere vergelijking dat n. l. de Heere weer op de aarde zou zaaien, zodat Hij voortbracht zowel mens als vee en alle ziel van gedierte. Wij hebben gezegd dat het land tijdelijk braak lag en verlaten. Waar derhalve God op die wijze het land had veroordeeld, zodat alle heidenen meenden dat het Overgegeven was aan eenzaamheid en verwoesting, daar zegt de Profeet, dat God zou bewerken dat het weer bewoond werd, zowel door mens als door vee. En die vergelijking versiert te meer de genade Gods. De zin hiervan is duidelijk: Ik zal het land van al de geslachten Israëls zo vermenigvuldigen en vervullen met mensen en vee, alsof het ganse land met zaad van beide bezaaid was, en het zo vele vruchten voortbracht als koren, in een vetten grond geworpen, gewoon is te doen.
En het zal geschieden, wanneer Mijne oordelen zullen worden volvoerd, gelijk als Ik over hen gewaakt heb (Jer. 1:12), om uit te rukken en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen: alzo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, (Hoofdst. 18:7 vv.), spreekt de HEERE. 1)
Hiermee verzekert de Heere, dat Hij de macht had om uit te rukken, maar ook de macht heeft om weer te herstellen. Dat Hij het is, die om hunner zonden wil hen in ellende had gebracht, maar hen ook nu weer in vrijheid zou heenzenden, dat derhalve zowel het kwade als het goede van Hem was. Bovendien wil de Heere hierdoor het vertrouwen bij hen wekken. Zijne dreigingen, Zijne oordelen zijn uitgekomen, derhalve zo zeker zullen ook Zijne beloften van uitredding vervuld worden.
In die dagen 1) zullen zij niet meer zeggen, gelijk men dit tot hiertoe dikwijls in verkeerden zin gezegd heeft, maar ook in juisten zin wel met reden kon zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven (Jes. 5:2) gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden(Ezech. 18:2. (Klaagl. 5:8).
De Profeet zegt derhalve dat dit spreekwoord niet meer gebruikt zou worden, dewijl, waar zij door rampen waren overheerst, zij zeker zouden gewaar worden dat God niet zo streng was geweest, zonder rechtvaardige oorzaak. Doch hij zegt: in die dagen, n. l. nadat God rechtvaardige straffen had gezonden over hen en vervolgens hen omhelsd had met Zijn mededogen. Want beide was noodzakelijk, n. l. dat de hardnekkigheid en woestheid van het volk werd ten onder gebracht en zij zouden ophouden met God te twisten, vervolgens dat de genadevolle gunste Gods in hen zou openbaar worden.
Maar een iegelijk zal om zijne ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijne tanden zullen stomp worden(Deut. 24:16). Het spreekwoord van de zure druiven en het stomp worden der tanden, hier voor de eerste maal vermeld, kan een dubbelen zin hebben. Het kan betekenen: De vaderen zijn begonnen onrijpe druiven te eten maar eerst zijn den kinderen de tanden daarvan scherp geworden, d. i. de straf treft niet altijd dadelijk den eersten schuldige, maar dikwijls eerst den schuldigen van de tweede, derde of vierde generatie. Het kan echter ook betekenen: de straf treft niet altijd den schuldigen vader, maar dikwijls eerst den onschuldigen zoon of kleinzoon. In den laatsten zin bestrijdt Ezechiël in Hoofdst. 18 het spreekwoord als ene lastering der gerechtigheid Gods. In den eersten zin bevat het gene godslastering, maar drukt slechts hetzelfde uit wat de wet zelf uitspreekt met de woorden: “Ik ben een ijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek tot in het derde en vierde lid dergenen die Mij haten (Ex. 20:6; 34:7. Num. 14:18. Deut. 5:9. Jer. 32:18. Klaagl. 5:7). Deze grondstelling der Goddelijke gerechtigheid berust op de veronderstelling, dat het niet alleen ene individuele, maar ook ene corporatieve zonde, ene zonde van families, van geslachten, van generaties, volken en staten is. Alzo heeft iedere zodanige aan veler gemene zonde hare geschiedenis; zij ontwikkelt zich als elke andere kiem, totdat zij hare verste uitbreiding en volle rijpheid verkregen heeft, met de rijpheid valt ook het gericht te zamen. Den dan levenden worden de tanden stomp, mogelijk wel den minder schuldigen (men denke aan Lodewijk XVI van Frankrijk), maar altijd zeker als den kinderen van hun vaders in dien zin als de uitdrukking in Matth. 23:31 v. gebruikt is, d. i. als den appel, die niet ver van den stam valt, als de organische voortzetting en volmaking van de zedelijke richting, door de raderen ingeslagen. Gerechtigheid en gericht zal in het heilige land zo worden onderhouden en gekweekt, dat zonde en straf niet meer gehele reeksen van geslachten treffen, maar ieder zondaar terstond de rechtmatige straf ontvangt.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken (Hebr. 8:8 vv.). Met de verschijning van den Messias zal het worden opgericht, maar eerst ten volle tot stand komen bij de eindpaal der eeuwen (Hos. 2:16 vv. Openb. 11:12);
Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, zodat ook aan dit eerste verbond grote betoningen van genade voorafgegaan waren, en het ook zijne heerlijkheid had (2 (Kor. 3:7 vv.), welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, door hun onvernieuwd gebleven hart, hoewel Ik hen getrouwd had 1), spreekt de HEERE.
Of het verbond der genade in alle eeuwen der wereld hetzelfde is in Zijn wezen? Wij antwoorden: Ja. De vaders vóór Christus hebben geen ander verbond gehad dan wij; hetzelfde verbond der genade gaat ons te zamen aan. Dit blijkt, omdat zij vooreerst dezelfde belofte gehad hebben, ten tweeden zij hebben die op denzelfden grond gehad, door hetzelfde geloof in Jezus Christus (Joh. 8:56.) Waarin bestaat dan het onderscheid tussen de Oude en Nieuwe bedeling van het verbond der genade? Zij zijn onderscheiden: 1) in het voorwerp. In de Oude bedeling was Christus beloofd, maar in de Nieuwe is Christus gegeven. 2) In de bondsgenoten. Onder de Oude bedeling worden zij vergeleken bij een minderjarigen erfgenaam, in de Nieuwe bij enen erfgenaam, die tot zijne jaren gekomen is (zie (Gal. 4:1-7).
In de manier van kunnen godsdienst In het N. V. is onze godsdienst meer geestelijk. 4) In den last der ceremoniën, “een juk hetwelk noch onze vaders noch wij hebben kunnen dragen” (Hand. 15:10), maar Christus nodigt: “Neemt Mijn juk op u, want Mijn juk is zacht, en mijn last is licht. ” (Matth. 11:29, 30). 5) In de zwakheid der wet. De wet was onmachtig om het leven te geven, de conscientiën te reinigen. Gods toorn te verzoenen. Daar was ene minder krachtige invloeiing des H. Geestes. De Geest was toen niet gegeven in zo ruime mate als nu, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was (Joh. 7:39). 6) In de duisternis der bediening van ouds. Christus was des Vaders, maar alleen afgebeeld door schaduwen, voorbeelden en voorzeggingen, maar nu zien wij Hem “met ongedekten aangezichte” (2 (Kor. 3:18). 7) In het getal der deelgenoten dezes verbonds. Nu is de middelmuur des afscheidsels tussen Joden en Heidenen gebroken; het verbond der genade is gemaakt met alle volken, “Hij is ook een God der Heidenen en niet alleen der Joden” (Rom. 3:29).
Maar dit is het verbond 1), dat Ik na die dagen, die eerst moeten voorbijgaan, vóórdat de nieuwere tijd in vs. 31 kan aanbreken, met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Ezech. 36:26 vv. 2 Kor. 3:3 en Ik zal hun tot een God zijn (Hoofdst. 24:7; 30:21 vv.), en zij zullen, terwijl hetgeen reeds bij het eerste verbond geëist werd (Hoofdst. 7:23) nu ook werkelijk door hen geschiedt, Mij tot een volk zijn 2).
Hij wijst hier het onderscheid aan tussen Wet en Evangelie, dewijl het Evangelie met zich brengt de genade der herschepping en dus niet is een letterlijke kennis, maar doordringt tot hun harten en alle hartstochten reformeert tot gehoorzaamheid aan de gerechtigheid Gods. De vraag kan nu wel te berde gebracht worden, of dan onder de wet de genade der herschepping heeft ontbroken. Doch dat is al te ongerijmd. De vaderen, die eertijds zijn wedergeboren, hebben dit ontvangen door de genade van Christus, wij zouden zo kunnen zeggen als het ware bij wijze van vroegere overbrenging. Deze deugd resideerde derhalve niet bij hen, zodat zij hun gemoederen binnendrong, maar het was een van het Evangelie tot de Wet zelf overgebracht goed.
God vat hier de hoofdzaak van Zijn verbond in het generale samen. Zo dikwijls nu God zich aan ons verklaart onze God te zijn, bindt Hij tegelijk zijn Vaderlijken gunst aan en verklaart dat Hij zorg draagt voor ons heil. Hij geeft ons vrije vergunning tot gebed, beveelt ons op Zijne genade zich te verlaten, kortom deze belofte bevat in zich alle delen van ons heil.
En zij zullen niet meer, gelijk vroeger het geval was, toen men tot openbaring Mijner kennis bijzondere middelaars en profeten nodig had, aan iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen, daar zij zelf tot dragers van Mijnen Heiligen Geest en tot profeten zijn geworden (Joël 3:1 vv.), Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe (Jes. 54:13. Joh. 6:45. 1 Joh. 2:20, 27 spreekt de HEERE: a) want (vgl. Hebr. 10:16 vv.) Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken (Jes. 43:25; 44:22.)
Jer. 33:8. Micha 7:18. Hand. 10:43. Dat de profeet des Nieuwen Verbonds dit tegelijk aanschouwt met de herstelling van Israël op den grond van het land der belofte is geheel naar de orde, toch wordt in de uitdrukking vs 33 : “na die dagen” reeds aangeduid, dat de nieuwe tijd niet alleen moet gekomen zijn, maar binnen dien tijd ook de gezochte plaats moet gevonden zijn. De ware bedoeling van het verbond, door de Schrift voorgesteld, is deze, niet dat er een verdrag tussen God en den mens wordt gesloten, maar dat van den Heere het initiatief, de oprichting van het verbond, en juist daarom de vaststelling van de orde des verbonds uitgaat; met andere woorden: het verbonds Gods is wezenlijk ene stichting. Aan de andere zijde kan nu echter ook elke door God tussen Zich en de mensen gestichte betrekking, even als de aan David geschonken belofte van genade (Ps. 89:4) ja elke door Hem aan het schepsel opgelegde regeling en beperking (Hoofdst. 33:20. (Hos. 2:18. (Zach. 11:10), in ‘t bijzonder elke theokratische instelling, zoals die van den sabbat (Exod. 31:16), een verbond worden genoemd. Nog meer bepaald heeft het verbond des Evangelies het karakter van ene stichting, rijk in genade, in zekeren zin erfgift (men zie daaromtrent vooral de plaats Luk. 22:29 als terugslaande op vs. 20); daardoor wordt de bewijsvoering in Gal. 3:15 vv. Hebr. 9:16 v. die zich aan de laatste betekenis over het woord aansluit, gerechtvaardigd. De eerste meer bijzondere belofte (Hebr. 8:6), op welke het nieuwe Verbond komt te staan, is deze, dat in de plaats van de uitwendige, van buiten af dringende en alzo de tegenspraak opwekkende letter moet komen de Goddelijke wil, die in ‘t binnenste gelegd wordt, en inwendig dringt, en die de band moet worden, die met God verenigt. De tweede is deze, dat ten gevolge van inwendige, voor ieder waarneembare openbaring van God levende kennis van God het eigendom van allen zal zijn. De derde is deze, dat alle zonden, zonder dat er ene voorwaarde voor de zijde der mensen is, tegemoetkomende genade van eeuwig geldende vergeving vinden. Deze laatste belofte is het fondament en tevens de hoeksteen van alle; vgl. het slotwoord der rede van Jes. 33. Let op: wie in den tijd des Nieuwen Verbonds nog leeft naar de wijze des Ouden en niet in het geloof in Jezus een nieuw hart ontvangt, die wordt ook naar de wijze des Ouden Verbonds behandeld. In zo verre duurt het Oude Verbond voor ongelovige Christenen en Joden, nog altijd tot aan het jongste gericht voort, maar het heeft volstrekt gene beloften meer, vermits deze te gader in het Nieuwe Verbond vervuld zijn. Hier is ene onpeilbare zee van zaligheid, een strandeloze oceaan van genot; kom, baad uwen geest daarin; al zwemt gij ene eeuw, een oever vindt gij niet; peil door de eeuwigheid heen, en gij zult geen bodem voelen. “Ik zal hun tot een God zijn. ” Als dit uwe ogen niet doet glinsteren, uw hart niet hoorbaar van geluk doet kloppen, dan is uwe ziel zeker in geen gezonden toestand. Maar gij behoeft meer dan tegenwoordige genietingen-gij reikhalst naar iets, waarop gij uwe hope bouwen kunt, en waarop kunt gij meer hopen, dan op de vervulling dezer heerlijke belofte: “Ik zal hun tot een God zijn?” Dit is het meesterstuk aller beloften; de zekerheid en het gevoel daarvan maakt een hemel hier beneden en zal een hemel daarboven maken. Rechte kennis van, herstelde gemeenschap met oprechte toewijding van God, ziet daar de zegeningen, die hier met kracht op den voorgrond treden! Bedenkt men, wat waarde voor Jeremia, den priesterzoon, bepaaldelijk de uitwendige godsdienstplichten en plechtigheden van zijn volk moesten hebben, dan wordt men gedrongen-niet zozeer om de hoogte zijner ontwikkeling te bewonderen, als ware die het werk van eigen wijsheid en kracht, maar om de kracht van den geest der profetie op het diepst te vereren, die zijn uitverkoren volk zover boven het gewone standpunt verhief, en hem de volheid der tijden deed malen met kleuren zo rijk en zo stout, dat wij thans, na achttien eeuwen, nog slechts de aanvankelijke vervulling Zijner godsspraak aanschouwen. Heeft Jesaja bij voorkeur de weldaad der schuldvergiffenis door het bloed der verzoening, Joël, die der vernieuwing door den Heiligen Geest, als vrucht der Nieuwe bedeling geschetst. Jeremia vat beide te zamen, leert ons niet onduidelijk de tweede als vrucht der eerste beschouwen, en doet ons Gods eigen eed, als onwankelbare waarborg voor de dubbele toezegging horen! In het eerste deel van dit vers wordt ene zeer overvloedige kennis onder Jakobs overblijfsel beloofd. Er zijn er, die menen, dat men de tweeërlei uitdrukking “een iegelijk zijn naaste, ” en “een iegelijk zijnen broeder, ” onderscheiden moet opvatten, zodat door de “naasten” de Heidenenen, en door de “broeders” de Joden zouden bedoeld worden; dan zou de zin deze zijn: niemand zal Heiden of Jood behoeven te leren, zeggende: “kent den Heere enz. ” Men geeft er twee redenen van: deels omdat de latere Joden gewoon waren de Jodengenoten, die uit de Heidenen tot de gemeenschap van hun kerk overkwamen, hun naasten, maar de geboren Joden hun broeders te noemen; deels omdat er andere ene nutteloze herhaling van woorden zou plaats hebben. Maar deze onderscheiding schijnt ons te spitsvondig en ongegrond. In de ganse Godsspraak wordt van de Heidenen gene de minste melding gemaakt. Zij handelt alleen van de algemene bekering der Joden, en de onderscheiding tussen de namen naasten en broeder, voor Heidenen en Joden, is in de Heilige Schrift geheel onbekend. Onzes inziens zal de kracht der oorspronkelijke woorden de mening van de Godsspraak duidelijk genoeg kunnen aanwijzen. Het woord “een iegelijk” betekent enen man, en wel enen man van gezag en aanzien, en het werkwoord leren zegt eigenlijk met sporen steken, aansporen en aandrijven, zodat de zin deze is: de Joodse wetleraars, die gestrenge voogden en tuchtmeesters waren onder het Oude Verbond, zullen de Israëlieten niet meer op enen gebiedenden toon belasten, en nog veel minder met geweldige middelen aandrijven, om den Heere te kennen en te dienen. Alle aansporingen zullen eenvoudig in zachte en overredende drangredenen bestaan. Ook zullen de Israëlieten tot het kennen en dienen van den Heere zulk harde aansporingen niet meer nodig hebben; alleen zullen zij daartoe met de uiterste bereidwilligheid volvaardig wezen. Trouwens ter nadere bevestiging wordt er bijgevoegd: “want zij zullen Mij allen kennen van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere. ” Dat is niet van het kleinste kind tot den volwassen man; de pas ontluikende vermogens der tedere jeugd zullen altoos door een redelijk onderwijs moeten beschaafd worden. Maar de Heere bedoelt mensen van allerlei rangen en standen, edel en onedel, rijk en arm, van den meest verachten tot den aanzienlijksten, van den dagloner tot den vorst (vgl. Hoofdst. 6:13). Deze allen zouden den Heere kennen. Niet alsof de maat van kennis bij alle Israëlieten even groot wezen zou. Zulk ene opvatting is alleszins strijdig met de natuur der zaak zelf. Haar de Heere wil dit zeggen: “Elk Israëliet zal, naarmate van zijne verschillende vermogens en omstandigheden ene genoegzame en opgehelderde kennis hebben van den Heere en Zijnen dienst, en deze kennis zal aan ieders hart door de genade van den Geest geheiligd wezen. ” Maar wat zou den Heere bewegen, om aan gans Israël zulke grote weldaden te bewijzen? Zouden zij het zich waardig maken? Neen, de beweegreden zou gene andere wezen dan deze, dat de Heere Zijnen toorn niet in eeuwigheid behoudt, en Israël alle ongerechtigheden vergeven zal. Dit vinden wij vs. 34b “want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonden niet meer gedenken. ” Het ganse beloop van zaken wijst ons naar ene bepaalde ongerechtigheid en zonde bij uitnemendheid, namelijk den Messiasmoord, de zwaarste van alle ongerechtigheden, aan welke de Israëlieten zich ooit hebben schuldig gemaakt. De mening is derhalve onzes inziens deze, dat de Heere aan Jakobs nageslacht hun schromelijke ongerechtigheden in het smadelijk verwerpen en vermoorden van den Messias, onder welke geduchte gevolgen deze hardnekkige natie eeuwen lang zuchten zou, eindelijk eens volkomen vergeven en die niet meer gedenken zal, even alsof zij zich daaraan nimmer hadden schuldig gemaakt. Door den Messiasmoord zouden de Joden eindelijk eens de maat van hun ongerechtigheid dermate vervullen, dat de Heere hen als een onwaardige Lo-Ammi geheel en al verstoten, en onder al de heidenen verstrooien zou. Zo lang nu de Messiasmoord hun niet vergeven was, zouden zij op des Heeren gunst en zegen niet kunnen hopen. Maar evenwel eigenlijk zou de Heere, die Zijnen toorn niet tot in eeuwigheid behoudt, deze ongerechtigheid ene vergeven en vergeten, en hen uit dien hoofde met ene algemene bekering, en enen groten overvloed van allerlei heil rijkelijk verwaardigen. Uit al hetgeen wij gezegd hebben over vs. 31-34 ziet een iegelijk, dat de dagen waar in deze godsspraak volledig zal vervuld worden, nog niet gekomen zijn. Het is waar, in het begin van den Evangeliedag heeft de Heere met Israël een nieuw verbond gemaakt, ook heeft Hij er enigen bekeerd door Zijne wet te geven in hun binnenste; sommigen hebben den Heere leren kennen en vergeving van hun zonden bekomen. Maar de Joden, die toenmaals met deze voorrechten verwaardigd werden, waren slechts weinigen in vergelijking met de gehele natie. De volledige vervulling is nog aanstaande in het laatste der dagen bij de algemene bekering der Joden (Rom. 11:27). De Heere belooft een nieuw verbond. Welke is de betrekking tussen het Nieuwe en het Oude Verbond? Het Oude Verbond bestond van het ogenblik af, dat God de Israëlieten uit Egypte geleid, en, door enen prijs voor hen betaald, tot Zijne knechten gemaakt had. Alle voorrechten van de zijde Gods aan de kinderen der mensen geschonken, leggen hun tevens ene verplichting op, waaraan zij zonder schending van het Verbond, zich niet kunnen onttrekken. Het Nieuwe Verbond kan daarom niet een geheel ander Verbond zijn, dan hetgeen bij de wetgeving op Sinaï gesticht werd. Want ook het Oude Verbond was ene openbaring Gods, en ook in het Oude had God verklaard, de God van Israël te willen zijn. Ja het Nieuwe Verbond zelf zou genen waarborg voor zijn bestaan opleveren, indien het Oude, dat trouwens ook een Verbond Gods was, volkomen afgeschaft kon worden. “Jezus Christus, ” zegt de Apostel der Heidenen, “is een dienaar geworden der besnijdenis, van wege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen” (Rom. 15:8). Wat in het Oude Verbond slechts in de kiem voorhanden was, zal tot volle vrucht komen; wat in het Oude Testament afgeschaduwd werd, zal verwezenlijkt; wat beloofd was, zal vervuld worden. Alzo zal het Oude Verbond ophouden, echter niet door oplossing, maar door vervulling. Zijn schijnbaar sterven is het begin van een nieuw, heerlijk leven, even als de Christus aan het kruis in de diepe vernedering sterft, om uit de opstanding der doden naar den Geest der heiligmaking krachtelijk bewezen te worden de Zoon van God te zijn. Het Oude is het Nieuwe, en is het ook niet, maar God zelf gelijkt in deze aan een iegelijk schriftgeleerde in het koninkrijk onderwezen, die uit zijnen schat oude en nieuwe dingen voortbrengt. God herhaalt nooit slechts het oude, en Hij doet nimmer iets dat volstrekt nieuw is. Hieraan getuigen Zijne werken in het rijk der natuur en Zijne wonderen in het rijk der genade. Verscheidene zegeningen worden in het nieuwe Verbond beloofd, niet in volstrekte, maar in betrekkelijke tegenstelling van het Oude, namelijk vergeving van zonden, verlichting van het verstand en vernieuwing van het hart. “Ik zal mijne wet, ” spreekt de Heere, “in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. ” In plaats van op de tafelen der getuigenis, aan de hand van Mozes toebetrouwd, schrijft Jehova thans Zijne wetten in hun hart. Maar ook in het Oude Verbond wordt van de wet geroemd, dat zij de ziel bekeert en het hart verblijdt, en ook in de tijden der Oude bedeling wees de besnijdenis der voorhuid op de besnijdenis des harten, en vroeg David den Heere hem een nieuw hart te scheppen. Reeds aan Abraham werd beloofd dat Jehova zijn God en de God van zijn zaad wilde zijn. Indien nu van de dagen des Nieuwen Verbonds gezegd wordt, dat de wet in het hart geschreven zou worden, en God hun tot enen Heere zou zijn, dan kan slechts bedoeld zijn, dat de vervulling van deze toezegging zo krachtig en zo handtastelijk wezen zou, dat al hetgeen de Heere in vroegere dagen gedaan heeft, hierbij vergeleken, niet meer in aanmerking zou komen. Alzo zal ook van de ark niet meer gesproken worden, noch van het opvoeren uit Egypte (Jer. 3:16 en 13:7, 8 ,). Een iegelijk, luidt een tweede belofte zal kennis vergaderen, niet door hetgeen hij van enen broeder, maar van den Heere zelven geleerd heeft. Door menselijk onderwijs weet men van God, door de onderwijzing des Geestes kent men God. Mensen kunnen op God wijzen, Hij moet Zich zelf bewijzen; mensen kunnen van Hem getuigen, Hij moet Zich zelven aan de harten betuigen. Niemand kent God, niemand kan Christus den Heere noemen, dan door den Heiligen Geest. In de tegenwoordige bedeling verklaart een leraar uit Israël, leert Israël de wet van enen sterflijken mens, daarom vergeet het haar. Want even als vlees en bloed voorbijgaan, vergaat ook zodanig een onderwijs. Eenmaal zullen allen uit de mond des Heeren zelven onderwezen worden, gelijk geschreven staat: “alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd worden” (Jes. 54:13). Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat al de vromen des Ouden Verbonds door den Heere onderwezen werden, terwijl in de dagen des Nieuwen Verbonds zeer velen enkel van mensen leren. De Heere wil Zijne kennis door Zijnen Geest schenken, moet echter er mede beginnen, iets weg te nemen, namelijk de zonde. Zolang de ongerechtigheden, die het volk en God van elkaar scheiden, niet weggenomen zijn, kan de Heere onmogelijk onder hen wonen. Maar ook vergeving der zonden was onder het Oude Testament niet onbekend, want de kinderen Gods prezen dengenen zalig, wiens zonden vergeven zijn, en verblijdden zich in enen God, bij Wien vergeving is, opdat Hij gevreesd worde. Het verstrooid en vertreden Israël kon wel vrezen, dat het voor altijd verworpen was en nooit meer vergeving zou ontvangen. Neen, antwoord God, de vergevende genade begint, wanneer gij haar geëindigd gelooft; twijfelt aan alles maar twijfelt nimmer aan de getrouwe en vergevende barmhartigheid van uwen Jehova. Waar de zonde machtig wordt ten dood, wordt de genade nog meer overvloedig. Is dat uitzicht misschien al te lieflijk om immer vervuld te worden? Hoort des Heeren antwoord: “Indien de hemelen daar boven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse huis Israëls verwerpen. ” Eer zal het onmetelijke gemeten en het onpeilbare gepeild worden, eer dat God Zijn verbond met Zijn volk verbreekt. De verwoeste stad zal herbouwd, en van het begin tot aan het einde een heiligdom des Heeren worden. Indien in vroegere dagen de vijanden het onreine in het heiligdom brachten, thans zal het eenmaal onreine geheiligd worden. De zegepraal, de volkomene overwinning is verzekerd, want er zal niets worden uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. De zin is, dat allen, die in het verbond der genade zijn, zo van God geleerd zullen worden, dat een iegelijk van hen in de ene of andere mate God kennen zal, inwendig, duidelijk, ondervindelijk, zoet en zalig. Ik weet dat er verscheidene trappen van deze kennis zijn. God heeft verschillende vormen in Zijne school: er zijn vaders van wege de ervarenheid, jongelingen van wege de sterkte, en kinderen van wege de waarheid en het wezen der genade (1 Joh. 2:12). Gelijk de ene ster verscheiden is van de andere in heerlijkheid, zo is het ook met Christus’ school. Maar hier ben ik van beide zijden bezet. a) Enigen zijn gereed om te klagen: helaas, zij kennen zo weinig van God. Geliefden! bedenkt: het is enkel genade, dat gij sterren zijt, al is het, dat gij juist gene sterren zijt van de eerste of tweede grootte. Indien gij nu maar weinig kent, met den tijd zult gij meer kunnen kennen. God leert al Zijne lessen niet bij de eerste intrede. Het is waar: de opening of de ingang Uwer woorden geeft licht (Ps. 119:130), maar dit is ook waar, dat God in Zijn licht ons leidt met trappen; het is niet te versmaden, als God het harte maar bezig houdt met heilige begeerten en verlangen naar kennis, zo dat het in oprechtheid kan zeggen: Mijne ziel is verbroken van wege het verlangen naar Uwe oordelen te aller tijd (Ps. 119:20). b) Anderen daarentegen houden zichzelven zo wel geleerd uit kracht dezer belofte, dat zij alle leerlingen van mensen buiten sluiten. Ik antwoord: deze woorden zien óf op de gronden van den godsdienst, en zo hebben de Christenen in den tijd des Evangelies niet nodig, om in deze grondstukken geleerd te worden, want nu kennen zij allen den Heere van den kleinste tot den grootste toe, óf anders deze woorden zijn alleen te verstaan bij vergelijking. Er zal zodanige overstroming en ene zee van kennis zijn onder het Nieuwe Verbond, boven het verbond met Zijn volk gemaakt, als Hij hen uit Egypte leidde, dat de mensen niet van node zullen hebben elkaar te leren bij vergelijking. Aldaar zal ene verhevene baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen (Jes. 35:8). Hoe wordt God gezegd de ongerechtigheid te vergeven en de zonden nimmermeer te gedenken? Vooreerst, God wordt gezegd de ongerechtigheid te vergeven, als de schuld der zonde is weggenomen; en ten tweede: God wordt gezegd de zonden nooit meer te gedenken, naardien Hij den zondaar nooit meer aanmerkt als zondaar. Dit is immers het verbond, alsof Hij gezegd had: Ik zal uwe zonden wegnemen, en ze wegdoen alsof ze nooit geweest waren. Ik zal ze uitdoen uit Mijn gedenkboek; Ik zal het schrift doorstrijken dat niemand het zal kunnen lezen. Maar zoudt gij mogen zeggen: indien de zonde gedurig in de wedergeborenen blijft, hoe zijn zij dan zo vergeven, dat zij nooit meer gedacht worden? In onderscheidene opzichten zeggen wij, dat de zonde altijd blijft in de gelovigen, en dat de zonde niet blijft in de gelovigen. Vooreerst, zo wij spreken van de wet wij spreken van de wet der zonde, of van de welverdiende oorzaak der verdoemenis, dan blijft die altijd; maar zo wij spreken van de dadelijke verbinding des zondaars tot de verdoemenis, dan blijft zij niet na de vergeving; maar de zondaar is zo vrij, alsof hij nooit gezondigd had.
Zo zegt de HEERE, die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts (Gen. 1:14 vv. Ps. 136:7 vv.), die de zee klieft, dat hare golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn naam (Job. 26:12. Jes. 51:15).
Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, dat Ik ze niet meer liet bestaan, wat echter nooit zal geschieden zolang deze tegenwoordige wereld bestaat (Hoofdst. 33:25 vv. (Gen. 8:21 vv. 9:9 vv.); spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij van zelfstandig en vast bestaan voor Mijn aangezicht, al de dagen 1).
Dat Hij, die belooft heeft zich een kerk te bewaren, Zich getrouw betoond heeft aan het woord dat Hij gesproken had, betreffende de vastigheid van de wereld. Hij nu, die getrouw is aan het verbond met Noach en zijne zonen, omdat Hij het ingesteld heeft tot een eeuwig verbond, zal niet vals bevonden worden, in zijn verbond met Abraham en zijn zaad, Zijn geestelijk zaad, want dit is ook, een eeuwig verbond. Zelfs hetgeen zij gedaan hebben, hoewel zij veel kwaad hebben gedaan, zal niet vermogen om de genadige oogmerken van het verbond te verijdelen.
Zo zegt de HEERE; indien de hemelen daarboven gemeten(Hoofdst. 33:22. Jes. 40:12), en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, wat niemand kan, zo zal Ik ook zijne barmhartigheid en genade laten eindigen (Ps. 36:6 en het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, dan zal weer een gericht als vroeger komen, spreekt de HEERE. Door eeuwigen duur zal het Nieuwe Verbond zich boven het Oude onderscheiden. Het Oude is door Israël gebroken, en het volk is daarom door Jehova verworpen; dit zal onder het Nieuwe niet meer geschieden; en het zal als het ware een tweede regeling der natuur worden, het zal zo onbewegelijk bestaan als de grote natuurwetten. Onder het Oude Verbond had de natie, gelijk ene overspelige, de heiligste banden verscheurd, en in de gevangenis van Babel dwaalde zij rond als ene vrouw, die door haren gemaal verstoten was. Maar thans, de scheiding zou door verzoening vervangen, en het zwakke aan het sterke, het volk van Jehova met onlosmakelijke liefdekoorden vastgesnoerd worden. Of zou wellicht dat uitzicht al te bekoorlijk zijn om immer vervulling te vinden? Het is alsof de profeet die bedenking in het kleinmoedige hart voorziet. Ene majestueuze beschrijving van Jehova’s macht en trouw moet haar afsnijden, en op den sterkst mogelijken toon wordt verzekerd, dat het onmetelijke eerder gemeten, en het onpeilbare eerder gepeild worden zal, eer Gods verbond met Zijn uitverkoren volk wordt verbroken (vs. 35-37). De vraag rijst op: Is den daarmee ook werkelijk een onvergankelijke duur van het Nieuwe Verbood met Israël uitgesproken, daar toch hemel en aarde inderdaad eenmaal zullen vergaan (Matth. 5:18; 24:35)? Wij moeten echter hierbij voegen, dat de Heere enen nieuwen hemel en ene nieuwe aarde schept, en gelijk de nieuwe schepping eeuwig voor Hem bestaat, zo zal ook het zaad van Israël eeuwig bestaan (Jes. 54:10; 65:17 en 66:22 Uit onze plaats blijkt duidelijk, dat God Israëls bekering en wederaanneming niet dadelijk de ondergang der wereld, het laatste oordeel en het nieuwe Jeruzalem zal volgen, hetwelk het licht der zon en der maan niet meer behoeft.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoekpoort.
En het meetsnoer zal wijders westelijk nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, gelijk die in Joz. 15:8 nader beschreven is, en zich naar Goath omwenden, waarschijnlijk een punt in het zuidoosten der stad, misschien bij den berg der ergernis (het woord schijnt rotsheuvel te betekenen).
En het ganse dal der dode lichamen en der as, het dal Ben-Hinnom met Tofeth (1 Kon. 1:33), en al de velden tot aan de beek Kidron, die door Josia verontreinigde velden van het dal Kedron (2 Kon. 23:4), tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het Oosten, zal den HEERE ene heiligheid zijn; er zal nietsvan dit heiligdom des Heeren, van deze den Heere van nu aan geheel gewijde stad (Hoofdst. 3:17), weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid (Zach. 14:11). Ene Paardenpoort hebben wij in 2 Kron. 23:15 (vgl 2 Kon. 11:16) leren kennen, die zich binnen de stadsmuur bevond en tot de gebouwen van het koninklijk paleis op Zion behoorde; niet verre daarvan hebben wij de in Neh. 3:28 genoemde Paardenpoort. Het is echter de vraag, of deze poort volgens onze plaats niet liever aan de westzijde van het dal Kedron beneden den oosthoek van den tempel, dicht bij den zuidhoek van den Ofel-muur moet worden gezocht, in welk geval ook de plaats bij Nehemia nog anders zou moeten worden opgevat dan door ons is geschied. Hoe dit ook zij, in elk geval moet door onze profetie niet juist ene uitbreiding van den uitwendigen omvang der stad, maar in de eerste plaats slechts zoveel te verwachten worden gegeven, dat Jeruzalem in zijne gehele vroegere uitgebreidheid zal worden hersteld (Zach. 14:10). Daarentegen zullen in het Zuiden en Oosten de vroeger voor onrein en onheilig gehouden plaatsen, die ontwijd en ontheiligd zijn geworden, als weer gewijd en den Heere eveneens als heilig worden toegerekend, dus van alle gruwelen, die in Jeruzalems onmiddellijke nabijheid zijn bedreven (en daaronder ook in het bijzonder Akeldama, de akker des bloeds (Matth. 27:7 vv.), of die van het verraad, dat in Judas eens geheel Juda aan zijnen Heiland beging (Zach. 11:12 vv.), zal voor altijd worden uitgedelgd, en het ganse verledene zal van de zijde zijner schanddaden zijn vergeven en vergeten, zodat een herhaald oordeel der vernietiging voor Jeruzalem niet meer te vrezen is. Daarentegen zal het dal van Josafat (2 Kron. 20:26) de schouwplaats van het gericht over den Antichrist worden (Joël 3:6 vv. Jes. 66:23 vv. Openb 14:14 vv. 1:11 vv). Deze schouwplaats zal zich uitstrekken van de velden van het dal Kedron in het noordoosten naar het zuiden, en om de zuidoostzijde heen tot aan de Paardenpoort, waar wij die eerst noemden, zodat de boven aangestipt moeilijkheid omtrent de bepaling van die poort is uit den weg geruimd, en nu ook de profetie in Zach. 14:3 vv. licht heeft verkregen. Voorzeker bij het lezen van zulk ene belofte mag de Israëliet, wien het deksel van het aangezicht valt, naar Jeremia’s eigen woord (Klaagl. 3:29) ootmoedig den mond in het stof steken, zeggende: misschien is er verwachting! De Profeet ziet hier in het aardse Jeruzalem het beeld van het nieuwe, van het hemelse. Op Oud Testamentische wijze, of liever in een Oud-Testamentisch kleed, voorzegt Hij de volkomen zegenpraal van het eeuwig Godsrijk. Geen zonde zal er meer zijn, de ongerechtigheid zal volkomen vergeven wezen. Wat Jeremia hier voorspelt, zag de ziener van Patmos als voltooid.
Vraag toch den HEERE voor ons, want Nebukadnezar (= Nebo is de vorst der goden). de koning van Babel, strijdt tegen ons: misschien zal de HEERE met ons doen naar al Zijne wonderen, op dezelfde wijze, als Hij reeds dikwijls wonderbaar uit zware noden heeft gered, dat hij van ons optrekke. Wanneer de goddelozen Gods hulp begeren, verlangen zij gewoonlijk niet Zijne hulp tot verbetering, maar Zijne wonderdadige hulp tot redding bij hun onveranderlijke onboetvaardigheid. Bij de vermelding van Gods vorige wonderen heeft Zedekia misschien in het bijzonder het oog gehad op des Heeren werk, toen hij Sanherib het beleg van Jeruzalem deed opbreken ten tijde van zijnen grootvader Hizkia. De herdenking van Gods vorige wonderen is van groten dienst, om in ons de hoop te verwekken ter verkrijging van toekomende verlossingen, maar alleen hij de onderstelling, dat wij ons in dezelfde omstandigheden bevinden van gehoorzaamheid aan Zijnen wil, anders niet. Hierom zegt Zedekia ook “misschien. ” Overtuiging van zonde belet het vertrouwen en de heilige vrijmoedigheid ook in den beste, en naar mate de schuld der zonde groter is, is de hoop en het vertrouwen in ieder met recht ook minder.
Toen zei Jeremia tot hen, tot de beide afgezanten des konings: zo zult gijlieden tot Zedekia zeggen:
Zo zegt de HEERE, de God Israëls: Ik zal uw leger daar buiten, dat het vijandelijke leger wil tegenhouden, niet bijstaan. Integendeel ziet, Ik zal de krijgswapenen omwenden, die in ulieder hand zijn, met welke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeën, die u belegeren, van buiten aan den muur. Gij zult eerst daarbuiten worden geslagen en vluchten, en Ik zal ze, al die vluchtende krijgslieden, verzamelen in het midden van deze stad, zodat u eindelijk niets overblijft dan ene verdediging binnen de muren.
En Ik zelf zal het daarbij niet laten blijven, maar, wanneer gij tot Jeruzalem alleen zijt beperkt geworden, zal Ik eerst recht tegen ulieden strijden met enen uitgestrekten hand en met enen sterken arm, ja met toorn en met grimmigheid en met grote verbolgenheid, zodat bij den nood van buiten nog veel grotere nood van binnen komt (2 Kon. 25:3).
En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zowel de mensen als de beesten; door ene grote pestilentie zullen zij sterven.
En daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda en zijne knechten en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen (2 Kon. 25:4-7).
En tot dit volk zult gij zeggen, volgens het bevel Gods aan mij: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods door hetgeen ik vervolgens door Mijnen profeet u laat verkondigen. Dit woord is in de eerste plaats in lichamelijken zin op te nemen; toch heeft het ook zijne betekenis in geestelijken zin (Deut. 11:26) in zoverre nu in hetgeen de Heere zegt beslist wordt, wie onder het volk nog ter laatster ure zich in geloof en gehoorzaamheid tot den Heere zou wenden.
Die in deze stad blijft, denkende dat het niet tot het uiterste zal komen, zal sterven door het zwaard, of door den honger, of door de pestilentie. Maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeën (Jes. 3:24), die ulieden belegeren, omdat hij besloten is zich onder Mijne machtige hand te verootmoedigen, die zal leven, en zijne ziel zal hem tot enen buit, zijn (vgl. (Hoofdst. 38:2) vv. 19; 38:9; 52:15).
Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE: zij zal gegeven worden in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden (2 Kon. 25:8). Het is duidelijk, dat den Profeet de wil van God hoger moet wegen, dan hetgeen volgens beperkte menselijke mening de eer en het belang van zijn land vordert, ja dat hij juist door gehoorzaamheid aan dien Goddelijken wil die eer en dat belang het best bevordert. Nog stelt God den weg ten leven en ten dode voor. De weg ten leven is echter tegen menselijk inzicht in die, waarop men enkel dood en schande ziet. Wilt gij u redden, zo moet gij het valse Jeruzalem verlaten, dat aan het gericht is overgegeven (Openb. 18:4 vv.), en daar uw leven zoeken, waar niets dan de dood u voorkomt. Wie zijn leven wil behouden, die moet het verliezen, en wie het om de wil der waarheid overgeeft, zal het behouden. Nebukadnezar zou niet slechts overwinnaar van het volk zijn en zijn triumftocht houden in de veroverde stad, maar de stad was bestemd ten ondergang. Dit nu is zeer erg, wanneer een welgefundeerde stad wordt verwoest. Dikwijls worden de steden ingenomen en de overwinnaar voert de inwoners her- en derwaarts heen, maar de plaats zelf blijft bewaard. Doch God verkondigt hier, dat Hij zeer zwaar zou handelen met de stad Jeruzalem, dewijl zij door vuur verwoest zou worden.
En aangaande het huis des konings van Juda, dat den weg ten dode koos, en waarvoor geen tijd meer is om den weg des levens te kiezen, hoort des HEEREN woord.
Tot Jojakim is dit woord door den Profeet gekomen, dat ook Zedekia in de negen jaren zijner regering niet heeft geacht: O huis Davids! zo zegt de HEERE: Richt des morgens recht, iederen dag, van den vroegen morgen af, om den tijd der genade nog uit te kopen, en verlost den beroofde uit de hand des verdrukkers (Hoofdst. 22:3), opdat Mijne gramschap niet uitvare als aan vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, van wege de boosheid uwer handelingen.
(Hoofdst. 4:4; 7:20).
Hieruit blijkt zo duidelijk mogelijk, welke een van de grote zonden van Davids opvolgers was, n. l. dat het recht gebogen werd, dat men de wezen en de weduwen verdrukte. Een zonde gruwelijk in de ogen van den Heere God. Daarom komt de Heere met de vermaning, om deze zonde te laten, om te wandelen in de paden van recht en gerechtigheid, om recht en gerechtigheid te doen, opdat Zijn toorn niet ontbrandde tegen Juda’s koning en Jeruzalems inwoners.
Maar die waarschuwing hebt gij niet gehoord. Ziet Ik wil aan u, gij inwoneres des dals, gij inwoners van Jeruzalem! gij rots van het plein! spreekt de HEERE; gijlieden, die meent in zulk ene stad als in ene onverwinlijke vesting te wonen, en zegt: Wie zou tegen ons afkomen? Of wie zou komen in onze woningen? Dat Jeruzalem bedreigd wordt is onwedersprekelijk; doch het is tevens waarschijnlijk, dat het slechts een gedeelte der stad is, waarvan bepaald wordt gesproken, en wel het volkrijkste, waar het meeste bedrijf en welvaren heerste, het dal namelijk tussen Zion en Akra, naderhand het Kaasmakersdal geheten. Met “rots der vlakte” wordt bedoeld: vlakte, die door de bergen, die u beschermen, even sterk en onverwinbaar schijnt, alsof gij ene rots waart.
En Ik, voor wien geen berg te vast is, dat Ik dien niet zou kunnen innemen, zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de HEERE a), en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.
(Jer. 17:27). Deze uitspraak staat in geen zamenhang met het vorige gedeelte van dit hoofdstuk; zij moet naar den inhoud tot een vroegeren tijd behoren dan de tijd der belegering, toen het hier gedreigde gericht reeds was begonnen, toen de inwoners van Jeruzalem zich niet meer tegen iederen aanval geborgen achtten, en toen het te laat was aan het huis van David gerechtigheid aan te bevelen. Door de verwantschap van ons stuk met Hoofdst. 22:3 vv. zijn wij geheel in den tijd van Jojakim (of liever van Joahaz) verplaatst; het vormt den overgang tot de rede, welke tot dien koning gericht is. En waarom worden wij in dien tijd verplaatst? Om aan te horen hoe het huis van David ernstig en duidelijk genoeg op den rechten weg gewezen is, en dus het gericht, dat daaraan wordt voltrokken, verdiend is. Het heeft de vermaning gehoord: “bekeert u nu een iegelijk van zijnen bozen weg, en maakt uwe wegen en uwe handelingen goed. ” Toch is het volk voortgegaan in het “het is buiten hoop, maar wij zullen naar onze gedachten wandelen” (Hoofdst. 18:11 vv.). De verbintenis van dit stuk met de afdeling vs. 8-10 geeft dan te kennen, dat terwijl aan het volk nog heden den weg ten leven wordt voorgehouden, er voor het huis van den koning van Juda geen uitweg meer is, ook niet slechts om het leven te behouden, zo als in vs. 7 reeds uitdrukkelijk is gezegd. Vgl. bij dat Hoofdst. ook het 30ste een 31ste.
En zeg: Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda, gij, die zit op Davids troon! gij en uwe knechten, uwe hovelingen, uwe militaire en burgerlijke beambten, en uw volk, die door deze poorten ingaan!
Zo zegt de HEERE: Doet gij koning en gij, zijne vorsten en raadgevers! recht en gerechtigheid door het kwade te straffen en de vromen te beschermen, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers(Hoofdst. 21:12); en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe (Hoofdst. 7:6. (Exod. 22:21 vv.). Doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats 1) door het vellen van een onrechtvaardig vonnis.
Dit is eigenlijk op de rechters van toepassing. Doch het is als het ware een verschrikkelijk verschijnsel, dat de zetel van David zo bezoedeld was, dat zij als het ware was een spelonk der moordenaars. Overal waar ook maar enig soort van vierschaar wordt gespannen, daar moet altijd enige eerbied en schaamte zijn, hoeveel te meer waar die vierschaar in het bijzonder aan God was geheiligd.
Want, indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, en u daardoor met uw gehele hart en uwen wandel getrouw zult betonen aan het verbond, dat gij onder Jozua op nieuw met Mij hebt gesloten (2 Kon. 23:3), zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijnen troon, rijdende vol kostelijke pracht en heerschappij (Hoofdstuk 17:25) op wagens en op paarden, hij en zijne knechten en zijn volk, opdat aan David, gelijk Ik hem heb toegezegd, geen man afgesneden worde, die op den troon van Israël zitte (1 Kon. 2:4; 8:25).
Indien Gij daarentegen deze woorden niet zult horen, maar de wegen der goddeloosheid en ongerechtigheid zult verkiezen, en Ik voorzie dat dit zal geschieden, zo heb Ik bij Mij gezworen, en zal het ook zeker doen komen, gelijk Ik nooit meinedig ben geworden, spreekt de HEERE, dat dit prachtige huis des konings, waarin zich thans ene zo grote menigte verzamelt, tot ene woestheid worden zal.
Want zo zegt de HEERE, die, gelijk Hij alles voorziet wat de mensen tegen Hem en Zijn woord ondernemen, zo ook Zijne raadsbesluiten daarnaar inricht van het huis des konings van Juda, van dit koninklijk paleis op Zion: Gij zijt Mij een Gilead, ene hoogte van Libanon. 1) In uwe hoog en schijnbaar veilige ligging, in uwe trots en met cederenbalken zo krachtig versierde gebouwen prijkt gij thans voor Mij als de bosrijke en ontoegankelijke gebergten van Gilead en Libanon, de grenswachter des lands in het oosten en noorden. Maar wat baat het ons? Ik ben geen God, zo Ik u niet zette als ene woestijn en onbewoonde steden. Zij zullen louter puinhopen zijn; zij zullen niet alleen verwoest worden, maal ook onopgebouwd blijven liggen.
Hun lot was gevallen in een lieflijke plaats, die rijk en vermakelijk was, als Gilead, en Zion was een sterke vesting, zo statelijk als de Libanon. Daarop betrouwden zij als hun veiligheid. Maar dit zou hen niet beschermen. Het land, dat nu vruchtbaar is als Gilead, zal tot een woestheid worden. De steden, die nu sterk waren als de Libanon, zullen onbewoonde steden worden, en als het land woest gemaakt is, moeten de steden ontvolkt worden. Zie hoe gemakkelijk Gods oordelen een volk kunnen verderven, en hoe zeker de zonde dit doen zal.
Want Ik zal de krijgslieden van den koning Nebukadnezar, a) als verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap, als de werktuigen, waardoor bomen worden uitgeroeid. Die zullen doen wat eens de overmoedige Sanherib dreigde te doen, toen Ik de jonkvrouw, de dochter Zions, tegen hem in bescherming nam (2 (Kon. 19:21 vv.), namelijk uwe uitgelezene cederen omhouwen en in het vuur werpen; zij zullen het prachtige paleis omver rukken en de gehele stad met vuur verbranden.
Jer. 15:6.
Dan zullen de bedreigingen vervuld worden, die Ik door Mozes (Deut. 29:22 vv.), en tot Salomo (1 Kon. 9:7 vv.) gesproken heb, vele Heidenen zullen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen een ieder tot zijnen naaste: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan deze grote stad?
En zij zullen zeggen, op grond van Mijn heilig en waarachtig woord: Omdat zij het verbond des HEEREN, huns Gods hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nedergebogen en die gediend. De koning Joahaz, bij wiens troonsbeklimming de Profeet de hier voor ons liggende profetie moest spreken, deed ondanks alle waarschuwing toch wat den Heere onwelgevallig was (2 Kon. 23:32). Reeds na drie maanden werd hij den ook door Faraö Necho afgezet, en in boeien naar Egypte gevoerd (2 Kon. 23:33 vv. 2 Kron. 36:2 vv. toen nu in zijne plaats zijne oudere broeder Jojakim den troon beklom, en er dus weer een feest op den Zion plaats vond, ontving naar onze mening de Profeet ene nieuwe, nadere openbaring des Heeren, die wij in vs. 10-12 voor ons hebben. Die wordt alleen daarom zo onmiddellijk aan de vorige rede aangesloten, zonder dat in het minst wordt te kennen gegeven, dat die eerst drie maanden later voorkomt, omdat die geheel op diezelfde wijze is uitgesproken. De harten van het volk, dat bij de kroning tegenwoordig was, waren ditmaal droevig gestemd. Men kende Jojakim reeds als van een geweldig, hebzuchtig en zwelgend karakter (2 Kon. 23:30). Daarom had men Joahaz na den dood van Josia tot koning gemaakt, en nu was deze van den boon ontzet; zijn gevreesde, oudere broeder was in zijne plaats koning geworden, en wel tegen hem opgelegde schatting (2 Kon. 23:33). Toen openbaarde zich de smart over het verlies van Josia (2 Kon. 23:30) des te heviger, daar deze door den veldtocht, waarin hij was gevallen, de opperheerschappij van Necho van het land had willen afwenden. Men troostte zich echter met de verwachting, dat de gevangenschap van Joahaz niet van langen duur zou zijn; de Heere zou hem weten te bevrijden en aan zijn volk weer geven; om de gehoopte toekomst verdroeg men den druk van het tegenwoordige. Juist die gedroomde toekomst moet de Profeet wegnemen door zijn nu volgend woord tot het volk.
Weent, gij burgers van Jeruzalem en bewoners van het ganse land! niet over den dode, niet over koning Josia, dat die zo vroeg zijne loopbaan heeft geëindigd, en beklaagt hem niet; want die vrome, die rechtvaardige koning is daardoor tot vrede gekomen en vóór de ellende weggerukt (Jes. 57:1 vv.). Weent vrij over dien, die weggegaan is als een gevangene, over Joahaz, die naar Egypte is gevoerd; want hij zal nimmer meer weer komen, dat hij het land zijner geboorte zie, laat staan, dat hij uwe verwachtingen ooit zou vervullen.
Want zo Zegt de HEERE van Sallum, van Joahaz, gelijk gij zijnen oorspronkelijken naam Johanan bij zijne troonsbeklimming hebt veranderd; doch de Heere stelt een anderen naam Sallum daarvoor in de plaats (2 Kon. 23:30 en 1 Kron. 3:15), zo zegt de Heere van hem, die drie maanden in de plaats van Zijnen vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan, afgezet van den troon en veroordeeld tot verbanning: hij zal daar nimmermeer wederkomen.
Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien. Enigen tijd daarna (volgens onze mening, waarvoor wij bij vs. 19 nader reden zullen geven: een jaar later), toen Jojakim het gewelddadig, hebzuchtend en pronklievend karakter zijner regering reeds openlijk aan den dag legde, en zijne trotse gedachten deels in het aannemen van zijnen zoon als mede-regent, deels in zijn prachtig bouwen deed zien, werd met het oog op hem den Profeet een woord des Heeren ten deel. Dit was echter niet bestemd, gelijk de beide vorige redenen in vs. 1 vv. en vs. 10 vv. om openlijk voor den koning en het volk gesproken te worden, maar om in het boek zijner voorspellingen als Michtab (= geschrift Jes. 38:9), doch tevens als Ik Michtam (= lied vol diepen, voor de grote menigte niet bevattelijken inhoud Ps. 16:1) op te tekenen. Het is hier onmiddellijk bij de vorige woorden gevoegd, omdat het volgens het woord in vs. 10 vv. den inhoud van vs. 1 vv. verder ontwikkelt. Het moet echter, naar Hoofdst. 17:14 vv. te oordelen, toch onder het volk bekend geworden zijn, misschien ten gevolge van hetgeen in Hoofdst. 36 verhaald wordt.
Wee a) dien, die, gelijk Jojakim doet, zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijne opperzalen met onrecht; die geheel vergeet dat ook op enen koning ten opzichte van zijne onderdanen toepasselijk is, wat in Lev. 19:13 gezegd wordt, en zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet (Jak. 5:4).
Deut. 24:14, 15. Hab. 2:9.
Die daar slechts aan pracht en grootheid denkt en zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen en doorluchtige opperzalen. En hij, zijn voornemen volbrengende, houwt zich vensteren uit naar de grootte van het ontworpen huis, en het is in zijne zalen en vertrekken bedekt met ceder en prachtvol aangestreken met menie, kostbare verf, gelijk men die tot het aanstrijken van gebouwen bezigt.
Zoudt gij regeren, menen ene lange en gelukkige regering te hebben, omdat gij u mengt 1) met den ceder, omdat gij in een prachtig cederen huis woont, zonder dat het er op aan zou komen, hoe gij regeert? Heeft niet uw vader Josia gegeten en gedronken, de vreugde van ene koninklijke tafel genoten, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel?
Beter: Omdat gij wedijvert in cederen. Het is duidelijk, dat de Heere hier doelt op Salomo, dat de koning van Juda met Salomo wedijverde in het bouwen van prachtige paleizen. Evenwel dit zou hem niet baten, dewijl hij geen recht en gerechtigheid had gedaan, d. w. z. dewijl de godsvrucht in dit paleis niet woonde en dewijl de vreze Gods er niet heerste, zou God Zijn aangezicht er voor verbergen.
Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel. Is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE(Hoofdst. 9:24). Is dat niet de ware godsdienst?
Maar uwe ogen en uw hart zijn niet dan op uwe gierigheid, gij denkt er niet aan om recht en gerechtigheid te doen, maar om zo veel mogelijk schatten te verzamelen; en uwe gedachte is op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen. 1)
Hier drukt de profeet het helder uit, hoewel Jojakim van zijn vader Josia verschilde. Hij toont derhalve het zeer grote verschil, dewijl Josia zich beijverd had om de billijkheid te bewaren, doch deze had al zijn zinnen gezet op bedrog en roof en had zich geworpen op woestheid. Want door oog en hart verstaat hij alle delen der ziele en des lichaams.
Daarom zegt de HEERE alzo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: a) Zij zullen, wanneer hij na enige jaren zijn leven eindigt, hem niet beklagen, gelijk men bij den dood van betrekkingen klaagt (1 (Kon. 13:30): Och mijn broeder, of: Och zuster. Zij zullen hem niet beklagen gelijk zijnen vader (2 (Kon. 23:30) Och heer! of: och zijne majesteit. 1)
Jer. 16:4 vv.
Zijn bloedverwanten zullen hem niet bewenen neen zelfs niet met de gewone uitdrukkingen van droefheid, die gebruikelijk zijn bij een begrafenis van den geringste, waarbij zij uitroepen: ach, mijn broeder of ach, mijn zuster. Zijne onderdanen zullen hem niet beklagen, noch uitroepen gelijk zij plegen te doen bij de graven hunner vorsten: Ach Heere, of ach zijne Hoogste. Het is droevig zo geleefd te hebben, dat als men sterft niemand droevig is van hem te scheiden.
Integendeel met ene ezelsbegrafenis, wanneer het lijk op de vilplaats wordt geworpen, waar het door zijn stank de lucht verpest (Jes. 34:3), zal hij begraven worden; men zal hem a) slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem (2 (Kon. 24:6).
Jer. 15:3. Ene andere profetie van gelijken inhoud vinden wij in Hoofdst. 36:3 vv. “De onzen beschouwen wij, gelijk wij reeds hebben opgemerkt, als gesproken in het jaar 609 vóór Chr. van welken tijd af de regering van Jojakim in Dan. 1:1 gerekend wordt. Het schijnt, dat de koning, die Eljakim heette, door Faraö Necho tot verandering van zijnen naam gedrongen is. Hij veranderde dien nu in “Jojakim”, (2 Kon. 23:34), menende de door God beloofde oprichting van het Davidische koningshuis (2 Sam. 7:12 vv.) op die wijze in ene nog nadere betrekking tot Jehova, den Verbonds-God te zullen stellen, en het voortbestaan zijner dynastie te verzekeren. Misschien ook, dat hij met hetzelfde doel zijnen zoon, die toen acht jaren oud was, tot mederegent aannam; daarop doelt tenminste 2 Kron. 36:9 : “Acht jaren was Jojachin oud als hij koning werd” (vgl. 2 Kon. 24:8), wanneer dat niet op een schrijffout berust. In plaats van zijnen oorspronkelijken naam “Jechonia” (1 Kron. 3:16) gaf hij hem den omgezetten naam “Jojachin”, omdat de betrekking, op 2 Sam. 7:12 vv. die in het woord lag, scherper op den voorgrond scheen te treden. maar met alle deze pogingen, om voor zich en zijn geslacht de koninklijke heerschappij te behouden, en de profetische bedreigingen van ene nabij zijnde vernedering van het Davidische koningshuis te niet te doen, bedroog Jojakim, die in alles juist het tegendeel van zijnen vader was, slechts zichzelven. (2 Kon. 22:11 vv.). De rede van Jeremia in vs. 2-9 van ons hoofdstuk was door hem geheel en al is den wind geslagen, zo als dadelijk het begin zijner regering bewees. Daarom komt, nadat in vs. 18 vv. over hemzelven het vonnis is uitgesproken, in het volgende ook een woord over zijnen zoon, op wien zijne dwaze verwachtingen gebouwd waren.
Wanneer het zo even (vs. 18) gezegde vervuld wordt, en daarmee de tijd van andere gebeurtenissen gekomen is (2 (Kon. 24:1 vv.), klim dan, dochter Zions, volk van Jeruzalem! op den Libanon 1) in het noorden des lands, en roep, gelijk ene jonkvrouw die van haren verloofde beroofd is, en op de bergen over hem klaagt (Richt. 11:37 vv.), en verhef uwe stem op den Basan, op het oostelijk daartegenover liggende gebergte van Hauran. Roep ook van Abarim, de veren 2), van de bergen van het Moabietische hoogland (Num. 31:20 #Nu); maar al uwe liefhebbers, dewelken, die met u verbonden waren, daar zij in u hun residentie hadden, zijn verbroken.
De Profeet bespot de Joden en belacht hun trotsheid, omdat zij menen dat zij behouden zullen blijven, hoewel zij God tot een tegenstander hebben. Hij leert hun derhalve, dat zij zichzelve zeer bedriegen, waar zij zich straffeloosheid beloven. Hij beveelt hen den berg Libanon te beklimmen en hun stem te laten horen op den berg Basan, opdat zij zullen begrijpen dat er geen hulp is, waar het oordeel Gods op hen rust. Doch dit gehele vers is ironisch tot het einde toe. Want te vergeefs was hun uitroepen en hun gehuil. Maar de Profeet handelt zo met hen, dewijl hij zag dat zij geheel in de war waren. Zij waren derhalve onwaardig om aan hen een raad te geven, om hen vertrouwelijk te vermanen. Daarom moest hij ironisch hun zinneloosheid bespotten, omdat zij zich heil beloofden, terwijl zij niet aflieten het vonnis Gods over zich in te roepen.
Onze Staten-Overzetters tekenen bij hun vertaling aan: “te weten der rivieren, die men passeren moest naar Egypte, dat de Egyptenaars u te hulp komen. ” v. d. Palm vertaalt: “van alle zijden. ” Hitzig: “van de tegenoverliggende hoogten, ” en verklaart: “men moet op de bergen stijgen, opdat men het klaaggeschrei, zo als dit bij een zo groot ongeluk past, verre verneme. Men moet schreien, zodat men het van den enen berg tot den daaraan tegenoverliggenden kan horen. ” Beter is het te vertalen van Abarim. De bergen, welke Palestina begrenzen, worden hier genoemd. De Libanon in het Noorden, Basan in het Noordoosten en het gebergte Abarim in het Zuid-Oosten. Tot laatstgenoemd gebergte behoorde ook Nebo, bekend uit de geschiedenis van Mozes.
Ik sprak u aan in uwen groten voorspoed en voorspelde de ellende, die toen nog had kunnen worden afgewend, maar gij zeidet: Ik zal a) niet horen. Dit is uw weg van uwe jeugd af, reeds van Mozes tijden af, toen gij begonnen zijt een zelfstandig volk te zijn, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.
Jer. 5:23; 7:23-28; 11:7, 8; 13:10, 11; 16:12:17:23; 18:12; 19:15.
De wind zal al uwe herders weiden, al uwe leidslieden en koningen voortsleuren, en uwe liefhebbers, die vorsten, wier verloofde gij zijt, zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zeker beschaamd en te schande worden van wege al uwe boosheid, dewijl gij naar Mijne stem niet hebt willen horen. Gods oordelen zullen als een verzengende wind (zie Hoofdst. 4:11) alle uwe overheden, zo burgerlijke als kerkelijke vernielen. Hun aanzien en gezag zullen ophouden, en de ganse vorm onzer regering zal gesloopt worden.
O gij, die nu op den Libanon woont, in huizen met zuilen en balken (Hoofdst. 21:14), en in de cederen nestelt, gij inwoners van Jeruzalem, die u in uwe prachtige gebouwen bevindt! hoe begenadigd (1 (Kon. 15:22) zult gij zijn, wat zal uwe pracht u baten, als u de smarten zullen aankomen, het wee als ener barende 1) vrouw; als al het onheil wordt geboren, waarvan gij nu zwanger gaat.
Merkt hieraan, zij, die hoogmoedig zijn op hun wereldse voordelen, zouden weldoen, indien zij bedachten, hoe zij er uit zouden zien, wanneer benauwdheden over hen komen, en hoe zij dan al hun schoonheid zullen verloren hebben.
Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chonia 1), de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijne rechterhand, zo nauw aan Mij verbonden, als de ring zich eng om den vinger sluit (Hoogl. 8:6), zo zal Ik u toch van daar, van Mijnen vinger, wegrukken. 2)
Volgende gewone verklaring zou door deze verkorting van naam het “zal, ” dus de belofte voor de toekomst, worden uitgewist; wij vinden echter daarin meer ene symbolische versterking van de bedreiging: “Ik zal u wegrukken. “
De godvruchtige koningen van Juda waren geweest als zegelringen aan Gods rechterhand, na en dierbaar bij Hem. Hij had roem op hen gedragen en gebruik van hen gemaakt als werktuigen Zijner regering, gelijk een vorst doet van zijn zegelring, of van zijn handtekening. Doch Chonia had zich die ere ten uiterste onwaardig gemaakt en daarom zullen de voorrechten van zijn geluk hem ook niet beveiligen. Hij zal desniettegenstaande verworpen worden. Juist tegengesteld tegen deze bedreiging tegen Jojachin, is Gods belofte aan Zerubbabel, toen Hij hem tot den leidsman zijn volks maakte bij hun wederkering uit Babels gevangenis (Haggaï 2:24). Zij die zichzelven beschouwen als zegelringen aan Gods rechterhand, moeten niet gerust zijn, maar vrezen, dat zij van daar zullen weggerukt worden.
En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uwe ziel zoeken, en in de hand dergenen, voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeën.
En Ik zal u en uwe moeder Nehustha (Hoofdst. 13:18), die u gebaard heeft, en door wier invloed gij u bij uw bestuur laat leiden (2 Kon. 24:8), uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij beiden sterven(2 Kon. 24:12, 15; 25:27 vv.).
En in het land, naar hetwelk hun ziel verlangt om daar weer te komen, in het land hunner vaderen, naar Palestina, daarhenen zullen zij niet wederkomen.
Is dan deze man Chonia, zo zal men dan moeten uitroepen, een veracht, verstrooid, afgodisch beeld, of werkstuk? Of is hij een vat, waaraan men genen lust heeft? dat in de ogen des Heeren niets anders waard was dan verbrijzeling? Waarom hij en zijn zaad uitgeworpen, ja weggeworpen in een land, dat zij niet kennen (Hoofdst. 5:19)? Het vraagsgewijze voorstel in dit vers tekent de algemene verslagenheid, die er zijn zou over het noodlot van Jechonia. Men zou het zich nauwelijks kunnen verbeelden: hij, die men eerde en lief had, waarom moest hij na weinige maanden regerens een zo droevig en verachtelijk lot ondergaan? Het antwoord op deze vraag wordt verzwegen, doch Juda’s einde naderde met rasse schreden, en van zulk een monster als Jojakim geweest was, moest geen afstammeling op Davids troon zitten.
O land, land, land! dat om uwen koning klaagt, hoor des HEEREN woord, 1) dat het u het Goddelijk raadsbesluit verklare, het welk in zulk een bitter lot aan hen vervuld wordt.
met het driemaal herhaalde woord land, bedoelt de Heere de aanspraak zo krachtig mogelijk te maken, opdat Juda nog als ter elfder ure zou luisteren naar Zijn woord. Juda moest weten dat het oordeel zeker zou komen, indien het des Heeren woord bleef verachten en niet leerde luisteren naar Zijne vermaningen.
Zo zegt de HEERE: schrijf dezen zelven man voor kinderloosaan, wiens geslacht dus met hem te niet gaat, enen man, die niet voorspoedig zal zijn in zijne dagen, en niet verkrijgen zal wat hij zich voorstelt, namelijk dat zijne kinderen na hem op den troon in Juda zouden zitten. Want er zal, al ontbreekt het hem ook niet aan zonen, niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda; met hem zal de koningstroon voor zijn geslacht voor altijd verloren zijn. De koning Zedekia, die op Jojachin volgde en elf jaren te Jeruzalem regeerde, was niet zijn zoon, maar een broeder van zijnen vader Jojakim (2 Kon. 24:18-25:7). Na deze heeft geen nakomeling van David meer op den troon gezeten. Hoe slechts op tweevoudigen buitengewonen weg, ene door toepassing van de wet omtrent de erfdochters, en verder door het sluiten van een Leviraatshuwelijk, Jojachin de stamhouder der koninklijke geslachtslijn geworden is, zie daarover 1 Kron. 3:19 en Matth. 1:12.
II. Vs. 1-40.KruisverwijzingenHosea 11:4→Jesaja 54:8→Deuteronomium 33:3→Deuteronomium 7:7→Jeremia 3:4→Jeremia 30:22→Maleachi 1:2→Exodus 4:22→
— Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen. De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid. Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden. Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten. Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God! Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel. Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene. Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.
Bijna met dezelfde woorden, als met welke de belofte van het vorige Hoofdstuk in vs. 22 eindigde, om vervolgens in vs. 23 en 24 eerst weer op den oordeelstijd te wijzen, die tussen het heden en de vervulling ligt, wordt ons hoofdstuk begonnen. Alzo wordt hier vooral gedrukt op “alle geslachten van Israël, ” en treedt dus de hereniging der vroeger gescheidene stammen tot één volk aanstonds op den voorgrond (vs. 1.) Spoedig spreekt de profetie echter in ‘t bijzonder van de overgeblevenen van Efraïm. of van de tien stammen, en vertoeft nu bij deze het langst en uitvoerigst, omdat zij, naar het uitwendige te zien, het meest reddeloos verloren en voor altijd door den Heere verworpen schenen (vs. 2-22); hierop wendt zij zich tot Juda (vs. 23-26), eindelijk keert zij van de beide delen des volks tot het geheel terug. (vs. 27-40). Zij komt daardoor tot haar toppunt, doordat de kroon der beloften, de kern en het middelpunt van dit alles in dit slot (vs. 33 gevonden wordt, namelijk: “Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mijn volk zijn. “
Ter zelver tijd, van welken in Hoofdst. 30:18-22 sprake was, spreekt de HEERE, zal Ik, om hier nog meer bepaald te noemen, wien het aangaat, allen geslachten Israëls, Efraïm zowel als Juda, wanneer zij beide zich bekeerd hebben en weer van ééne gezindheid zijn geworden, (Hoofdst. 3:18. (Jes. 11:12 vv.), tot enen God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn. 1)
God verzekert hier zijn volk, dat Hij hen weer voor zich in een verbondsbetrekking zal aannemen, waaruit zij schenen vervallen en afgeweken te zijn. Terzelfder tijd spreekt de Heere, wanneer Gods toorn zal uitbreken tegen de goddelozen, zal zijn volk door Hem geëigend worden als Zijne kinderen, als de kinderen Zijner liefde: zal Ik zijn, dit is, zal Ik Mij tonen te zijn, de God van alle geslachten Israëls. Onder alle geslachten hebben we het gehele volk te verstaan. De scheiding is weg. Israëls volk is weer één volk geworden voor den Heere God. En voor dat gehele volk zal de Heere weer de Bonds-God zijn, in wiens ogen het genade heeft gevonden. Na den druk de bevrijding, en met de bevrijding de volle bestraling van Gods vriendelijk aangezicht. Als God de zonde vergeeft, heft Hij niet alleen de roede op, maar geeft ook weer de lieflijke vrucht van de zondevergeving te genieten. Het is daarom dat het verloste volk ook in het volgende vers jubelend wordt ingevoerd.
Zo zegt de HEERE, in de eerste plaats voorstellende wat hij aan Efraïm wil doen, daar Hij ons dadelijk verplaatst in den tijd, waarin de wederbrenging zal plaats hebben, als ware die reeds aanwezig: Het volk der tien stammen, voor zoverre zij gedurende den langen tijd Mijner gerichten overgeblevenen zijn van het zwaard, en het in zijn bestaan nog geheel voorkomt als zeer ellendig en bijna te niet gegaan, heeftvoor Mij genade gevonden in de woestijn, waarin Ik het had uitgestoten, en waarin Ik het heb opgezocht, opdat Ik er Mij over zou ontfermen, namelijk Israël, als Ik henenging om hem tot rust te brengen, want Ik heb Mij opgemaakt om het weer te brengen in het land der vaderen, opdat het weer kome tot vastheid en vrede.
De HEERE is mij verschenen van verre tijden, zo zal Israël dan roemen; want Hij was zeer verre van Mij gegaan in den tijd mijner straf, zodat Hij geheel uit mijne ogen was verdwenen, maar nu is de hulpe uit Zion gekomen (Ps. 14:7). Ja, Ik heb u liefgehad, zo spreekt Hij, terwijl Hij mij verschijnt. Hij wil ook den tijd van toorn als een middel Zijner liefde en Zijner onverbrekelijke verbondstrouw laten erkennen. Ik heb u liefgehad met ene eeuwige liefde, daarom heb Ik udoor middel der kastijding getrokken 1) met goedertierenheid 2), opdat Gij eindelijk uwe misdaad zoudt erkennen en met berouw en leedwezen u van uwe verkeerde wegen tot Mij zoudt wenden, opdat Ik u weer zou kunnen aannemen (Jes. 54:7 vv.).
Over de trekkingen der liefde Gods aan de Zijnen: zij zijn 1) ontelbaar, en worden toch zo dikwijls voorbijgezien; 2) zeer krachtig, en worden toch zo dikwijls weerstaan; 3) zo zegenrijk en worden toch zo dikwijls niet ten nutte gemaakt. Reeds ziet de gemeente in den geest, hoe de Heere Zijne besluiten uitvoert. Van verre, spreekt de Profeet, in naam van de gemeente, waarmee hij zich één gevoelt, is mij de Heere verschenen. Zo lang Israël in de ballingschap zuchtte, had de Heere zich van hen teruggetrokken, zich verre gehouden. Nu ziet hij Hem weer verschijnen van verre, d. i. van Zion, waar Hij als de God van Zijn volk gedacht wordt als op Zijn troon zittend, om het in zijn land te brengen. De Heere echter verzekert tegelijk aan het zijn komst verwachtend volk, Zijn eeuwige liefde. Wijl Hij zijn gemeente met ene eeuwige liefde bemint, daarom heeft Hij het met Zijnen arm behouden, zodat het niet verdelgd werd. Daarom is deze lering vast vooreerst nuttig, dewijl de Profeet aantoont, dat al wat God voor goeds aan het oude volk heeft bewezen, dit moet teruggebracht worden tot het genadeverbond. Doch dat verbond was eeuwig en daarom moet men er niet aan twijfelen, of God is heden bereid om alle volken met zijn heil te begiftigen. Want Hij blijft altijd dezelfde en is onveranderlijk. Vervolgens wil Hij zijn Trouw en standvastigheid in het Verbond doen schitteren, wat hij met de kerk heeft opgericht. Waar derhalve het verbond Gods onverbrekelijk is en niet kan verbroken worden ook al werden hemel en aarde veranderd, laten wij daarom er zelf van overtuigd zijn, dat God altijd voor ons een redder is. Waarom? Zijn verbond blijft eeuwig en daarin ligt Zijn macht om ons te bewaren. De Heere verzekert derhalve dat de redding van zijn volk in het nauwste verband staat met zijn eeuwige liefde. Dewijl zijn liefde een eeuwige liefde is en van geen verandering weet noch van bezwijken, daarom ook alleen zal Hij Zich ontfermen. Dit is een grote troost voor alle gelovigen van alle tijden. De gelovige verandert, maar de Heere God verandert nooit. De gelovige moge ontrouw worden, Gods trouw wordt nooit vernietigd. Hij is en blijft dezelfde tot in eeuwigheid.
Of “de goedertierenheid voortaan over u uitgestrekt, ” òf “daarom vervolg of continueer Ik de goedertierenheid aan u, ” en zal bij u doen als volgt (vgl. Ps. 36:11; 85:7. Pred. 2:3). (STATEN OVERZ.). Ik heb alle gelegenheden waargenomen om u tot Mij te brengen door voorkomende bedrijven van genade en goedertierenheid. Het woord “trekken” is in de Schrift gebruikt van Gods voorkomende genade (Hoogl. 1:4. Hos. 11:4. Joh. 6:44). Soms zegt de Heere Jezus aan Zijne gemeente de gedachten Zijner liefde. Gene stem wordt uit de wolken gehoord, geen nachtelijk visioen wordt gezien, maar wij ontvangen veel zekerder getuigenis dan een van deze beide. Ondervraag de kinderen Gods, die het dichtst bij de poorten des hemels vertoefd hebben, en zij zullen u zeggen, dat zij tijden gekend hebben, waarin de liefde van Christus zo klaar en zeker voor hen was, dat zij er evenmin aan konden twijfelen als aan hun eigen bestaan. De donders der wet en de verschrikkingen des oordeels zijn allen om ons tot Christus te brengen, maar de eindelijke overwinning wordt door goedertierenheid te weeg gebracht. Hetgeen Mozes met zijne stenen tafelen nooit kon doen, doet de Heere Jezus Christus met Zijne doorboorde hand. Dit is de leer der vrije verkiezing.
Welaan, zo gaat de Heere ten opzichte van het in vs. 2 gezegde verder voort: Ik zal u weer bouwen, wanneer gij in uw land zult teruggekeerd zijn, en gij zult gebouwd worden voor altijd, daar gij niet weer zult worden afgebroken (Hoofdst. 24:6), o jonkvrouw Israëls! want tot die ere van heiligheid voor den Heere en van onschendbaarheid voor de wereld (2 (Kon. 19:21) zijt gij weer verheven. Gij zult op de vreugdefeesten, die u in rijken overvloed zullen bescheiden zijn, weer versierd zijn met uwe trommelen, u weer tooien tot feestelijken optocht, en uitgaan uit de poorten uwer steden met den rei a) der spelenden (Exod. 15:20 Richt. 21:21).
Jer. 30:19.
Gij zult weer, gelijk in vorige dagen geschied is, wijngaarden planten op de bergen van Samaria (Hos. 2:15); de planters zullen planten, en de vrucht genieten 1) (Jes. (65:21).
Het woord, “wehilleloe” hier gebruikt, betekent eigenlijk: “en zullen ontheiligen, ” namelijk de vrucht der wijngaarden; maar het pronomen, daarop ziende, is weggelaten even als Hoofdst. 24:6. Na den tijd van de voorhuid der wijnstokken, welke drie volle jaren na de planting duurde, en na de heiliging van deze, waarmee nog een jaar verliep, zouden zij, die ze geplant hadden, de vrucht daarvan in het vijfde jaar gerust genieten. Zie de wet daaromtrent Lev. 19:23, 25. Deut. 20:6. Zij, wil God zeggen, die de wijngaarden planten, zullen die ter juister tijd genieten en niet beroofd worden van de vrucht van hunnen arbeid. Datgene, waarvoor zij moeite gedaan hebben, zullen vreemden niet beroven noch verslinden. (Jes. 65:21, 22).
Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders, de wachters, op Efraïms gebergte 1), zij, die zijn aangesteld om aan het volk het terugkeren van het feest der nieuwe maan of enig ander godsdienstig feest aan te kondigen, zullen roepen: a) Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Zion, tot den HEERE, onzen God, om Hem in Zijn heiligdom den dank toe te brengen voor de zegeningen, waarin ons land zich verheugt (Hos. 3:5).
Jes. 2:2, 3. Micha 4:2.
Men ging bij het houden der grote feesten af van het zichtbaar worden der nieuwe maan: was deze werkelijk gezien, zo stak men vuren aan, waarop de wachters, die op hoogten en bergen geposteerd waren, acht gaven. Het geroep: Welaan! naar Jeruzalem tot aanbidding van Jehova! zal weer gehoord worden even als vóór de scheuring. Israël en Juda zullen weer in den Heere verenigd zijn. De zamenhang is de volgende: Dit geluk van Efraïm zal vast zijn, want de zonde van Jerobeam, de losscheuring van de tien stammen van het heiligdom des Heeren zal niet voortduren, maar Efraïm zal in de toekomst weer tot den Heere, zijn God, naar Zion komen.
Want zo zegt de HEERE, ons ten tweeden male verplaatsende in den tijd, waarin Zijn raadsbesluit begint volvoerd te worden (vs. 2): Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht van wege het hoofd der Heidenen, of der volken, namelijk van wege Israël (Amos 6:1. Deut. 4:7 vv. 2 Sam. 7:23 doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud uw volk, het overblijfsel van Israël, 1) het overschot of heilig zaad, dat tot bijzondere verheerlijking bewaard is (Jes. 6:13).
De herstelling van Jakob zal opgemerkt worden bij alle de naburen, het zal een stoffe van vreugde voor hen allen zijn, en zij zullen zich allen met Jakob in zijn blijdschap verenigen, en hem daardoor eerbied bewijzen en een vermaardheid over hem brengen.
Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, waarheen zij verdreven zijn (Hoofdst. 16:15), en zal hen vergaderen van de zijden der aarde (Deut. 34:4); onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen. Niet alleen de gezonden, die de bezwaren, aan zulk ene reis verbonden, kunnen verdragen, maar ook de zwaksten en gebrekkigsten, die door Mijne almacht boven alle moeilijkheden zullen worden verheven, (Jes. 35:3) zullen wederkeren; met ene grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. 1)
Alhoewel velen van hen onbekwaam zijn tot de reize, zal zulks hun toch niet hinderen, de blinde en lamme zal komen, zulk een goeden wil zullen zij hebben om hun reizen te doen en zulk een goed hart daarop, dat zij hun blindheid en lamheid niet tot een verschoning zullen nemen, om te blijven daar zij zijn. En hun metgezellen zullen gereed zijn om hen voort te helpen, zij zullen ogen zijn voor de blinden en benen voor de lammen, gelijk goede Christenen voor elkaar behoren te zijn op hun reize naar den hemel. Maar bovendien zal hun God hen helpen, en laat dan niemand klagen of voorwenden dat hij blind is, die God tot zijn Leidsman heeft, of dat hij lam is, die God tot zijn sterkte heeft.
Zij zullen komen met geween, en met smekingen, met de tranen der doorgestane smarten over de scheiding, en van oprecht berouw, onder ernstige gebeden tot den wedergevonden God-want zo keert steeds de verloren zoon in de armen des vaders terug-zal Ik hen voeren 1); Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in enen rechten weg,) waarin zij zich niet zullen stoten3) (Jes. 35:6 vv. 49:10 vv.): want Ik ben Israël, allen den stammen (Hoofdst. 3:19. (Jes. 63:16) tot enen Vader, en Efraïm, het volk der tien stammen, is a) mijn eerstgeborene, 1) waaraan Ik Mijne liefde en genade in de eerste plaats betoon (Hoofdst. 3:11 vv.).
Ex. 4:22.
Dit duidt op de boetvaardige gestalte en op het feit, dat zij nu alleen van den Heere God verwachten heil en zaligheid. Hun zonden zullen zij niet alleen belijden maar ook hun afval diep betreuren en van den Heere smeken, dat Hij de zonde vergeve en hen bestrale met Zijn heil. Dit geldt inzonderheid van het geestelijk Israël, van het volk, hetwelk de Heere zich tot een erve heeft verkoren. Het leven des geloofs is een leven van belijden der zonde en schuld, maar ook een zich vertrouwend overgeven aan den Heere God, er van verzekerd, dat Hij het alles wel zal maken.
De weg zou leiden door de woestijn, dor en mat, maar de Heere zou het niet laten ontbreken aan water voor den dorstigen. De weg was niet geleid, maar de Heere zou een rechten weg maken. Op den weg zouden vele struikelblokken liggen, maar de Heere zou er voor zorgen dat zij zich niet zouden stoten. Als de Heere de Leidsman is, ja, de voor- en achtertocht, dan komt het altijd goed uit, hoe duister ook de weg moge schijnen.
Hier wordt een reden opgegeven, waarom God alle deze zorg van Zijn volk op zich wil nemen. Een Vader, die hem gewonnen heeft en daarom hem beschermen zal, die de zorg en het medelijden van een Vader voor hem heeft. Efraïm zelfs, die van God afgeweken zijnde, niet meer waardig was een zoon genaamd te worden, zal nochthans erkend worden als een eerstgeborene, bijzonder dierbaar, en erfgenaam van een dubbel deel der zegeningen. Israël is het beeld van de kerk in haar bloeienden, levendigen toestand. Efraïm in haar afgezakten. Nochtans zegt de Heere hier, dat Hij niet alleen Israël maar ook Efraïm in genade en ontferming zal aannemen. Gods genadegiften zijn onberouwelijk.
Hoort des HEEREN woord, gij Heidenen, voor wie Israël door zijn ontzettend lot een voorwerp van ontzetting en van hoon was geworden (Hoofdst. 18:16), en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, de kustlanden en eilanden der Middellandse zee, en zegt: Hij die Israël verstrooid heeft, zal hem weer vergaderen, en, nadat hij hem in de schaapskooi heeft weer gebracht, hem bewaren als een herder zijne kudde (Hoofdst. 23:3. Ps. 80:2
Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen,
die sterker was dan hij, uit de hand van den wereldbeheerser, die hem tot hier toe in zijne macht had, om zelfs als Koning over hem te heersen (Jes. 52:7).
Jes. 40:10; 49:24, 25.
Dies zullen zij komen en op de hoogte van Zion juichen, waarmee zij het toppunt van hun terugkeren naar het vaderland bereikt hebben (Jes. 51:11), en zij zullen van daar zich door het gehele land verbreidende, om het weer te bebouwen, toevloeien tot des HEEREN goed, dat in rijken overvloed hun zal toestromen (Deut. 8:8 vv.), tot het koren en tot den most, en tot de olie en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof vol blijdschap en frisse levenskracht (Jes. 58:11), en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn, zij zullen over gene ellende of nood meer klagen.
Jes. 61:11.
Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei (Ps. 30:12), daartoe zullen de jongelingen en ouden te zamen vreugdeliederen zingen (Ps. 148:12 vv.); want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen en zal hen troosten en zal hen verblijden naar hun droefenis. (Joh. 16:12).
En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken, hun ziel verzadigen met vet ten gevolge der menigvuldige dankoffers, die nu gebracht worden; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE 1) (Ps. 36:9).
Gods volk heeft een overvloedige vertroosting in Gods goedheid. Laat hen voldaan zijn met Gods goedertierenheid, en zij zullen er van voldaan worden en niets meer begeren om hen gelukkig te maken. Dit alles is ook toepasselijk op de geestelijke zegeningen, welke de verlosten des Heeren door Jezus Christus genieten, oneindig dierbaarder den koren, den most en klei, en de vergenoeging der zielen, welke zij in de genietingen daarvan hebben.
Zo zegt de HEERE: Er is ene stem gehoord in Rama 1) (1 (Sam. 1:1), ene klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over hare kinderen; zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, de door Efraïm en Benjamin vertegenwoordigde leden van het rijk der tien stammen, omdat zij niet zijn.
Van het blijde uitzicht in Israëls heerlijke toekomst, en voornamelijk van Efraïm wendt zich het oog van den profeet weer terug op het treurige heden van dezen laatsten. Thans in het land van Efraïm verwoest en verlaten; Rachel treurt om hare zonen, maar zij zal vertroost worden, hare zonen zullen weer terugkeren; want Efraïm is door zijn ongeluk tot inzicht en tot berouw over zijne zonden gekomen; het verlangt naar verzoening met zijnen God, en de Heere is met innig medelijden vervuld, en komt hem liefdevol te gemoet. Het terugkeren is aanstaande, de lange verwijdering moet nu ophouden, en ene nieuwe betrekking tussen Israël en zijnen God beginnen.
Zo zegt de HEERE: Bedwing uwe stem van geween, en uwe ogen van tranen; want er is loon voor uwen arbeid, waarin gij wederom uwe kinderen met angsten zoekt te baren (Gal. 4:19), spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen, waarheen zij verstrooid zijn.
En er is verwachting voor uwe nakomelingen (of voor de toekomst) spreekt de HEERE; want uwe kinderen zullen wederkomen tot hun landpale, en het heilige land bezitten. Om deze plaats menen vele latere uitleggers, dat het graf van Rachel niet, gelijk uit Gen. 35:16 vv. en Matth. 2:18 blijkt, in het zuiden van Jeruzalem, in de nabijheid van Bethlehem zich zou bevonden hebben (vgl Ruth. 1:22), maar integendeel noordelijk van Jeruzalem bij Rama van Samuël. Men verklaart dan het in Gen. 35:16 vv. genoemde Efratha van de plaats Efron of Efraïm (2 Kron. 13:19 Joh. 11:54; in Joz. 18:23 Ofra genoemd). Men verkrijgt dan zeker in zo verre een gepasten zin, als sedert de wegvoering der tien stammen in de Assyrische ballingschap Rachel als het ware in haar graf bij Rama gene rust meer had, maar daar een nachtelijk geween en bitter weeklagen werd gehoord. Intussen moet men dan niet alleen de aanmerking omtrent Efratha in Gen. 35:19 en 48:7 “hetwelk is Bethlehem” voor een later toevoegsel houden, dat op dwaling berust, maar ook beweren, dat de Evangelist in Matth. 2:18 geen recht had, om onze plaats met den kindermoord te Bethlehem in verband te brengen. De gehele aanhaling valt dan van zelf met de herstelling der dwaling, waarin ook Mattheüs deelde, in duigen, en heeft op zijn hoogst alleen de betekenis van een algemeen terugzien op het troosteloze klagen en wenen ener moeder om het verlies harer kinderen. Zij is dan ene herinnering aan die profetische plaats, die den Schrijver in de gedachte is gekomen, maar van de vervulling ener profetie zou eigenlijk gene sprake kunnen zijn. Wij zullen aanstonds gevoelen, dat de dwaling integendeel bij die nieuwere uitleggers is; juist daarom, omdat Rachel niet bij Rama, maar bij Bethlehem begraven lag, had de Evangelist recht, om haar om zo te spreken uit haar graf te laten opstaan, om als vertegenwoordigster der moeders van Bethlehem de kinderen te bewenen, die gedood waren. Men heeft nu wel aangenomen, opdat bij den Profeet ten minste iets dergelijks zou bestaan, dat Rama hier voorkomt als de vergaderplaats der ballingen, van waar zij naar Babels ballingschap gevoerd werden (Hoofdst. 40:1. 2 Kon. 25:11 Tot op die plaats zou als het ware de oude stammoeder des volks, in haar graf bij Bethlehem gene rust meer vindende, hare kinderen zijn nagegaan, om ze daar te bewenen, totdat zij eens zouden zijn teruggekeerd. Men ziet voorbij, dat op onze plaats niet over de wegvoering naar Babel gehandeld wordt; Efraïm, het volk der tien stammen, is het, waarop de profetie betrekking heeft. Nu kan Rama midden in den stam van Benjamin gelegen (Joz. 18:25 grensvesting van het rijk van Efraïm naar de zijde van Juda (1 Kon. 15:17) in aanmerking komen. De stammoeder van Jozef en Benjamin lag in het gebied van Juda, in de nabijheid van Bethlehem begraven. Dat had voor Efraïm ene bestendige herinnering moeten zijn, hoe nauw het met Juda en het huis van David verbonden was, zodat het, ook nadat het zich onder Gods toelating tot een bijzonder rijk gevormd had, toch nooit zulk ene grenslijn had moeten trekken, waardoor niet alleen de tien stammen zich afzonderden, maar ook de stem van Benjamin in twee delen gescheiden werd (1 Kon. 11:39). Daar het nu echter toch in dat Rama om zo te zeggen aan het rijk van Juda den afscheidsbrief schreef, veroordeelde het zich tot den ondergang, waarbij het met Rachels kinderen voor altijd en onwedersprekelijk scheen gedaan te zijn, sedert zij in de Assyrische ballingschap waren weggevoerd. Deze schijnbaar gehele en onherstelbare ondergang, en niet alleen de wegvoering in de ballingschap, is het, wat de stammoeder van de grenzen van het Joodse rijk uit, in welk gebied zij begraven lag, overziende naar dat van het noordelijke, beklaagt en beweent, en waarover zij zich niet wil laten troosten. De 78ste Psalm in den zin, waarin wij dien hebben opgevat, is zulk een klagen en wenen, waarin Rachel als het ware spreekt. Deze Psalm eindigt alleen met klacht en aanklacht, de hoop op ene “wederoprichting” (Hand. 3:21) bevat hij nog niet; daarentegen volgt de voorspelling daaraan op onze plaats, zodat Rachel in dien tijd, waarop de voorzegging doelt, voor haar klagen en wenen, voor haren arbeid in den geest, haar verlangen en smeken, haar loon zal vinden in het terugkeren der tien stammen en in de vereniging met Juda. Bij Mattheüs schijnt juist dat, wat bij Jeremia als ten eindenspoedende op den achtergrond wordt gedrongen, Rachels klagen en wenen over het verlies harer kinderen op den voorgrond te stellen, ja uitsluitend het punt van vergelijking te vormen. Blijft men nu hierbij staan, zo komt men alleen tot ene vergelijking en begrijpt men niet, hoe de Evangelist van ene vervulling der profetie kon spreken. Wij moeten daarom de gedachte hieraan toevoegen, dat even als bij Jeremia Rachels klagen en wenen alleen als een weg tot des te grotere vreugde worde voorgesteld, zo ook Mattheüs het weeklagen en jammeren der Bethlehemietische moeders wil stellen in het licht van het einde der geschiedenis van ‘t koninkrijk Gods. Het bloed dier onschuldig gedode kinderen is niet te vergeefs gevloeid; een ander kind is geborgen en ten prijs van dat bloed gered, en dit kind zal voor het tegenwoordig gejammer der Bethlehemietische moeders niet alleen, maar ook voor Rachels veel oudere en grotere smart ene overvloedige vergoeding en volkomen troost aanbieden. Het is de Redder en Verlosser, door wien het woord van Jeremia in zoverre het de profetie van ene zeer heerlijke toekomst bevat, tot vervulling komt, en voor deze vervulling ligt daarin ene zekerheid, dat dit woord in zoverre het den grond voor de profetie vormt, reeds in de Bethlehemietische moeders zijne vervulling heeft gevonden.
Ik heb, wanneer nu de tijd der grote bekering van Israël (Jes. 63:7; 64:12) zal begonnen zijn, wel gehoord, dat zich Efraïm, hetwelk met die bekering een begin maakt (Hoofdst. 3:12 vv. 18:22 vv.), beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf1) (Hos. 10:11 zo roept het, zijne hulp ook tot ware verandering alleen van Mij verwachtende (Klaagl. 5:21), zo zal ik bekeerd zijn, want gij zijt de HEERE, mijn God 1), en overigens heb ik geen helper of redder, tot wien ik mij zou kunnen wenden.
Eer ik getuchtigd werd, was ik als ene onhandelbare var, die het juk niet wilde op zich nemen, noch daarin trekken (Ps. 119:67, 71).
De goddelijke kastijding heeft doel getroffen. Efraïm juicht nu Gods wegen toe en zegt: “Bekeer Gij mij, ” leid mij, breng mij door Uwe kastijding onder het juk Uwer wet terug, Ik zou mij zonder Uwe tucht niet tot u hebben kunnen keren en U gehoorzaam worden, nadat ik Uw juk afgeworpen had. maar Gij hebt mijn weerspannig hart gebroken. Ga voort met mij tot U terug te leiden en mij te bekeren. “Zo word ik bekeerd, want Gij Heere! zijt mijn God, wien ik toebehoor en onder wiens heilig juk alleen ik voorspoedig zijn kan.
Zeker, a) nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mij zelven ben bekend gemaakt, heb ik, vol smart over mijn afkeren van U, op de heup geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb, den hoon, dien ik tot straf voor de zonden mijner jeugd gedragen heb, toen ik nog in verbond met U stond, maar aan die betrekking zo ontrouw was.
Deut. 30:2. Dat wil zeggen, de last mijner vorige zonden weegt mij zwaar op het harte, en ik ben overtuigd, dat al de ellenden en smaadheden, die ik ondergaan heb, slechts de vergelding mijner werken geweest zijn. De profeet, een geheel volk als een enkelen persoon voorstellende, spreekt van zijn vorige zonden alsof die buitensporigheden waren der jeugd. Wij moeten ons dikwijls de zonden onzer jeugd herinneren met berouw en schaamte. Hij is toornig op zichzelven van wege zijne zonde en dwaasheden. Hij gevoelt, dat hij gedrongen wordt om van God af te wijken, en kan niet door enige eigene macht zichzelven bij God houden, veel minder, wanneer hij is afgeweken, zich tot God wederbrengen. Daarom bidt hij: “bekeer Gij mij, en Ik zal bekeerd zijn”. Dit sluit in zich, dat zo God hem niet door Zijne genade bekeerd had, hij nooit zou zijn teruggekeerd, maar eindeloos zou hebben gedwaald. Hij verblijdt zich in zijne ervaring van de gezegende uitwerking der goddelijke genade: “Zeker nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad. ” Al de godsdienstige richtingen van onze harten tot God zijn de vruchten en het gevolg van de machtige werken Zijner genade in ons. Merk op: hij was teruggekeerd, hij was onderwezen, zijn wil was gebogen naar Gods wil. De weg, dien God kiest om zielen tot zich te bekeren, is doordat Hij de ogen opent om te kunnen verstaan, en al het goede is daarvan het gevolg. Wanneer zondaars komen tot ene rechte kennis, zo zullen zij komen tot een rechten weg. Efraïm was gekastijd, maar dat bracht de verlangde uitwerking niet voort; maar wanneer de onderwijzingen van Gods Geest de tuchtigingen van Zijne voorzienigheid vergezelden, dan was er een gezegend gevolg. .
Richt u in stenen zuilen merktekenen, wegwijzers, op, stel u spitse pilaren, die tot wegwijzers dienen, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt, en gij zult dien zeker wedervinden; keer weer, o jonkvrouw Israëls (vs. 4)! keer weer tot deze uwe steden, die gij nu op nieuw zult bouwen. Daar hier gesproken wordt van de tien stammen, die als vernietigd en verloren zijn, zodat niemand onder de mensen ze weer weet te vinden, zo zal wel door de voor ons liggende opwekking zijn uitgesproken, dat zij voor den Heere niet verborgen zijn, maar Hij ze, in zo verre zij nog in ‘t bijzonder bestaan en niet reeds met de eigenlijke Joden zijn zaamgesmolten (2 Kon. 17:23), langs denzelfden weg zal terugbrengen, waarop zij eens in de landen hunner ballingschap gebracht zijn (vs. 10). De voorzegging in Openb. 16:12 vv. heeft dan zijne betekenis. Die wordt door de uitleggers meestal verkeerd verstaan, daar zij, de “koningen, die van den opgang der zon komen zullen” voor helpers van den Antichrist houden, in plaats van voor gelijken aan Cyrus, en werktuigen in de hand des Heeren tot verwezenlijking van Zijne raadsbesluiten over Efraïm. De voorstelling is hier weer hoog dichterlijk: aan Israël wordt beloofd, dat zij zeker zullen wederkeren in hun vaderland, en dit wordt op deze wijze uitgedrukt: “stel bij uw heengaan merktekens op den weg, dien gij gaat; let wel op elk pad, dat gij inslaat, want gij zult langs dienzelfden weg wederkeren; doet als reizigers, die bij hun uitgaan reeds denken aan hun terugkomen, en maatregelen nemen voor de terugreis. Het woord “merktekenen” is eigenlijk “graftekenen” en het volgende “herinneringszuilen, ” eigenlijk “droefheids”- of “bitterheidsmonumenten, ” t. w. wanneer van ene karavaan iemand op de reis sterft, wordt hij aan den weg begraven, en een zuil of steenhoop of ander gedachtenis-teken daar ter plaatse opgericht. Deze gedenktekens of grafmonumenten werden langzamerhand merk- en wegtekenen voor latere reizigers, en van daar hebben, ook andere zodanige tekenen, tot herkenning van den weg denzelfden naam gekregen.
Hoe lang zult Gij u onttrekken, gij afkerige dochter?Zijt gij het omzwerven niet moede? Talm dan niet langer en houd u niet van verre; want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen. Om het ongeduld van de liefde des Heeren, die Zijn volk, nadat Hij Zich weer in genade daartoe heeft gewend, gaarne op het spoedigst in volle mate wil zaligen, en enigermate door des te groteren spoed den tijd wil inhalen, die is voorbijgegaan, volgt Efraïm de uitnodiging om terug te keren niet spoedig genoeg. Het heeft de terughouding, waarin het niet recht vertrouwt de hem voorgehoudene erfenis in bezit te nemen, als een overblijfsel van zijn vroegeren afval, gelijk zij dan ook inderdaad in bewustzijn van vroegere schuld haren oorsprong heeft. Daarop, zo komt het ons voor, rust de vraag in de eerste helft van het vers en de enigszins vreemde aanspraak: “gij zijt toch de afvallige niet meer (Hoofdst. 3:6 vv.) maar de bekeerde, gij, behoeft dus ook nu niet meer u verre te houden. Omtrent de tweede helft van het vers heeft den uitleggers de vraag veel bezig gehouden, wat dit nieuwe, dat de Heere in het land wil scheppen: “de vrouw zal den man omvangen” betekent. Er zijn daarover gehele boeken geschreven. Luther zegt: “Ik werp de opvatting der ouden niet weg, die zeggen: “Christus is de man door Maria omgeven, d. i. ontvangen en geboren. ” Dan zouden wij hier de vervulling hebben van de profetie in Jes. 7:14 (vgl. Gen. 4:1). Intussen is, gelijk Starke juist opmerkt, hier geen sprake van de eerste maar van de laatste tijden des N. T. Dan geeft Openb. 14:1-5 de verklaring; de nieuwe verbondsbetrekking, in welke Israël na zijn terugkeren in het heilige land tot den Heere zal staan, is hier bedoeld. V. d. Palm tekent aan: “Dit gezegde, dat de gedaante van een spreekwoord heeft, betekent, die de zwakste was, is de sterkste geworden: of, de zwakste in schijn zal de sterkste zijn inderdaad. Ene bemoediging voor Israël tegen de gevaren der wederkering. “
Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, ten opzichte van Juda, dat Hij bij de volvoering Zijner raadsbesluiten over Efraïm geenszins zal vergeten: Dit woord zullen zij nog, even als voorheen bij voorbeeld in het optochtslied, Ps. 122, geschied is, zeggen in het land van Juda, en in zijne steden, namelijk dan, als Ik hun gevangenis wenden zal(Hoofdst. 29:14; 30:3, 18): De HEERE zegene u, Jeruzalem, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid(Hoofdst. 50:7; 23:6. Jes. 66:20; 9:16).
Hij bevestigt met andere woorden dezelfde verzekering, en deze herhaling is niet overbodig. Want het was moeilijk den Joden te overtuigen, omdat zij reeds hadden vastgesteld dat, het niet gebeuren kon. Want door hun hardnekkigheid hadden zij alle toegangen voor Gods woord afgesloten. Dewijl derhalve de wanhoop hen zo in bezit had genomen en hun gevoelens had omwonden, was het noodzakelijk met vele woorden hen er bij te bepalen, opdat zij innerlijk de belofte van het heil toegang verleenden. Bij de beloften van toekomstigen zegen, voornamelijk aan Efraïm gegeven, kon het schijnen, dat Juda bij het overige Israël was achtergesteld. Daarom worden als tot geruststelling deze beloften nog uitdrukkelijk ook tot Juda uitgebreid, daar toch uit alle stammen van Israël te zamen het ene volk van God moest bestaan en niet één van den aanstaanden zegen zou zijn uitgesloten. Ook Juda zal in zijn land terugkeren; het heiligdom, het middelpunt en de bron van allen zegen zal weer met zegenwensen worden begroet. Het gehele land zal weer worden bewoond, akkerbouw en veeteelt zullen in bloei zijn: want de Heere wil voor allen nood hulp, voor elke behoefte bevrediging geven.
En Juda, mitsgaders al zijne steden met alle bewoners zijner steden (Hoofdst. 11:12) zullen te zamen daarin, in het land van Juda, (vs. 23) wonen; de akkerlieden en die met de kudden reizen, 1) zodat men zich ongestoord op den vreedzamen akkerbouw en de veeteelt toeleggen kan, even als Samaria op den wijnbouw (vs. 5).
Want ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige versmachtende ziel vervuld. 1) Ik zal Mijn volk, dat zo lang door nood en zorg, door honger en dorst van allerlei aard gekweld en gedrukt werd, bovenmate bevredigen en zaligen.
Hiermee belooft de Heere een volheid van genade, een overvloed van zegeningen. Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is. Als de Heere Zijne zegenende en reddende hand ontsluit in den weg van schulduitdelgende en schuldvergevende genade, stort Hij ook den vollen stroom Zijner genade uit, zodat zijn volk het ervaren mag, dat Hij een overvloeiende mate van zegeningen schenkt. Dat zou Zijn geestelijke kudde op bijzondere wijze ondervinden.
(Hierop ontwaakte ik (vs. 25) uit mijnen slaap, en ik zag toe als een, die bij het ontwaken er over denkt, wat hem nu te doen staat, en mijn slaap was mij zoet; want ik wist, dat ik den rechten tijd niet zou verslapen, noch verzuimen). Door de meesten worden deze woorden op Jeremia toegepast. Zo onze Staten-overzetters: “Dit zijn woorden van Jeremia, die hij hier invoegt, om zijne geestelijke vreugde te betuigen over deze heerlijke profetie van den Messias, die God hem in den slaap openbaarde. ” In denzelfden zin spreken Gataker, Poole, Henry en Scott, Klinkenberg, v. d. Palm enz. De laatste zegt: “Jeremia vergelijkt de profetische verrukking, waarin hij geweest was, en waarvan al het voorgaande in toon, in stijl, in afgebrokenheid en vastheid der wendingen getuigenis draagt, gelijk hij die ook in vs. 3 had aangekondigd; hij vergelijkt deze verrukking, waaruit hij nu voor een poos terug komt bij een zoeten slaap, uit welken hij ontwakende rondom zich ziet; een beeld, waarvan ook Zacharias (4:1) zich bedient, misschien in navolging van onzen Profeet. Dit blijft toch altijd verre weg de natuurlijkste en gemakkelijkste verklaring van deze plaats, en als zodanig te verkiezen boven ene andere, volgens welke het Joodse volk hier sprekende zou worden ingevoerd, verrukt over de voorrechten, die aangekondigd zijn; doch die bezwaarlijk bij een slaap of ontwaken uit enen slaap konden vergeleken worden. Keil zegt terecht: “Mijn slaap was mij zoet, zou in den mond Gods ongepast wezen, wijl God niet slaapt, nergens in de Schrift God een slapen wordt toegekend, en de eis tot ontwaken slechts het niet ingrijpen Gods in de aangelegenheid van zijn volk veronderstelt. “
Ziet, de dagen komen 1) (Hoofdst. 23:5), spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israël en het huis van Juda, die weer tot één volk vergaderd zijn (Hoofdst. 3:18), bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten (Hoofdst. 33:10 vv. (Ezech. 36:9 vv.).
Wij zien dat de Profeet niets nieuws voortbrengt, maar slechts den Joden moed inblaast, om te vertrouwen op hun bevrijding en terugkeer. Doch hij gebruikt een andere vergelijking dat n. l. de Heere weer op de aarde zou zaaien, zodat Hij voortbracht zowel mens als vee en alle ziel van gedierte. Wij hebben gezegd dat het land tijdelijk braak lag en verlaten. Waar derhalve God op die wijze het land had veroordeeld, zodat alle heidenen meenden dat het Overgegeven was aan eenzaamheid en verwoesting, daar zegt de Profeet, dat God zou bewerken dat het weer bewoond werd, zowel door mens als door vee. En die vergelijking versiert te meer de genade Gods. De zin hiervan is duidelijk: Ik zal het land van al de geslachten Israëls zo vermenigvuldigen en vervullen met mensen en vee, alsof het ganse land met zaad van beide bezaaid was, en het zo vele vruchten voortbracht als koren, in een vetten grond geworpen, gewoon is te doen.
En het zal geschieden, wanneer Mijne oordelen zullen worden volvoerd, gelijk als Ik over hen gewaakt heb (Jer. 1:12), om uit te rukken en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen: alzo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten, (Hoofdst. 18:7 vv.), spreekt de HEERE. 1)
Hiermee verzekert de Heere, dat Hij de macht had om uit te rukken, maar ook de macht heeft om weer te herstellen. Dat Hij het is, die om hunner zonden wil hen in ellende had gebracht, maar hen ook nu weer in vrijheid zou heenzenden, dat derhalve zowel het kwade als het goede van Hem was. Bovendien wil de Heere hierdoor het vertrouwen bij hen wekken. Zijne dreigingen, Zijne oordelen zijn uitgekomen, derhalve zo zeker zullen ook Zijne beloften van uitredding vervuld worden.
In die dagen 1) zullen zij niet meer zeggen, gelijk men dit tot hiertoe dikwijls in verkeerden zin gezegd heeft, maar ook in juisten zin wel met reden kon zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven (Jes. 5:2) gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden(Ezech. 18:2. (Klaagl. 5:8).
De Profeet zegt derhalve dat dit spreekwoord niet meer gebruikt zou worden, dewijl, waar zij door rampen waren overheerst, zij zeker zouden gewaar worden dat God niet zo streng was geweest, zonder rechtvaardige oorzaak. Doch hij zegt: in die dagen, n. l. nadat God rechtvaardige straffen had gezonden over hen en vervolgens hen omhelsd had met Zijn mededogen. Want beide was noodzakelijk, n. l. dat de hardnekkigheid en woestheid van het volk werd ten onder gebracht en zij zouden ophouden met God te twisten, vervolgens dat de genadevolle gunste Gods in hen zou openbaar worden.
Maar een iegelijk zal om zijne ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijne tanden zullen stomp worden(Deut. 24:16). Het spreekwoord van de zure druiven en het stomp worden der tanden, hier voor de eerste maal vermeld, kan een dubbelen zin hebben. Het kan betekenen: De vaderen zijn begonnen onrijpe druiven te eten maar eerst zijn den kinderen de tanden daarvan scherp geworden, d. i. de straf treft niet altijd dadelijk den eersten schuldige, maar dikwijls eerst den schuldigen van de tweede, derde of vierde generatie. Het kan echter ook betekenen: de straf treft niet altijd den schuldigen vader, maar dikwijls eerst den onschuldigen zoon of kleinzoon. In den laatsten zin bestrijdt Ezechiël in Hoofdst. 18 het spreekwoord als ene lastering der gerechtigheid Gods. In den eersten zin bevat het gene godslastering, maar drukt slechts hetzelfde uit wat de wet zelf uitspreekt met de woorden: “Ik ben een ijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek tot in het derde en vierde lid dergenen die Mij haten (Ex. 20:6; 34:7. Num. 14:18. Deut. 5:9. Jer. 32:18. Klaagl. 5:7). Deze grondstelling der Goddelijke gerechtigheid berust op de veronderstelling, dat het niet alleen ene individuele, maar ook ene corporatieve zonde, ene zonde van families, van geslachten, van generaties, volken en staten is. Alzo heeft iedere zodanige aan veler gemene zonde hare geschiedenis; zij ontwikkelt zich als elke andere kiem, totdat zij hare verste uitbreiding en volle rijpheid verkregen heeft, met de rijpheid valt ook het gericht te zamen. Den dan levenden worden de tanden stomp, mogelijk wel den minder schuldigen (men denke aan Lodewijk XVI van Frankrijk), maar altijd zeker als den kinderen van hun vaders in dien zin als de uitdrukking in Matth. 23:31 v. gebruikt is, d. i. als den appel, die niet ver van den stam valt, als de organische voortzetting en volmaking van de zedelijke richting, door de raderen ingeslagen. Gerechtigheid en gericht zal in het heilige land zo worden onderhouden en gekweekt, dat zonde en straf niet meer gehele reeksen van geslachten treffen, maar ieder zondaar terstond de rechtmatige straf ontvangt.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken (Hebr. 8:8 vv.). Met de verschijning van den Messias zal het worden opgericht, maar eerst ten volle tot stand komen bij de eindpaal der eeuwen (Hos. 2:16 vv. Openb. 11:12);
Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, zodat ook aan dit eerste verbond grote betoningen van genade voorafgegaan waren, en het ook zijne heerlijkheid had (2 (Kor. 3:7 vv.), welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, door hun onvernieuwd gebleven hart, hoewel Ik hen getrouwd had 1), spreekt de HEERE.
Of het verbond der genade in alle eeuwen der wereld hetzelfde is in Zijn wezen? Wij antwoorden: Ja. De vaders vóór Christus hebben geen ander verbond gehad dan wij; hetzelfde verbond der genade gaat ons te zamen aan. Dit blijkt, omdat zij vooreerst dezelfde belofte gehad hebben, ten tweeden zij hebben die op denzelfden grond gehad, door hetzelfde geloof in Jezus Christus (Joh. 8:56.) Waarin bestaat dan het onderscheid tussen de Oude en Nieuwe bedeling van het verbond der genade? Zij zijn onderscheiden: 1) in het voorwerp. In de Oude bedeling was Christus beloofd, maar in de Nieuwe is Christus gegeven. 2) In de bondsgenoten. Onder de Oude bedeling worden zij vergeleken bij een minderjarigen erfgenaam, in de Nieuwe bij enen erfgenaam, die tot zijne jaren gekomen is (zie (Gal. 4:1-7).
In de manier van kunnen godsdienst In het N. V. is onze godsdienst meer geestelijk. 4) In den last der ceremoniën, “een juk hetwelk noch onze vaders noch wij hebben kunnen dragen” (Hand. 15:10), maar Christus nodigt: “Neemt Mijn juk op u, want Mijn juk is zacht, en mijn last is licht. ” (Matth. 11:29, 30). 5) In de zwakheid der wet. De wet was onmachtig om het leven te geven, de conscientiën te reinigen. Gods toorn te verzoenen. Daar was ene minder krachtige invloeiing des H. Geestes. De Geest was toen niet gegeven in zo ruime mate als nu, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was (Joh. 7:39). 6) In de duisternis der bediening van ouds. Christus was des Vaders, maar alleen afgebeeld door schaduwen, voorbeelden en voorzeggingen, maar nu zien wij Hem “met ongedekten aangezichte” (2 (Kor. 3:18). 7) In het getal der deelgenoten dezes verbonds. Nu is de middelmuur des afscheidsels tussen Joden en Heidenen gebroken; het verbond der genade is gemaakt met alle volken, “Hij is ook een God der Heidenen en niet alleen der Joden” (Rom. 3:29).
Maar dit is het verbond 1), dat Ik na die dagen, die eerst moeten voorbijgaan, vóórdat de nieuwere tijd in vs. 31 kan aanbreken, met het huis van Israël maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven (Ezech. 36:26 vv. 2 Kor. 3:3 en Ik zal hun tot een God zijn (Hoofdst. 24:7; 30:21 vv.), en zij zullen, terwijl hetgeen reeds bij het eerste verbond geëist werd (Hoofdst. 7:23) nu ook werkelijk door hen geschiedt, Mij tot een volk zijn 2).
Hij wijst hier het onderscheid aan tussen Wet en Evangelie, dewijl het Evangelie met zich brengt de genade der herschepping en dus niet is een letterlijke kennis, maar doordringt tot hun harten en alle hartstochten reformeert tot gehoorzaamheid aan de gerechtigheid Gods. De vraag kan nu wel te berde gebracht worden, of dan onder de wet de genade der herschepping heeft ontbroken. Doch dat is al te ongerijmd. De vaderen, die eertijds zijn wedergeboren, hebben dit ontvangen door de genade van Christus, wij zouden zo kunnen zeggen als het ware bij wijze van vroegere overbrenging. Deze deugd resideerde derhalve niet bij hen, zodat zij hun gemoederen binnendrong, maar het was een van het Evangelie tot de Wet zelf overgebracht goed.
God vat hier de hoofdzaak van Zijn verbond in het generale samen. Zo dikwijls nu God zich aan ons verklaart onze God te zijn, bindt Hij tegelijk zijn Vaderlijken gunst aan en verklaart dat Hij zorg draagt voor ons heil. Hij geeft ons vrije vergunning tot gebed, beveelt ons op Zijne genade zich te verlaten, kortom deze belofte bevat in zich alle delen van ons heil.
En zij zullen niet meer, gelijk vroeger het geval was, toen men tot openbaring Mijner kennis bijzondere middelaars en profeten nodig had, aan iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen, daar zij zelf tot dragers van Mijnen Heiligen Geest en tot profeten zijn geworden (Joël 3:1 vv.), Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe (Jes. 54:13. Joh. 6:45. 1 Joh. 2:20, 27 spreekt de HEERE: a) want (vgl. Hebr. 10:16 vv.) Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken (Jes. 43:25; 44:22.)
Jer. 33:8. Micha 7:18. Hand. 10:43. Dat de profeet des Nieuwen Verbonds dit tegelijk aanschouwt met de herstelling van Israël op den grond van het land der belofte is geheel naar de orde, toch wordt in de uitdrukking vs 33 : “na die dagen” reeds aangeduid, dat de nieuwe tijd niet alleen moet gekomen zijn, maar binnen dien tijd ook de gezochte plaats moet gevonden zijn. De ware bedoeling van het verbond, door de Schrift voorgesteld, is deze, niet dat er een verdrag tussen God en den mens wordt gesloten, maar dat van den Heere het initiatief, de oprichting van het verbond, en juist daarom de vaststelling van de orde des verbonds uitgaat; met andere woorden: het verbonds Gods is wezenlijk ene stichting. Aan de andere zijde kan nu echter ook elke door God tussen Zich en de mensen gestichte betrekking, even als de aan David geschonken belofte van genade (Ps. 89:4) ja elke door Hem aan het schepsel opgelegde regeling en beperking (Hoofdst. 33:20. (Hos. 2:18. (Zach. 11:10), in ‘t bijzonder elke theokratische instelling, zoals die van den sabbat (Exod. 31:16), een verbond worden genoemd. Nog meer bepaald heeft het verbond des Evangelies het karakter van ene stichting, rijk in genade, in zekeren zin erfgift (men zie daaromtrent vooral de plaats Luk. 22:29 als terugslaande op vs. 20); daardoor wordt de bewijsvoering in Gal. 3:15 vv. Hebr. 9:16 v. die zich aan de laatste betekenis over het woord (Testament) aansluit, gerechtvaardigd. De eerste meer bijzondere belofte (Hebr. 8:6), op welke het nieuwe Verbond komt te staan, is deze, dat in de plaats van de uitwendige, van buiten af dringende en alzo de tegenspraak opwekkende letter moet komen de Goddelijke wil, die in ‘t binnenste gelegd wordt, en inwendig dringt, en die de band moet worden, die met God verenigt. De tweede is deze, dat ten gevolge van inwendige, voor ieder waarneembare openbaring van God levende kennis van God het eigendom van allen zal zijn. De derde is deze, dat alle zonden, zonder dat er ene voorwaarde voor de zijde der mensen is, tegemoetkomende genade van eeuwig geldende vergeving vinden. Deze laatste belofte is het fondament en tevens de hoeksteen van alle; vgl. het slotwoord der rede van Jes. 33. Let op: wie in den tijd des Nieuwen Verbonds nog leeft naar de wijze des Ouden en niet in het geloof in Jezus een nieuw hart ontvangt, die wordt ook naar de wijze des Ouden Verbonds behandeld. In zo verre duurt het Oude Verbond voor ongelovige Christenen en Joden, nog altijd tot aan het jongste gericht voort, maar het heeft volstrekt gene beloften meer, vermits deze te gader in het Nieuwe Verbond vervuld zijn. Hier is ene onpeilbare zee van zaligheid, een strandeloze oceaan van genot; kom, baad uwen geest daarin; al zwemt gij ene eeuw, een oever vindt gij niet; peil door de eeuwigheid heen, en gij zult geen bodem voelen. “Ik zal hun tot een God zijn. ” Als dit uwe ogen niet doet glinsteren, uw hart niet hoorbaar van geluk doet kloppen, dan is uwe ziel zeker in geen gezonden toestand. Maar gij behoeft meer dan tegenwoordige genietingen-gij reikhalst naar iets, waarop gij uwe hope bouwen kunt, en waarop kunt gij meer hopen, dan op de vervulling dezer heerlijke belofte: “Ik zal hun tot een God zijn?” Dit is het meesterstuk aller beloften; de zekerheid en het gevoel daarvan maakt een hemel hier beneden en zal een hemel daarboven maken. Rechte kennis van, herstelde gemeenschap met oprechte toewijding van God, ziet daar de zegeningen, die hier met kracht op den voorgrond treden! Bedenkt men, wat waarde voor Jeremia, den priesterzoon, bepaaldelijk de uitwendige godsdienstplichten en plechtigheden van zijn volk moesten hebben, dan wordt men gedrongen-niet zozeer om de hoogte zijner ontwikkeling te bewonderen, als ware die het werk van eigen wijsheid en kracht, maar om de kracht van den geest der profetie op het diepst te vereren, die zijn uitverkoren volk zover boven het gewone standpunt verhief, en hem de volheid der tijden deed malen met kleuren zo rijk en zo stout, dat wij thans, na achttien eeuwen, nog slechts de aanvankelijke vervulling Zijner godsspraak aanschouwen. Heeft Jesaja bij voorkeur de weldaad der schuldvergiffenis door het bloed der verzoening, Joël, die der vernieuwing door den Heiligen Geest, als vrucht der Nieuwe bedeling geschetst. Jeremia vat beide te zamen, leert ons niet onduidelijk de tweede als vrucht der eerste beschouwen, en doet ons Gods eigen eed, als onwankelbare waarborg voor de dubbele toezegging horen! In het eerste deel van dit vers wordt ene zeer overvloedige kennis onder Jakobs overblijfsel beloofd. Er zijn er, die menen, dat men de tweeërlei uitdrukking “een iegelijk zijn naaste, ” en “een iegelijk zijnen broeder, ” onderscheiden moet opvatten, zodat door de “naasten” de Heidenenen, en door de “broeders” de Joden zouden bedoeld worden; dan zou de zin deze zijn: niemand zal Heiden of Jood behoeven te leren, zeggende: “kent den Heere enz. ” Men geeft er twee redenen van: deels omdat de latere Joden gewoon waren de Jodengenoten, die uit de Heidenen tot de gemeenschap van hun kerk overkwamen, hun naasten, maar de geboren Joden hun broeders te noemen; deels omdat er andere ene nutteloze herhaling van woorden zou plaats hebben. Maar deze onderscheiding schijnt ons te spitsvondig en ongegrond. In de ganse Godsspraak wordt van de Heidenen gene de minste melding gemaakt. Zij handelt alleen van de algemene bekering der Joden, en de onderscheiding tussen de namen naasten en broeder, voor Heidenen en Joden, is in de Heilige Schrift geheel onbekend. Onzes inziens zal de kracht der oorspronkelijke woorden de mening van de Godsspraak duidelijk genoeg kunnen aanwijzen. Het woord “een iegelijk” betekent enen man, en wel enen man van gezag en aanzien, en het werkwoord leren zegt eigenlijk met sporen steken, aansporen en aandrijven, zodat de zin deze is: de Joodse wetleraars, die gestrenge voogden en tuchtmeesters waren onder het Oude Verbond, zullen de Israëlieten niet meer op enen gebiedenden toon belasten, en nog veel minder met geweldige middelen aandrijven, om den Heere te kennen en te dienen. Alle aansporingen zullen eenvoudig in zachte en overredende drangredenen bestaan. Ook zullen de Israëlieten tot het kennen en dienen van den Heere zulk harde aansporingen niet meer nodig hebben; alleen zullen zij daartoe met de uiterste bereidwilligheid volvaardig wezen. Trouwens ter nadere bevestiging wordt er bijgevoegd: “want zij zullen Mij allen kennen van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere. ” Dat is niet van het kleinste kind tot den volwassen man; de pas ontluikende vermogens der tedere jeugd zullen altoos door een redelijk onderwijs moeten beschaafd worden. Maar de Heere bedoelt mensen van allerlei rangen en standen, edel en onedel, rijk en arm, van den meest verachten tot den aanzienlijksten, van den dagloner tot den vorst (vgl. Hoofdst. 6:13). Deze allen zouden den Heere kennen. Niet alsof de maat van kennis bij alle Israëlieten even groot wezen zou. Zulk ene opvatting is alleszins strijdig met de natuur der zaak zelf. Haar de Heere wil dit zeggen: “Elk Israëliet zal, naarmate van zijne verschillende vermogens en omstandigheden ene genoegzame en opgehelderde kennis hebben van den Heere en Zijnen dienst, en deze kennis zal aan ieders hart door de genade van den Geest geheiligd wezen. ” Maar wat zou den Heere bewegen, om aan gans Israël zulke grote weldaden te bewijzen? Zouden zij het zich waardig maken? Neen, de beweegreden zou gene andere wezen dan deze, dat de Heere Zijnen toorn niet in eeuwigheid behoudt, en Israël alle ongerechtigheden vergeven zal. Dit vinden wij vs. 34b “want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hunner zonden niet meer gedenken. ” Het ganse beloop van zaken wijst ons naar ene bepaalde ongerechtigheid en zonde bij uitnemendheid, namelijk den Messiasmoord, de zwaarste van alle ongerechtigheden, aan welke de Israëlieten zich ooit hebben schuldig gemaakt. De mening is derhalve onzes inziens deze, dat de Heere aan Jakobs nageslacht hun schromelijke ongerechtigheden in het smadelijk verwerpen en vermoorden van den Messias, onder welke geduchte gevolgen deze hardnekkige natie eeuwen lang zuchten zou, eindelijk eens volkomen vergeven en die niet meer gedenken zal, even alsof zij zich daaraan nimmer hadden schuldig gemaakt. Door den Messiasmoord zouden de Joden eindelijk eens de maat van hun ongerechtigheid dermate vervullen, dat de Heere hen als een onwaardige Lo-Ammi geheel en al verstoten, en onder al de heidenen verstrooien zou. Zo lang nu de Messiasmoord hun niet vergeven was, zouden zij op des Heeren gunst en zegen niet kunnen hopen. Maar evenwel eigenlijk zou de Heere, die Zijnen toorn niet tot in eeuwigheid behoudt, deze ongerechtigheid ene vergeven en vergeten, en hen uit dien hoofde met ene algemene bekering, en enen groten overvloed van allerlei heil rijkelijk verwaardigen. Uit al hetgeen wij gezegd hebben over vs. 31-34 ziet een iegelijk, dat de dagen waar in deze godsspraak volledig zal vervuld worden, nog niet gekomen zijn. Het is waar, in het begin van den Evangeliedag heeft de Heere met Israël een nieuw verbond gemaakt, ook heeft Hij er enigen bekeerd door Zijne wet te geven in hun binnenste; sommigen hebben den Heere leren kennen en vergeving van hun zonden bekomen. Maar de Joden, die toenmaals met deze voorrechten verwaardigd werden, waren slechts weinigen in vergelijking met de gehele natie. De volledige vervulling is nog aanstaande in het laatste der dagen bij de algemene bekering der Joden (Rom. 11:27). De Heere belooft een nieuw verbond. Welke is de betrekking tussen het Nieuwe en het Oude Verbond? Het Oude Verbond bestond van het ogenblik af, dat God de Israëlieten uit Egypte geleid, en, door enen prijs voor hen betaald, tot Zijne knechten gemaakt had. Alle voorrechten van de zijde Gods aan de kinderen der mensen geschonken, leggen hun tevens ene verplichting op, waaraan zij zonder schending van het Verbond, zich niet kunnen onttrekken. Het Nieuwe Verbond kan daarom niet een geheel ander Verbond zijn, dan hetgeen bij de wetgeving op Sinaï gesticht werd. Want ook het Oude Verbond was ene openbaring Gods, en ook in het Oude had God verklaard, de God van Israël te willen zijn. Ja het Nieuwe Verbond zelf zou genen waarborg voor zijn bestaan opleveren, indien het Oude, dat trouwens ook een Verbond Gods was, volkomen afgeschaft kon worden. “Jezus Christus, ” zegt de Apostel der Heidenen, “is een dienaar geworden der besnijdenis, van wege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen” (Rom. 15:8). Wat in het Oude Verbond slechts in de kiem voorhanden was, zal tot volle vrucht komen; wat in het Oude Testament afgeschaduwd werd, zal verwezenlijkt; wat beloofd was, zal vervuld worden. Alzo zal het Oude Verbond ophouden, echter niet door oplossing, maar door vervulling. Zijn schijnbaar sterven is het begin van een nieuw, heerlijk leven, even als de Christus aan het kruis in de diepe vernedering sterft, om uit de opstanding der doden naar den Geest der heiligmaking krachtelijk bewezen te worden de Zoon van God te zijn. Het Oude is het Nieuwe, en is het ook niet, maar God zelf gelijkt in deze aan een iegelijk schriftgeleerde in het koninkrijk onderwezen, die uit zijnen schat oude en nieuwe dingen voortbrengt. God herhaalt nooit slechts het oude, en Hij doet nimmer iets dat volstrekt nieuw is. Hieraan getuigen Zijne werken in het rijk der natuur en Zijne wonderen in het rijk der genade. Verscheidene zegeningen worden in het nieuwe Verbond beloofd, niet in volstrekte, maar in betrekkelijke tegenstelling van het Oude, namelijk vergeving van zonden, verlichting van het verstand en vernieuwing van het hart. “Ik zal mijne wet, ” spreekt de Heere, “in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven. ” In plaats van op de tafelen der getuigenis, aan de hand van Mozes toebetrouwd, schrijft Jehova thans Zijne wetten in hun hart. Maar ook in het Oude Verbond wordt van de wet geroemd, dat zij de ziel bekeert en het hart verblijdt, en ook in de tijden der Oude bedeling wees de besnijdenis der voorhuid op de besnijdenis des harten, en vroeg David den Heere hem een nieuw hart te scheppen. Reeds aan Abraham werd beloofd dat Jehova zijn God en de God van zijn zaad wilde zijn. Indien nu van de dagen des Nieuwen Verbonds gezegd wordt, dat de wet in het hart geschreven zou worden, en God hun tot enen Heere zou zijn, dan kan slechts bedoeld zijn, dat de vervulling van deze toezegging zo krachtig en zo handtastelijk wezen zou, dat al hetgeen de Heere in vroegere dagen gedaan heeft, hierbij vergeleken, niet meer in aanmerking zou komen. Alzo zal ook van de ark niet meer gesproken worden, noch van het opvoeren uit Egypte (Jer. 3:16 en 13:7, 8 ,). Een iegelijk, luidt een tweede belofte zal kennis vergaderen, niet door hetgeen hij van enen broeder, maar van den Heere zelven geleerd heeft. Door menselijk onderwijs weet men van God, door de onderwijzing des Geestes kent men God. Mensen kunnen op God wijzen, Hij moet Zich zelf bewijzen; mensen kunnen van Hem getuigen, Hij moet Zich zelven aan de harten betuigen. Niemand kent God, niemand kan Christus den Heere noemen, dan door den Heiligen Geest. In de tegenwoordige bedeling verklaart een leraar uit Israël, leert Israël de wet van enen sterflijken mens, daarom vergeet het haar. Want even als vlees en bloed voorbijgaan, vergaat ook zodanig een onderwijs. Eenmaal zullen allen uit de mond des Heeren zelven onderwezen worden, gelijk geschreven staat: “alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd worden” (Jes. 54:13). Wij behoeven hier niet bij te voegen, dat al de vromen des Ouden Verbonds door den Heere onderwezen werden, terwijl in de dagen des Nieuwen Verbonds zeer velen enkel van mensen leren. De Heere wil Zijne kennis door Zijnen Geest schenken, moet echter er mede beginnen, iets weg te nemen, namelijk de zonde. Zolang de ongerechtigheden, die het volk en God van elkaar scheiden, niet weggenomen zijn, kan de Heere onmogelijk onder hen wonen. Maar ook vergeving der zonden was onder het Oude Testament niet onbekend, want de kinderen Gods prezen dengenen zalig, wiens zonden vergeven zijn, en verblijdden zich in enen God, bij Wien vergeving is, opdat Hij gevreesd worde. Het verstrooid en vertreden Israël kon wel vrezen, dat het voor altijd verworpen was en nooit meer vergeving zou ontvangen. Neen, antwoord God, de vergevende genade begint, wanneer gij haar geëindigd gelooft; twijfelt aan alles maar twijfelt nimmer aan de getrouwe en vergevende barmhartigheid van uwen Jehova. Waar de zonde machtig wordt ten dood, wordt de genade nog meer overvloedig. Is dat uitzicht misschien al te lieflijk om immer vervuld te worden? Hoort des Heeren antwoord: “Indien de hemelen daar boven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse huis Israëls verwerpen. ” Eer zal het onmetelijke gemeten en het onpeilbare gepeild worden, eer dat God Zijn verbond met Zijn volk verbreekt. De verwoeste stad zal herbouwd, en van het begin tot aan het einde een heiligdom des Heeren worden. Indien in vroegere dagen de vijanden het onreine in het heiligdom brachten, thans zal het eenmaal onreine geheiligd worden. De zegepraal, de volkomene overwinning is verzekerd, want er zal niets worden uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid. De zin is, dat allen, die in het verbond der genade zijn, zo van God geleerd zullen worden, dat een iegelijk van hen in de ene of andere mate God kennen zal, inwendig, duidelijk, ondervindelijk, zoet en zalig. Ik weet dat er verscheidene trappen van deze kennis zijn. God heeft verschillende vormen in Zijne school: er zijn vaders van wege de ervarenheid, jongelingen van wege de sterkte, en kinderen van wege de waarheid en het wezen der genade (1 Joh. 2:12). Gelijk de ene ster verscheiden is van de andere in heerlijkheid, zo is het ook met Christus’ school. Maar hier ben ik van beide zijden bezet. a) Enigen zijn gereed om te klagen: helaas, zij kennen zo weinig van God. Geliefden! bedenkt: het is enkel genade, dat gij sterren zijt, al is het, dat gij juist gene sterren zijt van de eerste of tweede grootte. Indien gij nu maar weinig kent, met den tijd zult gij meer kunnen kennen. God leert al Zijne lessen niet bij de eerste intrede. Het is waar: de opening of de ingang Uwer woorden geeft licht (Ps. 119:130), maar dit is ook waar, dat God in Zijn licht ons leidt met trappen; het is niet te versmaden, als God het harte maar bezig houdt met heilige begeerten en verlangen naar kennis, zo dat het in oprechtheid kan zeggen: Mijne ziel is verbroken van wege het verlangen naar Uwe oordelen te aller tijd (Ps. 119:20). b) Anderen daarentegen houden zichzelven zo wel geleerd uit kracht dezer belofte, dat zij alle leerlingen van mensen buiten sluiten. Ik antwoord: deze woorden zien óf op de gronden van den godsdienst, en zo hebben de Christenen in den tijd des Evangelies niet nodig, om in deze grondstukken geleerd te worden, want nu kennen zij allen den Heere van den kleinste tot den grootste toe, óf anders deze woorden zijn alleen te verstaan bij vergelijking. Er zal zodanige overstroming en ene zee van kennis zijn onder het Nieuwe Verbond, boven het verbond met Zijn volk gemaakt, als Hij hen uit Egypte leidde, dat de mensen niet van node zullen hebben elkaar te leren bij vergelijking. Aldaar zal ene verhevene baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen (Jes. 35:8). Hoe wordt God gezegd de ongerechtigheid te vergeven en de zonden nimmermeer te gedenken? Vooreerst, God wordt gezegd de ongerechtigheid te vergeven, als de schuld der zonde is weggenomen; en ten tweede: God wordt gezegd de zonden nooit meer te gedenken, naardien Hij den zondaar nooit meer aanmerkt als zondaar. Dit is immers het verbond, alsof Hij gezegd had: Ik zal uwe zonden wegnemen, en ze wegdoen alsof ze nooit geweest waren. Ik zal ze uitdoen uit Mijn gedenkboek; Ik zal het schrift doorstrijken dat niemand het zal kunnen lezen. Maar zoudt gij mogen zeggen: indien de zonde gedurig in de wedergeborenen blijft, hoe zijn zij dan zo vergeven, dat zij nooit meer gedacht worden? In onderscheidene opzichten zeggen wij, dat de zonde altijd blijft in de gelovigen, en dat de zonde niet blijft in de gelovigen. Vooreerst, zo wij spreken van de wet wij spreken van de wet der zonde, of van de welverdiende oorzaak der verdoemenis, dan blijft die altijd; maar zo wij spreken van de dadelijke verbinding des zondaars tot de verdoemenis, dan blijft zij niet na de vergeving; maar de zondaar is zo vrij, alsof hij nooit gezondigd had.
Zo zegt de HEERE, die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts (Gen. 1:14 vv. Ps. 136:7 vv.), die de zee klieft, dat hare golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn naam (Job. 26:12. Jes. 51:15).
Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, dat Ik ze niet meer liet bestaan, wat echter nooit zal geschieden zolang deze tegenwoordige wereld bestaat (Hoofdst. 33:25 vv. (Gen. 8:21 vv. 9:9 vv.); spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij van zelfstandig en vast bestaan voor Mijn aangezicht, al de dagen 1).
Dat Hij, die belooft heeft zich een kerk te bewaren, Zich getrouw betoond heeft aan het woord dat Hij gesproken had, betreffende de vastigheid van de wereld. Hij nu, die getrouw is aan het verbond met Noach en zijne zonen, omdat Hij het ingesteld heeft tot een eeuwig verbond, zal niet vals bevonden worden, in zijn verbond met Abraham en zijn zaad, Zijn geestelijk zaad, want dit is ook, een eeuwig verbond. Zelfs hetgeen zij gedaan hebben, hoewel zij veel kwaad hebben gedaan, zal niet vermogen om de genadige oogmerken van het verbond te verijdelen.
Zo zegt de HEERE; indien de hemelen daarboven gemeten(Hoofdst. 33:22. Jes. 40:12), en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, wat niemand kan, zo zal Ik ook zijne barmhartigheid en genade laten eindigen (Ps. 36:6 en het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, dan zal weer een gericht als vroeger komen, spreekt de HEERE. Door eeuwigen duur zal het Nieuwe Verbond zich boven het Oude onderscheiden. Het Oude is door Israël gebroken, en het volk is daarom door Jehova verworpen; dit zal onder het Nieuwe niet meer geschieden; en het zal als het ware een tweede regeling der natuur worden, het zal zo onbewegelijk bestaan als de grote natuurwetten. Onder het Oude Verbond had de natie, gelijk ene overspelige, de heiligste banden verscheurd, en in de gevangenis van Babel dwaalde zij rond als ene vrouw, die door haren gemaal verstoten was. Maar thans, de scheiding zou door verzoening vervangen, en het zwakke aan het sterke, het volk van Jehova met onlosmakelijke liefdekoorden vastgesnoerd worden. Of zou wellicht dat uitzicht al te bekoorlijk zijn om immer vervulling te vinden? Het is alsof de profeet die bedenking in het kleinmoedige hart voorziet. Ene majestueuze beschrijving van Jehova’s macht en trouw moet haar afsnijden, en op den sterkst mogelijken toon wordt verzekerd, dat het onmetelijke eerder gemeten, en het onpeilbare eerder gepeild worden zal, eer Gods verbond met Zijn uitverkoren volk wordt verbroken (vs. 35-37). De vraag rijst op: Is den daarmee ook werkelijk een onvergankelijke duur van het Nieuwe Verbood met Israël uitgesproken, daar toch hemel en aarde inderdaad eenmaal zullen vergaan (Matth. 5:18; 24:35)? Wij moeten echter hierbij voegen, dat de Heere enen nieuwen hemel en ene nieuwe aarde schept, en gelijk de nieuwe schepping eeuwig voor Hem bestaat, zo zal ook het zaad van Israël eeuwig bestaan (Jes. 54:10; 65:17 en 66:22 Uit onze plaats blijkt duidelijk, dat God Israëls bekering en wederaanneming niet dadelijk de ondergang der wereld, het laatste oordeel en het nieuwe Jeruzalem zal volgen, hetwelk het licht der zon en der maan niet meer behoeft.
Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoekpoort.
En het meetsnoer zal wijders westelijk nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, gelijk die in Joz. 15:8 nader beschreven is, en zich naar Goath omwenden, waarschijnlijk een punt in het zuidoosten der stad, misschien bij den berg der ergernis (het woord schijnt rotsheuvel te betekenen).
En het ganse dal der dode lichamen en der as, het dal Ben-Hinnom met Tofeth (1 Kon. 1:33), en al de velden tot aan de beek Kidron, die door Josia verontreinigde velden van het dal Kedron (2 Kon. 23:4), tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het Oosten, zal den HEERE ene heiligheid zijn; er zal nietsvan dit heiligdom des Heeren, van deze den Heere van nu aan geheel gewijde stad (Hoofdst. 3:17), weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid (Zach. 14:11). Ene Paardenpoort hebben wij in 2 Kron. 23:15 (vgl 2 Kon. 11:16) leren kennen, die zich binnen de stadsmuur bevond en tot de gebouwen van het koninklijk paleis op Zion behoorde; niet verre daarvan hebben wij de in Neh. 3:28 genoemde Paardenpoort. Het is echter de vraag, of deze poort volgens onze plaats niet liever aan de westzijde van het dal Kedron beneden den oosthoek van den tempel, dicht bij den zuidhoek van den Ofel-muur moet worden gezocht, in welk geval ook de plaats bij Nehemia nog anders zou moeten worden opgevat dan door ons is geschied. Hoe dit ook zij, in elk geval moet door onze profetie niet juist ene uitbreiding van den uitwendigen omvang der stad, maar in de eerste plaats slechts zoveel te verwachten worden gegeven, dat Jeruzalem in zijne gehele vroegere uitgebreidheid zal worden hersteld (Zach. 14:10). Daarentegen zullen in het Zuiden en Oosten de vroeger voor onrein en onheilig gehouden plaatsen, die ontwijd en ontheiligd zijn geworden, als weer gewijd en den Heere eveneens als heilig worden toegerekend, dus van alle gruwelen, die in Jeruzalems onmiddellijke nabijheid zijn bedreven (en daaronder ook in het bijzonder Akeldama, de akker des bloeds (Matth. 27:7 vv.), of die van het verraad, dat in Judas eens geheel Juda aan zijnen Heiland beging (Zach. 11:12 vv.), zal voor altijd worden uitgedelgd, en het ganse verledene zal van de zijde zijner schanddaden zijn vergeven en vergeten, zodat een herhaald oordeel der vernietiging voor Jeruzalem niet meer te vrezen is. Daarentegen zal het dal van Josafat (2 Kron. 20:26) de schouwplaats van het gericht over den Antichrist worden (Joël 3:6 vv. Jes. 66:23 vv. Openb 14:14 vv. 1:11 vv). Deze schouwplaats zal zich uitstrekken van de velden van het dal Kedron in het noordoosten naar het zuiden, en om de zuidoostzijde heen tot aan de Paardenpoort, waar wij die eerst noemden, zodat de boven aangestipt moeilijkheid omtrent de bepaling van die poort is uit den weg geruimd, en nu ook de profetie in Zach. 14:3 vv. licht heeft verkregen. Voorzeker bij het lezen van zulk ene belofte mag de Israëliet, wien het deksel van het aangezicht valt, naar Jeremia’s eigen woord (Klaagl. 3:29) ootmoedig den mond in het stof steken, zeggende: misschien is er verwachting! De Profeet ziet hier in het aardse Jeruzalem het beeld van het nieuwe, van het hemelse. Op Oud Testamentische wijze, of liever in een Oud-Testamentisch kleed, voorzegt Hij de volkomen zegenpraal van het eeuwig Godsrijk. Geen zonde zal er meer zijn, de ongerechtigheid zal volkomen vergeven wezen. Wat Jeremia hier voorspelt, zag de ziener van Patmos als voltooid.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel