Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
GijG4771 kinderenG5043, zijt uw ouderenG1118 gehoorzaamG5219 inG1722 den HeereG2962; wantG1063 datG3778 isG1510 rechtG1342.
Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.
KJV
Children,2
obey3
your
parents5
in7
the Lord:8
for10
this
is
right.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
EertG5091 uw vaderG3962 enG2532 moederG3384 (hetwelk het eersteG4413 gebodG1785 isG1510 metG1722 een belofteG1860),
Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),
KJV
Honour1
thy
father3
and5
mother;7
(which8
is
the first11
commandment10
with12
promise;)
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Opdat het uG4771 welgaG1096, enG2532 dat gij langG3118 leeftG2071 opG1909 de aardeG1093.
Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.
KJV
That1
it may be4
well2
with thee,
and5
thou mayest
live long7
on8
the earth.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
EnG2532 gijG4771 vadersG3962, verwektG3949 uw kinderenG5043 nietG3361 tot toornG3949, maarG235 voedtG1625 henG846 op inG1722 de leringG3809 enG2532 vermaningG3559 des HeerenG2962.
En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
KJV
And,1
ye fathers,3
provoke5
not4
your
children7
to wrath:
but9
bring10
them11
up
in12
the nurture13
and14
admonition15
of the Lord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
GijG4771 dienstknechtenG1401, zijt gehoorzaamG5219 uw herenG2962 naarG2596 het vleesG4561, met vrezeG5401 enG2532 bevenG5156, inG1722 eenvoudigheidG572 uws hartenG2588, gelijk als aan ChristusG5547;
Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus;
KJV
Servants,2
be obedient3
to them that are your masters5
according to6
the flesh,7
with8
fear9
and10
trembling,11
in12
singleness13
of your
heart,15
as17
unto Christ;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
NietG3361 naarG2596 ogendienstG3787, alsG5613 mensenbehagersG441, maarG235 alsG5613 dienstknechtenG1401 van ChristusG5547, doendeG4160 den wilG2307 van GodG2316 vanG1537 harteG5590;
Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte;
KJV
Not1
with2
eyeservice,3
as4
menpleasers;5
but6
as7
the servants8
of Christ,10
doing11
the will13
of God15
from16
the heart;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
DienendeG1398 metG3326 goedwilligheidG2133 den HeereG2962, enG2532 nietG3756 de mensenG444;
Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;
KJV
With1
good will2
doing service,3
as to the Lord,9
and10
not11
to men:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
WetendeG1492, dat zoG1437 watG3739 goedG18 een iegelijkG1538 gedaanG4160 zal hebben, hij datzelve van den HeereG2962 zal ontvangenG2865, hetzij dienstknechtG1401, hetzij vrijeG1658.
Wetende, dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.
KJV
Knowing1
that2
whatsoever3
good thing8
any man6
doeth,7
the same
shall he receive10
of11
the Lord,13
whether14
he be bond15
or16
free.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
EnG2532 gijG4771 herenG2962, doetG4160 hetzelfde bijG4314 hen, nalatendeG447 de dreigingG547; als die weetG1492, datG3754 ookG2532 uw eigenG846 HeereG2962 inG1722 de hemelenG3772 isG1510, enG2532 dat geenG3756 aanneming des persoons bij Hem isG1510.
En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is.
Ook in dit vers
aanneming persoonsG4382
KJV
And,1
ye masters,3
do6
the same things5
unto7
them,8
forbearing9
threatening:11
knowing12
that13
your16
Master18
also14
is
in20
heaven;21
neither22
is there
respect of persons23
with26
him.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
Voorts, mijn broedersG80, wordt krachtigG1743 inG1722 den HeereG2962, enG2532 inG1722 de sterkteG2904 Zijner machtG2479.
Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.
KJV
Finally,
my
brethren,3
be strong5
in6
the Lord,7
and8
in9
the power11
of his14
might.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
Doet aanG4314 de gehele wapenrustingG3833 GodsG2316, opdat gijG4771 kuntG1410 staanG2476 tegen de listige omleidingenG3180 des duivelsG1228.
Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.
Ook in dit vers
totG4314
KJV
Put on1
the whole armour3
of God,5
that6
ye
may be able8
to stand10
against11
the wiles13
of the devil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
WantG3754 wij hebben den strijdG3823 nietG3756 tegen vleesG4561 enG2532 bloedG129, maarG235 tegen de overhedenG746, tegen de machtenG1849, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternisG4655 dezer eeuwG165, tegen de geestelijkeG4152 booshedenG4189 inG1722 de luchtG2032.
Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
Ook in dit vers
geweldhebbers wereldG2888
totG4314
totG4314
totG4314
totG4314
totG4314
KJV
For1
we
wrestle6
not2
against7
flesh10
and9
blood,8
but11
against12
principalities,14
against15
powers,17
against18
the rulers20
of the darkness22
of this
world,24
against26
spiritual28
wickedness30
in31
high
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
Daarom neemtG353 aan de gehele wapenrustingG3833 GodsG2316, opdatG2443 gij kuntG1410 wederstaanG436 inG1722 den bozenG4190 dagG2250, enG2532 allesG537 verrichtG2716 hebbende, staandeG2476 blijven.
Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
KJV
Wherefore1
take unto you3
the whole armour5
of God,7
that8
ye may be able9
to withstand10
in11
the evil15
day,13
and16
having done18
all,17
to stand.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
14
StaatG2476 danG3767, uw lendenG3751 omgordG4024 hebbende metG1722 de waarheidG225, enG2532 aangedaanG1746 hebbende het borstwapenG2382 der gerechtigheidG1343;
Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;
KJV
Stand1
therefore,2
having3
your
loins5
girt about
with7
truth,8
and9
having on10
the breastplate12
of righteousness;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
15
EnG2532 de voetenG4228 geschoeidG5265 hebbende metG1722 bereidheidG2091 van het EvangelieG2098 des vredesG1515;
En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;
KJV
And1
your feet4
shod2
with5
the preparation6
of the gospel8
of peace;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
16
BovenalG1909 aangenomenG353 hebbende het schildG2375 des geloofsG4102, metG1722 hetwelkG3739 gij alG3956 de vurigeG4448 pijlenG956 des bozenG4190 zult kunnen uitblussenG4570.
Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.
KJV
Above1
all,2
taking3
the shield5
of faith,7
wherewith8
ye shall be able10
to quench18
all11
the fiery17
darts13
of the wicked.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
17
En neemtG1209 den helmG4030 der zaligheidG4992, en het zwaardG3162 des GeestesG4151, hetwelkG3739 isG1510 GodsG2316 WoordG4487.
En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.
KJV
And1
take6
the helmet3
of salvation,5
and7
the sword9
of the Spirit,11
which is
the word14
of God:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
18
Met alleG3956 biddingG4335 enG2532 smekingG1162, biddendeG4336 te allenG3956 tijdG2540 in den GeestG4151, enG2532 totG1519 hetzelveG846 wakendeG69 metG1722 alleG3956 gedurigheidG4343 enG2532 smekingG1162 voor alG3956 de heiligenG40;
Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;
KJV
Praying6
always7
with1
all2
prayer3
and4
supplication5
in10
the Spirit,11
and12
watching16
thereunto13
with17
all8
perseverance19
and20
supplication21
for22
all18
saints;
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
19
EnG2532 voor mij, opdatG2443 mij het WoordG3056 gegevenG1325 worde inG1722 de openingG457 mijns mondsG4750 metG1722 vrijmoedigheidG3954, om de verborgenheidG3466 van het EvangelieG2098 bekendG1107 te maken;
En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;
KJV
And1
for2
me,
that4
utterance7
may be given6
unto me,
that I may open8
my
mouth11
boldly,13
to make known15
the mystery17
of the gospel,
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
20
Waarover ik een gezantG4243 ben inG1722 een ketenG254, opdatG2443 ik inG1722 hetzelveG846 vrijmoediglijk moge sprekenG2980, gelijkG5613 mijG1473 betaamtG1163 te spreken.
Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.
Ook in dit vers
vrijmoediglijk sprekenG3955
KJV
For1
which2
I am an ambassador3
in4
bonds:5
that6
therein7
I may speak boldly,9
as10
I
ought11
to speak.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
21
En opdat ookG2532 gij moogt wetenG1492 hetgeen mij aangaatG2596; en watG5101 ik doe, dat allesG3956 zal uG4771 TychikusG5190, de geliefdeG27 broederG80 en getrouweG4103 dienaarG1249 inG1722 den HeereG2962, bekendG1107 maken;
En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken;
KJV
But2
that1
ye
also4
may know3
my
affairs,7
and how9
I do,10
Tychicus,14
a beloved16
brother17
and18
faithful19
minister20
in21
the Lord,22
shall make known13
to you
all things:
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
22
Denwelken ikG1473 totG4314 datzelfdeG846 eindeG5124 totG1519 u gezondenG3992 heb, opdatG2443 gij onze zakenG4012 zoudt wetenG1097, enG2532 hij uw hartenG2588 zou vertroostenG3870.
Denwelken ik tot datzelfde einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.
KJV
Whom1
I have sent2
unto3
you
for5
the same6
purpose,
that8
ye might know9
our
affairs,11
and13
that he might comfort14
your
hearts.
Een nummer met een stippellijn in de Nederlandse tekst komt uit de concordantie: dat grondwoord staat in deze grondtekst niet als afzonderlijk woord. Meestal is het een andere schrijfwijze van dezelfde naam, een naamvalsvorm die apart geteld wordt, een voorzetsel dat in het Hebreeuws aan het woord vastzit, of een lezing die in een ander handschrift staat. De woordstudie erachter hoort wel degelijk bij dit woord.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
23
VredeG1515 zij den broederenG80, enG2532 liefdeG26 metG3326 geloofG4102, vanG575 GodG2316 den VaderG3962, enG2532 den HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547.
Vrede zij den broederen, en liefde met geloof, van God den Vader, en den Heere Jezus Christus.
KJV
Peace1
be to the brethren,3
and4
love5
with6
faith,7
from8
God9
the Father10
and11
the Lord12
Jesus13
Christ.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Griekse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Griekse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Griekse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Grieks te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
24
De genadeG5485 zij met alG3956 degenen, die onzen HeereG2962 JezusG2424 ChristusG5547 liefhebbenG25 inG1722 onverderfelijkheidG861. AmenG281.
De genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen.
KJV
Grace2
be with3
all4
them that love6
our
Lord8
Jesus10
Christ11
in12
sincerity.13
Amen.
De gemerkte woorden tussen haken zijn het onderschrift bij deze brief. De Textus Receptus zet dat aan het slot van dertien brieven van Paulus en van de Hebreeënbrief: een aantekening van de overlevering over afzender, plaats en bezorger. Het is geen woord van de brief zelf, de oudste handschriften hebben het niet, en de Statenvertaling neemt het in het vers niet op.
in den Heere;
Gelijk hfdst.5:21, in de vreze Gods, dat is, in alles dat tegen den Heere, of Zijn bevel en vrees niet strijdt; zie Luc. 14:26.
Hertaald:
in den Heere;
Zoals in hoofdstuk 5:21: in de vreze van God, dat is: in alles wat niet strijdt tegen de Heere, of tegen Zijn bevel en de vreze voor Hem; zie Luk. 14:26.
met een belofte),
Grieks, in belofte; dat is, met een bijzondere belofte van een lang leven en voorspoed. Want anders heeft het tweede gebod ook een algemene belofte van Gods barmhartigheid over vele duizenden.
Hertaald:
met een belofte),
Grieks: in belofte; dat is: met een bijzondere belofte van een lang leven en voorspoed. Want overigens heeft het tweede gebod ook een algemene belofte van Gods barmhartigheid over vele duizenden.
op de aarde
Hetgeen het vijfde gebod zegt: in het land, dat de Heere u zal geven, ziende op het land Kanaän, dat zegt Paulus in het algemeen op de aarde, omdat de Heere onder het Nieuwe Testament alle landen der ganse aarde nu heeft geheiligd, en Zijn zegen beloofd aan degenen, die Hem gehoorzamen, in welk land zij ook zijn. Want de godzaligheid heeft de beloften des tegenwoordigen en des toekomenden levens, 1 Tim. 4:8.
Hertaald:
op de aarde
Wat het vijfde gebod zegt — in het land dat de HEERE u zal geven, met het oog op het land Kanaän — dat zegt Paulus in het algemeen: op de aarde. Want de Heere heeft onder het Nieuwe Testament nu alle landen van de hele aarde geheiligd en Zijn zegen beloofd aan wie Hem gehoorzamen, in welk land zij ook zijn. Want de godvrezendheid heeft de beloften van het tegenwoordige en van het toekomende leven, 1 Tim. 4:8.
tot toorn,
Dat is, door te grote hardheid tot zulk een toorn, waaruit mismoedigheid zou rijzen, of een weerzin der kinderen tegen de ouders; anders gebiedt God ook somwijlen behoorlijke strengheid te gebruiken tegen de grote gebreken der kinderen. Zie Spr. 13:24, en Spr. 19:18, en Spr. 23:13, enz.
Hertaald:
tot toorn,
Dat is: door te grote hardheid tot zulk een toorn dat er moedeloosheid uit zou voortkomen, of een afkeer van de kinderen tegen de ouders. Overigens gebiedt God ook soms behoorlijke strengheid te gebruiken tegen de grote gebreken van de kinderen. Zie Spr. 13:24 en Spr. 19:18, en Spr. 23:13, enzovoort.
de lering
Of, tuchtiging, gelijk dit woord ook betekent. Zie Hebr. 12:7.
Hertaald:
de lering
Of: tuchtiging, want dit woord betekent dat ook. Zie Hebr. 12:7.
vermaning
Of, onderwijzing, die tot de vreze des Heeren kan leiden, of uit het woord des Heeren is aangenomen.
Hertaald:
vermaning
Of: onderwijzing, die tot de vreze van de Heere kan leiden of die uit het Woord van de Heere genomen is.
naar het vlees,
Dat is, naar het lichaam, of naar den uiterlijken stand des mensen. Want over de conscientie en in het geestelijke is God alleen een Heere.
Hertaald:
naar het vlees,
Dat is: naar het lichaam, of naar de uiterlijke positie van de mens. Want over het geweten en in het geestelijke is God alleen Heere.
met vreze
Dat is, met eerbieding.
Hertaald:
met vreze
Dat is: met eerbied.
en beven,
Dat is, zorgvuldigheid van hen niet te vertoornen. Want een slaafse vrees, die alleen uit bedenking van een bereide straf voortkomt, prijst de apostel in de Christenen niet, gelijk de volgende woorden verklaren. Zie Rom. 13:5.
Hertaald:
en beven,
Dat is: met zorgvuldigheid om hen niet te vertoornen. Want een slaafse vrees, die alleen voortkomt uit de gedachte aan een klaarliggende straf, prijst de apostel in de christenen niet, zoals de volgende woorden verklaren. Zie Rom. 13:5.
gelijk als
Namelijk onzer aller Heere. Zie Ef. 5:22.
Hertaald:
gelijk als
Namelijk de Heere van ons allen. Zie Ef. 5:22.
naar ogendienst,
Dat is, om in de tegenwoordigheid en voor de ogen der heren hen alleen wel te dienen, gelijk sommige dienstknechten plegen, die zij achter hun rug dikmaals bespotten en bestelen.
Hertaald:
naar ogendienst,
Dat is: om alleen in de aanwezigheid en voor de ogen van de heren goed te dienen, zoals sommige dienstknechten plegen te doen, die hun heren achter hun rug dikwijls bespotten en bestelen.
den wil
Namelijk van trouwelijk en oprechtelijk te dienen. Want dat is Gods wil aangaande de dienstknechten. Grieks, doende den wil Gods uit de ziel.
Hertaald:
den wil
Namelijk de wil om trouw en oprecht te dienen. Want dat is Gods wil aangaande de dienstknechten. Grieks: doende de wil van God uit de ziel.
den Heere,
Namelijk Christus Jezus, in dezen uwen dienst, als die dezen u in dit beroep opgelegd heeft. Zie Joh. 14:14.
Hertaald:
den Heere,
Namelijk Christus Jezus, in deze dienst van u, omdat Hij u die in dit beroep opgelegd heeft. Zie Joh. 14:14.
niet de mensen;
Namelijk alleen of voornamelijk.
Hertaald:
niet de mensen;
Namelijk niet alleen of niet in de eerste plaats de mensen.
datzelve van den Heere
Dat is, het loon van datzelve. Hij spreekt hier van loon uit genade, gelijk Paulus daarom dit loon der dienstknechten, die God zal geven dengenen, die getrouwelijk zullen gediend hebben, noemt ene vergelding der erfenis; Kol. 3:24.
Hertaald:
datzelve van den Heere
Dat is: het loon daarvan. Hij spreekt hier over loon uit genade; daarom noemt Paulus dit loon dat God zal geven aan de dienstknechten die trouw gediend hebben een vergelding van de erfenis; Kol. 3:24.
zal ontvangen,
Of, zal behalen, wegdragen; namelijk in het uiterste oordeel. Zie 2 Kor. 5:10.
Hertaald:
zal ontvangen,
Of: zal behalen, wegdragen; namelijk in het laatste oordeel. Zie 2 Kor. 5:10.
doet hetzelfde
Namelijk dat goed is en van den Heere beloond wordt, gelijk hij in het voorgaande vs. van de dienstknechten heeft gesproken. Want hij gebiedt den heren niet hunnen dienstknechten te gehoorzamen of te dienen, maar hen in alle billijkheid en zachtmoedigheid te gebieden en regeren, gelijk de volgende woorden verklaren.
Hertaald:
doet hetzelfde
Namelijk hetzelfde goede dat door de Heere beloond wordt, zoals hij in het voorgaande vers over de dienstknechten gesproken heeft. Want hij gebiedt de heren niet hun dienstknechten te gehoorzamen of te dienen, maar hen met alle billijkheid en zachtmoedigheid te leiden en te besturen, zoals de volgende woorden verklaren.
aanneming
Dat is, de Heere zal den uiterlijken staat des mensen niet aanzien in zijn oordeel, namelijk of iemand heer of knecht, edel of onedel, rijk of arm is, maar of hij Zijne geboden, elk in zijn beroep, heeft gehoorzaamd. Zie Rom. 2:11.
Hertaald:
aanneming
Dat is: de Heere zal in Zijn oordeel niet op de uiterlijke positie van de mens letten, namelijk of iemand heer of knecht, van hoge of van lage afkomst, rijk of arm is, maar of hij Zijn geboden gehoorzaamd heeft, ieder in zijn eigen beroep. Zie Rom. 2:11.
wordt krachtig
Dat is, weest dagelijks meer en meer, door de kracht des Heeren, tegen uwe vijanden versterkt. Waartoe de middelen van vs.13 voorts worden voorgesteld.
Hertaald:
wordt krachtig
Dat is: wordt door de kracht van de Heere dagelijks meer en meer versterkt tegen uw vijanden. Daartoe worden vanaf vers 13 de middelen voorgesteld.
listige
Dat is, bedriegelijke verleidingen. Zie Ef. 4:14.
Hertaald:
listige
Dat is: bedrieglijke verleidingen. Zie Ef. 4:14.
niet tegen
Namelijk alleen, of voornamelijk. Want ook de wereld en ons eigen vlees leveren ons gedurigen strijd; maar onze voornaamste vijand, die ook de wereld en ons vlees daartoe gebruikt, is de Satan. Zie 1 Petr. 5:8.
Hertaald:
niet tegen
Namelijk niet alleen of niet in de eerste plaats. Want ook de wereld en ons eigen vlees leveren ons voortdurend strijd; maar onze belangrijkste vijand, die ook de wereld en ons vlees daarvoor gebruikt, is de satan. Zie 1 Petr. 5:8.
vlees en bloed,
Dat is, zwakke mensen, gelijk wij ook zelf zijn. Zie Matt. 16:17; Gal. 1:16.
Hertaald:
vlees en bloed,
Dat is: zwakke mensen, zoals wij zelf ook zijn. Zie Matth. 16:17; Gal. 1:16.
overheden,
De apostel geeft hier den Satan en zijnen engelen deze titels, niet omdat zij van God tot rechte oversten en regeerders der wereld gesteld zijn, gelijk God den dienst der goede engelen dikwijls gebruikt, Ef. 1:21, en Ef. 3:10, maar omdat zij hunne macht, die de goede engelen van God hebben, en dezen door hunnen val verloren hebben, nochtans als tyrannen met list en geweld over de verdorven en boze wereld nog gebruiken; en dat door een rechtvaardig oordeel Gods hun hetzelve, tot straf der kwaden en een oefening der goeden, voor enen tijd wordt toegelaten. Zie 2 Kor. 4:4; 2 Thess. 2:9-10. Zie ook de aantekeningen Ef. 2:2.
Hertaald:
overheden,
De apostel geeft deze titels hier aan de satan en zijn engelen, niet omdat zij door God tot werkelijke oversten en bestuurders van de wereld gesteld zijn — zoals God de dienst van de goede engelen dikwijls gebruikt, Ef. 1:21 en Ef. 3:10 — maar omdat zij de macht die de goede engelen van God hebben en die zij door hun val verloren hebben, toch nog als tirannen met list en geweld over de verdorven en boze wereld uitoefenen. En dat wordt hun door een rechtvaardig oordeel van God voor een tijd toegelaten, tot straf van de kwaden en tot oefening van de goeden. Zie 2 Kor. 4:4; 2 Thess. 2:9-10. Zie ook de aantekeningen bij Ef. 2:2.
der duisternis
Zo wordt het rijk des Satans genaamd, omdat hij door onkennis of onwetendheid van God en Zijn woord de mensen tot allerlei zonden en boosheden brengt. Zie Hand. 26:18; Kol. 1:13.
Hertaald:
der duisternis
Zo wordt het rijk van de satan genoemd, omdat hij de mensen door onkunde of onwetendheid over God en Zijn Woord tot allerlei zonden en boosheden brengt. Zie Hand. 26:18; Kol. 1:13.
de geestelijke boosheden
Grieks, de geestelijke der boosheid; dat is, geesten, die tot alle boosheid zijn genegen, en de mensen daartoe ook zoeken te brengen.
Hertaald:
de geestelijke boosheden
Grieks: de geestelijke van de boosheid; dat is: geesten die tot alle boosheid neigen en die de mensen daar ook toe proberen te brengen.
in de lucht
Grieks, in de hemelse, of, overhemelse plaatsen; en wordt dit woord hier anders verstaan dan in de andere plaatsen van dezen brief, omdat de lucht somwijlen hemel wordt genaamd, Lev. 26:19; Matt. 6:26, en de apostel noemt hier voor, hfdst. 2:2, den Satan uitdrukkelijk den overste der macht van de lucht; want dat de Satan gene plaats noch macht meer heeft in den rechten hemel, blijkt uit 2 Petr. 2:4; Jud. 1:6; Openb. 12:8, enz.
Hertaald:
in de lucht
Grieks: in de hemelse, of bovenhemelse plaatsen. Dit woord wordt hier anders opgevat dan op de andere plaatsen van deze brief, omdat de lucht soms hemel genoemd wordt, Lev. 26:19; Matth. 6:26, en omdat de apostel hiervoor, in hoofdstuk 2:2, de satan uitdrukkelijk de overste van de macht van de lucht noemt. Dat de satan in de eigenlijke hemel geen plaats en geen macht meer heeft, blijkt uit 2 Petr. 2:4; Judas 1:6; Openb. 12:8, enzovoort.
de gehele
Of, de gehele wapening; namelijk waarmede ons God in Zijn woord wapent tegen alle aanvallen des Satans.
Hertaald:
de gehele
Of: de hele wapenrusting; namelijk waarmee God ons in Zijn Woord wapent tegen alle aanvallen van de satan.
den bozen dag,
Dat is, de tijd der verzoeking, gelijk Christus spreekt Luc. 8:13; want hoewel wij altijd op onze hoede moeten zijn, zijn er nochtans enige tijden en gelegenheden, in welke ons de Satan allermeest zoekt te bestrijden, om ons tot den val te brengen.
Hertaald:
den bozen dag,
Dat is: de tijd van de verzoeking, zoals Christus spreekt in Luk. 8:13. Want hoewel wij altijd op onze hoede moeten zijn, zijn er toch bepaalde tijden en omstandigheden waarin de satan ons het meest probeert te bestrijden om ons tot een val te brengen.
verricht hebbende,
Of, uitgewrocht hebbende; namelijk hetgeen ons in dezen strijd te doen staat tot overwinning dezer vijanden, hetwelk daarna wordt beschreven.
Hertaald:
verricht hebbende,
Of: uitgewerkt hebbende; namelijk wat ons in deze strijd te doen staat om deze vijanden te overwinnen, wat daarna beschreven wordt.
Staat dan,
Namelijk als goede krijgslieden, wakker, en elk in zijne orde, zonder in het minste toe te geven, of te wijken. Zie 1 Petr. 5:9.
Hertaald:
Staat dan,
Namelijk als goede soldaten, waakzaam en ieder in zijn eigen gelid, zonder ook maar iets toe te geven of te wijken. Zie 1 Petr. 5:9.
omgord hebbende
De krijgsgordels waren eertijds breed en sterk, van sterke stof gemaakt, en met ijzeren of koperen plaatjes beslagen, waardoor de zwakste partijen des lichaams, dat is, de lenden en opperbuik werden gegord, gestijfd, en beschermd.
Hertaald:
omgord hebbende
De krijgsgordels waren vroeger breed en sterk, van stevig materiaal gemaakt en met ijzeren of koperen plaatjes beslagen. Daarmee werden de zwakste delen van het lichaam, de lenden en de bovenbuik, omgord, gesteund en beschermd.
de waarheid,
Sommigen verstaan hierdoor oprechtheid gesteld tegen geveinsdheid; anderen, de waarheid der leer, gesteld tegen alle dwalingen en ketterijen. Zie 1 Tim. 1:18-19.
Hertaald:
de waarheid,
Sommigen verstaan hieronder oprechtheid, tegenover geveinsdheid; anderen de waarheid van de leer, tegenover alle dwalingen en ketterijen. Zie 1 Tim. 1:18-19.
der gerechtigheid;
Dat is, godzaligheid des levens, en een goede conscientie, gelijk Paulus tot Timotheüs ook spreekt in de aangehaalde plaats.
Hertaald:
der gerechtigheid;
Dat is: godvrezendheid van het leven en een goed geweten, zoals Paulus ook tot Timotheüs spreekt op de aangehaalde plaats.
de voeten geschoeid
Waardoor ook de schenen, of benen tot de knieën toe worden verstaan, die de ouden in den krijg tezamen met laarsjes en scheendekselen wapenden, niet alleen tegen de ongemakken des weders, maar ook om een pijl of slag te wederstaan.
Hertaald:
de voeten geschoeid
Daaronder worden ook de schenen of benen tot de knieën toe verstaan; die wapenden de ouden in de strijd met laarzen en scheenplaten, niet alleen tegen het ongemak van het weer, maar ook om een pijl of een slag te weerstaan.
bereidheid
Dat is, met altijd bereid te zijn om het geloof te belijden en rekenschap te geven van de hope die in u is, Rom. 10:10; 1 Petr. 3:15, want de schaamachtigen, of vreesachtigen in dit stuk, pleegt de satan lichtelijk tot zware zonden te brengen.
Hertaald:
bereidheid
Dat is: door altijd bereid te zijn het geloof te belijden en rekenschap te geven van de hoop die in u is, Rom. 10:10; 1 Petr. 3:15. Want wie hierin beschaamd of angstig is, brengt de satan gemakkelijk tot zware zonden.
des vredes;
Dat is, waardoor ons de vrede met God wordt verkondigd; Rom. 10:15.
Hertaald:
des vredes;
Dat is: het Evangelie waardoor ons de vrede met God verkondigd wordt; Rom. 10:15.
het schild
Dat is, van het ware vertrouwen op God door Christus. Want hierdoor worden al de onvolmaaktheden der voorgaande wapenen gedekt, en wij tegen alle aanvallen des satans beschermd; Ps. 91:1, enz.; 1 Petr. 5:9, enz.
Hertaald:
het schild
Dat is: het schild van het ware vertrouwen op God door Christus. Want daardoor worden alle onvolkomenheden van de voorgaande wapens bedekt en worden wij tegen alle aanvallen van de satan beschermd; Ps. 91:1, enzovoort; 1 Petr. 5:9, enzovoort.
de vurige
Sommigen verstaan dit van venijnige pijlen, die door hun venijn het lichaam en de kwetsuur ontsteken als met een brand, gelijk er eertijds in den krijg vele plachten gebruikt te worden; andere van pijlen, die met de punten in het vuur gelegd werden, om te harder te zijn en meer te schaden; of ook om den brand ergens in te schieten. Dit alles komt met de natuur van de verzoekingen des satans overeen, die als een venijn en vuur de ziel kwetsen en doordringen, zo zij niet intijds gestuit en geblust worden.
Hertaald:
de vurige
Sommigen verstaan dit van giftige pijlen, die door hun gif het lichaam en de wond doen ontsteken als met een brand, zoals er vroeger in de strijd veel gebruikt werden; anderen van pijlen waarvan de punten in het vuur gelegd werden om harder te zijn en meer schade te doen, of ook om ergens brand in te schieten. Dat alles komt overeen met de aard van de verzoekingen van de satan, die als gif en vuur de ziel kwetsen en doordringen als zij niet op tijd gestuit en gedoofd worden.
uitblussen
Dat is, niet alleen af te weren, maar ook al hun venijnige kracht van beschadigen te benemen.
Hertaald:
uitblussen
Dat is: ze niet alleen afweren, maar ook hun hele giftige vermogen om schade te doen wegnemen.
der zaligheid,
Dat is, van de hoop der zaligheid, gelijk Paulus daarbij voegt, 1 Thess. 5:8, waardoor wij bewogen worden om alle vergankelijke dingen te verachten; Rom. 8:18, Rom. 8:24.
Hertaald:
der zaligheid,
Dat is: van de hoop op de zaligheid, zoals Paulus daaraan toevoegt in 1 Thess. 5:8. Daardoor worden wij bewogen alle vergankelijke dingen gering te achten; Rom. 8:18, Rom. 8:24.
des Geestes,
Dat is, des Heiligen Geestes, hetwelk Hij ons gelijk als in de hand geeft, om den Satan op alle voorgestelde verzoekingen te wederstaan. Zie Hebr. 4:12, en het exempel van Christus tegen den Satan; Matt. 4:1, enz.
Hertaald:
des Geestes,
Dat is: het zwaard van de Heilige Geest, dat Hij ons als het ware in de hand geeft om de satan bij elke verzoeking die hij voorlegt te weerstaan. Zie Hebr. 4:12, en het voorbeeld van Christus tegenover de satan; Matth. 4:1, enzovoort.
bidding
Sommigen onderscheiden dit alzo, dat door het woord bidding verstaan wordt een afbidden van het kwaad, of der verzoeking; en door het woord smeking verstaan wordt een ernstig gebed om Gods hulp en genade, ten einde, zo het God immers belieft ons daarin te laten vallen, wij in de verzoeking kunnen bestaan, en een goede uitkomst mogen verkrijgen, 1 Kor. 10:13. Zie van dit onderscheid ook 1 Tim. 2:1.
Hertaald:
bidding
Sommigen onderscheiden dit zo, dat met het woord bidden een afbidden van het kwaad of van de verzoeking bedoeld wordt, en met het woord smeken een ernstig gebed om Gods hulp en genade. Dat laatste is bedoeld opdat wij, als het God toch behaagt ons daarin te laten vallen, in de verzoeking staande kunnen blijven en een goede uitkomst mogen krijgen, 1 Kor. 10:13. Zie over dit onderscheid ook 1 Tim. 2:1.
in den Geest,
Dat is, met ernst en van harte, gelijk Joh. 4:24. Of, door den Geest, dat is, de Heilige Geest; Rom. 8:26-27.
Hertaald:
in den Geest,
Dat is: met ernst en van harte, zoals in Joh. 4:24. Of: door de Geest, dat is: door de Heilige Geest; Rom. 8:26-27.
voor al de heiligen;
Dat is, gelovigen, die in deze wereld ook in dergelijken strijd zijn.
Hertaald:
voor al de heiligen;
Dat is: voor de gelovigen, die in deze wereld ook in dezelfde strijd staan.
het Woord
Dat is, de bekwaamheid om het Woord Gods te spreken met standvastigheid en vrijmoedigheid; een Hebreeuwse wijze van spreken, gelijk het volgende vs. verklaart.
Hertaald:
het Woord
Dat is: het vermogen om het Woord van God met standvastigheid en vrijmoedigheid te spreken. Dit is een Hebreeuwse manier van spreken, zoals het volgende vers verklaart.
een gezant ben
Namelijk van Gods en Christus' wege. Zie 2 Kor. 5:19, enz.
Hertaald:
een gezant ben
Namelijk een gezant van God en van Christus. Zie 2 Kor. 5:19, enzovoort.
in een keten,
Van deze wijze van gevangenis, zie de aantekeningen op Hand. 28:16.
Hertaald:
in een keten,
Over deze manier van gevangenschap, zie de aantekeningen bij Hand. 28:16.
hetgeen mij
Of, mijne zaken, dat is, hoe mijne zaken hier te Rome in mijne gevangenis staan, hetwelk Lukas, Hand. 28, in het kort verhaalt van Hand. 28:16 tot Hand. 28:31.
Hertaald:
hetgeen mij
Of: mijn zaken, dat is: hoe mijn zaken hier in Rome in mijn gevangenschap staan; Lukas vertelt dat in het kort in Hand. 28, van Hand. 28:16 tot Hand. 28:31.
Tychicus,
Deze Tychicus heeft Paulus overal vergezelschapt in zijne reizen door Azië, gelijk te zien is Hand. 20:4, en heeft hem in zijne gevangenis te Rome niet verlaten, welken Paulus ook heeft gebruikt om naar Efeze en andere kerken in Azië te zenden, tot versterking derzelve. Zie van hem ook Kol. 4:7; Tit. 3:12.
Hertaald:
Tychicus,
Deze Tychikus heeft Paulus overal begeleid op zijn reizen door Azië, zoals te zien is in Hand. 20:4, en hij heeft hem in zijn gevangenschap in Rome niet verlaten. Paulus heeft hem ook gebruikt om naar Efeze en andere gemeenten in Azië te zenden, tot versterking daarvan. Zie over hem ook Kol. 4:7; Tit. 3:12.
uw harten
Namelijk niet alleen door andere redenen uit Gods Woord als een dienaar van Christus, maar ook door het bericht, dat hij u doen zal van de vrijheid, die mij in mijne banden van den keizer wordt gegeven.
Hertaald:
uw harten
Namelijk niet alleen door andere woorden uit Gods Woord, als een dienaar van Christus, maar ook door het bericht dat hij u zal geven over de vrijheid die mij in mijn boeien door de keizer gegeven wordt.
Vrede zij den
Hierdoor wordt, naar de wijze van spreken der Hebreën, allerlei gelukzaligheid naar ziel en lichaam verstaan.
Hertaald:
Vrede zij den
Hiermee wordt, naar de manier van spreken van de Hebreeën, allerlei welzijn naar ziel en lichaam bedoeld.
liefde met geloof,
Dat is, toestemming of vermeerdering in de liefde met geloof. Want hij schrijft tot degenen, die alrede geloofden, Ef. 1:1.
Hertaald:
liefde met geloof,
Dat is: instemming met of vermeerdering van de liefde met geloof. Want hij schrijft aan mensen die al geloofden, Ef. 1:1.
in onverderfelijkheid
Dat is, tot verkrijging van de onverderfelijkheid en onverwelkelijke erve in den hemel, gelijk Petrus spreekt 1 Petr. 1:4. Anderen verstaan door dit woord onverderfelijkheid de oprechtheid der liefde, waarvan hij hier spreekt.
Hertaald:
in onverderfelijkheid
Dat is: tot het verkrijgen van de onverderfelijke en onvergankelijke erfenis in de hemel, zoals Petrus spreekt in 1 Petr. 1:4. Anderen verstaan onder dit woord onverderfelijkheid de oprechtheid van de liefde waarover hij hier spreekt. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas Paulus roept op: "wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels" (Ef. 6:10-11). Daarna volgt de precisering van de vijand: "wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht" (Ef. 6:12). Dan volgt stuk voor stuk de wapenrusting. Het zijn de lenden omgord met de waarheid, het borstwapen der gerechtigheid en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie des vredes. Daarbij komen het schild des geloofs, waarmee de vurige pijlen van de boze uitgeblust worden, de helm der zaligheid en het zwaard des Geestes, "hetwelk is Gods Woord" (Ef. 6:14-17). Het geheel wordt besloten met het gebed: "met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest" (Ef. 6:18). Bijbelse betekenis: Op één wapen na (het zwaard) is de gehele wapenrusting verdedigend van aard. De gelovige neemt geen aanvalspositie in eigen kracht, maar staat, bekleed met wat Christus hem gegeven heeft: Zijn waarheid, Zijn gerechtigheid, Zijn vrede, het geloof, de zaligheid en Zijn eigen Woord. De strijd is dus wezenlijk geestelijk, niet tegen mensen, en de overwinning ligt in het standhouden, niet in eigen offensief. Typologie: Petrus tekent dezelfde vijand met een ander beeld: "uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden" (1 Petr. 5:8), met dezelfde oproep tot waakzaamheid. Ef. 6:10-18; 1 Petr. 5:8 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Neem bovenal het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen. Efeze 6:16 Geloof is een bijzondere genade, een gave… Neem bovenal het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen. (Efeze 6:16) Lees verder 1 Petrus 5:8-11. Het is… En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het evangelie van de vrede. Ef. 6:15 Christenen moeten standvastig en werkzaam zijn. Zij moeten zich bewegen, voortschrijden, opklimmen en daarom… En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. (Job 42:10) Lees verder 1 Samuel 12:19—25. Hoe bewijs je je… Neemt het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Efeze 6:17 We moeten er niet op hopen dat we de overwinning behalen door neutraal te blijven of door… Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; Efeziers 6:18 Sommigen… Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Morgen" …terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent… Efeze 6 vers… Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des… Neemt het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Efeze 6:17 Een christen behoort een strijder te zijn. De goede strijder van Jezus Christus moet niet verwachten dat… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Efeze 6
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Α
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Verdiepende artikelen
Geloof
Het schild van het geloof
Ef. 6:15 - Hemels schoeisel
Bid voor anderen
Neem uw zwaard op
Het gebedsleven
Wees een getuige van de waarheid
Bidt in de Geest
Geoefend en getraind voor de strijd
Strijden met het Woord van God


Efeze 6
Efeze 6:1
KruisverwijzingenSpreuken 6:20→Spreuken 23:22→Kolossenzen 3:20→Spreuken 1:8→1 Timotheüs 5:4→Kolossenzen 3:16→Efeze 6:5→Leviticus 19:3→— Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.
Passend van nature, en welbehagelijk in Gods oog.
Efeze 6:2-4
KruisverwijzingenKolossenzen 3:21→Spreuken 19:18→Spreuken 22:6→Deuteronomium 6:7→Genesis 18:19→Spreuken 29:15→Exodus 20:12→Spreuken 23:13→— Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte), Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde. En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
Deze plichten zijn als vogels met twee vleugels, of als een weegschaal, in balans aan beide zijden. Er is de plicht van het kind, maar er is ook de plicht van de ouder.
Efeze 6:5-9
KruisverwijzingenKolossenzen 3:22→Efeze 5:22→1 Thessalonicenzen 2:4→Handelingen 10:34→1 Petrus 2:18→Galaten 1:10→Kolossenzen 3:11→Kolossenzen 3:24→— Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen; Wetende, dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije. En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is.
Wij horen wel het een en ander over de plichten van dienstknechten. Laten wij ook eens iets horen over de plichten van heren en meesteressen: “en gij heren, doet hetzelfde bij hen.” Let daar op. Zeer mooi gebalanceerd is heel het stelsel van de zedelijkheid van het Evangelie. Er wordt geen onbehoorlijk voordeel gegeven aan het feit dat wij in Christus aan elkaar gelijk gemaakt zijn, alsof de dienstknecht minder gehoorzaam zou moeten zijn aan zijn heer, of het kind aan zijn ouder. Evenmin wordt er onbehoorlijke macht gegeven aan hen die gezag hebben. Maar de genade van God leert allen aan allen te doen zoals wij zouden willen dat aan ons gedaan werd.
Efeze 6:10
KruisverwijzingenEfeze 1:19→1 Korinthe 16:13→Filippenzen 4:13→1 Petrus 5:10→Efeze 3:16→Deuteronomium 20:3→Hagai 2:4→Kolossenzen 1:11→— Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.
U kunt niet goed doen als u niet sterk bent. Hebt u niet de ruggengraat van beginselen? Hebt u niet geestelijke spieren en pezen door de inwoning van de Heilige Geest in u? Dan kunt u niet volhouden te doen wat recht is. Alles hangt daarvan af. Moet u werken, of wachten, of waken, of lijden, u hebt sterk te zijn nodig. Bent u zelf niet sterk, dan zal de wapenrusting die u draagt zelf een last voor u zijn.
Efeze 6:11
Kruisverwijzingen2 Korinthe 10:4→Romeinen 13:12→1 Petrus 5:8→Efeze 6:13→1 Thessalonicenzen 5:8→Efeze 4:14→2 Thessalonicenzen 2:9→Kolossenzen 3:10→— Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.
Eerst sterk zijn, en dan pas het harnas aandoen. Het heeft geen nut een zwakke man een harnas aan te doen. Dan wordt het, zoals Jakobus het noemde, een voortreffelijke uitvinding: de drager ervan zou geen kwaad overkomen, en zeker ook geen kwaad doen, want hij zou zich er niet in kunnen bewegen. U moet dus eerst sterk zijn, en dan niet op uw eigen kracht vertrouwen, maar de wapenrusting aandoen die hier beschreven wordt. De wapenrusting van God zal u niet baten, tenzij u zelf sterk bent. Er is een sterke man voor nodig om gordel, borstwapen, schoenen, schild, helm en zwaard te dragen. Laat mij u dit inprenten: wij moeten eerst innerlijk sterk worden, en daarna de gehele wapenrusting Gods aandoen. Dat is die wapenrusting die God verschaft heeft voor de goede soldaten van Jezus Christus, die wapenrusting die mannen onderscheidt als behorend tot het leger van God. Doe niet enkel een deel ervan aan, maar de gehele wapenrusting. Bekijk de wapenrusting niet slechts en poets haar op om haar glanzend te houden. Doe haar aan, draag haar; zij is bedoeld om door u gebruikt te worden in de grote strijd van het recht tegen het onrecht.
Efeze 6:12
KruisverwijzingenKolossenzen 1:13→Efeze 2:2→Kolossenzen 2:15→1 Korinthe 9:25→Romeinen 8:38→2 Korinthe 4:4→Hebreeën 12:1→Efeze 1:21→— Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
Onze grote strijd is niet tegen onze medemensen. Als christenen trekken wij niet uit, gewapend met zwaard en schild, om te strijden tegen vlees en bloed. Onze strijd is tegen het kwaad, waar het ook te vinden is, tegen het kwaad in iedere vorm en gedaante. Er is vandaag evenveel kwaad in de wereld als in Paulus’ tijd, en wij moeten er overal tegen strijden. Wij mogen er onze ogen niet voor sluiten, of trachten er een compromis mee te sluiten. Christenen zijn verplicht te strijden tegen boze overheden, boze machten, de boze geweldhebbers van de duisternis van deze wereld, en boze geesten in de hoge plaatsen.
Efeze 6:13
KruisverwijzingenEfeze 5:16→Efeze 6:11→2 Korinthe 10:4→Prediker 12:1→Openbaring 3:10→Kolossenzen 4:12→Lukas 21:36→Amos 6:3→— Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.
Wat een nadruk legt de apostel op dit punt! Hij herhaalt het gebod dat hij zojuist gegeven had, en benadrukt opnieuw dat het “de gehele wapenrusting Gods” is die gedragen moet worden. Er zijn belijders die slechts ten dele gehoorzamen aan dit voorschrift. Maar het heeft geen nut een deel van de christelijke wapenrusting te dragen en de rest van de ziel onbewapend te laten. Een klein lek zal een schip doen zinken, en het ontbreken van één stuk van de wapenrusting Gods kan een mens zijn ziel kosten. Dat is wat wij te doen hebben: onze plaats en onze positie als christenen te behouden, recht tot het einde toe. Voor een tijd schijnbaar rein en heilig te zijn, heeft geen enkel nut. Tijdelijke belijders zullen eeuwig verderf vinden, maar wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Wij zijn ons hele leven in Gods leger; wij kunnen deze strijd nooit verlaten totdat God ons thuis roept.
Efeze 6:14
KruisverwijzingenJesaja 59:17→Lukas 12:35→1 Petrus 1:13→1 Thessalonicenzen 5:8→Jesaja 11:5→2 Korinthe 6:7→Efeze 5:9→Openbaring 9:9→— Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;
Laat deze gordel van de eeuwige waarheid van God u opgorden. Laat zij al de rest van uw wapenrusting straktrekken. Niets zal uw klederen zo strak houden en op hun plaats bewaren als een gordel van oprechtheid en waarachtigheid. Zijn wij niet oprecht, wat wij verder ook zijn, dan zijn wij maar los gekleed. Wij zullen in moeilijkheden komen. Laat uw hart bewaakt worden door de wetenschap dat u recht staat met God, dat u liefhebt wat heilig en waarachtig is. Doe de gerechtigheid van Christus Zelf aan als de best mogelijke bescherming voor uw hart.
Efeze 6:15
KruisverwijzingenJesaja 52:7→Romeinen 10:15→2 Korinthe 5:18→Lukas 15:22→— En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;
Vrede in uw eigen hart, vrede met God, vrede met de mens. Vredigheid en vrede. Geen schoenen zoals deze. Een mens met een blij hart legt menige mijl af eronder, maar een zwaar hart is een trage reiziger. Ruwe wegen worden glad wanneer deze gezegende evangeliesandalen aan uw voeten zijn. Een klein steentje in de schoen maakt de reis van de pelgrim heel vermoeiend en pijnlijk. Tracht dus alle steentjes buiten te houden, alles waarover u enige twijfel hebt, of waarvan u denkt dat het verkeerd kan zijn. Wandel in de veilige en smalle weg die in het Evangelie van de vrede is uiteengezet.
Efeze 6:16
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:8→1 Johannes 5:4→Genesis 15:1→Psalmen 56:3→Psalmen 56:10→2 Korinthe 4:16→Spreuken 18:10→2 Korinthe 1:24→— Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.
Boven alles, alles bedekkend van hoofd tot voet, want u hebt dit schild nodig om zowel uw wapenrusting als uzelf te beschermen. Niet alleen de vurige pijlen van de boze, maar ook die van boze mannen en boze vrouwen. Zij mogen u van verre brandende pijlen toewerpen, die zouden branden zowel als doorboren als u er niet goed tegen beschermd was. Niets kan deze vurige pijlen blussen dan het schild van het geloof.
Efeze 6:17
KruisverwijzingenHebreeën 4:12→Jesaja 59:17→1 Thessalonicenzen 5:8→Jesaja 49:2→Openbaring 19:15→Mattheüs 4:10→Openbaring 12:11→Hosea 6:5→— En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.
U droeg vroeger de helm van hoogmoed met zijn fraaie wuivende pluimen, maar die hebt u allang afgelegd. Doe nu “den helm der zaligheid” aan. Dit zal uw hoofd doeltreffend beschermen, en geen zwaard zal erdoorheen kunnen klieven om u te verwonden. Uw verstand en alles wat verbonden is met uw geestelijke vermogens, zal in orde zijn. Dat geldt wanneer u weet dat u behouden bent, en wanneer de kracht van Gods zaligheid in u werkt. Er is geen zwaard zoals dit. Het dringt door tot de verdeling van ziel en geest, en van de samenvoegingen en het merg, en is een beoordelaar van de gedachten en overleggingen van het hart. Niets kan het Woord van God weerstaan, wordt het maar op de juiste wijze gehanteerd.
Efeze 6:18
Kruisverwijzingen1 Thessalonicenzen 5:17→Kolossenzen 4:2→Filippenzen 4:6→1 Timotheüs 2:1→Judas 1:20→Efeze 1:16→Markus 13:33→Lukas 21:36→— Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;
Kunt u uw zwaard niet gebruiken, en kunt u zelfs uw schild nauwelijks vasthouden, dan kunt u nog bidden. Dat wapen van ‘alle gebed’ is van de handigste soort, omdat het in elke richting gewend kan worden. Er zijn kreunende gebeden, wenende gebeden, gebeden die uit één enkel woord bestaan, gebeden zonder woorden, gebeden voor anderen, gebeden van belijdenis, gebeden van dankzegging. Maar helpt het gebed voor anderen ons ook? Ja, zeer zeker. U zult soms merken dat het, wanneer u niet voor uzelf kunt bidden, een goed plan is voor iemand anders te bidden. Denk aan een kind van God, en bid voor hem, en dan zal het vuur van de smeking spoedig in uw hart opvlammen.
Efeze 6:19-20
KruisverwijzingenHandelingen 4:29→2 Korinthe 5:20→2 Korinthe 3:12→2 Thessalonicenzen 3:1→Kolossenzen 4:3→1 Thessalonicenzen 5:25→Handelingen 28:20→Hebreeën 13:18→— En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken; Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.
Een gezant in boeien! Zoiets werd nooit vernomen aan aardse hoven. Wij denken er nooit aan een gezant te ketenen, maar zo behandelde men deze grote boodschapper van het hof van de hemel.
Efeze 6:20-22
KruisverwijzingenHandelingen 20:4→2 Timotheüs 4:12→2 Korinthe 5:20→Handelingen 28:20→Titus 3:12→Efeze 3:1→Filemon 1:10→Filippenzen 1:7→— Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken. En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken; Denwelken ik tot datzelfde einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.
Het is goed voor christenmensen te weten hoe het hun geestelijke leidslieden vergaat. Paulus wilde dat de heiligen te Efeze zouden weten in wat een gemoedstoestand hij zich bevond, opdat zij met meer begrip voor hem zouden kunnen bidden.
Efeze 6:23-24
Kruisverwijzingen1 Petrus 5:14→Galaten 6:16→Galaten 5:6→Mattheüs 22:37→1 Timotheüs 1:3→1 Thessalonicenzen 5:8→Psalmen 122:6→2 Thessalonicenzen 1:3→— Vrede zij den broederen, en liefde met geloof, van God den Vader, en den Heere Jezus Christus. De genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen.
Ik ben er zeker van dat wij die zegenbede van harte kunnen herhalen. Moge de Heere veel van Zijn genade zenden aan al Zijn volk, in elk deel van de aarde, dat Hem in oprechtheid liefheeft! Amen.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Kinderen, wees uw ouderen gehoorzaam in de Heere, overeenkomstig de betrekking als eigendom, waarin u ook tot Christus staat (Hoofdstuk 4: 1, 17. Kol. 3: 20); want dat is recht, dat is uw plicht (Fil. 1: 7. 2 Thess. 1: 6).
Het naast aan de betrekking van man en vrouw staat die van ouders en kinderen. Als nu de apostel in een brief, die bestemd was om in de vergadering van de gemeente te worden voorgelezen, ook de kinderen aanspreekt, dan vooronderstelt hij in elk geval dat ook kinderen bij het lezen van zijn brief tegenwoordig zijn, anders zou hij alleen zeggen wat de kinderen moest worden ingeprent. Die kinderen nu, wier tegenwoordigheid hij veronderstelt, behandelt hij als behorend tot de gemeente, die de geopenbaarde wet kennen en die weten wat het is, dat zij hun ouders gehoorzaam moeten zijn in de Heere. Een Christelijke gehoorzaamheid nu kan de apostel alleen van zodanige verlangen, waarvan hij veronderstelt, dat zij Christenen zijn en als Christenen willen leven. Iets van hen te eisen op grond daarvan, dat hun ouders Christenen waren, zou tevergeefs zijn geweest. Waren er nu zulke kinderen, in welk opzicht zonden zij verschillen van de gedoopte volwassenen, dat men hen daarom ongedoopt zou laten? En waarop zou men kunnen willen wachten, voor men ze doopte? Er zou dus daaruit, dat de apostel ook tot de kinderen en dat hij zo tot hen spreekt, zeker iets kunnen worden afgeleid (vgl. bij Hand. 21: 6 en 1 Kor. 7: 14 voor het gebruik van de kinderdoop.
Ook het “vermaning van de Heere” in vs. 4 dringt ertoe de kinderdoop voor apostolische regel te houden; de veronderstelling voor de verhouding van de kinderen tot de ouders en van de ouders tot de kinderen is beider betrekking tot Christus.
Vaak vraagt men, waarmee men de kinderen moet aanmoedigen en tot hun plicht brengen en in het algemeen denkt men dat de eerzucht en het opwekken daarvan het krachtigste middel zou zijn; maar die volgens Gods Woord hun waarheidsgevoel treft met een “dat is recht”, hij gaat veel veiliger. Er is bij kinderen vaak een veel reiner gevoel dan wij vermoeden; wij bederven het echter vaak door zo vele ijdele beweegredenen.
a) Eert uw vader en moeder. Zo staat er geschreven in Ex. 20: 12 en Deut. 5: 16 en dat woord is u ten volle bekend (Mark. 10: 19): hetwelk het eerste gebod is van de tweede tafel van de wet, die het leven van de mensen onderling regelt en ons is voorgehouden met een belofte, die op de algemeen menselijke omstandigheden toegepast, aldus luidt:
Deut. 27: 16 MATTHEUS. 15: 4 Mark. 7: 10
Opdat het u welga en dat u lang leeft op de aarde (Sir. 3: 1).
God zegt niet: “U moet uw vader en moeder liefhebben”, maar: “u moet ze eren; ” want de eer strekt zich verder uit en is iets groter dan liefde. Liefde wordt gevoeld jegens hen, die onze gelijken zijn, maar de eer wordt bewezen van een, die hoger is en sluit een vrees in, dat men niet beledigt die wij eren. Men onderwerpt zich ook onder zo een niet als onder een meester om de straf, maar zo dat men liefheeft, die men eert. Daarom heeft God een vader en een moeder lief, want de eer komt voor God alleen toe, Hij deelt die echter met vader en moeder. Volgens de drie eerste geboden wordt God geëerd als in Hemzelf, maar in dit gebod wordt Hij geëerd in anderen, namelijk in Zijn regenten en stadhouders; want vader en moeder zijn een werkplaats, altaar en genadetroon van God. Maar hoe zegt Paulus, dat het vijfde gebod het eerste is, dat een belofte van God heeft? Antwoord: Paulus haalt gewoonlijk de geboden van de tweede en niet van de eerste tafel aan (Rom. 13: 9), zoals ook Christus (MATTHEUS. 19: 17 vv.). Hij spreekt tot Christenen, die voldoende onderwezen zijn in het geloof en in hetgeen God aangaat en nu niets anders nodig hebben, dan dat zij zich jegens hun naasten gedragen, zoals God met hen heeft gehandeld en dan is het vijfde gebod zeker het eerste. En evenals nu het eerste gebod met het tweede een belofte heeft (Deut. 5: 10), zo heeft ook dat vijfde voor de andere geboden van de tweede tafel zijn belofte voor hen, die het houden, namelijk dat zij lang zullen leven.
In de aanspraak van het “Onze Vader” grijpen wij de Heere, onze God aan, die in het eerste gebod Zichzelf als het hoogste goed aan ons voorstelt (met de bijvoeging, “die in de hemelen bent” bewijzen wij, dat wij Gods grootheid in het tweede gebod voorgesteld, erkennen). In de bede, dat Zijn naam wordt geheiligd, strekken wij onze begeerten uit naar het hemelse goed van het derde gebod. In de bede “dat Gods koninkrijk kome”, strekken wij ons verlangen naar de hemelse zegen van het vierde gebod uit. Met de bede, dat Gods wil geschiede, komen wij vooral met het vijfde gebod in aanraking, want waar dit gebod de wandel van de heilige bestuurt als in de Heere, daar wordt werkelijk Gods goede en genadige wil volbracht en dat alles geschiedt in gehoorzaamheid aan de overige geboden, vloeit daaruit voort tot grote zegen. Huis en familie in het vijfde gebod vervat, zijn de ware bronnen van alle goddelijke weldaden, de tuinen van de hemel op aarde. En nu is het vijfde een eerste gebod ook in die zin, dat het als eerste van alle tot de kinderen en onmondigen komt. Zelfs de vier eerste, die op de dienst van God betrekking hebben, de geboden van de eerste tafel komen volgens de regeling van God (vgl. vs. 4) pas ingewikkeld voor in het vijfde gebod aan de kindertjes, die van hun ouders het Abba leren stamelen.
De apostel geeft de woorden van de belofte, die bij het gebod gevonden wordt, weer. Hij doet dit met wegneming van het particularistische doelen op het land Kanaän en keert de zegen van de belofte ook tot de heidenen.
Ook dan wordt de belofte vervuld, als het welgaan van geheel anderen aard is, dan de kinderen van de wereld het zouden wensen en als de lengte van het leven verkort wordt, daar, waar dat geen werkelijke zegen zou zijn.
En u vaders, wie ik voor uw deel ook iets heb te zeggen, verwek uw kinderen niet tot boosheid door ongerechtigheid, hartstochtelijkheid, hardheid of enige andere manier van behandeling, die hun gemoed tegen u zou verbitteren (Kol. 3: 21); a) maar voedt hen op in de lering en vermaning van de Heere (Jes. 45: 11), in zo’n tucht, als de Heere die uitoefent, wiens manier van opvoeding niet boos maakt, maar trekt.
Deut. 6: 7, 20 Ps. 78: 4 Spr. 19: 18; 29: 17
De apostel spreekt daarom de moeders niet aan, omdat de man als het hoofd van de vrouw, ook in het besturen van de kinderen het bestuur in handen heeft en de vrouwen, als de mannen onderdanig, het werk van de opvoeding slechts mee verrichten.
De vaders zijn de verantwoordelijke vertegenwoordigers.
Misschien spreekt de apostel ook daarom vooral de vaders aan, omdat hij de ouders een verbod moet laten horen, dat gewoonlijk meer nodig is voor de vaders dan voor de moeders.
De vermaning van de apostel is een dubbele: een negatieve en een positieve. De negatieve houdt in, dat de vaders in hun kinderen de boosheid niet moeten opwekken, want omdat volgens Hoofdstuk 4: 26 de zondige boosheid verwerpelijk is (en de verstoordheid van de kinderen tegenover de ouders is altijd zondig) dan is het de kinderen boos maken zoveel als hen tot zonde brengen.
Tot boosheid verwekken heeft niet alleen plaats door onbarmhartig er op te slaan, maar ook door andere verkeerde behandeling, alhoewel het ook vaak veel schijn van recht heeft. De wet verwekt boosheid, omdat die eist wat de mens haat en ontvlucht en tevergeefs zich inspant haar te volbrengen, terwijl zij het toch bij de toerekening van de zonde en steeds meer opgewekte begeerlijkheden ernstig opneemt. Hoe meer nu in de opvoeding alles in het werk wordt gesteld, dat men alles alleen door de wet, door gebieden, verbieden, dreigen, straffen wil doen, des te meer komt men in de verzoeking zijn kinderen tot boosheid te verwekken. Dwangmiddelen, strengheid en list richten zeker niet uit wat men wensen moet; daardoor maakt men ze slechts des te arglistiger. Als u de geschilderde vruchten, die u meent rijp gemaakt te hebben, wilt openbreken, zie dan toe wat er van binnen is.
De positieve vermaning van de apostel luidt: “Voed hen op in de lering en vermaning van de Heere”, die laatste genitivus moet worden beschouwd, niet slechts als behorend tot “vermaning”, maar als een genitivus van het object, maar als op beide “lering en vermaning” doelend en als genitivus van het subject. De lering of tucht bestaat in een werk, de vermaning in woorden. De eerste is niet alleen straf, maar ook strenge huisregel, gewennen aan zelfverloochening, dienstvaardigheid, het bekennen van het kwaad zonder omwegen; het tweede bestaat in ernstig waarschuwen (1 Kor. 10: 11) en vriendelijk vermanen (Tit. 3: 10. 1 Kor. 4: 14, dat zeker boven scherp bestraffen staat.
De lering heeft het vooruit brengen, de vermaning het terechtbrengen tot doel; de eerste is nu de zaak van maatregelen, de tweede is een zaak van het woord.
Zonder dat de vleselijke wil in de kinderen wordt gebroken kan de lering niet bestaan en tot dit breken is de pedagogische wet, de tuchtmeester nodig; bij de vermaning daarentegen mag de gelijkenis van het stil en gaandeweg groeiend zaad (Mark. 4: 26 vv.) wel ter harte worden genomen. Vele gelovige ouders bederven bij hun kinderen door ongeduldige zucht naar vruchten de tedere kiemen, of door ze te overvoeren met gesprekken over Christus, voordat zij, hetgeen eerst opgenomen werd in het hart, verteerd kunnen hebben; als dan ontstaat walging en tegenzin.
a) U dienstknechten 1Co 7: 23 wees uw heren gehoorzaam naar het vlees, wier knechten of slaven u volgens uw uitwendige, tijdelijke levensomstandigheden bent, met vrees en beven, met een ijver, die steeds levendig bezorgd is, dat er niet genoeg door u zou worden gedaan (2 Kor. 7: 15. 1 Petrus 2: 18, in eenvoudigheid van uw hart (2 Kor. 8: 2 Rom. 12: 8), zoals aan Christus (Hoofdstuk 5: 22).
1 Tim. 6: 1 Tit. 2: 9
Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus (Kol. 3: 22 v.), doende de wil van God van harte, in persoonlijke gehechtheid aan uw heren, zonder enige ontevredenheid over uw dienstbaarheid.
Dienend met goedwilligheid de Heere en niet de mensen.
Wetende, dat welk goed een ieder in zijn levensomstandigheden gedaan zal hebben, hij dat in een overeenkomstig loon (2 Kor. 5: 10) op de dag van het oordeel van de Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije, zodat ook u, dienstknechten, op zo’n vergelding mag rekenen (Kol. 3: 24).
De apostolische vermaning aan de dienstknechten of slaven sluit zich onmiddellijk aan die, die kinderen en ouders aangaat, omdat de slaven in de oudheid een wezenlijk bestanddeel uitmaakten van de familie of het huisgezin. Dat op onze plaats geen afkeuring van de slavernij wordt gevonden en dat de apostel ook overigens de Christelijke vrijheid niet beschouwt als iets, dat met de toestand van slaaf niet kan samengaan, daaruit volgt volstrekt geen goedkeuring ervan. Het Christendom heeft de roeping om de mens en de mensheid inwendig te vernieuwen. Het was daarom ook niet de roeping van de apostel aan te dringen op een uitwendige omkering van de verhouding van de slaven tot hun heren. Er moesten integendeel nog eeuwen voorbijgaan; de macht van het heidendom moest eerst in de diepste wortel worden gebroken, voordat de geest van de Christelijke vrijheid de overtuiging van het onverdraaglijke van de slavernij en van de lijfeigenschap met de idee, dat de mens naar Gods beeld was geschapen, die door het Christendom duidelijk aan het licht was gebracht, tot een algemeen redelijk bewustzijn kon verheffen. Opmerkelijk is nu reeds hier, dat Paulus de meesters van de slaven voorstelt als heren naar het vlees. Daardoor is de macht van de meester tot het lichamelijke van de slaaf begrensd. De meesters mogen alleen gebied voeren over de uitwendige omstandigheden van de slaven, hun geweten is echter vrij d. i. alleen aan de hemelse Heer onderworpen.
Bij het “wees gehoorzaam naar het vlees” voegt de apostel drie nadere bepalingen, waarvan elke volgende de zedelijke eis hoger stelt. De eerste “met vrees en beven” eist een gehoorzaamheid, waarbij de dienstknecht siddert voor de gedachte zijn plicht in enig opzicht te kort te doen. De tweede “in eenvoudigheid van het hart” verlangt een gehoorzaamheid, waarbij men zonder enige nevenbedoeling erop uit is zijn plicht te doen. De derde “zoals aan Christus” dringt op een gehoorzaamheid aan, waarbij men door het bewustzijn wordt geleid, dat het moet plaats hebben in de dienst van Christus als vervulling van Zijn wil. Dit “zoals aan Christus” wordt vervolgens nader uiteengezet in de zin, die een tweede reeks vormt: “niet naar ogendienst als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende de wil van God van harte. ” Als het een dienstknecht alleen te doen is om de menselijke goedkeuring van zijn heer, dan zal zijn gehoorzamen niet verder reiken dan diens oog. Geheel anders is het, als hij dient in de eigenschap van een dienstknecht van Christus, die de wil van God doet. Daaraan dat hun gehoorzamen een volbrengen van Gods wil moet zijn, sluit zich dan in een derde reeks aan, die hun inwendige verhouding moet zijn tot hun dienstbaarheid, waarin zij moeten gehoorzamen. Wat men van harte doet, doet men graag, omdat het voortkomt uit werkelijke en eigen mening van het hart. Om nu iets met goedwilligheid te doen moet hetgeen men doet aan een persoon gebeuren, die men toegenegen is. Terwijl dus het eerste de inwendige verhouding van de dienaar tot zijn dienst aanwijst, karakteriseert het tweede zijn verhouding van de dienaar tot zijn heer. Beide het gehoorzamen van harte en het gehoorzamen met goedwilligheid, kon niet volstrekt zijn geboden, als niet was verondersteld, dat de dienaar zichzelf kende in de dienst van de hemelse Heer. Kende hij zichzelf alleen in de dienst van mensen, dan zou de gemoedstoestand, waarmee hij dient, afhangen van de gesteldheid van zijn meester. Daarom voegt de apostel erbij: “dienende de Heere en niet de mensen; ” want doen zij hun dienst, dan zullen zij die onder alle omstandigheden van harte en met goedwilligheid kunnen doen. Hun dienen is dan echter ook een goed doen, waarvoor zij van de Heere loon zullen ontvangen, zoals zij ook weten, dat wat goeds ieder gedaan heeft, hun een dienovereenkomstig loon ten deel zal worden, zonder onderscheid of hij dienstknecht is of vrije.
Al was het ook dat de heren naar het vlees hun welgemeende diensten nooit erkenden, toch hebben zij erkenning van de Hemelse te wachten.
En u heren, doe hetzelfde, wat ik zo-even van de dienstknechten over hun heren naar het vlees heb geëist, bij hen. Uit die voorschriften toch kunt u wel afleiden, wat uw plichten zijn als heren en meesters. Behandel uw dienstbaren met liefde, nalatende de dreiging, die gewoonte is bij tirannieke meesters, die hun knechten hun overmacht willen laten voelen (Lev. 25: 43). Handel ten allen tijde als degenen, die weet, dat ook uw eigen Heere, dezelfde, als die van de dienstknechten (vs. 7 v. Kol. 4: 1), in de hemelen is, a) en dat geen aanneming des persoons bij Hem is (Gal. 2: 6), zodat Hij, als Hij komt om gericht te houden, het onrecht, door u als heren aan uw dienstknechten aangedaan, ongestraft zou laten, omdat zij, aan wie het geschied is, slaven waren, en u, die het heeft misdreven, meesters bent geweest.
Deut. 10: 17. 2 Kron. 19: 7 Hand. 10: 34 Rom. 2: 11 Kol. 3: 25. 1 Petrus 1: 17
De apostel spreekt zo uitvoerig als hij in vs. 5-8 heeft gedaan, tot de slaven, om hen hun harde en verachte stand op Christelijke manier te leren waarderen en overeenkomstig hun Christelijke roeping daarin te leren leven. Weinige woorden waren tegenover de heren voldoende, te minder, omdat de onderrichting van de dienstknechten ook voor hen tot lering was, hoe zij hun dienstknechten moesten beschouwen. Overeenkomstig de gelijkheid, die voor God tussen hen en de anderen bestaat en met heen wijzing naar de hemelse Heere, aan wiens onpartijdig oordeel zij beiden onderworpen zijn, roept hij hun toe: “doe hetzelfde bij hen”, met de bijvoeging: “nalatende de dreiging. ” Zij moeten het bedreigen, de gewone manier om de slaven door schrik in toom te houden, nalaten en in plaats daarvan hun tot zulke heren zijn, zoals Christelijke slaven voor hen dienstknechten moeten zijn. Zonder op de bijzonderheden te letten van de vermaning aan de dienstknechten gegeven, is het “hetzelfde” eveneens gemeend, als wanneer de Heere Jezus (MATTHEUS. 7: 12) vermaant: “wat u wilt dat u de mensen zullen doen, doet u hun zo ook.”
De heren hebben te letten op de vermaning van de Schrift: zoals de Heere u behandeld heeft, zo behandelt nu ook u uw dienstknechten; of: zoals u de dienstknechten behandelt, zo zal u ook eenmaal de Heere behandelen.
Voor de aardse rechtbank vonden in de oudheid de heren ook bij een rechtvaardige behandeling van hun slaven zonder moeite bescherming. Zo zal het niet zijn voor het gericht van Jezus Christus, die toch reeds gedurende Zijn omwandelen op aarde de Helper van de bedrukten en onrechtvaardig behandelden geweest is.
II. Vs. 10-20.KruisverwijzingenEfeze 1:19→1 Korinthe 16:13→2 Korinthe 10:4→Kolossenzen 1:13→Filippenzen 4:13→Efeze 2:2→1 Petrus 5:10→Romeinen 13:12→
— Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels. Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven. Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid; En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes; Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen. En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord. Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;
Heeft de apostel in de beide vorige afdelingen van het paranetische deel van zijn brief opgewekt tot een wandel de Christelijke roeping waardig, zo vermaant hij de lezers nu tot hetgeen zij nodig hebben, om zichzelf Christenen te betonen tegenover de machten, die hen van buiten bestrijden. Zij moeten sterk worden in de Heere en zich laten toerusten met de macht van Zijn sterkte. Terwijl Paulus in onze brief de vijanden van God en Christus, die uit de Kerk zelf in de ketters opstaan, zo goed als geheel buiten spel laat (anders dan in de paralelle brief aan de Kolossensen), vestigt hij des te scherper zijn oog op de geestelijke machten, die tegen de Christelijke kerk strijden, die haar proberen te vernietigen en een slag bereiden, waarin het te doen is om een grote beslissing. Hij dringt bij de lezers aan, om dadelijk reeds nu de gordel om de lendenen te doen, het pantser om de borst aan te doen, de veldlaarzen onder de voeten te binden, vooral op de dag van de slag het schild te nemen en de helm op te zetten en het zwaard in de hand te nemen, opdat die strijd tot een zegepraal voor de gemeente van de Heere wordt. Zijn het zonder twijfel de vervolgingen van de Christenen, die voor de deur staan, waarop zijn voorspellend woord in de eerste plaats wijst, dan wordt de betekenis van hetgeen hij verder over het aanhouden met bidden en smeken in de Geest zegt, ons zeer duidelijk door het gezicht in Openbaring 8: 1-4 als wij dit namelijk juist begrijpen.
EPISTEL OP DE EENENTWINTIGSTE ZONDAG NA TRINITATIS
Het leven een strijd, niet met het vlees en bloed alleen, maar met overheden en machten, met de beheersers van de wereld, de demonen. Dit is het grote thema van dit epistel. Met dit epistel is echter verenigd het Evangelie van de genezing, die onze hoog geprezen Heer aan de zoon van een koninklijke hoveling te Kapernaum uit de verte bewerkte (Joh. 4: 47 vv.). Volgens de bedoeling van de kerk moet daar aan het strijdende leger van de Christenen de grote bijstand, het krijgsleger worden getoond, dat uit de verte helpt, ja dat zelfs nabij is; of wat hetzelfde is, naast de koninklijke Heer, die in de nabijheid en de verte de ziekte beheerst, moet wel het door Hem met kracht en zegen begaafde leger van Zijn navolgers verschijnen. Naast de Machtige staan de machtigen en het aandenken aan geen sterkt deze.
De veldprediking van de apostel; zij wijst de vijand aan, tegen wie wij strijden, 2) de wapenrusting, waarin wij strijden, 3) het rijk waarvoor wij strijden.
Het leven van de Christen een strijd: 1) wie is de vijand? 2) hoe heet het wapen? 3) wanneer is er rust?
Over de strijd tegen het rijk van de duivel: 1) hoe zwaar deze strijd is; 2) met welke wapens die moet gevoerd worden.
Over de strijd, waartoe de gemeente van de Heere geroepen is: 1) het is een zware strijd, want hij is tegen de machten van de hel; 2) het is een hoopvolle strijd, want de Heere staat Zijn gemeente terzijde; 3) het is een heilige strijd, want met een heilige gezindheid en heilige wapens wordt hij gevoerd.
De geestelijke wapenrusting van de Christen: 1) waarom onze wapenrusting een geestelijke moet zijn? 2) uit welke stukken zij bestaat.
Wees sterk in de Heere: 1) wat is dat? 2) hoe geschiedt dat?
Wanneer is de Christen sterk in de Heere? 1) Als hij in de gerechtigheid van het geloof een vast standpunt heeft verkregen; 2) als hij het woord van God als zijn scherp zwaard gebruikt; 3) als hij van de overwinningsbelofte van zijn Heere tot aan het einde verzekerd blijft.
Voorts, mijn broeders! (2 Kor. 13: 11) word krachtig in de Heere en in de sterkte van Zijn macht (Jes. 45: 24. 2 Tim. 2: 1).
Het woordje “voorts” geeft te kennen, dat de apostel nu samenvat wat tenslotte nog moet worden gezegd. Deze vermaning ligt hem nog op het hart; zij dringt te voorschijn als een machtige stroom met kracht en volheid. Het is een aanspraak, die een veldheer van veel ervaring tot zijn leger richt een dagorde aan de vooravond van een beslissende slag.
Zonder twijfel heeft de apostel de laatste, grootste beslissingen op het oog, die aan de voltooiing van het rijk van God op aarde zullen voorafgaan en die volgens de doorgaande leer van het Nieuwe Testament vergezeld moeten gaan van een vreselijke strijd met de machten van de duisternis. En inderdaad is die slechts weinige jaren na de vervaardiging van onze brief (Deel VI Aanm. 2 a. 2 en c. 3) in de bloedige vervolging van de Christenen door keizer Nero begonnen.
De apostel noemt daarom de twee stukken “krachtig in de Heere” en “in de sterkte van Zijn macht” om aan te tonen, dat er tweeërlei krachten zijn, die wij moeten hebben – de ene, dat wij vast blijven bij hetgeen wij moeten geloven en doen en niet aflaten en dat heet “voor zichzelf” sterk zijn. Het tweede is, dat men niet alleen zichzelf beschermt, maar ook de vijanden op de vlucht slaan. Het eerste is een beschermende macht, het tweede een kracht tot overwinning, die niet alleen op zichzelf staat, maar rondom zich houwen kan onder de vijanden. Daartoe behoort nu meerdere en sterkere wapenrusting dan tot de eerste en dit noemt hij de sterkte en macht van de Heere, dat geheel op Hebreeuwse manier gesproken is en zoveel betekent als Zijn machtige sterkte of Zijn grote kracht.
De mens is over niets zozeer onkundig, als over zijn kracht. Ieder, al is hij ook nog zo zwak, acht zich sterk. Dat tonen zijn voornemens, zijn plannen, die toch worden verijdeld en meestal teniet gaan. Het is met de sterkte evenals met de schoonheid, waarvan niemand, ook de lelijkste niet, zich geheel ontbloot acht. Dat alleen in de Heere, de Sterke en Machtige, de sterkte te zoeken en te vinden is, bedenken niet allen, die de ware vrijheid niet kunnen zien in de dienstbaarheid van God.
a) Doe dan aan om u te betonen, als degenen, die met de kracht en de sterkte van de Heere begaafd zijn, de gehele wapenrusting van God, waarmee God de strijders van Zijn rijk toerust, evenals Hij bij Zijn eigen strijd zo’n wapenrusting draagt (Jes. 59: 17 Wijsh. 5: 17 vv. Dat is u nodig, opdat u kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel, die hij nu aan u beproeft en zeker nog snel erger zal maken.
Kol. 3: 12. 1 Thessalonicenzen. 5: 8
Het beeld van de Christelijke strijd en de geestelijke wapenrusting wordt ook op andere plaatsen van het Nieuwe Testament (2 Kor. 10: 4. 1 Thessalonicenzen. 5: 8. 1 Tim. 6: 12 gevonden, maar hier het volledigst en uitvoerigst. Dit is te verklaren als men bedenkt, dat de apostel het Pretoriaanse leger te Rome Ac 28: 16 voor ogen had, toen hij onze brief schreef en dadelijk de wapenrusting en de nauwgezette legerdienst van deze elite van het Romeinse leger zag. Op grond nu van hetgeen hij hier en in het volgende uiteenzet, vatten de oude Christenen hun gehele leven als militia christiana, Christelijke krijgsdienst op. Zo was de geloofsbelijdenis voor hen de tessera of het parool van hun hemelse aanvoerder; de gebeden en het vasten werden door hen gehouden voor stationes of wachtpost diensten (waarvoor Woensdag en Vrijdag in het bijzonder bestemd waren, “Le 16: 31. De zonde en de boze geesten waren de vijanden; het hemels vaderland was het rijk, dat veroverd moest worden en de zaligheid was de kroon van de overwinning.
Paulus beveelt ons eerst de volle wapenrusting (panopli a) aan te doen als krijgslieden, die tot de strijd bereid zijn en zich tot tegenweer gereed moeten houden. Hij zal later (vs. 14 vv.) die wapenrusting noemen en na elkaar optellen wat er toe behoort; maar hier spreekt hij nog in het algemeen, dat er een wapenrusting moet zijn, niet van een mens, maar van God zelf. Want hier staat geen menselijke sterkte, kracht noch wijsheid en verstand tegen deze vijand. Hij kan het alles tot stof en as maken als Hij met Zijn adem erin blaast. Daarom, omdat u andere strijders bent, wil de apostel zeggen en andere vijanden tegenover u heeft, zo moet u ook een andere wapenrusting hebben dan de wereld heeft of maken kan. Hij noemt het echter daarom Gods wapenrusting, om aan te wijzen wat voor een zaak het is, waarvoor wij moeten strijden, namelijk dat de strijd van God is en wij zijn strijders zijn, als die voor Hem en Zijn zaak strijden; daarom moeten wij ook Zijn wapenrusting dragen, waarmee Hij strijdt. Want hoewel Hij voor Zichzelf krachtig genoeg is tegen de duivel, en wel met een vinger, ja met één woord hem in al zijn woeden kan tegengaan, toch wil Hij door zulke zwakke vaten hem neerslaan en door ons eer inleggen aan zo’n trotse, machtige vijand, opdat Hij Zijn goddelijke kracht in onze zwakheid betoont. Dat hindert ook de duivel, dat God hem zo’n gebrekkig, nietig volk (1 Sam. 17: 10) tegenstelt; hij grijpt ons daarom met toorn en woede aan, alsof hij ons in een ogenblik als een hoop vaten wilde verpletteren.
Op goede gronden kom ik met zo ernstige, buitengewone vermaningen tot u; want wij hebben in de tijden, zoals die nu over ons Christenen komen (Hoofdstuk 5: 16), de strijd niet tegen vlees en bloed, niet met zwakke, nietige mensen (Gal. 1: 16), hoewel er zulke vijanden zijn, die uiterlijk en zichtbaar tegenover ons staan, maar integendeel tegen de overheden, tegen de machten, die op onzichtbare manier achter hen staan, tegen de geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw (2 Kor. 4: 4. 1 Joh. 5: 19), tegen de geestelijke boosheden in de lucht (vgl. Hoofdstuk 2: 2 Jes. 24: 21).
De apostel geeft hier de reden op, waarom hij vermaant zich tot het doel, in het vorig vers genoemd en tegen de vijand daar genoemd, te versterken in de Heere en de wapenrusting van God aan te doen. Hij doet dat namelijk, omdat de strijd, die zij hebben, geen strijd is tegen mensen, maar tegen de boze geesten. Een worstelstrijd noemt bij die in de grondtekst (palh), om uit te drukken, dat het er om te doen is, wie ten slotte boven zal blijven (tevens echter ook met het oog daarop, dat in deze strijd ieder voor zichzelf geroepen is; want de worstelstrijd is uit zijn aard een strijd van man tegen man). Als hij schrijft: “wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed” bedoelt hij niet eigen vlees en bloed. In dat geval zou een geheel andere en wel omgekeerde tegenstelling volgen, dat onze werkelijke vijand buiten ons is. Er is hier sprake van de vijand buiten ons, tegen wie wij sterk en toegerust moeten zijn, opdat wij hem kunnen weerstaan, van welke aard die is, omdat naar de gesteldheid van deze de zwaarte van onze strijd moet worden afgemeten. Onder dit gezichtspunt ontkent hij, dat wij te doen hebben met wezens, die vlees en bloed zijn; niet alsof wij degenen niet tegen ons zouden hebben, maar zij zijn de vijand niet, die wij moeten overwinnen, als wij het veld willen behouden (onder deze kunnen wij integendeel altijd uitwendig bezwijken en toch tegen de eigenlijke vijand het veld behouden, Openbaring 7: 9 vv.); het zijn de boze geesten, die tegen ons strijden en die wij moeten overmeesteren. In tegenstelling tot de menselijke tegenstanders, wier boosheid niet meer zou kunnen doen, dan vlees en bloed in staat is te doen (MATTHEUS. 10: 28), noemt hij ze “de geestelijke boosheden in de lucht”, van welke uitdrukking Paulus zich ook in Hoofdstuk 3: 10 had bediend; want hun manier van bestaan is een, onderscheiden van de stoffelijke wereld, waarin wij een leven leiden, waarbij wij aan ruimte gebonden zijn. In tegenstelling tot die menselijke tegenstanders, die tot het gebied van de duisternis van deze wereld behoren, slechts als onderdanen daarvan (Hoofdstuk 4: 18; 5: 8) stelt hij hun deze vorsten en machtigen voor als “geweldhebbers van de wereld, van de duisternis van deze eeuw. ” Zij zijn wereldbeheersers, maar niet volstrekt; en geheel het gebied, dat onder hun heerschappij staat, het rijk waarover zij alleen beschikken, is de duisternis, het deel van deze wereld, dat zich voor God heeft afgesloten.
Evenals het ene deel van de door God geschapen hogere geestenwereld in de oorspronkelijke gemeenschap met God volhardde en daardoor blijvend in het goede bevestigd is, zo is het andere deel door de afval van God een prooi geworden van de boosheid, waarvan de satan en zijn engelen ook als boze geesten (Luk. 7: 21 Hand. 19: 12), of (zoals op onze plaats woordelijk staat), als “geestenschaar van boosheid” worden voorgesteld. De lust tot boosheid is tot hun wezen, tot hun bijzondere natuur geworden en hun zoeken en trachten is niets dan ondergang en verderf. Hun lust in de boosheid is echter niet slechts een liefde tot boze geestelijke, maar ook tot boze zinnelijke lust, waarom zij ook onreine geesten worden genoemd (MATTHEUS. 10: 1 Hand. 5: 16). Deze onverbeterlijke verharding in de zonde wordt ook daardoor verzekerd, dat zij zonder hoop op verlossing reddeloos en zeker een prooi zijn van het oordeel van de eeuwige verdoemenis (MATTHEUS. 25: 41 Judas 1: 6. 2 Petrus 2: 4 Als zij nu, omdat zij zeker een prooi worden van de boosheid, uit de gemeenschap van het zalige leven van God zijn uitgestoten, dan kan (“Lu 10: 18” en “Re, als op vele plaatsen van de Heilige Schrift hun nog een plaats in de hemel wordt toegekend, dit slechts een oneigenlijke spreekwijze een beeldspraak zijn. Zij zijn echter ook niet reeds in de hel in de eigenlijke betekenis van het woord, alsof deze hun vaste en blijvende verblijfplaats was, waaraan zij gebonden zijn. Daarheen worden zij echter voor altijd verbannen aan het einde van de dagen, als de verlossingsdaden van God aan het menselijk geslacht geheel volbracht zullen zijn (Openbaring 20: 10).
De duivel is uit de hemel uitgeworpen, maar hij is nu nog niet voor eeuwig in de afgrond verwezen; hij kan zijn werk nog in deze wereld, op de aarde doen. Van waar zal hij zijn pogingen in het werk stellen, zo niet, omdat hij toch als eindig wezen een standplaats moet hebben, uit de bovenaardse hemelse streken.
Daarom, omdat u niet met mensen, maar met de duivel en zijn machten moet strijden en daartoe een sterkte nodig is, nog sterker dan die van de machten van de duisternis, neem aan a) de gehele wapenrusting van God, waarvan ik in vs. 11 sprak, opdat u kunt weerstaan in de boze dag, als aan de duisternis macht wordt gelaten (Luk. 22: 53 Openbaring 3: 10) en alles verricht hebbend wat tot een zegenrijke strijd nodig is, staande blijven (1 Joh. 4: 4).
1 Kor. 10: 4
De apostel wil volstrekt niet ontkennen dat wij ook met vlees en bloed hebben te strijden, met vijandige, goddeloze kinderen, met de kinderen van de wereld, die het rijk van God en van Christus tegenstaan. Hadden wij echter alleen met deze te strijden, dan zouden mensen tegenover mensen staan en wij hoefden te minder bevreesd te zijn, omdat wij toch weten, dat wij niet alleen zijn, maar een krachtige hulp aan de kant van hen staat, die God en Zijn Christus dienen. Nu leert ons echter de mond van de apostel, dat wij niet slechts te doen hebben met mensen, met vlees en bloed, maar dat onze strijd een veel grotere en moeilijkere is, omdat juist de gevallen engelen de tegenpartij zijn. Het kan ons hierbij volkomen onverschillig zijn, of deze of gene in gevallen engelen gelooft of niet, hun werking ervaart of die anders verklaart. Wij, die in het licht van de goddelijke openbaring wandelen en ons alleen door deze de wegen laten aanwijzen, kunnen te minder voor onszelf verbergen dat wij een rijk van boze geesten tegenover ons hebben, omdat juist dat gedeelte van de Heilige Schrift, dat door ieder voor het meer lichte en duidelijke wordt gehouden, vaak, meer nog dan het Oude Testament, van deze onze vijanden spreekt en voor hen waarschuwt. Staat nu een onzichtbaar rijk tegenover ons, van welke krijgslieden en legers wij worden opgemerkt en bespied, dan is duidelijk dat onze vijanden een groot voordeel hebben, want zij kennen ons, maar wij een groot nadeel, omdat wij ze niet zien noch kennen. Stelt men zich nu verder voor dat deze vijanden een talloos leger in menigte zijn, dan hoeft men zich hen niet eens als zeer machtig voor te stellen, de vrees groeit toch aan, want gegrond op het onzichtbare van het vijandelijk leger vermeerdert die door de gedachte aan de grote menigte. Nu vinden wij in de Heilige Schrift dat de val van de engelen zich niet maar tot de ondergeschikte klassen van de geesten bepaalde, maar zijn aanvang juist in de hoogste rijen had, die de troon van de Heere omgeven en die val als een neervallende zware steen doorging van de hoogst begaafde tot de minst begaafde geesten. Is nu deze gehele schare van onderscheiden engelen eendrachtig tegen ons, tegen de kerk van God op aarde gekant; staat zij tegenover ons als een krachtig en welgeordend organisme, als een bijzonder rijk, dan wordt de reeds bestaande vrees ook daardoor nog verzwaard. Dezelfde boze geesten nu worden bovendien ons nog voorgesteld als geweldhebbers van de wereld. Daarmee wordt ons gezegd, dat de boosheid van de mensen geenszins onvoorbedacht en aan zichzelf overgelaten is. Zij zal wel eenmaal gedurende de duizend jaren, waarin de duivel gebonden zal zijn (Openbaring 20: 1 vv.) door het rijk van de boze geesten verlaten en zonder leiding zijn, maar dan zal zij ook voor de invloed van het rijk van Christus bezwijken en de groeiende en opstuwende wateren geen uitvloeiing vinden. Tegenwoordig is het echter nog onder bestuur en leiding en meer dan vlees en bloed het denkt is de wereld in samenhang en volkomen instemming met het rijk van de boze geesten. Deze vorstendommen, deze machten, deze geesten-wereld vol boosheid, die zelfs in de lucht haar zetel heeft en haar werk verricht, verbeidt in de duisternis van deze tijd, beheerst de wereld en maakt zich met alle macht en list, met alle behendigheid en snelheid op tegen het rijk van Jezus Christus, de arme strijdende kerk. En deze, als een schuchtere duif, als een gejaagde hinde moet nu van rondom, van boven en aan de kanten omgeven zijn en omzweefd worden door een nachtelijk, verschrikkelijk krijgsleger van duivelen en alle ogenblikken op een nieuwe aanval, op een dag van strijd, op een kwaad uur zich voorbereiden. Wie kan die toestand van de kerk zich zo voorstellen, zonder aan de ene kant te erkennen hoezeer de duivels voor de kerk van God, die vreesachtige hinde, tot vrees moeten zijn, maar aan de andere kant hoe zwaar en verschrikkelijk haar strijd is! Erkennen wij nu aan de ene kant de grote macht van de vijanden en de daaruit voortvloeiende moeilijkheid van de strijd, dan zal ons aan de andere kant het gevoel van onze nood des te meer doordringen, als wij aan de noodzakelijkheid van de overwinning denken en aan onze grote zwakheid. Het is zeker dat wij deze strijd niet alleen hoeven te strijden; de goede engelen toch zijn met ons in de strijd, de reine geesten, wier macht tegen de demonen wel gerekend kan worden. Wij vinden in de Heilige Schrift ook vaker melding gemaakt van strijdende goede engelen tegen de boze en de overwinning is altijd aan de kant van de goede. Maar kunnen dan de goede engelen de zege betalen voor het geheel, als wij op aarde de overwinning verliezen? Is niet over het geheel de zege verloren, als de strijdende kerk op aarde die verliest? Ja, is niet juist de strijd, waarvan sprake is, een strijd van de strijdende kerk op aarde? Is het niet onze zaak, om welker wil die wordt gevoerd? Meent dan de duivel en kan hij menen, de engelen te vellen en te overwinnen, die in het goede zijn staande gebleven en hun vorstendom hebben bewaard? Hen kan en zal hij de zaligheid zeker niet meer ontroven; maar ons kan hij verderven, ons, die zo zwak zijn. Als hij ons de linker, de zwakke vleugel slaat, verheft zich de rechter, de sterke ongedeerd ten hemel; maar de slag is toch verloren en wij zijn verloren. Ons eeuwig heil staat dus op het spel. Zo ziet men van hoe groot gewicht onze strijd is en hoeveel te vrezen is. De machtige en talrijke vijand in het oog, de grote verantwoordelijkheid van de strijd in het geheugen en voor de aandacht, wordt men vernieuwd in de geest van zijn gemoed en grijpt men naar de wapenrusting, die ter overwinning leidt!
Sta dan, als degenen, die reeds nu bent toegerust tot de beslissende strijd, die u wacht, uw lenden omgord hebbend (Jes. 5: 27 Luk. 12: 35. 1 Petrus 1: 13 met de waarheid (vgl. Jes. 11: 5), a) en aangedaan hebbend het borstwapen of pantsier van de gerechtigheid (vgl. 1 Thess. 5: 8);
Jes. 59: 17. 2 Kor. 6: 7
En de voeten geschoeid hebbend (Jes. 9: 5 en “De 20: 9 met bereidheid (Jes. 52: 7) van het Evangelie van de vrede (Hand. 10: 36. 2 Kor. 5: 18 v., ten allen tijde gereed om de zaligheid aan anderen te verkondigen (Jes. 52: 7 a).
De apostel was in het noemen van de vijand, waarmee moest worden gestreden, gegaan boven het gebied van het menselijke en tot de daarin heersende goddeloze geesten, om de grote ernst van de strijd, waartoe de Christen gereed moet zijn, voor ogen te stellen. Eveneens heeft hij en met een gelijk doel gewezen over het heden heen op de boze tijd, wanneer de steeds te voeren strijd tot het laatste punt van beslissing komt en de vijand al zijn macht inspant, om die te winnen. Op deze kwade dag moeten de Christenen toegerust zijn, niet pas als die aanbreekt, maar reeds nu. Om dan te kunnen weerstaan en dan zegerijk die te kunnen doorstaan, moeten zij van te voren met de volle wapenrusting van God zijn aangedaan.
Volgens de manier van de Romeinen bestond de wapenrusting uit pantsier, schild, lans, beenschilden, helm en zwaard. De apostel heeft de lans weggelaten en daarvoor gordel en veldschoenen genoemd. Omdat de laatste stukken geen bestanddelen zijn van zware bewapening, blijkt dat hij niet slechts zwaar gewapende strijders op het oog heeft, maar alle strijders van alle mogelijke wapens. Hij heeft de lans waarschijnlijk daarom weggelaten, omdat die een wapen tot de aanval was. De Christelijke strijder moet namelijk de aanvallen van de duivel afwachten, maar eenmaal aangevallen, overwinnen met alle wapens, die ter hand zijn.
Het wijde, los neerhangende kleed zou de oude krijgsman in zijn vrije beweging, in zijn vaste tred hinderlijk zijn geweest, als het niet omgord was geworden. Men snoerde de gordel vast op de juiste plaats, dicht onder de heupen. Wat nu de gordel is voor de soldaten, dat is de waarheid voor de strijders van Jezus Christus.
De “waarheid” is deze gordel, de loutere gezindheid, die alle gemeenschap met leugen en duisternis in het kennen en in het leven haat en ontvliedt (vgl. Hoofdstuk 4: 20). Zij verhindert het rondzwerven van de onbestendige gedachten, het wegzinken in ongeregelde en verwilderde toestand van gemoed en maakt de ziel wakker en strijdvaardig.
Die de schijn van godzaligheid heeft, maar haar kracht verloochent (2 Tim. 3: 5), gordt zijn lenden met leugen.
Het gevoel van onze grote onwaardigheid, het bewustzijn van onze zonde, het kwaad geweten, dat ons eindeloos knaagt, zou ons volstrekt onbekwaam maken tot de strijd, die ons wacht, alle ogenblikken zou onze borst zijn blootgesteld aan het gevaar van dodelijke pijlen, als ons niet de nieuwe gerechtigheid als een pantsier, een borstharnas bedekte, de gerechtigheid van het geloof, waarin men uit de dood is overgegaan in het leven (1 Joh. 3: 14). Is nu de mens met waarheid omgord, dan moet hij ook met de onvernietigbare gerechtigheid van Jezus bedekt worden als met een borstharnas en zijn ziel rust vinden in de gedachte, die hij voor Christus uitspreekt: “er is geen vlek aan mij te vinden; ik ben geheel rein en zuiver van al mijn zonden. Ik ben rein omwille van U; U geeft heerlijkheid en sieraad genoeg, om mij daarmee te bedekken” (Rom. 8: 34 vv.). Is nu het kleed gegord, het borstharnas aangedaan, wat is dan het derde? Nu maakt hij, wiens borst beschermd is, zijn voeten gereed tot de strijd, hij bindt de voetzolen onder en zorgt daarmee, dat hij op de verre weg van het slagveld zonder zorg en zonder schade kan voortgaan. Maar wat is nu, wat de geestelijke betekenis aangaat, het schoeisel van de voeten en de bereidheid van het Evangelie? Dit is volgens het eigen woord van de apostel de bereidheid om het Evangelie van de vrede te prediken. Bekrachtigd door waarheid, beschut door gerechtigheid tegen alle verwijtingen van de duivel en van het eigen hart, gaat de Christen voort en belijdt het Evangelie, predikt de Gekruisigde, biedt aan al de zijnen in het Evangelie de vrede aan.
De bereidheid om het Evangelie van de vrede te prediken moet bij ieder gelovige worden gevonden voor het geval, dat hij in hen toestand komt, om van Christus te getuigen (1 Petrus 3: 15). Zij is hem daardoor gegeven, dat hij de vrede kent, waarover het Evangelie handelt en als hij die in de strijd meebrengt, dan is dit het bewustzijn, dat hij aan de wereld zo’n vrede heeft aan te bieden, dat hem krachtig doet optreden en vaste stappen laat doen.
Onze voeten zijn geschoeid en gewapend door het ambt en tot het ambt van het Evangelie van de vrede, opdat de oude slang, als zij voelt dat wij ze onder de voeten treden, geen kracht vindt om ons te steken en om te brengen.
Bovenal (liever “bij dat alles”, Luk. 3: 20), wanneer de dag van de beslissende strijd is aangebroken, aangenomen hebbend het schild van het geloof, waarmee u al de vurige pijlen (Ps. 7: 14 en “De 20: 9 van de boze (1 Joh. 2: 14. 1 Petrus 5: 8 v). zult kunnen uitblussen.
En neem de helm van de zaligheid (vgl. Jes. 59: 17 Luk. 21: 28. 1 Thessalonicenzen. 5: 8), a) en het zwaard van de Geest, het door de Heilige Geest bereide zwaard, dat is Gods woord (Hebr. 4: 12 MATTHEUS. 4: 4, 7, 10).
Openbaring 2: 16
Tussen de bestanddelen van de wapenrusting, in de beide vorige verzen genoemd en die in deze beiden zijn voorgesteld, is dit onderscheid, dat de krijgsman zich gordt, van pantser en schoeisel voorziet, om zich tot de strijd op te maken, daarentegen naar schild, helm en zwaard grijpt als de strijd begint en dat de Christen in de gehoorzaamheid van de waarheid moet staan, van de gerechtigheid voor God verzekerd en tot de boodschap van de vrede bereid moet zijn om kampvaardig te worden, maar de strijd zelf in de kracht van het geloof en van de hoop met Gods woord moet strijden. In de eerste plaats wordt genoemd het schild en wel het grote schild, dat de hele persoon bedekt, dat is het geloof. Het is dat geloof, waardoor hij zich getroost voelt bij God in Christus en dit geloof bedekt hem, zodat hem satans pijlen, de aanvechtingen, waarmee de boze hem ten val wil brengen, niet bereiken; hij vangt ze daarmee op als met een schild. Omdat echter brandende pijlen van zoveel gevaarlijker aard zijn, bijvoorbeeld die, die met ontbrandbare stoffen voorzien waren om het schild zelf, dat tegen hen moest beschutten, als zij door het leren overtreksel in het hout drongen, in brand te steken en onbruikbaar te maken, zo zegt de apostel niet dat de Christen ze met zijn schild kan opvangen, maar dat zijn schild van die aard is, dat het hun vuur uitblust. Het is toch juist het geloof van de Christen, waarop de satan zijn pijlen richt. Kon hij dat onbruikbaar maken, dan was de strijder verloren; maar het geloof is Gods werk in hem en daarom onverderfelijk, alhoewel satan zelfs zijn bestrijdingen tot het uiterste verzwaart, hetgeen de kerk in het laatste uur van dit leven (MATTHEUS. 24: 21 v. Openbaring 13: 3 vv.) wacht.
Als natuurlijk gevolg noemt Paulus eerst het nemen van de helm en dan van het zwaard, omdat de linkerhand reeds het schild heeft en na het nemen van het zwaard geen hand meer vrij is. “Neem aan”, wordt gezegd, namelijk van God, die u deze helm aanbiedt.
De helm van de zaligheid is niets anders dan de hoop op en het verwachten van een ander leven, dat daarboven in de hemel is, waarom wij in Christus geloven en alles lijden, zonder hetwelk wij niet al de slagen zouden kunnen verdragen, die men ons naar het hoofd slaat. Dit is echter onze bescherming, dat wij in Jezus Christus geloven, die een Heer is over wereld, duivel en over alles, waardoor wij zeker een ander leven te wachten hebben, dat Hij ons van al dat ongeluk zal verlossen en onder onze voeten zal leggen wat ons nu drukt en benauwt.
Het zwaard wordt getrokken en gezwaaid, als de slagorden op elkaar zijn gestoten, als man en man tegenover elkaar staan, als het op de allerlaatste beslissing aankomt. Het is nu reeds tot het uiterste, tot het laatste gekomen (Openbaring 13: 15 vv.). Het is nu te doen om de laatste, de beslissende slag, om het finale in de strijd van de geesten. De krijgsknecht van God moet het nu vooral weten, dat hij niet met het woord van zijn eigen wijsheid de strijd tegen de boze voert. Evenals Christus de verzoeker, alhoewel Hij toch het ware Woord is, met de goddelijke woorden van de Schrift bestreed, zo moeten ook wij allen Gods woord voor ons wapen houden. Wee de strijder, die tegen deze vijand met het scherpe zwaard van zijn dialectiek iets denkt uit te richten. Elk wapen breekt tegen de wapenrusting van die sterk gewapende, alleen het zuivere woord kan hier treffen en doordringen.
Het woord van God heeft die kracht, dat, waar men het zuiver en ten volle predikt, vlijtig leert en met ernst bedenkt, satan noch duivel daar kan blijven; want het openbaart zijn leugen en list, waarmee hij de mens wil bedriegen, tot valse gerustheid of wangeloof, smart of wanhoop wil brengen. Het openbaart de Heere Christus, die hij gekruisigd heeft, maar die op hem is aangevallen en hem de kop heeft vermorzeld, daarom vreest hij en vlucht hij daarvoor.
In de dagen van Paulus, in de gehele oude wereld kwam het bij het voeren van de oorlog veel meer dan tegenwoordig op persoonlijke moed en krachtsontwikkeling van elke afzonderlijken krijgsman aan. Men streed ten slotte altijd man tegen man en dien overeenkomstig waren de wapens, was de rusting. Het kwetsbaarste deel was de weke lende en het onderste gedeelte van het lichaam en het eerste en voornaamste stuk van de rusting een brede, goed aangehaalde gordel, die tegelijk steun gaf en beschermde. De borst geharnast, de schenen en voeten met een stevig schoeisel bekleed, het hoofd met een nauwsluitende helm gedekt, stond daar de Romeinse krijgsman van Paulus’ dagen ten strijd gereed. Een breed lang schild aan de linkerarm dekte andermaal de hele man en in zijn rechterhand was het korte, maar geduchte zwaard, waarmee hij niet slechts zich het lijf verweren, maar ook aanvallen en zijn vijand bevechten moest. Naar dit voorbeeld nu verlangt de apostel, dat de belijder van Christus, naar de inwendige mens, tegen zijn doodsvijanden van top tot teen gewapend is. Wat moet het eerste stuk van zijn rusting wezen? Wat zal de tegelijk steun gevende en beschermende gordel van zijn lendenen zijn? Waarheid zal het zijn; waarheid en oprechtheid, waarvan in het Christelijk leven alles moet aanvangen en zonder welke de Christelijke strijd geen ogenblik met goed gevolg gestreden kan worden. Waarheid in het binnenste, waartoe God lust heeft, die ootmoedig maakt voor Zijn aangezicht, arm van geest en vatbaar om het woord van Zijn waarheid te verstaan, in zich op te nemen en getrouw te bewaren, kinderlijke oprechtheid tegenover de alles doordringende, oordelende en reinigende waarheid van God. Door deze waarachtigheid erkent men zichzelf in de spiegel van Gods woord, beschouwt men zijn zonde en zwakheid, zoals God ze beschouwt; schrijft zich ook geen groter geloof of meerdere heiligheid toe, dan waar men werkelijk toe is doorgedrongen en is men buiten staat uiterlijk iets voor te doen, dat men innerlijk nog niet bezit. En de gordel van deze waarheid knelt of pijnigt niet, maar stijft en sterkt en is een riem onder het hart; want oprechtheid is kracht en geeft een gevoel van goede moed, ook waar zij pijnlijke waarheden ziet en moet erkennen. Immers door deze heen ziet en erkent zij ook de vertroostingen, die aan de oprechte belijdenis verknocht zijn. Wat is het tweede stuk van de wapenrusting van de Christen? Wat het onmisbaar kuras, dat de borst van de krijgsman beschermen en waar het hart zo veilig en rustig onder kloppen moet? Het is het borstwapen van de gerechtigheid, het rein geweten, het hart gereinigd door het geloof in de gerechtigheid van Christus; de innige overtuiging, dat men in de toerekening van deze gerechtigheid niet stelt het vals vertrouwen van een, die de zonde nog lief heeft en voortgaat haar te dienen, maar dat men haar in zich voelt als een kracht van God, die inwendig dringt en drijft, om in het oog van Gods heiligheid te worden, wat men om Christus wil reeds is in het oog van Zijn genade en barmhartigheid. Dit borstwapen van de gerechtigheid is geen ander dan hetgeen in de brief aan de Thessalonicenzen door de apostel genoemd is: het borstwapen van het geloof en van de liefde; van dat geloof, waardoor de mens gerechtvaardigd wordt zonder de werken van de wet; van die liefde, die de werken van de wet doet uit dankbaarheid en zich niet laat voorstaan. Voorwaar dit borstwapen is deugdzamer dan het doorzichtig harnas van een ingebeelde gerechtigheid, die verwerpelijk is voor God, dan het nog zo stijf pantsier van een in zichzelf dood geloof, dat de werken niet heeft. Zonder deze gerechtigheid geen vrijmoedigheid tegenover de Boze, geen kracht tegen nieuwe zonden! Met deze gerechtigheid moed en vertrouwen ook bij de zwaarste aanvechtingen en in de heetste strijd! En wat zal het stevig, wat het welbeslagen schoeisel zijn, waarmee de krijgsvaardige Christen schrap staat op zijn post en met vaste tred tot de overwinning doordringt? De vastheid van de inwendige mens, die hem ook tot elke taak veerkracht en tot elke strijd bereidheid geeft, is de vrede met God, die hij aan het Evangelie van de genade van God in Christus dankt. Deze vrede te bewaren, ze zich niet te laten betwisten door kleinmoedigheid, het geluk van deze vrede in dankbaarheid te genieten, in liefde te doen uitstralen, ziedaar wat in de strijd van het leven, van welke kant de aanval ook komen moge, de blijmoedige Christen voor wankelen behoeden en tot dapper tegenweer in staat stellen kan. Maar zijn niet de aanvallen van het rijk van de duisternis juist op deze vrede, op deze gerechtigheid, op deze waarheid zelf gericht, die de vastigheid, het vertrouwen en de kracht van de strijder in de goede strijd uitmaken? Is het niet juist de strekking van alle verzoekingen om deze vrede te bederven, deze gerechtigheid te ontnemen, deze waarheid in het binnenste weer met leugen te bezoedelen? Is het de vijand van onze ziel niet boven alles te doen om ons met geweld de gordel van de lendenen te rukken, ons van onze vastigheid af te werpen, of zijn vurige pijlen in te drijven tussen de gespen en het pantsier? Zeker, en zo dekt dan de hele man telkens opnieuw het brede schild van dat Godsvertrouwen, waaronder dit alles veilig en verborgen is en prijkt zijn hoofd met de helm van een Christens troostrijke hope, waardoor hij van zijn zaligheid en daarom ook in elke strijd bij voorraad van de overwinning zeker is. En opdat hij niet alleen onkwetsbaar is en zich veilig weet, maar ook mannelijk weerstand doet en de vijanden van zijn ziel dodelijke wonden toebrengt, roert zijn hand als enig, maar afdoend, maar onweerstaanbaar geweer, geen ander zwaard dan het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. Met geen ander dan dit zwaard heeft Christus al de Zijnen tot voorbeeld en tot bemoediging elke verzoeking van de Satan afgeslagen en hem achter Zich gedreven. Onder dat schild heeft een Paulus de goede strijd gestreden tot het einde toe; in deze helm heeft hij de aanstaande kroon van de gerechtigheid voorgevoeld. Aldus uitgerust en gewapend, kan elke belijder van Christus staan tegen de listige omleidingen van de duivel, weerstaan ook in de boze dag en alles wat tot zijn strijd behoort, uitgericht hebbend, staande blijven. Dit is de wapenrusting van God, de goddelijke, de door God gegevene, die in haar geheel te dragen, die van Hem aan te nemen, die telkens als opnieuw aan te doen is; krachtig te worden in de Heere en in de sterkte van Zijn macht. Heb ik haar aangenomen? Draag ik haar geheel? Doe ik haar telkens als opnieuw aan? Ziedaar vragen, die wel mogen oprijzen en die niemand zonder schade van zijn ziel onbeantwoord kan laten. Heb ik de wapenrusting van God aangenomen? Of heb ik de behoefte aan haar nog niet eens gevoeld? Bond ik misschien de strijd nog niet aan tegen zonde, wereld en boze? Acht ik de doodsvijanden van mijn ziel gering? Omgordde ik mij tot hiertoe met zelfbedrog? Pantser ik mij met eigengerechtigheid? Sta ik in mijn hoogmoed? Steun ik op eigen kracht? Scherm ik met eigenwijsheid? Wee mij dan! In al deze gevallen is de nederlaag zeker. Laat mij wijzer zijn, de raad van de apostel volgen en nemen, aannemen wat ik reeds lang moest dragen en God mij geven wil. Ik draag, zegt iemand, de wapenrusting van God. Maar draagt u ze geheel? De volle wapenrusting! Ontbreekt daar geen stuk? Hij zie toe! De volledigheid maakt kracht. Een half gewapende is nog weerloos. Wat baat het zwaard van de Geest zonder het schild van de geloof? Wat beide, zonder de gordel van de waarheid? Met dezen moet begonnen zijn; anderszins baat al het andere niet; laat ons zeggen: anders volgt het andere niet. God laat zich het overige niet nemen, waar dit eerste niet begeerd wordt.
Verlangt u vrede, bereid u dan ten oorlog, was een bekend woord van de oude Romeinen; maar is dit niet even waar op het gebied van het geestelijk als van het burgerlijk leven? Onschatbaar is de vrede van Christus, maar onmogelijk kan Hij onze vrede zijn en in alle opzichten blijven, als niet de strijd gedurig wordt aangebonden, waaraan zich de natuurlijke mens zo graag onttrekt en die niettemin voor de geestelijke de voornaamste is van persoonlijk levensbehoud. Daarom kan Paulus zijn brief aan de Efeziërs niet sluiten, zonder dat hij nog eenmaal als een goed krijgsknecht van Jezus Christus hen tot de goede strijd gewekt heeft, waarin hij zelf hun is voorgegaan. Zou men niet zeggen, dat de gevangen geloofsheld de wapendos van de Romeinse soldaat, die dag en nacht hem bewaakte, van stuk tot stuk opgenomen en op geestelijke wijs heeft verklaard? Althans van het hoofd tot de voeten, van de helm tot het schoeisel tekent hij zijn beeltenis af, en maakt zo zijn wachter onwetend tot prediker van de heilige bestemming van de Christens. Zeker waren de omstandigheden, waarin deze vermaning gehoord en gedaan werd, ver van gewoon en wij mogen God danken, dat ons voor het tegenwoordige nog geen verdrukking of vervolging ter wille van het Evangelie bereid is. Maar toch heeft voortdurend de Christen een geestelijke strijd hier beneden en vragen wij, wat ons dringt om de vermaning: “doe aan de gehele wapenrusting van God”, als ook tot ons gericht te beschouwen, het antwoord ligt voor de hand. Onze roeping is niet minder hoog en heerlijk dan die van de Efezische Christenen. Het komt er niet slechts op aan om het eigendom van Christus te zijn, maar – hoeveel is in die weinige woorden begrepen, “sterk te worden in de Heere en in de sterkte van Zijn macht. ” Het is de zaak, zonder wankelen te staan op de gevaarlijkste post en daar ten einde toe staande te blijven in de boze dag, intussen alles te verrichten en in waakzaamheid en gebed met onverzwakte trouw te volharden (vs. 18). Voorwaar, het is geen gemakkelijke zaak, in deze ernstige zin een discipel van Christus te zijn en verbergen mogen wij niet, dat op dit gebied allermeest aan de hoogste bergen de diepste afgronden grenzen. Immers, ons gevaar is zo groot, het zou dat reeds zijn, al probeerden alleen vlees en bloed ons ten val te brengen. Maar aan zoveel meer staan wij bloot, als het waar is wat de apostel verzekert van een veel erger onzichtbare vijand, die met list en geweld ons belaagt en als met vurige pijlen ons op de kwetsbare plaats probeert te treffen. En waarom zouden wij op dit punt wijzer zijn dan de Heere en Zijn hoog verlichte apostelen? Het denkbeeld van een persoonlijke boze macht, die zich achter elke verzoeking in en rondom ons verschuilt en door middel van die op ons werkt, heeft niets ongerijmds en vooral onze eeuw, met de gruwelen, die zij heeft gezien en gepleegd, heeft het recht verloren om hier op hoge toon het woord “onmogelijk” uit te spreken. Werkelijk is de geestelijke atmosfeer om ons heen met elementen bezwangerd, zo dodelijk voor het leven van de ziel, dat de bede, om van de boze bewaard te worden, minder dan ooit overtollig mag heten; en zeker is niemand nader aan het punt van te vallen, dan wie nog altijd droomt, dat hij staat. En wat hier vooral niet voorbijgezien mag worden, pas met de gehele wapenrusting van God is het mogelijk om aan onze roeping getrouw te blijven en het onafzienbaar gevaar te ontkomen. Overzie zelf de wapens, door Paulus genoemd, zij moeten dienen om de strijd deels aan te binden, deels te verduren, deels te beslissen. Maar welke van die allen: gordel of borstwapen, schoeisel of schild, helm of zwaard, u kunt er niet een van ontberen, zonder dat al de anderen gevaar horen, hun bestemming te missen en de strijder zelf van als overwonneling neer te zinken. Al de andere wapens dienen ter verdediging, het zwaard alleen tot de aanval, maar wie zal aan aanvallen denken, die niet allereerst in voldoende staat van zelfverdediging is? Zo dan, doe aan de gehele wapenrusting en waar u zich zo telkens ten strijde gereed maakt, laten tevens de voeten geschoeid blijven met die bereidvaardigheid tot de strijd, die alleen het vast geloof en het Evangelie van de vrede geven kan. Onttrek u aan de strijd niet lafhartig; een valse vrede wordt te duur gekocht, als die met schande en banden betaald wordt. Acht uw vijand niet klein; hij is oneindig groter dan u, maar alleen veel kleiner dan God. Vraag niet, hoe lang moet ik nog strijden, maar bidt dat u mag volharden “getrouw tot in de dood” en de kroon van het leven ontvangen.
Door uw genade leer ik strijden, Uw woord ten zwaard, het geloof ten schild. Door uw genade kan ik lijden, Tot eens mijn laatste polsslag stilt.
En als dan met mijn laatste beden Mijn laatste zonden mij ontvlien, Dan mag ik voor Uw aanschijn treden, Dan zal het kind zijn Vader zien.
En verder wordt u door de tijdsomstandigheden zelf op het hart gedrukt, dat u bent met alle bidding en smeking, biddend a) te allen tijde in de Geest (Joh. 4: 23) en tot dit (“bovendien, vooral het oog opengehouden voor de nood, waarin u verkeert en waarin uw strijdgenoten in andere delen van de kerk zich bevinden, wakend met alle gedurigheid en smeking voor al de heilige (Hoofdstuk 4: 12).
Luk. 18: 1 Rom. 12: 12 Kol. 4: 2. 1 Thessalonicenzen. 5: 17.
Men zou het gebed voor de heilige, waartoe de apostel hier vermaant, wel als het zevende stuk van de wapenrusting van God kunnen houden. Toch lezen wij niet: “grijp de boog van het gebed” of iets dergelijks. Waarom ontbreekt nu bij “het geestelijk wapen van het gebed” een zinnebeeld van de krijg? Men kan zeggen: ten eerste daarom, omdat het gebed geen bijzondere plaats naast de overige stukken van de Christelijke wapenrusting inneemt, maar integendeel met ieder stuk zich op het nauwst verbindt: de gesp van de gordel van de waarheid, de keten van het borstwapen van de gerechtigheid, de riem van de gordel van de vrede, het handvat van het schild van het geloof, de stormband van de helm der zaligheid, de greep van het zwaard van de Geest – is het gebed van de strijders van Christus. Maar ook nog om een andere reden heeft de apostel de vermaning tot gebed niet direct willen rekenen onder het beeld van een krijgstoerusting, in zijn veldprediking gebruikt. Dat het in het Christelijk gebedsleven tot strijden en worstelen moest komen, wist hij uit eigen ervaring duidelijk (Rom. 15: 30), maar hoewel de duivel en zijn boze geesten met hun listige aanvallen tegen hen, die in Jezus naam bidden niet ophouden, bestaat toch de gebedsstrijd van de gelovigen werkelijk in worstelen met God (Gen. 32: 28). Tegen de duivel en diens helse legerschaar rust de apostolische veldprediking de heilige toe, het apostolisch afscheidswoord daarentegen roept hen tot de wapens, waarvan de profeet in Hos. 12: 5 spreekt.
De apostel heeft ons op het slagveld gevoerd, waar pijlen vliegen en zwaarden blinken, waar zich een groot gedruis verheft, het zuchten en steunen van gewonden en gevangenen wordt gehoord. Nu leidt hij ons van het open veld naar een andere plaats, waar de beslissing van de slag plaats heeft, namelijk in het bidkamertje, in de biddende gemeente (Ex. 10: 10 vv). Ja, de gemeente weet, waar de strijd moet worden begonnen, namelijk bij de Heere. Heeft zij Hem gewonnen, dan heeft zij de slag gewonnen en voor Hem neergeknield, overwint zij haar vijanden.
Hoeveel gebeden hebben wij opgezonden van het eerste ogenblik af dat wij leerden bidden! Ons eerste gebed was een gebed voor onszelf; wij smeekten dat God ons genadig mocht zijn en onze zonden uitdelgen. Hij verhoorde ons. Maar toen Hij onze zonden als een nevel had uitgedelgd, hadden wij nog meer voor onszelf te bidden. Wij hadden nodig te vragen om heiligmakende, om aanvurende en weerhoudende genade; wij werden ertoe gebracht om naar een vernieuwde verzekering van het geloof te verlangen, naar de vertroostende toe-eigening van de belofte, naar bevrijding voor het uur van de verzoeking, naar hulp in plichtsvervulling en naar bijstand in de dag van de beproeving. Door de nood van onze zielen zijn wij gedrongen geworden tot God te gaan, zoals bedelaars gedurig om alles vragende. Getuigt het kinderen van God, dat u nooit ergens anders iets voor uw zielen heeft kunnen verkrijgen. Al het brood, dat uw ziel heeft gegeten, is uit de hemel neergedaald, en al het water, waarmee uw ziel is gelaafd, uit de levende rots gestroomd, Christus Jezus, de Heere. Uw ziel is nooit in zichzelf verrijkt; zij is altijd een gepensioneerde geweest, levend op de dagelijkse weldadigheid van uw God en uw gebeden zijn ten hemel geklommen ter verkrijging van een reeks geestelijke, allen even oneindige goedertierenheden. Uw noden waren talloos en de vervulling oneindig groot en uw gebeden zijn zo verschillend geweest als de barmhartigheden ontelbaar waren. Heeft u dus geen reden om uit te roepen: Ik heb lief, want de Heere hoort mijn smekingen? Want zo menigvuldig uw gebeden waren, zo menigvuldig waren Gods antwoorden. Hij verhoorde u in de dag van de benauwdheden, versterkte en ondersteunde u, zelfs toen u Hem door uw beven en twijfelen, terwijl u voor de genadetroon laagt neergeknield, onteerd. Gedenk daaraan en dat uw hart met dankbaarheid jegens God vervuld wordt, die zo genadig uw arme, zwakke gebeden heeft verhoord. Loof de Heere, mijn ziel en vergeet geen van Zijn weldaden.
En a) voor mij, opdat mij door de Heere overeenkomstig Zijn belofte (MATTHEUS. 10: 19 v. Luk. 21: 14 v.) het woord, dat moet worden gesproken, gegeven wordt in de opening van mijn mond met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie, het in het Evangelie geopenbaarde geheim (Hoofdstuk 1: 9), bekend te maken.
Hand. 4: 29. 2 Thessalonicenzen. 3: 1
a) Waarover ik een gezant ben in een keten, omdat mij, hoewel ik een gevangene ben, toch het prediken niet verhinderd wordt (Hand. 28: 31), opdat ik daarin, in de volvoering van mijn ambt, vrijmoedig moge spreken, zoals mij betaamt te spreken (Kol. 4: 3 v.).
2 Kor. 5: 20
De apostel geeft hier een nieuw bewijs van zijn diepe ootmoed, dat hij de Christenen, tot wie hij schrijft, zo ernstig om hun voorbede vraagt. Het heeft hem tot hiertoe niet aan moed ontbroken, hij is nooit in verzoeking geweest om zijn Heere en Heiland te verloochenen. Toch is hij er zich bewust van hoezeer ieder Christen steeds de bijstand van de gehele Christelijke gemeente nodig heeft in de strijd tegen het rijk van de duisternis. Hij heeft het reeds vaak ondervonden, hoe de voorbede en de liefde van de broeders de Christelijke strijder als op adelaarsvleugels draagt en hoe het bewustzijn, duizenden van medestrijders vol geestdrift achter zich te hebben, het hart staalt tot de strijd. Uit zijn getuigenissen leren zij tevens, dat alleen de vrijmoedige en blijde prediking van het Evangelie een gezegend gevolg heeft. Die slechts voor de helft de waarheid van het Evangelie belijdt, die wint ook geen hele harten.
Het is de wil van de apostel, dat wij niet alleen met vertrouwen en vrijmoedigheid de verborgenheid van het Evangelie bekend maken, in plaats van uit vrees om erover te zwijgen, maar hij wil het ook nog verkondigen, als het hem betaamde. Het was zijn roeping om de heidenen tot Christus te bekeren; nu heeft hem het volbrengen van deze roeping in de gevangenis gebracht (Hoofdstuk 3: 1, 13). Hoe lag het nu voor hen voor de hand, om uit voorzichtigheid, zolang hij de beslissing van zijn zaak tegemoet zag, datgene op de achtergrond te plaatsen in zijn verkondiging van het Evangelie, waardoor hij de toorn van zijn volk tegen zich had opgewekt (Hand. 22: 21 vv).
Daarom moeten zij voor hem bidden, dat hem het woord wordt gegeven, niet dat zijn keten wordt losgemaakt; om het openen van zijn mond, niet om het losmaken van zijn boeien, om vrijmoedigheid tot spreken te midden van zijn banden, maar niet om bevrijding ervan.
D. De apostel is met hetgeen hij in de beide vorige verzen zei tot het slot van de brief gekomen. Zichzelf heeft hij aan de voorbede van zijn broeders tot een bepaald doel aanbevolen. Nu leest hij de vraag in hun harten: “maar hoe is het met uzelf en welke is de toestand, waarin u zich bevindt? ” Intussen wil hij zich niet in de eerste plaats ermee bezighouden, om hun mededelingen te doen, die zij mondeling verkregen hebben door hen, die met het overbrengen van de brief belast waren en zeer goed bekwaam waren om mogelijke bezwaren van hun kant op te heffen. En zo gaat hij dadelijk over tot de zegenwensen waarmee hij eindigt en die eigenaardig zijn wat vorm en inhoud betreft. Deze draagt een meer algemeen karakter dan gewoonlijk en geeft in verband met de andere bijzonderheid, dat Paulus geheel en al nalaat elk in het bijzonder te groeten, duidelijk te kennen dat de brief niet aan de gemeente te Efeze in het bijzonder gericht is, maar aan een kring van gemeenten in Klein-Azië.
En opdat ook u, evenals anderen, die reeds berichten over mij hebben verkregen, mag weten hetgeen mij aangaat en wat ik doe, in welke omstandigheid ik ben en hoe ik te midden van deze gesteld ben, dat alles zal u a) Tychikus, Ac 19: 20, de geliefde broeder en getrouwedienaar in de Heere (Tit. 3: 12. 2 Kor. 8: 22 Hand. 20: 4) bekend maken.
Hand. 20: 4 Kol. 4: 7
Die ik met datzelfde doel tot u (2 Tim. 4: 12) gezonden heb, opdat u onze zaken zou weten en hij uw harten zou vertroosten, wanneer u zich omwille van mij bezorgd maakt (Hoofdstuk 3: 13. Filip. 1: 12 Filemon 1: 22).
Op geheel dezelfde en toch in enkele belangrijke punten afwijkende wijze staat in Kol. 4: 7 vv. : “Al mijn zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mede-dienstknecht in de Heere, die ik met hetzelfde doel tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken weet volgens andere lezing: “opdat u verneemt hoe het met ons gesteld is en uw harten vertroost. Met Onesimus, de getrouwe en geliefde broeder, die uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken wat hier is. Het is bij de uitleggers gewoonte geworden bijzondere nadruk te leggen op hetgeen aan deze plaats staat: “opdat ook u mag weten” en uit dit “ook” het besluit te trekken, dat de apostel eerst de brief aan de Kolossensen zal hebben geschreven en dat hij nu ook de Efeziërs doet verwachten wat hij deze had beloofd, dat namelijk Tychicus hun bericht over zijn toestand zou brengen. Tegen deze opvatting staat intussen reeds dit over, dat onmogelijk de Efeziërs, die van de inhoud van de brief aan de Kolossensen toch niets wisten, dat “ook” in zo’n zin konden begrijpen. Paulus zou dus alleen dat woordje hebben geschreven van het standpunt van zijn eigen weten, zonder ook maar enigszins eraan te denken, of de lezers zijn bedoeling bij dat woordje konden begrijpen of niet. Als men zich nu over deze bedenking daardoor wil heen zetten, dat, als er naar gevraagd werd, Tychicus verklaring daarvan zou hebben kunnen geven, dan ontstaat een nog grotere moeilijkheid daardoor, dat Paulus schrijft dat hij bepaald voor hen, om hun bericht te geven en hen gerust te stellen Tychicus tot hen had gezonden en dat hij geheel hetzelfde hier ook tot de Efeziërs zegt. Moeten wij, zo merkt Otto hierbij op, van de apostel denken, dat hij beide gemeenten heeft willen doen geloven dat hij juist omwille van haar in het bijzonder een buitengewone bode had gezonden? Zeker niet; de zaak moet anders zijn. En dat zij werkelijk anders is, dat de zending van Tychicus tot de Kolossensen een andere is dan die aan de Efeziërs, geen welke ter zelfde tijd plaats had, blijkt bepaald daaruit, dat bij de ander Onesimus reisgenoot van Tychicus is, bij deze echter niet. Deze omstandigheid is te belangrijker, omdat in de brief aan de Kolossensen Timotheus tegelijk met de apostel groet (Kol. 1: 1), in de brief aan de Efeziërs echter Paulus alleen. Beide punten spreken er beslist voor, dat de beide brieven, wat de tijd aangaat, uit elkaar moeten worden gehouden en de een vroeger en onder andere omstandigheden geschreven is dan de andere. In de brief aan de Kolossensen was Timotheus bij Paulus, in de brief aan de Efeziërs niet. Toen vertoefde deze integendeel te Efeze en ontving in de tweede aan hem gerichte brief zelf van de apostel bericht, hoe het met hem was (2 Tim. 1: 16 v. ; 2: 9 v. ; 4: 6 v.). Deze brief was echter niet bestemd om openlijk te worden voorgelezen. Opdat echter ook de gemeente mocht vernemen hoe het met Paulus was, daartoe juist moesten de mondelinge berichten van Tychicus dienen. Hoe het daarentegen met de laatste zending aan de Kolossensen stond, daarover zullen wij bij de verklaring van de aan hen gerichten zendbrief nader handelen. Andere schriftonderzoekers hebben het verschil tussen de beide plaatsen, dat wij hier bespreken, zo proberen te verklaren, dat zij aannamen dat de beide brieven, waarvan wij spraken, door Paulus gedurende zijn gevangenschap te Cesarea (Hand. 24: 23 v.) waren geschreven. Tychicus zou dan eerst zijn reis naar Kolosse hebben volbracht, waar hij Onesimus achterliet, en vervolgens had hij te Efeze eveneens de hem opgedragen mededelingen gegeven over de toestand van de apostel, evenals vroeger te Kolosse. Te Cesarea bevond zich echter Paulus in de gevangenis (niet zo als te Rome in een gehuurde woning) en kon hij wel allen, die tot hem kwamen, om hem te dienen, ontvangen, maar geen brieven naar buiten zenden. Bovendien is niet denkbaar, hoe de apostel van zijn gevangenschap te Cesarea, waar hij zich toch in het gebied van het apostelschap van de besnijdenis bevond (Hand. 10: 5. Gal. 2: 9) mocht zeggen, dat ook zijn gevangenschap, zoals vroeger zijn vrijheid, het doel had om hen de verborgenheid van Christus openbaar te laten worden, zoals het hem betaamde (vs. 20 Hoofdstuk 3: 4 vv.).
Vrede zij de broeders (Fil. 4: 7) en liefde met geloof (Hoofdstuk 3: 17) van God de Vader en de Heere Jezus Christus (Hoofdstuk 1: 2).
De genade van God in Christus (Kol. 4: 18. 1 Tim. 6: 21. 2 Tim. 4: 22. Tit. 3: 15) zij met al degenen, die onze Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid, op onveranderlijke manier (vgl. 1 Kor. 16: 22). Amen.
De vorm van de groet is geheel ongewoon: de derde persoon (“de broeders” – “met allen die liefhebben” enz.) is gebruikt, hoewel in vs. 21 v. de directe aanspraak werd gevonden en niet de tweede (“u” “met u. Hiermee is iets meer algemeens uitgedrukt, zoals met een algemene zendbrief overeenkomt. Verder is in twee groeten verdeeld wat anders in een wordt samengevat. Daarin wordt nadrukkelijk gewezen van de werkingen van de genade in het hart en het leven van de Christen op de eerste grond ervan. Eindelijk is de eerste begonnen met “vrede”, waarmee anders de groete eindigt; en met “genade”, waarmee doorgaans de groeten aanvangen, begint dan de tweede groet. Deze verschillende groet, die ons aan parallellisme doet denken, zou misschien zo kunnen worden onderscheiden, dat de eerste op het inwendige leven in Christus, de andere op het principe, dat de grond van dit leven is, wijst.
De vrede, de blijde boodschap met God door de verzoening van Christus, moet steeds in het nauwste verband staan met de voortgaande groei van de liefde tot Hem en de versterking van de wortel van het gehele nieuwe leven, het geloof.
Alle zegen kan als een uitvloeisel van de goddelijke genade alleen daar werkzaam zijn, waar de menselijke liefde de Goddelijke beantwoordt en waar die niet is het product van een ogenblikkelijke vrome opwelling, maar waar die een onvernietigbare gezindheid van de wedergeborene zelf is geworden.
Alle levende Christenen staan in de liefde tot de Heere Jezus. Zij, die deze Jezus liefhebben met hun hele hart, zodat zij in deze liefde alleen op Hem zien en alleen Hem begeren en alleen Hem navolgen en zichzelf voor Hem verloochenen, Zijn kruis en hun kruis Hem gewillig nadragen, zodat zij Hem leven en Hem sterven, deze zijn de Christenen, zijn Gods kinderen, Zijn bijzonder en dierbaar eigendom.
Het komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, en tot de volheid van de mannelijke grootte in Christus (Hoofdstuk 4: 13) heeft zijn trappen en in de heiliging en verlichting van hun gehele leven hebben de kinderen van het licht een verschillende hoogte; maar allen, kleinen en groten, zwakken en sterken, hebben dat kloppen van het hart in liefde voor de Heere Jezus gemeen.
Het kleinste kind in Christus en de sterkste door Gods Geest naar de inwendige mens, kunnen in het kostelijkste punt van het hart, in de liefde van Jezus elkaar ontmoeten.
De liefde tot de Heere Jezus moet blijven, moet onveranderlijk blijven, welk lot ons ook treft, hoe ook de geest van de tijd verandert, anders is zij niet zuiver: Laus in amore mori – tot lof is alleen als men in de liefde sterft.
Aan die van Efeze geschreven van Rome (en gezonden) door Tychicus.
SLOTWOORD OP DE BRIEF AAN DE EFEZIERS
In de lente van 61 na Christus was Paulus als gevangene te Rome aangekomen. Na een onderkomen verkregen te hebben, had hij de oudsten en opzieners van de daar wonende Joden bij zich ontboden tot een samenspreking, om, zoals het steeds zijn gewoonte was, eerst bij zijn broeders naar het vlees een poging in het werk te stellen tot hun bekering. Toen op een van de volgende dagen nog veel meerderen tot hem kwamen, had hij op zeer dringende en overtuigende manier tot hen gesproken, maar toch moest hij tenslotte ondervinden, dat door het oordeel van God dit volk verstokt was en de tijd was gekomen dat Israël nu zijn eigenwillig gekozen wegen zou gaan en het rijk van God van hen zou worden genomen, om voortaan zijn verblijfplaats in de heidenwereld te hebben (Hand. 28: 17-29). Nu begrijpen wij wel, dat het oog van de apostel zich met volle beslistheid wendde tot de kerk, die uit de heidenwereld werd opgebouwd, terwijl zijn eigen volk, waaraan hij oorspronkelijk zijn werkzaamheid had willen wijden (Hand. 22: 17 vv.) in zijn hart op de achtergrond trad en hoe zijn apostolische roeping naar haar eigenaardigheid (omdat hij ertoe geroepen was, onder alle heidenen de gehoorzaamheid van het geloof op te richten, Rom. 1: 5), hem nu voorkwam als van zo grote betekenis als hij in Hoofdstuk 3: 8 vv. uitspreekt, zodat hij het voor zijn plicht hield, zijn krachten voor zoveel hem de bediening van zijn ambt nog mogelijk was, uitsluitend tot dat doel aan te wenden (Hoofdstuk 6: 19 v.). En als het werkelijk is, zoals wij in Aanm. II a. 2 hebben aangenomen, dat nog in de eerste helft van het jaar 61 Petrus uit Babylon zijn eerste brief aan de Christenen in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azie en Bithynië geschreven heeft en zich daardoor uit zijn vroegere arbeid, die uitsluitend de Joden in Palestina en in de diaspora aanging (uitgezonderd van het buitengewone geval in Hand. 10) tot een mede-arbeiden aan de heidenen begeven had, dan kunnen wij begrijpen, waarom Paulus zo schreef als wij in Hoofdstuk 2: 5 vv. lezen. Nu was dat geheim, waarover daar wordt gehandeld zozeer duidelijk geworden, als nog nooit van te voren, omdat ook diegene onder de twaalf apostelen, op wie Christus nog in bijzondere zin Zijn gemeente gebouwd had (MATTHEUS. 16: 18), zonder enig bezwaar (Gal. 2: 9 en 11 vv.) zijn laatste levensjaren aan de heidenen wijdde (vgl. bij Joh. 21: 18). Zo staat het voor ons buiten alle twijfel vast, dat onze brief uit Rome en niet, zoals velen hebben willen beweren, uit Cesarea geschreven is en dat die vóór de zo verwante brief aan de Kolossensen en niet, zoals sommigen hebben gemeend, na die geschreven is. Hij geeft toch geheel die gedachten en inzichten, gevoelens en ervaringen weer, die juist toen, snel bij het begin van de gevangenschap te Rome, tengevolge van de beide medegedeelde gebeurtenissen in het hart van de apostel waren, en nu dadelijk in de eerste zendbrief, waarmee hij zijn verkeer met de gemeenten van zijn arbeidsveld weer opende, probeerden zich op gepaste manier uit te drukken. Zeer doelmatig was het dan tevens om juist aan de gemeente te Efeze deze zendbrief te adresseren (Hoofdstuk 1: 1). Met Efeze had Paulus zijn werkzaamheid in de tijd van zijn vrijheid gesloten, toen hij de oudsten van de gemeente naar Milete riep en afscheid van hen nam (Hand. 20: 17 vv.) en met Efeze begint hij nu ook zijn werkzaamheid in de gevangenschap, zodra de mogelijkheid hem daartoe is gegeven. Efeze zal ook in de eerste eeuwen aan het hoofd van de geschiedkundige ontwikkeling van de kerk staan; daarom is het als een goddelijke profetie, dat deze brief aan deze gemeente geadresseerd is, die over de ene, heilige en apostolische kerk handelt. Toch is deze zendbrief, zoals wij vaker gelegenheid hadden op te merken, niet tot Efeze gericht als de bijzondere, lokale gemeente, zodat zij haar alleen aanging op dezelfde manier als andere zendbrieven die gemeente, waarvoor zij volgens het opschrift bestemd zijn; de apostel ziet integendeel van alle bijzondere omstandigheden af en plaatst zich op zo’n universeel standpunt ten opzichte van de lezers, dat men, stond het adres er niet, het minst zou denken aan die gemeente, waarbij de apostel zo lang en zo gezegend werkzaam was geweest (Hand. 19: 9 vv. ; 20: 18 vv.). Dit is nu zeer goed daaruit te verklaren, dat Efeze hier alleen fungeert als vertegenwoordigster van de kerk, uit de heidenwereld vergaderd en alleen in de eerste plaats aan haar de brief geadresseerd is. Zij moest die natuurlijk in de eerste plaats zelf lezen en ter harte nemen, maar die dan verder geven; zij is als het ware het hoofd van een vereniging, en zal weten wat zij verschuldigd is aan de overige medeleden van het gezelschap. Wat de apostel haar om zo te zeggen voor haar eigen persoon heeft te schrijven, doet hij evenals de Heere zelf later bij de zeven brieven in Openbaring 2 en 3 aan de engel van de gemeente, in de tweede brief aan Timotheus, die in dezelfde tijd is vervaardigd. Bij deze brief daarentegen staat zij echter niet meer persoonlijk voor het oog, integendeel, waar Paulus meer het persoonlijke nadert, zijn het meer de andere gemeenten, die achter Efeze staan, die hij zich voorstelt (vgl. Hoofdstuk 1: 15; 3: 2 vv. ; 4: 21 en die daardoor vóór Efeze op de voorgrond treden. Men heeft vermoed dat de gemeenten, aan wie de brief in haar eigenschap als een rondgaand schrijven gericht is, dezelfde zou zijn, die in de Openbaring van Johannes (1: 11) genoemd worden: Efeze, Smyrna, Pergamus, Thyatire, Sardis, Filadelfia en Laodicea. Zeker is het opmerkelijk, dat enige van de oudste Griekse handschriften in Hoofdstuk 1: 1 het “te Efeze” niet hebben, maar daarvoor een lege plaats laten zien en aan de andere kant de Gnostieker Marcion (omstreeks het midden van de 2de eeuw na Christus) in zijn codex van de Paulinische brieven in plaats van “te Efeze” het adres “te Laodicea” gaf. Wij verenigen ons met de mening, die de zeven gemeenten in Klein-Azië uit de Openbaring voor die cyclus van gemeenten houdt, waaraan onze brief volgens de eigenlijke mening door Paulus gericht is, met te minder bedenken, omdat volgens onze opvatting die gemeenten als de vertegenwoordigsters van de Christelijke kerk uit de heidenen moeten worden beschouwd. Van Efeze ging het rondgaan van de zendbrief uit en naar Efeze keerde dit tenslotte terug, om daar bewaard te blijven. Het is dus geheel naar de orde, als nu ook de gemeente te Efeze die is, waaraan de brief geadresseerd is. Het is echter zeer goed mogelijk, dat de oorspronkelijke tekst het adres “te Efeze” niet heeft gehad, maar in plaats daarvan een lege ruimte was gelaten, die de voorlezer met de naam van die gemeente, die haar nu horen zou, moest aanvullen. Het blijft ten minste een merkwaardig, nauwelijks te verklaren feit, dat Basilius de Grote (overl. 379), evenals ook Origenes, op het ontbreken van de Griekse woorden: en Efesq (te Efeze) een verklaring van de voorafgaande woorden: toiv ousin (die daar zijn) grondt, die volstrekt onmogelijk zou zijn, als de handschriften, die hun ter beschikking stonden, van die woorden ook maar een spoor hadden bevat en als hem evenwel de woorden bekend zijn als zich bevindende in andere handschriften, dan beschouwt hij het ontbreken ervan als het oorspronkelijke, omdat de lezing pas later ingedrongen zal zijn. Het zij echter zoals het zij: voor ons staan de woorden daar; ook hebben wij geen reden om er aan te denken ze uit te schrappen. Leidt nu de naam Efeze ons naar de latere verblijfplaats van de apostel Johannes, dan kan ook niet ontkend worden, dat deze brief aanrakingspunten met het Evangelie van Johannes heeft en zeker zou het wel de moeite waard zijn om die punten van aanraking in het bijzonder op te sporen en aan te wijzen. Verder zou dan ook blijken, dat er een paralelle verhouding is tussen de brief aan de Efeziërs en de vroegere brieven van de apostel, evenals tussen het Johannes-evangelie en de drie Synoptici.
De grote betekenis van de brief voor alle tijden ligt in het hoofdbegrip en de hoofdgedachte: de Kerk van Jezus Christus is ene voor eeuwigheid beslotene en voor de eeuwigheid bestemde schepping van de Vader door de Zoon en de Heilige Geest. Zij is de ethische Kosmos, waarom het werk van de verlossing geschiedde, in de Kosmos, die door de schepping teweeg is gebracht. Zij is het huisgezin van God, die in de wereld en wereldgeschiedenis verzameld is en nog vergaderd zal worden; het voorwerp van Zijn zorg in tijd en eeuwigheid. Onze tijd, die zozeer lijdt aan dwaalbegrippen over het wezen van de kerk, die van de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan alle voorschriften en leerstellingen door de kerkinrichting van de ultramontanen geëist, door de rationalistische schaar heen, die liever slechts een pythagorisch omacoeion (gemeenschappelijke gehoorzaal) in plaats van de exxlhoia bouwden, tot aan de vrije kerken en de kerken van de toekomst, die slechts een omadov (door elkaar spreken) en oxlov (ongeordende menigte) zonder axoh (het horen) overlaten, tot aan het aannemen van een zuivere godsdienstgemeenschap zich verlopen heeft, moge hier de juiste weg leren kennen en zich opheffen. Grond en doel van de kerk is Christus. Alles komt aan op de verhouding tot Christus, waarnaar de verhouding tot de kerk wordt bepaald. Waar Christus is, daar is de kerk en waar, al is het eerst in wording, de kerk is, daar is en werkt ook Christus. En Christus en Christus’ kerk zijn daar, waar Zijn bovenwereldse eeuwige persoonlijkheid is aangenomen, waar die niet tegengestaan of verloochend wordt. In Christus, dat is de eis, die onwillekeurig en noodzakelijk aan alle waarheid en alle leven gesteld is. De kerk moet voor een onzichtbaar zichtbare, door en door ethische levenssfeer van de Heilige Geest erkend worden. Uit die levenssfeer wordt en werkt en zegent de kerk in de wereld en de tijd onder de volken. In haar ontstaat een ethisch levensproces, die het individu in zijn binnenste en tederste centrum beweegt, na steeds meer verdwijnende vervreemding van God tot zalige nabijheid van God, van vijandschap en dienstbaarheid tot het kindschap en de erfenis bij God, van de lust tot zonde door de vergeving van de zonden tot heerlijke reinheid voortgaande. Middel van de genade voor elk in het bijzonder en tot gemeenschap is het woord, dat in geloof en gebed en lied in het hart en in de gemeente weerklinkt. Toch treedt het woord niet zo op de voorgrond, dat het sacrament daarom terzijde zou worden geschoven (Hoofdstuk 4: 5). Organen zijn voor de dienst in het woord nodig, terwijl de leden van de gemeente liefderijk helpend naast elkaar staan. Ieder Christen moet beschouwd worden als een heilige en geheiligde, als lid van het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. De natuurlijke regelingen van huwelijk en huisgezin de status oeconomicus, zowel als politicus worden met de status ecclesiasticus erkend, zodat zij in de kerk alleen tot hun recht komen, om weer tot bevordering en groei van de gemeente te dienen. Dat alles wordt duidelijk gezien en met bewonderenswaardige kortheid uiteengezet. De grote waarde van deze brief voor alle tijden van de kerk wordt op deze manier duidelijk.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel