Onvoorwaardelijke overgave
Beluister deze preek
Er is nog geen voorleesversie. U kunt die laten maken; dat duurt een paar minuten.
Een preek uitgesproken op zondagmorgen 30 januari 1876 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
Zo onderwerpt u dan Gode. Jakobus 4:7
Dit advies zou eigenlijk niet veel aandrang hoeven te vergen. ‘Onderwerpt u Gode’: is dat niet op het eerste gezicht al juist? Is het niet wijs? Zegt het geweten ons niet dat we ons behoren te onderwerpen? Getuigt het verstand niet dat dit wel het beste moet zijn? ‘Onderwerpt u Gode.’ Behoort het schepsel niet onderworpen te zijn aan de Schepper, aan Wie het zijn bestaan dankt, zonder Wie het er nooit was geweest en zonder Wiens voortdurend welbehagen het op slag zou ophouden te bestaan? Onze Schepper is oneindig goed en Zijn wil is liefde. Zich onderwerpen aan Iemand Die ‘te wijs is om te dwalen, te goed om onvriendelijk te zijn’, zou niet moeilijk mogen zijn. Als Hij een tiran was, zou het moedig kunnen zijn om weerstand te bieden, maar omdat Hij een Vader is, is opstand ondankbaar. Hij kan niets doen wat niet volmaakt rechtvaardig is, en Hij zal ook niets doen wat strijdt met het ware welzijn van ons geslacht. Hem weerstaan betekent daarom strijden tegen je eigen voordeel en, net als de ongetemde os, tot eigen schade de verzenen tegen de prikkels slaan.
‘Onderwerpt u Gode’: dat is wat engelen doen, wat koningen en profeten hebben gedaan, waarin de besten onder de mensen hun vreugde vinden. Er ligt dus geen schande of verdriet in. De hele natuur is aan Zijn wetten onderworpen. Zonnen en sterren gehoorzamen aan Zijn bevelen, en wij zijn alleen maar in harmonie met het heelal als we gewillig voor Zijn heerschappij buigen.
‘Onderwerpt u Gode’: dat moet u doen, of u wilt of niet. Wie kan standhouden tegen de Almachtige? Als een nietig mens zich tegen de Heere verzet, is dat alsof het kaf zich in slagorde opstelt tegen de wind, of het vlas oorlog voert met de vlam. Een mens kan net zo goed proberen het getij van de oceaan terug te dringen of de opmars van de hemelse heerscharen tegen te houden als ervan dromen de Almachtige te overwinnen. De eeuwige God is onweerstaanbaar, en iedere opstand tegen Zijn regering moet spoedig in een totale nederlaag eindigen. Door de mond van Zijn dienaar Jesaja daagt de Heere Zijn vijanden uit met de woorden: ‘Wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?’ God zal Zijn tegenstanders zeker ten val brengen. In Zijn oneindig geduld kan Hij de opstandeling een tijdlang in zijn verzet laten volharden, maar zo zeker als de Heere leeft, zal Hij iedere knie dwingen voor Hem te buigen en iedere tong te belijden dat Hij de levende God is.
‘Onderwerpt u Gode.’ Wie zou iets anders willen, nu niet onderwerpen al schadelijk is en op den duur fataal? Als we ons tegen de Allerhoogste verzetten, moet dat verzet uitlopen op nederlaag en verderf, want de vijanden van de Heere zullen verdwijnen als het kostelijkste der lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen. Voor de mens die met zijn Maker twist, blijft er een schrikkelijke verwachting van het oordeel over en het vreselijke loon van de eeuwige straf. Wie zal zo roekeloos zijn om dat uit te lokken?
‘Onderwerpt u Gode’ is een voorschrift dat voor nadenkende mensen eenvoudig uit het verstand voortvloeit, en het heeft weinig argumenten nodig. Toch kracht onze tekst het vanwege onze dwaasheid bij met een ‘dan’, en dat ‘dan’ vinden we in het voorgaande vers: ‘God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. Zo onderwerpt u dan Gode.’ Zijn toorn en Zijn genade pleiten allebei voor onderwerping. We worden ernaartoe gedreven én getrokken. De Romeinen zeiden van hun rijk dat het als motto had: de overwonnenen sparen en de trotsen voortdurend bestrijden. Die uitspraak geeft treffend weer hoe de Allerhoogste te werk gaat. Hij richt al Zijn pijlen op de hooghartigen en keert de scherpte van Zijn zwaard tegen de koppigen. Maar zodra Hij tekenen van onderwerping ziet, treedt Zijn ontferming naar voren, en om de verdiensten van Zijn Zoon vergeeft Zijn overvloedige barmhartigheid de schuld. Is dat geen uitnemende reden om zich te onderwerpen? Wie kan weigeren zich door liefde te laten overwinnen? Wie zal niet zeggen wat ons lied zegt:
‘Heere, U hebt gewonnen, eindelijk geef ik mij gewonnen.
Mijn hart, door machtige genade gedrongen, geeft zich geheel aan U over.
Tegen Uw verschrikkingen heb ik lang gestreden, maar wie kan Uw liefde weerstaan?
Liefde overwint zelfs mij.‘
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Als verzet alleen de almachtige toorn van God oproept, terwijl ware onderwerping leidt tot het ontvangen van Zijn overvloedige genade, wie zal dan de wapens blijven voeren? Ik zal het betoog niet verder uitwerken, maar probeer u dit voorschrift meteen op het hart te binden, voor zover God de Heilige Geest mij daartoe in staat stelt. Ik geloof dat het zowel tot heiligen als tot zondaars gericht is. Daarom zal ik het eerst het kind van God op het hart binden en tegen allen die de Heere liefhebben zeggen: ‘Onderwerpt u Gode.’ Daarna zullen we wat meer tijd nemen om het in diepe ernst te zeggen tegen hen die niet met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon: ‘Onderwerpt u Gode’, als u behouden wilt worden.
I. Tot het volk van God: ‘Onderwerpt u Gode.’ Hij is uw God, uw Vader, uw Vriend; geef u aan Hem over. Wat betekent deze raad? In de eerste plaats: beoefen nederigheid. We doen er goed aan een tekst uit zijn verband te verklaren, en het verband is hier: ‘God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.’ Daarom moet de onderwerping die hier bedoeld wordt nederigheid insluiten, ook al is dat niet het voornaamste. Broeders en zusters, laten we voor God onze juiste plaats innemen. En welke plaats is dat? Is het de hoogste zetel in de synagoge? Is het de plaats van hen die God danken dat ze niet zijn zoals andere mensen? Ik hoef nauwelijks te antwoorden: u die kinderen van God bent, zult er niet over piekeren zo’n plaats in te nemen. Als u in een moment van dwaasheid ooit roemt, dan weet ik zeker, lieve vrienden, dat u zich diep schaamt als u er in de nachtwaken aan terugdenkt, en dat u uw woorden graag weer zou inslikken. Een begenadigde zondaar die roemt! Een schuldenaar van soevereine genade die zichzelf ophemelt! Het is afschuwelijk. Niets kan misplaatster zijn dan grootspraak op de lippen van een kind van God.
Als ik de ezelin van Bileam hoorde spreken, zou ik het aan een wonder toeschrijven dat zij de taal van een mens gebruikte. Maar als een man Gods het gebalk van de ijdelheid laat horen, is dat een wonder van de andere kant: niet van God, maar van de satan. Is het niet een van de grondwaarheden van ons geloof dat we door genade behouden zijn? En wat zegt de apostel? ‘Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten.’ Het woord ‘uitgesloten’ betekent: buitengesloten. De roem komt aan de deur, hij klopt, hij smeekt om binnengelaten te worden, maar hij wordt buitengesloten. Door ons gebrek aan waakzaamheid krijgt hij misschien heel even toegang, maar zodra de genade van God in ons merkt dat de indringer binnen onze poorten is, zet zij hem eruit, slaat de deur voor zijn neus dicht en grendelt hem buiten. En op de vraag ‘Waar is dan de roem?’ antwoordt de vrije genade: ‘Hij is uitgesloten, door de wet van de genade.’
Als al het goede dat we hebben ons uit goddelijke gunst om niet gegeven is, waarop kunnen we ons dan beroemen? Al bezitten we de hoogste mate van geestelijkheid, al is ons leven volkomen vrij van enig openlijk gebrek en al is ons hart geheel aan de Heere gewijd, dan nog zijn we onnutte dienstknechten; we hebben niet meer gedaan dan wat we schuldig waren te doen. Maar helaas, we schieten hier ver bij tekort, want we hebben niet gedaan wat we schuldig waren te doen. In veel opzichten falen we en derven we de heerlijkheid van God. De juiste houding van een christen is om in diepe nederigheid voor God te wandelen en met zachtmoedigheid tegenover zijn medechristenen. De laagste kamer past ons het best, en in die kamer de laagste zitplaats.
Kijk naar Paulus, die veel meer van Christus wist dan wij en die Hem veel beter diende. Het is leerzaam om op zijn uitdrukkingen te letten. Hij is een apostel, en hij zal niemand toestaan zijn roeping in twijfel te trekken, want die heeft hij van de Heere ontvangen. Maar wat zegt hij? ‘Die niet waardig ben een apostel genaamd te worden.’ Wat kan nederiger zijn dan dit? Toch zullen we hem nog veel dieper zien afdalen. Hij neemt zijn plaats in onder de gewone heiligen, en hij zal zijn aanspraak om tot hen gerekend te worden niet opgeven, want hij heeft zijn roeping en verkiezing vastgemaakt. Maar waar zit hij onder het volk van God?
Hij noemt zichzelf ‘den allerminste van al de heiligen’. Van ‘niet waardig een apostel genaamd te worden’ naar ‘den allerminste van al de heiligen’ is geen kleine afdaling, maar hij ging nog dieper. Op een andere plaats belijdt hij dat hij nog steeds een zondaar is, en als hij in de vergadering van de zondaars komt, welke plaats neemt hij dan in? Hij schrijft zichzelf op als de voornaamste van de zondaars. Dit is onderwerping aan God: het werkelijk opgeven van iedere trotse pretentie en iedere verwaande aanspraak.
Broeders, als de Heere ons geroepen heeft om dienaren van het Woord te zijn, laten we dan altijd beseffen dat we zo’n grote genade niet waard zijn. Omdat Hij ons tot heiligen gemaakt heeft, laten we belijden dat we de allergeringste van onze broeders hoger achten dan we onszelf durven achten. En omdat we weten dat we zondaars zijn, laten we onze zonden zo bekijken dat hun afschuwelijkheid het sterkst aan het licht komt. Want in sommige opzichten en in een bepaald licht bezien zijn er kwaden in ons karakter die ons schuldiger maken dan onze medezondaars. De boetebank en de voet van het kruis zijn de geliefdste plaatsen van onderwezen christenen.
Zulke nederigheid is helemaal niet in strijd met het geloof dat we behouden zijn, ook niet met de volste verzekerdheid van het geloof, ja, zelfs niet met de vertrouwelijkste omgang met God. Luister naar Abraham: ‘Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!’ Hij is heel dicht tot de Heere genaderd en spreekt met Hem zoals een man met zijn vriend spreekt, en toch zegt hij: ‘Hoewel ik stof en as ben!’ Zijn vrijmoedigheid deed zijn nederigheid niet teniet, en het besef van zijn nietigheid weerhield hem er niet van dicht tot de Heere te naderen. Lieve broeders, we weten dat we in Christus aangenomen zijn, we weten dat we God dierbaar zijn en met een eeuwige liefde bemind. We weten dat Hij onze gebeden hoort en ons voortdurend verhoort, en dat we in het licht van Zijn aangezicht wandelen. Toch behoort onze houding altijd een van diepe verootmoediging voor de Heere te zijn. In volkomen onderwerping behoren we aan de voeten van de Meester te zitten en te zeggen: ‘Door de genade Gods ben ik, dat ik ben.’ Moge de Heilige Geest deze genadige onderwerping in iedere wedergeboren ziel werken.
Laten we vervolgens opmerken dat onze tekst nog een tweede betekenis heeft, namelijk onderwerping aan de goddelijke wil. Dat valt u natuurlijk op in de bewoordingen van het vers: ‘Zo onderwerpt u dan Gode.’ Geliefde christenvrienden, wees bereid alles te aanvaarden wat God beschikt. Laten we allemaal bidden om te zijn:
‘Eenvoudig, leergierig en zachtmoedig,
ootmoedig geworden als een klein kind, blij met alles wat de Heere
geeft, gespeend van al het andere wat de wereld
biedt.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Is dat werkelijk zo bij ons? Zijn sommigen van u daar niet nog ver van af? Weet u heel zeker dat u zich aan de goddelijke wil onderwerpt wat uw plaats in de samenleving betreft? Hebt u de plaats aanvaard die u op de ladder van aardse rijkdom inneemt? Bent u tevreden om ziekelijk, onbekend of weinig begaafd te zijn? Is wat God beschikt ook waarmee u tevreden bent? Te veel belijders twisten met God omdat ze niet anders zijn dan ze zijn. Dat is verkeerd, en het laat zien dat er nog trots in hun hart zit. Want als ze beseften wat ze verdienen, zouden ze weten dat alles wat minder is dan de hel, meer is dan we verdienen, en dat dankbaarheid ons past zolang we niet in de put van de pijniging zijn. Het is een gelukkige zaak als het gemoed ertoe gebracht wordt zich aan alle kastijdingen van God te onderwerpen en in alle beproevingen van Zijn voorzienigheid te berusten. Omdat we weten dat al deze dingen ons medewerken ten goede, en dat we nooit één smart meer hoeven te dragen dan onze hemelse Vader nodig weet, zijn we verplicht ons blijmoedig te onderwerpen aan alles wat Hij beschikt. Ook al schijnt geen enkele kastijding voor het tegenwoordige een zaak van blijdschap te zijn, maar van droefheid, toch behoren we ons eraan over te geven vanwege de vrucht die zij later geeft.
Zelfs de dieren van het veld kunnen ons dit leren. Ik las onlangs over een olifant die zijn gezichtsvermogen kwijt was. Hij werd naar een chirurg gebracht, die een krachtig middel op het oog aanbracht dat het dier veel pijn deed, en natuurlijk was het enorme beest tijdens de behandeling erg onrustig. Na een tijdje begon hij een beetje te zien, en toen hij de volgende dag weer bij de behandelaar kwam, was hij zo mak als een lam. Hij had blijkbaar begrepen dat de pijnlijke behandeling hem goed had gedaan. Als zo’n dier genoeg verstand heeft om het voordeel te zien en de pijn te aanvaarden, hoeveel te meer behoren wij dat te doen! Omdat we weten dat we oneindige zegeningen aan de roede van het verbond te danken hebben, behoren we bereid te zijn onze eigen rug voor de gesel te ontbloten en de Heere met ons te laten doen wat Hij wil. Ja, ik ga nog verder: zelfs als we niet wisten dat er iets goeds uit voortkwam, behoorden we ons te onderwerpen omdat het de wil van de Heere is. Hij heeft immers het recht met ons te doen wat Hij wil.
Kunt u dit onderschrijven? Kunt u zich als een echt kind volkomen overgeven aan het welbehagen van uw Vader? Zo niet, dan hebt u de gezindheid van Christus nog niet goed geleerd. Het is iets groots als de ziel in alles geheel aan God onderworpen is, zodat we in Gods voorzienigheid nooit iets anders wensen dan God het wil hebben, en ook niet verlangen dat er iets in Zijn Woord veranderd wordt: geen enkele instelling van de kerk van God, geen enkele geopenbaarde leer, geen enkel voorschrift of enkele waarschuwing. We zullen nooit rust hebben totdat we zover zijn. Voor ons geluk is het van wezenlijk belang dat we altijd zeggen: ‘Doch niet, gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt.’
Broeders en zusters, behoort het niet zo te zijn? Wie moet er in het huis regeren dan de Vader? Wie moet het lichaam besturen dan het Hoofd? Wie moet de kudde leiden dan de Herder? We hebben zoveel aan Jezus te danken en behoren Hem zo volkomen toe, dat we, als het in stemming werd gebracht, allemaal onze stem zouden geven om de Heere Jezus onder ons tot Koning, Hoofd en Leider te maken. Want is Hij niet de Eerstgeborene onder vele broederen? Onderwerp u dan, mijn broeders. Smeek de Heilige Geest om uw wil tot volkomen onderwerping te buigen. U zult nooit gelukkig zijn totdat het eigen ik onttroond is.
Ik ken sommige kinderen van God die grote moeite hebben, alleen omdat ze zich niet aan de goddelijke wil willen overgeven. Ik ontmoette eens een vrouw, volgens mij een goede zuster, die zei dat ze het God niet kon vergeven dat Hij haar moeder had weggenomen. Een andere vriend zei dat hij niet kon inzien dat God een goede God was, omdat Hij hem zulke zware beproevingen had laten doorstaan. Hun oven werd zevenmaal heter gestookt door de brandstof van opstandigheid die ze erin wierpen. Zolang we de Heere de schuld geven en Zijn rechten betwisten, zal ons door onszelf gekwelde gemoed heen en weer geslingerd worden. Geen vader kan zijn jongetje uitdagend zijn vuistje laten ballen en dat kind toch met dezelfde liefde en tederheid behandelen als zijn andere kinderen, die zich aan hem onderwerpen. U kunt de glimlach van uw hemelse Vader niet genieten, lieve broeder of zuster, totdat u ophoudt tegen Hem in te gaan en het punt waarover u twist aan Hem toegeeft. Hij heeft immers gezegd dat als wij tegen Hem in wandelen, Hij tegen ons in zal wandelen.
Het zal verstandig van u zijn om te roepen: ‘Mijn Vader, mijn ongehoorzame geest is tegen U in opstand gekomen en mijn boze hart heeft het gewaagd U ter verantwoording te roepen, maar daar houd ik nu mee op. Laat het zijn zoals U wilt, want ik weet dat U doet wat goed is.’ De tekst betekent dus eerst nederigheid en daarna onderwerping aan de wil van de Heere. Heere, leer ons die beide.
De tekst betekent ook gehoorzaamheid. Leun niet alleen lijdzaam achterover en schik u niet alleen naar wat uw omstandigheden nu eenmaal meebrengen, maar omgord de lendenen van uw verstand en toon een vrijwillige en actieve onderwerping aan uw grote Heere. De houding van een christen moet die zijn van een soldaat tegen wie de hoofdman zegt: ‘Ga’, en hij gaat, en ‘Doe dit’, en hij doet het. Het is niet aan ons om vragen te stellen, want dan zouden we zelf meester worden. Het is aan ons om zonder vragen te gehoorzamen, zoals soldaten dat doen. Onderwerping aan onze Heere en Zaligmaker blijkt uit bereidwillige gehoorzaamheid. Uitstel is in wezen ongehoorzaamheid, en nalatigheid is een vorm van opstand.
Ik vrees dat er christenen zijn bij wie hun ongehoorzaamheid aan Christus een bewijs van hun trots is. Men kan zeggen dat ze niet weten dat die of die plicht op hen rust. Ja, maar er bestaat een trotse onwetendheid die het niet de moeite waard vindt het te weten, een trots die het gebod van de Heere veracht en het als bijzaak en onbelangrijk beschouwt. Is zulke minachting te rechtvaardigen? Past het een dienstknecht van de Heere om zo’n houding te koesteren? Kan enig punt van de wil van onze Heere onbelangrijk voor ons zijn? Kan de wens van een dierbare vriend onbeduidend zijn voor wie hem liefheeft? Heeft Jezus gezegd: ‘Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden’, en zal ik die dan behandelen als zaken van geen betekenis? Nee, mijn Heere, al ging het om het wegnemen van een steen van de weg, het verleggen van een verdord blad of het wegvegen van een spinnenweb: als U het beveelt, wordt het meteen belangrijk. Het wordt belangrijk voor mijn liefdevolle trouw, opdat ik door mijn onmiddellijke gehoorzaamheid kan laten zien hoe volledig ik mij aan U onderwerp.
Liefde is vaak meer te zien in kleine dingen dan in grote. U kunt in huis een dienstbode hebben die u niet goedgezind is en die toch al het noodzakelijke werk in de huishouding doet. Maar het liefhebbende kind zorgt voor de kleine details die het leven aangenaam maken en die de toetsstenen van genegenheid zijn. Laat uw liefde blijken uit een kinderlijke gehoorzaamheid, die erop uit is de hele wil van de Meester in alle opzichten te doen.
Ik vrees dat er sommigen zijn die de Meester niet gehoorzamen omdat ze zo trots zijn te denken dat ze het beter weten dan Hij. Ze beoordelen de wil van de Heere in plaats van die te gehoorzamen. Bent u een rechter over de wet, mijn broeder? Moet u op de rechterstoel zitten en van deze of die bepaling van de wet zeggen: ‘Dit doet er niet toe’, of: ‘Dat kan zonder enig verlies voor mij opzij worden gezet’? Dat is niet naar de gezindheid van Christus, Die de wil van Zijn Vader deed en geen vragen stelde. Als u de volgende keer bidt: ‘Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde’, bedenk dan hoe die wil voor de troon van God gedaan wordt: zonder aarzeling, tegenwerping of discussie, in volledige dienstbaarheid aan iedere wens van de Allerhoogste. Daarom, geliefde broeders: ‘Onderwerpt u Gode.’
De uitdrukking is echter niet goed uitgewerkt als ik er niet nog een verklaring aan toevoeg, en misschien heb ik zelfs dan de betekenis niet volledig laten uitkomen. ‘Onderwerpt u Gode’ door uw hart over te geven aan de bewegingen van de goddelijke Geest: door ontvankelijk, gevoelig en gemakkelijk te beïnvloeden te zijn. De Geest van God heeft het zwaar met veel christenen om hen op de juiste weg te leiden. Ze zijn als een paard en een muilezel, die geen verstand hebben en wier muil men met toom en breidel moet bedwingen. In het woud staat de stevige eik; een orkaan raast erdoorheen en hij wordt niet bewogen, maar het riet bij de rivier buigt voor de zwakste windvlaag. Welnu, al moet u in veel opzichten als de eik zijn en niet als het riet, wees in dit opzicht als de bies en laat u bewegen door het lichtste ademen van de Geest van God. De platen van een fotograaf worden door een bijzonder procedé gevoelig gemaakt. Neem een ander stuk glas: uw vriend kan er zo lang voor gaan staan als hij wil, er ontstaat geen afdruk, althans geen die voor het oog zichtbaar is. Maar de gevoelige plaat laat ieder rimpeltje van het gezicht zien en legt ieder haar van het hoofd vast. O, door de Geest van God gevoelig gemaakt te worden! Zo kunnen we gemaakt worden door ons volledig aan Zijn wil te onderwerpen. Is er geen belofte die dat zegt? ‘Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.’
Soms fluistert de Geest van God u toe: ‘Trek u terug om te bidden.’ Ga op zulke momenten meteen uw binnenkamer in. Bedenk hoe David zei: ‘Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!’ De Geest van God zal u soms aanzetten tot een plicht die zelfverloochening vraagt, die veel van uw vrije tijd zal opeisen en die u als beloning niet veel eer zal opleveren. Wees Zijn roepstem niet ongehoorzaam, maar ga snel aan het werk. Zeg met de psalmist: ‘Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.’ De Geest zal ons soms aansporen tot diep berouw over fouten waarin we geleefd hebben. Hij zal ons bestraffen om een lelijke gemoedsstemming die we hebben toegelaten, om een hard woord dat we tegen een broeder hebben gesproken, of om de wereldsgezindheid waarin we vervallen zijn. O broeder, kom op zulke momenten in beweging, onderzoek uw ziel en reinig haar. Laat een wenk van de Heilige Geest u genoeg zijn.
Zoals de ogen van een dienstmaagd op haar vrouw gericht zijn, zo moeten uw ogen op uw Heere zijn. De dienstmaagd heeft het niet nodig dat haar vrouw spreekt. Vaak gebeurt het, als ze aan tafel bedient en er gasten zijn, dat haar vrouw knikt of een vinger opsteekt, en dat is genoeg. Ze roept niet: ‘Mary, doe dit of dat’, en ze spreekt haar niet tien keer luid aan, zoals de Heere met ons moet doen; een knipoog is genoeg. Zo behoort het met ons te zijn. Een half woord van de goddelijke Geest, Zijn zachtste beweging, zou ons genoeg leiding moeten geven, en meteen zouden we bereid moeten zijn te doen wat Hij zegt. Hierin is niet zozeer uw activiteit nodig als wel uw onderwerping aan de Heilige Geest. Het gaat niet zozeer om uw lopen als wel om uw bereidheid door Hem getrokken te worden. Er moet in het geloofsleven wel activiteit zijn: we moeten worstelen en strijden. Maar daarnaast moeten we ons overgeven aan de aandrang van de Geest, want Hij is het Die in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Hij werkt krachtig in ons, en als we ons maar aan Hem overgeven en niet langer obstakels op Zijn goddelijke weg zijn, zal Hij ons naar grotere hoogten van genade voeren en het beeld van Christus vollediger in ons vormen.
‘Onderwerpt u Gode.’ Leer hoe zoet het is lijdzaam in Zijn hand te liggen en geen andere wil te kennen dan de Zijne. Leer de zaligheid kennen van een volledige overgave aan Zijn goddelijke heerschappij, want zo zult u hier beneden de hemel al binnengaan.
II. Nu komen we tot het deel van onze preek waarin we God de Heilige Geest ernstig moeten bidden ons dubbel te helpen. Ik wil me nu richten tot hen die niet behouden zijn, maar die er enig verlangen naar hebben. Ik dank God als er zelfs maar de zwakste wens van die aard is. Moge die meteen uitgroeien tot een vurig verlangen. Ja, moge dat verlangen nog deze morgen vervuld worden, zodat u dit huis behouden verlaat. U vertelt me dat u al enige tijd bezorgd bent over uw ziel, maar dat u geen stap verder komt. U hebt grote inspanningen gedaan, u bent heel trouw geweest in het gebruik van de genademiddelen, in het onderzoeken van de Schriften en in het persoonlijk gebed, maar u komt niet verder. Het is heel goed mogelijk, mijn lieve vriend, dat de reden is dat u zich niet aan God hebt onderworpen. U probeert iets te doen, terwijl het beste zou zijn dat u ophield met uzelf en u liet vallen in de hand van de Zaligmaker. Hij kan u behouden, ook al kunt u uzelf niet behouden.
Voor een trots hart is onderwerping wel het allermoeilijkste. Merkt u dat ook? ‘Geen overgave’ is het motto van de koppige zondaar. Ik heb mensen gekend die hun lichaam nog liever zouden overgeven om verbrand te worden dan voor God te buigen. Hun hoogmoed heeft het lang tegen de Allerhoogste uitgehouden, en ze waren kleine farao’s totdat de Heere hen tot inkeer bracht. ‘Moet ik zwichten, moet ik buigen aan Zijn voeten?’ Zo’n vernedering konden ze niet verdragen. Als het Evangelie hun trots had verdragen en hun een beetje eer had gegund, waren ze er blij mee geweest. Maar in het stof geworpen worden en hun eigen nietigheid moeten belijden, dat konden ze niet verdragen. ‘Onderwerpt u’ is alsem en gal voor hooghartige zondaars, en toch moeten ze de beker drinken of sterven.
Luister dan, u hardnekkigen: u kunt nooit behouden worden tenzij u zich onderwerpt, en als u behouden bent, zal een van de hoofdzaken van uw behoudenis zijn dat u zich onderworpen hebt.
Ik wil u graag een kleine waarheid in het oor fluisteren, en ik bid dat ze u zal doen opschrikken: zelfs nu onderwerpt u zich al. U zegt: ‘Ik niet, ik ben mijn eigen heer.’ Ik weet dat u dat denkt, maar al die tijd onderwerpt u zich aan de duivel. Het vers dat we voor ons hebben, zinspeelt daarop: ‘Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.’ Als u zich niet aan God onderwerpt, zult u de duivel nooit weerstaan en blijft u voortdurend onder zijn tirannieke macht. Wie zal uw meester zijn, God of de duivel? Want een van beide moet het zijn. Geen mens is zonder meester. De een of andere macht heeft in ons de overhand: het goede of het kwade heerst in ons hart. En als we ons niet door het goede laten beheersen, heeft het kwade de heerschappij al gekregen.
‘Hoe moet ik me dan onderwerpen?’ zegt iemand. ‘Waaraan moet ik me onderwerpen, en in welke opzichten?’ Welnu, als u behouden wilt worden, onderwerp u dan allereerst aan het Woord van God. Geloof dat het waar is. En omdat u gelooft dat het waar is, geef u over aan de kracht ervan. Beschuldigt het u? Erken de beschuldiging. Veroordeelt het u? Pleit schuldig. Biedt het u hoop? Grijp die aan. Beveelt het u? Gehoorzaam het. Leidt het u? Volg het. Bemoedigt het u? Geloof het. Onderwerp u aan Hem Die Zich op deze gezegende bladzijden bekendmaakt als de Zaligmaker van allen die de wapens van hun opstand neerwerpen en hun vergeefse strijd beëindigen door te vertrouwen op Zijn macht om hen te behouden.
Geef u vervolgens gewonnen aan uw geweten. U hebt met uw geweten getwist en uw geweten met u. Het blijft maar spreken, en u wilt dat het zwijgt. Na een losbandig leven, in de stilte die volgt op een storm van zondig plezier, klinkt er een stem die zegt: ‘Is dit goed? Is dit veilig? Zal dit blijven? Wat zal hiervan het einde zijn? Zou het niet beter zijn iets te zoeken wat beter en edeler is dan dit?’ God spreekt vaak tot mensen door de stille, zachte stem van het geweten. Open dan uw oor en luister. Uw geweten kan u geen kwaad doen. Het kan u verontrusten, maar het is goed om verontrust te worden als de vrede tot de dood leidt. Het was een dwaas die de waakhond doodde omdat die hem wakker blafte toen er dieven in zijn huis inbraken. Als uw geweten u verwijten maakt, laat die verwijten dan tot u doordringen en sla acht op zijn bestraffing. Het is uw beste vriend. Getrouw zijn de wonden die het als vriend slaat, maar de kussen van een vleiende vijand zijn bedrieglijk.
God zendt ook vele boodschappers. Sommigen van u heeft Hij de tederste vermaners gezonden. Luister naar hun vermaningen en neem hun vriendelijke waarschuwingen ter harte, want ze bedoelen het goed met uw ziel. Is het moeilijk, mijn zoon, is het moeilijk om u te onderwerpen als de boodschap komt van de liefdevolle lippen van een moeder, als haar tranen ieder woord bedauwen dat ze spreekt? Voor sommigen van u moet het in uw jonge jaren moeilijk geweest zijn om de smeekbeden van een moeder te weerstaan, toen ze u niet alleen naar de hemel wees, maar u ook voorging op de weg daarheen. Ze sprak niet alleen over Jezus, maar weerspiegelde ook Zijn liefde in haar dagelijkse wandel en omgang.
U hebt een zuster, jongeman, die u liefhebt en respecteert. U kunt nauwelijks zeggen hoezeer u haar bewondert. Welnu, die brief van haar, waar u een grap van maakte, heeft u uiteindelijk toch geraakt. Geef toe aan haar ontroerende pleidooi, geef toe aan haar tedere smeekbeden. Bedenk dat God andere boodschappers heeft, die Hij zal zenden als deze liefdevolle niet genoeg zijn. Hij zal u spoedig een strengere oproep zenden. Als u niet luistert naar het zachte woord, naar de stille, zachte stem, kan Hij de ruwere boodschappers van ziekte en dood naar u toe zenden. Wees niet zo dwaas Hem daartoe uit te dagen.
Onderwerp u bovendien aan God, want misschien heeft Hij Zijn boodschappers al in strengere gedaanten naar u toe gezonden. Het is nog maar een paar dagen geleden dat u uw oude vriend verloor. Vele vrolijke dagen hebt u samen doorgebracht, en ook vele uitgelaten avonden. Hij was ogenschijnlijk even gezond als u, maar hij werd geveld, en u bent achter zijn baar naar het graf gegaan. Klinkt er uit dat vers gedolven graf geen stem tot u? Mij dunkt dat uw vriend met zijn plotselinge einde voor u een waarschuwing was om gereed te zijn voor een zelfde vertrek! U hebt zelf ook voortekenen van ziekte gehad. Misschien bent u werkelijk ziek geweest en kwam u daar te liggen waar u alleen nog de eeuwigheid voor ogen had: een vreselijke eeuwigheid, die zo zeker de uwe was. U huiverde om erin te kijken, maar de toon van de stem van de chirurg dwong u ertoe. U was bang dat u dit lichaam zou moeten verlaten, en u kon niet nalaten bij uzelf te zeggen: ‘Waarheen zal ik vluchten? Mijn naakte geest, waar moet hij heen als hij eenmaal de warme beschutting van dit huis van leem verlaat?’
Dit is niet voor een tiende zozeer mijn zaak als de uwe, maar ik bezweer u: hoor de stem van deze beschikkingen, luister naar deze ernstige roepstemmen. De engel van de dood heeft bij uw bed gestaan, naar u gewezen en gezegd: ‘Jongeman, deze keer is het koorts en kunt u herstellen, maar de volgende keer zult u nooit meer opstaan van het bed waarop u ligt.’ Of: ‘U bent nu uit een vreselijk ongeluk gered, maar de volgende keer zal er voor u geen ontkomen zijn. Omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u om uw God te ontmoeten.’
Boven alles bid ik u, als u zich van zulke dingen bewust bent: onderwerp u aan het fluisteren van Gods Heilige Geest. Gods Heilige Geest twist niet met ieder mens op dezelfde manier. Sommigen hebben Hem zo bedroefd dat Hij heeft opgehouden met hen te twisten, of Hij doet het nog maar heel af en toe, en dan weerstaan ze Zijn werkingen zo dat die nooit lang aanhouden. De slechtste mens die leeft, heeft zijn betere momenten, de zorgeloosste heeft wel eens ernstige gedachten; er zijn heldere ogenblikken in de waanzin van het vleselijk genot. Op zulke momenten horen mensen wat zij hun ‘betere ik’ noemen. Dat is het nauwelijks. Ik noem het liever de algemene bestraffingen van Gods Geest in hun ziel. Hij zegt tegen hen: ‘Is dit goed? Is dit verstandig? Dit beuzelen, dit tijd verdoen, dit verlagen van de ziel door de lichamelijke lusten te laten heersen, dit neerhalen van de mens tot het peil van het redeloze dier: kan dit goed zijn? Is er geen eeuwigheid? Is er geen onsterfelijkheid, geen God, geen toekomend oordeel?’
Soms opent de Heilige Geest de ogen van een mens, zoals Hij de ogen van Bileam opende, en laat Hij hem zien hoe zeker de oordeelsdag komt en hoe dichtbij die is. De mens gaat in gedachten al het geluid van de bazuin horen die de rechtszitting aankondigt, de komst van de Rechter op Zijn grote witte troon, het bijeenbrengen van de menigten van levenden en doden, het openen van de boeken, het scheiden van de menigte, het wegdrijven van de bokken naar hun eeuwige straf en het ontvangen van de rechtvaardigen in hun eeuwige vreugde. O, als u ertoe gebracht wordt dit alles te beseffen, dan smeek ik u: onderwerp u eraan.
Het kost sommige mensen heel veel moeite om verloren te gaan. Menigeen die God lastert en ongelovige praat uitslaat, doet dat alleen om zijn innerlijke worstelingen te verbergen. Zoals de jongen die fluit als hij over het kerkhof loopt om de moed erin te houden, zo spreken zij godslasterlijk om hun gedachten af te leiden van hun eigen angsten. Wie zijn ongeloof het felst uitspreekt, is niet de grootste ongelovige. Toen de heidenen kinderen aan Molech offerden, sloegen ze op hun trommen om het geschreeuw van de slachtoffers te overstemmen. Zo maken ook deze mensen veel lawaai om de stem van hun geweten te overstemmen. De mens weet wel beter, en ik bezweer hem die betere kennis naar voren te laten komen en zich door haar tot zijn God en Vader te laten leiden. Het zal een zegen voor hem zijn als dat vandaag nog gebeurt. ‘Onderwerpt u Gode.’
Als u mij nog eens vraagt: ‘In welk opzicht moet ik me onderwerpen?’, dan antwoord ik zo kort als ik kan: onderwerp u in de eerste plaats door uw zonde te belijden. Roep: ‘Peccavi, ik heb gezondigd.’ Houd niet brutaal vol dat u niet gezondigd hebt. Zolang u dat doet, zult u nooit vergeving ontvangen. Wie zijn zonde belijdt, zal barmhartigheid verkrijgen. Zondaar, kies uit twee dingen: oordeel uzelf, of word door God geoordeeld. Als u uzelf oordeelt en schuldig pleit, dan zal de grote Rechter u vergeving schenken, maar anders niet. Veroordeel uzelf en u zult niet veroordeeld worden. Erken dat de aanklacht waar is, want waar is zij, en haar ontkennen betekent uw eigen vonnis bezegelen.
Eer vervolgens de wet die u veroordeelt. Blijf er niet op vitten en zeggen dat ze te streng is en te veel vraagt van een arm, feilbaar schepsel. De wet is heilig, rechtvaardig en goed. Buig uw lippen neer en kus haar, ook al veroordeelt ze u, en zeg: ‘Al beschuldigt ze mij en overtuigt ze mij van dodelijke zonde, toch is het een goede wet en hoort ze niet veranderd te worden, zelfs niet om mij te redden.’
Erken vervolgens dat de straf rechtvaardig is. Uw zonden veroordelen u tot de hel. Zeg niet: ‘God is te streng, deze straf staat niet in verhouding tot de overtreding.’ Zolang u zo denkt, zult u nooit vergeving ontvangen, maar God zal gerechtvaardigd worden in uw veroordeling; de trots van uw hart zal een snelle getuige tegen u zijn. Belijd met uw hart: ‘Als mijn ziel naar de hel werd gezonden, is dat niet meer dan ik verdien.’ Als u de schuld hebt beleden, de wet hebt geëerd en de rechtvaardigheid van de straf hebt erkend, dan nadert u de plaats waar God u genadig kan zijn.
Onderwerp u, zondaar, ik smeek u, doe het nu; onderwerp u aan God als uw Koning. Werp uw wapens neer, buig uw helmkam en werp die mantel van trots af. Geef u onvoorwaardelijk over en zeg: ‘Heere God, ik erken nu dat U Koning bent. Ik zal niet langer als de hardnekkige farao vragen: ‘Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou?’, maar als iemand die tot inkeer gekomen is, geef ik mij over zoals verstand en genade mij ingeven.’ Het zal u goed gaan als u volledig capituleert, als u zich onvoorwaardelijk overgeeft. Zet de poorten van de stad Mensziel wijd open en laat prins Immanuël als enige vorst over iedere straat van de stad regeren. Betwist Zijn soevereiniteit niet langer, maar bid of u een trouwe onderdaan mag worden, gehoorzaam in alles. U zult genade vinden in de ogen van de Heere als u dit doet.
Onderwerp u verder aan Gods weg om u te behouden. Welnu, Gods weg om u te behouden is door Zijn genade, niet door uw verdiensten; door het bloed van Jezus, niet door uw tranen en lijden. Hij zal u rechtvaardigen als u nu eenvoudig op Jezus vertrouwt. Uw trotse hart bewondert de weg van de zaligheid van de Heere niet. U staat op en zegt: ‘Hoe valt dit te rijmen met de zedelijkheid?’ Alsof u de bewaker van de zedelijkheid was, alsof de Koning van hemel en aarde niet zonder uw hulp voor de zedelijkheid zou kunnen zorgen! Wie bent u, dat u opeens de kampioen van de zedelijkheid bent? Hoe durft u te denken dat de driemaal heilige God daar niet voor zal zorgen? Hij zegt u Zijn Zoon Jezus te vertrouwen. Zult u dat doen of niet? Zo niet, dan is er voor u geen hoop. Als u het wel doet, bent u behouden op het moment dat u gelooft: behouden van de schuld van de zonde door Jezus te vertrouwen.
U moet u ook onvoorwaardelijk overgeven aan de manier waarop Hij in u werkt. Iemand zegt: ‘Ik zou in Jezus geloven, meneer, als ik de schrik en de angst voelde die sommigen om hun zonde hebben ervaren.’ Eist u dan van God dat Hij u door schrik en angst heen sleept voordat u wilt geloven? Onderwerp u eraan om op een zachtere manier behouden te worden. ‘Maar ik heb gelezen over iemand’, zegt een ander, ‘die een droom had. Ik zou geloven als ik ook een visioen zag.’ Moet God u dromen geven? Moet Hij voor u de lakei spelen en u op uw manier behouden? Hij zegt u duidelijk: ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.’ Wilt u geloven of niet? Want als u dat niet doet, kunnen dromen noch visioenen noch angsten noch iets anders u behouden.
Dat is Gods weg, zondaar. Ik vraag u, en misschien beslist uw antwoord voor eeuwig over uw lot: wilt u die weg gaan of niet? Zo niet, dan hebt u uw eigen verderf gekozen. Maar als u hem wel wilt en u wilt laten behouden door in Jezus Christus te geloven, dan is het goed met u.
Ik weet dat er hier sommigen zijn die het bijna niet meer houden, want hun gebroken hart zegt: ‘Ik geef mij meteen over. O, als Hij mij maar wilde behouden!’ Wat ben ik blij u dat te horen zeggen, want den nederigen geeft Hij genade. Ik herinner me de tijd dat ik tot God riep: ‘O God, als ik tot mijn dood op een ziekbed moet liggen, dan maakt dat mij niet uit, als U mij maar genadig wilt zijn. Als U mijn trotse wil maar overwint en een nieuw mens van mij maakt, dan mag U met mij doen wat U wilt. Red mij alleen van de schuld en de macht van de zonde.’ Juist toen de Heere mij zo diep had gebracht, stelde Hij mij in staat leven en zaligheid in Jezus Christus te zien. En als Hij u tot dat punt heeft gebracht, zondaar, dan hoeft u niets anders te doen dan eenvoudig op de Heere Jezus Christus te vertrouwen, en u bent zeker behouden.
Als Hij u tot onderwerping brengt, heeft Hij u Zijn genade gegeven. Onderwerping aan Zijn goddelijke wil is het wezen van de zaligheid. Welnu, wie zal zich overgeven? Wie zal zich nu meteen overgeven? De Meester is onder ons gekomen; de Koning Zelf is hier, uw Maker, uw Verlosser. Zie de tekenen van Zijn wonden, zie de littekens in Zijn handen, voeten en zijde! Hij vraagt u: ‘Wilt u zich aan Mij overgeven? Wilt u uw wapens neerwerpen? Wilt u de strijd beëindigen? Wilt u zich onvoorwaardelijk overgeven?’ Zo ja, dan geeft Hij u Zijn hand en zegt: ‘Ga heen in vrede; er is vrede tussen Mij en u.’ Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden.
Ik heb de Heere gebeden mij veel zielen te geven, en ik geloof dat ik ze deze morgen zal krijgen. Ik ben er zeker van. Bewijs mij deze gunst: als u zich aan Christus onderwerpt, laat het mij dan weten. En stel het niet uit om u aan te sluiten bij hen die zich erin verheugen als gevangenen van Zijn genade in triomf te worden meegevoerd.
Preek nr. 1276 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 30 januari 1876, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 22. Oorspronkelijke titel: “Unconditional Surrender”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.
