Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 98 — Treasury of David

Titel en onderwerp
Dit heilige lied draagt alleen het opschrift “Een psalm”. Het volgt op een passende manier op de vorige psalm. Het is duidelijk een vast onderdeel van de reeks koninklijke psalmen. Ps. 97:1-12 beschreef hoe het evangelie wordt bekendgemaakt en zo het koninkrijk van de hemel wordt opgericht. Deze psalm is daarbij een soort kroningslied. De overwinnende Messias wordt er plechtig uitgeroepen tot Heerser over de volken, met bazuingeschal, handgeklap en feestelijke zegeklanken. Het is een buitengewoon gedurfd en levendig lied, dat zo uit het leven lijkt gegrepen. Critici hebben overtuigend laten zien dat in Jesaja vergelijkbare uitdrukkingen staan.
Maar wij zien niet in waarom de psalm daarom door Jesaja moet zijn geschreven. Met die redenering kun je de helft van alle Engelse boeken aan Shakespeare toeschrijven. Het zit zo: deze bij elkaar horende psalmen vormen een mozaïek. Elk daarvan heeft er een passende plaats in en is nodig om het geheel compleet te maken. Daarom geloven wij dat ze allemaal één en dezelfde geest tot schrijver hebben. Als wij Paulus goed begrijpen, schrijft hij Ps. 95:1-11 aan David toe. Wij geloven dat dezelfde dichter de hele groep moet hebben geschreven. Daarom schrijven wij ook deze psalm toe aan de zoon van Isaï.
Wie de schrijver ook is, dit lied verdient een plaats onder de meest vrome heilige liederen, de liederen die de ziel het diepst ontroeren.
Indeling
Hier vinden we drie strofen van elk drie verzen. In de eerste, Ps. 98:1-3, hoor je waarover de lof gaat. In de tweede, Ps. 98:4-6, staat hoe die lof moet klinken. En in de derde, Ps. 98:7-9, wordt uitgeroepen dat die lof de hele wereld omvat.
Uitleg
Vers 1
“Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan.” Eerder zongen we een nieuw lied (Ps. 96:1-13), omdat de HEERE zou komen. Nu zingen we weer een nieuw lied, want Hij is gekomen, heeft gezien en heeft overwonnen. Jezus, onze Koning, leefde een wonderbaar leven. Hij stierf een wonderbare dood, stond op door een wonderbare opstanding en voer wonderbaar op naar de hemel. Door Zijn goddelijke macht zond Hij de Heilige Geest, Die wonderen doet. Door die heilige kracht deden ook Zijn discipelen wonderbare dingen, zodat heel de aarde verbaasd stond.
Afgoden zijn gevallen, bijgeloof is verschrompeld, stelsels van dwaling zijn op de vlucht geslagen en rijken van wreedheid zijn ten onder gegaan. Daarvoor verdient Hij de allerhoogste lof. Zijn daden bewezen Zijn Godheid. Jezus is Jehova, en daarom zingen we voor Hem als de HEERE. “Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.” Anderen hebben Hem daarbij niet geholpen. Zijn wonderbare overwinningen heeft Hij behaald met Zijn eigen ongewapende hand. Zonde, dood en hel bezweken onder Zijn heldenmoed, waarin Hij alleen stond. De afgoden en de dwalingen van de mensheid zijn door Zijn hand alleen omgegooid en neergeslagen.
Het is des te wonderlijker dat Jezus onder de mensen overwint, omdat dit gebeurt met middelen die op het eerste gezicht volstrekt te zwak zijn. Hij overwint niet door lichamelijke kracht, maar door morele kracht: de kracht van goedheid, gerechtigheid en waarheid. Kortom, door de macht van Zijn heilige arm. Zijn heilige invloed is de enige reden dat Hij slaagt. Jezus grijpt nooit naar list of grof geweld. Zijn smetteloze volmaaktheid geeft Hem een echte en blijvende overwinning op alle machten van het kwaad. Die overwinning behaalt Hij net zo behendig en makkelijk als een krijger die zijn tegenstander met zijn rechterhand slaat, zodat die languit op de grond ligt.
Eer aan de Overwinnaar! Laat nieuwe liederen tot Zijn lof klinken. Toen wij Zijn zegetochten overdachten, raakte dat ons zo diep dat onze pen Hem niet onbezongen kon laten. Zo ontstond de volgende hymne:
Ten strijde rijdt onze Koning uit,
Hij stijgt op Zijn zegekar,
Hij legt Zijn pijlen aan op de pees
en treft Zijn vijanden van ver.
Schuldbesef doorboort de hardste harten,
zij bloeden, zij bezwijmen, zij sterven;
geveld door Immanuëls welgemikte pijlen
liggen zij hulpeloos op hopen.
Zie, Hij ontbloot Zijn tweesnijdend zwaard
en deelt almachtige slagen uit.
Zijn Woord, dat alles blootlegt en doodt,
dringt door tot in gewricht en merg.
Straks rijdt Hij, getooid met gewaden van genade,
over de vertrapte vlakte,
met ontferming stralend op Zijn gelaat
en barmhartigheid in Zijn gevolg.
Machtig om te redden verschijnt Hij nu,
machtig om de doden op te wekken,
machtig om de bloedende wond te stelpen
en het gevallen hoofd op te heffen.
Even groot in liefde als in wapenen,
ontelbaren buigen zich voor Hem neer:
zo onweerstaanbaar trekt de Overwinnaar,
dat elke vijand Hem tot vriend wordt.
Zij kronen Hem op het slagveld
tot Koning van alle volken.
Met trompetten en met schallende hoorns
doen zij de hoge bogen van de hemel weergalmen.
Het heil dat Jezus heeft gebracht, is met wonderbare wijsheid bewerkt. Daarom wordt het aan Zijn rechterhand toegeschreven. Het voldoet aan wat de gerechtigheid eist, en daarom lezen we over Zijn heilige arm. Het is Zijn eigen werk, zonder hulp van anderen, en daarom krijgt Hij alle eer. En het is bovenmate wonderbaarlijk, en daarom verdient het een nieuw lied.
Vers 2
“De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt.” Dat gebeurde toen Jezus kwam en de Heilige Geest werd uitgestort. Door Zijn kracht ging het evangelie naar de heidenen. We moeten de Heere prijzen voor meer dan het heil dat Hij voor de mensen heeft bewerkt. We moeten Hem ook prijzen omdat Hij het heeft laten weten. Want de mens zou het nooit zelf hebben gevonden. Ja, niet één ziel zou ooit op eigen kracht de weg van barmhartigheid door een Middelaar hebben ontdekt. Altijd is het een goddelijke openbaring, die tot verstand en hart doordringt.
Alleen in Gods eigen licht zie je Zijn licht. Hij moet Zijn Zoon in ons openbaren, anders zien we Hem niet. “Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.” Het woord “gerechtigheid” ligt de apostel van de heidenen na aan het hart. Hij schrijft graag over de manier waarop de Heere mensen rechtvaardig maakt en zo ook Zijn eigen gerechtigheid overeind houdt, door het bloed dat verzoening brengt. Hoeveel liederen zouden wij moeten zingen, wij die van een eens heidens geslacht zijn! Zo’n gezegend evangelie is een kracht van God tot zaligheid, “want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof.” Het is geen geheim dat angstvallig wordt bewaard en verstopt.
De Schrift leert het onomwonden en onder de volken is het helder gepredikt. Wat in de voorbeelden nog verborgen lag, is in het evangelie “openlijk getoond”.
Vers 3
“Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels.” Tot hen kwam Jezus in het vlees, en bij hen werd het evangelie als eerste gepredikt. Zij achtten zichzelf het eeuwige leven niet waard, en toch bleef het verbond heel. Het ware Israël werd immers tot gemeenschap met Hem geroepen en blijft die gemeenschap behouden. Een goedertierenheid die eeuwig duurt en een trouw die geen belofte vergeet, staan borg voor het uitverkoren zaad. Het heil dat het genadeverbond lang geleden garandeerde, is hun zeker. “En al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.” Genade kreeg niet alleen het nageslacht van Abraham naar het vlees.
Ze kwam ook bij de uitverkorenen uit alle volken. Laat dus heel Gods gemeente Hem een nieuw lied zingen. Dat het evangelie in zo korte tijd in alle landen bekend werd, was een grote zegen en geen klein wonder. Het had zoveel succes en de gevolgen blijven. Voor Pinksteren hoort een nieuw lied, net zo goed als voor het lijden en de opstanding. Laat ons hart opspringen als we eraan terugdenken. Onze God, onze eigen, voor eeuwig gezegende God, wordt nu geëerd door mensen die ooit voor stomme afgoden knielden. Zijn heil hebben alle volken niet alleen gehoord maar ook gezien.
Ze hebben het beleefd, niet alleen uitgelegd gekregen. Zijn Zoon is echt de Verlosser van een grote schare uit alle volken. Deze drie verzen leren ons hoe we de Heere moeten prijzen.
Vers 4
“Juicht den HEERE, gij ganse aarde!” Elke tong moet Hem toejuichen, en wel met de kracht die alleen vreugde in het hart kan losmaken. Mensen roepen luid als ze een koning welkom heten, en zo moeten wij het ook doen. Laat luide hosanna’s opstijgen, vol van geluk. Als mensen ooit van vreugde roepen, dan zeker wanneer de HEERE onder hen komt en Zijn evangelische koningschap wordt uitgeroepen.
John Wesley zei tegen zijn mensen: “Zing krachtig en met goede moed. Pas op dat je niet zingt alsof je half dood of half in slaap bent. Verhef je stem met kracht. Wees nu niet banger voor je stem en schaam je er niet meer voor dat ze gehoord wordt dan toen je de liederen van Satan zong.” “Roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt”, of: barst los en zing en speel. Laat elke vorm van gejuich klinken en span elke soort muziek in, tot de opgestapelde lof de hemel doet weergalmen van het blije rumoer.
Je hoeft niet bang te zijn dat we de God van ons heil te hartelijk groot maken. Wel moeten we erop letten dat het lied uit het hart komt. Anders is de muziek voor Zijn oren niets dan lawaai, of het nu uit mensenkelen komt, uit orgelpijpen of uit ver klinkende trompetten. Laat onze harten luid de eer uitroepen van onze zegevierende Zaligmaker. Laten we met al onze kracht de Heere verheffen. Hij heeft al onze vijanden verslagen en de gevangenschap gevangen geleid. Dat zal het best gaan bij wie Jezus het meest liefheeft:
“Ik vond de parel van grote waarde,
mijn hart zingt van vreugde;
ik moet wel zingen, want Christus is van mij.
O, wat een Christus heb ik!”
Vers 5
“Psalmzingt den HEERE met de harp.” Muzikaal talent mag niet worden ontwijd tot het kwade vermaak van de wereld. Het moet de persoonlijke aanbidding van de heilige ondersteunen. Dan zingt hij, zoals George Herbert:
“Mijn God, mijn God,
mijn muziek zal U vinden,
en iedere snaar
bezingt een van Uw eigenschappen.”
Zo prees Maarten Luther de Heere, Die hij zo innig en zo oprecht liefhad. Gods lof moet zo mooi mogelijk worden gebracht. Toch zit de zoetheid ervan vooral in iets geestelijks. Geloof en berouw die samenklinken, gehoorzaamheid en liefde die één harmonie vormen: dat is echte muziek in de oren van de Allerhoogste. Daar heeft Hij meer plezier in dan in “blaasbalgen die leren blazen”, ook al bespeelt de edelste meester van de menselijke muziek ze. “Met de harp.” Het is een bijzonder zoet klinkend instrument, dat veel gevoel kan overbrengen. Het woord wordt herhaald, en dat is zeer dichterlijk.
Zo zien we dat de fijnste dichtkunst nog lang niet te kostbaar is voor de lof van God. Zijn aanbidding moet eenvoudig zijn, maar niet plomp. Er zijn momenten waarop het het beste past om mooi te zeggen wat we bedoelen. God neemt het ongeschoolde liedje van een ploeger aan. Daarom wijst Hij het gladde vers van een Cowper of de verheven klanken van een Milton ook niet af. Niet elke herhaling is een lege herhaling. In heilige liederen horen elegante herhalingen thuis. Ze zetten de betekenis kracht bij en brengen de ziel in vuur.
Zelfs predikers doen er niet verkeerd aan om bij een woord stil te staan en het keer op keer te laten klinken, tot ook doffe oren de nadruk voelen. “En met de stem des gezangs”, dus met een zangstem, anders dan met gewone spraak. Onze stem kan veel kanten op. Er is de stem van het gesprek, de stem van de klacht, de stem van het smeken en de stem van het bevel. Bij ieder van ons hoort ook de stem van een psalm. De mens klinkt op zijn best als hij de beste woorden zingt, in de beste gezindheid, voor het beste van alle Wezens.
Liefde en oorlog mogen de dichtkunst niet voor zich opeisen. De liefde van God en de overwinningen van Immanuël verdienen de mooiste klanken van de mens. Zingen wij eigenlijk wel genoeg voor de Heere? Moeten de vogels in de lucht ons niet berispen om onze norse, ondankbare stilte?
… in hun dappere strijd om de onafhankelijkheid van hun land, en waren de herhaalde uiting van hun dankzeggingen. De Heere van de psalmdichters en de Zoon van David liet met de woorden van een psalm zien dat Hij groter was dan David. Hij zong psalmen met Zijn apostelen, in de nacht voordat Hij zou lijden, toen Hij het heilige avondmaal van Zijn liefde instelde.
Paulus en Silas prezen God met psalmen in de gevangenis, midden in de nacht, terwijl hun voeten in de stok zaten. Ze zongen zo luid dat de gevangenen het hoorden. Naar Zijn voorbeeld roept de apostel de christenen in Efeze en Kolosse op om elkaar te leren en te vermanen met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Hieronymus vertelt dat je in zijn tijd de psalmen hoorde op de velden en in de wijngaarden van Palestina. Ze klonken zacht en lieflijk, vermengd met vogelgezang en met de geur van bloemen in de lente. De ploeger zong het halleluja terwijl hij zijn ploeg bestuurde.
De maaier, de wijnbouwer en de herder zongen de liederen van David. “Dat”, zegt hij, “zijn onze liefdesliederen, dat is ons gereedschap voor het werk op het land.” Sidonius Apollinaris laat zijn schippers psalmen zingen terwijl zij hun zwaarbeladen schuit stroomopwaarts voortduwen. Dan weerkaatsen de rivieroevers het halleluja steeds opnieuw. Mooi gebruikt hij die gewoonte als beeld van de reis van het christelijke leven. — J.J.S. Perowne.
Vers 5
“De stem des gezangs.” In D’Israeli’s “Curiosities of Literature” staat een bijzonder merkwaardig stuk over het zingen van psalmen. Daarin vertelt hij hoe dat zingen zich verspreidde in Frankrijk. Het kwam onder de Roomsen als eerste op gang door de berijming van Clément Marot, de lievelingsdichter van Frans I. In Marots opdracht staan de volgende regels:
“Driemaal gelukkig wie het nog mag zien
en horen in die gouden eeuw:
als de ploeger achter zijn ploeg,
de voerman op de grote weg
en de koopman in zijn winkel
hun stem verheffen in psalm of lofzang
en al zingend hun zware werk verlichten;
dan klinkt uit de bossen opnieuw een nog zoeter lied!
Herder en herderin wedijveren
in menige tedere psalmzang
en laten de naam van de Schepper lang weerklinken,
terwijl rots en beek hun lied herhalen!
Begin dan, schone vrouwen, begin
de vernieuwde eeuw, die geen zonde kent!
En met een hart zo licht dat het geen vleugels nodig heeft,
zing! Zing uit dit heilige liedboek, zing!”
Het zingen van deze psalmen werd zo geliefd dat D’Israeli denkt dat “het de norse verbeelding van de strenge Calvijn als eerste op het idee bracht” om psalmzang in te voeren in zijn Genèvaanse kerkelijke tucht. “Deze besmettelijke razernij van het psalmzingen”, zoals Warton het bijna lasterlijk noemt, vloog snel door Duitsland en Frankrijk en stak daarna over naar Engeland. Met een grijns zegt D’Israeli dat in de tijd van het Gemenebest “psalmen nu werden gezongen bij de diners van de lord-mayor en bij stadsfeesten. Soldaten zongen ze tijdens hun mars en op parade. En weinig huizen met ramen aan de straatkant hadden geen avondpsalmen.” Wij kunnen daar niets anders aan toevoegen dan dit: kwam dat maar weer terug, wilde God! — C.H.S.
Verzen 5-6
Dit waren letterlijk de instrumenten die de Joden het meest gebruikten, en aan elk ervan is een geestelijke betekenis gegeven. Mij komt het voor dat ze de kardinale deugden uitbeelden, een voor een. De harp staat voor voorzichtigheid, de luit voor rechtvaardigheid, de trompet voor standvastigheid en de hoorn voor matigheid. — Bellarminus.
Verzen 5-6
De psalmist drukt hier duidelijk uit hoe hevig en vurig de gelovigen gedreven moeten zijn als ze God prijzen. Daarom draagt hij op dat er muziekinstrumenten bij worden gebruikt, om dat vuur te voeden. Gelovigen moeten niets nalaten wat de geest en de gevoelens van mensen aanvuurt als ze Gods lof zingen. Strikt genomen kan Gods naam ongetwijfeld alleen met de verstaanbare stem worden geprezen. Maar David voegt daar niet zonder reden de hulpmiddelen aan toe waarmee gelovigen zichzelf gewoonlijk nog meer tot deze oefening aanzetten. Dat geldt zeker als we bedenken dat hij sprak tot het oude volk van God, dat nog onder de schaduwen leefde.
Hier moeten we wel een onderscheid in het oog houden. We mogen niet zomaar alles wat de Joden vroeger werd opgelegd, ook op onszelf toepassen. Ik twijfel er niet aan dat het bespelen van cimbalen, harp en viool, en al die muziek die de psalmen zo vaak noemen, bij de opvoeding hoorde. Het hoorde dus bij het kinderlijke onderwijs van de wet. Ik doel dan op de vaste dienst in de tempel, de gewone gang van zaken daar. Ook nu nog mogen gelovigen zich met muziekinstrumenten opvrolijken. Wel moeten ze er dan volgens mij voor zorgen dat hun vrolijkheid niet losraakt van Gods lof.
Maar als ze naar hun heilige samenkomsten gaan, passen muziekinstrumenten bij het zingen van Gods lof niet beter dan het branden van wierook, het aansteken van lampen en het terugbrengen van de andere schaduwen van de wet. De papisten hebben dit, net als veel meer, op een dwaze manier van de Joden overgenomen. Mensen die gek zijn op uiterlijk vertoon, mogen genieten van dat lawaai. Maar de eenvoud die God ons door de apostel aanraadt, is Hem veel liever. Paulus laat ons God in de openbare samenkomst van de heiligen alleen zegenen in een taal die men kent, 1 Kor. 14:16.
De menselijke stem wordt door de meesten niet verstaan, en toch is ze zeker beter dan alle levenloze muziekinstrumenten. Toch zien we wat Paulus bepaalt over spreken in een onbekende taal. Wat moeten we dan zeggen van zingen in liturgische toon, dat de oren met niets dan een leeg geluid vult? Misschien werpt iemand tegen dat muziek heel nuttig is om de geesten van mensen wakker te maken en hun hart te raken. Dat geef ik toe, en ik ontken het niet. Maar we moeten er altijd op letten dat er geen verdorvenheid insluipt. Die kan de zuivere aanbidding van God bezoedelen en mensen in bijgeloof verstrikken.
Bovendien waarschuwt de Heilige Geest ons door de mond van Paulus uitdrukkelijk voor dit gevaar. Wie dan toch verder gaat dan Paulus ons daar toestaat, toont niet alleen onbezonnen ijver, maar, moet ik zeggen, ook goddeloze en verkeerde koppigheid. — Johannes Calvijn.
Verzen 5-6
Het zingen en de snaarinstrumenten hoorden bij de Levieten, en de trompetten alleen bij de priesters. Volgens Kitto deden de trompetten helemaal niet mee met het samenspel. Ze werden geblazen in vaste pauzes tussen de zang en de instrumentale muziek. Harpen en stemmen zorgden voor de zoetheid, en trompetten en hoorns voegden daar kracht aan toe. Melodie en kracht horen bij elkaar in de aanbidding van God. — C.H.S.
Vers 6
“Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings.” Gods aanbidding moet luid zijn, en wel uit het hart. De trompet en de hoorn dragen ver, en zo moet ook onze lofzang kracht krijgen. “Voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.” Op kroningsdagen, en wanneer geliefde koningen uitrijden, roept het volk en klinken de trompetten tot de muren ervan trillen. Zouden mensen meer enthousiasme hebben voor aardse vorsten dan voor de goddelijke Koning? Is er onder de onderdanen van de gezegende, enige Heerser geen trouw meer? Koning Jehova is Zijn naam, en niemand is aan Hem gelijk.
Hebben wij dan geen vrolijk gejuich voor Hem over? Als we de regerende macht van Jezus in onze ziel voelen, leggen we dat koude gemompel opzij. Dat gemompel wordt nu overstemd door het gebrom van het orgel, en het verdringt maar al te vaak het oprechte zingen van de gemeente. Zeg eens, als je hart is gestemd om te zingen: bestaat er een groter onderwerp?
Laat alle harmonie haar klanken brengen:
de naam van Jezus klinkt nog zoeter.
Wie eenmaal deel heeft aan Zijn liefde,
verblijdt zich tot in eeuwigheid.
Melodie maken wij in ons hart,
melodie ook met onze stem.
Vers 7
“De zee bruise met haar volheid.” Zelfs haar donderslagen zijn niet te machtig voor dit onderwerp. Handel had in sommige van zijn verheven koren haar hulp maar wat graag gehad. Hij wilde daarmee zijn hoogste gedachten laten horen. De geïnspireerde psalmist deed er dus zeker goed aan om zoveel oneindig geraas erbij te roepen. De zee is van Hem, dus laat ze haar Maker loven. Ze draagt in haar diepte en op haar oppervlak een schat aan goedheid. Waarom zou het orkest van de natuur haar dan buitensluiten? Haar diepe bas past prachtig bij het raadsel van Gods heerlijkheid.
“De wereld met degenen, die daarin wonen.” Het land moet samenklinken met de oceaan. Zijn bergen en vlakten, zijn steden en dorpen moeten de jubelroep laten doorklinken waarmee de Heere van alles wordt begroet. Er bestaat niets verhevener dan dit vers, nergens vind je iets groters. De muzen van de Parnassus kunnen niet tippen aan de muze van Sion. De Castalische bron heeft nooit zo gefonkeld als die “fontein van elke zegen”, waaraan heilige zangers hun inspiratie willen toeschrijven. Toch haalt geen enkel lied de majesteit van dit onderwerp, wanneer Jehova, de Koning, hoog geprezen moet worden.
Vers 8
“Dat de rivieren met de handen klappen.” Hier worden de rollende rivieren, de getijdemonden en de bulderende watervallen opgeroepen om hun eerbetoon te brengen. Ze moeten in de handen klappen, ja echt, zoals mensen doen als ze hun vorsten toejuichen. “Dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven”, dat wil zeggen: in samenklank met de rivieren. De machtige bergen staan stil en zwijgen. Maar laat ze nu zichzelf vergeten en uitbarsten in een verheven, luidruchtige vrolijkheid. Zo beschreef de dichter het in deze levendige regels: “Ver en wijd, van top tot top, springt tussen de ratelende rotsen de levende donder! Niet uit één eenzame wolk: elke berg heeft nu een tong gevonden, en door haar nevelsluier antwoordt de Jura de jubelende Alpen, die luid tot haar roepen.”
Vers 9
“Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten.” Bij Zijn eerste komst in Bethlehem hoorde een veel zachtere muziek. Die was zo teder dat de sterren er met hun vriendelijke ogen van gingen twinkelen. Maar Zijn tweede komst vraagt om trompetten, want Hij is een Rechter. Ze vraagt ook om al het gejuich van de aarde, want Hij heeft Zijn koninklijke pracht aangetrokken. Dat Christus regeert, is de vreugde van de natuur. Alle dingen zegenen Zijn troon, ja, zelfs het feit dat Hij eraan komt. De dageraad laat de aarde huilen van blijdschap als de zon opgaat, zodat de dauwdruppels in haar ogen staan.
Zo moet ook de nadering van Jezus’ wereldwijde koningschap heel de schepping blij maken. “Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.” Precies daarin zit de vreugde. Hij is geen tiran en geen zwakkeling die de goeden onderdrukt of de ijdele mensen verwent. Zijn wet is goed, wat Hij doet is rechtvaardig en Zijn bestuur is gerechtigheid in persoon. Als er ooit iets was om blij mee te zijn op deze arme aarde, die in barensnood zucht, dan is het de komst van zo’n Bevrijder en de troonsbestijging van zo’n Heerser over de hele wereld.
Wees gegroet, Jezus! Wees gegroet! Onze ziel bezwijkt van verrukking bij het geluid van Uw naderende wagens. Ze kan alleen nog roepen: “Ja, kom, Heere Jezus!” De berijming die Keble van de laatste vier verzen maakte, is werkelijk zo prachtig dat wij onze lezers het genoegen niet willen onthouden haar te lezen:
“Laat de trompet luid schallen, laat de hoorn weerklinken
in gejuich voor het aangezicht van de HEERE, de Koning:”
“Laat de zee met haar volheid golven
in rusteloze samenklank:”
“De ronde aarde en allen die daarin wonen,
de machtige vloeden, zingen het refrein mee
en klappen in de handen; bij de zang van het koor
voegt zich ook elke eenzame berg.”
“Roep uit voor het aangezicht van de HEERE dat Hij gekomen is
om de Rechter van de aarde te zijn, om de wereld te richten
in billijkheid, en om aan elk rijk en elke troon
het recht te geven dat hun toekomt.”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
In het Hebreeuws is het opschrift van deze psalm niet meer dan één woord: Mizmor, “Psalm”. Daaraan dankt de psalm waarschijnlijk de titel “wees-Mizmor” in het Talmoedische traktaat Avodah Zara. — J.J.S. Perowne.
Titel
Hengstenberg zegt: “Dit is de enige psalm die gewoon ‘een psalm’ heet. Dat is de naam die alle psalmen dragen. Hier kan hij dus niet in zijn gewone betekenis staan, maar moet hij iets bijzonders betekenen.” Hij denkt dat het opschrift aangeeft dat dit lied de lyrische begeleiding is van de psalm ervoor, die nadrukkelijker profetisch is.
Het is dus als het ware de psalm bij die profetie. Verder merkt hij op dat in Ps. 98:5-6 in de grondtekst woorden staan die met het opschrift verwant zijn en sterk opvallen. Misschien heeft dat de titel ingegeven.
Titel
Het is minstens opmerkelijk dat een lied van Sion, dat zo jubelt over de aankomst van de koning, bij uitstek Mizmor wordt genoemd. Alsof de Psalm der Psalmen het lied is dat Israël en heel de aarde bezingt, gezegend door de komst van de Messias. — Andrew A. Bonar.
Gehele psalm
Dit is een edele psalm, die de geest in beweging brengt. Misschien is hij geschreven bij een grote nationale overwinning in zijn eigen tijd. Later kan hij weer zijn opgepakt, in de tijd waarin alles voor duizend jaar wordt hersteld. De overwinning die hier wordt gevierd, kan een profetische visie zijn, en dan die bij Armageddon. Dan worden heil en gerechtigheid openlijk getoond aan de vijandige volken. Israël wordt verhoogd. Goedertierenheid en waarheid komen dan gezegend samen, en dat zal het hart blij maken en geruststellen van allen die op dat moment echte Israëlieten zijn. De heersende eigenschap van de hele aarde zal godsvrucht zijn. — Thomas Chalmers.
Gehele psalm
Waar gaat de psalm over? Over de lof aan Jehova. Hij heeft drie strofen van elk drie verzen. In de eerste strofe lees je waarom Jehova geprezen moet worden. De tweede toont hoe en de derde door wie. — Frederick Fysh.
Gehele psalm
Dat Christus komt om de wereld te redden, is hier duidelijk voorzegd. Wat David hier aankondigt, klinkt in de lofzang van de gezegende maagd als een feit dat al is vervuld. David is de Stem en Maria is de Echo.
- David. “Zingt den HEERE een nieuw lied.” (De Stem.) Maria. “Mijn ziel maakt groot den Heere.” (De Echo.)
- David. “Hij heeft wonderen gedaan.” (De Stem.) Maria. “Grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is.” (De Echo.)
- David. “Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.” (De Stem.) Maria. “Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.” (De Echo.)
- David. “De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard”, enz. (De Stem.) Maria. “En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.” (De Echo.)
- David. “Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels.” (De Stem.) Maria. “Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.” (De Echo.)
Deze parallellen zijn heel opvallend. Het lijkt wel of Maria deze psalm voor ogen had toen ze haar triomflied maakte. Dat is een extra reden om te denken dat de hele psalm uiteindelijk te verstaan is van de verlossing van de wereld door Jezus Christus en de verkondiging van Zijn evangelie onder alle volken van de aarde. Dat geldt of de psalm nu de bevrijding van Israël uit Egypte beschrijft of die van de Joden uit de Babylonische gevangenschap. Zo bekeken kan geen taal te sterk en geen dichterlijk beeld te hoog zijn om de onnaspeurlijke rijkdommen van Christus aan te wijzen. — Adam Clarke.
Vers 1
“Zingt den HEERE een nieuw lied.” Wat is het doel van een mensenleven? God zoeken hier, en Hem zien in het leven daarna. Onderdaan zijn in het rijk van de genade en heilige in het rijk van de heerlijkheid. Wat er in deze wereld ook op ons afkomt, zingen moeten we. We danken in goede én in kwade dagen. Een lied hoort altijd op onze lippen te liggen, en nu en dan een nieuw lied. Zo zegt David het hier ook: “zing een nieuw lied”. Dat betekent dat we de oude mens moeten afleggen en nieuwe mensen worden, nieuwe schepselen in Christus.
De oude mens zingt namelijk oude liederen. Alleen een nieuw mens kan een nieuw lied zingen. Zijn tong is nieuw, zijn wegen zijn nieuw, dus ook zijn daden en zijn liederen. Hij spreekt niet de taal van Babel of Egypte, maar die van Kanaän. Zijn woorden bouwen mensen op en zijn lied geeft God de eer. Ook kan een nieuw lied een lied zijn dat vers is, nova res, novum canticum, nieuw bij een nieuwe weldaad. Ef. 5:20: “Dankende te allen tijd over alle dingen.” Het is erg grof om God alleen in het algemeen te bedanken en niet voor elk afzonderlijk geschenk.
Ben je ziek geweest en heeft Hij je genezen? Prijs God, net als de melaatse, Luk. 17:11-19. Zing een nieuw lied voor deze nieuwe zalf. Hongert en dorst je naar gerechtigheid, terwijl je eerder geen woord van vermaning en leer kon verdragen? Zing een nieuw lied voor deze nieuwe genade. Geeft de almachtige God je nu een echt besef van je zonde, terwijl je eerst de ongerechtigheid trok “met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen”? Terwijl je ertoe was gebracht met gretigheid alle onreinheid te bedrijven? O zing, zing, zing een nieuw lied voor deze nieuwe barmhartigheid.
Met nieuw kan ook bedoeld zijn dat het lied nooit gewoon of alledaags mag zijn. Gods barmhartigheid voor ons is buitengewoon wonderbaar en ongewoon. Onze dank moet dan ook bijzonder uitgelezen zijn, meer dan gewoon. Dat wil niet zeggen dat de inhoud nieuw is. We mogen God namelijk alleen aanroepen en prijzen op de manier die Hij in Zijn Woord heeft voorgeschreven, en dat is de oude weg. Wat nieuw is, is de manier waarop we zingen en ons lied opbouwen. Als zich een gelegenheid voordoet, spannen we ons verstand zo goed mogelijk in om dankbaar te zijn.
Deze psalm is profetisch. Een nieuw lied kan daarom ook het lied zijn dat de heerlijke engelen zongen bij Christus’ geboorte: “Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen” (Luk. 2:14). Zo’n lied was de wereld nog nooit ter ore gekomen. Dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen, is een oud lied, het allereerste dat ooit werd gezongen. Maar het klonk pas helder toen Christus Zich in het vlees liet zien. Het Oude Testament telde veel oude liederen. In het Nieuwe Testament klinkt een nieuw lied.
Dat “u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere”, is in veel opzichten een nieuw lied. In de wet was Christus slechts een schaduw, in het evangelie wordt Hij getoond. Ook is het lied nieuw doordat nieuwe mensen het zingen, alle mensen. Het geluid van het evangelie is immers uitgegaan over de ganse aarde, tot de einden van de wereld (Rom. 10:18). Vroeger klonken Gods oude liederen alleen in Judea: “Zijn Naam is groot in Israel. En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion”, Ps. 76:1-2. — John Boys.
Vers 1
“Een nieuw lied.” O jullie die nieuw zijn in Christus, ook al waren jullie vroeger oud in de oude Adam: zing voor de Heere. — Psalter van Petrus Lombardus, 1474.
Vers 1
“Hij heeft wonderen gedaan.” Door de verlossing heeft Hij laten zien hoe groot en goed Hij is. Wat voor wonderen heeft Christus niet gedaan?
- Hij werd ontvangen door de Heilige Geest.
- Hij werd geboren uit een maagd.
- Hij genas allerlei ziekten.
- Hij gaf duizenden te eten met enkele broden en vissen.
- Hij wekte de doden op.
- En, wat nog wonderbaarlijker was, Hij stierf Zelf.
- Hij stond op door Zijn eigen kracht.
- Hij voer op naar de hemel.
- Hij zond de Heilige Geest neer.
- En Hij maakte van Zijn apostelen en hun getuigenis de middelen om de wereld te verlichten en uiteindelijk te bekeren.
— Adam Clarke.
Vers 1
“Zijn rechterhand.” De psalmist zegt dat Christus de overwinning behaalde met Zijn rechterhand en Zijn arm. Daaruit blijkt Zijn goddelijke, oneindige kracht. Tegelijk sluit dit ook elk ander middel uit. Dan denk ik aan de verdiensten van de heiligen en aan hun valse, opgesmukte werken, waarmee mensen menen iets te kunnen bijdragen. — Maarten Luther.
Vers 1
“De arm.” Gods vingers maakten de schepping: “Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren” (Ps. 8:3). Zijn arm bewerkte de verlossing: “De arm Zijner heiligheid heeft Hem heil gegeven.” Ja, zij was zelfs het werk van Zijn hart. Dat hart bloedde dood om haar te volbrengen, en zo heeft Hij haar helemaal voltooid. — Thomas Adams.
Vers 1
Weken achter elkaar zag een predikant in het graafschap Tyrone een kleine, haveloze jongen de kerk binnenkomen, elke zondag. Hij ging midden in het gangpad staan, recht voor de preekstoel, en leek de dienst met grote aandacht te volgen. De predikant wilde graag weten wie dat kind was. Meerdere keren liep hij na de preek snel naar buiten om hem te spreken, maar zag hem nooit. Het kind verdween namelijk zodra de dienst voorbij was, en niemand wist waar hij vandaan kwam of wie hij was. Op een zondag stond de jongen er niet meer, en dat bleef een aantal weken zo.
In die tijd stond er een man voor de deur van de predikant. Hij vertelde dat een ernstig zieke hem graag wilde zien. “Ik schaam me echt om u te vragen zo ver te gaan”, voegde hij eraan toe. “Maar het is een kind van mij, en hij wil niemand anders dan u. Hij is een heel bijzondere jongen. Hij praat veel over dingen die ik niet snap.” De predikant beloofde dat hij zou komen, en hij ging. Het goot van de regen en hij moest zes mijl door ruw bergland. Bij het adres zag hij een bijzonder armzalige hut.
Voor de deur wachtte de man die hij die ochtend had gesproken. De predikant werd naar binnen geleid en zag dat het er van binnen even armoedig uitzag als van buiten. In een hoek lag iemand op een bed van wat stro. Hij herkende hem meteen: het was de jongen die zo trouw naar zijn kerk was gekomen. Toen hij het sjofele bed naderde, richtte het kind zich op. Hij spreidde zijn armen uit en zei: “Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.” Direct daarna gaf hij de geest. — K. Arvine.
Vers 2
“De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt.” Dat deed Hij toen Zijn Zoon in het vlees verscheen, met de wonderen die Hij verrichtte. “Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard”, enz., aan alle mensen in het evangelie. Dit is de gerechtigheid die “de gerechtigheid van God” heet. Die krijg je door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid. Rom. 3:22. — B. Boothroyd.
Vers 2
“De HEERE heeft bekend gemaakt”, enz. Het woord hodia is meer dan een mededeling of afkondiging. Het is ook een heldere en zekere aanwijzing die overtuigt, zodat de zaak in verstand en geheugen blijft hangen en bewaard wordt.
De wortel yada heeft namelijk als eigenlijke betekenis: opbergen wat bewaard moet blijven. Daarnaast staat het woord gala, dat eigenlijk ontbloten of ontbloot worden betekent. Hij heeft het dus geopenbaard, dat wil zeggen ontbloot, zodat het kaal en helder te zien is. Zo wordt nog beter uitgelegd hoe de openbaring in het evangelie werkt. Het evangelie staat tegenover alles wat duister is, in schaduwen en voorbeelden verpakt en achter wettische plechtigheden verborgen. De apostel gaat hier uitdrukkelijk op in, in 2 Kor. 3:7-18. Ten slotte staat er dat dit ontbloten gebeurt voor de ogen van de volken.
Dat wil zeggen: ook zij hebben deel aan dit heil. Het komt zonder onderscheid bij hen, omdat het evangelie open en helder wordt verkondigd. Daaruit blijkt ook duidelijk dat de inhoud en de reden van het nieuwe lied in zo’n bijzondere gebeurtenis liggen. Vroeger liet God de volken hun eigen weg gaan. Nu roept Hij onder de Messias iedereen zonder onderscheid tot het heil, door het geloof en tot een nieuw leven. — Venema.
Vers 2
“Bekendgemaakt.” Er staat niet: Hij liet zien, maar: Hij maakte bekend. Adam kende Hem en voorspelde over Hem: “Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.” Ook Abel kende Hem, die het lam offerde. Seth kende Hem en riep Hem aan. Noach kende Hem en redde het hele mensengeslacht in de ark. Abraham kende Hem en offerde zijn zoon aan Hem. Maar de wereld was Hem vergeten en aanbad afgoden. Daarom maakte de Heere Zijn Jezus bekend. Hij deed dat door het Woord in het vlees naar de Joden te sturen.
Aan de volken openbaarde Hij Zijn gerechtigheid, door hen te rechtvaardigen uit het geloof. Waarom wilde Hij Hem aan de volken laten zien? Omdat Hij barmhartig is. Waarom maakte Hij Hem bekend aan de Joden? Omdat Hij waarachtig is, dat wil zeggen: omdat Hij Zijn belofte houdt. — Honorius, de voortzetter van Gerhohus.
Vers 3
“Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid.” De psalmist merkt heel terecht op dat God, toen Hij de wereld verloste, “gedachtig geweest is Zijner waarheid”, die Hij aan Israël, Zijn volk, had gegeven. Dat zegt ook dat geen enkele andere reden Hem dreef dan dat Hij trouw deed wat Hij Zelf had beloofd. De belofte steunde absoluut niet op de verdienste of gerechtigheid van de mens. Om dat beter te laten zien, noemt hij eerst Gods “goedertierenheid” en pas daarna Zijn “waarheid”, die daarmee samenhing. Kortom: de oorzaak lag niet buiten God Zelf (om een gangbare uitdrukking te gebruiken), maar in Zijn loutere welbehagen.
Dat had Hij allang eerder aan Abraham en zijn nageslacht bevestigd. Het woord “gedachtig” past zich aan bij hoe mensen het kunnen begrijpen. Als iets lang is uitgesteld, lijkt het namelijk vergeten. Van het geven van de belofte tot de komst van Christus verstreken meer dan tweeduizend jaar. Gods volk moest veel verdrukking en rampen doorstaan. Het hoeft ons dus niet te verbazen dat het zuchtte en zich overgaf aan sombere angst of die verlossing wel zou komen. — Johannes Calvijn.
Vers 3
“Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid.” Zijn goedertierenheid dreef Hem om Zijn belofte te doen. Zijn trouw heeft Hem verbonden haar te houden. Beide is Hij indachtig geweest. Hij heeft de gezegende invloeden van Zijn licht en Zijn mildheid uitgestrooid over heel het gelaat van de aarde. Zo liet Hij alle volken delen in Gods heil. — Matthew Hole (-1730).
Vers 3
“De einden der aarde hebben gezien”, enz. Wat een ongelukkig land is Judea toch! De einden van de aarde hebben Gods heil gezien. Elk land wordt tot vreugde bewogen, de hele aardbol is blij, de rivieren klappen in de handen en de bergen juichen. En toch geloven de boze harten van de Joden niet. De straf voor hun ongeloof treft hen, in het donker van hun blindheid. — Gregorius, in Lorinus.
Vers 3
“Hebben gezien.” In de woorden “hebben gezien” zit een zekere scherpte. Ze betekenen een geloof dat echt is, samen met kennis, een geloof dat de wil in beweging brengt tot liefde en verlangen. Wie tevreden is met een geloof in naam en nooit aan de Zaligmaker denkt, kan immers niet zeggen dat hij Gods heil heeft gezien. — Bellarminus.
Vers 4
“Juicht den HEERE.” Dank God voor een Christus. De Romeinen bevrijdden de Argiven van de tirannie van de Macedoniërs en Spartanen. Quae gaudia, quae vociferationes fuerunt! quid florum in Consulem profuderunt! Wat een blijdschap toonden ze, en wat riepen ze luid! De vogels die over hen heen vlogen, vielen van schrik op de grond door hun lawaai. Bij de Nemeïsche spelen moest de omroeper het woord Vrijheid roepen, iterumque, iterumque, telkens weer. — John Trapp.
Verzen 4-6
Waarmee moeten we God prijzen? Letterlijk gezegd met allerlei muziek: met zang, “zingt den HEERE”, met snaarspel, “psalmzingt den HEERE met de harp”, en met blaasmuziek, “met trompetten”, enz. Euthymius legt het beeldend uit: dan moeten we God prijzen in wat we doen en in wat we overdenken. We prijzen Hem met onze woorden en met ons werk, in ons leven en bij onze dood. We zijn niet alleen tempels (zoals Paulus zegt), maar ook tamboerijnen van de Heilige Geest, zoals Clemens van Alexandrië ons noemt. — John Boys.
Vers 5
“Met de harp, met de harp.” Het woord wordt nadrukkelijk herhaald.
Dat betekent dat de vurigste pogingen die mensen kunnen doen om het grote werk van de verlossing van de wereld te vieren, tekortschieten bij de rijkdom van Gods genade. — Johannes Calvijn.
Vers 5
“De stem des gezangs.” Het woord zimra is hier, net als in Ps. 81:2, zeker de naam van een muziekinstrument. Welk instrument er precies mee bedoeld wordt, is helemaal onzeker. — Samuel Horsley.
Vers 5
“Met de stem des gezangs.” Josafat en Hizkia vierden hun overwinningen met psalmen. Voor de ballingen die uit Babylon terugkwamen, werd het hart blij van psalmen. Psalmen gaven de Makkabeeën moed en kracht.
Vers 6
“Trompetten.” Chatsotseroth: dit woord staat alleen hier in het Psalmboek. Het ging om rechte trompetten, zoals je ze op de Boog van Titus ziet. De priesters bliezen erop om signalen te geven. Num. 10:2-10; 1 Kron. 15:24,28, enz. De shofar (hoorn) was de gewone, gebogen trompet, hoorn of bazuin. — William Kay.
Vers 6
“Trompetten.” De Schrift vertaalt het woord dat hier staat steeds met trompetten, Num. 10:2,8-10; 31:6 en elders. Meestal bliezen ze op de trompet om het volk bijeen te roepen voor de aanbidding of om de legers te verzamelen voor de strijd. Het oorspronkelijke woord, chatsotserah, bootst waarschijnlijk “het afgebroken, polsslagachtige geluid van de trompet” na. Het Latijn heeft taratantara, het Duits trarara en het Arabisch hadadera. Het woord dat hier staat, werd gebruikt voor de lange, rechte trompet. — Albert Barnes.
Vers 6
“Trompetten.” De trompet had een religieuze en een burgerlijke functie.
Hij deed hetzelfde werk als de klokken bij de christenen en de stem bij de mohammedanen. Mohammed schijnt namelijk te hebben bepaald dat de stem gebruikt werd. Hij wilde zijn eigen volgelingen daarmee onderscheiden van de Joden, met hun trompetten, en van de christenen, met hun klokken. — Kitto’s “Pictorial Bible”.
Vers 6
“Met trompetten.” Volgens Origenes zijn de geschriften van de evangelisten en apostelen trompetten. Door hun klank zijn alle bouwwerken van de afgoderij en alle stellingen van de wijsgeren volkomen omvergeworpen. Ook leert hij dat de klank van de trompetten een voorafbeelding is van de bazuin van het algemene oordeel. Dan stort de wereld in. Voor de rechtvaardigen klinkt die bazuin als vreugde, voor de onrechtvaardigen als jammerklacht. — Lorinus.
Vers 6
“Juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.” Er staat nadrukkelijk bij: “voor het aangezicht van Jehova, de Koning”, en de oproep luidt “met trompetten en hoorngeschal maakt gejuich”. Daarom lijkt het hier te gaan om de openbare vreugde die gewoonlijk werd getoond bij de kroning van koningen of bij het vieren van ondernemingen voor de veiligheid van het volk. Dat past ook goed bij deze plaats, want Jehova wordt voorgesteld als Koning en Redder van Zijn volk. — Venema.
Verzen 7-8
“De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen. Dat de rivieren met de handen klappen.”
O jij, majestueuze oceaan,
zelf een verborgen wereld vol wonderen,
laat de ontzagwekkende lof weerklinken van Hem Wiens machtiger stem
je doet bruisen of je gebruis tot zwijgen brengt.
— James Thomson.
Verzen 7-8
De zee in haar machtige uitgestrektheid en de aarde met haar rivieren en bergen: de natuur wordt hier in haar grote delen aangesproken. Dat is geen toestemming, maar wel een oproep aan christelijke dienaren. Zij moeten in hun gebeden en preken God meer erkennen als de God van de schepping. Ze mogen zich niet zo uitsluitend beperken tot de eigen leerstukken van het christendom. Doe het ene, en laat het andere niet na. — Thomas Chalmers.
Verzen 7-8
Het verkondigen van Christus’ lof voor de verlossing van zondaren geeft werk aan alle redelijke schepselen, en niet alleen aan hen. Stel dat elke druppel water in de zee en in elke rivier en stroom verstand en vermogen had om te spreken. En stel dat elke vis in de zee, elke vogel in de lucht, elk levend wezen op de aarde en al het andere in de wereld dat ook had. En stel dat alle bergen hun vreugde aan elkaar konden laten zien door beweging en gebaren. Dan nog is er genoeg werk voor hen allemaal om de lof van Christus uit te dragen. — David Dickson.
Verzen 7-9
Bij deze verzen citeert Matthew Henry regels uit de vierde Ecloge van Vergilius (hieronder voegen we de vertaling van Dryden toe). Volgens hem past de dichter daarin “uit onwetendheid of uit laagheid de oude profetieën toe op Asinius Pollio, terwijl men toen verwachtte dat die in vervulling zouden gaan”. Hij voegt eraan toe dat Ludovicus Vives denkt dat deze en vele andere dingen die Vergilius over dit langverwachte kind zegt, “op Christus van toepassing zijn”.
O telg van hemels zaad! O pleegzoon van Jupiter!
Zie, de zwoegende Natuur roept je om te schragen
het wankelende bouwwerk van hemel, aarde en zee!
Zie: aarde, zee en lucht staan weer op hun grondslag,
en blijde eeuwen dringen van achteren in rijen aan.
Vers 8
“Dat de rivieren met de handen klappen.” Met handgeklap laten mensen zien dat ze blij zijn en iets goedkeuren. Het kletsen en slaan van water in een rivier lijkt daarop, door het geluid dat het maakt. Daarom zegt de tekst dat de rivieren in de handen klappen. — Henry Hammond.
Vers 8
De taal is beeldend. Ze geeft immers een stem aan de levenloze schepping in haar verschillende onderdelen. Toch drukt ze, zoals alle beeldspraak in de Schrift, een waarheid uit. Dat is de waarheid die de apostel zonder beeld uitspreekt, wanneer hij openbaart dat “ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods”.
Dat zal zo zijn, omdat de reden van die dienstbaarheid niet langer bestaat. Zij is het gevolg van de zonde. Maar zodra de wereld onder het rechtvaardige bestuur van haar komende Koning staat (zoals het laatste vers van deze psalm voorzegt), erkennen de aarde en heel de schepping haar Heere, Die dan in haar midden is. Dan brengt zij haar eerbetoon van lof samen met dat van Israël, van de volken en van de verloste, verheerlijkte gemeente. — William De Burgh.
Vers 9
Het Psalmboek bezingt veelvuldig de weldadige vruchten die Christus’ koningschap overal op aarde zal brengen. Het zal een heerschappij van heiligheid zijn. Dat is haar eigenlijke en onderscheidende karakter, daaraan herken je haar. Onder die heerschappij zullen de einden van de aarde God vrezen en zich verblijden in Zijn heil. Het zal ook een heerschappij van rechtvaardigheid zijn. Dan krijgen oorlogen, onderdrukking en wreedheden geen plaats meer. Ook ongelijke wetten en onrechtvaardige instellingen krijgen die niet meer. Zij hebben de wereld zo lang geplaagd en vervloekt, en dat is dan voorbij. Deze gelukkige verbetering wordt meestal voorzegd als de aankondiging dat de Heere komt “om de aarde te richten”.
Het is dus belangrijk om voor ogen te houden wat die vaak herhaalde aankondiging werkelijk betekent en bedoelt. Ze verwijst niet naar het oordeel van de Grote Dag, zoals een onoplettende lezer zou kunnen denken. Er is niets angstaanjagends aan. De psalmen waarin dit de hoofdtoon is, jubelen in de allerhoogste mate, van het begin tot het eind. De aankondiging wil Christus laten zien als een Vredevorst. Hij komt om met een onpartijdige hand gelijke wetten toe te passen en zo onrecht en twist op aarde te laten ophouden, voorgoed. Zo richt Christus de aarde.
Wat Hij in deze richting al heeft gedaan, geeft ons een duidelijk beeld van wat Hij nog gaat doen. Als Hij grote en heilzame veranderingen wil brengen in de politieke en maatschappelijke instellingen van een volk, begint Hij bij de gedachten van mensen. Hij haalt slechte beginselen uit hun verstand weg en plant in plaats daarvan beginselen uit de Schrift. Hij zuivert hun hart van kwade hartstochten en doopt het met de Geest van waarheid en gerechtigheid, godsvrucht en liefde. Als zo een stevige basis is gelegd voor een betere orde van zaken, volgt de rest.
Dan veegt Hij met een storm van strijd of omwenteling de instellingen weg waarin het onrecht zich heeft ingegraven. Zo krijgt de gerechtigheid eindelijk de vrije loop en kan niemand haar nog tegenhouden. Wat een rijke voorraad troost ligt er klaar voor wie vertrapt, tot slaaf gemaakt of arm zijn en niets hebben, in de aankondiging dat de Heere komt als hun wreker! Terecht worden alle schepselen opgeroepen om van vreugde in de handen te klappen. Want Hij heeft dit werk ter hand genomen. Hij zit op de vloeden. De stormen die de volken beroeren, zijn de wagen waarin Hij rijdt om de aarde in bezit te nemen en er een woonplaats van gerechtigheid en vrede van te maken. — William Binnie.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
“Een nieuw lied.” Wat het inhoudt, hoe mooi het is en wat het oplevert om je vroomheid, dienst en aanbidding fris te houden.
Vers 1
“Hij heeft wonderen gedaan.”
- Een wonderbaar heelal, dat heeft Hij geschapen.
- Een wonderbaar bestuur, dat heeft Hij gevestigd.
- Een wonderbare gave, die heeft Hij geschonken.
- Een wonderbare verlossing, daarvoor heeft Hij gezorgd.
- Een wonderbaar boek, dat heeft Hij ingegeven.
- Een wonderbare volheid, die heeft Hij ontsloten.
- Een wonderbare verandering, die heeft Hij teweeggebracht.
— W. Jackson.
Vers 1
“De arm.” De overwinningen van God, zowel in oordeel als in barmhartigheid. Vooral de zegetochten van Christus aan het kruis, door Zijn Geest in het hart, en in en door de gemeente als geheel.
Vers 2
“De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt.”
- Waaruit het heil bestaat.
- Waarom het is klaargemaakt.
- Wat het heeft gekost om het te verwerven.
- Onder welke voorwaarden het wordt gegeven.
- Hoe het zich moet verspreiden.
- Hoe het wordt gestraft als iemand het verwaarloost. — W.J.
Vers 2 (eerste zinsdeel)
- Wat is heil?
- Waarom het heil van de HEERE wordt genoemd: “Het heil is des HEEREN.”
- Hoe Hij het heeft bekendgemaakt.
- Met welk doel.
- Met welke gevolgen. — E.G. Gange.
Vers 2
Wat een groot voorrecht dat we het evangelie kennen.
- Waaruit het voorrecht bestaat. (a) Openbaring door de Bijbel. (b) Verkondiging door de predikant. (c) Verlichting door de Geest. (d) Toelichting in de dagelijkse leiding van God.
- Waartoe het heeft geleid. (a) We hebben het geloofd. (b) We hebben het zover begrepen dat we er steeds blijer mee worden. (c) We kunnen het aan anderen vertellen. (d) We walgen van wie het vertroebelen.
Vers 2
De heerlijkheid van het heil.
- Het is goddelijk: “Zijn heil.”
- Het strookt met het recht: “Zijn gerechtigheid.”
- Het is duidelijk en eenvoudig: “openlijk getoond.”
- Het is bedoeld voor alle soorten mensen: “heidenen.”
Vers 3 (eerste zinsdeel)
Dat de Heere Zijn verbond indachtig is. Tijden waarin het lijkt alsof Hij het vergeet. Wegen waarlangs Hij ook in die tijden bewijst dat Hij trouw is. Grote daden van genade waaruit Hij op andere momenten laat zien dat Hij Zijn beloften niet is vergeten. En de redenen waarom Hij Zijn verbond altijd moet gedenken.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
“Alle einden der aarde.”
- Letterlijk. Zendelingen hebben elk land bezocht.
- Geestelijk. Mensen die op het punt staan te wanhopen en om te komen.
- Profetisch. Denk aan de grote beloften voor de toekomst en aan de zegetochten van de gemeente. — E.G.G.
Vers 3
“De einden der aarde hebben gezien”, enz.
- De verste vreemdelingen hebben het gezien. Velen zijn “gekomen van het oosten en het westen”: Grieken, de toehoorders van Petrus, de kamerling, Groenlanders, bewoners van de Zuidzee-eilanden, negers, roodhuiden, enz., enz.
- De rijpste heiligen hebben het gezien. Zij staan aan het lichte einde van de aarde en stappen vanuit de woestijn Kanaän binnen, enz.
- De ergste zondaars hebben het gezien. Zij die zo ver zijn afgedwaald dat ze geen stap verder konden zonder de hel in te vallen. De stervende moordenaar. De vrouw die een zondares was. Mensen die Whitefield “’s duivels verworpelingen” noemde. — W.J.
Vers 4
“Roept uit van vreugde.” Het goede gebruik van lawaai.
- “Maak lawaai.” Word wakker, slaper. Spreek, stomme.
- “Maak blij lawaai.” De kreet van bevrijding, van dank, van blijdschap.
- “Maak luid lawaai, heel de aarde.” Denk aan de natuur met haar tienduizend stemmen en aan de gemeente met haar ontelbare heiligen.
- “Maak blij lawaai tot God.” Prijs niemand anders dan Hem, en prijs Hem eeuwig. — E.G.G.
Vers 6
Vreugde hoort onmisbaar bij lofprijzing. De Heere als Koning is een wezenlijke gedachte in de aanbidding. Op verschillende manieren uitdrukking geven is onze plicht, als we zo’n Koning blij prijzen.
Verzen 7-8
De natuur aan het aanbidden. De gemeente is:
- Groot. Zee, aarde, rivieren, bergen.
- Veelkleurig. Ze verschillen onderling in aard, in woord en in uiterlijk. Alleen hierin zijn ze gelijk en blijvend: allen aanbidden altijd God.
- Gelukkig. Hierin zijn ze gelijk aan de aanbidders in de hemel, en om dezelfde reden: de zonde is afwezig. — E.G.G.
Vers 8
Het lied van de zee en het halleluja van de bergen.
Vers 9
Het laatste oordeel als reden om dankbaar te zijn.
Vers 9
“Voor het aangezicht des HEEREN.” Waar wij zijn, waar onze vreugde moet zijn, waar we al onze daden gevoeld moeten weten, waar we zullen zijn: “voor het aangezicht des HEEREN.” Vraag je af: wat zijn wij voor het aangezicht van de HEERE? Wat zullen wij zijn wanneer Hij komt?
Werk over de achtennegentigste psalm
Een korte verklaring van deze psalm staat in “The Works of John Boys”, 1626, folio, blz. 34-36.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas