Psalm 8 — Treasury of David

Charles Haddon Spurgeon

TITEL — “Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.” Wat dat woord Gitthith nu precies betekent? Daar tasten we, eerlijk gezegd, volkomen in het duister. Sommigen leggen een verband met Gath: het zou kunnen gaan om een melodie die daar graag werd gezongen, om een muziekinstrument dat daar werd uitgevonden, om een lied van Obed-Edom de Gethiet – in wiens huis de ark een thuis vond – of, nog mooier, om een zegelied over Goliath van Gath. Weer anderen duiken in de Hebreeuwse wortel van het woord en komen uit bij de wijnpers: een jubelend lied voor de druiventreders! Dat klinkt aannemelijk, want het woord siert nog twee andere psalmen (81 en 84), en beide zijn door en door blij. Waar we het woord Gitthith dus in een opschrift aantreffen, mogen we met recht een lied vol verrukking, een hymne van louter genot, verwachten.

Dit is bij uitstek het Lied van de Sterrenkundige. Kom, we trekken erop uit en zingen het onder de sterrenhemel, als de avond valt! Het is zeer waarschijnlijk dat de dichter het ook precies zo, onder die hemel en in die houding, voor het eerst in zijn hart hoorde opklinken. Dr. Chalmers zegt het prachtig: “Een nachtelijke hemel heeft iets dat de ziel moeiteloos optilt tot vrome overpeinzing. Die maan en deze sterren, wat zijn zij toch? Losgeslagen van de wereld tillen zij ons er hoog boven uit. We voelen hoe de aarde ons loslaat en we rijzen op, ver weg van dit kleine toneel vol menselijke hartstochten en zorgen. De geest laat zich meevoeren in mijmering en wordt, in de vervoering van het denken, weggedragen naar verre, nooit verkende streken. Daar aanschouwt hij de natuur in de eenvoud van haar grote bouwstenen, en daar ziet hij de God van de natuur, bekleed met de hoge hoedanigheden van wijsheid en majesteit.”

INDELING — Het eerste en het laatste vers vormen samen één lieflijke lofzang vol bewondering, waarin de voortreffelijkheid van Gods naam wordt bezongen. Alles wat daartussen ligt, ademt heilige verbazing en ontzag: over de grootheid van de Heere in Zijn schepping, en over Zijn zo tedere nederbuigende goedheid jegens de mens. Poole merkt in zijn aantekeningen zeer terecht op:

“Onder de uitleggers woedt een grote vraag: spreekt deze psalm over de mens in het algemeen en over de eer die God hem in de schepping schenkt, of uitsluitend over de Mens Christus Jezus? Mogelijk laten beide zich met elkaar verzoenen. Wordt de kwestie goed gesteld, dan is de twist zo beslecht. Want de strekking van deze psalm lijkt overduidelijk: Gods grote liefde en goedheid jegens de mensheid tonen en vieren. Niet alleen in haar schepping, maar vooral in haar verlossing door Jezus Christus, Die Hij als Mens verhief tot de eer en heerschappij die hier worden genoemd, zodat Hij Zijn grote en heerlijke werk kon voortzetten. Christus is dus het hoofdonderwerp van deze psalm. Dat bevestigen zowel onze Heere Zelf (Mattheüs 21:16) als Zijn heilige apostel (1 Korinthe 15:27; Hebreeën 2:6, 7), die haar beiden van Hem uitleggen.”

UITLEG

Vers 1. De psalmist kan de heerlijkheid van God niet in woorden vangen, en dus barst hij uit in een jubelkreet: O Jehova, onze Heere! Geen wonder, want geen hart kan zelfs de helft van Jehova’s grootheid peilen, en geen tong haar uitspreken. De hele schepping zindert van Zijn heerlijkheid en straalt van de voortreffelijkheid van Zijn macht. Zijn goedheid en Zijn wijsheid worden aan alle kanten openbaar. Al die ontelbare tienduizenden aardse wezens, van de mens als kroon tot de kruipende worm in het stof, worden gedragen en gevoed door Gods mildheid. Het stevige bouwwerk van het heelal rust niet op zichzelf, maar leunt op Zijn eeuwige arm. Overal is Hij tegenwoordig, en overal klinkt, schittert en straalt Zijn naam. God is altijd en overal aan het werk. Er is geen plek waar God niet is! De wonderen van Zijn macht wachten ons aan alle kanten.

Trek maar eens door de stille dalen waar de rotsen u aan weerszijden insluiten en opdoemen als de kantelen van de hemel, tot er nog maar een reepje blauw hoog boven uw hoofd te zien is. Misschien bent u wel de enige reiziger die ooit door die kloof trok, en voor het eerst hoort die stilte het geluid van mensenvoeten. Een vogel schiet verschrikt op, en het mos huivert onder de allereerste stap. Maar God is er al, in duizend wonderen! Hij houdt die rotsmuren overeind, tilt ze omhoog, vult de bloemkelken met geur en laat de eenzame dennen opleven door de adem van Zijn mond. Daal desnoods af, als u dat wilt, tot op de bodem van de oceaan, waar het water ongestoord sluimert en zelfs het zand roerloos ligt in een ononderbroken stilte. Ook daar vindt u de heerlijkheid des Heeren, die haar glans toont in het zwijgende paleis van de zee. Leen de vleugelen des dageraads en vlieg naar het uiterste der zee: God is daar. Stijg op tot in de hoogste hemel of duik in de diepste hel: God is in beide, bezongen in eeuwige lofzang of gerechtvaardigd in verschrikkelijke wraak. Overal, op elke plek, woont God en is Hij zichtbaar aan het werk.

En niet alleen op aarde wordt Jehova verheven: Jehova’s luister straalt ook door het uitspansel boven de aarde. Zijn heerlijkheid overtreft zelfs de glans van de sterrenhemel, hoe schitterend die ook is. Boven het gebied der sterren heeft Hij Zijn eeuwige troon opgericht, en daar woont Hij in onuitsprekelijk licht. Laten we Hem aanbidden, “Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee; Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden.” (Job 9:8, 9.) Passender woorden dan die van Nehemia kunnen we nauwelijks vinden: “Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.”

Terug naar de tekst. Opvallend is dat deze psalm rechtstreeks tot God is gericht: wie anders dan de Heere Zelf kan Zijn eigen heerlijkheid volledig doorgronden? Het gelovige hart raakt in vervoering van alles wat het ziet, maar alleen God kent de heerlijkheid van God. En wat een zoetheid zit er in dat kleine woordje onze! Hoe dierbaar wordt Gods heerlijkheid ons zodra we beseffen dat wij in Hem deel hebben, als in onze Heere. Hoe heerlijk is Uw Naam! Geen enkel woord haalt die heerlijkheid bij, en daarom laat de psalmist het bij een uitroep, zonder zin of einde. Alleen al de naam Jehova is heerlijk; hoeveel heerlijker moet dan Zijn persoon zijn, Hij Die die naam draagt! Let wel: zelfs de hemelen Zijn heerlijkheid niet kunnen bevatten. Ze is boven de hemelen gesteld, want ze is te groot, en zal altijd te groot blijven, voor het schepsel om haar te verwoorden. Toen we door de Alpen zwierven, drong het zich aan ons op: de Heere is oneindig veel groter dan al Zijn grootste werken. Vanuit dat gevoel schreven we, in vlugge streken, deze paar regels:

Wij zien Zijn heerlijkheid in alles wat Hij heeft voortgebracht,
Maar door een donker glas, slechts een deel onthult Zijn pracht.
Ons aardse oog is veel te zwak, de spiegel te klein,
Om ook maar één straal van Zijn glans gewaar te zijn.

De Alpen, die hun fiere toppen verheffen door de wolken heen,
En fluisterend de sterren groeten, zijn niet meer dan steen;
Zij wegen in Zijn weegschaal niet, hun massa telt niet mee,
Vergeleken met Zijn majesteit, oneindig als de zee.

De sneeuwbedekte toppen falen jammerlijk in taak,
Om Hem te schetsen, Die woont waar geen sterveling geraakt;
Die in de hoge eeuwigheid Zich een woning heeft bereidt,
En enkel ‘d Hoge en Verhevene’ als Naam en titel leidt.

De diepste geheimen der schepping zijn te nietig en klein,
Om van Zijn oneindige wijsheid de maatstaf te zijn.
De spiegel van de schepping mist de ruimte en de kracht,
Om ‘t onbegrensde beeld te dragen van Zijn grote macht.

Wel heeft de Heere Zijn Naam in de schepping geschreven,
En Zijn Eigen zegel op al haar elementen gegeven;
Maar zoals de pottenbakker ver uittorent boven het vat,
Zo overtreft Jehova Zelf Zijn heerlijkste schat.

De raderen van deze aard’ zouden breken en vergaan,
Zou men de volle last des Gods op haar doen staan.
De ganse ruimte is te smal voor Zijn onmetelijke macht,
De tijd is veel te kort voor de glans van Zijn majesteit en pracht.
Zelfs lawine en donder missen macht en stem,
Om het volle boekdeel van lof te zingen voor Hem.

Hoe kan ik Hem ooit waardig prijzen?
Waar vind ik nog een woord,

Dat door mijn zwakke, trillende tong als lofzang wordt gehoord?
Ik zwijg in diep ontzag voor Hem, met stomheid geslagen,
En buig mij in de stilte neer, nu aardse woorden vervagen.

Vers 2. De Heere wordt niet alleen aan de hemelen boven ons gezien: ook de aarde onder onze voeten roept Zijn majesteit uit. Daarboven getuigen de massieve hemellichamen, die in hun geweldige grootsheid hun baan trekken, van Zijn macht in het grote. Hier beneden laat het gestamel van kinderkens Zijn kracht in het kleine zien. Hoe dikwijls vertellen kinderen ons niet, ongevraagd en onbevangen, over een God Die wij allang vergeten waren! Wat een klap is dat eenvoudige kindergebabbel voor die geleerde dwazen die het bestaan van God ontkennen, want het weerlegt hen op staande voet! Heel wat mensen is de mond gesnoerd en tot zwijgen gebracht, terwijl zuigelingen getuigden van de heerlijkheid van de God des hemels.

Het is opmerkelijk, ja bijna verbluffend, hoe helder de geschiedenis van de kerk dit vers uitlegt! Riepen kinderen niet “Hosanna!” in de tempel, terwijl trotse Farizeeën zwegen en vol minachting toekeken? En haalde de Zaligmaker Zich niet juist déze woorden aan als rechtvaardiging van hun kinderlijke kreten? De oude kerkgeschiedenis kent veel verbazingwekkende voorbeelden van kinderen die voor Gods waarheid getuigden, maar misschien zijn de recentere voorbeelden voor ons nog het boeiendst, omdat ze zoveel dichterbij komen.

Foxe vertelt in zijn Boek der Martelaren dat de heer Lawrence te Colchester in een stoel naar de brandstapel moest worden gedragen, omdat de wreedheid van de papisten hem had verminkt en hij niet meer overeind kon staan. Verscheidene kleine kinderen schaarden zich rond het vuur en riepen, zo goed als ze konden praten: “Heere, sterk Uw knecht en houd Uw belofte.” God verhoorde hun gebed, want de heer Lawrence stierf zo vastberaden en rustig als men zich maar kan wensen bij het uitblazen van de laatste adem.

Toen een pauselijke kapelaan tegen de heer Wishart, de grote Schotse martelaar, zei dat hij een duivel in zich had, riep een kind dat erbij stond: “Een duivel kan zulke woorden niet spreken als die man daar spreekt!”

Een voorbeeld ligt nog dichter bij onze tijd. In een naschrift bij een van zijn brieven, waarin hij de vervolging beschrijft die hij onderging toen hij voor het eerst preekte in Moorfields, schrijft Whitefield: “Ik kan niet nalaten erbij te vertellen dat verscheidene kleine jongens en meisjes graag om mij heen op de preekstoel zaten terwijl ik preekte, en mij de briefjes van de mensen aanreikten. Zij werden vaak getroffen door de eieren en het vuil enzovoort die naar mij werden gegooid, maar bezweken nooit, geen enkele keer. Integendeel: telkens als ik werd geraakt, keken zij met hun kleine, wenende oogjes naar mij op en leken zij te wensen dat zij de klappen voor mij konden opvangen. God make hen, in hun opgroeiende jaren, tot grote en levende martelaren voor Hem Die uit de mond van kinderkens en zuigelingen lof heeft toebereid!”

Hij Die Zijn vreugde vindt in het gezang van engelen, vindt er ook vreugde in Zichzelf te eren, ten overstaan van Zijn vijanden, door de lofzangen van kleine kinderen. Wat een tegenstelling, wat een contrast: de heerlijkheid boven de hemelen en de monden van kinderkens en zuigelingen! En toch wordt door beide Gods naam heerlijk gemaakt.

Verzen 3, 4. Aan het slot van dat voortreffelijke handboekje “Het zonnestelsel” van dr. Dick vinden we een sprekende passage die de tekst schitterend toelicht:

Een overzicht van het zonnestelsel, één blik erop, temt de trots van de mens en kweekt nederigheid. Trots is een van de onderscheidende kenmerken van de nietige mens, en en ze is een van de voornaamste oorzaken geweest van alle twisten, oorlogen, verwoestingen, slavernijstelsels en eerzuchtige plannen die onze zondige wereld hebben geteisterd en zedelijk laten verrotten. En toch past niets minder bij de aard en de omstandigheden van de mens. In heel het heelal zou trots wel bij geen enkel redelijk wezen ongepaster of ongerijmder zijn dan bij de mens, gezien de plek waar hij is neergezet.

De mens wordt voortdurend vernederd en getroffen door rampen: de woede van stormen en onweersbuien, de verwoesting van aardbevingen en vulkanen, de razernij van wervelwinden en de kolkende golven van de oceaan, het wreken van het zwaard, hongersnood, pestilentie en talloze ziekten. En uiteindelijk moet hij neerzinken in het graf, om daar de makker van de wormen te worden! De meest waardige en hoogmoedige mensenkinderen ondergaan dezelfde vernederingen als de geringste van de menselijke familie. Toch heeft de mens, dat nietige stofwormpje met zijn zo beperkte kennis en zijn talloze, opvallende dwaasheden, in zulke omstandigheden nog de brutaliteit om hoogmoedig te paraderen en te roemen in zijn eigen schande.

Waar andere argumenten bij sommige geesten weinig uitrichten, werkt niets zo krachtig tegen deze treurige neiging als de overwegingen die de sterrenkunde ons aanreikt. Ze laten ons zien hoe onbeduidend, hoe louter een atoom, de mens lijkt temidden van de onmetelijkheid van de schepping! Hij mag dan het voorwerp zijn van de vaderlijke zorg en barmhartigheid van de Allerhoogste, naast de ontelbare tienduizenden wezens die de wijdten van de schepping bevolken is hij nog slechts een zandkorrel op de hele aarde. En wat is de gehele bol waarop we wonen vergeleken met het zonnestelsel, dat tienduizend maal zoveel stof bevat? En wat is hij nog naast de honderd miljoen zonnen en werelden die de telescoop in de sterrengewesten heeft ontdekt?

Wat is dan een koninkrijk, een provincie of een baronie, waar we zo bovenmatig trots op zijn alsof we de heren van het heelal waren, en waarvoor we zoveel verwoesting en bloedbad aanrichten? Wat betekenen ze nog wanneer ze moeten wedijveren met de heerlijkheden van de hemel? Konden we ons standpunt innemen op de hoge torens van de hemel en van daaruit neerkijken op dat nauwelijks zichtbare stipje aarde, dan zouden we met Seneca uitroepen: “Is het tot dit kleine plekje dat de grote plannen en de vele wensen van mensen beperkt zijn? Is het hiervoor dat er zoveel onrust onder de volken heerst, zoveel bloedbad en zoveel verderfelijke oorlogen? O, de dwaasheid van bedrogen mensen: grote koninkrijken zien in de omvang van een atoom, legers optrommelen om een punt van de aarde met het zwaard te beslechten!”

Dr. Chalmers zegt in zijn Astronomical Discourses, en zeer terecht: “We gaven u slechts een zwakke indruk van onze betrekkelijke onbeduidendheid toen we zeiden dat de heerlijkheden van een uitgestrekt woud niet méér zouden lijden onder het vallen van één enkel blad dan de heerlijkheden van dit uitgestrekte heelal zouden lijden, al zou de bol waarop wij staan, ‘en alles wat hij erft, vergaan’.”

Verzen 5-8. Deze verzen kunnen de plaats van de mens onder de schepselen voorstellen vóór de val. Maar omdat de apostel Paulus ze toepast op de mens zoals vertegenwoordigd door de Heere Jezus, doen we er verstandig aan het zwaartepunt bij die betekenis te leggen.

Qua rang stond de mens direct naast de engelen, een weinig lager dan zij. In de Heere Jezus is dat vervuld, want Hij werd een weinig minder gemaakt dan de engelen door het lijden des doods. De mens in Eden had de volle heerschappij over alle schepselen. Ze kwamen allemaal naar hem toe om hun namen te ontvangen, als een daad van hulde aan hem als Gods plaatsvervanger over hen. Jezus is nu, in Zijn heerlijkheid, Heere, niet alleen van alle levenden maar van alle geschapen dingen. Op Hem Die alle dingen aan Hem onderwierp na, is Jezus Heere van allen. Zijn uitverkorenen worden in Hem verheven tot een heerschappij die verder reikt dan die van de eerste Adam, zoals bij Zijn komst nog duidelijker zal blijken. Geen wonder dat de psalmist zich verbaasde over de bijzondere verheffing van de mens op de ladder van het bestaan, juist toen hij zag hoe volslagen nietig die mens is naast het sterrenheelal.

“En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen” — een weinig lager van natuur, omdat zij onsterfelijk zijn, en slechts een weinig, omdat de tijd kort is. Is die voorbij, dan staan heiligen niet langer onder de engelen. De kanttekening luidt: “Een korte tijd minder dan.”

“En hebt hem gekroond.” De heerschappij die God de mens schonk, is een grote glorie en eer voor hem, want alle heerschappij is eer, en de hoogste draagt de kroon. Er wordt een volledige opsomming van de onderworpen schepselen gegeven, om te laten zien dat alle heerschappij die door de zonde verloren ging, in Christus Jezus is teruggegeven.

Laat daarom niemand van ons het bezit van een aards schepsel een valstrik laten worden! Bedenk dat wij over hen moeten heersen, en dat we hen niet over ons moeten laten heersen. Onder onze voeten moeten we de wereld houden. En weg met die kleingeestige houding die er vrede mee heeft dat wereldse zorgen en genoegens het rijk van de onsterfelijke ziel regeren!

Vers 9. Hier keert de dichter, als een begenadigd componist, terug naar zijn grondtoon, en zakt hij als het ware weer weg in de verwonderde aanbidding waarmee hij begon. Wat hij in het eerste vers nog als stelling poneerde, sluit hij nu af als een bewezen slotsom, een soort quod erat demonstrandum. O, dat we genade hadden om waardig te wandelen van die uitnemende naam die over ons is genoemd en die wij ons hebben verplicht te verheerlijken!

VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN

Titel. “Gitthith” was waarschijnlijk een muziekinstrument dat werd bespeeld bij de vreugdefeesten na de druivenoogst. Die oogst sloot het burgerlijk jaar van de Joden af, en deze psalm wijst vooruit naar de heerlijkheid van de laatste dagen, wanneer de Heere Koning zal zijn over heel de aarde, nadat Hij al Zijn vijanden heeft onderworpen. Het is zonneklaar dat de druivenoogst werd gebruikt als zinnebeeld van de uiteindelijke vernietiging van al Gods vijanden. Jesaja 63:1-6; Openbaring 19:18-20. De oude Joodse uitleggers begrepen deze psalm zo, en betrekken haar op de mystieke druivenoogst.

We mogen deze indrukwekkende compositie dus zien als een profetische voorafschaduwing van het koninkrijk van Christus, dat in heerlijkheid en eer zal worden gevestigd in de “toekomende wereld”, de bewoonde wereld. Hebreeën 2:5. We zien nog niet dat Hem alle dingen onder Zijn voeten zijn gesteld, maar we weten zeker dat Gods Woord zal worden vervuld. Elke vijand, Satan, dood en hel, wordt voor eeuwig onderworpen en vernietigd, en de schepping zelf wordt bevrijd van de dienstbaarheid der verderfenis tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. Romeinen 8:17-23. Als we deze psalm gebruiken, grijpen we die overwinning in gedachten alvast vooruit. In de lofzang die we zo aanheffen en vieren, gaan we van kracht tot kracht, tot we met Hem Die ons heerlijk Hoofd is, in Sion voor God verschijnen. — W. Wilson, D.D., ter plaatse.

Gehele psalm. Overweeg eens de strekking van de psalm, zoals de apostel haar aanhaalt om de toekomende wereld te bewijzen. Hebreeën 2. Wie de psalm leest, zou bijna zweren dat de psalmist slechts de oude Adam schildert, in zijn koninkrijk, in zijn paradijs, een weinig minder gemaakt dan de engelen — wij hebben immers geesten die in vlees en bloed zijn gewikkeld, zij zijn louter geest — een trapje lager, alsof zij hertogen waren en wij markiezen. Men zou, zeg ik, denken dat dit al was wat de dichter bedoelde, en dat de psalm slechts bij wijze van zinspeling, als een fraai bijkomend beeld, op Christus wordt toegepast.

Maar de waarheid is anders. De apostel voert haar aan om die Hebreeën, aan wie hij schreef, te bewijzen en te overtuigen dat de psalm op Christus doelde: op die Mens van Wie zij de Messias verwachtten, de Mens Christus Jezus. Dat hij dat doet, blijkt uit het zesde vers — het is een opmerking van Beza — “Maar iemand heeft ergens betuigd”, David aanhalend. (Grieks) heeft getuigd; zo kunnen we vertalen: hij heeft het betuigd, etiam atque etiam, uitdrukkelijk en nadrukkelijk betuigd. Hij levert een uitdrukkelijk bewijs dat de psalm op de Mens Christus Jezus doelde. Het is dus géén zinspeling. Het was bovendien Beza die deze uitleg als eerste lanceerde, voor zover ik las. Daarom verontschuldigt hij zich er zelf voor en verdedigt hij zijn afwijking van de gebaande paden, al hebben velen anderen hem sindsdien gevolgd.

De kern van deze psalm ligt open en bloot. Romeinen 5:14 vertelt ons dat Adam een afbeelding was van Hem Die komen zou. Welnu, in Psalm 8 zien we Adams wereld: het schaduwbeeld van een wereld die nog komen moest. De eerste Adam kreeg een wereld in bezit, en dus ligt er ook voor de tweede Adam een wereld klaar, speciaal voor Hem aangewezen. Daar vinden we Zijn ossen en Zijn schapen en het gevogelte des hemels, en daarmee zijn heel andere dingen bedoeld: duivelen misschien, goddeloze mensen, de overste van de lucht. Op dezelfde manier staan de hemelen daar voor de engelen, of voor de apostelen, die immers predikers van het evangelie waren.

Laat ik het u glashelder maken. De psalm die de woorden bevat: “Alle dingen onder Zijn voeten”, en die de apostel in Efeze 1:22 aanhaalt — vandaar dat dit zo passend is — spreekt niet over de mens in zijn onschuld, maar over de Messias, de Heere Jezus Christus. De wereld die hier bedoeld wordt, is dus niet onze wereld. Het is een wereld die met opzet voor deze Messias is gemaakt, zoals de andere wereld voor Adam.

Ten eerste: de psalm gaat niet in de eigenlijke en eerste zin over de mens in onschuld. Waarom niet? Omdat het eerste vers zegt: “Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest.” In Adams onschuldige dagen bestonden er helemaal geen kinderkens; hij viel al voordat er ook maar één geboren was. Ten tweede lezen we: “Om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.” Dat is de duivel, want die bewees daar dat hij de vijand was, een mensenmoorder van den beginne. God zou de mens gebruiken om hem de mond te snoeren. Helaas! Adam was meteen verslagen. Het moet dus gaan over iemand anders, iemand die deze vijand en wraakgierige wél tot zwijgen kan brengen.

En dan: “Hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, Die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.” Adam bezat alleen het paradijs. Gods naam heeft hij nooit over heel de aarde laten klinken. Hij heeft niet eens lang genoeg geleefd vóór zijn val om zonen te verwekken, laat staan dat hij die naam in de hemelen zou hebben gevestigd.

Kijk ook naar vers 4: “Wat is de mens, en de zoon des mensen?” Adam was wel een mens, maar hij was niet de zoon des mensen. Inderdaad heet hij “de zoon van God” (Lukas 3:38), maar een filius hominis was hij niet. Zo herinner ik me dat Ribera hier met nadruk op wijst.

Maar nu een bewijs dat de apostel zélf aandraagt. Deze Mens, zegt hij, moet alles aan Zich onderworpen hebben. Alles, op God na. Hij moet zelfs de engelen onder Zich hebben, want Hij heeft alle overheden en machten onder Zijn voeten gelegd. Dat kon Adam nooit zijn. Het kon niet de mens zijn die deze wereld in de staat van onschuld bezat; laat staan dat Adam alles onder zijn voeten had. Nee, broeders, het zou voor Adam een veel te zware slavenzaak zijn geweest als de schepselen zich zo voor hem hadden gebogen. Maar voor Jezus Christus doen ze dat wel, engelen en alles. Zij liggen allemaal onder Zijn voeten; Hij troont hoog boven hen uit.

Ten tweede gaat het evenmin over de gevallen mens. Dat spreekt vanzelf; de apostel zegt het zelf. “Wij zien nog niet”, zegt hij, “dat Hem alle dingen onderworpen zijn.” Sommigen menen dat dit een tegenwerping is die de apostel beantwoordt, maar in werkelijkheid bewijst hij hiermee dat de gevallen mens in Psalm 8 onmogelijk bedoeld kan zijn. Hoezo? Omdat we, zegt hij, niets zien dat hem onderworpen is, althans niet alle dingen. U vindt geen enkel mens, en ook niet het hele menselijk geslacht, aan wie alles ooit onderworpen is geweest. Soms richten de schepselen hem zelfs schade toe. We zien hem niet, zegt hij: de menselijke natuur in het algemeen bekeken. Tel alle vorsten van de wereld bij elkaar op; nooit heeft er één de hele wereld veroverd. Nooit was er één zondaar aan wie alles onderworpen was.

“Maar wij zien”, zegt hij — let op de tegenstelling! — “maar wij zien Jezus”, Die Mens, “met heerlijkheid en eer gekroond”. Dus is het Deze Mens en niemand anders; de tegenstelling zegt het zelf.” . . . . Zo blijft er maar één mogelijkheid over: in Psalm 8 is alleen Christus bedoeld, God en mens in één Persoon.

En ja, Christus Zelf legt de psalm op Zichzelf uit. U hebt twee getuigen die het bevestigen: Christus Zelf en de apostel. Mattheüs 21:16. Toen de kinderen Hosanna riepen tot Christus, “Verlos nu”, en Hem uitriepen tot Zaligmaker van de wereld, kookten de Farizeeën van woede. Onze Zaligmaker sloeg hen met precies deze psalm: “Hebt gij nooit gelezen”, zegt Hij, “Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?” Hij haalt dus juist de psalm aan die over Hemzelf spreekt. En Paulus redeneert op Zijn gezag — en misschien juist door die wenk — op dezelfde wijze, en overtuigt er de Joden mee. — Thomas Goodwin.

Vers 1. “Hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!” Wat een geweldige klank heeft de naam van Jezus over de hele wereld! Zijn menswording en geboorte, Zijn nederige, verborgen leven, Zijn prediking, wonderen, lijden, sterven, opstanding en hemelvaart: overal ter wereld wordt ervan gezongen en verteld. Zijn godsdienst, de gaven en genaden van Zijn Geest, Zijn volk, de christenen, Zijn evangelie en degenen die het verkondigen: overal heeft men het erover. Geen enkele naam is zo wijdverbreid, geen enkele macht of invloed wordt zo breed gevoeld als die van de Zaligmaker der mensen. Amen. — Adam Clarke.

Vers 1. “Boven de hemelen”; niet in de hemelen, maar “boven de hemelen”: nog grootser, nog verder en nog hoger dan zij; “engelen, overheden en machten, Hem onderworpen zijnde”. Paulus zegt het zo: Hij is “opgevaren verre boven al de hemelen.” En aan die heerlijkheid van Hem boven de hemelen is dit verbonden: dat Hij Zijn naam over de aarde laat uitgaan door Zijn Heilige Geest. Zo voegt de apostel in dezelfde passage toe: “Die opgevaren is verre boven al de hemelen; en Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen.” En zo ook hier: “Hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!” “Gij, Die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.” — Isaac Williams.

Vers 2. “Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest”, enzovoort. Hier klinkt een profetie door van wat kinderen honderden jaren later zouden doen, tot bevestiging van Gods oneindige barmhartigheid: Hij zond Zijn Zoon Jezus Christus naar de wereld om ons van onze zonden te redden. Zo past de Heere immers hun geroep van “Hosanna den Zoon van David” in de tempel op Zichzelf toe. Zo vatten zowel Basilius als andere oude schrijvers het op, en ook enkele nieuwere. Maar Calvijn wil dat hier Gods wonderbare zorg voor zuigelingen wordt bedoeld: Hij verandert het bloed van de moeder in melk en schenkt de baby het vermogen om te zuigen. Zo voedt en bewaart Hij hen, en dat overtuigt iedere tegenspreker voldoende van Gods verbazingwekkende voorzienigheid over de zwaksten en meest hulpeloze schepselen die er bestaan. — John Mayer, 1653.

Vers 2. Wie zijn toch die “kinderkens en zuigelingen”?

1. De mens in het algemeen. Hij komt voort uit een beginnetje dat zwak en armzalig is als dat van kinderkens en zuigelingen, en toch wordt hij uiteindelijk zo machtig dat hij het kan opnemen tegen de vijand en de wraakgierige en hem kan overwinnen.

2. David in het bijzonder. Hij was nog maar een blozende jongeling, en toch gebruikte God hem als werktuig om Goliath van Gath te verslaan.

3. Nog meer in het bijzonder onze Heere Jezus Christus. Hij nam onze natuur aan, met al haar zondeloze zwakheden, en onderwierp Zich aan de hulpeloosheid van een zuigeling. Na Zijn sterven is Hij in diezelfde natuur heengegaan om in de hemel te regeren, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten heeft gelegd. Psalm 110:1 en 1 Korinthe 15:27. Toen werd onze menselijke natuur verheven boven alle andere schepselen: toen de Zoon van God uit een vrouw werd geboren en onder haar hart werd gedragen.

4. De apostelen. Naar de buitenkant waren zij verachtelijk, als het ware kinderkens en zuigelingen naast de groten van de wereld: arme, geminachte schepselen, en toch de voornaamste werktuigen tot Gods dienst en eer. Het is daarom opmerkelijk dat Christus, wanneer Hij Zijn Vader looft voor de wijze en vrije uitdeling van Zijn zaligmakende genade (Mattheüs 11:25), zegt: “Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard”. Ze worden zo genoemd vanwege hun geringe staat. . . .

En let erop dat dit werd uitgesproken toen de discipelen op pad werden gestuurd en macht over onreine geesten ontvingen. “Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.” Hij erkende dit als een daad van oneindige neerbuigendheid van God.

5. De kinderen die Hosanna riepen tot Christus, horen er ook bij, want Christus verdedigt hun gedrag met precies deze Schriftplaats. . . . . . . 6. Niet alleen de apostelen, maar allen die onder Christus’ banier strijden en in Zijn verbond zijn ingeschreven, mogen kinderkens en zuigelingen heten; ten eerste om hun toestand, ten tweede om hun gezindheid. .

1. Om hun toestand. . . . Het behaagt God om in Zijn wereldbestuur de vijanden van Zijn koninkrijk te overwinnen door zwakke, geringe werktuigen.

2. Om hun gezindheid: ze zijn diep nederig van geest. Mattheüs 18:3 zegt ons: “Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens”, enzovoort. Het is alsof Hij zei: gij jaagt in Mijn koninkrijk naar voorrang en wereldse grootheid. Maar Ik zeg u: Mijn koninkrijk is een koninkrijk van kinderkens, en daar horen alleen de nederigen thuis, mensen die klein zijn in hun eigen ogen en er vrede mee hebben klein en geminacht te zijn in de ogen van anderen. Zij jagen dus niet achter grote dingen in de wereld aan.

Een klein kind heeft geen idee wat strijd of statigheid is. Daarom zette Christus een kind in hun midden, als zichtbaar zinnebeeld, om hen af te brengen van hun verwachting van een vleselijk koninkrijk. — Thomas Manton, 1620-1677.

Vers 2. “Om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.” Precies deze verwarring en wraak over de satan, die de oorzaak was van de val van de mens, had God vanaf het begin voor ogen. Daarom wordt de eerste belofte en prediking van het evangelie aan Adam eerder in het vonnis over hem genoemd dan in Gods woorden tot Adam zelf: dat het zaad der vrouw de kop van de slang zou vermorzelen. God ging het er immers net zozeer om de slang te verwarren als de arme mens te redden. — Thomas Goodwin.

Vers 2. Werk dat uit liefde wordt gedaan, is voor de helft zijn zwaarte en moeite kwijt. Denk aan een steen waaraan we in de open lucht, op droge grond, trekken en sjorren zonder dat hij een millimeter verroert. Zet nu het veld onder water waar hij ligt, laat het water stijgen tot het blok eronder verdwijnt, en buig u dan, nu de kop onder water staat, over het werk. Zet er uw kracht achter. Zie je wel! De steen beweegt, komt los uit zijn bed en rolt voor uw arm uit. Zo kan een kind het werk van een man doen, en een man het werk van een reus, wanneer door de hemelse invloeden van de genade het getij van de liefde rijst en over onze plichten en moeilijkheden heen golft. Laat de liefde in het hart aanwezig zijn, en “uit de mond der kinderkens en der zuigelingen heeft God sterkte gegrondvest.” — Thomas Guthrie, D.D.

Vers 2. “Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen”, enzovoort. Die arme martelares Alice Driver bracht in het bijzijn van honderden mensen pauselijke bisschoppen zó tot zwijgen, dat zij en alle aanwezigen God prezen: de trotsten onder hen konden de Geest in een eenvoudige vrouw niet weerstaan. Zo zeg ik ook u: “Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen” zal God geëerd worden.

Ook u, eenvoudig wormpje, zult Hem eren wanneer aan het licht komt wat God voor u gedaan heeft: welke begeerten Hij in u heeft gedood en welke genaden Hij u heeft geschonken. De Heere kan nog veel groter dingen voor u doen, als u maar op Hem wilt vertrouwen. Hij kan u op arendsvleugelen dragen, u kracht geven om zware verdrukking om Zijnentwil te verduren, te volharden tot het einde, door het geloof te leven en uw loopbaan met vreugde te voleindigen. O! Juist omdat Hij u nederig van hart heeft gemaakt, zal uw andere geringheid u des te meer tot eer strekken.

Staan we niet minstens zo verbaasd, en eigenlijk nog méér, over Gods zeldzame vakmanschap in de mier, het armste gedierte dat over de grond kruipt, als over de grootste olifant? Dat zoveel delen en ledematen in zo’n minuscule ruimte zijn samengebracht! Dat zo’n armzalig schepseltje in de zomer al zijn wintervoorraad bij elkaar sprokkelt! Wie ziet niet evenveel van God in een bij als in een groter schepsel? Ach, bij een groot lichaam verwachten we grote vermogens, en dan verbazen we ons niet.

Dus, om af te ronden: God heeft de onaanzienlijke delen met des te meer eer bekleed. Zegen Hem daarom, en draag uw nietigheid met meer gelatenheid. Uw grootste heerlijkheid moet nog komen: wanneer de wijzen van de wereld Gods raad hebben verworpen, hebt ú (samen met die arme tollenaars en soldaten) de bediening van het evangelie groot gemaakt. De Heere zal ook in u zeker bewonderd worden (1 Thessalonicenzen 1), in een arm, eenvoudig schepsel dat tot zaligheid wijs is gemaakt en op die dag gelooft. Blijf arm in uw eigen ogen, en de Heere zal uw hovaardigste, spottende vijanden aan uw voeten laten neerknielen. Zij zullen belijden dat God veel voor u gedaan heeft, en zij zullen verlangen naar uw deel wanneer God hen komt bezoeken. — Daniel Rogers, 1642.

Vers 3. “Als ik aanzie.” Overdenking maakt ons klaar voor ootmoed. Toen David de werken van de schepping had overzien, hun luister, harmonie, beweging en invloed, liet hij de pluimen van zijn hoogmoed zakken en begon hij laag van zichzelf te denken. “Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt?” — Thomas Watson.

Vers 3. “Als ik Uw hemel aanzie”, enzovoort. David liet zijn blik over het uitspansel gaan en kwam tot deze overweging: “Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt, wat is de mens?” enzovoort. Hoe komt hij erbij om maan en sterren te noemen en de zon over te slaan? De andere lichten zijn immers slechts kostgangers van de zon: ze stralen met het deel licht dat de mildheid van de zon hun toebedeelt. Het antwoord is: dit was Davids overpeinzing in de nacht. De zon was naar de andere wereld vertrokken en had alleen de kleinere lichten zichtbaar aan de hemel achtergelaten; bovendien is de hemel in al zijn verscheidenheid het best te overzien bij nacht.

De nacht is gemaakt opdat de mens erin rust. Maar kan ik niet slapen, dan mag ik, net als de psalmist, mijn waken onthalen op goede gedachten. Niet om ze als slaapmiddel te gebruiken en mijn verdorven natuur uit te nodigen om in te dommelen, maar om slechte gedachten buiten de deur te houden, die anders mijn ziel zouden bezetten. — Thomas Fuller, 1608-1661.

Vers 3. “Uw hemel.” De vleselijke geest ziet God nergens in, zelfs niet in geestelijke zaken, in Zijn woord en inzettingen. De geestelijke geest ziet Hem in alles, ook in de natuur: wanneer hij naar hemel en aarde en alle schepselen kijkt. “UW hemel”: hij ziet alles onder dat gezichtspunt, in hun verhouding tot God als Zijn werk, en ziet Zijn heerlijkheid in hen oplichten. Hij staat vol ontzag, en schrikt ervoor terug Zijn schepselen en Zijn gunsten te misbruiken tot Zijn oneer. “De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe”; daarom mag ik U overdag niet vergeten, en ’s nachts evenmin. — Robert Leighton, D.D.

Vers 3. “De sterren.” Ik kan niet zeggen dat het vooral hun oneindigheid is, of de onmetelijke ruimte die zij beslaan, wat mij in de sterren zo verrukt. Dat soort gedachten brengt de geest eerder in verwarring; en in dit beeld van ontelbare aantallen en grenzeloze ruimte zit bovendien veel dat meer thuishoort bij een tijdelijke, menselijke beschouwing dan bij een die eeuwig standhoudt. Nog minder bekijk ik ze louter in verband met het leven hierna.

Nee, het is de gedachte alleen al dat ze zó ver boven alles op aarde staan en erboven zijn verheven. Het is het gevoel dat alles wat aards is voor hen volkomen in het niet verdwijnt, dat de enkeling zo oneindig onbetekenend is naast die werelden die over de hele ruimte zijn uitgestrooid. Zijn lotgevallen, zijn genietingen en offers, waaraan hij zo’n kleine betekenis hecht, vervagen tot niets voor zulke onmetelijke voorwerpen. En dan nog dit: de sterrenbeelden verbinden alle geslachten van mensen en alle tijdperken van de aarde met elkaar. Ze hebben alles gezien wat sinds het begin der tijden is gebeurd, en zullen alles zien wat gebeurt tot het einde ervan. In zulke gedachten kan ik mij altijd verliezen, met stil genot, wanneer ik naar de sterrenhemel kijk.

Het is waarlijk een schouwspel van de hoogste plechtigheid wanneer in de stilte van de nacht, onder een volkomen heldere hemel, de sterren als een koor van werelden opkomen en ondergaan. Het bestaan valt dan als het ware uiteen in twee delen. Het ene, dat bij de aarde hoort, verstomt in de totale stilte van de nacht, en dan stijgt het andere op in al zijn verhevenheid, luister en majesteit. Zo bekeken oefent de sterrenhemel werkelijk een zedelijke invloed uit op de geest. — Alexander von Humboldt, 1850.

Vers 3. “Als ik Uw hemel aanzie”, enzovoort. Konden we ons boven de maan verplaatsen, konden we de hoogste ster boven ons hoofd bereiken, dan zouden we meteen nieuwe hemelen ontdekken, nieuwe sterren, nieuwe zonnen, nieuwe stelsels, en misschien nog prachtiger opgetuigd. Maar zelfs daar zouden de wijde gebieden van onze grote Schepper niet ophouden. Tot onze verbijstering zouden we merken dat we pas aan de rand van Gods werken waren aangekomen. Wat we van Zijn werken kunnen weten is maar weinig, maar dat weinige moet ons nederig maken en ons de goddelijke macht en goedheid doen bewonderen.

Wat moet dat Wezen groot zijn! Hij riep deze onmetelijke bollen uit het niets tevoorschijn, Hij stuurt hun banen, en Zijn machtige hand richt en schraagt hen allen! Wat is die kluit aarde waarop we wonen, met al het schitterende dat ze ons te zien geeft, naast die ontelbare werelden? Zou deze aarde vernietigd worden, dan zou men haar afwezigheid net zo min merken als het ontbreken van één zandkorrel op het strand. Wat zijn dan provincies en koninkrijken naast die werelden? Slechts stofdeeltjes die in de lucht dansen en door de zonnestralen zichtbaar worden. En wat ben ik dan, geteld tussen het oneindige aantal van Gods schepselen? Ik verlies mezelf in mijn eigen nietigheid! Maar hoe klein ik me in dit opzicht ook voel, in andere opzichten ben ik groot. Wat een schoonheid bevat dit sterrenfirmament dat God tot Zijn troon heeft uitgekozen! Wat zijn die hemellichamen bewonderenswaardig! Hun luister verblindt mij, hun schoonheid betovert mij!

Maar toch, hoe prachtig en hoe rijk getooid ook, deze hemel heeft geen verstand. Ze kent haar eigen schoonheid niet, terwijl ik, louter klei, gevormd door een goddelijke hand, ben begiftigd met zin en verstand. Ik kan de schoonheid van deze stralende werelden beschouwen. Sterker nog: ik ken hun verheven Maker al tot op zekere hoogte, en door het geloof zie ik enkele kleine stralen van Zijn goddelijke heerlijkheid. O, mocht ik Zijn werken meer en meer leren kennen en ervan mijn levenswerk maken, totdat ik door een heerlijke verandering opstijg om bij Hem te wonen, boven de sterrengewesten. — Christopher Christian Sturm, “Reflections”, 1750-1786.

Vers 3. “Werk van Gods vingeren.” Dat wijst op uiterst nauwgezet, fijn handwerk: een beeld ontleend aan borduurders, of aan wie tapijten weven. — John Trapp.

Vers 3. “Als ik Uw hemel aanzie”, enzovoort. Wat is het toch een door en door christelijke bezigheid om uit de werken en verschijningen van de natuur vroomheid te laten opwellen! De heilige schrijvers staan daarin pal achter ons, en zelfs onze Zaligmaker Zelf drukt er het gewicht en de plechtige ernst van Zijn eigen voorbeeld op. “Aanmerkt de leliën des velds; zij arbeiden niet en spinnen niet, en toch zorgt uw hemelse Vader voor haar.” Hij blijft staan bij de schoonheid van één enkel bloempje en haalt daar een prachtig argument voor vertrouwen op God uit. Zo laat Hij ons zien dat gevoel voor schoonheid en vroomheid prima samengaan. Hetzelfde hart kan zich verdiepen in alles wat ernstig is in het geloof en tegelijk open staan voor de bekoring en de lieflijkheid van de schepping.

De psalmist gaat nog veel hoger vliegen. Hij laat de aarde achter zich en slingert zijn verbeelding omhoog, naar dat gigantische uitspansel dat zich boven en rondom ons uitstrekt. Vliegend baant hij zich een weg door de ruimte en laat zijn gedachten ronddwalen in haar grenzeloze gewesten. Geen donkere, verlaten leegte treft hij daar aan, maar een ruimte die zindert van glans en vol is van de kracht van Gods tegenwoordigheid. De schepping rijst in al haar onmetelijkheid voor hem op, en de aarde, met alles wat zij bezit, krimpt ineen tot een speldenprik bij zoveel overweldigende grootsheid. Hij staat er versteld van dat hij zelf niet over het hoofd wordt gezien te midden van al die pracht en afwisseling die hem aan alle kanten omringt. En terwijl zijn gedachten opstijgen van de majesteit van de natuur naar de majesteit van de Architect van de natuur, barst hij los: “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?”

Of de inspiratie de psalmist de wonderen van de moderne sterrenkunde heeft laten zien, is niet aan ons om te zeggen. Maar ook als zijn geest een volslagen vreemdeling was in de wetenschap van onze verlichte tijd, bieden de hemelen een groots en verheffend schouwspel: een onmetelijke koepel die rust op de ronde rand van de wereld, met ontelbare lichten die daarboven hangen en met plechtige regelmaat over het hemelvlak trekken. Het was blijkbaar ’s nachts dat deze aanblik de vroomheid van de psalmist wakker schudde, toen maan en sterren zichtbaar waren. Niet overdag, toen de zon in volle kracht was opgegaan en zoveel glans om zich heen had geworpen dat alle kleinere heerlijkheden van het uitspansel erin verdronken en verbleekten. — Thomas Chalmers, D.D., 1817.

Vers 3. “Uw hemel:”

Wat is dit landschap, eindeloos en wijd?
Een heerlijk boek van Gods scheppingsmajesteit.
De leer der natuur, die tot verwondering leidt,
En elke nachtelijke onderzoeker verblijdt.

Een heilige Schrift, vanouds door God geschreven,
Door Zijn eigen hand aan de schepping gegeven.
Oud als de tijd, maar zuiver en ongeschonden,
Door mensenhanden nooit verdraaid of geschonden.

—

Vers 3. “De sterren.” Toen ik in die sterren staarde, keken zij dan niet op mij neer vanuit hun serene ruimten, als met medelijden, als ogen vol glinsterende hemelse tranen om het kleine lot van de mens! — Thomas Carlyle.

Verzen 3, 4. “Als ik de hemelen aanzie”, enzovoort. Trek geestelijke lessen uit de dingen die u dagelijks tegenkomt. David keek slechts met wijze aandacht naar de hemelen, en meteen barstte hij los in zelfvernedering en nederige verwondering over God. Haal uit alles wat u ziet onderricht voor uzelf en lof voor uw Maker. Zo komt u een stap dichter bij het herstel van de onschuld, want dit was precies Adams taak in het paradijs. Blijf bij geen enkel geschapen ding hangen als een kenner die alleen zijn weetgierigheid wil stillen. Nodig als christen de godsdienst uit aan tafel en haal er geestelijke winst uit.

Geen schepsel kruist onze blik of het heeft ons iets te leren dat het overdenken waard is, bovenop de algemene wenken over de macht en wijsheid van de Schepper. De schapen kunnen ons zo een lesje geduld voorlezen, de duif een lesje onschuld. De mier en de bij laten ons blozen om onze luiheid, en de stompzinnige os en de domme ezel corrigeren en beschamen onze ondankbare onwetendheid. . . . . Wie open ogen heeft, kan geen leermeester missen, tenzij hij een hart mist. — Stephen Charnock.

Vers 4. “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt?” enzovoort. Mijn lezers moeten goed zien waar de psalmist op uit is: hij wil met deze vergelijking de oneindige goedheid van God nog groter laten schitteren. Want wat een wonder is het toch dat de Schepper van de hemel, Wiens heerlijkheid zo onmetelijk is dat ze ons met de diepste bewondering vervult, Zich zover neerbuigt dat Hij Zich genadig de zorg voor het menselijk geslacht aantrekt!

Dat de psalmist deze tegenstelling bedoelt, blijkt uit het Hebreeuwse woord (Hebr.), enosj, dat wij met mens hebben vertaald. Het wijst veel eerder op de broosheid van de mens dan op enige kracht of macht die hij bezit. . . . . Bijna alle uitleggers geven (Hebr.), pakad, het laatste woord van dit vers, weer met bezoeken. Ik wil daar liever niet van afwijken, want die betekenis past uitstekend. Maar het woord kan ook gedenken betekenen, en in de Psalmen vinden we vaak dezelfde gedachte in andere woorden herhaald. Daarom mag het hier met recht met gedenken worden vertaald, alsof David zei: “Het is een wonder, dat God aan mensen denkt en hen onophoudelijk gedenkt.” — Johannes Calvijn, 1509-1564.

Vers 4. “Wat is de mens?” Maar, o God, wat een zeer kleine heer hebt Gij aangesteld over deze enorme wereld! Het kleinste zandkorreltje is niet zo nietig naast de hele aarde als de mens naast de hemel. Als ik de hemelen zie, de zon, de maan en de sterren, roep ik uit: o God, wat is de mens? Wie had gedacht dat Gij al die schepselen voor één zoudt maken, en dat ene schepsel bijna het kleinste van allen? Toch kan alleen hij zien wat Gij gedaan hebt. Alleen hij kan U bewonderen en aanbidden in wat hij ziet. Wat heeft hij dus alle reden om niets anders te doen dan dit, nu hij het als enige kán doen!

Want de prijs en de waarde van dingen zitten werkelijk niet in de hoeveelheid. Eén diamant is meer waard dan hele steengroeven, één magneetsteen heeft meer kracht dan bergen aarde. Het is ons geoorloofd U in onszelf te prijzen. Heel Uw schepping bevat niet meer wonder dan één van ons. De andere schepselen riep Gij tevoorschijn met een eenvoudig bevel, maar DE MENS niet zonder goddelijk beraad. Zij ontstonden ineens; de mens vormde Gij eerst en bezielde Gij daarna. Zij kregen velerlei gedaanten, aan niemand gelijk dan aan zichzelf; de mens kreeg Uw eigen beeld. Zij kregen eigenschappen die bij hun dienst pasten; de mens kreeg heerschappij. De mens ontving zijn naam van U, zij ontvingen hun naam van de mens. Hoe zouden we dan niet aan U gewijd moeten zijn, vóór al het andere, nu Gij zoveel meer aan ons hebt besteed dan aan al het overige! — Joseph Hall, D.D., bisschop van Norwich, 1574-1656.

Vers 4. “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? of de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?” En (Job 7:17, 18): “Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet? En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond?” In de hoogmoed van zijn hart ziet de mens daar niets bijzonders in, maar een nederige ziel staat er sprakeloos van. “Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.” Jesaja 57:15.

O, zegt de nederige ziel, zal de Heere werkelijk oog hebben voor een verachtelijke worm als ik? Zal de Heere Zich laten kennen aan zo’n zondige ellendeling als ik? Zal de Heere Zijn armen, Zijn boezem, Zijn hart voor mij openen? Kan een walgelijk schepsel als ik genade vinden in Zijn ogen?

In Ezechiël 16:1-5 vinden we het verhaal van Gods wonderbare nederbuiging tot de mens. Daar wordt hij vergeleken met een ellendig kind dat op de dag van zijn geboorte is weggegooid, badend in bloed en vuil, met geen enkel oog dat medelijden met hem had. Zo walgelijk zijn wij voor God! En toch zei Hij tot ons, toen Hij voorbijkwam en ons zag, bezoedeld in ons eigen bloed: “Leef.” Dat woord wordt zelfs verdubbeld, zo sterk is wat erin zit. Het was “de tijd der minne” (vers 8). Dit was liefde! Dat God een smerig, ellendig ding opraapt, Zijn vleugel erover uitspreidt en zijn naaktheid bedekt, het een eed zwoert, een verbond met het sluit en het de Zijne maakt. Dat Hij dit walgelijke wezen aan Zichzelf verloofde, om een echtgenoot voor hem te zijn. Dit is onpeilbare liefde, onbegrijpelijke liefde, liefde uit zichzelf. Dit is de liefde van God tot de mens, want God is liefde.

O, de diepte van de rijkdom van Gods mildheid en goedheid! Hoe wonderlijk is Zijn liefde, en hoe ondoorgrondelijk Zijn genade! Wat gebeurt er in uw harten als u dit hoort? Ziet u hier geen stof tot bewondering, geen reden tot verbazing? Voelt u zich niet als het ware midden op een oceaan van goedheid, waar u geen oever ziet en geen bodem voelt? Aan de gevoelens en bewegingen die dit in u losmaakt, kunt u uzelf toetsen. Zo toetste Christus immers het geloof van de hoofdman, die tot Hem zei: “Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.” “Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot dengenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël zo groot een geloof niet gevonden.” Mattheüs 8:8-10.

Voelt u uw zielen dan niet machtig geraakt door deze nederbuiging van God, spreek uw ziel dan aldus aan: Wat scheelt u, o mijn ziel, dat de goedheid van God u niet meer ontroert? Bent u dood, dat u niets voelt? Of bent u blind, dat u niet ziet hoe verbazingwekkende goedheid u omringt? Zie de Koning der eer neerdalen uit de woning van Zijn majesteit om u te bezoeken! Hoort u Zijn stem niet: “Doe Mij open, Mijn zuster; zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!” Zie, o mijn ziel, hoe Hij nog altijd wacht, terwijl u weigert Hem open te doen! O, het wonder van Zijn goedheid! O, de nederbuiging van Zijn liefde, die mij bezoekt, mij smeekt, op mij wacht, mij wil leren kennen! Werk zo uw zielen op tot verbazing over Gods nederbuiging. — James Janeway, 1674.

Vers 4. De mens: in het Hebreeuws is dat de zwakke, de ellendige mens. Daaruit blijkt dat de psalmist niet spreekt over de mens zoals hij geschapen werd, maar over de mens die is gevallen in zonde, ellende en sterfelijkheid. Gedenkt zijner, dat wil zeggen: Gij zorgt voor hem en overlaadt hem met zulke hoge gunsten.

De zoon des mensen: in het Hebreeuws de zoon van Adam, die grote afvallige en opstandeling tegen God. Een zondige zoon van een zondige vader, zijn zoon in gezindheid en gedrag niet minder dan door afstamming. Dit alles dient om Gods barmhartigheid des te glorieuzer te laten uitkomen. Dat Gij hem bezoekt: niet in toorn, zoals dat woord soms wordt gebruikt, maar met Uw genade en barmhartigheid, zoals het ook is bedoeld in Genesis 21:1; Exodus 4:31; Psalm 65:10; 106:4; 144:3.

Vers 4. “Wat is de mens?” De Schrift geeft op deze vraag vele antwoorden. Vraag het de profeet Jesaja: “Wat is de mens?” Hij antwoordt (Jesaja 40:6): de mens is “gras”. “Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.” Vraag het David: “Wat is de mens?” Hij antwoordt (Psalm 62:10): de mens is “een leugen”, niet slechts een leugenaar of bedrieger, maar zelf “een leugen” en een bedrog. Elk antwoord dat de Heilige Geest over de mens geeft, is bedoeld om de mens te vernederen. De mens vleit zichzelf maar al te graag, en de ene mens de andere, maar God zegt ons onomwonden wat we zijn. . . .

Het is een wonder dat God ook maar één genadige blik wil schenken aan een schepsel als de mens. Gezien de afstand tussen God en mens is het zelfs verbijsterend, want de mens is schepsel en God de Schepper. “Wat is de mens”, dat God kennis van hem neemt? Is hij niet een kluit aarde, een stuk klei? Maar kijk naar hem als zondig en onrein schepsel, en we mogen ons gerust tot in ons diepst verbazen: wat is een onrein schepsel, dat God het groot acht? Zal de Heere werkelijk waarde hechten aan vuilheid, en Zijn goedkeurende blik vestigen op iets onreins?

En nog een stap verder: wat is de opstandige mens, de mens die God vijandig is, dat God hem groot acht! Welke verbazing kan deze vraag ooit peilen? Zal God Zijn vijanden uitkiezen en hen groot maken die Hem van de troon zouden stoten? Verheft een vorst een verrader, of bewijst hij eer aan wie hem naar het leven staat? De zondige natuur van de mens is de vijand van Gods natuur en zou God het liefst uit de hemel trekken. Toch verheft God op ditzelfde moment de mens tot de hemel! De zonde zou de grote God kleiner willen maken, en God maakt de zondige mens groot. — Joseph Caryl.

Vers 4. “Wat is de mens?” O, wat een grootsheid én kleinheid, wat een voortreffelijkheid én bederf, wat een majesteit én geringheid in de mens! — Pascal, 1623-1662.

Vers 4. “Gij bezoekt hem.” Bezoeken betekent ten eerste: bedroeven, kastijden, ja straffen. De zwaarste oordelen in de Schrift vallen onder de noemer bezoekingen. “Bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen” (Exodus 34:7), dat wil zeggen: hen strafend. . . . . Het is bij ons een gewone uitdrukking als de pest in een huis heerst, een van de zwaarste klappen van tijdelijk verdriet, dat we zeggen: “Dat huis is bezocht.” Let dus op: verdrietige tijden zijn bezoekingen. . . .

Ten tweede betekent bezoeken, in goede zin, barmhartigheid bewijzen, verkwikken, verlossen en zegenen. “Naomi hoorde hoe de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.” Ruth 1:6. “De HEERE bezocht Sara”, enzovoort. Genesis 21:1, 2. De grootste barmhartigheid en verlossing die de mensenkinderen ooit ontvingen, wordt zo uitgedrukt: “De Heere heeft bezocht, en verlossing tot stand gebracht Zijn volke.” Lukas 1:68. Barmhartigheden zijn bezoekingen: als God in goedheid en liefde komt om ons goed te doen, bezoekt Hij ons. En die barmhartigheden heten bezoekingen om twee redenen.

1. God komt ons nabij als Hij ons goed doet. Barmhartigheid is een naderen tot een ziel, een naderen tot een plaats. Van God wordt gezegd dat Hij die plaats verlaat en weggaat wanneer Hij een oordeel zendt of bedroeft. Zo komt Hij ook dichtbij wanneer Hij ons goed doet, en keert Hij Zich als het ware met gunst tot onze personen en woningen.

2. Ze heten bezoekingen om hun vrijheid. Een bezoek is een van de vrijste dingen ter wereld. Niets verplicht je tot een bezoek, behalve de liefde: die man is mijn vriend en ik heb hem lief, dus ga ik bij hem langs. Zo wordt ook die grootste daad van vrije genade, de verlossing van de wereld, een bezoeking genoemd. Ze werd even vrij gedaan als een vriend zijn vriend ooit opzocht, en met oneindig meer vrijheid. Van de kant van de mens was er geen enkele verplichting, wel veel onvriendelijkheid en verwaarlozing. Toch kwam God in liefde om de mens te verlossen.

Ten derde houdt bezoeken een daad van zorg en toezicht in, van voogdij en leiding. Het ambt van de herder over zijn kudde wordt met dit woord aangeduid (Zacharia 10:3; Handelingen 15:36), en ook de zorg die we aan wezen en weduwen verschuldigd zijn, heet hen bezoeken. “De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze”, zegt de apostel Jakobus, “wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking” (hoofdstuk 1:27). En in Mattheüs 25:34 spreekt Christus de zegen uit over wie Hem bezochten toen Hij in de gevangenis zat. Dat was geen luchtig langskomen of een vluchtig “hoe gaat het met u”, maar zorg voor Christus in Zijn gevangenschap, hulp en voorziening voor Hem in Zijn bedroefde leden. Die betekenis past ook goed bij deze plaats, Job 7:17, 18: “Wat is de mens, dat Gij hem bezoekt?” — Joseph Caryl.

Vers 4. “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? of de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?”

Heere, wat is dan de sterveling, dat Gij aan hem denkt?
Wat is de mens, aan wie Uw goedheid zoveel schenkt?
Dat Gij de hoogste hemel neerboge om hem bij te staan,
En hem te hulp snelde toen hij reddeloos was vergaan?

De mens is slechts een vorm van klei, door Uwe adem bezield,
Totdat de dood hem wegneemt en zijn kracht vernielt.
Hij is de allergeringste van Uw gaven niet waardig zelfs,
Ja, lager dan het beest geworden door zichzelfs.

Door de zonde gelijk aan de beesten die haastig vergaan,
Hoewel hij eertijds naast de engelen mocht staan.
En nochtans koestert Gij dit diepgevallen, blinde dier,
Dat erger dan een beest leeft in zijn aardse sier.

Gemaakt naar Uw beeld, maar door de val tot duivelskind ontdaan,
Kan iets nog dieper zinken, meer vervloekt vergaan?
Maar zie: Gij werpt Uw grootste barmhartigheid op hem neer,
Gij legt Uw koninklijke majesteitskleed terneer!

Gij neemt zijn zwakke natuur aan om hem vrij te spannen,
En sterft om zijn verloren leven vrij te ontbranden.
De mens is de geringste van Uw barmhartigheden niet waardig, neen,
Maar door Uw liefde is hij nu met God verenigd en een.

Zie, de mens staat nu hoger dan d’ engelen in hun pracht,
Sinds Christus zit aan Gods rechterhand in d’ eeuwige kracht!
Zo erft hij al Uw barmhartigheden, rijk en rein,
Hoewel hijzelf de minste daarvan onwaardig zal zijn.

— Thomas Washbourne, D.D., 1654.

Vers 4. “Wat is de mens?”

Hoe arm, hoe rijk, hoe diep verworpen en verheven is de mens,
Hoe wonderlijk samengesteld naar d’ eeuwige wens!
Hoe wonderlijk boven elk wonder is Hij die dit zo schiep,
Die zulke uitersten in ons wezen samenvond en riep!

Als een unieke schakel in de keten van het bestaan,
Die van het grootste niets tot aan de Godheid kan gaan.
Een straal uit de hemel, door aardse schaduw omgeven,
Die, al is hij verduisterd, nog hemelse glans blijft geven.

Een kleine afspiegeling van Gods grootheid, diep en wijd,
Een erfgenaam van heerlijkheid, maar broos in aardse tijd.
Hulpeloos, en toch onsterfelijk, bestemd voor eeuwigheid,
Een nietig wormpje, en toch een mens, door God met eer bekleed.

Ik sta verbaasd, ben vervuld met diep ontzag,
En peil de diepte van dit wonder, dat ik niet bevatten mag.
Ik raak mijzelf geheel en al in deze diepte kwijt —
Ja, ik verlies mijzelf in ’t wonder van Gods majesteit.

— Edward Young, 1681-1775.

Verzen 4-8. — “Wat is de mens”, enzovoort:

De mens is alles, en nog meer dan hij ooit lijkt,
Een boom die leeft, maar zelden vrucht bereikt.
Een dier, maar met verstand en spraak bedeeld,
Waardoor hij in Gods schepping een bijzondere plaats toebedeeld.

De papegaai is ons voor zijn taal verschuldigd dank,
Want zonder ons ontbrak hem menig klank.
De mens is als een wonderwerk, vol harmonie en pracht,
Waarin elk deel het andere dient, hetwelk de wijsheid samengebracht.

Geen deel staat los, hoe ver het ook van ’t andere wijkt,
Het hoofd is met de voet verbonden, hoe ver het ook daarvan lijkt.
Beide zijn met maan en sterren nauw verweven,
In één groot samenstel, waarin Gods wetten leven.

Geen ding is zo ver weg, geen schat zo diep verborgen,
Of onze geest zoekt haar geheim, van heden tot de morgen.
Ons oog vangt zelfs het sterrenlicht, hoog aan de hemelbaan,
Zo leert de mens de wijde schepping in het klein verstaan.

De kruiden bieden hulp wanneer ons lichaam lijdt,
Als vrienden die ons bijstaan in een tijd van zorg en strijd.
De winden waaien zacht, de aarde draagt ons voort,
De bron ontspringt, de hemel draait — Gods wijsheid spreekt in ieder oord.

Niets is er dat ons niet op eigen wijze dient,
Ons hart verblijdt en ons Gods rijke gaven biedt.
De aarde is een voorraadschuur, vol zegen, groot en klein,
Een schatkamer, door Gods hand bereid om ons tot heil te zijn.

De sterren tonen ons dat de dag ten einde gaat,
De nacht legt zacht haar sluier over huis en straat.
Muziek en helder licht maken het leven goed,
De schepping toont Gods wijsheid, die ons telkens danken doet.

Al wat bestaat, is met ons wezen nauw verwant,
Geschapen naar de wijsheid van Gods almachtige hand.
Ons denken zoekt naar oorsprong, naar Gods bedoeling en beleid,
En ziet in heel de schepping Zijn wijsheid uitgebreid.

Elk ding vervult zijn taak, elk schepsel heeft zijn plicht,
Het water draagt ons schip en lest de dorst die ons ontwricht.
Het reinigt en verkwikt ons, maakt de akkers vruchtbaar bovendien,
Wie zou in deze orde niet Gods grote wijsheid zien?

Hoeveel verborgen dienaars staan de mens terzij,
Veel meer dan hij beseft, staan zij hem trouw nabij.
Zelfs waar hij loopt, vertrapt hij ongemerkt
Een wereld vol van leven, door Gods hand bewerkt.

En als een bange ziekte hem verzwakt en droefheid brengt,
Wanneer de koorts zijn lichaam kwelt en al zijn krachten krenkt,
Dan zijn er nog verborgen gaven, door de Schepper toebereid,
Die hulp kunnen bieden in zijn zwakheid en zijn strijd.

O, wonderbare liefde, die de mens zo rijk bedeelt,
Die hem met zoveel gaven en weldaden omringt en streelt!
De mens is zelf een kleine wereld, door Gods hand gemaakt,
Omringd door een heelal dat van Zijn grote goedheid blaakt.

Zo spreekt de schepping overal van wijsheid en beleid,
Van Hem Die alles schiep en draagt door alle eeuwigheid.
Wie aandachtig beschouwt wat Gods schepping hem toont,
Ziet hoe zij Hem, haar Maker, lof en eer betoont.

— George Herbert, 1593.

Vers 5. “Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen.” Het zou heel goed kunnen dat de mens, zoals hij in den beginne gevormd werd, niet zozeer in zijn wezen als wel in zijn positie onder de engelen stond. Eén ding staat in elk geval als een huis: hoger lof dan dat ze naar Gods beeld geschapen zijn, valt er over de engelen niet te zeggen. Overtroffen ze de mens dus oorspronkelijk, dan kan dat alleen gelegen hebben in de mate van gelijkenis, niet in de aard ervan. De engel was onsterfelijk, verstandig, heilig, krachtig en heerlijk, en precies daarin schitterde zijn gelijkenis met de Schepper. Maar kreeg de mens al deze eigenschappen niet óók mee, en wel in rijke mate? Was ook híj niet onsterfelijk, verstandig, heilig, krachtig en heerlijk gemaakt?

Als de engel de mens al overtrof, dan beslist niet door bezittingen waar de mens helemaal niets tegenover had te stellen, alsof hij met lege handen stond. Beiden droegen Gods beeld, en beiden vertoonden dus iets van de eigenschappen die in de Godheid samenkomen. Of die trekken bij de engelen scherper getekend waren dan bij de mens, durven we onmogelijk te beslissen; dat zou aanmatigend zijn. Voor ons betoog volstaat het volkomen dat beiden dezelfde eigenschappen moeten hebben gedeeld, omdat ze naar hetzelfde goddelijke beeld gevormd waren. En hoe de verhouding tussen engel en mens aanvankelijk ook lag: één ding valt niet te betwijfelen, hoe pijnlijk ook. Sinds de val staat de mens er schrikbarend onder, dat is een droevige werkelijkheid.

De overtreding heeft al zijn vermogens ontsierd en hem van zijn hoge sport op de ladder der schepping afgestoten. Maar hoe diep hij ook is gezonken, hoe ver vernederd en vertrapt, de mogelijkheden van zijn oorspronkelijke vorming draagt hij nog altijd in zich. En omdat die mogelijkheden hooguit in mate van die van de engel kunnen hebben verschild, moeten ze zo gelouterd en verruimd kunnen worden dat de gelijkheid weer ontstaat. Herstel mogen we het niet durven noemen, maar het komt er wonderlijk dicht bij. …

O, het kan zijn, zeggen we nogmaals, dat we ons een volkomen verkeerd beeld vormen wanneer we engel en mens door een onmetelijke kloof scheiden en het menselijk geslacht op een lage trede van de schepping zetten. Wie in de annalen van de wetenschap gaat graven, zal inderdaad ontdekken dat God, met het oog op verheven doeleinden, de mens “een weinig minder dan de engelen” heeft gemaakt. En ik kan mijn ogen niet sluiten voor het droeve feit dat de afval die luisterrijke gaven heeft uitgehold en geplunderd, gaven die Adam ongeschonden aan zijn kinderen had kunnen doorgeven. En toch, kijk: de Bijbel wemelt van aanwijzingen dat de engelen, verre van van nature hoger te staan dan wij, zelfs nu niet het gewicht bezitten dat ons geslacht wél heeft.

Wat een geheimenis! We durven er nauwelijks aan te tornen: er is een Verlosser opgestaan voor gevallen mensen, maar niet voor gevallen engelen. Op zo’n ontzagwekkende, ondoorgrondelijke waarheid bouwen we liever geen theorie. Maar is het dan te veel gezegd dat Gods ingrijpen voor de mens, en Zijn uitblijven voor de engelen, de overtuiging rechtvaardigt dat de mensen in de liefde en zorg van hun Maker in elk geval niet onder de engelen staan? Bovendien: worden de engelen niet getekend als “gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen”? Welke gedachte spreekt uit zo’n voorstelling, zo niet deze: gelovigen, omringd en bediend door engelen, trekken als kinderen Gods op naar een luisterrijke troon, zó hoog verheven boven alle schepselen dat zelfs wezens met de wind in hun vleugelen, stralend als een vlam van vuur, het een vreugde vinden hen te eren?

En jubelt niet een hele schare engelen wanneer één enkele zondaar zich bekeert? Wie durft te ontkennen dat zo’n nieuwe golf van verrukking door de hiërarchie van de hemel een enorm medeleven met de mensen verraadt, en daarmee flink bijdraagt aan het bewijs dat de mens een reusachtige plek bekleedt op de ladder van het bestaan? Er is nog meer! Engelen leren zelfs van mensen, want Paulus schrijft de Efeziërs dat “nu, door de Gemeente, bekend gemaakt wordt aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods”.

En denk eens aan de evangelist Johannes. In een van zijn verheven visioenen zag hij de vertegenwoordigers van de gemeente pal voor de eeuwige troon staan, terwijl de engelen op grotere afstand de buitenste kring vulden. Zo stapelen we bewijs op bewijs op bewijs: de mens moet niet worden gezien als van nature lager dan de engel. Hoe diep hij zichzelf ook van zijn hoogte liet storten, en hoezeer hij de luister en kracht van zijn eerste staat heeft bezoedeld en ondermijnd: hij is nog steeds tot de allerhoogste verheffing in staat. Meer is er niet nodig dan dat hij wordt hersteld in zijn verspeelde positie en ruimte krijgt voor zijn vermogens, zodat hij kan stralen als het roemrijke wezen van de schepping dat hij is: het ademende, gloeiende beeld van de Godheid. …

De Verlosser wordt ons voorgehouden als iemand Die Zich liet vernederen, “een weinig minder gemaakt dan de engelen”, omwille van de heerlijkheid die het loon van Zijn lijden zou zijn. Wat een gewichtig beeld! Het verdient onze allergrootste aandacht en moet zorgvuldig, met open oog voor alles wat erin ligt, worden overwogen. Daaruit valt, naar we menen, een sterk, helder en krachtig bewijs voor de goddelijkheid van Christus te halen.

Wij hebben nóóit kunnen begrijpen hoe het nederigheid zou kunnen heten wanneer enig schepsel, hoe hoog ook in waardigheid, het ambt van Middelaar op zich neemt en onze verzoening bewerkt. We vergeten heus niet tot welke diepe vernedering een Middelaar moest instemmen, en door welk lijden en welke schande Hij alleen onze verlossing kon bewerken. Maar we vergeten evenmin, en dat mogen we ook niet vergeten, de onmetelijke verhoging die Zijn loon zou zijn, een verhoging die Hem, als de Schrift waar is, ver boven de hoogste overheden en machten zou plaatsen. Waar zou dan de verbazingwekkende nederigheid zitten, waar de ongeëvenaarde neerbuigendheid, als een louter schepsel het ambt had aanvaard met zo’n beloning in het vooruitzicht?

Wie weet dat hij onmetelijk verhoogd zal worden als hij iets bepaalds doet, valt nauwelijks te prijzen om de grootheid van zijn nederigheid. Neem de edelman die slaaf wordt, terwijl hij weet dat hij er koning door wordt: dat is naar ons oordeel geen voorbeeld van neerbuigendheid. Hij moet al koning zíjn, niet in staat om zijn grootheid nog te vermeerderen, voordat zijn stap naar de slavernij een toonbeeld van nederigheid kan zijn. Zo ook zien we niet in hoe iemand anders dan een goddelijk Wezen een voorbeeld van neerbuigendheid kan hebben gegeven door onze Verlosser te worden. …

De volmaaktheden kon Hij niet afleggen, de heerlijkheden van de Godheid wel. Zonder op te houden God te zijn, kon Hij als mens verschijnen. En juist daarin lag, geloven we, Zijn vernedering, die zelfontlediging die de Schrift gelijkstelt met het “een weinig minder gemaakt” zijn dan de engelen van onze Heere. Hij had Zich in al Zijn luister kunnen openbaren in de gestalte van God en zo de verrukte, eerbiedige blikken van alle ongevallen rangen van verstandige wezens op Zich kunnen richten. In plaats daarvan verborg Hij Zich in de gestalte van een dienstknecht. De rijke hulde die vanuit elke uithoek van Zijn onbegrensde rijk toestroomde, door Zijn macht voortgebracht en door Zijn voorzienigheid gedragen, ontving Hij niet langer. Maar Zijn wezenlijke heerlijkheid, Zijn werkelijke waardigheid, bleef precies dezelfde als Hij altijd had gehad.

Die behoorden onlosmakelijk bij Zijn natuur en waren er, zelfs tijdelijk, evenmin van te scheiden als die natuur zelf. Maar elk uiterlijk teken van majesteit en grootheid kon wel worden afgelegd. De Godheid hoefde niet neer te dalen, in een schitterende pracht, met zulke verblindende vertoningen van oppermacht dat de bezochte wereld zich wel op de knieën moest werpen om te aanbidden. Ze kon Haar luister zo bedekken, Zich zo verbergen in een gering voorkomen dat er, toen de mensen Hem zagen, “geen gestalte was dat zij Hem zouden begeerd hebben”. Dát deed Christus toen Hij erin toestemde “een weinig minder gemaakt te worden dan de engelen”. Zo ontledigde Hij Zichzelf, of, zoals de Schrift het zegt, “vernietigde” Hij “Zichzelven”.

Het Wezen dat in de gestalte van God de hemel met Zijn licht en pracht had gevuld, verscheen op aarde in de gestalte van een dienstknecht. En niet alleen dat! Elk schepsel is immers Gods dienstknecht, dus die gestalte had Hij ook aangenomen als Hij als engel of aartsengel was gekomen. Nee, Hij nam de gestalte aan van de láágste van al die dienstknechten, “den mensen gelijk geworden”: mensen, de vernederden, de afvalligen, de verloren gaanden.

— Henry Melvill, B.D., 1854.

Vers 5, 6. God verheerlijkt de mens in het werk van de schepping. Het derde vers onthult wat de psalmist deed verbazen over Gods goedheid voor de mens: “Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt; wat is de mens?” Bij de schepping liet God al deze dingen dienstbaar en nuttig zijn voor het welzijn van de mens, stuk voor stuk. Wat is de mens, dat er voor hem een zon, maan en sterren in het uitspansel zijn gezet? Wat voor schepsel is dit?

Zien we ergens grote toebereidselen, volle voorraadkamers en een huis dat met de kostbaarste meubelen is opgesmukt, dan roepen we uit: “Wie is toch de man die in zo’n huis mag komen wonen?” Toen dit prachtige bouwwerk werd opgetrokken, het schone huis van de wereld werd ingericht en versierd, hadden we alle reden om vol verwondering te vragen: wie moet de huurder, de bewoner van dit huis wel zijn?

Maar de mens is bij de schepping nog véél hoger verheven. Hij werd verheerlijkt met het stempel van Gods beeld, waarvan de psalmist een stuk beschrijft in het zesde vers: “Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet”, enz. Zo kreeg de mens in de schepping glans. Wat was hij dan, dat hij de heerschappij over de wereld ontving? Dat hij heer zou zijn over de vissen der zee, de dieren des velds en het gevogelte des hemels? En er is meer: God zette hem op de trap die direct na de engelen komt. “Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen.” Dat is het eerste deel van het antwoord: de mens werd verheerlijkt doordat hij zo voortreffelijk geschapen werd, en doordat zoveel voortreffelijks voor hem geschapen werd.

Dit alles kan gezegd worden van de mens zoals hij naar Gods beeld geschapen was. Sinds de overtreding geldt het in eigenlijke zin voor Christus, zoals de apostel het toepast (Hebreën 2:6), en voor hen die door het werk van de verlossing hun bloed en waardigheid terugkrijgen. Dát is het volgende deel van de verhoging van de mens.

— Joseph Caryl.

Vers 5-8. Augustinus, die zich al uitbundig had uitgeleefd in allegorieën over de wijnpersen in het opschrift van deze psalm. Bij de woorden “Wat is de mens, of de zoon des mensen” merkt hij op dat het eerste woord (Hebr.) van ellende is afgeleid, en het tweede (Hebr.) “zoon van Adam” betekent, oftewel mens. Volgens hem duidt het eerste op de mens in zijn staat van zonde en verdorvenheid, en het tweede op de mens die door genade wedergeboren is. Die heet toch zoon des mensen omdat zijn gemoed en leven zo veranderd zijn dat hij voortreffelijker is geworden, van oude verdorvenheid tot nieuwheid, van een oude tot een nieuwe mens. De mens die nog vleselijk is, blijft ellendig. Vervolgens stijgt hij van het lichaam op naar het Hoofd, Christus, en prijst Zijn heerlijkheid, gesteld boven alle dingen, zelfs boven de engelen, de hemelen en de hele wereld, zoals elders wordt aangetoond dat Hij is, Efeziërs 1:21.

Daarna laat hij de hoogste dingen achter zich en daalt hij af naar “schapen en ossen”. Daarin zien we geheiligde mensen en predikers: met schapen worden gelovigen immers vaak vergeleken, en predikers met ossen, 1 Korinthiërs 9: “Gij zult een dorsenden os niet muilbanden.” “De dieren des velds” staan voor de wellustelingen die ongebonden leven en de brede weg bewandelen; het gevogelte des hemels voor de door hoogmoed opgeblazenen; “de vissen der zee” voor hen die uit hebzucht naar rijkdom diep in de aarde doordringen, zoals vissen naar de zeebodem duiken. En omdat mensen de zee steeds opnieuw oversteken voor rijkdom, voegt hij toe: “hetgeen de paden der zeeën doorwandelt”. Het duiken naar de bodem der wateren past bij 1 Timotheüs 6:9: “Die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.”

Zo lijken hier de drie dingen van de wereld in beeld gebracht te worden, waarvan gezegd wordt: wie ze liefheeft, in hem is de liefde van de Vader niet. “De begeerlijkheid des vleses” is de zinnelijkheid, “de begeerlijkheid der ogen” de gierigheid, en daar komt “de grootsheid des levens” nog bij. Boven dit alles stond Christus, want Hij was zonder zonde. Geen van de drie verzoekingen van de duivel, die hierop betrokken kunnen worden, kon bij Hem iets uitrichten. En ze zijn er allemaal, “schapen en ossen” net zo goed, in de gemeente. Daarom wordt er gezegd dat er in de ark allerlei dieren kwamen, reine en onreine, en vogels; en daarom kwamen er in het net, zoals in de gelijkenis, allerlei vissen, goede en kwade. Dit alles heb ik hier uitvoerig neergezet, omdat de oordeelkundige lezer er zijn voordeel mee kan doen.

— John Mayer.

Vers 6. “Gij hebt alles onder zijn voeten gezet.” Hermodius, een edelman van geboorte, wierp de dappere veldheer Ifikrates voor de voeten dat die maar de zoon van een schoenmaker was. “Mijn bloed”, antwoordde Ifikrates scherp, “begint bij mij; het jouwe neemt bij jou afscheid.” Hij bedoelde daarmee: jij brengt je huis geen eer met de glans van je deugden, zoals je huis jou eer bracht met zijn adellijke titel. Je bent maar een houten mes in een lege schede, om de plaats op te vullen. Ik daarentegen begin, door mijn heldendaden, nu de stamvader van mijn geslacht.

Zo is het ook in zaken van geestelijk leven: de beste christen is de beste edelman. De mannen van Berea, die het woord met alle bereidwilligheid ontvingen, waren edeler dan die van Thessalonica. De burgers van Gods stad komen niet uit laag nest, maar zijn waarlijk van adel. Ze roemen niet in hun afkomst, maar in hun wedergeboorte, en dat is veel mooier. Door hun tweede geboorte zijn ze immers zonen van God. De gemeente is hun moeder, Christus hun oudste broer, de Heilige Geest hun leermeester, engelen hun dienaren, alle andere schepselen hun onderdanen, de hele wereld hun herberg en de hemel hun thuis.

— John Spencer, “Things New and Old”.

Vers 6. “Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen”, enz. Zoek je hulp tegen afdwalende gedachten in het gebed? … Houd dan afstand van de wereld, en van de heerschappij die God je erover gegeven heeft in haar voordelen en genoegens, of wat er nog meer een valstrik voor je kan worden. Zolang vader en meester hun plaats kennen en afstand bewaren, zullen kinderen en knechten dat ook doen, door plichtsgetrouw en dienstvaardig te zijn. Maar vergeten ze dat, wordt de vader dol op de één en de meester te familiair met de ander, dan brokkelt hun gezag af en worden de anderen brutaal en onhandelbaar. Zeg dat ze moeten gaan, en misschien verroeren ze zich niet; geef ze een klus, en ze zeggen dat je het zelf moet doen.

Zo gaat het waarachtig ook met de christen. Alle schepselen zijn zijn dienaren. Houdt hij zijn hart op heilige afstand en handhaaft hij zijn heerschappij over hen, zonder aan zijn borst te drukken wat God “onder zijn voeten” heeft gesteld, dan is alles goed. Dan trekt hij rustig en in goede orde op naar de plichten van Gods dienst, zoals een soldaat die in gelid naar zijn post marcheert. Hij kan alleen zijn met God, en zij zullen niet zo brutaal zijn om binnen te dringen en hem te storen.

— William Gurnall.

Vers 7, 8. Hij Die heerst over de stoffelijke wereld, is ook Heer over de verstandelijke of geestelijke schepping, waarvan die wereld het beeld is. De zielen van de gelovigen, nederig en onschuldig, zijn de schapen van Zijn weide. Zij die als ossen sterk zijn om in de gemeente te zwoegen en, het Woord des levens uitleggend, het koren dorsen tot voedsel voor het volk, erkennen Hem als hun goedertieren en weldadige Meester. Ja, zelfs gemoederen die zo fel en onhandelbaar zijn als de dieren der woestijn, buigen toch voor Zijn wil. Geesten van engelachtige aard, die als de vogelen des hemels vrij door het hogere gewest zweven, bewegen zich op Zijn bevel. En zelfs die boze geesten, wier woonplaats de diepe afgrond is, tot de grote leviathan zelf toe: allen, stuk voor stuk, zijn onder de voeten van Koning Messias gesteld.

— George Horne, D.D.

Vers 8. Elke schotel vis en gevogelte op onze tafel is een bewijs van de heerschappij die de mens heeft over de werken van Gods handen. En tegelijk is het een reden om ons te onderwerpen aan God, onze hoogste Heer, en aan Zijn heerschappij over ons.

WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER

Vers 1. “O HEERE, onze Heere.” De Heere persoonlijk als de onze toe-eigenen. Wat een voorrecht om zo’n deel te bezitten, en wat een rijkdom!

“Hoe heerlijk”, enz. De heerlijkheid van Gods naam en wezen, overal en onder alle omstandigheden.

Preek of lezing over Gods heerlijkheid in schepping en voorzienigheid. “Op de gehele aarde.” Gods algemene openbaring in de natuur en haar glans.

“Uw majesteit boven de hemelen.” Gods onbegrijpelijke, oneindige heerlijkheid.

“Boven de hemelen.” Gods heerlijkheid, die het verstand van engelen en de pracht van de hemel ver overstijgt.

Vers 2. Kinderlijke vroomheid: haar mogelijkheid, haar kracht, “sterkte” en invloed, “opdat Gij … stil zoudt maken”, enz.

De kracht van het evangelie komt niet voort uit de welsprekendheid of wijsheid van de spreker.

Grote gevolgen uit kleine oorzaken, wanneer de Heere besluit te werken. Grote dingen die kinderen in de genade kunnen zeggen en opeisen. Het stilmaken van de machten van het kwaad door het getuigenis van zwakke gelovigen. Het stilmaken van de grote Vijand door de overwinningen van de genade.

Vers 4. De nietigheid van de mens. Gods gedenken van de mens. Goddelijke bezoekingen. De vraag: “Wat is de mens?” Elk van deze thema’s is genoeg voor een toespraak, of je kunt ze samen in één preek behandelen.

Vers 5. De verhouding tussen mens en engelen.

De plaats die Jezus omwille van ons innam.

De kroon van het mens-zijn: de heerlijkheid van onze natuur in de persoon van de Heere Jezus.

Vers 5, 6, 7, 8. De alomvattende, voorzienige heerschappij van onze Heere Jezus.

Vers 6. Rechten en verantwoordelijkheden van de mens tegenover de lagere dieren.

Vers 6. De heerschappij van de mens over de lagere dieren, en hoe hij die moet uitoefenen.

Vers 6 (tweede zinsdeel). De juiste plaats voor alle wereldse dingen: “onder zijn voeten”.

Vers 9. De zwerver in vele landstreken, die overal en in alle omstandigheden de zoetheid van de naam van zijn Heere proeft.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content