
Een hele schare geleerde getuigen wijst ons echter naar een veel rijkere, leerzamere uitleg, en je hoeft er niets voor te forceren: het opschrift betekent een psalm over de dood van de Zoon. De Chaldeeuwse vertaling spreekt van “de dood van den Kampvechter die uitging tussen de legers”. Daarmee zou Goliath van Gath bedoeld zijn, of een andere Filistijn. Velen menen dat David deze psalm pas jaren later heeft gedicht, ter gedachtenis aan zijn val. Uit al die duizend gissingen kiezen wij deze, omdat ze minstens zo goed bij de zin van de psalm past als elke andere, en dan liever de leerzaamste. Er is nog een reden: zo kunnen we de psalm mystiek lezen als de overwinning van de Zoon van God op de kampioen van het kwaad, op de vijand van onze zielen zelf (vers 6).
Dit is zonder twijfel een zegelied, een triomflied van begin tot eind! Moge het het geloof van de strijdende gelovige sterken en de moed van de bange heilige aanwakkeren, wanneer hij hier DE OVERWINNAAR aanschouwt, op Wiens kleed en Wiens dij de Naam geschreven staat: Koning der koningen en Heere der heren.
ORDE — Bonar merkt op: “Het is vaak opvallend welke plaats de psalmen ten opzichte van elkaar innemen. Je vraagt je af of de huidige volgorde dezelfde is als waarin ze aan Israël werden gegeven, of dat een latere verzamelaar, wellicht Ezra, door God werd gedreven om hierop te letten, evenals op andere kwesties rond de canon. Zonder dat punt te willen beslissen, kunnen we toch vaststellen dat de volgorde van de psalmen even oud is als de afsluiting van de canon. En als dat zo is, dan wilde de Heilige Geest kennelijk dat dit boek precies in deze orde tot ons zou komen. We wijzen hierop omdat de negende psalm duidelijk aanknoopt bij de achtste, net zoals de achtste de laatste regel van de zevende oppakte: ‘Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.
In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen. (Vergelijk Hooglied 1:3; Openbaring 19:7)
Ik zal Uw NAAM psalmzingen, o Allerhoogste!’ Vers 1, 2.
Het lijkt alsof ‘de Naam’, zo hoog bezongen in de vorige psalm, de lieflijke zanger van Israël nog in de oren naklinkt. In vers 10 keert hij er opnieuw naar terug en looft hij het vertrouwen van allen die die ‘Naam’ ‘kennen’, alsof de geur ervan nog door de lucht om hen heen zweefde.”
INDELING — De toon wisselt zó voortdurend dat het bijna onmogelijk is er een nette, methodische schets van te maken. Wij bieden dan ook de beste indeling die we kunnen bedenken. Vers 1 tot 6 vormt een lied van jubelende dank. In vers 7 tot 12 volgt een doorlopende geloofsbelijdenis over de toekomst. Het gebed rondt in vers 13 en 14 de eerste grote helft van de psalm af. De tweede helft van dit zegelied is veel korter, maar loopt in al haar onderdelen gelijk op met de eerste, als een soort herhaling.
Let op het lied over oordelen uit het verleden (vers 15 en 16), de belijdenis van vertrouwen op toekomstige gerechtigheid (vers 17 en 18) en het slotgebed (vers 19 en 20). Laten we, terwijl we deze psalm lezen, de veroveringen van onze Verlosser bezingen, en Hem toejuichen als de Overwinnaar die Hij is! Dat kan niet anders dan een heerlijke, verrukkelijke bezigheid zijn, als de Heilige Geest ons ter zijde staat.
UITLEG — Vers 1. De zanger opent zijn lofzang met een heilig besluit: “Ik zal U loven, o HEERE.” Soms kost het ons alle wilskracht om de vijand recht in de ogen te kijken en de Heere te zegenen, midden onder Zijn tegenstanders, en te zweren dat we Zijn naam zullen prijzen, wie er ook zwijgt. Maar hier is de vijand volledig gevallen, en daarom stroomt het lied over van heilige verrukking. Het is onze plicht de Heere te loven. Maar laten we dat nooit als een zware last dragen: doen we het als een voorrecht, als een geschenk! Zie hoe Davids lof zonder enig voorbehoud en zonder omweg naar de Heere gaat. Lof komt God alleen toe. We mogen best dankbaar zijn jegens wie als middelaar werd ingezet, maar onze dank moet lange vleugels hebben en doorstijgen tot in de hemel.
“Met mijn ganse hart.” Een half hart is geen hart, en een halve lofzang is geen lofzang.
“Ik zal vertellen.” Wat een ware lof is het om anderen dankbaar te vertellen hoe onze hemelse Vader met ons omgaat! Daar moeten godvruchtige mensen vaak met elkaar over spreken, het is hun beste gespreksstof. En het is heus geen parels voor de zwijnen werpen als zelfs de goddelozen horen hoe goedertieren de Heere voor ons is.
“Al Uw wonderen.” Dankbaarheid voor één weldaad wekt de herinnering aan duizenden andere. Eén zilveren schakel haalt een hele keten van tedere herinneringen omhoog. Hier ligt werk voor de eeuwigheid, een bezigheid zonder einde, want nooit zullen we klaar zijn met het vertellen van al Zijn liefdedaden. Denk aan onze eigen zondigheid en nietigheid, en we voelen het: elke daad van bewaring, vergeving, bekering, verlossing en heiliging, en wat de Heere nog meer voor ons of in ons heeft gewrocht, is een wonder. Zelfs in de hemel zal Gods liefdevolle goedertierenheid ons ongetwijfeld net zo diep verbazen als verrukken, en we zullen er ons eeuwig over blijven verwonderen.
Vers 2. Blijdschap en vreugde: dát is de juiste gezindheid om Gods goedheid te prijzen. De vogels verheffen de Schepper met tonen van overvloeiend geluk, het vee loeit Zijn lof uit in een uitbundig gejubel, en de vissen springen op in blinde verrukking om Hem te aanbidden. Moloch mag dan met gegil van pijn worden gediend, en Juggernaut met stervenskreten en onmenselijk gebrul, Hij Wiens naam Liefde is, schept juist behagen in de heilige blijheid en de geheiligde vreugde van Zijn volk. Dagelijks blij zijn, dag in dag uit, siert het christelijk karakter, het is het gewaad dat Gods koorzangers horen te dragen. God heeft een blijmoedige gever lief, of hij nu het goud van zijn beurs op Zijn altaar legt of het goud van zijn mond.
“Ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!” Liederen zijn de natuurlijke uitdrukking van een dankbaar hart. Het zou goed zijn als we ons er veel meer aan overgaven en onze Heere er vaker mee eerden.
Mr. B. P. Power zei het treffend: “Matrozen heffen een vrolijke kreet aan als ze het anker lichten, de ploeger fluit in de vroege ochtend achter zijn span, de melkmeid zingt haar dorpse liedje als ze aan haar eerste klus begint. En wanneer soldaten hun dierbaren achterlaten, marcheren ze niet uit op de maat van de ‘Dodenmars uit Saul’, maar op de snelle klanken van een opgewekt lied. Een lovende geest zou voor ons allemaal doen wat hun zang en muziek voor hen doen. Als we maar besloten de Heere te loven, zouden we menige hindernis nemen waar onze somberheid nooit tegenop zou kunnen. We zouden dubbel zoveel werk verzetten als wanneer ons hart loom klopt en onze ziel gebroken en vertrapt is. Zoals de boze geest in Saul vroeger week voor de klanken van de harp van de zoon van Isaï, zo zou de geest van zwaarmoedigheid vaak van ons wegvluchten, als we maar het lied van lof aanhieven.”
Vers 3. Gods tegenwoordigheid is altijd genoeg om onze woedendste vijanden neer te slaan. Zodra de Heere hen te pakken neemt, is hun ondergang zó volkomen, zó onherroepelijk, dat zelfs een wanhopige vlucht hen niet meer redt. Als Hij hen najaagt, vallen ze neer, om nooit meer op te staan. Laten we, net als David, goed oppassen dat alle eer naar Hem gaat Wiens aanwezigheid de overwinning schenkt. Hier horen we onze zegevierende Aanvoerder jubelen, met de zegekreet nog in Zijn keel! Laten we de zegetochten van de Verlosser dan ook de zegetochten van de verlosten maken, en met Hem juichen over de totale ontmaskering van al Zijn vijanden.
Vers 4. Een van onze edelen voert, trots en strijdbaar, als wapenspreuk: “Ik zal het handhaven.” De christen heeft een betere, nederiger leus: “Gij hebt het gehandhaafd.” “God en mijn recht” worden door mijn geloof tot één gesmeed: zolang God leeft, kan niemand mij mijn recht ontnemen. Wie de zaak en de eer van onze Heere probeert te verdedigen, kan daar smaad en verdraaiing voor oogsten. Maar wat een rijke troost om te weten dat Hij Die op de troon zit onze harten kent, en ons niet zal prijsgeven aan het onwetende, onedelmoedige oordeel van dwalende mensen!
Vers 5. God waarschuwt eerst voordat Hij vernietigt. Maar als Hij eenmaal met de goddelozen handgemeen wordt, houdt Hij pas op wanneer Hij hen tot zulke kleine splinters heeft verbrijzeld dat zelfs hun naam is vergeten, en hun nagedachtenis, als een walmende kaarsenpit, voor eeuwig en altijd wordt uitgeblust. Merk op hoe vaak het woordje “Gij” voorkomt in dit vers en het vorige: telkens opnieuw! Zo zien we hoe het dankbare lied ongehinderd en recht omhoog gaat naar de Heere, als de rook van het altaar wanneer geen zuchtje wind hem afbuigt. Mijn ziel, laat de muziek van al uw krachten opstijgen naar Hem Die uw onwankelbare redder is geweest en altijd blijft.
Vers 6. Hier juicht de psalmist over de gevallen vijand. Hij buigt zich als het ware over het uitgestrekte lichaam van zijn tegenstander en bespot zijn eens zo geroemde kracht. Hij rukt het lied van de snoever uit diens mond en zingt het hem na, om hem uit te lachen, uit pure spot. Precies zo vraagt onze Roemrijke Verlosser, triomferend, aan de dood: “Waar is uw prikkel?” en aan het graf: “Waar is uw overwinning?” De rover is zelf beroofd! En wie anderen gevangen nam, wordt nu zelf als gevangene weggevoerd. Hoor je het al? Laten de dochters van Jeruzalem uittrekken om hun Koning tegemoet te gaan en Hem te prijzen met pauk en harp!
Kijk naar het verleden, en de toekomst is geen vraagteken meer. Dezelfde Almachtige God zit op de troon van macht. Daarom kunnen we zonder een moment te twijfelen, met onwankelbaar vertrouwen, jubelen over onze veiligheid voor alle tijden die komen.
Vers 7. Dat onze Jehovah blijft bestaan en onveranderlijk heerst, is het stevige fundament van onze blijdschap. De vijand en zijn verwoestingen zullen voorgoed eindigen, maar God en Zijn troon staan voor eeuwig. Wat een onfeilbare troost schenkt de eeuwigheid van Gods soevereiniteit! Koningen komen en gaan, maar Hij blijft op Zijn troon zitten, ongeroerd en onverstoorbaar.
Moeten we in het feit dat de troon voor het gericht is bereid niet zien hoe snel Gods gerechtigheid is? In het hof van de hemel raken rechtzoekenden niet uitgeput door eindeloos uitstel. In de Koningsbank daarboven is het het hele jaar zittingstijd. Duizenden kunnen tegelijk voor de troon van de Rechter der ganse aarde verschijnen, en toch heeft geen eiser en geen verweerder reden om te klagen dat Hij hun zaak niet eerlijk wil horen.
Vers 8. Wat aardse rechtbanken ook uitspoken, hoe krom hun vonnissen ook zijn: de troon van de hemel spreekt recht in rechtschapenheid. Partijdigheid en aanzien des persoons zijn volstrekt onbekend in het handelen van de Heilige Israëls. Wat een krachtige rem zou het uitzicht op het onpartijdige gerechtshof van de Grote Koning voor ons moeten zijn wanneer de zonde ons lokt, en wat een troost wanneer we belasterd of onderdrukt worden!
Vers 9. Hij Die de goddelozen op de dag des oordeels geen genade geeft, is voor Zijn heiligen een schuilplaats en toevlucht op de dag van de benauwdheid. Onderdrukking heeft vele gezichten, en geen enkel ervan is ons onbekend. Ze komt op ons af, zowel van mensen als van Satan, en tegen al die vormen is er een toevlucht in de Heere Jehovah. Onder de wet had je vrijsteden; onder het evangelie is God Zelf onze vrijstad. Zoals schepen die door de storm worden geteisterd de haven opzoeken, zo snellen de onderdrukten naar de vleugels van een rechtvaardig en genadig God. Hij is een hoge toren, een vesting zo onneembaar dat de legerscharen van de hel Hem niet bij storm kunnen veroveren. Van die hoge tinnen kijkt het geloof met minachting neer op zijn vijanden.
Vers 10. Onwetendheid is het schadelijkst als het onwetendheid van God is, en kennis is het kostbaarst als ze zich richt op de naam van God. Zulke uitmuntende kennis voedt de uitmuntende genade van het geloof. O, dat we méér leerden van Gods eigenschappen en karakter! Wat zouden we daar rijker van worden! Ongeloof, die hoeiende nachtvogel, houdt het niet uit in het licht van goddelijke kennis; het vlucht voor de zon van Gods grote en genadige naam.
Lezen we dit vers letterlijk, dan ligt er ongetwijfeld een heerlijke volheid van zekerheid in de namen van God. We hebben ze opgesomd in de “Wenken voor predikers” en vragen daar graag de aandacht van de lezer voor. Zijn naam kennen betekent ook: de eigenschappen van God aan den lijve ervaren, en niet slechts van horen zeggen. Elk van die eigenschappen is een stevig anker dat de ziel in gevaarlijke tijden vasthoudt, zodat ze niet wegdrijft. De Heere mag Zijn aangezicht een tijdlang voor Zijn volk verbergen, maar nooit heeft Hij hen die Hem zoeken volledig, definitief, werkelijk of in toorn verlaten. Laten de arme zoekers hieruit moed en troost putten, en laten de vinders nog veel luider juichen! Want hoe trouw zal de Heere zijn aan wie Hem vinden, als Hij zo genadig is voor wie Hem slechts zoeken!
O Hoop van elk verslagen hart, o Vreugd van wie zachtmoedig leeft,
Hoe goed zijt Gij voor wie ten val kwam en naar Uw ontferming streeft.
Maar wie U vindt, ervaart een liefde, zo onpeilbaar diep en rein,
Dat tong noch pen beschrijven kan hoe zoet die troost zal zijn.
Wat Jezus’ liefde werkelijk is, gaat elk verstand en wet te boven,
Slechts wie Hem innig toebehoort, kan haar door genade geloven.
Vers 11. Zelf overvol van dankbaarheid brandt onze geïnspireerde schrijver van verlangen om anderen mee te laten zingen en God te prijzen zoals hijzelf in vers 1 en 2 had beloofd. De hemelse geest van lof is heerlijk aanstekelijk. Wie hem bezit, is nooit tevreden en rust niet voordat hij iedereen om zich heen heeft meegetrokken in zijn zoete bezigheid. Zingen en prediken worden hier als middelen om God te verheerlijken aan elkaar verbonden. En opvallend: bij elke opwekking van de evangeliedienst is er een plotselinge uitbarsting van zang geweest. Luthers Psalmen en Gezangen zat in ieders mond, en in de moderne opwekking onder Wesley en Whitefield waren de liederen van Charles Wesley, Cennick, Berridge, Toplady, Hart, Newton en vele anderen de vrucht van herleefde vroomheid. Het kwinkeleren van de vogels des lofs hoort bij de terugkeer van de genadige lente van goddelijke bezoeking, door de verkondiging van de waarheid. Zing dus voort, broeders, en predik voort, hartelijk en onvermoeid! Beide zijn een teken dat de Heere nog in Sion woont.
Wanneer we opgaan naar Sion, doen we er goed aan te bedenken dat de Heere te midden van Zijn heiligen woont, en dat allen die Hem omringen Hem met bijzonder ontzag moeten tegemoet treden.
Vers 12. Wanneer er een onderzoek komt naar het bloed van de onderdrukten, zullen de gemartelde heiligen als eersten herdacht worden. Hij zal Zijn eigen uitverkorenen wreken. Maar ook de heiligen die nog leven zullen gehoord worden: hun roep om hulp gaat niet verloren. Ze worden vrijgesproken van schuld en bewaard voor het verderf, zelfs midden in het meest verschrikkelijke werk van de Heere. De man met de schrijversinktkoker aan zijn zij tekent hen allen tot veiligheid, voordat de slachters mogen toeslaan op de vijanden van de Heere. Het schuchtere geroep van de armste heiligen, hoe zacht ook, verdrinkt niet in het donderen van de gerechtigheid, en ook niet in het gegil van de veroordeelden.
Vers 13. Wie terugblikt op wat God deed en vooruitkijkt op wat Hij zál doen, wordt vanzelf naar de genadetroon gedreven, om daar te pleiten voor de nood van vandaag. Zo ging het de man van God. Zijn hele leven draaide om twee dingen: loven en bidden. En wat zou ook beter zijn? Zijn eerste gebed past bij álle mensen en bij élke situatie. Er klinkt nederigheid in door, het getuigt van zelfkennis, en het doet een beroep op precies de juiste eigenschappen van precies de juiste Persoon.
“Wees mij genadig, HEERE.” Luther noemde sommige bijbelteksten graag ‘kleine bijbels’. Met evenveel recht kunnen we deze enkele zin een klein gebedenboek noemen, want de ziel en het merg van het gebed zitten erin! Multum in parvo: “veel in weinig”. Net als het zwaard van de engel draait het zich naar alle kanten. Die ladder lijkt misschien kort, maar hij reikt van de aarde tot in de hemel.
En wat een prachtige eretitel krijgt de Allerhoogste hier toebedeeld: “Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods!” Wat een majestueuze opheffing! In ziekte, in zonde, in wanhoop, in verzoeking: telkens zijn we diep, diep gevallen, en het sombere poortgebouw leek zich al te openen om ons op te sluiten. Maar onder ons lagen de eeuwige armen. Daarom werden we omhooggetild, tot aan de poorten van de hemel zelf! Trapp zegt het ronduit mooi: “Hij spaart Zijn hand gewoonlijk voor het allerlaatste reddingsmiddel, en trekt hen eruit die al over hun graven praatten.”
Vers 14. Let op waarom David zo naar genade verlangt: het gaat hem om Gods heerlijkheid. “Opdat ik Uw gansen lof vertelle.” Heiligen zijn niet zó zelfzuchtig dat ze alleen oog hebben voor hun eigen belang. Ze hunkeren naar die diamant van de genade, zodat ze hem aan anderen kunnen laten flonkeren en schitteren, en zodat zij Hem kunnen bewonderen Die zulke onbetaalbare juwelen schenkt aan Zijn beminden.
Wat een schril contrast: de poorten des doods tegenover de poorten van het Nieuwe Jeruzalem! Laat dat onze liederen opstuwen tot de hoogste, meest jubelende toon, nu we beseffen waaruit we zijn gered en waartoe we zijn verheven. En laat het onze gebeden om genade des te vuriger en hartstochtelijker maken, omdat we aanvoelen hoeveel genade zo’n redding in zich draagt. Als David belooft dat hij al Gods lof zal vertellen, bedoelt hij dit: in zijn redding wordt de genade verheerlijkt in al haar hoogten en diepten. Precies zoals ons lied het zingt:
O, lengte en breedte van Uw liefde, wondergroot,
O Jezus, Heiland, schenkt Gij mij heil en troost?
De volle hoogte van Uw gunst mag ik uit genade smaken,
En in de diepte van mijn hart Uw liefde zien ontwaken.
Hiermee eindigt het eerste deel van deze leerzame psalm. Nu we even pauzeren, moeten we eerlijk toegeven dat onze uitleg maar over het oppervlak heeft gezweefd en nergens de diepte in is gedoken. Deze verzen zitten vol onderwijs! Als de Heilige Geest de lezer zegent, kan hij de psalm telkens opnieuw doorlopen, zoals de schrijver dat tientallen keren deed, en elke keer nieuwe schoonheid ontdekken.
Vers 15. Dit huiveringwekkende tafereel van Gods overweldigende oordelen over Zijn vijanden vraagt om diepe ernst. Dat benadrukken twee onvertaalde woorden: Higgajon, Sela. Overpeins het! Sta stil. Denk erover na en stem uw instrument. Kom tot uzelf en zet uw hart plechtig op de toon die bij dit onderwerp past. Laten we deze verzen nederig naderen, en allereerst vaststellen dat Gods karakter eist dat de zonde wordt gestraft.
Vers 16. Aan het oordeel dat Hij voltrekt, herkennen we Jehovah: daarin schittert Zijn heiligheid en Zijn afschuw van de zonde. Een heerser die het kwaad door de vingers zag, zou door al zijn onderdanen al gauw als kwaadaardig worden doorzien. Wie daarentegen onverbiddelijk recht doet, laat daarmee zien wie hij zelf is. Zolang onze God God is, zal Hij de schuldige niet sparen. Sterker nog: Hij kán dat niet. Behalve via die ene glorieuze weg waarlangs Hij rechtvaardig is én tegelijk de Rechtvaardigmaker van wie in Jezus gelooft.
Ten tweede zien we dat Zijn oordeel op een uiterst wijze en onaantastbaar rechtvaardige manier verloopt. Hij maakt de goddelozen tot hun eigen beulen. “De heidenen zijn gezonken in de groeve die zij gemaakt hadden”, enz. Als sluwe jagers groeven ze een valkuil voor de godvrezenden, en vielen er zelf in! De voet van hun slachtoffer glipte langs hun listige strikken, maar de netten sloten zich rond henzelf. Die wrede val was met zoveel moeite gemaakt, en hij bewees zijn doeltreffendheid door zijn eigen maker te vangen. Zo gaan vervolgers en onderdrukkers vaak ten onder aan hun eigen kwaadaardige plannen. “Dronkaards brengen zichzelf om; verkwisters brengen zichzelf tot de bedelstaf.” De ruziezoekers verstrikken zich in ruïneuze proceskosten, de losbandigen worden verteerd door gruwelijke ziekten, de nijdigen vreten hun eigen hart op, en de godslasteraars vervloeken hun eigen ziel.
Zo lezen mensen hun zonde af van hun straf. Ze zaaiden het zaad van de zonde, en de rijpe vrucht van de verdoemenis is simpelweg het gevolg.
Vers 17. Dezelfde gerechtigheid die de goddelozen strafte en de rechtvaardigen behoedde, verandert niet. Daarom zal ook in de dagen die komen de vergelding onfeilbaar worden uitgedeeld. Wat een ernstig vers, dat zeventiende, vooral als waarschuwing aan wie God vergeten!
De fatsoenlijken die niet godvrezend zijn, de eerlijken die niet bidden, de weldoeners die niet geloven, de aardigen die niet bekeerd zijn: ze zullen allemaal hun deel ontvangen, samen met de openlijk goddelozen, in de hel die bereid is voor den duivel en zijn engelen. Er zijn hele volken van dat slag! Wie God vergeet, is veel talrijker dan wie openlijk vloekt of zich laat gaan in losbandigheid. En volgens de krachtige uitdrukking van het Hebreeuws is het de diepste hel waarin ze allemaal halsoverkop worden gesmeten. Vergeten lijkt een kleine zonde, maar wie erin leeft en sterft, trekt er eeuwige toorn mee over zich af.
Vers 18. Genade staat net zo paraat voor haar werk als de gerechtigheid maar kan zijn. Hebben behoeftige zielen schrik dat ze vergeten zijn? Welnu, als het zo is, laten ze zich dan verblijden: het blijft niet voor altijd zo! Satan fluistert die arme, bevende mensen in dat hun hoop teloorgaat. Maar hier hebben ze Gods eigen verzekering dat hun verwachting niet voor eeuwig verloren zal zijn. “Het volk des Heeren is een vernederd volk: ellendig, ontledigd, zich bewust van zijn nood, gedreven tot dagelijkse omgang met God, elke dag bedelend bij Hem, en levend van de hoop op wat beloofd is.” Zulke mensen moeten misschien wachten, maar ze zullen merken dat hun wachten nooit voor niets is.
Vers 19. Gebeden zijn de oorlogswapens van de gelovige. Wordt de strijd ons te zwaar, dan roepen we onze machtige bondgenoot te hulp. Hij ligt als het ware in hinderlaag, totdat het geloof het sein geeft met de kreet: “Sta op, HEERE.” Is onze zaak zo goed als verloren? Ze is zó weer gewonnen, als de Almachtige Zich maar roert! Hij laat de mens nooit zegevieren over God, maar maakt met snelle oordelen hun grootspraak te schande. Recht voor Gods ogen worden de goddelozen gestraft. En Hij Die nu louter tederheid is, zal geen greintje barmhartigheid voor hen voelen, omdat zij geen enkele traan van berouw hadden zolang hun genadetijd duurde.
Vers 20. Je zou denken dat geen mens zo verwaand kan worden dat hij ontkent slechts een mens te zijn. Toch blijkt dit een les die alleen een goddelijke schoolmeester sommige trotse geesten kan bijbrengen. Een kroon maakt zijn drager nog altijd een mens. Een glansrijke academische titel maakt zijn bezitter niet meer dan een mens. Dapperheid en zegepralen tillen ons niet uit het vlakke landschap van “slechts mensen”. En alle rijkdom van Croesus, de wijsheid van Solon, de macht van Alexander en de welsprekendheid van Demosthenes bij elkaar opgeteld, laten de bezitter nog steeds een mens. Mogen we dat nooit vergeten, zodat we niet, zoals de mensen uit de tekst, door schrik tot inkeer moeten komen.
Voordat we deze psalm verlaten, is het bijzonder leerzaam om hem nog eens te lezen als het overwinningslied van de Verlosser, terwijl Hij vol dankbaarheid de roem van Zijn zegepralen aanbiedt en die aan de voeten van Zijn Vader legt. Laten we ons verheugen in Zijn vreugde, en onze vreugde zal vervuld zijn.
VERKLARENDE AANTEKENINGEN EN TREFFENDE UITSPRAKEN
Gehele psalm. Dit loflied beschouw ik, denk ik, als de woorden van onze grote Voorspraak en Middelaar, Die “in het midden der gemeente God dankende” ons leert om door het geloof Zijn grote, uiteindelijke overwinning te verwachten op al de tegenstanders van onze vrede, zowel aardse als geestelijke. Daarbij gaat het in het bijzonder om Zijn handhaving van Zijn koninklijke waardigheid op Sion, Zijn heilige berg.
Dat de vijand wordt overwonnen, wordt, zoals we in het vierde vers zien, opnieuw toegeschreven aan het besluit van de goddelijke gerechtigheid en aan het vonnis van een rechtvaardig Rechter, Die eindelijk Zijn rechterstoel weer heeft bestegen. Daarmee staat vast dat de eis die voor de troon van de Almachtige werd ingediend, uit geen enkele andere mond kon komen dan uit die van onze MELCHIZEDEK.
— John Fry, B.A., 1842.
Vers 1. “Ik zal U loven, o HEERE, met mijn ganse hart.” Aan de geur van een vat merk je welke drank erin zit. Zo moet ook onze mond voortdurend naar die barmhartigheid ruiken waarmee ons hart is verkwikt. We heten immers niet voor niets vaten der barmhartigheid.
— William Cowper, 1612.
Vers 1. “Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart, ik zal al Uw wonderen vertellen.” Met de woorden “met mijn ganse hart” wijst de psalmist tegelijk op de grootte van de redding die hem ten deel viel, en onderscheidt hij zichzelf van de huichelaars. Er zijn er van twee soorten. De ruwere huichelaars loven de Heere voor Zijn goedheid alleen met hun lippen. De geraffineerdere loven Hem met nauwelijks een half hart, omdat ze de redding in het geheim meer aan zichzelf toeschrijven dan aan Hem.
“Al Uw wonderen”: de wonderbaarlijke tekenen van Uw genade. Met deze uitdrukking laat de psalmist zien dat hij die tekenen in al hun grootsheid heeft erkend. Waar dat gebeurt, wordt de Heere ook met het ganse hart geloofd. Halfslachtigheid en het kleineren van Gods genade gaan altijd hand in hand. Het (Hebr.) is hier het (Hebr.) van het middel. Het hart is het instrument van de lof, de mond slechts het orgaan daarvan.
— E. W. Hengstenberg.
Vers 1 (tweede zinsdeel). Hebben we iets bijzonder goeds van de Heere ontvangen, dan doen we er goed aan dat door te vertellen, waar we maar de kans krijgen. Toen die vrouw één van haar tien zilverstukken kwijt was en het ontbrekende deel van haar geld weer vond, riep ze haar vriendinnen en buren bijeen: “Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had.” Dat kunnen wij ook doen! We mogen onze vrienden en familie vertellen dat we deze of gene zegen hebben ontvangen, en dat we die rechtstreeks uit Gods hand ontvingen.
Waarom hebben we dat dan nog niet gedaan? Zit er soms een verborgen twijfel of het wel echt van God kwam? Of schamen we ons om ervoor uit te komen tegenover mensen die zulke dingen graag bespotten? Wie weet er nu zoveel van Gods wonderwerken als Zijn eigen volk? Als zíj zwijgen, hoe kunnen we dan verwachten dat de wereld ziet wat Hij heeft gedaan?
Laten we ons er dus niet voor schamen om God te eren door te vertellen wat we weten en voelen dat Hij heeft gedaan. Laten we goed opletten wanneer zich een kans voordoet om duidelijk te maken dat Hij aan het werk is. Laten we blij zijn met elke gelegenheid om uit eigen ervaring te vertellen wat tot Zijn lof strekt. Want wie God eert, wordt op zijn beurt door God geëerd. En zijn we bereid over Zijn daden te spreken, dan zal Hij ons stof genoeg geven om over te spreken.
— P. B. Power, in “‘I Wills’ of the Psalms”.
Vers 1, 2. “Ik zal U belijden, o Heere, met mijn ganse hart”, enz. Zie toch met welk een stroom van de zoetste gevoelens hij zegt dat hij zal “belijden”, “vertellen”, “zich verblijden”, “vrolijk zijn” en “psalmzingen”, helemaal vervuld van verrukking! Hij zegt niet gewoon: “Ik zal belijden.” Nee: “met mijn hart”, en zelfs “met mijn ganse hart”. En hij stelt ook niet voor om maar wat over “werken” te spreken. Het gaat hem om de “wonderen” Gods, en om “al” die “werken”.
Zo jubelt zijn geest (zoals Johannes in de moederschoot) in God, zijn Zaligmaker, Die zulke grote dingen voor hem deed, en nog wonderbaarlijker dingen zal doen. Hier wordt het thema van de hele psalm onthuld: hij bezingt de wonderen Gods. En wonderbaar zijn die werken, omdat Hij door wie niets zijn de mensen die alles hebben tot bekering brengt. Door de ALMUTH, die in verborgen geloof leven en voor de wereld dood zijn, vernedert Hij wie in heerlijkheid bloeien en in de wereld hoog aangeschreven staan. Zo volbrengt Hij zulke machtige dingen zonder geweld, zonder wapens, zonder moeite, alleen door het kruis en het bloed.
Maar hoe verhoudt zijn belofte dat hij “al” Gods wonderen zal vertellen zich tot Job 9:10? “Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.” Wie kan immers álle wonderwerken Gods vertellen? Daarom moeten we zeggen dat hij dit uit overvloed van gevoel zegt, net als toen hij schreef (Psalm 6:7): “Ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen.”
Dat wil zeggen: hij verlangt er zó vurig naar over Gods wonderwerken te spreken, dat hij het “al” zou vertellen, voor zover zijn wensen reiken, ook al lukt dat niet. Want liefde kent geen grens of eind. En zoals Paulus zegt (1 Korinthe 13:7): “Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen.” Daarom kan zij alle dingen en doet zij alle dingen, want God ziet het hart en de geest aan.
— Maarten Luther.
Vers 3. “Toen mijn vijanden achterwaarts gekeerd”, enz. Ze werden teruggedreven, afgeslagen, op de vlucht gejaagd. Dit in de tegenwoordige tijd vertalen, zoals onze vertalers deden, is beslist verkeerd: het knipt de samenhang door en brengt duisternis. Ainsworth zag dat en koos de verleden tijd: “Toen mijn vijanden achterwaarts keerden.”
“Van Uw aangezicht.” Dat betekent: door Uw toorn. Want zoals Gods aangezicht of tegenwoordigheid Zijn gunst betekent voor wie Hem vrezen en dienen, zo staat het voor de goddelozen voor Zijn toorn. “Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen die kwaad doen.”
— B. Boothroyd, 1824.
Vers 3. “Zij zullen vallen en vergaan.” Hier gaat het om mensen die tijdens een tocht bezwijken of in een slag gewond raken, en vooral om vluchtelingen die onderweg pijnlijk ten val komen. Ze raken geschaafd en verlamd, komen niet meer vooruit, struikelen en staan bloot aan alle wisselvalligheden van een achtervolging. En zoals hier worden ze ingehaald en vinden ze in hun val de dood.
— Henry Hammond, D.D.
Vers 5. “Gij hebt de heidenen gescholden”, enz. Augustinus past dit allemaal mystiek toe, precies zoals vers 1 aanwijst dat het moet gebeuren. Want hij zegt: “Ik zal spreken van al Uw wonderen.” En wat is zo wonderbaarlijk als dat de geestelijke vijand achterwaarts wordt gedreven? Of dat nu de duivel is, zoals toen Hij zei: “Ga weg achter Mij, satanas”, of de oude mens, die achterwaarts wordt gekeerd wanneer hij wordt afgelegd en de nieuwe wordt aangedaan.
— John Mayer.
Vers 8. “Hij zal de wereld richten in gerechtigheid.” Op dat gericht helpen tranen niet, worden gebeden niet verhoord, wordt geen belofte aanvaard en komt berouw te laat. Rijkdommen, eretitels, scepters en diademen zullen al helemáál niets uitrichten. Het onderzoek zal zó nauwkeurig en grondig zijn dat geen enkele lichtzinnige gedachte, geen enkel ijdel woord (waarover men in het voorbije leven geen spijt had) over het hoofd wordt gezien. Want de Waarheid Zelf heeft niet voor de grap, maar in volle ernst gezegd: “Van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.”
O, wat zijn er veel mensen die nu met groot plezier zondigen, ja zelfs met gretigheid (alsof wij een god van hout of steen dienden, die niets ziet en niets kan doen), en die dan verbijsterd, beschaamd en sprakeloos zullen staan! Dan is het afgelopen met uw vrolijke dagen en overweldigt eeuwige duisternis u. In plaats van uw genoegens krijgt u eeuwige folteringen.
— Thomas Tymme.
Vers 8. “Hij zal de wereld richten in gerechtigheid.” Zelfs Paulus, de grote apostel, wist toen hij duizend jaar later op de Areopagus zijn grote rede hield, geen krachtiger bewoordingen te bedenken om de Atheners de leer van de dag des oordeels bij te brengen dan precies de manier waarop de Septuaginta dit zinsdeel weergeeft.
— William S. Plumer.
Vers 8. Een schuldig geweten kan het gewoon niet uitstaan, die dag van het oordeel, en het huivert al bij de gedachte eraan. Neem een onnozel schaap: wanneer het gegrepen wordt, geeft het geen kik. U kunt het meenemen en ermee doen wat u maar wilt, het laat alles gedwee over zich heen komen. Maar een varken! Als dat eenmaal vastgegrepen is, brult en krijst het de boel bij elkaar, in de overtuiging dat het alleen is gepakt om te worden afgemaakt. Net zo is het met het schuldige geweten: niets kan het minder verdragen dan te horen over deze dag, want het weet heel goed dat het daarmee zijn eigen vonnis hoort uitspreken.
Stel dat er in de hele wereld een landelijke inzameling werd gehouden om de oordeelsdag maar af te schaffen. Dan zou God, denk ik, zo schatrijk worden dat de wereld zelf aan de bedelstaf zou raken en in een woeste wildernis zou veranderen! Dan zou de omkoopbare rechter heel gretig zijn steekpenningen op tafel leggen, dan zou de sluwe advocaat zijn geldzakken leegschudden en zou de woekeraar zijn winst afstaan, en nog eens het dubbele erbovenop. Maar al het geld van de wereld kan onze zonde niet afkopen. De rechter zal zich moeten verantwoorden voor zijn steekpenningen, wie geld heeft zal moeten uitleggen hoe hij eraan kwam, en een rechtvaardige veroordeling komt over ieder van hen. Dan zal de zondaar eindeloos sterven zonder ooit dood te zijn, zoals de salamander die altijd midden in het vuur zit en nooit verteerd wordt.
— Henry Smith.
Vers 9. Van de Egyptenaren wordt verteld dat ze in de moerassen woonden en daar verschrikkelijk te lijden hadden van de muggen. Daarom sliepen ze doorgaans hoog boven de grond, op torens, want zo hoog kunnen die kleine kwelgeesten niet vliegen, en zo waren ze van hun beten verlost. Met ons zou het precies zo gaan wanneer zorgen en angst ons vreten: we hoeven maar naar God te vluchten voor een veilig toevluchtsoord en ons vol vertrouwen te laten dragen door Zijn hulp.
— John Trapp.
Vers 10. “En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen.” Geloof is een verstandige genade. Er kan best kennis zijn zonder geloof, maar geloof zonder kennis bestaat eenvoudig niet; dat is volstrekt onmogelijk. Iemand noemt het zelfs een scherpziend geloof. De kennis moet als een fakkel voor het geloof uit lopen. 2 Timotheüs 1:12: “Want ik weet, Wien ik geloofd heb.” Zoals bij de bekering van Paulus een licht uit de hemel “hem omscheen” (Handelingen 9:3), zo laat God, nog voordat het geloof wordt gewerkt, eerst een licht in het verstand opgaan.
Een blind geloof is even waardeloos als een dood geloof. Een oog zonder gezichtsvermogen kunt u net zo goed een goed oog noemen als een geloof zonder kennis een goed geloof! Vrome onwetendheid verdoemt, hoe devoot ze er ook uitziet. Dat treft de kerk van Rome vol in het hart, want zij rekent het tot haar godsdienst om mensen in onwetendheid te houden. Zij bouwt een altaar voor een onbekenden God. Ze beweren dat onwetendheid de moeder van de devotie is. Maar zeker is dit: waar de zon in het verstand is ondergegaan, is het onvermijdelijk nacht in de gevoelens.
Zo onmisbaar is kennis voor het bestaan van geloof, dat de Schrift het geloof soms zelfs bij de naam van kennis noemt. Jesaja 53:11: “Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken.” Kennis staat daar dus voor geloof.
— Thomas Watson.
Vers 10. “En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.” De moeder van het ongeloof is onwetendheid: onkunde over God, over Zijn trouw, Zijn barmhartigheid en Zijn macht. Wie U kennen, zullen op U vertrouwen. Dát sterkte Paulus, Abraham en Sara in hun geloof. “Ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.” 2 Timotheüs 1:12. “Die het beloofd heeft, is getrouw” en ook “machtig te doen”. Hebreeën 10:23 en 11:11; Romeinen 4:21.
Alle vrije beloften van de Heere zijn volkomen zeker, Zijn geboden zijn recht en goed, en het loon dat Hij uitkeert is onmetelijk kostbaarder dan duizenden stukken goud en zilver. Vertrouw dus op den Heere, o mijn ziel, en blijf Hem op de hielen volgen! U hebt Zijn vrije belofte, van Hem Die nooit tekortschoot, Die meer heeft beloofd dan u ooit zou kunnen vragen of bedenken, Die meer voor u gedaan heeft dan Hij ooit beloofd had, Die goed en mild is zelfs voor goddelozen en ongodvruchtigen. U verricht het werk van Hem Die machtig is en u zonder twijfel zal dragen.
Een kroon van heerlijkheid ligt voor u klaar, ver boven elke gedachte aan verdienste. Houd daarom stevig vast aan Zijn woord en laat u door niets daarvan losrukken. Vertrouw op Zijn beloften, ook als het lijkt alsof Hij u doodt. Klamp u vast aan Zijn inzettingen, zelfs wanneer het vlees het tegendeel eist, de wereld ertoe lokt en de duivel u ertoe verleidt met vleierij of dreigementen.
— John Ball, 1632.
Vers 10. “En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen.” Het kan eenvoudig niet anders met wie Gods lieflijke eigenschappen en heerlijke daden voor Zijn volk werkelijk tot redding heeft leren kennen. Een mens vertrouwen we nooit voordat we hem kennen, en van slechte mensen leren we eerder hoe slecht ze zijn dan dat we ze durven te vertrouwen. Zo is het niet met de Heere. Want waar Zijn Naam als uitgestorte olie geurt, hebben de maagden Hem lief, vrezen ze Hem, verheugen ze zich in Hem en rusten ze op Hem.
— John Trapp.
Vers 12. “Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve.” Er komt een tijd dat God onderzoek zal doen naar onschuldig bloed. Het Hebreeuwse woord doresh, afgeleid van darash, dat hier met “onderzoek” is vertaald, betekent niet zomaar zoeken of speuren, maar zoeken, naspeuren en onderzoeken met alle denkbare zorg en ijver. O, er komt een tijd dat de Heere met grote toewijding en nauwgezetheid zal zoeken en navragen naar al het onschuldige bloed van Zijn verdrukte en vervolgde volk, dat vervolgers en tirannen als water over de grond hebben laten stromen. En wee die vervolgers, wanneer God een strenger, kritischer en scherper onderzoek instelt naar het bloed van Zijn volk dan ooit werd gehouden in de inquisitie van Spanje, waar alles met de uiterste ijver, sluwheid, geheimzinnigheid en hardheid wordt uitgevoerd!
O vervolgers, er komt een tijd dat God streng zal navragen waar het bloed van Hooper, Bradford, Latimer, Taylor, Ridley en de anderen is gebleven. Er komt een tijd dat God zal onderzoeken wie die en die predikanten de mond heeft gesnoerd en geschorst, wie de monden van die en die heeft gestopt, en wie die en die heeft gevangengezet, opgesloten en verbannen. Het waren immers lichten die eens brandden en schenen, mannen die bereid waren zich te geven en geheel te worden gegeven opdat zondaars behouden zouden worden en Christus verheerlijkt zou worden. Er komt een tijd dat de Heere heel nauwkeurig zal onderzoeken wat er is gedaan en uitgehaald in kerkelijke rechtbanken, hoge commissies, comités, assisen en dergelijke, en dat Hij met de vervolgers zal afrekenen zoals zij met Zijn volk hebben gehandeld.
— Thomas Brooks.
Vers 12. “Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve.” Bloed heeft een stem, een vox sanguinis; en “Zou Hij, Die het oor plant, niet horen?” Het bedekte de oude wereld met water, in een allesverzwelgende vloed. De aarde was vol wreedheid; het was deze vox sanguinis die schreeuwde. De hemelen hoorden de aarde, en de vensteren des hemels gingen open om oordeel en wraak daarover uit te storten.
— Edward Marbury, 1649.
Vers 12. “Want Hij zoekt de bloedstortingen”, enz. Soms lijkt het alsof God een tijdlang een oogje dichtknijpt voor de wreedheid van gewelddadige mensen. Toch roept Hij hen uiteindelijk onherroepelijk ter verantwoording voor al het onschuldige bloed dat ze hebben vergoten en voor de onrechtvaardige, meedogenloze manier waarop ze zachtmoedige en nederige mensen hebben behandeld. Hun geroep vergeet Hij nooit, ook al antwoordt Hij niet meteen. Hij kiest gewoon het juiste moment om Zich op hun onderdrukkers te wreken.
— Symon Patrick, D.D., 1626-1707.
Vers 12. “Hij zoekt de bloedstortingen.” Deze zonde raakt Hem zo diep dat Hij opstaat en de daders, de bedenkers en de opdrachtgevers van deze scharlaken zonde op het spoor komt. Het bloed zál Hij wreken!
— William Greenhill.
Vers 12. “Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.” Het gebed is een haven voor de schipbreukeling, een anker voor wie in de golven wegzinkt, een stok voor wankelende benen, een juwelenmijn voor de armen, een geneesheer voor ziekten en een bewaker van de gezondheid. Het gebed verzekert ons meteen dat onze zegeningen blijven en jaagt als een frisse wind de donkere wolken van onze rampen weg.
O gezegend gebed! Jij bent de onvermoeibare overwinnaar van alle menselijk leed, het onwankelbare fundament van het menselijk geluk, de bron van een vreugde die nooit opdroogt, de moeder van alle wijsheid. Wie echt kan bidden is rijker dan iedereen, ook al versmacht hij in de bitterste armoede. En de ellendeling die nooit zijn knie heeft gebogen is van alle mensen de armste, ook al troont hij als monarch over alle volken.
— Chrysostomus.
Vers 14. “Dat ik Uw gansen lof vertelle”, enz. Al Gods lof vertellen, dat is een enorme klus waar je ruimschoots je handen vol aan hebt. Een eenmalig “God, ik dank U” is geen passend antwoord op een eindeloze stroom van rijke weldaden.
— William S. Plumer.
Vers 15. “De heidenen zijn gezonken in de groeve die zij gemaakt hadden”, enz. Terwijl ze kuilen voor anderen graven, wordt er al een kuil voor hén gegraven en een graf voor hén gemaakt. Ze hebben een maat vol te maken en een schatkist te vullen, die uiteindelijk wordt opengebroken. Dat zou hen die op kwaad uit zijn, dunkt mij, moeten afhouden van het genieten van hun eigen plannetjes. Helaas, wat een dwaasheid! Ze smeden alleen maar hun eigen ondergang en bouwen een Babel dat op hun eigen hoofden zal neerstorten.
Als er met complotteren ook maar enige eer te behalen viel, dan zou de grootste complotteur aller complotteurs, die meesteringenieur Satan, ons allemaal overtreffen en alle roem voor zich opeisen. Maar laten we Satan en de zijnen hun glorie niet misgunnen. Ze kunnen wel wat troost gebruiken. Laat hen maar plezier hebben in hun handeltje. De dag komt dat de dochter van Sion hen uitlacht. Er komt een tijd waarin gezegd wordt: “Maak u op en dors, o dochter Sions!” Micha 4:13. En meestal gaat de verlossing van Gods kinderen hand in hand met de vernietiging van Zijn vijanden: Sauls dood en Davids verlossing; de bevrijding van de Israëlieten en het verdrinken van de Egyptenaren. De kerk en haar tegenstanders zijn als de schalen van een weegschaal: gaat de ene omhoog, dan gaat de andere omlaag.
— Richard Sibbes.
Vers 15-17. De pijniging van de verdoemden zal zwaarder worden doordat hun pijnigingen even groot en sterk zijn als hun verstand en hun gevoelens, zodat die felle hartstochten onophoudelijk blijven woeden. Hoe groot hun verlies ook was en hoe heftig ze het ook voelden: als ze hun geheugen maar konden kwijtraken, dan zouden die hartstochten uitdoven, en zou dat vergeten verlies hen nauwelijks nog deren. Maar zoals ze hun leven en bestaan niet kunnen wegleggen, hoewel ze vernietiging dan als een bijzondere genade zouden beschouwen, zo kunnen ze ook geen enkel deel van hun wezen opzijleggen. Verstand, geweten, gevoelens en geheugen moeten allemaal blijven leven om hen te kwellen, terwijl ze hen eigenlijk tot hun geluk hadden moeten dienen. Zoals ze zich daardoor hadden moeten voeden met de liefde van God en voortdurend de vreugden van Zijn tegenwoordigheid hadden moeten putten, zo moeten ze zich nu daardoor voeden met de toorn van God en onophoudelijk de bittere smarten van Zijn afwezigheid putten.
Denk dus nooit dat ze heiliger en gelukkiger zijn dan voorheen, wanneer ik zeg dat de verharding van hun harten, hun blindheid, traagheid en vergeetachtigheid zullen worden weggenomen. Nee, zedelijk gezien zijn ze dan nog verachtelijker en daardoor veel ellendiger. O, hoe vaak riep God hier door Zijn boodschappers tot hen: “Zondaars, bedenk toch waarheen u gaat! Blijf een ogenblik staan en overweeg waar uw weg zal eindigen, wat voor heerlijkheid u zo achteloos verwerpt: zal dit niet bitter zijn in het einde?” En toch waren deze mensen nooit aan het nadenken te krijgen.
Maar in de laatste dagen, zegt de Heere, zullen ze het wél volledig doordenken: wanneer ze verstrikt zijn in het werk van hun eigen handen, wanneer God hen heeft aangehouden, het vonnis over hen is uitgesproken en de wraak ten volle over hen is uitgegoten. Dan kunnen ze niet anders dan het overdenken, of ze nu willen of niet. Nu hebben ze daar geen tijd voor en in hun geheugen geen plaats voor de dingen van een ander leven. Ach, maar dan zullen ze tijd in overvloed hebben, meer dan genoeg! Ze zullen zich bevinden op een plaats waar ze niets anders te doen hebben dan nadenken. Geen enkele andere bezigheid zal hun geheugen dan nog in de weg zitten; het zal zelfs in de tafelen van hun harten worden gegrift.
God had gewild dat de leer over hun eeuwige staat was geschreven op de posten van hun deuren, op hun huizen, op hun handen en op hun harten. Hij had gewild dat ze er voortdurend aan zouden denken en erover zouden spreken, bij het opstaan en bij het naar bed gaan en onderweg, opdat het hun aan het einde goed zou gaan. En omdat ze deze raad des Heeren verwierpen, zal het voor altijd voor hun ogen staan geschreven op de plaats van hun slavernij, zodat ze, waarheen ze ook kijken, het blijven zien.
— Richard Baxter.
Vers 16. “De HEERE is bekend geworden aan het oordeel dat Hij uitvoert.” Welnu, als de Heere bekend wordt aan het oordeel dat Hij uitvoert, dan moet dat oordeel zichtbaar zijn. Het moet een openbaar oordeel zijn, en dat zijn heel veel van Gods oordelen: ze worden als op een toneel opgevoerd. En ik kan u in drie punten uitleggen waarom de Heere soms recht doet op de plaats van de toeschouwers, voor het openbare oog van anderen.
Ten eerste, opdat er genoeg getuigen zijn van wat Hij doet en er dus een gedenkteken van bewaard blijft, althans in de gedachten en herinneringen van trouwe mensen voor de komende generaties. Ten tweede doet de Heere het niet alleen om getuigen van Zijn gerechtigheid te hebben, maar ook opdat Zijn gerechtigheid en de gang van zaken daarbij uitwerking en vrucht hebben op wie haar zelf niet voelden en er niet onder vielen. Daarom dreigde de Heere Jeruzalem te straffen voor de ogen van de volken. Ezechiël 5:6, 7, 8, 14, 15. …
God zou oordeel brengen in Jeruzalem, een stad die midden tussen de volken lag, zodat de volken, die kennis hadden genomen van de buitengewone gunsten, weldaden, bevrijdingen en verlossingen die God voor Jeruzalem had gewrocht, ook kennis zouden nemen van Zijn oordelen en Zijn zware ongenoegen tegen haar. Jeruzalem lag niet in een uithoek, een hoekje of een achteraf plekje van de wereld, maar midden onder de volken, zodat zowel Gods goedheid als Zijn gestrengheid jegens hen duidelijk zichtbaar zou zijn. …
God laat sommige zondaars lijden, of straft hen openlijk, omdat Hij wil dat alle anderen merken dat Hij afkeurt wat zij hebben gedaan, en ook omdat Hij niet wil dat anderen hetzelfde doen, uit vrees dat zij aan hen gelijk gemaakt worden, in de zaak zelf én in de manier waarop ze lijden. Het is een gunst en tegelijk onze plicht om door het leed van anderen onderwezen te worden en door hun klappen te leren onze eigen ellende te voorkomen. …
Ten derde treft God sommige goddeloze mensen in het openbaar, op de plaats van de toeschouwers, tot troost van Zijn eigen volk en tot hun bemoediging. Psalm 58:11: “De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt”. Niet dat hij blij is met de wraak als louter schade of lijden voor het schepsel, maar de rechtvaardige zal zich verheugen wanneer hij de wraak Gods ziet als vervulling van Gods dreigement tegen de zonde van de mens en als bewijs van zijn eigen heiligheid. …
Er staat geschreven (Exodus 14:30, 31) dat de Israëlieten, nadat God de Egyptenaren in de Rode Zee had overdekt, de Egyptenaren dood zagen liggen aan den oever der zee. God liet de lijken van de Egyptenaren niet naar de bodem van de zee zinken, maar deed ze op de oever aanspoelen, zodat de Israëlieten ze zouden zien. En toen Israël die schrikwekkende slag des Heeren over de Egyptenaren zag, staat er: “Het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.” Zo werden ze in hun geloof bevestigd door Gods openbare oordelen over de Egyptenaren. Ze werden geslagen op de plaats van de toeschouwers, voor het openbare oog van anderen.
— Samengevat uit Joseph Caryl.
Vers 16. “De HEERE is bekend geworden aan het oordeel dat Hij uitvoert.” Raakt Hij zondaars met Zijn hand, dan beven de heiligen! Ze staan stil bij Zijn macht, majesteit en grootheid en bij de aard van Zijn oordelen, en zo houden ze eerst een streng gericht over zichzelf en ruimen ze weg wat Hem zou kunnen tergen. … Zoals een vuur een gloed werpt over alles eromheen, zo laten Gods oordelen aan de wereld Zijn heerlijkheid, gerechtigheid en heiligheid zien.
— William Greenhill.
Vers 16. “Verstrikt in het werk zijner handen.” Waarmee lokt de zonde haar slachtoffer? Met leven, genot en gewin! En waarmee betaalt ze hem uit? Met dood, foltering en verderf. Wie het bedrog en de valsheid van de zonde wil doorzien, hoeft alleen haar beloften naast haar uitbetaling te leggen.
— Robert South, D.D., 1633-1716.
Vers 16. “Higgajon, Sela.” Ainsworth vertaalt: “Overpeinzing, Sela” – een wenk dat we hier diep moeten nadenken. “Higgajon” duikt nog één keer op, in Psalm 92:4, midden tussen de muziekinstrumenten. Dat zal er dus wel één van zijn, want er staan “psalter”, “nabel”, “higgajon” en “harp” naast elkaar.
— John Mayer.
Vers 16. “De goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen.” Dat staat niet alleen in het Woord van God; heel de geschiedenis en alle ervaring bevestigen dat dezelfde rechtvaardige God de goddelozen laat verstrikken in hun eigen handwerk. Het schrijnendste voorbeeld, na Haman aan zijn eigen galg, komt misschien wel uit de gruwelen van de Franse Revolutie. We lezen daar dat “binnen negen maanden na de dood van koningin Marie Antoinette onder de guillotine iedereen die haar vroegtijdig einde op zijn geweten had – haar beschuldigers, de rechters, de jury, de aanklagers, de getuigen, allen, althans iedereen van wie we het lot kennen – omkwam door hetzelfde werktuig als hun onschuldige slachtoffer.”
“In het net dat zij voor haar hadden gelegd, werd hun eigen voet gevangen; in de kuil die zij voor haar gegraven hadden, vielen zij zelf.”
— Barton Bouchier, 1855.
Vers 17. Bij hun sterven krijgen de goddelozen Gods woede en gramschap vol over zich heen. “De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe.” Ik las over een magneetsteen in Ethiopië met twee polen: de ene trekt ijzer aan, de andere stoot het af. Zo heeft ook God twee handen, die van barmhartigheid en die van gerechtigheid. Met de ene trekt Hij de godvruchtigen omhoog naar de hemel, met de andere smijt Hij de zondaar in de hel. En o, wat een ontzettende plaats is dat! De Schrift noemt haar een vurig meer (Openbaring 20:15): een meer, omdat de pijnigingen er in overvloed zijn; een vurig meer, omdat ze zo verzengend zijn. Vuur is immers het meest folterende element.
Strabo noemt in zijn aardrijkskunde een meer in Galilea met zo’n verpestende werking dat het de huid afschroeit van alles wat erin valt. Maar helaas, dat meer is lauw vergeleken met het vurige meer waarin de verdoemden worden geslingerd. Twee gruwelijke eigenschappen maken dit vuur nog schrikwekkender. 1. Het is zwavelachtig: er zit sulfer doorheen (Openbaring 21:8), walgelijk en verstikkend. 2. Het is onuitblusbaar; al stikken de goddelozen in de vlammen, ze worden toch niet verteerd (Openbaring 20:10): “En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.”
Aanschouw de jammerlijke staat van alle goddelozen in de andere wereld: een leven dat voortdurend sterft, een dood die eeuwig leeft! Zou dat mensen niet van hun zonden weg kunnen schrikken en hen godvrezend maken? Tenzij ze er stug op uit zijn te ontdekken hoe heet het hellevuur werkelijk is.
— Thomas Watson.
Vers 17. “De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe”, enz. Met “de goddelozen” bedoelen we hier de onwedergeboren mensen, wie ze ook zijn, zolang ze maar in die staat verkeren. … Goddeloos noemt de tekst hier de mens die “God vergeet”: die niet vaak en liefdevol aan Hem denkt, met ontzag en verrukking en met alle gevoelens die bij ernstige gedachten over God passen. … God vergeten en goddeloos zijn: het is één en hetzelfde.
Twee dingen bewijzen die stelling volop. Ten eerste: wie God vergeet, sluit de hoofdzaken van de godsdienst buiten. Ten tweede: hij bedrijft daarmee tegelijk de zwaarste en gruwelijkste vorm van goddeloosheid. Dat maakt zo iemand onvermijdelijk tot een goddeloos mens. … Vergetelheid van God slaat de kern en de wezenlijke delen van de godsdienst weg. Ze betekent dat een mens Gods alles toereikende kracht en heiligheid niet hoog houdt als zijn geluk en zijn deel, als zijn sterkte en steun; dat hij Hem niet vreest en niet onder Zijn wetten en geboden leeft als zijn richtsnoer; en dat hij Gods eer niet nastreeft als zijn doel. Wie God dus zo vergeet, is zonder twijfel een goddeloos mens. …
God uit onze gedachten bannen, Hem daar geen plek geven, Hem niet in acht nemen en niet aan Hem denken: dat is de grootste goddeloosheid van de gedachten die er bestaat. Van zo iemand kunt u dus niet zeggen dat hij zal drinken, vloeken, bedriegen of onderdrukken; maar zegt u wél dat hij God zal vergeten, of dat hij al zijn dagen leeft zonder ooit aan God te denken, dan zegt u genoeg. Dan staat hij onder de toorn en keert hij onherroepelijk terug naar de hel.
— John Howe, 1630-1705.
Vers 17. “De goddelozen zullen terugkeren naar de hel toe.” (Hebr.) Lisjolah: halsoverkop de hel in, regelrecht naar beneden! Het oorspronkelijke woord is bijzonder krachtig.
— Adam Clarke.
Vers 17. Alle goddeloosheid is oorspronkelijk samen met de boze uit de hel gekomen, en daarheen wordt ze weer teruggestuurd. Wie haar kant kiest, gaat mee op haar terugreis naar die plaats van foltering, om daar voor eeuwig opgesloten te zitten. De werkelijke toestand van “volken” en van de mensen waaruit ze bestaan, laat zich aan één ding aflezen: gedenken ze God in hun doen en laten, of “vergeten” ze Hem? Aan Hem denken is de bron van deugd; Hem vergeten de fontein van ondeugd.
— George Horne, D.D.
Vers 17.
“De hel, hun passende woonplaats, vol vuur
Onuitblusbaar, het huis van wee en pijn.”
— John Milton, 1608-1674.
Vers 17.
Een wil verstoken van haar macht, dat is de helse staat,
Die elke daad verijdelt en op zichzelf terugslaat.
O, huiveringwekkende angst, in duisternis gevangen!
Het terechte loon der eigenliefde en het aards verlangen.
De boosheid fronst de wenkbrauw naar de vijand die ze vreest,
En wil hem lachend doden, als een meedogenloos beest.
Maar niemand ziet de ander, noch hoort men nog een woord,
Daar de duisternis eenieder in zijn eigen kerker smoort.
De wellust kwijnt door schaarste, het verdriet drinkt eigen traan,
Waar eenieder in afzondering, volstrekt alleen moet staan.
De haat bestrijdt zichzelf en teert op eigen stalen band,
Het ijzer snijdt dwars door de ziel, in dit verlaten land.
Een ijzingwekkende leegte, een geestdodende nacht,
Waar ieder op zijn eigen plek in eenzame kerker smacht.
Men is volkomen afgezonderd, ontdaan van alle kracht,
En vindt geen druppel mededogen, die de bittere smart verzacht.
— J. A. Heraud.
Vers 18. “Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden”, enz. Wat een zoete belofte, bruikbaar bij duizend gelegenheden! Houden we haar de troon voor in de naam van Hem Die elke belofte in Zich draagt en Zelf de grote belofte van de Bijbel is, dan blijkt ze, net als alle andere, ja en amen.
— Robert Hawker, D.D., 1820.
Vers 18. “De verwachting der ellendigen zal niet verloren zijn.” Een heiden kon al zeggen, toen een vogel die door een havik was opgejaagd tegen zijn borst vloog: Ik lever u niet uit aan uw vijand, want u zoekt bij mij een schuilplaats. Hoeveel minder zal God een ziel uitleveren aan haar vijand als ze zich in Zijn naam verbergt en uitroept: Heere, zo’n verzoeking jaagt mij op, zo’n lust zit mij op de hielen! Of Gij vergeeft het, of ik ben verloren; dood het, of ik word er slaaf van. Neem mij op in de schoot van Uw liefde, om Christus’ wil; berg mij als in een vesting in de armen van Uw eeuwige sterkte. Het ligt in Uw macht mij van mijn vijand te redden of aan hem over te geven; ik heb geen vertrouwen in mijzelf of in wie ook. In Uw handen leg ik mijn zaak, mijzelf, en op U steun ik.
Zo’n vertrouwen van een ziel zal Gods almachtige kracht ongetwijfeld opwekken om haar te verdedigen. Hij heeft de grootste eed gezworen die over Zijn gezegende lippen kan komen, namelijk bij Zichzelf, dat wie zo hun toevlucht nemen om op Hem te hopen, sterke vertroosting zullen hebben (Hebreeën 6:17). Dat mag de heilige een nog grotere vrijmoedigheid des geloofs geven om een hartelijk onthaal te verwachten wanneer hij bij God schuilt; hij kan immers niet eerder komen dan dat men hem verwacht. God heeft Zijn naam en beloften als een sterke toren opgetrokken, Hij roept Zijn volk in die vertrekken en verwacht dat ze daar ook echt naartoe vluchten.
— William Gurnall.
Vers 18. Van God wordt soms gezegd dat Hij ons verhoort door ons niet te verhoren; zo kunnen we ook zeggen dat Hij ons soms écht zou afwijzen als Hij ons niet liet wachten. Het is (zegt Chrysostomus) met het geld dat lang op de bank staat en uiteindelijk thuiskomt met een eendje in de mond: rente op rente! Staat geld lang uit, dan brengt het veel op. Bij mensen kunnen we zo geduldig zijn; zouden we het dan niet zijn, moeten we het dan niet zijn, tegenover de Heere, en wachten op de Heere voor een rijke opbrengst?
Door uitstel laat God ons méér bidden. Hoe meer we bidden en hoe langer we wachten, hoe groter de troost en hoe zekerder we ervan zijn dat we die uiteindelijk krijgen. Maak dus onderscheid tussen weigeren en uitstellen. … In God, onze Vader, zijn alle dimensies van liefde, en dat tot in het oneindige; oneindig oneindig! Wat dan als Hij ons laat wachten? Dat doen wij toch ook met onze kinderen? We willen hun niets anders geven dan wat ze zelf vragen, maar we laten ze graag even wachten, zodat ze het beste van ons krijgen op het moment dat ze er het meest voor openstaan, op de beste tijd en op de beste manier. En al zou een moeder haar enige zoon vergeten: God heeft een oneindig geheugen. Hij kan ons niet en zal ons niet vergeten. De verwachting van wie wacht, valt niet voor eeuwig weg; dat wil zeggen: nóóit.
— Richard Capel.
Vers 19. “Sta op, HEERE”, enz. Wat wordt hier eigenlijk bedoeld? Moeten we de psalmist zien als iemand die om de ondergang van zijn vijanden bidt en een vloek over hen uitspreekt? Nee! Dit zijn niet de woorden van iemand die zijn vijanden onheil toewenst. Het zijn de woorden van een profeet, die in de taal van de Schrift voorzegt welk kwaad hen wegens hun zonden onherroepelijk zal treffen.
— Augustinus.
Vers 20. “O HEERE! jaag hun vreze aan”, enz. Anders zouden we onszelf voor goden houden! We hellen zó sterk naar de zonde over dat we stevige teugels nodig hebben, en we zijn zó opgeblazen van trots tegen God dat we doornen in het vlees nodig hebben om het gif eruit te laten lopen. Zolang de roede boven ons hangt, likken we het stof en erkennen we dat we volledig van Gods genade afhangen. Al heeft God ons vergeven, Hij laat ons toch de strop om de hals dragen om ons klein te houden.
— Stephen Charnock.
Vers 20. “Laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn.” Het oorspronkelijke woord is (Hebr.) enosj, en dus is dit een gebed dat ze mogen beseffen dat ze niet meer zijn dan ellendige, broze, stervende mensen. Het woord staat in het enkelvoud, maar heeft hier een collectieve betekenis.
— Johannes Calvijn.
WENKEN VOOR DE DORPSPREDIKER
I. Het enige doel van onze lof: “U, o HEERE.”
II. De rijke stof voor lof: “al Uw wonderen.”
III. De juiste manier van loven: “met mijn ganse hart.”
— B. Davies.
Vers 1. “Ik zal vertellen.” Eindeloze bezigheid, eindeloos genot.
Vers 1. “Uw wonderen.” Schepping, voorzienigheid en verlossing zijn allemaal wonderbaar: ze laten Gods eigenschappen in zo’n mate zien dat heel Gods heelal er verbaasd van opkijkt. Een bijzonder leerzaam onderwerp.
Vers 2. Heilig gezang en zijn band met heilige blijdschap.
Vers 4.
(1) De rechten van de rechtvaardigen worden onvermijdelijk aangevallen, (2) maar worden al even zeker verdedigd.
Vers 6.
I. De grote vijand.
II. De verwoesting die hij heeft aangericht.
III. De middelen waarmee hij wordt overwonnen.
IV. De rust die daarop volgt.
Vers 7 (eerste zinsdeel). Gods eeuwigheid: de troost van de heiligen en de schrik van de zondaars.
Vers 8. De rechtvaardigheid van Gods zedelijk bestuur, vooral met het oog op de laatste grote dag.
Vers 9. Mensen in nood, tijden van nood, en een ruim voldoende voorziening.
Vers 10.
I. Kennis die alles bepaalt: “Uw Naam kennen.”
II. Een gezegend gevolg: “zullen op U vertrouwen.”
III. Een afdoende reden: “omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen die U zoeken.”
— T. W. Medhurst.
Kennis, geloof, ervaring: hoe die drie samenhangen.
Vers 10. De namen van God wekken vertrouwen. JEHOVAH Jireh, Tsidkenu, Rofi, Sjammah, Nissi; ELOHIM, SJADDAI, ADONAI, enz.
Vers 11.
I. Sion: wat is het?
II. Haar heerlijke Bewoner: wat doet Hij?
III. De tweeledige taak van haar zonen: “psalmzingen” en “verkondigen onder de volken Zijn daden.”
IV. Argumenten uit het eerste deel van het onderwerp die ons aanmoedigen tot deze dubbele plicht.
Vers 12.
I. God bezig met een ontzagwekkende zaak.
II. Hij gedenkt Zijn volk: om te sparen, te eren, te zegenen en te wreken.
III. Hij beantwoordt hun roepen: in hun eigen redding en in de ondergang van hun vijanden. Een troostrijke preek voor tijden van oorlog of pestilentie.
Vers 13. “Wees mij genadig, HEERE.” Het gebed van de tollenaar: uitgelegd, aanbevolen, voorgehouden en verhoord.
Vers 13. “Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods.” Diepe nood. Grote bevrijdingen. Glorieuze verhogingen.
Vers 14. “Dat ik mij verheuge in Uw heil.” Vooral omdat het het Uwe is, o God, en U dus eer geeft. Vrij, vol, passend, zeker, eeuwig. Wie kan zich hierin verheugen? Redenen waarom ze dat altijd zouden moeten doen.
Vers 15. Lex talionis, de wet van de vergelding. Gedenkwaardige voorbeelden.
Vers 16. Ontzagwekkende kennis; een huiveringwekkend alternatief naast vers 10.
Vers 17. Een waarschuwing aan wie God vergeten.
Vers 18. Vertraging in de verlossing.
I. Hoe het ongeloof het ziet: “vergeten”, “verloren.”
II. Gods belofte: “niet voor altoos.”
III. De plicht van het geloof: wachten.
Vers 19. “Laat de mens zich niet versterken.” Een krachtig pleidooi. Gevallen waarin het in de Schrift werd gebruikt. Waarom het zo sterk is. Tijden waarin we het kunnen gebruiken.
Vers 20. Een onmisbare les, en hoe die wordt geleerd.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas

