Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 88 — Treasury of David

Titel
“Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach.” Wat een droevige klacht, en wat weinig lijkt ze op een echt lied! Ik kan me nauwelijks voorstellen hoe je haar kunt aanduiden met een woord dat lofzang of overwinningslied betekent. Toch is dat misschien met opzet gedaan. Zo wordt ons duidelijk zichtbaar hoe het geloof “ook in de verdrukkingen” roemt. Als er ooit een lied van verdriet en een psalm van zwaarmoedigheid bestond, dan is het deze. De zonen van Korach hadden zo vaak vrolijke lofzangen aangeheven. Nu worden zij gevraagd deze treurzang over te nemen.
Wie dient en zingt, mag niet zelf kiezen wat hij zingt. “Voor den opperzangmeester.” Hij moet de zangers leiden en er nauwkeurig op toezien dat zij hun werk goed doen. Heilig verdriet vraagt immers net zoveel zorg als de blijdste lofzang. In het huis van de Heere mag niets slordig gaan. Verdriet op de juiste manier onder woorden brengen is zelfs moeilijker dan vreugde laten klinken. “Op Machalath Leannoth.” Alexander geeft dit weer met “betreffende een kwellende ziekte”. Klopt dat, dan wijst het op de geestelijke ziekte waaruit dit klaaglied is voortgekomen. “Maschil.” Dit woord is al vaak voorbijgekomen en de lezer weet nog dat het een leerdicht aanduidt.
Wat een heilige doormaakt, leert de anderen iets. Wie zelf iets heeft meegemaakt en doorstaan, kan bijzonder goed onderwijzen. “Van Heman, den Ezrahiet.” Waarschijnlijk zegt dit wie de dichter is. Heman heeft het geschreven, maar welke Heman dat was, valt moeilijk te zeggen. Het is geen grote fout als we denken aan de man die in 1 Kon. 4:31 wordt genoemd. Hij was een broer van Ethan en een van de vijf zonen van Zerah (1 Kron. 2:6), de zoon van Juda. Daarom heet hij de “Ezrahiet”. Als hij het is, was hij beroemd om zijn wijsheid.
Misschien was hij in Egypte toen Farao het volk onderdrukte. Dat zou verklaren waarom dit lied zo diep klinkt en waarom veel uitdrukkingen ouderwets aandoen, meer zoals bij Job dan bij David. Maar er leefde in Davids tijd ook een Heman. Hij hoorde bij het beroemde drietal van de hoofdzangers: “Heman, Asaf en Ethan” (1 Kron. 15:19). Niemand kan bewijzen dat hij niet de dichter was. Het doet er werkelijk niet toe. Wie deze psalm ook schreef, het was een man met diepe ervaring, die handel had gedreven op de wijde wateren van de zielenood.
Onderwerp en indeling
Deze psalm bestaat uit losse stukken. De enige indeling die ons iets helpt, is die van Albert Barnes: eerst een beschrijving van wat de zieke lijdt (Ps. 88:2-10) en dan een gebed om genade en redding (Ps. 88:11-19). Wij nemen toch elk vers afzonderlijk door. Zo zien we beter hoe verward het verdriet van de dichter is. De lezer doet er verstandig aan eerst de hele psalm achter elkaar te lezen.
Uitleg
Vers 2
“O HEERE, God mijns heils.” Een hoopvolle manier om de Heere aan te spreken! Het is de enige lichtstraal van troost die door heel de psalm schijnt. De schrijver heeft zaligheid, daar is hij zeker van, en God alleen geeft haar. Zolang iemand God als zijn Redder kan zien, is het voor hem nog niet helemaal middernacht. Zolang we de levende God nog het leven van onze zaligheid kunnen noemen, sterft onze hoop niet helemaal. Dit is een van de kenmerken van echt geloof: het keert zich naar Jehova, de God Die redt, wanneer al het andere vertrouwen zich als bedrieger heeft laten kennen.
“Bij dag, bij nacht roep ik voor U.” (Engels: ik heb dag en nacht voor U geschreeuwd.) Zijn ellende had de vonken van zijn gebed niet uitgeblazen. Ze waren juist feller gaan gloeien, tot ze zonder ophouden brandden als een oven met de blaasbalg erop. Zijn gebed was persoonlijk. Wie er ook niet bad, hij bad wél. Het was zo vurig dat het terecht een schreeuw genoemd wordt, zoals kinderen schreeuwen om het medelijden van hun ouders te wekken. En het hield niet op: het werk van de dag noch de moeheid van de nacht kon het stilleggen. Zulke smeekbeden kunnen toch niet tevergeefs zijn.
Als Heman geen onafgebroken pijn had gehad, had hij misschien ook met tussenpozen gebeden. Het is een goede zaak dat ziekte ons geen rust gunt, als we die onrust maar in gebed omzetten. Dag en nacht zijn allebei geschikt om te bidden. Bidden is geen daad van de duisternis. Laten we daarom met Daniël bidden terwijl mensen het kunnen zien. Maar omdat smeken geen licht nodig heeft, laten we ook met Jakob bij de Jabbok worstelen tot de dag aanbreekt. Het kwade wordt tot goed als het ons naar het gebed toe drijft. Eén uitdrukking uit de tekst verdient bijzondere aandacht: “voor U”.
Daaruit blijkt dat de psalmist niet zomaar riep. Zijn roepen had een doel en een richting, naar de Heere toe. Het was geen kreet die zomaar uit de natuur opkwam, maar het kermen van een door genade geraakt hart naar Jehova, de God van de zaligheid. Wat heb je nu aan pijlen die je zomaar de lucht in schiet? Een boogschutter moet goed kijken naar het doel waarop hij mikt. Zo moeten ook wij onze gebeden met veel zorg en ernst naar de hemel richten. Zo deed Heman het: al zijn kreten waren bedoeld voor het hart van zijn God.
Hij keek niet naar het publiek, zoals de farizeeën doen. Al zijn gebeden kwamen voor het aangezicht van zijn God.
Vers 3
“Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen.” Geef het gehoor. Laat het met U in gesprek komen. Het is mijn gebed en dus erg onvolmaakt. Toch bid ik: sla er in Uw genade acht op. “Neig Uw oor tot mijn geschrei.” Alleen voor een barmhartig oor is het muziek. Maar laat de valse klanken U niet ergeren. Het is slechts een geschrei, maar het is de meest natuurlijke uiting van de angst in mijn ziel. Spreekt mijn hart, laat Uw oor dan luisteren. Er kunnen allerlei obstakels zijn die het opstijgen van onze gebeden hinderen.
Laten we de Heere vragen die weg te halen. En er kunnen ook zonden zijn die de Heere beletten onze verzoeken met welgevallen te bekijken. Laten we Hem bidden ook die uit de weg te ruimen. Wie dag en nacht heeft gebeden, kan het niet hebben dat al zijn moeite verloren gaat. Alleen wie koel en onverschillig bidt, is ook onverschillig over wat het gebed oplevert.
Vers 4
“Want mijn ziel is der tegenheden zat.” Ik ben het meer dan zat, ik word er misselijk van. Mijn hart is zo vol ellende als een vat dat tot de rand toe met azijn gevuld is. Er past niets meer bij. Zijn huis zat vol en zijn handen zaten vol verdriet, maar het ergste was dat zijn hart er vol van zat. Nood in de ziel is de kern van alle nood. Een klein beetje zielennood is al zielig. Wat moet het dan zijn om er helemaal mee verzadigd te raken? En hoeveel erger is het nog als je gebeden leeg terugkomen terwijl je ziel vol smart blijft.
“En mijn leven raakt tot aan het graf.” Hij voelde heel sterk dat hij moest sterven. Hij achtte zichzelf zelfs al half dood. Zijn hele leven liep langzaam ten einde. Zijn geestelijk leven nam af, zijn verstand verzwakte en zijn lichaam flakkerde als een kaars. Hij was dichter bij de dood dan bij het leven. Sommigen van ons herkennen dit. Wij zijn al vaak door dit dal van de schaduw des doods gelopen en hebben er soms maandenlang gewoond. Echt sterven en bij Christus zijn zal een feestdag van genot zijn, vergeleken met onze ellende wanneer iets ergers dan de lichamelijke dood zijn vreselijke schaduw over ons werpt.
Wie door neerslachtigheid een bestaan heeft dat een levende dood is, zou de dood als verlichting begroeten. Mogen goede mensen echt zo lijden? Jazeker. Sommigen zijn zelfs hun hele leven lang aan slavernij onderworpen. O Heere, maak toch Uw gevangenen van de hoop vrij! Laat niemand van Uw treurenden denken dat hem iets vreemds overkomt. Laat hem zich liever verblijden wanneer hij de voetsporen ziet van broeders die vóór hem door deze woestijn zijn getrokken.
Vers 5
“Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen.” Ik ben zo zwak dat ik zowel in mijn eigen ogen als in die van anderen zo goed als dood ben. Misschien hebben de mensen om mij heen nog geen kist voor me besteld, maar over mijn graf hebben ze het zeker al gehad, met elkaar, achter mijn rug. Ze hebben mijn bezit besproken en berekend wat hun deel zal zijn. Menigeen is begraven vóórdat hij gestorven was. Er werd alleen over hem geklaagd omdat hij de hebzuchtige verwachtingen van zijn schijnheilige familie niet inwilligde en niet meteen in de kuil afdaalde.
Bij sommige beproefde gelovigen is het zo ver gekomen dat hun hongerige erfgenamen vinden dat ze te lang leven. “Ik ben geworden als een man, die krachteloos is.” Ik heb alleen nog maar de naam dat ik leef. Mijn lichaam is gebroken. Ik kan me nog maar amper door mijn ziekenkamer slepen. Mijn geest is zelfs zwakker dan mijn lichaam en mijn geloof is het zwakst van alles. Zonen en dochters van het verdriet hebben bij deze zinnen weinig uitleg nodig. Voor zulke beproefden zijn het woorden uit het dagelijks leven.
Vers 6
“Afgezonderd onder de doden.” Losgemaakt van alles wat een mens aan het leven bindt. Thuis bij de poort van de dood. Burger van de stad van het graf. Ik lijk geen slaaf van deze aarde meer en begin al uit te zien naar de rust van het graf. Het is een treurige toestand als onze enige hoop op de dood gericht is. Het is treurig als de enige vrijheid van onze geest te vinden is tussen de passende gruwelen van het bederf. “Gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt.” Hij voelde zich even volledig vergeten als zij wier lijken op het slagveld blijven liggen om weg te rotten.
Een soldaat die dodelijk gewond is, bloedt ongezien leeg tussen de stapels gesneuvelden. Tot zijn laatste kreun krijgt hij geen medelijden en geen hulp. Zo zuchtte Heman zijn ziel uit in de diepste eenzaamheid. Hij voelde zich zelfs door God Zelf helemaal vergeten. Wat kan de moed van goede en dappere mensen diep wegzakken! Bij bepaalde ziektes krijgt alles een donkere kleur en duikt het hart in de diepste poelen van ellende. Wie sterk en gezond is en vol levenslust zit, praat gemakkelijk kritisch over mensen wier leven is aangetast door de bleke schaduw van zwaarmoedigheid.
Maar die ellende is echt, net zoals een open wond echt is. Ze is des te zwaarder te dragen omdat ze zo diep in de ziel zit dat ze voor wie het niet kent een inbeelding lijkt, een ziekelijke fantasie. Lezer, lach nooit om mensen met zwakke zenuwen en zwaarmoedigheid. Hun pijn is écht. Veel van het kwaad speelt zich af in de verbeelding, maar het is niet verbeeld. “En zij zijn afgesneden van Uw hand.” Arme Heman. Hij voelde zich alsof God Zelf hem had weggezet. Alsof God hem had geslagen en had neergelegd tussen de lijken van wie door Zijn rechtvaardigheid zijn gedood.
Hij klaagde dat de hand van de Heere tegen hem was opgestaan en dat hij was losgesneden van de grote Bron van zijn leven. Dit is de kern van de alsem, het bitterste van het bittere. Slagen van mensen zijn kleinigheden. Maar slagen van God zijn verschrikkelijk voor een hart dat door genade is aangeraakt. Je volkomen verlaten voelen door de Heere, en weggegooid alsof je hopeloos bedorven bent, is het toppunt van hartverscheurende eenzaamheid.
Vers 7
“Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.” Wat een opeenstapeling van sterke, felle beelden! Elk ervan brengt het diepste verdriet onder woorden. Heman noemt zijn eenzame toestand een gevangenschap in een kerker onder de grond. Hij noemt hem ook een verblijf in het rijk van de doden en een val in de afgrond. Overdreven is niets daarvan, helemaal niets. Onze geest kan veel dieper wegzinken dan ons lichaam, want voor de geest zijn er putten zonder bodem. Het lichaam kan maar zoveel wonden verdragen, daarna houdt het op.
De ziel bloedt op tienduizend manieren en sterft elk uur opnieuw. Een goed mens voelt het als een scherpe pijn wanneer de Heere, Die hij liefheeft, hem begraaft in de grafkelder van de moedeloosheid. Daar wordt nachtschade over hem uitgestrooid. Alle lichtjes gaan uit en loodzware smart bedelft hem. Kwaad uit zo’n goede hand voelt dubbel zo kwaad. Toch zou het geloof, als we het maar lieten praten, de terneergedrukte ziel iets in herinnering brengen. Het is beter terecht te komen in de hand van de Heere dan in de handen van mensen. En het zou het mismoedige hart toefluisteren dat God nog nooit een Jozef in een put liet liggen zonder hem er weer uit te trekken en op een troon te zetten.
Nooit liet Hij een verschrikking van grote duisternis op een Abraham vallen zonder hem daarna Zijn verbond te laten zien. Nooit gooide Hij een Jona in de diepte zonder alles klaar te hebben om hem veilig aan land te brengen. Helaas, wie diep in de put zit, vergeet dat allemaal. Dan merkt hij alleen nog zijn onzegbare ellende, en niets anders. Hij ziet de leeuw, maar niet de honing in het dode dier. Hij voelt de doornen, maar ruikt de rozen niet die erbij horen. Wie deze woorden nu met zwakke stem uitlegt, kent zelf veel meer van die innerlijke afgronden dan hij wil of durft te zeggen.
Hij heeft de Stormkaap al gerond en is langs de kale kapen van de wanhoop gedreven. Met een man van lang geleden heeft hij geklaagd: “Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet … Ik ga zwart daarheen, niet van de zon … Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel.” Wie deze bitterheid zelf heeft geproefd, leeft met je mee. Van andere mensen hoef je geen medelijden te verwachten. En hun medelijden zou weinig voorstellen, ook al kreeg je het. Het is een troost die je niet onder woorden kunt brengen: onze Heere Jezus kent dit gevoel van binnenuit.
De zonde die erbij kan zitten, kende Hij niet. Al het andere heeft Hij doorleefd, en nog veel meer, in Gethsemane, toen Zijn ziel bedroefd was tot de dood toe.
Vers 8
“Uw grimmigheid ligt op mij.” Hier zit een mens in de allerergste nood. Gramschap weegt al zwaar. Gods gramschap is nog zwaarder dan we ons kunnen voorstellen. Als die op de ziel blijft drukken, wordt zij echt vermorzeld. De toorn van God is de hel van de hel. Ligt die op het geweten, dan voelt een mens een kwelling die alleen door de pijn van verdoemde geesten wordt overtroffen. Voor iemand die deze verschrikkelijke last torst, is er geen vreugde en geen vrede. Zelfs gevoelloze onverschilligheid ontbreekt. “Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren”, dat wil zeggen met al Uw golven.
Hij ziet Gods toorn over zich heen breken, als golven die zwellen en razen en woest tegen de kust slaan. Hoe kon zijn kwetsbare boot die gemene branding doorstaan, wit als de hongerige tanden van de dood? Het leek of zeeën van ellende met heel de kracht van de Almachtige op hem afkwamen. Hij voelde zich verdrukt en gebroken, zoals Israël in Egypte, toen het schreeuwde onder zijn verdrukkingen. Nog meer lijden kon hij zich niet voorstellen. Alle soorten van tegenspoed had hij gehad, elke golf was over hem heen gegaan. Zo denken ook wij soms, als we diep zitten.
Maar zo erg is het nooit echt. Het kan altijd nog erger. Bij elk verdriet is er iets dat het lichter maakt. God heeft nog andere golven, en die zijn schrikwekkender. Als Hij die losliet, sleepten ze ons mee naar de diepste afgrond, waar de hoop al lang niet meer komt. Sela. Even rust was hard nodig voor de zanger. Boven de branding tilt de zwemmer zijn hoofd op en kijkt rond. Een moment haalt hij adem, tot de volgende golf aanrolt. Ook een klaaglied heeft stiltes nodig. De nacht heeft zijn wakes en ook de rouw kent pauzes.
Zo’n droevige melodie slijt zowel stemmen als instrumenten. Dan is het goed de zangers een poosje te laten uitrusten in de stilte.
Vers 9
“Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan.” Wanneer hebben we vrienden harder nodig dan in het sombere uur van neerslachtigheid, of in de moeizame dagen van lichamelijke ziekte? Daarom klaagt de arme lijder dat de goddelijke voorzienigheid zijn vrienden had weggenomen. Zijn ziekte was misschien besmettelijk of maakte onrein, zodat de wet hem van anderen afzonderde. Of zijn vrienden bleven weg uit angst voor zijn huis, waar de plaag woonde. Of zijn goede naam was zo beschadigd dat ze hem uit zichzelf meden. Bij vrienden is er weinig voor nodig om iemand in nood de rug toe te keren.
Zwaluwen zeggen ook geen sorry als ze ons alleen laten overwinteren. En toch is het een scherpe pijn wanneer geliefde vrienden je verlaten. Zo’n wond gaat ontsteken en wil niet dichtgaan. “Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld.” Ze draaiden zich van hem weg alsof hij walgelijk was en iedereen kon aansteken. Dat lag aan iets wat de Heere met hem had gedaan. Daarom legt hij zijn klacht neer bij Hem Die de eerste Oorzaak van zijn leed is. Zolang de vrienden van je plezier je nog vleien, kun je niet bevroeden hoe ellendig je het krijgt als je arm wordt of ten onrechte wordt aangeklaagd.
Dan verdwijnen de meelifters van je voorspoed één voor één en laten je aan je lot over. Vaak laten ze bij het weggaan nog een paar bijtende opmerkingen achter om je ellende groter te maken. Met vriendschap kunnen mensen minder zegenen dan ze met verraad kunnen vervloeken. Het gif van de aarde doodt sterker dan haar medicijnen genezen. De massa die om iemand heen staat en hem vleit, lijkt op tamme luipaarden. Als ze zijn hand likken, doet hij er goed aan te bedenken dat ze zijn bloed met evenveel lust zouden drinken. “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt.” “Ik ben besloten, en kan niet uitkomen.” In zijn kamer zat hij als gevangene.
Hij leek een melaatse in een afgezonderd ziekenhuis, of een veroordeelde in zijn cel. Ook zijn geest zat vast, alsof ijzeren ketenen hem bonden. Hij had geen ruimte om te hopen en kon niet opvliegen van vreugde. Als God de vrienden buiten houdt en ons opsluit om alleen te verkommeren, is het niet vreemd dat we ons bed met tranen doorweken.
Vers 10
“Mijn oog treurt vanwege verdrukking.” Hij huilde zijn ogen uit zijn hoofd. Zijn traanklieren raakten leeg en zijn zicht slonk zelfs. Een regenbui van tranen is een zegen en doet ons goed. Maar een stortvloed richt schade aan en vernielt. “HEERE! ik roep tot U den gansen dag.” Zijn tranen maakten zijn gebeden nat, maar zijn vuur bleef branden. Hij bad door, ook al kwam er geen antwoord om zijn ogen af te drogen. Niets kan een echte gelovige van het bidden afhouden. Het zit diep in hem en hij kan niet anders.
“Ik strek mijn handen uit tot U.” Hij nam uit zichzelf de houding aan die een smekeling past. Wie vurig om genade smeekt, heeft geen leraar in houdingen nodig en geen ceremoniemeester. De natuur geeft hem de juiste gebaren vanzelf in. Een klein kind strekt zijn armpjes naar zijn moeder uit terwijl het huilt. Zo deed dit bedroefde kind van God het ook. Hij bad met heel zijn lichaam. Zijn ogen huilden, zijn stem schreeuwde, zijn handen reikten omhoog en zijn hart brak. Dát was bidden in de volle zin van het woord.
Vers 11
“Zult Gij wonder doen aan de doden?” Waarom laat U mij dan sterven? Zolang ik leef, kunt U in mij de heerlijkheid van Uw genade laten zien. Maar als ik naar het onbekende land ben vertrokken, hoe toont U Uw liefde dan nog aan mij? Gaat mijn leven verloren, dan mist U een aanbidder. Hij heeft eerbied gehad voor de wonderen van Uw wezen en van Uw werk, en hij heeft ze in zijn eigen leven ervaren. Zo pleit hij sterk, en daarom zegt hij het nog een keer. “Zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven?” Hij denkt alleen aan het nu en niet aan de grote laatste dag.
Hij houdt de Heere voor dat Hij dan één lofzanger minder heeft onder de mensenkinderen. Schimmen zingen niet mee in de koren van de sabbat. Geesten laten geen blije psalmen horen. Uit graven en grafkelders klinkt geen dank. Het is waar dat de zielen van gestorven heiligen God eren. Maar de moedeloze psalmist kijkt niet omhoog naar de hemel. Hij staart naar het donkere graf. Hij blijft aan deze kant van de eeuwigheid. Daar ziet hij in het graf geen wonderen en hoort hij geen liederen. Sela. Bij de opening van het graf gaat hij zitten peinzen. Dan pakt hij zijn onderwerp weer op.
Vers 12
“Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden?” Uw tedere goedheid: wie getuigt daarvan op die koude plek, waar de worm en het verval het voor het zeggen hebben? Levenden kunnen “overpeinzingen onder de graven” schrijven. Maar de doden weten niets en dus kunnen ze ook niets vertellen. “Uw getrouwheid in het verderf?” Als de Heere Zijn dienaar zou laten sterven vóór Zijn belofte vervuld was, kon Zijn trouw onmogelijk worden uitgeroepen. De dichter denkt alleen aan dit leven. Hij kijkt naar de zaak zoals die zich voordoet binnen de tijd, voor het mensengeslacht dat nu leeft.
Wie gelooft, kan in de steek gelaten worden en wanhopig sterven. Dan klinkt uit zijn graf geen stem om de mensen te zeggen dat de Heere zijn onrecht heeft rechtgezet en weggenomen en hem van zijn beproevingen heeft verlost. Er zouden geen liederen uit de koude grond opstijgen die over de waarheid en goedheid van de Heere zingen. Voor de mensen zou een stem die Gods genade zo graag verheerlijkte, voorgoed zwijgen. Een liefhebbende getuige van de Heere zou dan zijn weggenomen uit het gebied waar getuigd wordt.
Vers 13
“Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis?” Als de zanger hier niet mag laten zien hoe goed Jehova is, hoe zou hij dat dan doen in het land van duisternis en dodenschaduw? Kan zijn tong, nu een kluit aarde, nog door het dikke, koude oor van de dood heen dringen? Is een levende hond niet beter dan een dode leeuw? Is één levende gelovige niet meer waard voor Gods zaak op aarde dan alle overledenen samen? “En Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?” Wat valt er over U te zeggen in het gebied van het vergeten?
Daar is het geheugen verdwenen en de liefde ook. Daar kent niemand iets en wordt niemand meer gekend. Daar vergeet iedereen en wordt iedereen vergeten. Wat voor getuigenis over Gods heiligheid kan daar nog klinken? De hele redenering komt hierop neer: als een gelovige sterft zonder gezegend te zijn, hoe wordt dan Gods eer beschermd? Wie getuigt dan nog van Zijn waarheid en gerechtigheid?
Vers 14
“Maar ik, HEERE! roep tot U.” Ik ben blijven bidden om hulp bij U, o Jehova, levende God. Ik deed dat ook al liet U zo lang op Uw antwoord wachten. Een echt kind van God herken je eraan dat het blijft roepen. Een schijnheilige gelovige haalt veel uit een plotselinge uitbarsting, maar de oprechte gelovige houdt vol tot hij zijn zaak heeft gewonnen. “En mijn gebed komt U voor in den morgenstond.” Hij was van plan om door te pleiten, en met nog meer ernst. Hij wilde vroeg opstaan, het daglicht te vlug af zijn en al bidden voordat de zon opkwam. Als de Heere het goed vindt te wachten, dan mag Hij dat. Hij doet wat Hem behaagt. Wij mogen daarom niet loom worden in ons smeken. Vinden wij dat de Heere traag is met Zijn belofte? Dan moeten we nog ijveriger proberen Hem voor te blijven. Zo voorkomen we dat onze zondige luiheid de zegen in de weg staat.
“Laat bede en heilig lied
de ochtendlucht met geur vervullen;
voordat de rook de wereld dof maakt,
wek dan je ziel op tot gebed.”
“Zolang de bloemen nog nat zijn van de dauw,
beween je zonden met tranen;
en voordat de zon weer stralen gaat,
breng dan je angsten bij de Heere.”
Vers 15
“HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel?” Hebt U mij niet vroeger uitgekozen? Wilt U mij nu afwijzen? Worden Uw uitverkorenen Uw verworpenen? Geeft U, net als wispelturige mensen, een scheidbrief aan wie Uw liefde als bruid heeft aangenomen? Kunnen Uw geliefden Uw verstoten kinderen worden? “En verbergt Uw aanschijn voor mij?” Wilt U mij zelfs niet aankijken? Kunt U mij niet één enkele glimlach gunnen? Waarom bent U zo streng voor iemand die in betere tijden in het licht van Uw gunst heeft mogen zitten? Zulke vragen mogen we aan de Heere stellen.
Sterker nog, we horen dat te doen. Dat is geen aanmatigende vertrouwelijkheid, maar heilige vrijmoedigheid. Misschien helpt het ons het kwaad weg te doen dat de Heere tot jaloezie prikkelt, als we Hem oprecht vragen ons te laten zien waarom Hij met ons in strijd is. Hij kan nooit anders met ons omgaan dan rechtvaardig en genadig. Elke slag met Zijn roede heeft dus voldoende reden in het oordeel van Zijn liefdevolle hart. Laten we die reden proberen te leren kennen en er onze winst mee te doen.
Vers 16
“Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende.” Zijn ellende duurde zo lang al dat hij zich amper nog herinnerde wanneer ze was begonnen. Het leek hem of hij al op de drempel van de dood stond sinds hij een kind was. Dat was ongetwijfeld overdreven, zoals een terneergeslagen geest dat doet. En toch kan Heman wel degelijk onder de cipres geboren zijn. Hij kan zijn hele leven hebben geleden aan een slepende ziekte of een lichamelijke zwakte. Er zijn heilige mannen en vrouwen wier leven één lange leerschool van geduld is.
Zij verdienen ons medeleven en ook onze eerbied. Onze eerbied, durven wij te zeggen, want sinds de Zaligmaker met het lijden vertrouwd is geraakt, heeft verdriet in de ogen van gelovigen waardigheid gekregen. Door Gods genade kan een ziekte die een leven lang duurt, ook een leven lang tot zegen zijn. Het is beter van jongs af tot op hoge leeftijd te lijden dan met rust gelaten te worden om plezier te vinden in de zonde. “Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.” Lang lijden had de scherpe kant van het verdriet niet bot gemaakt.
Gods verschrikkingen waren niet minder schrikwekkend geworden. Ze waren juist overweldigender geworden en hadden de man tot wanhoop gebracht. Zijn gedachten kon hij niet bij elkaar houden. Hij werd zo heen en weer geworpen dat hij zijn eigen toestand niet rustig en redelijk kon bekijken en wegen. Alleen al ziekte brengt de geest zo in verwarring. Komt daar het gevoel van goddelijke toorn bij, dan hoeft het niemand te verbazen dat het verstand de teugels moeilijk vasthoudt. Hoe dicht zwaarmoedigheid van de ziel soms bij waanzin ligt, is niet aan ons om te zeggen. Maar we weten waarover we praten als we zeggen dat soms één veertje genoeg is om de weegschaal te laten doorslaan.
Dank God, jullie die verzocht worden en toch je verstand houden! Dank Hem dat zelfs de duivel dat veertje niet kan toevoegen zolang de Heere erbij staat om alles recht te leggen. We zijn wel eens langs de rots van volslagen verwarring geschampt. Toch prijzen we de oneindig genadige Stuurman, want het schip is nog zeewaardig en luistert nog naar het roer. Vanaf de dag van de tewaterlating tot nu toe is het door stormen heen en weer geslingerd. En toch stijgt het op de golven en daagt het de orkaan uit.
Vers 17
“Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” Hittige toorn! En het is nota bene een man van God die dit voelt. Willen we weten hoe dat kan? Zo ervoer hij het, maar “de dingen zijn niet wat zij lijken”. Over iemand die gered is, komt nooit een straffende woede, want Jezus houdt die van hem af. Een vader kan echter wel boos worden op zijn liefste kind. Dat gebeurt niet ondanks zijn liefde, maar juist daardoor. Jezus nam mijn schuld op Zich als mijn plaatsvervanger. Mijn Rechter kan mij dus niet meer straffen.
Mijn Vader kan en zal mij wél opvoeden en tuchtigen. In die zin kan de Vader Zijn dwalende kind zelfs “hittige toornigheden” laten merken. Dan ligt dat dierbare, gebroken kind in het stof en is het diep ongelukkig. Toch blijft het intussen door de Heere aangenomen en bemind. Heman ziet Gods toorn over zich heen breken, zoals golven over een scheepswrak. “Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” (Engels: hebben mij afgesneden.) Ze hebben hem tot een gebrandmerkte gemaakt. Hij voelde zich een melaatse die van Gods volk is gescheiden. En anderen gingen hem door die verschrikkingen zien als iemand die al dood is.
Gode zij dank is dit alleen wat de lijder denkt, en niet de waarheid zelf. De Heere zal Zijn volk niet wegwerpen of afsnijden. Hij komt Zijn treurenden juist opzoeken met de beste verkwikking.
Vers 18
“Den gansen dag omringen zij mij als water.” Mijn zorgen en Uw tuchtiging liepen als een vloed over mij heen. Ze sijpelden overal naar binnen en lieten alles verdrinken. Dat is wat geestelijke nood doet: ze dringt overal door en is overal aanwezig. Je houdt haar niet buiten de deur. Ze trekt de ziel in, zoals de dauw in het vlies van Gideon trok. Ze zuigt de geest omlaag, zoals drijfzand een schip opslokt. Ze overspoelt alles, zoals de zondvloed de groene aarde onder water zette. “Te zamen omgeven zij mij.” Smart sloot hem van alle kanten in. Hij leek op een hert dat wordt opgejaagd, met de honden overal om zich heen en vlak bij zijn keel. Arme ziel! En toch was hij een man van wie de hemel innig hield!
Vers 19
“Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan.” Ook wie lichamelijk dicht bij me is, kan niet met mij meezwemmen in zulk diep water. Zo iemand staat als een toeschouwer ver weg op het strand, terwijl de golven mij heen en weer slingeren. En erger nog: ze gaan me uit de weg. Mijn allerliefste is bang voor een mens die zo van streek is, en wie met mij overlegden, ontwijken mij nu! De Heere Jezus wist precies wat dit betekende, in al Zijn bitterheid en gal, toen Hij leed. In vreselijke eenzaamheid trapte Hij de wijnpers alleen.
Heel Zijn kleed werd rood gekleurd door het bloed van die zure druiven. Veel mensen krijgen eenzaam verdriet te dragen. Laten zij daar niet over mopperen. Laten zij er in plaats daarvan innige gemeenschap vinden met die dierbaarste Geliefde en Vriend, Die nooit ver is van Zijn beproefden. “Mijn bekenden zijn in duisternis”, of beter nog: mijn bekende is duisternis. Alleen droefheid is mij nog vertrouwd. Al het andere is weg. Ik ben een kind dat in het donker alleen zit te huilen. Zal de hemelse Vader Zijn kind daar laten? Hier houdt hij op.
Al het andere dat wij zouden zeggen, zou alleen de plotselinge, onverwachte stilte van het einde verstoren. (Wij hebben niet geprobeerd deze psalm op onze Heere toe te passen. Wij geloven wel volledig dat waar de leden zijn, vooral het Hoofd te zien is. Bij elk vers een dubbele verklaring geven was moeilijk en verwarrend geweest. Daarom wijzen wij in de Aantekeningen op wat naar de Messias verwijst. Als God de Heilige Geest de bladzijde wil verlichten, hebben wij daar meer dan genoeg verzameld om elke vrome lezer naar Jezus te leiden, de Man van smarten, vertrouwd met het lijden.)
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Machalat Leannoth. Volgens mij gaat het hier om de naam van een muziekinstrument dat klagend klinkt. Kimchi en andere joodse schrijvers denken er precies zo over. Zij zeggen dat het een blaasinstrument was, dicht bij de fluit. Men speelde erop als men gevoelens van smart wilde laten klinken bij grote droefheid en rouw. Als je de titel zo opvat, hoef je geen nieuwe vertaling te zoeken. Dan kun je hem in grote lijnen lezen zoals onze vertalers hier: “Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach”, voor Hem Die de overwinning schenkt, op Machalat Leannoth, een onderricht voor Heman, de Ezrahiet. — John Morison.
Titel
Over de vertaling van Leannoth bestaat verschil van mening, omdat het woord op twee manieren wordt afgeleid: van hne, anah, dat lijden of bedroefd zijn betekent, of van hne anah, dat zingen of een lied aanheffen betekent. Gesenius, De Wette, dr. Davies en anderen volgen de laatste afleiding. Mudge, Hengstenberg, Alexander en anderen volgen de eerste. Mudge vertaalt: neerslachtigheid teweegbrengen. Alexander: Machalat Leannoth, betreffende een kwellende ziekte. Hengstenberg: over de nood van onderdrukking. De Septuaginta (apokrithènai) en de Vulgaat (respondendum) denken aan een wisselzang. Houbigant geeft de woorden in kwestie weer als: voor de koren, opdat zij antwoorden.
Veel taalkundigen zeggen dat de grondgedachte van hne, anah, zingen, het antwoorden is. De psalm heeft echter duidelijk een sombere en neerslachtige toon. Het ligt daarom meer voor de hand dat leannoth wijst op het strikt klagende karakter van het stuk. De titel kan dan als geheel zo klinken: “Een lied of psalm voor de zonen van Korach, voor den opperzangmeester, op de fluiten (of de holle instrumenten), om te bedroeven (of neerslachtigheid teweeg te brengen), een leerdicht van Heman, den Ezrahiet.” — F.G. Hibbard, in “The Psalms chronologically arranged, with Historical Introductions.” New York, 1856.
Titel
Wat de uitleg betreft: de psalm moet treurig en met gedempte stem gezongen worden. Dat past bij wat erin staat, want de toon is zelfs nog donkerder dan die van Ps. 77:1-21. — Uit “The Psalms, by C.B. Moll.” (Lange’s Series of Commentaries.)
Titel
Heman.
- David was niet de enige die droevige worstelingen en benauwdheid van geest kende. Hier is nog iemand: Heman, de Ezrahiet. Hij zat even diep in benauwdheid van geest als David of wie dan ook.
- Mensen die benauwdheid van geest kennen en gebukt gaan onder het gevoel van Gods toorn, zijn niet allemaal zwak van geest of oppervlakkig van verstand. Hier hebben we Heman, een van de wijste mannen van heel Israël. Alleen Salomo overtrof hem in wijsheid. En toch heeft hij de zwaarste beproeving doorstaan die we ons bij een heilige kunnen voorstellen.
- Als het God behaagt een begaafd man met grote gaven en genade te beproeven, dan kan Hij diens last afstemmen op zijn kracht. Hij kan hem met de moeilijkheden waarin Hij hem brengt net zoveel te doen geven als een zwakker mens in zijn beproeving krijgt. Dat zien we aan wat Heman heeft meegemaakt.
- In hun nood moeten wijze mensen dezelfde weg gaan als eenvoudige mensen. Ze moeten, precies zoals alle anderen, naar God toe vluchten en alleen hulp zoeken in Zijn genade. Hij bepaalt hoeveel nood er komt, maar Hij kan ook troost, verlichting en uitkomst geven. Dat leert ons de manier waarop Heman zelf in zijn nood handelde.
- De benauwdheid van een gewonde geest die sommige kinderen van God vroeger hebben gevoeld, kunnen anderen die God dierbaar zijn in latere eeuwen net zo ervaren. Alle mensen horen zich daarop voor te bereiden. Als zo’n beproeving komt, moeten ze die niet vreemd vinden. Ze kunnen zich troosten met de gedachte dat andere heiligen, van wie de beproevingen in de Schrift staan opgeschreven, hetzelfde verdriet hebben gekend. Want de psalm is bedoeld “om onderwijs te geven”. Het is een Maschil van Heman.
- Wat voor een kind van God op een bepaald moment reden is tot rouw, kan later reden worden tot blijdschap en lofzang, voor hemzelf en voor anderen. Zo is ook het droevige benauwde gevoel van Heman veranderd in een vreugdelied tot eer van God. Het is een troost voor alle bedroefde zielen, tot aan het einde van de wereld, die gebukt gaan onder het besef van hun zonde en de toorn van God die ze voelen. Het is een lied, een psalm voor de zonen van Korach.
- Wie in zijn geest het diepst bedroefd is en tot God vlucht voor verzoening en troost door Christus, hoeft er niet aan te twijfelen dat God hem als dierbaar kind ziet en liefheeft. Dat hij zoveel van Gods toorn voelt, is daarvoor geen reden. Want hier is een heilige die uit die beker gedronken heeft, even diep als wie deze psalm ook leest. Hier is iemand van wie God zoveel hield en die Hij zo eerde dat hij een schrijver van de Heilige Schrift werd. Hij werd een voorbeeld van geloof en geduld voor anderen: Heman, de Ezrahiet. — David Dickson.
Gehele psalm
“In deze psalm horen we de stem van onze lijdende Verlosser”, zegt Horne. De inhoud laat zich kort zo weergeven. 1. Het klagende geween van de lijder, Ps. 88:2-3. Dat lijkt sterk op Ps. 22:2-3.
- Zijn ziel is diep bedroefd tot de dood toe, Ps. 88:4-6. Het woord “vrij” in onze vertaling is in het Hebreeuws chofschi. Eigenlijk betekent dat: afgezonderd van anderen. Junius en Tremellius vertalen het hier met “buitengesloten van omgang en gemeenschap met mensen, zonder iets met hen gemeen te hebben, zoals mensen die aan melaatsheid lijden en naar aparte huizen worden gestuurd.” Zij wijzen naar 2 Kron. 26:21.
- Zijn gevoel in de hel te zijn, Ps. 88:7-8. Hij voelt Gods gevangenis en het donker van Gods zwaarste toorn. En Sela geeft ons tijd om erover na te denken.
- Zijn gevoel van schaamte en machteloosheid, Ps. 88:9. “De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”
- Wat de zielenangst met zijn lichaam doet, Ps. 88:10.
- Zijn overgave aan de Heere, Ps. 88:10. Hier klinkt precies de toon van Gethsemane: “Doch niet Mijn wil!”
- De hoop op de opstanding die hem overeind houdt, Ps. 88:11 (met een plechtige stilte, “Sela”), Ps. 88:12-13. Het “land der vergetelheid” en “de duisternis” wijzen op de onzichtbare wereld. Voor ons, die nog aan deze kant van het voorhangsel staan, is zij volkomen onbekend. Wie haar binnengaan, zijn voor de achterblijvers als voorgoed vergeten. Daar zullen Gods wonderen bekend worden. Over de dood en het graf zal de overwinning worden behaald. Gods “goedertierenheid” voor de mens en Zijn “getrouwheid” binden Hem eraan dit nieuwe in het heelal te doen. De Messias moet terugkeren uit de verblijven van de onzichtbare wereld.
En op Gods tijd moeten ook Heman en alle andere leden van het lichaam van de Messias terugkeren. Ja, Gods wonderen zullen bekend worden bij de ingang van het graf. Gods gerechtigheid is op prachtige wijze zichtbaar geworden doordat Hij gaf wat nodig was om aan het recht te voldoen, ten bate van de leden van de Messias. Daarom móét de opstanding volgen en moet het land van de vergetelheid zijn doden teruggeven. O ochtend van onovertroffen zaligheid, kom snel! De Messias is opgestaan. Wanneer staan allen op die bij Hem horen? Tot die dag aanbreekt, nemen zij de klagende vragen van hun Hoofd over.
Met de klanken van Heman herinneren ze hun God aan wat Hij nog moet volbrengen. “Zult Gij wonder doen aan de doden?” enzovoort.
- Zijn vasthoudendheid in het hevige gebed, Ps. 88:14-15.
- Zijn langdurige en veelsoortige ellende, Ps. 88:16-18.
- Zijn eenzaamheid van ziel, Ps. 88:19.
Hengstenberg vertaalt het laatste deel van dit vers letterlijker: “Het donkere rijk van de doden is in de plaats van al mijn metgezellen.” Wat een onbeschrijfelijke somberheid! Ze wordt voltooid door deze laatste donkere schaduw: alle medeleven is van alle kanten volledig weggehaald! Wat een verlatenheid! Hij zakt weg van het ene duister in het andere, van de ene diepte in de volgende. Elke golf slaat over hem heen. De toorn rust als een enorme berg, zo zwaar dat ze op de geplette worm “leunt”. Zelfs Ps. 22:1-32 maakt niet dieper ontzag. In deze diep zwaarmoedige psalm is er maar één bemoedigende lichtglimp door het zware duister: de opstanding waarop men hoopt, hoewel ze nog ver weg is.
Zo duur is de zaligheid gekocht door Hem Die de opstanding en het leven is. Hij Zelf heeft in onze naam geworsteld om leven en opstanding. Dat Hij die prijs zo betaald heeft, is ook de reden dat de zaligheid voor ons gratis is. Zo horen wij met ernstige vreugde de harp van Juda, bespeeld door Heman. Zijn bedoeling is niet dat onze zielen ontzag krijgen voor zijn eigen smarten. Zij moeten ontzag krijgen voor wat Horsley noemt “de klaagzang van de Messias”, of volledig gezegd: de droevige dagen en nachten van de Man van smarten. — Andrew A. Bonar.
Gehele psalm
In heel het Psalmboek staat deze psalm op zichzelf, door zijn onverminderde somberheid en de hopeloze droefheid in zijn toon. Zelfs de allertreurigste van de andere psalmen en de Klaagliederen zelf hebben hier en daar een wisseling van toon en een enkele klank van hoop. Hier is alles duisternis, tot aan het einde. — Neale en Littledale.
Gehele psalm
In de voorgaande psalm staat de profetie dat alle volken zich zullen bekeren. Daarna volgt deze lijdenspsalm, zodat we nooit zullen vergeten dat God Zich door het kostbare bloed van Zijn dierbare Zoon een kerk heeft verworven die over de hele wereld is. — Christopher Wordsworth.
Gehele psalm
Volgens Brentius is alle ellende en smart die in deze psalm beschreven wordt, het lot van het volk van Christus geweest. Daarom, voegt hij eraan toe, mogen we deze psalm beschouwen als een psalm van Christus en Zijn kerk samen. — W. Wilson.
Vers 2
Mijn. Dat kleine woordje “mijn” maakt voor even een gat tussen de wolken. Daardoor valt één enkele straal van de Zon der gerechtigheid naar beneden. Meestal merk je dat een psalm die met klagen begint, met lof eindigt. Zo gaat het ook met de zon: ze komt op in wolken en nevel, maar gaat helder onder en schiet vlak voor haar ondergang nog haar laatste stralen uit. Hier is het anders. De eerste straal schiet over de hemel precies op het moment dat de zon opkomt. Nauwelijks is hij verschenen, of dikke wolken en duisternis pakken zich erboven samen.
De zon legt haar hele dagweg af, ingepakt in wolken. Uiteindelijk gaat ze onder in een nog dikker wolkendek dan ze de hele dag om zich heen had. “Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis.” In wat een donkere wolk gaat de zon van Heman onder! — J.C. Philpot.
Vers 2
Voor Uw aangezicht. Hij had zijn klachten niet roekeloos geuit en ook niet aan de wind prijsgegeven, zoals velen doen die in hun ellende geen hoop hebben. Hij had zijn klagen altijd vermengd met gebeden om verlossing. Die richtte hij tot God, daar waar het geloof hem de zekerheid gaf dat zijn gebeden zouden worden gezien. Hier moeten we goed op letten. Het laat namelijk zien wat voor soort klachten de heiligen hebben. — Mollerus.
Vers 2
Voor Uw aangezicht. Anderen zoeken een schuilhoek om tegen God te mopperen. De psalmist treedt echter binnen in de tegenwoordigheid van de Heere en legt Hem zijn grieven voor. Wie het aandurft zijn klacht voor het aangezicht van de Heere Zelf uit te storten, heeft echte smart. Het is dan geen kwestie van gemelijkheid of een opstandige geest. — C.H.S.
Verzen 2-3
Voor Uw aangezicht. Het gaat niet om gezien worden door mensenogen, maar door God alleen. Laat daarom mijn gebed voor Uw aangezicht komen. Met andere woorden: laat het welgevallig zijn bij U, zoals gezanten die tot een gehoor worden toegelaten. Is mijn gebed binnengekomen? Neig dan Uw oor tot mijn geschrei, want U hoort het verlangen van wie ellendig is. — Richardus Hampolus.
Vers 3
Neig Uw oor enz. Als God Zijn oor niet naar ons gebed buigt, heeft het geen zin dat we voor Zijn aangezicht komen. De verloren zoon durfde niets te vragen totdat zijn vader hem tegemoet kwam rennen, hem om de hals viel en kuste. Pas toen sprak hij, Luk. 15:21: “Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u” enz. Zo kreeg hij barmhartigheid. Esther legde haar vraag ook pas aan Ahasveros voor toen hij van zijn troon was afgedaald en zich naar haar had gebogen. Esth. 5:2 enz. — Le Blanc.
Vers 4
“Want mijn ziel is der tegenheden zat.” De Heere Jezus gaf Zijn heerlijkheid op om met nood gevuld te worden. Zijn ziel bevatte geen menselijke zonde, wel menselijke nood. Daardoor kunnen wij, die vol zonde zitten, van de nood verlost worden. Zijn leven kwam in de buurt van de schrik van de onzichtbare wereld, om te voorkomen dat wij daar ten prooi aan zouden vallen. — “Plain Commentary.”
Vers 4
“Want mijn ziel is der tegenheden zat.” Hoor eens in wat voor diepe geestelijke nood drie eerbiedwaardige dienaren van God in onze tijd zijn terechtgekomen. Het besef van Gods toorn over de zonde drukte hen plat. Mevrouw Brettergh, een gezegende vrouw, lag op haar sterfbed. De pijn van de dood sloot haar vreselijk in. Zelfs het leed van de hel pakte haar ziel beet. Zij zei zelf dat er in haar een brullende woestenij van ellende was. Haar zonde, zei ze, had haar tot prooi van Satan gemaakt. Ze wenste dat ze nooit geboren was, of dat ze als ieder ander schepsel was geschapen, maar niet als vrouw.
Telkens weer riep ze: wee, wee, wee enzovoort. Een zwakke, een ongelukkige, een ellendige, een verlaten vrouw. Ze huilde onophoudelijk, de tranen stroomden langs haar wangen. Meester Peacock, die man van God, kreeg te maken met een verschrikkelijke bezoeking en verlating. Hij somde enkele kleinere zonden op en barstte toen uit: “En vanwege deze”, zei hij, “voel ik nu een hel in mijn geweten.” Bij andere gelegenheden kreunde hij ontzettend jammerlijk: “Ach, ik ellendige! Ach, mijn hart is ongelukkig! Ach, ach, wat ben ik ongelukkig en diep treurig! De last van mijn zonde drukt zo zwaar op mij dat ik bang ben dat mijn hart eraan breekt. Ach, wat ben ik er slecht aan toe, ik word opgejaagd door helhonden!” De mensen om hem heen vroegen of hij wilde bidden.
“Ik kan het niet”, antwoordde hij. “Mogen wij dan voor u bidden?”, vroegen zij. “Misbruik de naam van God niet”, zei hij, “door te bidden voor een verworpene.”
Wat die gezegende heilige van God, John Glover, binnenin zijn geest aan scherpe pijn, aan bittere kwelling en aan gloeiende vuurhitte van de hel heeft gevoeld, zegt Foxe, dat kan geen mens met woorden zeggen. Foxe vertelt: als jongen was ik een keer of twee bij hem. Wat hij zei en wat ik zelf zag, liet mij begrijpen dat hij vijf jaar lang zo was uitgeput en verteerd dat hij bijna geen trek in eten had, geen rustige slaap, geen plezier in het leven. Zelfs bijna geen enkel gevoel was hem nog gebleven. Hij dacht dat hij ergens was teruggevallen.
Dat bracht hem zo van streek dat hij, ook al had hij in de diepste put van de hel gezeten, nauwelijks méér aan zijn zaligheid had kunnen wanhopen. In die ondraaglijke geestelijke pijn smaakte zijn eten hem niet. Dat kon ook niet. Toch moest hij zichzelf dwingen te eten, ook al wilde hij niet. Zo hield hij het moment van zijn verdoemenis zo lang mogelijk tegen. Want hij dacht dat hij, zodra zijn adem zijn lichaam verliet, onherroepelijk in de hel zou belanden. Ik durf dit onderdeel echt niet af te sluiten voordat ik jullie iets heb verteld, want ik wil niet dat een kind van God hier de moed door verliest.
Ieder van deze drie is uiteindelijk, tot hun zegen, hersteld. Nog vóór hun dood zijn ze op een heerlijke wijze uit hun diepten van uiterste geestelijke ellende teruggekomen. Hoor daarom de overwinningsliederen van mevrouw Brettergh en hoe haar geest jubelde nadat haar Welbeminde was teruggekeerd: “O Heere Jezus, bidt U voor mij? O gezegende en lieve Zaligmaker, wat is dit wonderlijk! Hoe wonderlijk zijn Uw ontfermingen! O, mijn woorden schieten tekort voor Uw liefde. U bent zo genadig voor mij geweest! O mijn Heere en mijn God, geprezen zij Uw Naam voor eeuwig. U hebt mij het pad des levens laten zien. Heere, een korte tijd hebt U Uw aangezicht voor mij verborgen. Maar met eeuwige barmhartigheid hebt U Zich over mij ontfermd. En nu, gezegende Heere, bent U vertroostend bij mij. Ja, Heere, U hebt Uw dienstmaagd aangezien en U bent gekomen met volheid van vreugde en overvloed aan troost. O, geprezen zij Uw Naam, mijn Heere en mijn God. O, de vreugden die ik in mijn ziel voel! Wonderlijk zijn ze. O Vader, wat bent U barmhartig en wat bent U wonderlijk genadig voor mij! Ja, Heere, ik voel Uw barmhartigheid en weet dat U mij liefhebt. Zo zeker als U de God van de waarheid bent, zo zeker weet ik dat ik de Uwe ben, o Heere mijn God. Mijn ziel weet dat heel goed. Geprezen zij de Heere, Die mij zo getroost heeft. Hij heeft mij nu naar een plaats gebracht die mij zoeter is dan de hof van Eden. O, de vreugde, de heerlijke vreugde die ik voel! O, prijs de Heere voor Zijn barmhartigheid en voor deze vreugde, die mijn ziel zo diep voelt. Prijs Zijn Naam voor eeuwig.”
Luister hoe het hart van meester Peacock werd opgefrist en meegenomen door hemelse rust en zoete troost, toen de storm voorbij was. “Waarlijk”, zei hij toen het noodweer wat was gaan liggen, “mijn hart en mijn ziel zijn ver afgedwaald en diep geteisterd door verzoekingen en steken van het geweten. Maar ik dank God dat ze nu voor een groot deel zijn verlicht. Daarom vraag ik dat men mij niet brandmerkt als een verworpene of weggeworpene. Zulke vragen en tegenwerpingen, en alles wat daarheen leidt, wijs ik van mij af. Voor de onbezonnen woorden die ik tijdens mijn verzoeking sprak, vraag ik God nederig en oprecht om genade, voor ze allemaal.” Daarna werd het in zijn hart beetje bij beetje lichter.
Hij sprak woorden als deze: “Ik voel, God zij geprezen, zo’n troost door dat, hoe zal ik het noemen?” “Doodsangst”, zei iemand die erbij stond. “Nee”, zei hij, “dat is te weinig. Al bezat ik vijfhonderd werelden, voor zo’n uitkomst zou ik niets kunnen terugbetalen. O, de zee heeft niet meer water en de zon niet meer licht dan de Heere vol is van barmhartigheid. Ja, Zijn barmhartigheid is nog tienduizend keer groter. Wat heb ik veel reden om de grote goedheid van God te prijzen! Hij heeft zo’n ellendige booswicht, van zo lage afkomst, klein gemaakt en tot zo’n schitterende, verheven staat gebracht. De Heere heeft mij met Zijn goedheid vereerd! Ik weet zeker dat Hij voor mij een heerlijk koninkrijk heeft voorbereid. De vreugde die ik in mijn hart voel, is niet te geloven.”
Over de derde, John Glover namelijk, horen we meester Foxe: “Deze goede dienaar van God moest vele jaren zulke scherpe verzoekingen en harde klappen van Satan verdragen. Toch bewaarde de Heere hem al die tijd in Zijn genade. Uiteindelijk bevrijdde Hij hem niet alleen van alle troosteloosheid, maar vormde Hij hem er ook door tot een zelden geziene afsterving van het leven. Hij was als iemand die al in de hemel is geplaatst en voor deze wereld is gestorven, in zijn woorden en in zijn overdenken. Zijn leven was helemaal hemels. Alles wat goddeloos was, verafschuwde hij in zijn gemoed.” — Robert Bolton (1572-1631), in “Instructions for a right Comforting afflicted Consciences.”
Vers 4
Mijn leven. Het Hebreeuwse woord dat met leven is vertaald, staat in het meervoud, net als in Gen. 2:7, 3:14, 17, 6:17, 7:15 en op andere plaatsen. Waarom voor leven een meervoud wordt gebruikt, weten we nu niet zeker. Misschien past het bij het feit dat een mens twee soorten leven heeft. Er is het dierlijke leven, dat hij deelt met de lagere schepping, en er is het verstandelijke of hogere leven, het leven van de ziel. Hier wil de dichter zeggen dat hij op het punt staat te sterven. Zijn leven, of zijn levens, naderen het punt waarop het graf zich over ons sluit. Dan dooft het louter dierlijke leven uit en wordt de ziel, het onsterfelijke deel, van het lichaam gescheiden. — Albert Barnes.
Vers 4
Het graf. In de vertaling van het gebedenboek staat voor dit woord “hel”. De bijbelvertaling heeft “het graf”. Vaak wordt het weergegeven als hel of als graf. In het Hebreeuws heet het sjeol en in het Grieks “Hades.” “Hades” wil zeggen “de onzienlijke wereld.” “Sjeol” betekent letterlijk “de Verslindende” of “de Onverzadelijke”. Vergelijk Hab. 2:5: “die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt”, en ook Spr. 30:15-16. De oude Hebreeën dachten bij “Sjeol” aan een sombere, stille en geheimzinnige verblijfplaats waar niemand aan ontkomt.
Ze lag diep in de aarde. Wanneer zielen van het lichaam waren gescheiden, moesten ze daarheen gaan en daar blijven (Jes. 14:9-20). Volgens hen werden de geesten van alle mensen daar vastgehouden en bleven ze er wachten. Vooral de zielen van de reuzen van vóór de zondvloed woonden daar (1 Petr. 3:19-20), en ook die van de groten uit de oude tijd, de Refaïeten. Zij zagen die voor zich als beangstigende, reusachtige schimmen (vergelijk Spr. 2:18). Naarmate Gods onderwijs duidelijker werd, kregen deze ideeën een andere vorm en groeiden ze verder. Men deelde de woonplaats van de doden in naar verschillende toestanden.
Er was een toestand van hoop en troost, die ze Abrahams schoot en het paradijs noemden (Luk. 16:22-23, 23:43). Er was ook een toestand van ellende en pijn (Spr. 3:1). Door de Zaligmaker kwamen leven en onsterfelijkheid aan het licht. Ook het oordeel kwam aan het licht, en de Hel, de Gehenna van de eeuwige straf, die iets anders is dan de Onzienlijke Wereld (vergelijk Openb. 20:13-14). Het lijkt erop dat de kerk van Rome uit deze bespiegelingen van joodse rabbijnen over Sjeol haar leer van het vagevuur heeft ontwikkeld. Daar komt nog iets bij.
Wie het rabbijnse onderwijs volgde, hield algemeen voor waar dat alle nakomelingen van Abraham wel in Sjeol zouden wonen tot de algemene opstanding, maar uiteindelijk aan de Gehenna met het eeuwige vuur zouden ontkomen. De rijke man (Luk. 16:23) ligt in Hades, in kwellingen, wanneer hij Abraham, zijn vader, aanroept. — “Plain Commentary.”
Vers 5
“Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen.” Niet ik alleen, zegt hij, maar ook anderen denken zo. Ook anderen geven nu de hoop op mijn leven op. Ze zetten mij bij hen wier lijken naar de begraafplaats worden gedragen. Want al mijn krachten zijn op en mijn levensgeesten zijn gedoofd. Hij kiest het woord geber, dat meer wijst op standvastigheid dan adam of isj. Zo laat hij zien hoe zwaar deze kwalen waren en hoe fel zijn pijn, die zelfs een heel sterke man zou hebben gebroken. — Mollerus.
Vers 5
“Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen.” Na de benauwdheden van Christus’ ziel komen de schande en vernedering die Hij onderging. Hij was de bron van onsterfelijkheid. Niemand kon Zijn leven afnemen. In een oogwenk kon Hij twaalf legioenen engelen laten komen. Met één woord kon Hij hemel en aarde voor Zich laten vluchten. En toch werd Hij gerekend bij hen die in de kuil nederdalen. Voor wie het zag, stierf Hij als ieder ander gewoon mens. Ja, men doodde Hem met geweld, als een misdadiger. In de handen van Zijn beulen leek Hij een man zonder kracht, zonder macht, zonder vermogen om Zichzelf te helpen of te redden.
Zijn kracht week van Hem. Hij werd zwak, als ieder ander. De mensen schudden het hoofd over Hem en zeiden: “Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen.” — Samuel Burder.
Vers 5
In het oorspronkelijke staat een tegenstelling die je met gewoon vertalen niet kunt overbrengen. Ze komt doordat het eerste woord voor man een woord is dat kracht in zich heeft. — J.A. Alexander.
Vers 6
“Afgezonderd onder de doden.” In het vorige vers zei hij dat hij heel dicht bij de dood was gekomen. Nu is hij duidelijk dood. Eerder stond hij op het punt begraven te worden, nu ligt hij in het graf. Zo was zijn lijden steeds erger geworden. “Vrij” moet je begrijpen met het oog op de zaken van dit leven, zoals in Job 3:19: “En de knecht vrij van zijn heer.” — Martin Bucer, 1491-1551.
Vers 6
“Afgezonderd onder de doden.” Chofschi bammetim betekent volgens mij liever: uitgekleed onder de doden. Zowel vers 5 als vers 6 lijken te zinspelen op een slagveld. Verspreid over de vlakte liggen gesneuvelden en gewonden. De plunderaars lopen tussen hen door. Ze kleden niet alleen de doden uit, maar ook zij die dodelijk gewond lijken, niet meer kunnen herstellen en te zwak zijn om zich te verweren. Daarom zegt de psalmist: “Ik ben geworden als een man, die krachteloos is”, Ps. 88:5. — Adam Clarke.
Vers 6
Vrij. Zolang wij nog in het vlees leven, is er geen vrijstelling. Er is geen wapenstilstand voor ons. Voortdurende onrust beheerst ons en brengt ons in verwarring. Vrijheid krijgen wij daarom pas na de dood, omdat we dan uitrusten van ons werk. — Franciscus Vatablus.
Vers 6
“En zij zijn afgesneden van Uw hand.” Pas ervoor op dat je jezelf ooit ziet als iemand die is afgesneden van het leven en van alle genot. Dat ben je niet. Je bent apart genomen en terzijde gelegd, misschien maar voor even, misschien je hele leven lang. Toch ben je nog altijd een deel van het lichaam waarvan Christus het Hoofd is. Sommigen moeten lijden en anderen moeten dienen, maar iedereen heeft de ander nodig. “Het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging”, en “het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node, of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.” Ef. 4:16; 1 Kor. 12:21.
Misschien zitten je voeten vast. Misschien hebben ze vroeger heel levendig gerend en heb je er nu verdriet van dat ze niet meer kunnen lopen. Maar treur daar niet zo over en wees niet jaloers op wie nog wél rent. Jij hebt een taak. Dat kan het werk van het hoofd zijn, of van het oog. In elk geval is het het werk dat God je geeft. Het kan zijn dat je werk bestaat uit stil liggen, geen hand of voet bewegen, bijna niets zeggen en nauwelijks laten zien dat je leeft. Wees niet bang.
Heeft Hij, je hemelse Meester, je dit te doen gegeven? Dan is het Zijn werk en dan zal Hij het zegenen. Mopper er niet over. Zeg niet: dit is werk en dat is geen werk. Hoe weet je dat? Wat voor werk deed Daniël volgens jou in de leeuwenkuil? En Sadrach, Mesach en Abednego in de brandende oven? Hun werk was schitterend, “tot lof, en eer”. Zij maakten God groot in hun lijden. — Uit “Sickness, its Trials and Blessings.” (Anoniem) 1868.
Vers 7
“Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten” enz. Hij werkt zijn gedachte verder uit met een nieuw beeld. Hij ziet zichzelf als een gevangene die in een diepe, vuile, donkere en modderige put is geworpen. Daar zit hij opgesloten, ondergedompeld in vuil en duisternis, zonder een spoortje hoop of leven. Zo is het ook Jeremia vergaan in zijn lijden, Jer. 37:1-21. Met dit beeld wil hij zeggen dat hij in de grootste angst en het diepste verdriet van geest verkeerde. Elke hoop en elk gevoel van troost ontbrak hem. De verschrikkingen van de dood werden voortdurend groter en zwaarder. — Mollerus.
Vers 7
Een heilige die diep onder de indruk is van Jehova’s oneindige toorn, kan niet anders dan in grote gewetensangst verkeren. Hij verkeert in verwarrende diepten van geestelijke nood. Hij weet dat Gods toorn straft. Daardoor ontstaat in zijn geest een strijd die onbeschrijflijk pijnlijk en schrikwekkend is. Zijn onrustige geweten wordt aangewakkerd door het besef van de vurige woede van God de Almachtige. Hoe meer hij Hem als zijn oneindige Vijand ziet, hoe banger hij wordt. Elke gedachte aan Hem brengt onheilstijding en giet olie op de laaiende vlam.
Gewetensnood om de zonde is werkelijk zeer verontrustend en beklemmend. Maar het gevoel van Gods wraakzuchtige toorn, dat in het geweten brandt, is nog veel verschrikkelijker. Geen woorden kunnen beschrijven hoe vreselijk de wanhopige ziel dan lijdt. Dan kan een christen niet één rustgevende of bemoedigende gedachte vasthouden. Waar hij ook eerst aan denkt, het martelt zijn gewonde geest. Hij ruilt die gedachte in voor een andere, maar die martelt nog erger. Hij zit vast, alsof hij midden in een dichte doornstruik staat. Waarheen hij zich ook draait, steeds wordt hij opnieuw doorboord en gekweld.
Vaak komt in zijn verontruste geest deze sombere gedachte op: als de dood hem nu, in deze toestand, zou overvallen en wegnemen, zou hij voor altijd wegzinken onder de ondraaglijke toorn van de oneindige Jehova. De allerergste pijn in het lichaam is bijna niets vergeleken met de angst van zijn geest op zulke momenten. O, hoe ontzettend is de angst, de doodsstrijd, vooral van een heilige ziel, die worstelt met de overweldigende toorn van de eeuwige God!
Zelfs lichamelijke marteling, zoals bij de kruisiging, perste de heilige Jezus niet de minste zucht of klacht af. Maar het besef van de toorn van Zijn Vader in Zijn ziel dwong Hem tot die jammerlijke kreet: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!” — John Colquhoun, in “A Treatise on Spiritual Comfort.” 1814.
Vers 8
“Uw grimmigheid ligt op mij.” Anderen vertalen: ze steunt op zichzelf, of ze laat haar volle gewicht op mij rusten. Het is alsof een reus zich met heel zijn gewicht ophangt aan een klein kind. — Thomas Goodwin.
Vers 8
Sommige mensen voelen Gods toorn op hun ziel en geweten, en toch staan ze niet onder die toorn. Het zijn ware heiligen van God. Voorbeelden daarvan zie je in Paulus, het uitverkoren werktuig van God om de Naam van Jezus onder de heidenen te dragen. Hij had strijd van buiten en angst van binnen. Heman, de Ezrahiet, zei: “De golven van de gramschap van de Heere zijn over mijn hoofd heengegaan, zodat zij mij dreigen te verdrinken. Ik lijd verschrikkingen en twijfelingen van mijn prille jeugd af, zodat ik er nooit van verlost kan worden.” Beiden waren dierbare kinderen van God.
Stel nu dat je niets dan toorn voelt. Stel dat je vraagt hoe je je toestand moet beoordelen terwijl je zo’n toorn draagt dat al het zand van de zee, op de weegschaal ertegenover gelegd, het niet zou opwegen. En stel dat je zo’n vuur in je geweten hebt dat ijzer en koper erin zouden smelten, omdat ze het niet zouden kunnen verdragen. Hoe kun je dan weten dat God je liefheeft en je verkoren heeft tot het eeuwige leven? Ik zeg je: ben je Gods uitverkoren kind en een vat van barmhartigheid, dan zul je in zo’n toestand het volgende merken bij jezelf.
Ten eerste haat en verafschuw je je zonde. Zij is de oorzaak van je ellende en heeft je tot deze pijn gebracht. Ten tweede voel je verdriet en pijn over je zonde, en je klaagt omdat je God tot toorn tegen je hebt geprikkeld. Ten derde verlang je ernaar met God verzoend te worden en in vrede met Hem te leven, zodat je zonden voor Zijn ogen worden weggenomen. Ten vierde heb je honger en dorst naar het bloed van Christus om die toorn te doven, en naar Zijn gerechtigheid om je ziel te bedekken. Ten vijfde wacht je geduldig op de redding van de Heere. En kun je die zekerheid niet bereiken, dan is er een hoop boven hoop en zeg je met Job (Job 13:15): “Heere, ik zal op U vertrouwen, al zoudt Gij mij doden.” — John Welch.
Vers 9
Soms word ik ineens overspoeld door een droefheid waar ik geen woorden voor heb. Een enorme eenzaamheid trekt mijn ziel naar zich toe. Misschien verlang ik naar een hand en een stem die verdwenen zijn en die me zouden troosten zoals vroeger. Het is een leegte zonder vorm, die zich in haar plooien om mij heen slaat en mijn diepste wezen donker maakt. De eerste dagen van mijn ziekte voelden niet zo. Alles was toen zo nieuw en onbekend dat een vreemde geestelijke kracht mijn ziel vulde, alsof engelenhanden mij droegen. De liefde en vriendelijkheid die mijn ziekte wakker riep, overvielen mij als een zoete verrassing.
Door tedere zorg werd zelfs mijn pijn voor mij een aanleiding tot blijdschap. De hoop was sterk en het herstel kwam eraan. Nog maar een paar weken scheidden mij van mijn gezondheid. Van de ziekte zou alleen de herinnering blijven aan al die liefde en meeleven, als een lichtspoor dat de voeten van mijn Zaligmaker hadden achtergelaten toen Hij met mij over de stormachtige zee liep. Nu schuift die hoop echter steeds op. Mijn gezondheid lijkt onderweg te treuzelen. Het herstel blijft weg en de beproeving wordt langer en langer, als een keten die zich almaar verlengt.
Mijn ziel begint te verslappen en te vermoeien en de last wordt zwaarder. Zelfs voor wie het allermeest van mij houdt, is mijn pijn en hulpeloosheid gewoon geworden. Voor mij blijft ze net zo scherp, nauwelijks afgesleten door gewenning. Mijn klachten zijn voor hen een langdradig verhaal dat ze al vaak hebben gehoord en dat steeds met dezelfde doffe herhaling terugkomt. Het is bijna normaal geworden dat ik bij een leuk uitstapje niet word meegevraagd en bij een mooie wandeling achterblijf. Het is normaal geworden dat de plezierige dingen van het leven met gevouwen handen en afgewend gezicht langs mij heen gaan. Ziekte, eentonige dagen en grijze schaduwen zijn mijn deel…
En o mijn God, soms bezwijkt mijn geest onder een angst waar ik geen naam voor heb. Ik ben bang dat deze eenzaamheid steeds dieper wordt, als het Uw wil is dat mijn ziekte blijft of het herstel lang uitblijft. Ik kan niet meer naast hen lopen van wie ik houd. Zal ik hun nog even dierbaar zijn alsof ik aan hun zijde was gebleven en alles met hen had gedeeld, hun bezigheden en hun plezier? Ik moet toezien hoe anderen mijn plaats innemen en mijn werk voor hen doen. Zal ik in hun ogen niet minder gaan gelden?
Zullen anderen de erfenis van liefde niet krijgen die van mij had kunnen zijn? Zullen ze mij niet beu worden, beu van dezelfde oude klachten, telkens herhaald maar steeds nieuw? Zullen ze zich dan niet, met een onbewust gevoel van opluchting, wenden tot vrolijker harten en blijere levens? Mijn God, mijn God, bij wie kan ik troost zoeken, behalve bij U? U dronk de bittere beker van menselijke eenzaamheid tot op de bodem leeg. Zo werd U een Broeder van de eenzamen en een barmhartige en trouwe Hogepriester voor de ziel die niet meer verder kan.
U alleen kunt naar binnen gaan als alle deuren voor menselijke hulp op slot zijn, naar die verborgen plaats van de donder. Daar lijdt en worstelt de door storm getroffen ziel alleen. U alleen kunt de winden en stormen bevelen. U zegt tegen de zee: “Zwijg!” en tegen de wind: “Waai niet!” En er komt een grote stilte. Als een kind dat alleen in het donker is, roept mijn hart naar U. Het roept om Uw omarmende armen, om Uw stem van troost en om Uw doorboorde hart, waarop ik mijn zere hoofd kan leggen om te voelen dat de Liefde dichtbij is. — Uit “Christ the Consoler. A Book of Comfort for the Sick.” Anoniem. 1872.
Vers 9
“Gij hebt mijn bekenden verre van mij gedaan.” Deze storm van ellende drukt des te zwaarder, ten eerste omdat al mijn bekenden ver bij mij vandaan zijn gegaan, zoals zwaluwen in de winter: Spr. 14:20: “Ook wordt de arme door zijn naaste gehaat, maar die rijk is, heeft vele vrienden.” Seneca waarschuwt terecht: vliegen gaan af op honing, wolven op lijken, mieren op voedsel, en de menigte op loon, niet op de mens. Job zei (Job 19:13): “Hij heeft mijn broeders verre van mij gedaan, en die mij kennen, zijn mij gans vreemd geworden. Mijn naasten hebben het opgegeven en mijn bekenden hebben mij vergeten.” Ten tweede verlaten ze de bedroefde niet alleen vaak, ze maken zijn ellende ook zelf nog groter en versnellen zijn val.
Een rijke man die begint te vallen, wordt door zijn vrienden overeind gehouden. Maar een arme man die ligt, wordt weggeduwd door wie vroeger deden alsof ze van hem hielden. — Le Blanc.
Vers 9
“Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld”: letterlijk “gruwelen”, alsof ik één grote hoop gruwelen ben. (Gen. 46:34; 43:32). Voor de Egyptenaren was Israël een gruwel. Zo was ook de Messias, het ware Israël waar dat volk een beeld van was, dat voor de wereld. — A.R. Fausset.
Vers 9
Een gruwel. Dat zegt men van iemand die onrein is en daarom buiten de omgang met anderen wordt gehouden; Gen. 46:34. Vergelijk Job 9:31; 19:19; 30:10. “Ik kan niet uitgaan.” Wie van melaatsheid werd verdacht, werd “zeven dagen opgesloten”; Lev. 13:4. — William Kay.
Vers 10
“Mijn oog versmacht… ik heb geroepen.” Huilen mag ons bidden niet in de weg staan. Wij moeten zaaien met tranen: “Mijn oog versmacht”, maar toch “roep ik tot U al den dag.” Laat gebed en tranen samen optrekken, dan worden ze ook samen aanvaard: “Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien.” — Matthew Henry.
Vers 10
De eerste woorden bedoelen waarschijnlijk letterlijk de pijn en de wazigheid in de ogen die ontstaan door te veel huilen. Zo vatten veel uitleggers ze ook op. Lorinus haalt er een Latijnse dichter bij, Catullus, die dat treffend verwoordt:
Moesta neque assiduo tabescere lumina fletu
Cessarent.
En mijn bedroefde ogen bleven maar wegkwijnen
van onophoudelijke tranen.
— Neale’s Commentary.
Vers 11
Hij houdt zichzelf stellig voor dat God hem niet zou nalaten te troosten vóór zijn dood. En ook dat de Heere hem liever op wonderbaarlijke wijze uit de dood zou opwekken dan Zichzelf niet te verheerlijken in zijn redding. Zo kiest hij ook hierin weer een veilige weg. Wat hij van God kan verwachten, zoekt hij liever op de gewone manier dan door naar wonderen uit te kijken. — David Dickson.
Vers 11
“Zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven?” Wie hierin een bezwaar tegen de opstanding ziet, vergist zich. Het is juist het krachtigste argument dat de Messias Zelf ervoor aanvoert. Anders zou de mens zijn zaligheid mislopen, en God zou de lofprijzing mislopen die de verlosten Hem daarvoor tot in eeuwigheid zouden geven. Aan doden als zodanig kunt U geen wonderen doen, want “God is niet een God der doden, maar der levenden.” (Matth. 22:32.) En zelfs wanneer U Uw wonderen wél liet zien, kunnen zij U daar alleen goed voor danken als zij opnieuw levend zijn geworden. — A.R. Fausset.
Vers 11
De doden. Dit woord stamt van een wortel die iets aanduidt wat zwak en slap is en tegelijk gestrekt en lang. Daarom past het bij de schimmige gestalten in de onderwereld, maar evengoed bij de reuzen en helden uit de oude tijd. — Carl Bernhard Moll, in Lange’s Commentary.
Vers 11
De doden. Als je er aandachtig over nadenkt, kun je haast niet twijfelen dat de doden Refaïeten werden genoemd (Gesenius laat dat ook doorschemeren) omdat men zich Sjeol voorstelde als de woonplaats van gevallen geesten of begraven reuzen. — F.W. Farrar, in Smith’s Dictionary of the Bible.
Verzen 11-12
Zal mijn ziel ooit kunnen geloven dat ik leef in Uw gunst, in Uw vrije genade en goedertierenheid? Dat ik daardoor word vrijgesproken, mijzelf als levend mens mag zien en weet dat al mijn zonden vergeven zijn? Dat geloven, zegt hij, is even wonderbaarlijk als een dode uit het graf tot leven roepen. Daarom kiest hij deze woorden: “Zult Gij onder de doden wonderen doen?” Hij spreekt van een wonder. Van alles wat God doet, wordt de opstanding uit de doden in de Schrift het grootste wonder genoemd. De woorden uit Ps. 88:11 klinken in de weergave van de Septuaginta bijzonder sterk.
Daar zegt hij: “Zult Gij onder de doden wonderen doen? Zullen de artsen opstaan en U loven?” Zo lazen zij het, en enkele goede kenners van het Hebreeuws lezen het ook zo. Het betekent ongeveer: haal het hele gezelschap van artsen er maar bij. Haal alle engelen uit de hemel, alle bekwame predikers en profeten die toen op aarde leefden, Gad en David (want hij leefde in Davids tijd). Roep ze allemaal bijeen. Al die artsen kunnen komen met hun versterkende drankjes en zalven. Ze genezen mij nooit, ze maken mijn ziel nooit heel en ze brengen mij nooit terug tot leven, tenzij U mij opwekt.
Want ik ben “vrij onder de doden”, zegt hij. Wat moet er nu gebeuren om bij zo iemand geloof te laten ontstaan? Deze arme, dode ziel moet uit zichzelf wegstappen. Ze moet met naakt en puur geloof naar Jezus Christus alleen gaan, Die God uit de doden heeft opgewekt, en in Hem alleen geloven. Daar is een kracht voor nodig die even groot is als werkelijk iemand uit de dood tot het leven roepen. — Thomas Goodwin.
Verzen 11-13
In deze verzen worden vier dingen van God genoemd: “wonderen”, “goedertierenheid”, “trouw” en “gerechtigheid”. Het zijn vier eigenschappen van de gezegende Jehova. Heman had ze met open ogen gezien en in zijn hart gevoeld. Door goddelijk onderwijs belandt hij nu op een plek waar die eigenschappen helemaal verdwenen lijken. En toch (hoe geheimzinnig zijn Gods wegen!) werd juist die plek het terrein waar die eigenschappen sterker oplichtten en waar zijn ziel ze dieper en uit eigen ervaring leerde kennen. De Heere nam de blinde mee langs een weg die hij niet kende, naar deze ervaringen.
Daar wilde Hij hem nog volledig laten zien wat Zijn eigenschappen zijn, waarvan hij al iets had gezien. Maar de Heere deed dat op zo’n verborgen manier dat al zijn oude kennis hem niet meer hielp. Hij stelt de Heere daarom deze vraag: hoe kunnen die eigenschappen nu getoond of bekend worden op de plaats waar hij zich bevindt? Hij begint: “Zult Gij onder de doden wonderen doen?” Hij spreekt over zijn eigen ervaring. Hij is zelf de “dode” aan wie de “wonderen” getoond moeten worden. Omdat hij daar zat, vond hij dat elke vorm van barmhartigheid die hem op die plek overkwam, een “wonder” zou zijn.
“Zullen de overledenen opstaan om U te loven?” Hoe dan! Een ziel die donker is, dof, koud, dor en onmachtig, die geen vinger kan opheffen, geen geestelijk woord kan zeggen, geen genadig verlangen kan voortbrengen en zich geen haarbreed kan optrekken uit de massa die haar plat drukt: “Zal die opstaan?” En nog meer: “U loven?” Hoe dan! Kan klagen ooit lofzang worden? Kan klacht ooit overgaan in dank? Kan iemand die rouwt ooit juichen en zingen? O, het is een wonder boven alle wonderen als “de doden” zullen “opstaan” en “de doden” U zullen “loven”, als de doden op hun benen gaan staan en dankzij Uw bloed zegevierend roepen! — J.C. Philpot.
Vers 12
In het graf. Dit is een treffend beeld van wat een levende ziel voelt wanneer de diepe verdorvenheid van haar hart zichtbaar wordt. Haar goede woorden, die ze eens zo op prijs stelde, haar goede werken, die ze eens zo waardeerde, al haar gebeden, haar geloof, haar hoop en liefde en alles wat haar hart bedacht: het is niet alleen verlamd en dood en volkomen hulpeloos geworden. In het gevoel van de ziel is het ook verrot en bedorven. Voelen wij dit, dan zijn we geestelijk op de plek waar Heman was toen hij zei: “Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden?”
Hoe dan! Zult U Uw liefde laten zien aan een stinkend lijk? Hoe dan! Moet Uw liefde worden uitgestort over een hart vol smerigheid en verrotting? Moet Uw goedertierenheid vertrekken uit Uw schitterende heiligdom, waar U regeert in majesteit, heiligheid en reinheid? Moet ze die eeuwige woning van onzegbaar licht en heerlijkheid verlaten en afdalen in het donkere, vuile en afstotende “graf”? Hoe dan! Moet Uw goedertierenheid uit het heiligdom naar het dodenhuis? Zal ze daar “verteld” worden, daar onthuld, daar uitgesproken, daar getoond, daar bekendgemaakt? Want met minder dan verkondiging juist daar is hij niet tevreden.
Hij zegt niet: “Zal Uw goedertierenheid in de Schriften verteld worden?” Hij zegt niet: “Zal Uw goedertierenheid in Christus verteld worden?” … Hij zegt ook niet: “Zal Uw goedertierenheid door de mond van predikers verteld worden?” En niet: “Zal Uw goedertierenheid in heilige en zuivere harten verteld worden?” Nee, hij zegt: “Zal Uw goedertierenheid verteld worden”, uitgesproken, gezegd, onthuld, getoond, “in het graf?” Dat is de plaats waar alles tegen haar ingaat en alles haar onwaardig is.
Het is de allerlaatste plek waar de goedertierenheid van een God Die volkomen zuiver is, naar binnen zou willen gaan. — J.C. Philpot.
Vers 12
“Uw getrouwheid in het verderf?” Je zult merken dat Gods getrouwheid het duidelijkst zichtbaar wordt in het verderf. Zijn trouw aan Zijn verbond zie je het sterkst wanneer Hij jouw valse godsdienst afbreekt om Zijn eigen koninkrijk in je ziel te bouwen. Dat zie je ook wanneer Hij alles vernietigt wat jouw liefde van Hem vervreemdde en wegtrok, zodat Hij alleen in je hart zou wonen. Wanneer de Heere je jaren later de weg laat overzien die Hij met je is gegaan, zul je zeggen: “Van alle ontfermingen van God zijn de grootste die geweest die op dat moment de zwaarste ellende leken. De rijkste zegeningen die Hij ons gegeven heeft, zijn de zegeningen die verpakt zaten in een omhulsel van vloeken. En Zijn trouw is minstens zo duidelijk gebleken in verderf als in herstel, misschien zelfs meer.” — J.C. Philpot.
Vers 12
Het is niet doordat God de mens laat zitten in het “verderf” dat zonde en dood aanrichten, dat Hij Zijn “trouw” bewijst aan Zijn beloften, die voortkomen uit Zijn “goedertierenheid”. Neem bijvoorbeeld Zijn belofte dat het zaad van de vrouw de kop van de slang zou vermorzelen (Gen. 3:15 en Hos. 13:14). — A.R. Fausset.
Vers 13
Zult U Uw gerechtigheid tonen in het land van de vergetelheid? Daar waar ik U vergeten ben en van U afgedwaald, waar ik alles wat U ooit voor mij deed, uit mijn herinnering heb laten glijden: zal Uw gerechtigheid zelfs daar zichtbaar worden? Wilt U laten zien dat U rechtvaardig bent door barmhartig te zijn, omdat er voor mij een offer is gebracht en Uw gerechtigheid samen optrekt met de verzoenende stroom van het bloed van Christus? Ik ben U vergeten en heb U verlaten. Ik heb U de rug toegekeerd. Kan Uw gerechtigheid zich dáár nog laten zien?
Hoe dan! Gerechtigheid naast barmhartigheid! Gerechtigheid die haar onbuigzame strengheid helemaal behoudt, omdat juist deze afval van het hart, juist deze vergetelheid van de ziel, juist dit vervreemd zijn van liefde en juist dit mij van U afkeren, allemaal is verzoend. Zo kan gerechtigheid nog steeds worden getoond “in het land der vergetelheid”, omdat al mijn zonden, die ik in het land van de vergetelheid beging, zijn verzoend door verlossend bloed! — J.C. Philpot.
Vers 14
“Maar” enz. Dat “maar” drukt een besluit uit waaraan hij tot nu toe had vastgehouden. Hoe hij ook over zijn toestand dacht, hij had de Heere gezocht en daarmee zou hij doorgaan. Misschien smaken de inzettingen je niet meer. Gebruik ze toch. Misschien ben je doodziek. Eet dan toch en neem alles wat je wordt aangereikt, want er komt wat kracht van. Zeg dan maar: of ik nu verdoemd of zalig word, schijnheilig of oprecht, ik ben vastbesloten door te gaan. — Thomas Goodwin.
Vers 14
“En mijn gebed komt U voor in den morgenstond.” Het gebed in de ochtend is het allerbeste. In de morgen heeft God allerlei gaven aan mensen gegeven. Ten eerste het manna, Ex. 16:13: “En des morgens lag er een dauw rondom het leger.” Wie in het leger van God staat en dapper strijdt, krijgt van God dauw en troost, als hij in de morgen bidt. Dat betekent: aan het begin van de verzoeking. ’s Avonds kregen de Israëlieten vlees, en daardoor overviel de dood hen. Maar ’s morgens kregen ze het manna, en daarmee bleef het leven in stand, tot ze in het beloofde land aankwamen.
Ten tweede werd de wet ’s morgens gegeven, Ex. 19:16: “En het geschiedde ten derden dage, als het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemen waren, en een dikke wolk op den berg, en een geluid van een zeer sterke bazuin.” Als je ’s morgens bidt, hoor je de donderslagen van God het duidelijkst. Dat zijn Zijn oordelen. Je ziet Zijn bliksemstralen het best, dat zijn Zijn goddelijke lichtstralen in ons denken. Je merkt de dikke wolk op de berg op, de goddelijke schaduw over de ziel. En het geluid van de bazuin hoor je het scherpst. Dat wil zeggen: dan beweegt Gods ingeving ons gemoed met meer kracht.
Ten derde vertrokken de kinderen van Israël ’s morgens, heel vroeg, uit Egypte. Want midden in de nacht doodde God alle eerstgeborenen in het land Egypte, Ex. 12:29 … Bid dus in de morgen. Dan overwin je je vijanden van de dag en van de nacht. En zelfs de Rode Zee, de plaats van de verzoeking, wordt voor jou een slagveld van eer, van overwinning en van gejuich. Dan zal alles goed met je gaan. — Le Blanc.
Vers 14
“Maar ik, HEERE! roep tot U.” Er is iets wat de geestelijke duisternis van een christen gewoonlijk vergezelt en wat haar onderscheidt van de angst van een schijnheilige: de levende werking van de genade van God. Meestal is die juist zichtbaar wanneer hij zelf het meest betwijfelt of hij nog vrede heeft en de troost van vroeger. Hoe minder vreugde hij haalt uit een besef van Gods liefde op dit moment, des te meer zul je hem vinden in verdriet over zijn zonde, die zijn vreugde overschaduwde.
Hoe verder Christus uit zijn zicht is weggegaan en verdwenen, hoe steviger hij zich in zijn liefde aan Christus vastklampt en hoe heftiger hij in gebed naar Hem roept, zoals we hier zien bij Heman. O, wat een vurige gebeden schiet hij dan uit zijn verontruste geest naar de hemel! Wat een hartstochtelijk verlangen stijgt dan op naar God, naar Zijn gezicht en gunst! Een verbannen kind heeft nooit zo sterk gesmacht om weer bij zijn vertoornde vader te mogen komen als hij ernaar smacht dat Gods aangezicht weer over hem schijnt. Dat licht is nu voor hem verborgen. — William Gurnall.
Vers 15
“Waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?” Goede mensen klagen er vaak over dat deze donkere wolk boven hen hangt. Voor een kind van het licht is het echt een duisternis die je kunt voelen. Ze maakt de geest mistig en verward. De helderste bewijzen blijven grotendeels verborgen. Zelfs de Bijbel is als verzegeld en vast gesloten. We zien onze tekenen niet en niets wat ons goed doet. Alles wat goed is, ligt ver van ons af en buiten ons bereik, achter de wolk, en we kunnen er niet bij.
Over ons pad ligt een diepe somberheid. We weten niet waar we zijn, waar we onze voet moeten neerzetten en welke kant we op moeten sturen. Waarheen God is gegaan, weten we niet, maar Hij kent de weg die wij nemen. Zo’n gebed past dan goed bij ons: Zoek Uw knechten, want wij zijn verdwaald. Christus is verborgen. Op het lieve gezicht van God ligt een dreigende wolk, waarachter Hij Zijn gezegende aangezicht verbergt. Of Hij houdt onze ogen vast, zoals Hij bij de discipelen deed, zodat wij Hem niet herkennen. Maar dit gebeurt gelovigen heel vaak.
Dan kunnen ze geen enkele lichtstraal voor zich zien. Alle bewijzen zijn verborgen en het licht van het aangezicht van de Heere is weggetrokken. Er verschijnen geen tekenen en geen bewijzen van liefde. Het gebod dat leven geeft, blijft voor hen verborgen en Hij toont hun geen wonderen uit Zijn wet. Toch hebben deze Israëlieten licht in hun huizen. Ze hebben licht om het verderf van hun eigen hart te zien. Ze zien hoe ongeloof werkt, hoe trots op de wet, vijandschap en opstandigheid werken, hoe Satan dubbel zo hard zijn best doet en welk ellendig voordeel hij in zulke donkere tijden uit hen haalt. — William Huntington.
Vers 16
“Ik ben twijfelmoedig.” (Vulgaat: Pauper sum ego.) Een arme verhoort God eerder. Aan hem schenkt Hij Zichzelf geheel. Eerst geeft Hij hem Zijn ogen, die op hem gericht zijn, Ps. 11:4: “Zijn ogen zien den arme.” Dan geeft Hij hem Zijn oren, die luisteren, Ps. 10:17: “Gij zult hun hart bereiden, Gij zult Uw oor doen horen.” Daarna Zijn hand, die helpt, Ps. 107:41: “Doch Hij zet den nooddruftige op een hoogte uit de ellende.” Vervolgens Zijn borst en Zijn armen, die vluchtelingen en mensen in gevaar opnemen, Ps. 9:10: “En de HEERE zal een hoog vertrek zijn den verdrukte.”
Ten vijfde geeft Hij hun Zijn geheugen, dat hen niet vergeet en aan hen blijft denken, Ps. 9:19: “De nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden.” Ten zesde Zijn verstand, dat voor hen zorgt en over hun troost waakt, Ps. 40:18: “Doch ik ben ellendig en nooddruftig; de Heere denkt aan mij.” Ten zevende Zijn goede wil, die hun gebeden graag hoort, Ps. 22:25: “Want Hij heeft de verdrukking des verdrukten niet veracht, noch verfoeid; en Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen.” Ten achtste en laatste geeft Hij Zichzelf geheel aan hen, om hen te bewaren en te beschermen, Ps. 72:13: “Hij zal de zielen der nooddruftigen verlossen.” — Le Blanc.
Vers 16
“Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende.” Wat lijden sommige mensen toch veel! Ik heb zelf een kind gekend dat op de leeftijd van twintig maanden waarschijnlijk meer lichamelijke pijn had geleden dan de hele gemeente van duizend mensen bij wie zijn ouders kerkten. Asaf lijkt een bedroefd hart gehad te hebben. Jeremia leefde en stierf klagend. Heman lijkt hetzelfde lot en dezelfde gemoedsaard te hebben gehad. — William S. Plumer.
Vers 16 (Eerste zinsnede.)
Die dag vonden we de hitte zwaarder dan ooit. We trokken in het gewone tempo van de kamelen langzaam tussen zandheuvels door. De heuvels weerkaatsten de zonnestralen naar ons terug, tot onze gezichten gloeiden alsof we naast een oven zaten … Misschien is Hagar wel eens door dit deel van de woestijn Sur gezworven toen ze terug wilde naar haar geboorteland. En misschien nam Jozef deze weg met het kleine kind Jezus, toen ze naar het land Egypte vluchtten. Al in Zijn tere kindertijd begon het lijden van de Verlosser. Hij klaagt: “Ik ben ellendig en bijna dood van mijn jeugd af.” Misschien brandden deze stralen op Zijn kinderlijk voorhoofd en droogde deze zandwind Zijn kinderlijke lippen uit, terwijl de gloed van Gods vloek in Zijn hart begon te smelten.
Zelfs in de woestijn zien we Jezus als onze Borg. — R.M. M’Cheyne, “Narrative of a Mission of Inquiry to the Jews.”
Vers 16
“Van der jeugd aan.” Dat betekent: al een lange tijd. Zo lang, dat het in mijn herinnering terugreikt tot mijn kinderjaren. Heel mijn leven is vol moeite en verdriet geweest en ik heb geen kracht meer om het nog langer te dragen. Misschien is het letterlijk waar, en was de dichter van deze psalm zijn hele leven een man in nood. Of het is de taal van een sterk gevoel. Dan wil hij zeggen dat zijn lijden zo lang had geduurd dat het leek alsof het al in zijn jongensjaren was begonnen. — Albert Barnes.
Vers 16
“Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.” Eigenlijk gaat het woord niet over een gek geworden mens. Het gaat over iemand die twijfelt en niet verder kan. Het is de twijfelmoedigheid van iemand die niet weet wat hij moet doen, niet van iemand die niet weet wat hij doet. Toch loopt die eerste vaak uit op de tweede. Wie erg piekert over wat hij moet doen en dat niet kan ontdekken, gaat uiteindelijk dingen doen waarvan hij zelf niet weet wat hij doet. — Joseph Caryl.
Vers 16
“Ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.” Deze psalm heeft iets bijzonders. Hij gaat niet alleen over de Heere Jezus Christus, en over Hem alleen. Hij Zelf is ook van het begin tot het eind de Enige Die hier spreekt. Alle psalmen zijn min of meer van Hem en over Hem. Hij is het grote doel en onderwerp van ze allemaal. Toch zien we daarnaast, op de tweede en ondergeschikte plaats, in de psalmen veel passages waar ook Zijn kerk wordt genoemd en, door haar verbondenheid met Hem, bij het gezegde betrokken is.
Maar in deze psalm wordt niemand anders aangeduid. (Wij zijn het niet eens met dr. Hawker dat de heiligen uit deze psalm worden uitgesloten. Waar het Hoofd is, zijn de leden nooit ver weg. — RED.) Alles gaat over Hem en over Zijn unieke werk, dat niemand met Hem kan delen. Alles gaat over de Zoon van God in onze menselijke natuur. De psalm beschrijft de kreten van de Heere Jezus, “toen Hij in de dagen Zijns vleses gebeden en smekingen heeft opgeofferd, met sterke roeping en tranen.” De zielenangst van Christus, vanaf het moment van Zijn menswording tot Zijn sterven, kunnen we overdenken of lezen in de heilige bladzijden van de Schrift.
Maar geen enkele geschapen kracht kan dat bevatten, laat staan uitleggen. Het is opmerkelijk dat, wat de Heere ook bedoeld heeft met de woorden “ik ben twijfelmoedig”, het Hebreeuwse woord dat hier staat nergens anders in heel de Bijbel voorkomt. De door God geïnspireerde schrijvers hebben steeds andere woorden gekozen als ze over het lijden van Christus spraken, alsof ze er geen volledig beeld van konden geven. Mattheüs zegt dat de Heere Jezus sprak: “Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe!” (Matth. 26:38.) Markus beschrijft Hem als “zeer verbaasd en beangst”! (Mark. 14:33.) En Lukas zegt dat Hij “in den strijd” was! (Luk. 22:44.) Maar hier moeten we, wat ons begrijpen betreft, stilstaan, want verder komen we niet. — Robert Hawker.
Vers 16
O Heere, de eentonigheid van mijn dagen die steeds hetzelfde zijn, trekt mij omlaag. De eindeloze moeheid van mijn lichaam maakt mij zwaar. Ik kan er niet meer tegen steeds naar dezelfde doffe dingen te kijken. Dag na dag dezelfde saaie kringloop: ik word er moe van. Zelfs de levenloze dingen in mijn kamer en het behang met zijn patronen lijken te gaan leven, doordat mijn leven zo verloren gaat. Wat ze bij mij oproepen, brengt mijn eigen gedachten en mijn eigen pijn met een doffe echo naar mij terug. Mijn hart is te moe om te hopen.
Ik durf niet vooruit te kijken. Van de komende dagen verwacht ik niets. Toch wordt mijn hart er stil van als ik denk aan de grijze, lege jaren die voor mij liggen. Ik vraag me af hoe ik dat ga volhouden en of ik onderweg niet zal bezwijken, voordat ik mijn verre thuis heb bereikt. — Uit “Christ the Consoler.”
Vers 17
“Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.” Als een zee van vloeibaar vuur (Ps. 42:8). In het Hebreeuws staat: “Uw hete grimmigheden.” LXX (Septuaginta): ai orgai sou. — William Kay.
Vers 17
“Uw verschrikkingen hebben mij afgesneden.” In het Hebreeuwse werkwoord komt de laatste lettergreep twee keer voor, om de uitdrukking sterker te maken. Het woord tsmt betekent: dichtsluiten en samenpersen in een nauwe ruimte, zodat iemand niet kan ademen of ontsnappen … In die betekenis noemt Gregorius van Nazianze het verdriet in zijn eerste rede over de vrede “de gevangenis van het hart”. — Mollerus.
Vers 18
“Als water.” Water laat niet alleen mensen verdrinken. Het gaat ook in elke spleet, zakt helemaal naar beneden en vindt overal een uitweg zodra het eenmaal een opening heeft gevonden. Daarmee wordt mooi getekend hoe diep verzoeking en nood kunnen doordringen. — Hugo Cardinalis.
Vers 19
“Vriend en metgezel hebt Gij verre van mij gedaan” enz. Na de blijdschap van het geloof is de blijdschap van vriendschap het meest redelijk, het meest verheven en het meest bevredigend. Maar net als alle aardse blijdschap is ze met andere dingen vermengd en zeer wankel. Regelmatig huilen we met onze vrienden, en soms huilen we om hen.
Tranen en verdriet om hun sterven zijn de bittere prijs voor wie liefheeft, bemind wordt en lang leeft in deze wereld. Zo ging het kennelijk ook met de schrijver van deze treurige psalm waarin onze tekst staat. Zijn lichaam werd zwaar beproefd en zijn geest verkeerde in diepe nood. “Zijn ziel was met kwalen verzadigd en zijn leven genaakte tot het graf. Hij zat gevangen door zwakte en pijn en kon niet uitgaan”, niet naar zijn werk of ontspanning, niet naar een feestelijke of plechtige bijeenkomst, Ps. 88:4-9. Hij zegt er ook bij dat “hij van jongs af ellendig en bijna dood was” in Ps. 88:16.
Dat doet denken dat hij inmiddels oud was. Enkele kennissen en vrienden hadden hem laten vallen. Hij was “hun tot een gruwel geworden”, Ps. 88:9. Ze weigerden hem te helpen en bleven weg. Een vriendelijk bezoek kreeg hij niet van hen, en zelfs geen vriendelijk, zacht en meelevend woord, dat toch niets kost. Anderen hadden hem in zijn nood trouw en liefdevol kunnen bijstaan, maar die waren al uit de wereld gehaald. En dat terwijl hij door zijn leeftijd en zijn gebreken hun gezelschap en hulp juist zo nodig had. Daarop doelt hij in de tekst, en met die klacht sluit hij zijn psalm af, als met de zwaarste klap van allemaal: “Vriend en metgezel hebt Gij verre van mij gedaan, en mijn bekenden in duisternis.” Dit overkomt veel mensen, en vooral bejaarden overkomt het vaak.
Vaak leven oude mensen langer dan hun naaste familie, de metgezellen van hun leven, hun kinderen en soms ook hun kleinkinderen. Dan zijn ze, zoals de psalmist zegt, “als een mus alleen op het dak.” … Waar de psalmist het meest onder leed, en elk edelmoedig hart zal eronder lijden, was dit: zijn vrienden en geliefden waren in “duisternis” weggehaald. Daarmee wordt het graf bedoeld, dat weten we. De Schrift noemt dat “het land van duisternis en schaduw des doods, zonder enige orde of opeenvolging, en waar het licht is als duisternis”, Job 10:21-22. Ze waren zó ver bij hem vandaan dat hij ze niet meer zag.
Ze lagen dood en begraven, buiten zijn blikveld. Ook hun vrienden op aarde zouden ze nooit meer zien. Zo gaan onze vrienden de duisternis in. Hun ogen, die vroeger glinsterden van vreugde als we elkaar na lange tijd terugzagen, zijn in de dood gesloten. Hun stem, waar wij van genoten en die ons opbouwde, is voor altijd stil. Je kunt niet meer met hen praten, niet in persoon en niet via brieven. Er liggen tussen hen en ons geen landen of zeeën. Er ligt een onmetelijke, onbekende ruimte, waar wij nog niet doorheen kunnen en waarover zij niet terug kunnen komen.
Dat zouden ze ook niet willen, hoe veel ze ook van ons hielden. We kunnen hun geen bericht sturen en we krijgen er geen van hen. Misschien zijn ze al jong bij ons weggehaald, of midden in hun leven, vol van hun werk. Dan hadden wij nog zoveel jaren van genoegen verwacht in hun vriendschap en gesprekken. We rekenden nog jarenlang op hun inzet voor hun gezin, voor de kerk en voor de wereld. Helaas! Eén vreselijke, noodlottige slag heeft dat hele mooie bouwwerk van liefde en geluk omvergehaald. Maar bij zulke gedachten mogen we niet te lang blijven.
Als ze pijnlijk gaan worden, en dat gaat snel, is het tijd om ons denken te richten op het tweede dat in de tekst opvalt. Dat is hoe de psalmist eerbiedig Gods hand in deze ellende erkent. “Gij hebt hen verre van mij gedaan.” De hele psalm door schrijft deze goede man al zijn ellende, en vooral het overlijden van zijn vrienden, toe aan Gods hand. De ziektes van zijn vrienden noemt hij niet. Hij verwijt hun geen onvoorzichtigheid of dralen. Ook verwijt hij de verzorgers geen nalatigheid of misgrepen. Hij kijkt langs alle bijkomende oorzaken heen naar de grote Heere van alles.
Hij belijdt Hem als de hoogste Heerser over elk leven en Degene Die elke gebeurtenis bepaalt. Het is goed als wij dit beeld van de gezegende God vertrouwd laten worden in ons denken. Het geeft ons de meeste lering en tegelijk de meeste troost die we kunnen krijgen. De heilige Schrift bevestigt wat ons verstand hierover zegt. Ze verzekert ons dat God “den vrede maakt en het kwade schept” en dat “uit den mond des Allerhoogsten kwaad en goed voortkomt”. Zelfs de meest toevallige gebeurtenissen staan onder Zijn leiding. Daarom “valt niet een mus ter aarde”, en strijkt er ook niet op neer, “zonder Hem”.
Nog veel minder sterven Zijn redelijke schepselen en kinderen buiten Zijn weten en Zijn bepaling om. Aan welke ziekte of door welk ongeluk ze ook sterven, God is het Die “hun adem wegneemt, hun gelaat verandert en hen in duisternis wegzendt.” Met ontzagwekkende majesteit eist God dit als Zijn eigen recht op: “Ik doe wonden, en Ik heel; en er is niemand die uit Mijn hand redt.” (Deut. 32:39.) Hij heeft het recht om onze vrienden weg te nemen, en Hij doet het. Zij waren onze vrienden, maar ze zijn Zijn schepselen. Mag Hij met wat van Hem is niet doen wat Hij wil?
Uit pure goedheid gaf Hij hun het leven. Hij mag het terugvragen wanneer Hij wil. Ze waren ons dierbaar, maar we moeten bekennen dat ze zondaars waren. Daarmee hadden ze hun leven verbeurd aan Gods rechtvaardigheid. Mag dan niet Hij bepalen wanneer Hij hen wegneemt? Ze waren onze vrienden. Maar we hopen en geloven toch dat ze door bekering, geloof in Christus en heiligende genade ook Zijn vrienden waren geworden? Door veel onverbreekbare banden waren ze Hem dierbaar. Heeft Hij dan geen sterkere aanspraak op hen en een groter belang bij hen? Past het niet dat Hij als eerste wordt gediend?
Mag Hij Zijn vrienden niet naar huis roepen wanneer het Hem goeddunkt? Moet Hij wachten op onze toestemming of er zelfs om vragen? Hij doet het, Hij Die wij niet kunnen en niet durven tegenspreken. “Zie, Hij neemt weg, wie zal Hem doen wederkeren? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?” (Job 9:12.) Hij doet het, Die oneindig goed en wijs is en alles op het beste moment en op de beste manier doet. Zijn kennis is volmaakt en feilloos. Zijn goedheid is grenzeloos en raakt nooit uitgeput. Zijn oordelen zijn een diepe afgrond en Zijn plannen kunnen wij niet doorgronden.
Toch mogen we met recht geloven dat Hij het geluk van Zijn dienaren in het oog houdt, ook in wat het meest geheimzinnig en het zwaarst is. Zijn Woord geeft ons daarvan de sterkste zekerheid. Of we nu als christen gelovig denken of als mens verstandig, we moeten Gods hand erkennen, ja Zijn wijsheid en goedheid, als onze bekenden in de duisternis worden weggenomen. — Job Orton, 1717-1783.
Vers 19
“En mijn bekenden in duisternis.”
Beter vertaald: mijn omgang is duisternis. Dat wil zeggen dat duisternis alles is wat ik nog heb om mee te praten. Mijn hele kring van bekenden bestaat uit niets dan pure duisternis. — Ernest Hawkins.
Vers 19
Als christelijke vrienden je links laten liggen of kil behandelen, komt dat vaak doordat een gelovige zijn geestelijke troost kwijt is. Is de Heere boos op Zijn weerspannige kind en tuchtigt Hij het? Dan geeft Hij Satan niet alleen vrijheid om het te kwellen. Dan laat Hij ook toe dat een paar heiligen die het kind kennen, het links laten liggen en door hun koele houding zijn verdriet nog zwaarder maken.
Wil een vader zijn halsstarrige kind krachtiger tuchtigen? Dan zegt hij tegen de anderen in huis: “Wees niet vertrouwelijk met hem, kijk hem niet vriendelijk aan, breng hem in schaamte.” Zo zegt ook de Heere, zou je kunnen zeggen, als Hij Zijn ongehoorzame kind slaat, vooral met geestelijke nood, als het ware tegen Zijn andere kinderen: “Wees een tijd lang niet vertrouwelijk met hem, behandel hem koel en zie hem niet staan, zodat hij zich schaamt en gebogen wordt vanwege zijn ongerechtigheid.” Zo klaagde Job in zijn zware ellende: “Hij heeft mijn broeders verre van mij gedaan, en die mij kennen, zijn mij gans vreemd geworden” enz. (Job 19:13-19).
En zo ook Heman: “Gij hebt mij gelegd in den onderste kuil, in duisternissen.” Verdwijnt Gods gunst voor de ziel achter wolken? Dan wordt ook de troost van de christelijke gemeenschap donker. Fronst Hij naar iemand, dan fronsen Zijn kinderen meestal mee. Is Hij vreemd tegen iemand, dan zijn zij dat meestal ook. Raakt een heilige in geestelijke nood dus in aanraking met minachting, of zelfs verachting, van enkele christelijke broeders? Dan moet hij zich daarover niet verbazen. Hij moet er ook geen reden in zien om boos te worden of met hen ruzie te zoeken.
Hij moet over hen heen kijken en dit pijnlijke gebeuren alleen aannemen uit de hand van de Heere, als een noodzakelijk deel van de tuchtiging die Hij voor hem heeft bepaald. Over hen moet hij zeggen wat David over Simeï zei: “De HEERE heeft het hem bevolen”, of wat Heman zei: “Gij hebt mijn bekenden verre van mij gedaan.” — John Colquhoun.
Vers 19
Het ritme van de laatste regel zelf laat zien dat het stuk niet af is. Het oor blijft in spanning, tot de majestueuze Ps. 89:1-53 erover losbarst als een heldere opstandingsmorgen. — William Kay.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
- Vertrouwen bij het bidden: “God mijner zaligheid.”
- Ernst bij het bidden: “Ik heb geroepen.”
- Volharding bij het bidden: “Dag en nacht.” — G.R.
Vers 3
Het gebed als gezant.
- Om gehoor gevraagd, of het voordeel dat je toegang hebt.
- Om aandacht gesmeekt, of de zegen van succes.
- Uitleg over hoe het gaat: het gebed komt en God neigt.
Vers 4
- Een goed mens kan innerlijke nood krijgen.
(a) Nood in de ziel.
(b) Een ziel vol nood.
- Hij kan ook uiterlijke nood krijgen. “Mijn leven” enz.
(a) Door vervolging van buiten.
(b) Door verdriet van binnen.
- Hij kan innerlijke en uiterlijke nood tegelijk krijgen. “Ziel vol” enz., “en mijn leven” enz. — G.R.
Vers 5 (laatste zinsnede.)
Een zwakheid waarvan we ons bewust zijn: op sommige momenten en bij verschillende plichten pijnlijk voelbaar. Het is bedoeld om ons nederig te houden, ons op onze knieën te dwingen en God meer eer te laten geven.
Verzen 5-6
- Waarin de rechtvaardige lijkt op de goddeloze.
(a) In de natuurlijke dood.
(b) In lichamelijke gebreken.
- Waarin hij van hen verschilt. Hij wordt “met hen gerekend” maar hoort niet bij hen.
(a) Hij ondergaat alleen de natuurlijke dood.
(b) Zijn kracht wordt in zwakheid volkomen.
(c) Voor hem is sterven gewin. — G.R.
Verzen 7-8
- Hoe het lijden van Gods volk hen zelf voorkomt.
(a) Uiterst: “gelegd in den onderste kuil.”
(b) Onbegrijpelijk: “in duisternissen.”
(c) Vernederend: “in diepten.”
(d) Streng: “Uw gramschap ligt zwaar.”
(e) Uitputtend: “gedrukt met al Uw baren.”
- Hoe het in werkelijkheid is.
(a) Niet uiterst maar licht.
(b) Niet onbegrijpelijk maar naar Gods wil.
(c) Niet vernederend maar verheffend. “Vernedert u onder” enz.
(d) Niet streng maar mild. Niet in toorn maar in liefde.
(e) Niet uitputtend maar gedeeltelijk. Niet al Uw baren, maar slechts enkele rimpelingen. Een zachte deining in de haven, terwijl buiten de haven een woeste oceaan ligt. — G.R.
Vers 9 (laatste zinsnede.)
Dit kan ons beschrijven als neerslachtigheid blijvend is, als de nood overweldigend is, als ziekte ons thuis houdt, als we ons beperkt voelen in ons werk voor de Heere of gehinderd in ons gebed.
Vers 10
- Verdriet voor God: “Mijn oog” enz.
- Gebed tot God: “heb geroepen” enz.
- Op God wachten: “heb geroepen al den dag”.
- Van God afhankelijk zijn: “Ik heb uitgebreid” enz. Deze handen kunnen zonder U niets doen. — G.R.
Verzen 11-13
- Wat hier wordt aangenomen.
(a) Dat een kind van God helemaal dood zou zijn.
(b) Dat hij voor altijd in het graf zou blijven.
(c) Dat hij zou worden vernietigd.
(d) Dat hij altijd in het donker zou blijven.
(e) Dat hij helemaal zou worden vergeten, alsof hij nooit had bestaan.
- Wat daaruit zou volgen.
(a) Gods wonderen aan hen zouden stoppen.
(b) Zijn lof uit hun mond zou verloren gaan.
(c) Zijn goedertierenheid voor hen zou niemand kennen.
(d) Zijn trouw zou vernietigd zijn.
(e) Zijn wonderen aan hen zouden ook voor anderen verloren zijn.
(f) Zijn gerechtigheid van vroeger tegenover hen zou worden vergeten.
- Het pleidooi dat daarop rust: “Zult Gij” enz. Het kan niet zo zijn dat de lof voor Uw genade aan Uw volk verloren gaat. Niemand kan die brengen behalve zij zelf. “Wat zult Gij dan doen aan Uw groten Naam?” — G.R.
Vers 14
- Zegeningen die op zich laten wachten na gebed: “Tot U” enz.
- Zegeningen die het gebed al vooruit tegemoet gaat: “des morgens” enz. Dagelijkse barmhartigheid die al in de ochtendgebeden wordt tegemoetgetreden. — G.R.
Vers 14 (laatste zinsnede.)
Wat bijeenkomsten voor gebed in de vroege morgen ons te bieden hebben.
Vers 15
- Verdriet is raadselachtig, maar toch rechtvaardig.
- Het is rechtvaardig, maar toch raadselachtig. — G.R.
Vers 15
Ernstige vragen. Daarna volgt een grondig onderzoek van onszelf, pijnlijke belijdenissen, harde zelfverloochening en zoete herstellingen.
Vers 16
- Het lijden van de rechtvaardigen kan lang duren, ook al is het zwaar. “Ik ben ellendig” enz., “van mijn jeugd af.”
- Het is zwaar, ook al duurt het lang.
(a) Het doet pijn: “ellendig.”
(b) Het bedreigt: “bijna dood.”
(c) Het jaagt schrik aan: “Uw verschrikkingen dragen.”
(d) Het maakt radeloos: “Ik ben” enz. — G.R.
Vers 16
Wat Christus Zelf heeft geleden voor de zaligheid van Zijn volk. — Preek van Robert Hawker. Works, deel 4, blz. 91.
Vers 17
- Goede mensen worden vaak op de proef gesteld.
- Mensen die op de proef zijn gesteld, begrijpen Gods handelen vaak verkeerd.
- De Heere neemt hen niet op hun woord. Hij is beter dan hun angsten. — G.R.
Vers 19
Dat we vrienden verliezen, moet ons herinneren aan onze eigen sterfelijkheid. Het maakt ons los van de aarde, brengt ons tot nog groter vertrouwen op de Heere, tuchtigt ons voor onze zonde en trekt ons weg naar de grote plaats van ontmoeting.
Vers 19
De woorden van onze tekst laten ons dit zien: 1. Hoe gelukkig we zijn in het leven, hangt sterk af van hechte vriendschappen. 2. Afscheid nemen van hechte vrienden is een bijzonder pijnlijke beproeving. 3. Hierin, net als in elk verdriet, put je de beste troost uit het geloof in Gods bestuur over alles, en uit het nadenken daarover. — Joseph Lathrop, 1845.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas