Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Van waar komen krijgenG4171 enG2532 vechterijenG3163 onderG1722 uG4771? Komen zij nietG3756 hiervan, namelijk uitG1537 uw wellustenG2237, die inG1722 uw ledenG3196 strijd voerenG4754?
Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
KJV
From whence1
come wars2
and3
fightings4
among5
you?
come they not7
hence,8
even of9
your
lusts11
that war14
in15
your
members?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
Gij begeertG1937, en hebtG2192 niet; gij benijdtG5407 en ijvertG2206 naar dingen, en kuntG1410 ze niet verkrijgenG2013; gij vechtG3164 en voert krijgG4170, dochG1161 gij hebtG2192 niet, omdat gijG4771 niet bidtG154.
Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
KJV
Ye lust,1
and2
have4
not:3
ye kill,5
and6
desire to have,7
and8
cannot9
obtain:11
ye fight12
and13
war,14
yet17
ye have16
not,15
because18
ye
ask21
not.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Gij bidtG154, enG2532 gij ontvangtG2983 nietG3756, omdat gij kwalijkG2560 bidtG154, opdatG2443 gij het inG1722 uw wellustenG2237 doorbrengenG1159 zoudt.
Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.
KJV
Ye ask,1
and2
receive4
not,3
because5
ye ask7
amiss,6
that8
ye may consume13
it upon9
your
lusts.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
OverspelersG3432 enG2532 overspeleressenG3428, weetG1492 gij nietG3756, dat de vriendschapG5373 der wereldG2889 een vijandschapG2189 GodsG2316 isG1510? Zo wieG3739 danG3767 een vriendG5384 der wereldG2889 wilG1511 zijnG1510, die wordt een vijandG2190 van GodG2316 gesteldG2525.
Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
KJV
Ye adulterers1
and2
adulteresses,3
know ye5
not4
that6
the friendship8
of the world10
is
enmity11
with God?13
whosoever15
therefore17
will be18
a friend19
of the world22
is26
the enemy23
of God.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
OfG2228 meentG1380 gij, dat de SchriftG1124 tevergeefsG2761 zegtG3004: De GeestG4151, DieG3739 inG1722 ons woontG2730, heeft Die lustG1971 totG4314 nijdigheidG5355?
Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?
KJV
Do ye think2
that3
the scripture6
saith7
in vain,4
The spirit13
that15
dwelleth16
in17
us
lusteth10
to8
envy?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
Ja, Hij geeftG1325 meerdereG3187 genadeG5485. Daarom zegtG3004 de Schrift: GodG2316 wederstaatG498 de hovaardigenG5244, maarG1161 den nederigenG5011 geeftG1325 Hij genadeG5485.
Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
KJV
But2
he giveth3
more
grace.4
Wherefore5
he saith,6
God8
resisteth10
the proud,9
but12
giveth13
grace14
unto the humble.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Zo onderwerptG5293 u dan GodeG2316; wederstaatG436 den duivelG1228, enG2532 hij zal vanG575 uG4771 vliedenG5343.
Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
KJV
Submit yourselves1
therefore2
to God.4
Resist5
the devil,7
and8
he will flee9
from10
you.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
NaaktG1448 tot GodG2316, enG2532 Hij zal tot u nakenG1448. ReinigtG2511 de handenG5495, gij zondaarsG268, enG2532 zuivertG48 de hartenG2588, gij dubbelhartigenG1374!
Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!
KJV
Draw nigh1
to God,3
and4
he will draw nigh5
to you.
Cleanse7
your hands,8
ye sinners;9
and10
purify11
your hearts,12
ye double minded.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Gedraagt uG4771 als ellendigenG5003, enG2532 treurtG3996 enG2532 weentG2799; uw lachenG1071 worde veranderdG3344 inG1519 treurenG3997, enG2532 uw blijdschapG5479 inG1519 bedroefdheidG2726.
Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
KJV
Be afflicted,1
and2
mourn,3
and4
weep:5
let your
laughter7
be turned11
to9
mourning,10
and12
your joy14
to15
heaviness.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
VernedertG5013 u voor den HeereG2962, enG2532 Hij zal uG4771 verhogenG5312.
Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
KJV
Humble yourselves1
in the sight2
of the Lord,4
and5
he shall lift6
you
up.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
BroedersG80, spreektG2635 niet kwalijkG2635 van elkanderG240. Die van zijn broederG80 kwalijk spreektG2635 en zijn broederG80 oordeeltG2919, die spreekt kwalijkG2635 van de wetG3551, en oordeeltG2919 de wetG3551. IndienG1487 gij nuG1161 de wetG3551 oordeeltG2919, zo zijtG1510 gij geen daderG4163 der wetG3551, maar een rechterG2923.
Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.
KJV
Speak2
not1
evil6
one of another,3
brethren.4
He that speaketh evil13
of his brother,7
and8
judgeth9
his12
brother,11
speaketh evil
of the law,14
and15
judgeth16
the law:17
but19
if18
thou judge21
the law,20
thou art
not22
a doer24
of the law,25
but26
a judge.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
Er isG1510 een enigG1520 WetgeverG3550, Die behoudenG4982 kanG1410 enG2532 verdervenG622. Doch wie zijtG1510 gijG4771, dieG3739 een anderen oordeeltG2919?
Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?
KJV
There is
one1
lawgiver,4
who3
is able6
to save7
and8
to destroy:9
who11
art
thou10
that13
judgest14
another?
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
WelaanG33 nu gij, die daar zegtG3004: Wij zullen hedenG4594 ofG2228 morgenG839 naarG1519 zulk een stadG4172 reizenG4198, enG2532 aldaar eenG1520 jaarG1763 doorbrengenG4160, enG2532 koopmanschapG1710 drijven, enG2532 winstG2770 doen.
Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.
KJV
Go to
now,2
ye that say,4
To day5
or7
to morrow11
we will go13
into17
such18
a city,20
and21
continue23
there27
a29
year,28
and30
buy and sell,32
and33
get gain:34
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
GijG4771, die nietG3756 weet, wat morgenG839 geschieden zal, want hoedanigG4169 is uw levenG2222? Want het is een dampG822, die voor een weinigG3641 tijdsG5316 gezien wordt, enG1161 daarna verdwijntG853.
Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Whereas1
ye know3
not2
what4
shall be on the morrow.6
For8
what7
is your
life?10
It is
even13
a vapour,12
that16
appeareth for18
a little time,17
and20
then19
vanisheth away.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
In plaatsG473 dat gijG4771 zoudt zeggenG3004: IndienG1437 de HeereG2962 wilG2309, enG2532 wij levenG2198 zullen, zo zullen wij dit ofG2228 dat doenG4160.
In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
KJV
For that1
ye
ought to say,3
If5
the Lord7
will,8
we shall live,11
and9
do13
this,
or20
that.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
Maar nu roemtG2744 gijG4771 inG1722 uw hoogmoedG212; alleG3956 zodanigeG5108 roemG2746 isG1510 boosG4190.
Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.
KJV
But2
now1
ye rejoice3
in4
your
boastings:6
all8
such10
rejoicing9
is
evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
Wie danG3767 weetG1492 goedG2570 te doenG4160, enG2532 nietG3361 doetG4160, dien isG1510 het zondeG266.
Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.
KJV
Therefore2
to him that knoweth1
to do4
good,3
and5
doeth7
it not,6
to him9
it is
sin.
krijgen en vechterijen
Daardoor worden niet verstaan openlijke oorlogen met krijgsknechten en wapenen gevoerd, want die waren onder de christenen toen niet, maar de bijzonder heftige twisten en krakelen, die onder hen waren, en zo met woorden als anderszins gevoerd werden, tot grote schande van den christelijken godsdienst en ergernis der heidenen, welke gesteld worden tegen den vrede, waarvan hij in het laatste van het voorgaande hoofdstuk gesproken had.
Hertaald:
krijgen en vechterijen
Daaronder worden niet openlijke oorlogen verstaan die met soldaten en wapens gevoerd worden, want die waren er toen onder de christenen niet. Het gaat om de hevige onderlinge twisten en ruzies die er onder hen waren en die zowel met woorden als anderszins gevoerd werden, tot grote schande van de christelijke godsdienst en tot aanstoot van de heidenen. Die worden gesteld tegenover de vrede, waarover hij aan het einde van het voorgaande hoofdstuk gesproken had.
uit uw wellusten,
Dat is, uit uw kwade en vleselijke begeerlijkheden, waar gij uw lust in schept.
Hertaald:
uit uw wellusten,
Dat is: uit uw kwade en vleselijke begeerten, waarin u uw lust schept.
in uw leden
Daardoor verstaat hij niet alleen de uiterlijke ledematen van het lichaam, als tong, handen, voeten, ogen, enz., maar ook de inwendige krachten en genegenheden der ziel, in welke de begeerlijkheid meest zetelt.
Hertaald:
in uw leden
Daaronder verstaat hij niet alleen de uiterlijke lichaamsdelen, zoals de tong, de handen, de voeten, de ogen, enzovoort, maar ook de innerlijke vermogens en neigingen van de ziel, waarin de begeerlijkheid vooral haar zetel heeft.
strijd voeren?
Dat is, de ziel als beoorlogen, om deze in het verderf en ten onder te brengen. Zie 1 Petr. 2:11.
Hertaald:
strijd voeren?
Dat is: de ziel als het ware beoorlogen, om die in het verderf en ten onder te brengen. Zie 1 Petr. 2:11.
Gij begeert,
Namelijk eer, rijkdom van deze wereld, enz.
Hertaald:
Gij begeert,
Namelijk eer, rijkdom van deze wereld, enzovoort.
hebt niet; gij
Dat is, of gij komt daar niet toe, of zo gij zulks bekomt, het zal u niet bevorderlijk maar schadelijk zijn.
Hertaald:
hebt niet; gij
Dat is: óf u komt er niet aan toe, óf, als u het verkrijgt, zal het u niet tot voordeel, maar tot schade zijn.
benijdt en
Dat is, misgunt uw naaste het goed, dat hem de Heere gegeven heeft. In vele Griekse boeken wordt gelezen phoneuete; dat is, gij doodt, voor Phthoneite; dat is, gij benijdt. Doch het woord doden komt hier zo wel niet te pas; tenzij men het verstaat van zijn naasten te haten, hetwelk een doodslag voor God is; 1 Joh. 3:15.
Hertaald:
benijdt en
Dat is: u misgunt uw naaste het goed dat de Heere hem gegeven heeft. In veel Griekse handschriften wordt foneuete gelezen, dat is: u doodt, in plaats van fthoneite, dat is: u benijdt. Maar het woord doden past hier niet zo goed, tenzij men het opvat als het haten van zijn naaste, wat voor God een doodslag is; 1 Joh. 3:15.
ijvert naar dingen,
Dat is, gij staat ook met groten ijver en genegenheid naar eer en rijkdom dezer wereld. De Griekse woorden, die hier gebruikt worden, betekenen beide nijdigheid, maar met dit onderscheid, dat het eerste eigenlijk betekent zijn naaste misgunnen wat hem God gegeven heeft, namelijk zijne eer, goederen, of goeden naam; en het tweede, uit jaloersheid en door kwade wegen daarnaar trachten, dat wij die ook mogen hebben en niet minder zijn dan hij.
Hertaald:
ijvert naar dingen,
Dat is: u streeft ook met grote ijver en toewijding naar eer en rijkdom van deze wereld. De Griekse woorden die hier gebruikt worden betekenen beide nijd, maar met dit onderscheid: het eerste betekent eigenlijk zijn naaste misgunnen wat God hem gegeven heeft, namelijk zijn eer, zijn goederen of zijn goede naam, en het tweede: uit jaloersheid en langs verkeerde wegen daarnaar streven, zodat wij dat ook mogen hebben en niet minder zijn dan hij.
kunt ze niet verkrijgen;
Namelijk die dingen, die gij anderen misgunt of die gij ook zoudt willen hebben zowel als uw naaste. Want God geeft deze dingen dien die het Hem belieft.
Hertaald:
kunt ze niet verkrijgen;
Namelijk die dingen die u anderen misgunt of die u net als uw naaste ook zou willen hebben. Want God geeft deze dingen aan wie het Hem behaagt.
vecht en voert krijg,
Dat is, gij twist en krakeelt uit nijdigheid tegen elkander om deze dingen, gelijk in vs.1.
Hertaald:
vecht en voert krijg,
Dat is: u twist en ruziet uit nijd tegen elkaar over deze dingen, zoals in vers 1.
hebt niet,
Dat is, gij verkrijgt het daarmede niet. Zie Hag. 1:6.
Hertaald:
hebt niet,
Dat is: u verkrijgt het daarmee niet. Zie Hagg. 1:6.
omdat gij niet bidt
Dat is, deze goederen door het gebed niet verzoekt van God, door wien deze moeten gegeven worden.
Hertaald:
omdat gij niet bidt
Dat is: u vraagt deze goederen niet in het gebed van God, door Wie zij gegeven moeten worden.
Gij bidt, en gij
Dat is, hoewel gij soms God om deze goederen zoudt mogen bidden, zo krijgt gij die evenwel niet, en dat door uw eigen schuld.
Hertaald:
Gij bidt, en gij
Dat is: hoewel u God soms om deze goederen zou kunnen bidden, krijgt u die toch niet, en dat door uw eigen schuld.
kwalijk bidt,
Namelijk niet alleen omdat uw gebed voortkomt uit een nijdig hart, maar ook omdat gij deze dingen niet verzoekt tot een goed doel, om die te gebruiken zo het behoort.
Hertaald:
kwalijk bidt,
Namelijk niet alleen omdat uw gebed uit een nijdig hart voortkomt, maar ook omdat u deze dingen niet met een goed doel vraagt, om die te gebruiken zoals het behoort.
opdat gij het
Dat is, opdat gij daarmede uw kwade begeerlijkheden zoudt mogen voldoen en voeden.
Hertaald:
opdat gij het
Dat is: opdat u daarmee uw kwade begeerten zou kunnen bevredigen en voeden.
Overspelers
Zo noemt hij al degenen die de liefde, die zij God in Christus, hunnen bruidegom en Zaligmaker, schuldig zijn, en Hem ook in den doop beloofd hebben, betonen aan de wereld; een gelijkenis, genomen van lichamelijk overspel, welke is, als gehuwde lieden de echtelijke liefde, die zij elkander schuldig zijn, aan anderen bewijzen. Zie Jer. 13:27; Ezech. 23:43, Ezech. 23:45; Hos. 2:1. Dezen naam geeft hij hun, om de lelijkheid der zonde beter aan te wijzen.
Hertaald:
Overspelers
Zo noemt hij allen die de liefde die zij God in Christus, hun Bruidegom en Zaligmaker, verschuldigd zijn en die zij Hem ook bij de doop beloofd hebben, aan de wereld betonen. Dit is een vergelijking, genomen van de lichamelijke echtbreuk, die eruit bestaat dat gehuwde mensen de echtelijke liefde die zij elkaar verschuldigd zijn aan anderen bewijzen. Zie Jer. 13:27; Ezech. 23:43, Ezech. 23:45; Hos. 2:1. Hij geeft hun deze naam om de lelijkheid van de zonde beter aan te wijzen.
weet gij niet,
Dat is, gij kunt en behoort hiervan niet onwetend te zijn.
Hertaald:
weet gij niet,
Dat is: u kunt hiervan niet onwetend zijn en dat behoort u ook niet te zijn.
de vriendschap der wereld
Dat is, der wereldse en ongelovige mensen, om die in het kwade te behagen of na te volgen; en der wereldse dingen en begeerlijkheden, om die met overtreding van Gods geboden of verzaking van de christelijke leer na te trachten. Zie 1 Joh. 2:15.
Hertaald:
de vriendschap der wereld
Dat is: de vriendschap met de wereldse en ongelovige mensen, om die in het kwade te behagen of na te volgen; en met de wereldse dingen en begeerten, om die na te jagen met overtreding van Gods geboden of met verzaking van de christelijke leer. Zie 1 Joh. 2:15.
een vijandschap Gods is?
Dat is, niet kan bestaan met de liefde, dienst en vriendschap Gods, maar God tot een vijand maakt. Of ene vijandschap is tegen God, gelijk Paulus spreekt Rom. 8:7.
Hertaald:
een vijandschap Gods is?
Dat is: dat die niet samen kan gaan met de liefde tot God, met Zijn dienst en met Zijn vriendschap, maar dat zij God tot een vijand maakt. Of: dat zij een vijandschap tegen God is, zoals Paulus zegt in Rom. 8:7.
Of meent gij,
Dat is, wilt tocht niet menen.
Hertaald:
Of meent gij,
Dat is: u moet dat toch niet menen.
de Schrift
De volgende woorden staan wel nergens met zovele woorden in de heilige Schrift van het Oude Testament, maar de zin wordt daarin gevonden. Waarom sommigen menen, dat de apostel ziet op de plaatsen Gen. 6:5, en Gen. 8:21. Anderen menen wel zo geschikt dat hij zou zien op de plaats Num. 11:29.
Hertaald:
de Schrift
De volgende woorden staan nergens met zoveel woorden in de Heilige Schrift van het Oude Testament, maar de betekenis is daarin wel te vinden. Daarom menen sommigen dat de apostel ziet op de plaatsen Gen. 6:5 en Gen. 8:21. Anderen menen, en dat past minstens zo goed, dat hij op de plaats Num. 11:29 zou zien.
tevergeefs zegt
Grieks ijdelljk; dat is, dat zulks niet zo zou zijn of tot onze stichting niet zou geschreven zijn; Rom. 15:4.
Hertaald:
tevergeefs zegt
Grieks: ijdel; dat is: dat het niet zo zou zijn of dat het niet tot onze opbouw geschreven zou zijn; Rom. 15:4.
De Geest,
Sommigen verstaan dit van den verdorven geest des mensen of van de gedachten van des mensen hart, Gen. 6:5. Of de geest die in uw woont; en dan zou het overgezet moeten worden: heeft lust tot nijdigheid; dat is, strekt zich van nature tot nijdigheid en dergelijke boosheden. Maar wordt beter verstaan van den Geest Gods, waardoor wij wedergeboren worden, omdat daarbij gezegd wordt: die in ons woont, hetwelk van den Geest Gods in de Schrift dikwijls gezegd wordt, Ex. 25:8, en Ex. 29:45; Rom. 8:11; 1 Kor. 3:16. Zo is dan de zin: De Geest Gods die in ons woont strijdt tegen de boze genegenheid der nijdigheid, gelijk Gal. 5:17. Of verwekt in onze heilige begeerten [gelijk Rom. 8:26 ] , strijdende tegen nijdigheid. En daarom behoren degenen, in welke de Geest Gods woont, Rom. 8:9; 1 Kor. 3:16, de vriendschap der wereld niet lief te hebben.
Hertaald:
De Geest,
Sommigen verstaan dit van de verdorven geest van de mens of van de gedachten van het hart van de mens, Gen. 6:5. Of: de geest die in u woont; dan zou het vertaald moeten worden: heeft lust tot nijd, dat is: strekt zich van nature uit naar nijd en dergelijke boosheden. Maar het wordt beter verstaan van de Geest van God, door Wie wij wedergeboren worden, omdat er bij staat: Die in ons woont, wat in de Schrift dikwijls van de Geest van God gezegd wordt, Ex. 25:8 en Ex. 29:45; Rom. 8:11; 1 Kor. 3:16. Dan is de betekenis: de Geest van God Die in ons woont strijdt tegen de kwade neiging van de nijd, zoals in Gal. 5:17. Of: Hij wekt in ons heilige begeerten, zoals in Rom. 8:26, die tegen de nijd strijden. En daarom behoren zij in wie de Geest van God woont, Rom. 8:9; 1 Kor. 3:16, de vriendschap met de wereld niet lief te hebben.
tot nijdigheid?
Of: De Geest Gods die in ons woont begeert tegen nijdigheid. Zie de voorgaande verklaring.
Hertaald:
tot nijdigheid?
Of: de Geest van God Die in ons woont verlangt tegen de nijd in. Zie de voorgaande verklaring.
Ja, Hij geeft
Dat is, zal geven, namelijk de Geest Gods; dat is, dit is zover vandaar dat Hij zou lust hebben tot nijdigheid, dat Hij ook meerdere genade geeft.
Hertaald:
Ja, Hij geeft
Dat is: zal geven, namelijk de Geest van God. Dat is: het is er zo ver van dat Hij lust tot nijd zou hebben, dat Hij zelfs meer genade geeft.
meerdere genade
Dat is, een zeer grote genade, gelijk Jak. 3:1.
Hertaald:
meerdere genade
Dat is: een zeer grote genade, zoals in Jak. 3:1.
onderwerpt u dan
Namelijk met gewillige gehoorzaamheid aan Zijn geboden, al uw gedachten, begeerten en genegenheden, woorden en werken schikkende naar den regel van Zijn wil in Zijn Woord voorgeschreven.
Hertaald:
onderwerpt u dan
Namelijk met gewillige gehoorzaamheid aan Zijn geboden, door al uw gedachten, begeerten, neigingen, woorden en werken te richten naar de regel van Zijn wil, die in Zijn Woord voorgeschreven is.
den duivel, en
Namelijk als hij u verzoekt en aanlokt, om uwe vleselijke begeerlijkheden te volbrengen, en de vriendschap der wereld te zoeken. Zie dezelfde vermaning 1 Petr. 5:8, enz.
Hertaald:
den duivel, en
Namelijk wanneer hij u verzoekt en aanlokt om uw vleselijke begeerten te volbrengen en de vriendschap met de wereld te zoeken. Zie dezelfde aansporing in 1 Petr. 5:8, enzovoort.
hij zal van u vlieden
Namelijk dan als gij hem tegenstaat.
Hertaald:
hij zal van u vlieden
Namelijk dan, wanneer u hem weerstaat.
Naakt tot God,
Namelijk door oprechte bekering, geloof, gehoorzaamheid en gebeden.
Hertaald:
Naakt tot God,
Namelijk door oprechte bekering, geloof, gehoorzaamheid en gebeden.
Naken
Namelijk met Zijn genade en weldaden.
Hertaald:
Naken
Namelijk met Zijn genade en Zijn weldaden.
de handen, gij zondaars,
Dat is al uw uiterlijke ledematen, die als werktuigen der ziel zijn, waartoe de handen meest gebruikt worden. Zie Ps. 26:6; Jes. 1:15-16; 1 Tim. 2:8.
Hertaald:
de handen, gij zondaars,
Dat is: al uw uiterlijke lichaamsdelen, die als werktuigen van de ziel zijn; daarvoor worden de handen het meest gebruikt. Zie Ps. 26:6; Jes. 1:15-16; 1 Tim. 2:8.
gij dubbelhartigen
Grieks gij tweezieligen. Zie van dit woord Jak. 1:8.
Hertaald:
gij dubbelhartigen
Grieks: u tweezieligen. Zie over dit woord Jak. 1:8.
Gedraagt u als
Namelijk niet alleen uitwendig, gelijk de huichelaars veeltijds doen, maar vooral inwendig in het hart; bedroefd zijnde over uw zonden en ellenden.
Hertaald:
Gedraagt u als
Namelijk niet alleen uiterlijk, zoals de huichelaars dikwijls doen, maar vooral innerlijk in het hart, door bedroefd te zijn over uw zonden en uw ellende.
bedroefdheid
Het Griekse woord betekent eigenlijk neerslachtigheid van ogen of aangezicht, uit droefheid of schaamte.
Hertaald:
bedroefdheid
Het Griekse woord duidt eigenlijk op het neerslaan van de ogen of het gelaat, uit droefheid of schaamte.
niet kwalijk van
Grieks tegen elkander; dat is, spreekt niet wat tegen elkanders eer en goeden naam is.
Hertaald:
niet kwalijk van
Grieks: tegen elkaar; dat is: spreek niet wat tegen de eer en de goede naam van de ander ingaat.
oordeelt,
Dat is, veroordeelt, gelijk Matt. 7:1.
Hertaald:
oordeelt,
Dat is: veroordeelt, zoals in Matth. 7:1.
oordeelt de wet
Dat is, veroordeelt, namelijk omdat hij met dit kwalijk spreken toont, dat hij niet houdt wat de wet als kwalijk spreken met recht verboden heeft; Lev. 19:16.
Hertaald:
oordeelt de wet
Dat is: veroordeelt de wet, namelijk omdat hij met dit kwaadspreken laat zien dat hij zich niet houdt aan wat de wet met recht als kwaadspreken verboden heeft; Lev. 19:16.
een rechter
Namelijk der wet, hetwelk een grote en dwaze vermetelheid is van een mens.
Hertaald:
een rechter
Namelijk een rechter van de wet, wat een grote en dwaze vermetelheid van een mens is.
een enig Wetgever,
Namelijk God de Heere, in wiens plaats zich vermetelijk stellen allen, die hun naasten lichtvaardig oordelen, en de wet van God, die zulks verbiedt, daarmee als veroordelen.
Hertaald:
een enig Wetgever,
Namelijk God de Heere. In Zijn plaats stellen zich vermetel allen die hun naasten lichtvaardig beoordelen en daarmee de wet van God, die dat verbiedt, als het ware veroordelen.
Wij zullen heden
Of laat ons heden, enz.
Hertaald:
Wij zullen heden
Of: laat ons vandaag, enzovoort.
doorbrengen, en
Grieks maken.
Hertaald:
doorbrengen, en
Grieks: maken.
koopmanschap drijven,
Onder deze ene soort van menselijke voornemens en bekommeringen worden alle andere mee verstaan, en deze alleen genoemd, omdat daarbij het meeste gebrek hierin gevonden werd.
Hertaald:
koopmanschap drijven,
Onder deze ene soort van menselijke plannen en bezigheden worden ook alle andere verstaan. Deze wordt alleen genoemd omdat daarbij het grootste gebrek hierin gevonden werd.
hoedanig is uw leven?
Dat is, hoe kort, broos en onzeker.
Hertaald:
hoedanig is uw leven?
Dat is: hoe kort, hoe zwak en hoe onzeker is het.
een damp, die
Dat is, gelijk een damp.
Hertaald:
een damp, die
Dat is: zoals een damp.
gezien wordt,
Of schijnt.
Hertaald:
gezien wordt,
Of: schijnt.
zoudt zeggen
Dat is, behoort te zeggen, namelijk zo in uw hart als ook met woorden, om daarmede te kennen te geven, dat gij de voorzienigheid van God en de broosheid van uw leven, recht verstaat en erkent.
Hertaald:
zoudt zeggen
Dat is: u behoort te zeggen, en dat zowel in uw hart als met woorden, om daarmee te kennen te geven dat u de voorzienigheid van God en de zwakheid van uw leven goed begrijpt en erkent.
en wij leven zullen,
Of zo zullen wij leven, en dit of dat doen.
Hertaald:
en wij leven zullen,
Of: dan zullen wij leven en dit of dat doen.
roemt gij in
Dat is, gij spreekt zo vermetel alsof de uitkomst der zaken en uw leven in uw hand en macht stonden.
Hertaald:
roemt gij in
Dat is: u spreekt zo vermetel alsof de uitkomst van de zaken en uw leven in uw hand en in uw macht stonden.
weet goed te doen,
Dat is, weet wat goed en wat kwaad is; wat men behoort te doen en behoort te laten.
Hertaald:
weet goed te doen,
Dat is: weet wat goed en wat kwaad is, wat men behoort te doen en wat men behoort te laten.
dien is het zonde
Dat is, die zondigt zwaarder dan degene die het niet weet, en die kan zich geenszins verontschuldigen. Zie Luc. 12:47; Joh. 9:41, en Joh. 15:22.
Hertaald:
dien is het zonde
Dat is: die zondigt zwaarder dan iemand die het niet weet, en die kan zich op geen enkele manier verontschuldigen. Zie Luk. 12:47; Joh. 9:41 en Joh. 15:22. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Velen vinden geen innerlijke vrede omdat zij, hoewel zij zeggen te geloven, niet bereid zijn zich onvoorwaardelijk aan Gods heerschappij en geboden te onderwerpen. Echte geestelijke vrede vindt… Onderwerp u dan aan God. Jakobus 4:7 Wanneer wij tot Gods troon naderen, behoren wij dat met volledige overgave te doen. We bidden niet tot God om Hem… Een preek uitgesproken op zondagochtend 30 januari 1876 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington. Onderwerp uzelf daarom aan God. Jakobus 4:7 Dit advies van Jakobus zou… Ja Hij geeft meerdere genade. Jak. 4:6 Praktisch, als de brief van Jacobus is, verzuimt de apostel toch niet de genade Gods te verheerlijken, zoals onbijbelse predikers heden ten… In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4:15 Erken dat God over alles… Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Gij, die… In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4:15 Gods voorzienige wil moet altijd… In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4:15 Onze hoogste winst bestaat in… In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen. Jakobus 4:15 Gods koninklijke wil (tot zaligheid)… Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Jakobus… Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.… Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde. Jakobus 4:17 Als we de dingen eens deden op het moment zelf, het moment waarop… Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed; alle zodanige roem is boos. Jakobus 4:16 Roemen in de toekomst is zonde. Iemand zegt over een bepaalde zaak: „Ik zal… Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Jakobus… Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Jakobus… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Jakobus 4
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Verdiepende artikelen
De reden waarom velen geen vrede vinden
Gods wil
Onvoorwaardelijke overgave
Jak. 4:6 - Meer en meer
Deo volente
Toegewijd
Stil verwachten
Indien de Heere wil
Koninklijke roeping
Onverwachts
Gods toekomst
Uitstel
Hoogmoed
Materialisme
Een damp


Jakobus 4
Jakobus 4:1. KruisverwijzingenRomeinen 7:23→1 Petrus 2:11→Galaten 5:17→Jakobus 4:3→Jakobus 1:14→Jeremia 17:9→Titus 3:3→1 Petrus 4:2→
— Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?
Of het nu tussen naties is, of partijen, of individuen: als er oorlogen en gevechten zijn, waar komen zij vandaan? Komen zij niet voort uit het feit dat de een iets begeert, en de ander hetzelfde begeert? Is er niet een wedijver van een kwade soort, waarin ieder zichzelf verkiest, en niet het welzijn van zijn naaste zoekt?
Jakobus 4:2. KruisverwijzingenJohannes 16:24→Jakobus 1:5→Mattheüs 7:7→Lukas 11:9→1 Timotheüs 6:9→Jakobus 5:1→Prediker 4:8→Spreuken 1:19→
— Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.
Dit is de manier van de natuur om door twist te proberen te verkrijgen wat zij wenst te bezitten: vechten, en oorlog voeren, en doden. Toch is het resultaat van dit alles niets. Na alles gedaan te hebben, “hebt gij niet.” Er is een eenvoudiger en zekerder weg die de mensen vergeten; zij laten dat goddelijke pad onbetreden.
Jakobus 4:3. Kruisverwijzingen1 Johannes 5:14→1 Johannes 3:22→Psalmen 18:41→Jakobus 1:6→Jesaja 1:15→Spreuken 21:27→Spreuken 21:13→Jakobus 4:1→
— Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.
De begeerten van het vlees komen ertussen, en brengen ons op het verkeerde spoor. Nemen wij de rechte weg, maar zijn de begeerten er nog, dan zal God ons niet zegenen, omdat Hij daarmee ons zou helpen onze begeerten te bevredigen.
Jakobus 4:4. KruisverwijzingenJohannes 15:19→1 Johannes 2:15→Romeinen 8:7→Mattheüs 6:24→Galaten 1:10→Jakobus 1:27→Johannes 15:23→Johannes 17:14→
— Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.
De apostel gebruikt dit sterke taalgebruik niet met betrekking tot de daadwerkelijke zonde van overspel zoals dat woord gewoonlijk verstaan wordt. Hij gebruikt het met betrekking tot ons gebrek aan liefde tot God met een waarachtige kuisheid van hart, terwijl wij naar iets anders verlangen. Dit is het wezen zelf van geestelijk overspel. Wij behoren God de volle genegenheid van ons wezen te geven. Maar in plaats daarvan laten wij ten minste een deel ervan afdwalen naar andere dingen, en daarom worden wij, door de Heilige Geest Zelf, “overspelers en overspeleressen” genoemd.
Jakobus 4:5-6. KruisverwijzingenMattheüs 23:12→Spreuken 3:34→Psalmen 138:6→1 Petrus 5:5→2 Korinthe 6:16→1 Korinthe 6:19→Job 22:29→Spreuken 18:12→
— Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid? Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.
Er is een geest, die in de natuurlijke mens woont, in de menselijke natuur van de mens, die altijd geneigd is tot haat en nijd. Hij wil altijd iets van andere mensen verkrijgen, en is altijd gegriefd als andere mensen meer lijken te zijn of te hebben dan hijzelf. Hoe wordt deze geest bestreden? Dit vers geeft het antwoord: “Hij geeft meer genade.” “Meer genade”: dit is het grote geneesmiddel tegen haat en nijd.
Jakobus 4:6-7. Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→Efeze 4:27→Efeze 6:11→Mattheüs 23:12→Spreuken 3:34→1 Petrus 5:6→Psalmen 138:6→1 Petrus 5:5→
— Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.
Leg die vechtlust af, die poging om anderen omlaag te trekken om uzelf omhoog te heffen, en buig voor God, geef uzelf geheel over aan Zijn gezegende wil. Dit is de weg van de vrede, en ook de weg van de blijdschap.
Jakobus 4:7-8. Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→Efeze 4:27→Efeze 6:11→2 Kronieken 15:2→Zacharia 1:3→Maleachi 3:7→1 Petrus 5:6→Psalmen 145:18→
— Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!
Hoor dit gebod, en breng het in praktijk; kom nader tot God in Christus Jezus, en u zult Hem spoedig te hulp vinden komen in ieder uur van nood.
Jakobus 4:8. Kruisverwijzingen2 Kronieken 15:2→Zacharia 1:3→Maleachi 3:7→Psalmen 145:18→Jesaja 55:6→Hebreeën 10:22→Hosea 6:1→Jesaja 1:15→
— Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!
Bent u dubbelhartig, dan moeten zowel uw handen als uw hart gereinigd worden. De apostel zegt niet: “concentreer uw gedachten,” maar hij zegt: “reinig uw hart”; want twee doelen in het leven hebben, is een soort geestelijk overspel, waarvan wij gereinigd moeten worden.
Jakobus 4:9. KruisverwijzingenLukas 6:25→Mattheüs 5:4→Spreuken 14:13→Ezechiël 16:63→Jakobus 5:1→Jeremia 31:18→Psalmen 126:5→Prediker 7:2→
— Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.
Hebben de vorige verzen u terecht van zonde beschuldigd, belijd dan uw schuld met schaamte en droefheid, en kom zo tot Christus, smekend om vergeving.
Jakobus 4:10. KruisverwijzingenMattheüs 23:12→Psalmen 113:7→Job 22:29→1 Petrus 5:6→Lukas 14:11→Jakobus 4:6→Psalmen 147:6→Lukas 1:52→
— Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
Verheft u uzelf, dan zal Hij u omlaag halen. Ligt u voor Hem neder in het stof, dan zal Hij u opheffen. Het is naar Gods gewone wijze van handelen, deze omkeringen te bewerken.
Jakobus 4:11. Kruisverwijzingen1 Petrus 2:1→Psalmen 140:11→Jakobus 5:9→Mattheüs 7:1→Romeinen 2:1→2 Korinthe 12:20→Romeinen 7:7→Efeze 4:31→
— Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.
Houdt u op kwaad te denken, dan zult u ook ophouden kwaad te spreken. Spreek ik kwaad van mijn broeder, dan heb ik de wet veroordeeld die mij gebiedt hem lief te hebben als mijzelf. Ik heb dan praktisch gezegd dat het een ongerijmde en onrechtvaardige wet is; en dit is een groot kwaad in Gods oog.
Jakobus 4:12-15. KruisverwijzingenSpreuken 27:1→Psalmen 102:3→Handelingen 18:21→Romeinen 14:4→Psalmen 39:5→1 Petrus 1:24→Lukas 12:17→Mattheüs 10:28→
— Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt? Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen. Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt. In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.
Wij zijn allen maar al te geneigd te zeggen wat wij zullen doen, en waarheen wij zullen gaan, en vergeten daarbij toe te voegen: “indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.”
Jakobus 4:16-17. KruisverwijzingenJohannes 9:41→Johannes 13:17→Johannes 15:22→1 Korinthe 5:6→2 Petrus 2:21→Romeinen 1:32→Lukas 12:47→Jakobus 3:14→
— Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos. Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.
Er zijn zonden van nalatigheid evengoed als zonden van bedrijf; moge de Heere ons genadig bewaren voor beide vormen van kwaad, om Zijns lieven Zoons wil! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Vanwaar komen strijd en gevechten onder u? Komen zij niet beide, zowel die toestand van haat als het uitbarsten van de vijandelijkheden ervan, voort uit uw wellusten, a) die in uw leden strijd voeren, “te velde liggen, ” hun leger hebben opgeslagen? (Rom. 7: 23).
1 Petrus 2: 11
Gij begeert en hebt niet; gij benijdt (volgens de enig ware lezing in de grondtekst “gij doodt”, hoofdstuk 5: 6) en ijvert naar dingen en kunt ze niet verkrijgen, noch met dat moorden (hoofdstuk 5: 1vv.), noch door andere middelen; gij vecht en gij strijdt en maakt daardoor de toestand van uw gemeente ellendig en onverdraaglijk; maar zoals ik reeds gezegd heb, gij hebt niet, omdat gij niet bidt (vgl. hoofdstuk 5: 16vv.).
De stelling aan het einde van het vorige hoofdstuk, dat het de vreedzamen zijn die het voordeel genieten van de vrucht van de gerechtigheid, die voortkomt uit een zaaien dat in vrede gebeurt, vormt de overgang naar hetgeen nu volgt. Er is daar geen sprake meer van hen die zich als leraars opwerpen, maar van twist en strijd, zoals die het leven van de gemeente in het algemeen tot een leven in onenigheid maakt. De apostel neemt echter niet zozeer stelling tegen het twisten en strijden, maar dringt door tot de innerlijke oorzaak van het gemis van de vrede in het leven van de gemeente. Het komt, zo verzekert hij de lezers, door hun wellusten die in hun leden te velde liggen; innerlijk is er strijd, daarom is die er ook tussen hen. Deze begeerten, die in de leden of in het zinnelijke van de mens “te velde liggen, ” proberen toch zich meester te maken van datgene waarheen de begeerte zich uitstrekt. Maar bij dit innerlijk strijdvoeren kan het niet uitblijven: de mens die zich aan de begeerten overgeeft, moet hun de weg naar buiten vrij laten en het innerlijk strijden maken tot een strijd om hetgeen waarvan hij zich meester wil maken.
De toon van de brief wordt hier streng en scherp en toont de zedelijke verontwaardiging van de schrijver; wij moeten hier echter niet meer alleen denken aan die bittere twist en strijd van de ingebeelde wijsheid, waarvan in hoofdstuk 3: 13vv. sprake was, maar aan hetgeen aan het einde van het vorige hoofdstuk werd gezegd over de twisten van de gemeenteleden onder elkaar (vgl. 1 Kor. 6: 1vv.). Terwijl de apostel vraagt: “Vanwaar komen strijd en gevecht onder u? ” antwoordt hij tegelijk met een tegenvraag, die een beroep doet op het geweten van de lezers: “komen zij niet voort uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren? ” Het strijdvoeren van de wellusten in hun leden bestaat niet uit een gevecht tegen de geest of de ziel, zoals het in Rom. 7: 23 en 1 Petrus 2: 11 ook niet gaat om een strijd van de begeerten onder elkaar, maar de strijd ontstaat en bestaat omdat, zoals in vs. 2 wordt gezegd, het begeren een niet hebben en het benijden een niet kunnen verkrijgen tot tegenstander heeft, waartegen het strijdt.
De apostel wijst aan het slot van het vers op hetgeen zij nu moesten doen, namelijk zich met smeking en gebed tot God wenden, opdat Hij hen zou helpen, met de opmerking dat zij dit middel niet gebruiken, om vervolgens in het volgende vers uiteen te zetten waarom, als zij daarvan wel gebruik maakten, hun bidden en smeken tevergeefs was; allereerst spreekt hij over de aard en de wijze van hun streven om zich door eigen macht te helpen en dit is tweevoudig, aangezien de een macht heeft over anderen en de ander aan de rijken en machtigen onderworpen is. De geweldhebbers doden of brengen om; in hoeverre dat geschiedt, tonen de verzen in Sirach 34: 22-24, waar gezegd wordt: “het brood van de behoeftigen is het leven van de armen; wie hem daarvan berooft, is een moordenaar. Hij doodt zijn naaste als hij hem zijn leeftocht afneemt en hij vergiet bloed als hij het loon van de dagloners rooft. ” Dat de apostel werkelijk zulke toestanden in gedachten had, blijkt duidelijk uit hoofdstuk 5: 1-6 en zonder twijfel heeft hij hier dezelfde mensen op het oog als die hij daar rechtstreeks aanspreekt. Al werden zij ook niet tot de christelijke gemeente gerekend (vgl. hoofdstuk 2: 6), zij maakten zich toch ten zeerste schuldig tegenover haar en droegen eraan bij, ja gaven zeker de meeste aanleiding ertoe dat nijd en twist, wanorde en boosheid bij haar heersten. De anderen daarentegen, de armen en noodlijdenden, staan tegenover hen met een jaloers hart. Van hen die moeten worden gezien als leden van de christelijke gemeente (hoofdstuk 2: 5) wordt in de eerste plaats gezegd: “gij kunt ze niet verkrijgen (met uw benijden)”. Dat ook de rijken met hun verdrukken en voor de rechterstoel slepen niets waren, al persten zij ook de armen zo erg af dat zij te gronde gingen, zet de apostel, wat betreft hun toekomst, aan het begin van hoofdstuk 5 nader uiteen en nu al bereikten zij geen andere stand van zaken dan die, waarop Jakobus reeds eerder wees: “vanwaar komen strijd en gevechten onder u? ” en waarop hij nu weer terugkomt: “gij vecht en strijdt”. Hier moet nu eigenlijk een punt worden geplaatst, terwijl met het “maar” een nieuwe zin begint.
Gij bidt God wel om verbetering van uw aardse toestand, maar gij ontvangt niet, alhoewel het woord van Christus in MATTHEUS. 7: 18 het u zou doen verwachten. Dat is a) omdat gij verkeerd bidt. Gij begeert alleen een vermeerdering van uw goed, om er in uw wellusten en een leven van uitspatting en bandeloosheid van te genieten.
MATTHEUS. 20: 22 Rom. 8: 26
Het “gij hebt niet” in de slotzin van vs. 2 is, volgens het voorgaande, gebrek aan aards goed; de bedoeling van de schrijver is echter daarom toch niet te zeggen dat al wat het dwaze hart wenst, zou worden verkregen als het maar wilde bidden, maar het wil zeggen: de toestand van het niet hebben met het daaruit voortkomend gevoel van gebrek en zijn gevolgen wordt alleen daar gevonden waar het gebed ontbreekt. Deze toestand houdt op als men bidt: het gebed zelf, als het op de juiste manier gebeurt, neemt van het begeren dat zelfzuchtige, eigenwillige weg en brengt het tot de juiste maat terug; en het oog van het geloof ziet de vervulling ook daar waar het ongeloof niets ziet. In deze reinigende macht van het gebed, dat voor alle begeerten het “zich aan God onderwerpen” (vs. 7) eist, ligt de verklaring van het feit dat het zelfzuchtige begeren zich niet in het gebed tot God waagt, voor zover de hele verslapping van het christelijk leven en het besliste vergeten van God, dat zonder God in de wereld wil zijn, er niet de grond van is. Durft echter zo’n begeren zich toch tot God te richten, dan kan slechts een “gij ontvangt niet” het gevolg zijn, want het is een “kwalijk bidden met een verkeerde bedoeling; ” het vergeet het “zich aan God onderwerpen”, maakt zich tot een middel in de dienst van de zelfzuchtige liefde tot de wereld en wil God zelf tot werktuig maken van goddeloze genotzucht.
Overspelers en overspeleressen! Gij, die dat in de geestelijke zin van het woord zijt, die met de wereld overspel pleegt en haar begeerten stelt boven de Heere (Matth. 12: 39), weet gij niet dat de vriendschap met de wereld een vijandschap tegen God is? a) Wie dus een vriend van de wereld wil zijn, wordt daarmee een vijand van God (MATTHEUS. 6: 24 Rom. 8: 7; 1 Joh. 2: 15vv.
Joh. 15: 19 Gal. 1: 10
Zij zijn overspeleressen (de oorspronkelijke lezing van de grondtekst aan het begin van vers 4 heeft slechts dit woord. Men meende voor de volledigheid “overspelers en” ervoor te moeten plaatsen; die uitdrukking is echter reeds volledig, daar hier geen sprake is van beide geslachten, mannen en vrouwen, maar het een geestelijke bedoeling heeft, waarvoor alleen de vrouwelijke vorm in aanmerking komt (Ps. 73: 27 Ex. 34: 16 en “Re 12: 6, omdat zij de relatie verbreken waarin zij van rechtswege tot God staan en wel door overspel te plegen met de wereld. Als dan de apostel vraagt of zij niet weten dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is, dan kan “vriendschap met de wereld” niets anders zijn dan de liefde tot de aardse dingen buiten God (of tot het schepsel volgens de aard die het door de afval van God heeft verkregen). Als hij vervolgens zegt dat als iemand de liefde tot de wereld boven de liefde jegens God stelt, hij als een vijand van God wordt beschouwd, dan wil hij daarmee zeggen dat men de liefde jegens God niet kan achterstellen bij de liefde tot de wereld en toch nog daarbij God kan liefhebben; de verhouding tot God wordt daarentegen tot iets vijandigs. Dit kan worden toegepast op hen die Jakobus bestraft, omdat zij zich door hun begeerten laten leiden en daaraan toegeven; zij wilden desondanks toch worden aangezien voor mensen die God liefhebben.
Wat de Heere van de eigenlijke echtbreuk zegt, namelijk dat hij die een vrouw aanziet om haar te begeren, reeds overspel met haar in zijn hart gepleegd heeft (MATTHEUS. 5: 28), dat is ook waar van het verbond van de trouw, dat wij met God hebben gesloten. Zoals het hart van de vrouw slechts één man kan toebehoren, zo kan en mag het hart van de christen slechts aan God toebehoren en als dit hart tegelijk aan de wereld hangt, dan is het een ontrouw, echtbreuk plegend hart.
De vriend van de wereld meent wel dat die vriendschap met de vriendschap tot God kan verenigd worden en probeert de ene met de andere te combineren, wanneer nog niet alle gevoel voor God en godsdienst uit zijn hart is verbannen. Maar dit is onmogelijk. Wij kunnen niet twee heren dienen, van wie de beginselen, bevelen en belangen in strijd zijn met elkaar. Wie het probeert, zal of de een haten en de ander liefhebben, of de een aanhangen en de ander verachten. Wij kunnen niet God dienen en de Mammon. De dienst van de een is in openlijke strijd met die van de ander. De wereld wil dat wij haar liefhebben; maar God eist dat wij van Hem houden met heel ons hart en met heel ons verstand. De wereld wil dat wij onszelf liefhebben, zodat wij streven naar onze eer en ons voordeel, maar God eist dat wij onze naaste liefhebben als onszelf en niet alleen op het onze zien, maar ook op hetgeen dat van de ander is. De wereld wil zelfverheffing, God zelfverloochening; de wereld hoogmoed en zelfbehagen, God nederigheid en ootmoed. De wereld neemt genoegen met uiterlijke deugdzaamheid, God eist reinheid van het hart. De wereld wil dat wij het aardse, zinnelijke, vergankelijke, God daarentegen dat wij het hemelse, geestelijke, onvergankelijke najagen. De vriendschap met de wereld is dus in openlijke strijd met de vriendschap tot God en wie dus een vriend van de wereld wil zijn, die wordt een vijand van God. Een vijand van God! Van God, het volmaakte, hoogste, beste Wezen! Van God, onze Schepper en Heer, aan wie wij ons bestaan te danken hebben en in wiens hand onze adem is! Van God, die ons dagelijks met Zijn weldaden overlaadt, ja, die ons zo lief heeft gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor ons heeft overgegeven, opdat wij door het geloof in die Zoon het eeuwige leven zouden hebben! Nee, dat willen wij niet!
Of meent gij dat de Schrift, als men de inhoud van Gods woorden in Ex. 20: 5 en 6 kort samenvat, zonder reden zegt, zodat men aan haar woord geen bijzonder belang hoeft toe te kennen: a) “De geest die in ons woont, heeft die lust tot jaloersheid? ” (beter “op naijverige wijze begeert de geest die in u woont, ” daar hij u geheel en al tot zijn eigendom wil hebben).
Num. 11: 29
Ja, Hij geeft des te meer genade ter vergoeding van hetgeen gij om Zijnentwil moet opofferen. Daarom zegt de Schrift ook, om dezelfde gedachte van de woorden “Hij geeft des te meer genade” uit te drukken, in Spr. 3: 34 volgens de Griekse vertaling (vgl. 1 Petrus 5: 5): “God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.”
De woorden, zoals die door Jakobus zijn neergeschreven, worden op geen enkele plaats in het Oude Testament letterlijk zo gevonden, maar wel zijn zij de samenvatting van hetgeen God in Ex. 20: 5 en 6 zegt, als Hij Zich een ijverig, d. i. jaloers God noemt en belooft aan hen die Hem liefhebben in bijzondere mate barmhartigheid te doen. Het is eenzelfde wijze van aanhaling van de woorden uit het Oude Testament als wij die in Efeziers 5: 14 vonden 1Co 2: 9. Evenals daar “Christus” in het citaat wordt ingevoegd, die toch bij de profeet niet met name wordt genoemd, staat hier voor God “de Geest die in ons woont”, want door Zijn Geest heeft God, zoals Hij in het Oude Testament heeft beloofd, nu werkelijk van de harten van de lezers bezit genomen en nu is het deze Geest die ons tot Zijn uitsluitend eigendom begeert en geen andere goden naast Hem duldt. Terwijl in hoofdstuk 2: 19 onze apostel de hoofdwaarheid van de oudtestamentische openbaring zonder christelijke kleur op de voorgrond stelde, omdat hij zich daar wendde tot ongelovige Joden, aan wie hij zich moest aanpassen, noemt hij daarentegen hier, waar hij de grondregel van die godsdienst in toepassing brengt (Rom. 8: 9; 1 Kor. 3: 16, des te duidelijker het christelijke standpunt. Hij doet dit, omdat hij spreekt tot Joden die tot Christus zijn bekeerd en aan wie het door de in hen uitgestorte Heilige Geest is gegeven God boven alles lief te hebben, als zij inderdaad en in waarheid kinderen zijn van het Nieuwe Verbond (Jer. 31: 31vv.). Des te meer verdienen zij nu ook de naam van “overspeleressen” (vs. 4), als zij de vriendschap van de wereld willen laten voortduren in hun hart. Zij zouden het schriftwoord waarin God Zich een naijverig God noemt, behandelen alsof het zonder betekenis was. Zij moeten het echter niet laten zijn alsof het niet was gezegd, maar integendeel in de nood waarin zij zich bevinden en bij de zware druk van de zijde van hun rijke, nog ongelovige volksgenoten, waaronder zij juist om hun christelijk geloof moesten staan, zich troosten met de belofte die bij dat woord van de Schrift is gegeven: “Hij geeft des te meer genade”, dat nu eveneens slaat op de Geest van God, die in hen woont. In het bezit van deze Geest en van diens genadegiften zijn zij schadeloos gesteld voor hetgeen anderen in het wereldse op hen voor hebben. Terwijl zij hun harten weiden als op een dag van slachting (hoofdstuk 5: 5 erfgenamen van het rijk dat de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben (hoofdstuk 2: 5). Dan moeten zij zich nu ook van de wereld en haar trots onbevlekt bewaren (hoofdstuk 1: 27) en niet jaloers zijn op hen door wie zij worden omgebracht (vs. 2). Te zijner tijd zal wel blijken (hoofdstuk 5: 1vv.) dat, zoals de Schrift elders zegt, God de hoogmoedigen wederstaat, maar de ootmoedigen genade geeft.
Onderwerp u dan voor God, volgens hetgeen de zo-even aangehaalde spreuk, in tegenstelling tot de u aanklevende grootsheid van de natuurlijke mens, van u eist. a) Weersta de duivel, als hij u met zijn verzoekingen nadert (Hoofdstuk 1: 13 vv.) en hij zal van u vluchten, als van degenen, bij wie hij met zijn zoeken op geen gevolg kan rekenen (MATTHEUS. 4: 10 v.).
Efeziers 4: 27. 1 Petrus 5: 9
Nader in het gebed (Hebr. 7: 19) tot God en Hij zal met Zijn vertroosting en de bijstand van Zijn genade (Klaagt. 3: 57 Ps. 145: 18) tot u naderen (2 Kron. 15: 2 Zach. 1: 3). Reinig, opdat u werkelijk voor God naderen mag en niet hoeft te vrezen door Hem te worden teruggewezen (Jes. 1: 15 vv. ; 57: 15), de handen, u zondaars, en zuiver de harten door onverdeelde liefde jegens de Heere (vs. 4; 3: 17. 2 Kor. 11: 2 v.), u dubbelhartigen Jas 1: 8.
Gedraag u, voel u als ellendigen en treur en ween (Richt. 2: 4 v. 1 Sam. 7: 6 1Sa MATTHEUS. 5: 3 v.); uw lachen in wereldse opgewondenheid (Spr. 14: 13 Pred. 2: 2; 3: 4 Luk. 6: 24) wordt veranderd in treuren (Pred. 4: 7 Luk. 6: 21) en uw blijdschap in bedroefdheid in neergeslagenheid (Luk. 18: 13. 2 Kor. 7: 10).
a) Verneder U voor de Heere en Hij zal u verhogen (1 Petrus 5: 6).
Job 22: 29 Spr. 29: 23 MATTHEUS. 23: 12 Luk. 14: 11; 18: 14
Hoe het met de wereldgezindheid is en wat die van God te wachten heeft, is in vs. 4-6 Jas gezegd. Het slot “God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade” leidt nu vanzelf tot de vermaning om in ootmoedige bekering het voor God vijandige libertinisme van aardsgezindheid, waarmee de duivel hen verzoekt, uit de verontreinigde, verdeelde harten uit te delgen en zich onverdeeld en zonder voorbehoud te onderwerpen aan God, die de ootmoedigen verhoogt. Met “onderwerp u dan voor God” in tegenstelling tot “de hovaardigen” in vs. 6 begint de schrijver; hij besluit met “verneder u”, overeenkomend met het “de nederigen” aldaar; wat daartussen in wordt genoemd is explicatie, of nadere uiteenzetting.
Wederstaat God de hovaardigen en geeft Hij genade aan de ootmoedigen, laat het u dan eindelijk met de ootmoed volle ernst zijn: onderwerp u voor God; maakt Hem tot uw enige Heer, aan wie u uw gehele hart in hartelijke liefde, kinderlijk vertrouwen, ware vrees overgeeft. Onderwerp u aan Zijn leidingen, ook waar die duister, aan Zijn bepalingen, ook waar die moeilijk zijn; tracht alleen naar hetgeen Hij u voorhoudt en daarnaar met inspanning van alle krachten. Zeker zal één u daarbij willen weerstaan, dezelfde, die u tot hiertoe aan de wereld probeerde te binden; maar weet, hij heeft slechts zoveel macht als u hem toelaat. Wedersta hem en hij zal van u vluchten; want hij weet, dat hij geen recht heeft op en geen macht over hen, die zich aan de Heere hebben overgegeven. Uw hoofdgebrek tot hiertoe was, dat u, in plaats van hem te weerstaan, nog met hem heeft onderhandeld. Nader tot God, strek uw gebedsarm naar Hem uit, zo vaak de wereldsgezindheid zich verheft en Hij zal tot u naderen, Hij zal u in de strijd terzijde staan en u tot zekere overwinning geleiden. Maar ernst, volle ernst moet het zijn. De handen, die zich met het goed van deze wereld bevlekten, de harten, die nu hier, dan daarheen wandelden, heden in het bloed van Christus hun troost zochten, morgen de onreine gedachten van wereldsgezindheid voedden, moeten onder de tucht van de reiniging worden gesteld. Dat lukt alleen hem, die zijn vorige toestand werkelijk als ellendig heeft leren kennen, die over zijn ontrouw echt leed draagt en klaagt. De armen van geest behoort het rijk van God; die leed voelen worden getroost de gebroken en verslagen harten zijn het, die de wereld overwinnen; die hongeren naar gerechtigheid zullen verzadigd worden. Er is slechts één weg uit de smaad van de werelddienst, uit het onzalige van verdeelde harten, uit het oordeel, dat de verbondbrekers treft; het is deze: verneder u voor de Heere en Hij zal verhogen.
Al waren ook zij, aan wie deze brief is gericht, verre van de overmoed van het ongeloof, zo ontbrak toch bij hen de juiste grondtoon van de ootmoed, het steeds aanwezig bewustzijn van afhankelijkheid van God, het steeds aanwezig bewustzijn niets te zijn en niets te kunnen doen zonder God. Dit gebrek openbaarde zich in het te groot vertrouwen op aardse goederen en menselijke middelen. Wat nu Jakobus, omdat hij alles samenvat in de verootmoediging voor God als voorwaarde van alle ware verhoging, die van God komt, van hen verlangt, is een inwendige daad van de geest, niet iets, dat uitwendig kan worden waargenomen, alhoewel deze inwendige daad zich moet openbaren in de inrichting van het gehele leven. De verootmoediging voor God is iets, dat alleen tussen God en de mens kan plaats hebben.
Broeders, spreek niet kwalijk van elkaar (1 Petrus 2: 1, 12; 3: 16. 2 Kor. 12: 20 1Pe 2. 1, 12 3. 16 2Co Ps. 15: 3). Die van de broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. Als u nu de wet oordeelt, dan bent u geen dader van de wet, dat u volgens Gods wil moest zijn (Hoofdstuk 1: 22 vv.), maar een rechter; en daartoe bent u niet door de Heere geroepen; het is u integendeel door de Heere uitdrukkelijk verboden (MATTHEUS. 7: 1 vv.).
De berisping van de apostel was zeer scherp geworden: dat hij nu een zachtere toon aanslaat, geeft reeds het woord “broeders! ” te kennen, dat hier voor de eerste maal na Jak. 3: 12 Jas terugkeert. Zij moeten niet kwalijk van elkaar spreken, elkaar niet oordelen; want zo moet de vermaning worden uitgebreid, als Jakobus zegt: “die van de broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet en oordeelt de wet. ” Het onderscheid tussen “kwalijk spreken” en “oordelen” is, dat het ene ten schade van de broeder, het andere met zelfverheffing boven hem geschiedt. Hiermee komt dan overeen, dat de ene keer “broeder” en de tweede keer “zijn broeder” wordt gezegd. Van iemand, die een broeder is, moest men niet tot zijn nadeel kwaad spreken; het is een schenden van de broederlijke betrekking in het algemeen en geen Christen moest hem, die zijn broeder is, oordelen, omdat die hem in dat opzicht gelijk staat, dat die zelfverheffing boven hem uitsluit. Van de eerste zegt de apostel, dat het een kwalijk spreken is van de wet, van het tweede, dat het een oordelen van de wet is; hij blijft echter bij de laatste aanwijzing staan, omdat tegenover de wet “kwalijk spreken” en “oordelen” een en hetzelfde is. In plaats van de wet te laten spreken, die toch zeker tegenover overtreders moet worden gehandhaafd, geeft die kwalijk spreekt aan zijn tegenzin tegen hem lucht, met wie hij toch onder dezelfde wet staat, terwijl hij kwalijk van hem spreekt, omdat hij juist kwalijk ten opzichte van hem gestemd is en geeft de rechter een oordeel over hem, waarmee hij hem veroordeelt, zonder er een ander recht toe te hebben, dan dat hij zichzelf over hem tot rechter stelt en de maatstaf van zijn oordeel aan zichzelf ontleent. Daarmee spreekt hij echter kwalijk van de wet, omdat het zo wordt, alsof aan hem niet plaats zou hebben wat recht is, als hij het bij de handhaving van de wet liet blijven en niet deed wat hij doet; en hij oordeelt de wet, omdat het wordt, alsof hij, over wie hij zich als rechter stelt, zijn recht niet zou ontvangen, als hij niet met zijn, naar eigen maatstaf uitgesproken oordeel in een leemte voorzag, die de wet openlaat. Van zo iemand is dan zeker waar, dat hij daardoor van een dader van de wet een rechter wordt: hij plaatst zich in een verhouding tot de goddelijke wet, als een rechter tot de burgerlijke, waarvan het ongenoegzame de rechterlijke verklaring nodig maakt, opdat de toepassing op bijzondere gevallen wordt gevonden.
Er is een enig Wetgever, die enig en alleen niet onder, maar boven de wet staat, die daarom ook enig en alleen behouden kan en verderven (MATTHEUS. 10: 28). Maar wie bent u, die u in Zijn plaats stelt en een ander oordeelt? Uw gedrag is niets anders dan een aanmatigend zelf verheffen, waarmee u zich vermeet in Gods ambt in te grijpen en waarvoor u de behoorlijke terechtwijzing van Hem zult ondervinden (Rom. 14: 4).
Slechts één heeft het oordeel in de hand; het is dezelfde, die de wet heeft gegeven. Slechts één kan zalig spreken en veroordelen, omdat alleen Hij de laatste gronden en bewegingen van het menselijk hart doorziet, omdat alleen Hij het waar zijn in Liefde in de hoogste mate beoefent en daarom van Hem geen onrechtvaardig oordeel kan uitgaan. Zie, met uw oordelen grijpt u in het recht van uw God, uit wiens hand u zelf eerst uw lot moet ontvangen. “Wie bent u, die een ander oordeelt? Met deze vraag richt Jakobus ons oog daarheen, waarheen het behoort: in ons eigen hart. Tot oordelen behoren vooral twee zaken: een onbedrieglijk oog en een rein hart. Die een mens naar zijn schuld wil oordelen, moet de hele mens in al zijn neigingen, gedachten, beweegredenen kennen, moet ook in rekening brengen alle omstandigheden, waarin hij leeft, alle invloeden, die op hem worden uitgeoefend, ja meer dan dat! De mens is in vele opzichten het resultaat van de uitwendige levensomstandigheden en invloeden, die van zijn vroegste kindsheid op hem werkten. Die juist wil oordelen moet dat alles weten en kunnen beoordelen wie bent u kortzichtig, onwetend mens, die een ander oordeelt? En als u dit alles wist, zou u dan niet schrikken voor de gedachte, het oordelend woord uit te spreken bij de blik in het eigen hart? Bent u dan rein, vrij en onschuldig op dat punt, waarover u anderen wilt oordelen? Bemerkt u niet, dat het vonnis, dat u tegen anderen velt, met dubbele zwaarte op u neervalt, dat u over uzelf het oordeel uitspreekt? Wij denken aan het woord van Jezus: “Oordeel niet, opdat u niet geoordeeld word.” Wij verblijden ons, dat wij bij het oordeel op de barmhartigheid mogen appelleren, maar alleen barmhartigen zal barmhartigheid geschieden.
Welaan nu, opdat ik ook met u een woord spreek, u, die daar zegt: a) “Wij zullen heden of morgen naar zo een, naar deze of geen stad reizen en daar een jaar overbrengen en koopmanschap bedrijven (Jes. 47: 15 Hos. 7: 27) en winst doen.”
Luk. 12: 18
Het is zelfverheffing en niet slechts tegenover de naaste, maar ook tegenover de enige Wetgever en Rechter, als een Christen van de medechristen kwaad spreekt, of als een rechter over hem oordeelt; die zo doet, bij die ontbreekt de verootmoediging voor God, waartoe de apostel heeft aangemaand, eer hij voor deze zonde waarschuwde (vs. 10-12). Weer is het een zelfverheffing van andere aard, die hij berispt in hen, tot wie hij zich nu wendt met een “welaan”, dat de vermaning sterker aandringt. Hij noemt ze met een “u, die daar zegt enz. “, dadelijk nadat hij heeft uitgedrukt, waarmee zij zich bezondigen en waarom hij ze bestraft. Het is de lichtvaardige taal, die zij laten horen, als zij spreken van hun voornemens, alsof het aan hen stond om het te doen. Terwijl hij ze zo sprekend invoert, spreekt vanzelf, dat hij zulke lichtvaardigheid slechts als een voorbeeld aanhaalt, als bijzonder geschikt om de geheel en geest te kenmerken. Met het “heden of morgen zullen wij naar zo’n stad reizen” stellen zij zich aan, alsof hun het morgen net zo zeker was als het heden; het “een jaar” bij het “aldaar overbrengen” dient om de tijd, daar door te brengen, zo bepaald af te bakenen, dat zij er reeds over denken wat zij zullen doen, maar ook dat zij voordeel zullen behalen “koopmanschap bedrijven en winst doen.”
Evenals nog heden de Joden door handelsgeest bezield en vervuld zijn, zo waren zij ook toen en de Christenen uit de Joden schudden die volksaard niet opeens af.
U spreekt zo, u, die toch zo nietig bent, dat u niet weet wat morgen geschieden zal. U weet niet of dan niet reeds de dood een einde aan uw leven gemaakt zal hebben (Spr. 27: 1 Luk. 20: 20). a) Want hoe is uw leven? Want het is (volgens andere lezing “u bent een damp, die voor een korte tijd gezien wordt en daarna, nadat die voor een korte tijd zichtbaar is geweest, weer verdwijnt (Job 8: 9 Ps. 102: 4, 12; 144: 4).
Jes. 40: 6. 1 Kor. 7: 31 Jak. 1: 10. 1 Petrus 1: 24. 1 Joh. 2: 17
In plaats dat u zou zeggen: a) “Als de Heere wil en wij leven, dan zullen wij dit of dat doen.” (1 Kor. 4: 19 Hand. 8: 21).
Hebr. 6: 3
Het is duidelijk dat Jakobus, toen hij dit zei, er niet op aan wilde dringen, dat men zo’n beding altijd woordelijk zou uitspreken (vgl. Rom. 15: 28. 1 Kor. 16: 5 v.). Zulke spreekwijzen zouden ook tot een zuivere vorm kunnen worden en deze gemeenten waren, tengevolge van hun gehele richting wel geneigd alles tot een zuivere vorm te maken. Jakobus gebruikt even graag, zoals wij reeds vaker hebben opgemerkt, iets bijzonders in plaats van een algemene gedachte. Zo gebruikt hij ook hier, in plaats van de algemene gedachte over de onzekerheid en de onafhankelijkheid van het gehele aardse leven uit te drukken, zulke woorden, die geschikt waren deze algemene gedachte in de toepassing op het bijzondere geval aan te wijzen.
Menige zondige daad zou achterwege blijven, menige overijlde stap niet worden gedaan, als het woord “zo de Heere wil en wij leven” niet slechts op de lippen, maar diep in het hart gevonden werd.
Hoe makkelijk en hoe vaak worden onze plannen verijdeld, onze voornemens en verwachtingen teleurgesteld; hoeveel ziet men door de dood afgesneden en met het menselijk leven als een nevel verdwijnen; en zal dan de dwaze sterveling tijden en, jaren vooruit berekenen en bepalen, wat hij zal doen? Zal hij eigendunkelijk en eigenmachtig over zichzelf, over zijn leven en bedrijf beschikking maken? Het is waar, de Heere zelf heeft ons het vermogen gegeven om vooruit te denken en Hij wil dat wij dit vermogen gebruiken zullen; ook kunnen en mogen wij in onze aardse stand en in de geregelde afloop van onze zaken geenszins zonder plannen en berekeningen en het maken en onderscheiden van bepalingen zijn; maar in dit geval leert ons Jakobus met geestelijke wijsheid aan God te denken, tot Hem op te zien en geheel en al met onderwerping aan en afhankelijk gevoel van Hem ons vervuld te betonen en dit met woord en daad uit te drukken. Als de mens dit verwaarloost, dan maakt hij zich aan een hemeltergende hoogmoed schuldig, omdat hij zich in de plaats van God stelt, een eigendunkelijk en onafhankelijk bestuur over eigen leven en lot in handen neemt en geheel vrijmachtig over zichzelf en zijn zaken beschikking en beslissing maakt; spreekt hij daaruit, handelt hij op zo’n wijze en leeft hij in die geest voort, zoals zo menigeen doet, dan roemt hij, dan verheft hij zich op een hoogheid, die hij niet bezit; zijn roem is dwaas, is zondig en ijdel, in een ogenblik blaast de Heere in al zijn ontwerpen en toont Hem, hoe nietig de zondige sterveling is.
DE DAG VAN MORGEN
het Licht des daags is uitgeblust, De avond haalt zijn sluier neer, Maan en sterren tint’ten weer, het Matte lichaam neigt ter rust; Zwanendons en varen wacht, Moegewaakten! goeden nacht!
Morgen blinkt het zonlicht weer, Vriend’lijk ging het prachtig wonder, Lonkende aan de kimmen onder, Schoon en schitt’rend dook het neer. Morgen, sprak zijn laatste lach, Morgen komt een nieuwe dag.
Morgen! morgen! zorglijk woord, Weet hij, die het uit mag spreken, Hoe het licht hem aan zal breken, Als een nieuwe morgen gloort; Weet hij, die zich neerstrekt, Wat hem voor de morgen wekt?
Welig ruist u het golvend graan, Bouwman! langs de akker tegen; De oogsttijd komt met al zijn zegen; Morgen zal de sikkel slaan! Morgen plast de hagel neer, het Is voor u geen oogsttijd meer.
Gistren reed langs straat en gracht, Rijkaard, u de feestkoets henen; Rollend klonk het langs de stenen, Dat u aankwaamt met uw pracht. Morgen brengt de koets de maar, Dat u neêrligt op de baar.
Heden juicht uw feestgeschal, Belzazar door hof en zalen! Boelen wilt u en onthalen, Tot de morgen dagen zal. Dezen nacht nog schrijft een hand, U de doodstraf aan de wand.
Morgen, morgen! zorg’lijk woord! Damp, waarop wij zuilen bouwen, Hoe bedriegt ge het blind vertrouwen, Met wat dromen vliegt u voort! Wat verdwijnt er en verschijnt Als u aanbreekt of verdwijnt?
Wissel hoop en vrees om beurt, Hoop en vrees beschaamt ge beide; Morgen lacht wat gist’ren schreide, Heden juicht wat morgen treurt. Morgen komt de slaaf tot eer en de dwing’land suizelt neer.
Schrik en angsten staaplen op, Vreeslijk zwelt hun loden zwaarte, Dreigend zinkt het schrikgevaarte, Morgen plet in het wicht de kop, Morgen als het zonlicht daagt, Zijn de bergen weggevaagd.
Niet zo hooploos dan in, t leed, Lijders, in de rouw gezeten, Morgen zal het gistren heten; Wat vandaag nog heden heet; Morgen breekt een ochtend aan. Die nog niemand of zag gaan.
Zuchtend in de kerkermuur, Jozef, zwart en boos belogen, Staan u smaad en straf voor ogen, Wacht ge ze ieder morgenuur; Hoor! daar gaan de grendels af en u zwaait een koningsstaf!
Tast niet naar uw blindheid gis, Mensen! in het diepst verborgen, Rekent bij geen dag van morgen, Dag die nooit aanwezig is; Die zo ras hij heden heet. Ander lief brengt ander leed.
Niet zo trots het hoofd gebeurd, Blijden! wat uw deel moog’ wezen; Weer een dag verschijnt na dezen; Droeven, niet zo diep getreurd, Wie van daag geniet of lijdt, Morgen is het een andre tijd.
Maar nu roemt u, wanneer u zo spreekt, zoals ik zo-even zei (vs. 13) in uw hoogmoed, met grote, holle woorden. Al zulke roem, waarbij een mens spreekt en doet, alsof hij zelf over leven en handelen te beschikken had, is boos, omdat men zich daarmee boven God stelt in plaats van zich voor Hem te verootmoedigen (Vs. 10 Jer. 10: 23).
Wat dit roemen “boos” maakt, wat dit rekenen en plannen maken niet laat zijn een kinderachtig en dwaas spel, maar een zonde, is de trek van hoogmoed, die zich daarin openbaart, van een hoogmoed, die de Heere en Zijn bestuur vergeet, zichzelf tot zijn God maakt, zelf de voorzienigheid wil spelen. Dezelfde hoogmoed, die achterwaarts ziende op hetgeen tot stand gekomen en bereikt is, vergetend de barmhartigheid van God en Zijn krachtige hulp, in zelfbehagen spreekt: “dat alles heb ik gedaan”, hij keert zich ook tot de toekomst en zegt: “en dat alles wil en zal ik nog doen. “
Ondernemingsgeest zonder godsdienst is niets dan hoogmoed.
Uw verontschuldigingen, dat u dit wel wist, maar het alleen niet in toepassing heeft gebracht, baat u niet. Wie dan weet goed te doen en het niet doet, die is het zonde, die wordt dat niet doen als zonde toegerekend.
Het is zonderling, hoe in ‘s mensen geweten en zijn dagelijkse ervaring alles zo sterk voor Gods voorzienigheid spreekt en hoe toch in de werkelijke beoefening ook het vertrouwen of zichzelf en de zucht om hen na te streven, bij wie de moedwil gelukkig schijnt te gedijen, even sterke invloed heeft. Vandaar is dagelijks herinneren zo nodig (Spr. 22: 19).
Ik zal sterven! nu adem ik nog in Gods uitspansel! dat zal een einde nemen. Wijze en tijd zijn mij onbekend. Mogelijk zal een haastig toeval mij wegnemen als in een ogenblik. Mogelijk zal een ongesteldheid de weg trager banen tot de sloping van mijn aardse tabernakel, totdat eindelijk de hevigheid van mijn ziekte de spot zal drijven met alles, wat de geneeskunde voor mij ten beste heeft. Hoe het zij, ik zal sterven en de plaats, die ik besla in mijn huis, geslacht en in al de maatschappijen, waarvan ik een lid ben, zal leeg gevonden worden. Dan stap ik voor altijd uit alles uit. Ik ben dan niet meer de vader van mijn kinderen, de man van mijn echtgenoot, de burger, de vriend van mijn vrienden. Aangelegen gebeurtenis! Wanneer dat zijn zal, weet ik niet. Ik weet de dag van mijn doods niet. Die tijd is in mijn Vaders raad bepaald. Zou het goed zijn, wanneer ik het wist? Nee. Oneindige goedheid en oneindige wijsheid verbergen dat voor mij. Makkelijk zou de wetenschap daarvan mij bij mijn inwonend bederf schadelijk zijn. Heb dank, mijn Vader! die in de verzwijging mijn heil bedoelt! O, Geest van Christus! doe mij horen, wat die onzekerheid mij al predikt! Weet ik de dag van mijn dood niet, dan moet ik waken. Waak, mijn ziel! U weet niet, in welk een uur uw Heer komen zal. Kom, de lendenen omgord, de lamp brandend. Hoor uw Meester roepen: tot allen zeg Ik, waak! Weet ik de dag van mijn dood niet, dan moet het gelovig schuilen bij mijn Middelaar, mijn begunstigde, mijn onafgebroken en in vergelijking mijn enige bezigheid zijn; geloof in de éne Naam, waardoor men zalig wordt, moet zou het leven van mijn hart zijn, dat zijn uitgangen een schakel leveren van aanbevelingen aan Jezus, of de grond van het eeuwig Evangelie, om dus, wanneer de dood ook komt, gevonden te worden in een bezig geloof en onder de omtrek van de schaduw van Jezus’ vleugels. Weet ik de dag van mijn dood niet, dan moet ik mijn werk op aarde pogen af te doen en de uitvoering van plicht en arbeid, waartoe ik heden de gelegenheid heb, niet onnodig uitstellen tot een volgende tijd. Die gedachte moet mij gemeenzaam zijn; de wijze weet de tijd en mogelijk zal men, als ik oneindig uitstel neem, met bezorging van mijn begrafenis bezig zijn op diezelfde tijd, die ik bestemd had, om mijn zaken uit te voeren. Weet ik de dag van mijn dood niet, dan moet ik elke bezigheid, elke plicht zo waarnemen, alsof het de laatste reis van mijn leven was. Dat bijschrift staat bij al mijn verrichtingen: het is mogelijk voor het laatst. De gedachte bestiert mij, hoe zou ik dit werk, dat mij nu voor handen is, verrichten, als ik zeker wist, dat is nu voor het laatst. Hoe zouden mijn ontmoetingen met medemensen zijn, als ik reden had om te denken, dit mens, deze vriend, deze bloedverwant ontmoet ik onder de levenden voor het laatst, wij zien elkaar niet weer de na het verloop van enige eeuwen voor Christus’ rechterstoel; en omdat ik het niet weet en het echter mogelijk is, hoe bescheiden, hoe zachtmoedig, hoe vredelievend en, naar gelang van de omstandigheden, hoe stichtelijk moesten mijn ontmoetingen zijn! Met hoeveel ijver en beleid moest ik de aangelegenheden aangrijpen om mijn Verlosser aan te prijzen! Billijk mag ik vrezen, dat mijn Verlosser velen van hun nog onbekend is. Die gedachte moet mij gemeenzaam zijn; het zijn mensen, in wier midden ik verkeer; mensen, zonen, dochters van Adam, oorspronkelijk rampzalig, erfgenamen van vloek en toorn. Mensen, kostbare wezens, onsterfelijke wezens, aan wier behoud of verderf zo onberekenbaar veel gelegen is. Mensen, mijn natuurgenoten, gevormd uit hetzelfde leem. Mensen, redelijke wezens en als de zodanige vatbaar voor betoog, onderricht. Mensen, die, hoezeer zij ook, in andere opzichten, aanzien, kunnen doen, verschillen mogen, daarin overeenkomen, dat zij mensen zijn. Mensen, aan wie de boodschap van genade komt in tegenstelling tot de gevallen engelen, voor wie geen uitzicht is. Met die bedenkingen zal ik mijn hart vervullen, in dat licht zal ik elk, die mij ontmoet, beschouwen; ik zal tevens denken, makkelijk zie ik hem nooit weer. Wordt mij de gelegenheid geopend, ik zal hem in bedenking geven, of het niet goed is, dat zondaren zich hoe eer hoe liever tot God in Christus wenden; ik zal onbewimpeld spreken van het schromelijk gevaar, waarin Adams kroost verkeert: ik zal hem uitlokken door al de aanmoedigingen, die het Evangelie aan de hand geeft ik zal hem wel verslag doen, wie Christus zij, hoe graag Hij de zondaren aanneemt, ik zal hem zeggen, hoe ik het bij Christus gevonden heb. Zalige bezigheid, mijn Verlosser aan te prijzen! En de kleinste mate van uitzicht op de zegen, die ik bedoel, is een overruime vergoeding van de grootste mate en van arbeid en van lijdzaamheid hierin. Mogelijk gaat hij, wie ik dringend gevaar en aangeboden redding met liefde voordroeg, ras naar de eenzaamheid. Om met God te handelen over dezelfde dingen, die hem door een mens herinnerd werden; mogelijk wemelt hij reeds als een worm in het stof, mogelijk vraagt hij al daar de schuilplaats, terwijl ik bezig ben te wensen en te bidden, dat God de ontmoeting en mijn pogingen zegent. Eer zonder weerga! Een parel te mogen hechten aan mijn Verlossers kroon! Een zondaar te bekeren van de dwaling van zijn weg, een ziel te behouden van de dood. En, weet ik de dag van mijn dood niet, dan moet ik geen voegzame gelegenheid laten voorbijslippen, geen poging onbeproefd laten. Weet ik de dag van mijn dood niet, dan roert mij de kloekzinnigheid, om voor mijn laatste uren geen bestellingen over te laten, die ik nu kan afdoen en, schoon ik niet regeren wil na mijn dood, de zedenkunde van de Christenen roert mij evenwel, om bijtijds bestellingen te maken over alles, omdat ik stervend uit zal stappen en die bestellingen te maken op een voet, waarover niemand van de overblijvenden met reden zich zal kunnen beklagen, opdat ook in dat opzicht mijn gedachtenis in zegening is. In mijn laatste uur, wier eerste mogelijk zeer op handen is, begeer ik geen andere bezigheid, dan een groot getuigenis van mijn Verlossers trouw en liefde af te leggen; mijzelf Hem aan te bevelen en zuiverder, dan ooit te voren in het gezicht van de eeuwigheid het Evangelie te omhelzen, hen te zegenen, die mijn leger verzellen mochten en voorts op het sterfbed niets te doen te hebben dan te sterven. Weet ik de dag van mijn dood niet, dan word ik geroepen om al wat mij omringt en ontmoet in de wereld te bezien in het licht van de eeuwigheid en al mijn schattingen, ingenomenheden en aantrekkelijkheden daarnaar in te richten. Heb ik een tweeërlei bestemming: een om in mijn verblijf op aarde een eer voor Christus te zijn en nuttig in al de genootschappen, waartoe ik behoor, en een bestemming voor de eeuwigheid, laat ik dan alles bezien in opzicht tot mijn grote bestemming, dat is in het licht van de eeuwigheid; vloeien mij voordelen en bezittingen toe, laat mijn ingenomenheid gematigd worden, ook door die gedachten mogelijk ben ik maar een zeer korte tijd bezitter daarvan. Drukken mij de verdrietige dingen, laat ik denken, mogelijk is het einde van alle druk zeer nabij en eerlang stap ik uit alles uit. Kom dan, mijn ziel, wee; ja, maar als niet wenend! Ik weet de dag van mijn dood niet. Zo zal ik vrede bewaren, zoveel mogelijk is, met alle mensen en vrede maken, waar het nodig is; zijn er verschillen weg te nemen, dan moet ik graag de eerste en behoudens de waarheid en een goed zekere, de minste zijn; toegevend, zoveel het enigszins daarmee bestaanbaar is. Ik moet gereed zijn om schuld te belijden, omdat ik verkeerd handelde, schuld te vergeven, omdat ik beledigd werd. De vrede moet ik zoeken en najagen. Ik weet de dag van mijn dood niet! Morgen zal er mogelijk geen gelegenheid meer toe zijn! Ik weet de dag van mijn dood niet. Dat roept mij om mijn zorgen te matigen. Makkelijk vliegen zij gezwind vooruit, makkelijk verhechten zij zich aan mogelijke gebeurtenissen met een aantrekkelijkheid, alsof de gevreesde zaken reeds aanwezig waren, makkelijk benemen zij mij het genot van tegenwoordige zegen en behouden mijn hart in bestendige beroering. Maar, hoe weinig weet ik, of het gevreesde kwaad immer komen zal over mijn vaderland, mijn Sion, mijn geslacht, mijn huisgezin. God leeft, die boven bidden, boven denken is. Hoe weinig weet ik of ik het beleven zal; makkelijk word ik weggenomen voor de dag van het kwaad. Makkelijk zal ik met Habakuk rusten ten dage van de benauwdheid. Ik weet de dag van mijn dood niet. O, mijn ziel, matig uw zorgen. Ik weet de dag van mijn dood niet. Zou ik niet pogen zo nuttig te zijn, als het mogelijk is, naar al de invloed, die mijn verblijf op aarde in elk van de kringen, waarin ik geplaatst ben, onder de zegen van de Heere hebben kan. De eindpaal van mijn leven te verzetten, is niet alleen buiten mijn bereik, maar ook, al kon ik dat doen, zelfs door een enkelen zucht, ik zou dat niet begeren; nee. Maar de kring van de nuttige invloed te verbreden naar al het vermogen van mijn hand dat staat mij vrij. Te verbreden door groter ijver en gereder waarneming van gelegenheden. Heden is mogelijk voor mij de laatste dag! Ik weet de dag van mijn dood niet.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel