Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 78 — Treasury of David

Titel
Een onderwijzing van Asaf. Deze psalm draagt terecht de naam ‘onderwijzende psalm’. Het is meer dan een opsomming van belangrijke gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël. We moeten hem lezen als een gelijkenis: hij laat zien hoe gelovigen van alle tijden leven en wat zij meemaken.
Veel belijdende christenen zijn opvallend traag van begrip. Ze maken bezwaar tegen preken en uitleg over de geschiedenisgedeelten van de Bijbel, alsof je daar niets uit kunt leren over het leven met God. Als zulke mensen echt door de Geest van God verlicht waren, zouden ze zien dat de hele Schrift nuttig is. Dan zouden ze blozen om hun eigen dwaasheid, want ze hebben een deel van het door God ingegeven boek te licht geteld.
Indeling
De psalm vormt een geheel, maar voor het gemak van de lezer kunnen we er toch een overzicht van geven. Psalm 78:1-8 is een voorwoord. Daarin vertelt de dichter wat hij met dit grote heldendicht wil bereiken. Psalm 78:9-41 gaat over Israël in de woestijn. Daarna kijkt hij terug op wat de Heere eerder voor Zijn volk deed: Hij leidde hen uit Egypte met plagen en wonderen (Psalm 78:42-52).
Vanaf Psalm 78:53 gaat de geschiedenis van de stammen verder, tot en met Psalm 78:66. Dan zijn we bij het moment waarop de ark naar Sion wordt gebracht en de leiding over Israël van Efraïm overgaat op Juda. Dat wordt bezongen in Psalm 78:67-72.
Uitleg
Vers 1
“O mijn volk! neem mijn leer ter oren.” De dichter, door God geïnspireerd, roept zijn landgenoten op om te luisteren naar zijn onderricht. Hij houdt van zijn land en van zijn volk, en dat hoor je. We mogen verwachten dat Gods uitverkoren volk als eerste naar Zijn stem luistert. God laat Zijn waarheid spreken en stuurt boden die goed zijn toegerust om Zijn woord met kracht te brengen. Het minste wat we dan kunnen doen is hun ons oor geven, en ons hart om gehoorzaam te zijn. Zou God spreken en zouden Zijn kinderen niet willen horen? Zijn onderwijs heeft het gezag van een wet. Laten we er dus met oor én hart naar luisteren.
“Neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.” Luister met volle aandacht. Buig die stijve nek en leun naar voren om geen lettergreep te missen. Wij lezen vandaag de heilige geschriften. Daarom zijn we verplicht ze diep te bestuderen, hun betekenis na te gaan en er hard aan te werken om te doen wat ze ons leren. Een officier begint zijn exercitie met het bevel: “Geeft acht!” Net zo wordt elke geoefende soldaat van Christus geroepen om te luisteren naar Zijn woorden. Mensen lenen graag hun oren aan muziek. Hoeveel meer moeten ze dan luisteren naar de harmonie van het evangelie! Ze zitten ademloos te luisteren naar een goede spreker. Hoeveel liever moeten ze zich dan overgeven aan de welsprekendheid van de hemel!
Vers 2
“Ik zal mijn mond opendoen met spreuken.” Zulke verbanden hoeven we niet te verzinnen. God heeft zelf bedoeld dat we ze ontdekken tussen het verhaal van Israël en het leven van gelovigen. Israël was door God aangewezen als een voorbeeld. De stammen en hun tochten zijn levende beelden, getekend door de hand van een alwijze voorzienigheid. Onkerkelijke mensen spotten graag met fantasie en mystiek. Maar Paulus zei het goed: “Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben.” En Asaf had ook gelijk toen hij zijn verhaal “spreuken” noemde.
Dat hij dat bedoelde, blijkt uit dit citaat: “Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet. Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld.” Mattheüs 13:34-35.
“Ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her.” Dat zijn raadsels uit de oudheid, raadsels van lang geleden. De profetische dichter was zo vol van oude kennis dat hij haar uitstortte in een rijke stroom van zang. Onder die stromende vloed lagen parels en edelstenen van geestelijke waarheid. Ze maken rijk wie durft te duiken en ze naar boven haalt. De letter van dit lied is kostbaar. Maar de diepere betekenis is met geen goud te betalen.
Het eerste vers vroeg om aandacht. Het tweede vers laat zien waarom die aandacht nodig is: onder de buitenkant zit een verborgen betekenis. Alleen wie goed nadenkt, zal die ontdekken.
Vers 3
“Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.” In de oude tijd was wat de ouders doorvertelden van het hoogste belang voor Gods volk. Het zekerder profetische woord was toen nog niet voltooid en lag nog niet voor iedereen binnen bereik. Wie de waarheid van anderen had gehoord, had daarmee een ernstige plicht gekregen: hij moest haar doorgeven aan de volgende generatie.
De waarheid is ons dierbaar, omdat ze verbonden is met godvruchtige ouders en gerespecteerde vrienden. Dan moeten we ons ook van ganser harte inspannen om haar te bewaren en te verspreiden. Onze vaders hebben het ons verteld. We horen hen nog, en we weten zelf wat zij leerden. Nu is het aan ons om het op onze beurt door te geven.
Gode zij dank, we hebben nu het stabielere getuigenis van de geschreven openbaring. Toch maakt dat onze plicht niet kleiner om onze kinderen ook mondeling te leren wie God is. Juist met zo’n genadige hulp kunnen we hun veel meer vertellen over de dingen van God. Dr. Doddridge had veel te danken aan de Hollandse tegels en aan de uitleg die zijn moeder gaf bij de Bijbelverhalen. Hoe meer onderwijs van ouders, hoe beter. Predikers en zondagsschoolleiders waren nooit bedoeld als vervanging van de tranen van een moeder en de gebeden van een vader.
Vers 4
“Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen.” Als wij uit nalatigheid zwijgen, nemen we onze eigen kinderen en kleinkinderen de kostbare waarheid van God af, en die van onze vaders ook. Dat zou echt een schande zijn. “Voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN.” We kijken vooruit naar de generaties die komen en zorgen dat zij een godvruchtige opvoeding krijgen.
De kerk van God heeft de plicht om alles wat bedoeld is voor de christelijke opvoeding van de jeugd met volle kracht in stand te houden. Van die jongeren moeten we de kerk van de toekomst verwachten. En zoals we in hen zaaien, zullen we oogsten. Kinderen moeten leren de Heere groot te maken. Ze moeten goed horen wat Hij in vroegere eeuwen aan wonderen deed. Ze moeten Zijn kracht leren kennen, en “Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft”.
De beste opvoeding is een opvoeding in het beste. De eerste les voor een kind gaat over de God van zijn moeder. Leer hem wat je wilt: als hij de vreze des Heeren niet leert, komt hij om door gebrek aan kennis. Taalleer is armoedig voedsel voor de ziel als er geen genade bij zit. Er hoort een Bijbel in elke schooltas. De wereld mag alleen wereldse kennis onderwijzen, want meer wil ze niet weten. Maar de kerk mag zo niet met haar kinderen omgaan. Zij moet goed letten op elke Timotheüs, en erop toezien dat hij van kindsbeen af de heilige Schriften kent.
Rond de haard moeten vaders niet alleen de Bijbelverhalen navertellen. Ze moeten ook vertellen over de martelaren en de hervormers, en over wat de Heere Zelf met hen heeft gedaan in Zijn voorzienigheid en genade. We durven de ijdele en verkeerde overleveringen van de afvallige kerk van Rome niet te volgen. We zetten ook het feilbare verslag van de beste menselijke herinnering niet gelijk aan het onfeilbare, geschreven woord. Toch zouden we graag zien dat elke christen in zijn gezin mondeling vertelt. Kinderen leren dan met plezier van hun eigen vader en moeder, en niet alleen uit gedrukte pagina’s die ze al te vaak zien als saaie, droge schoolboeken.
Wat een gelukkige uren en gezellige avonden hebben kinderen niet gehad op de schoot van hun ouders, luisterend naar een “lieflijke geschiedenis van vroeger”! Lezer, als je kinderen hebt: zorg dat je in deze plicht niet tekortschiet.
Vers 5
“Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob.” Het geliefde volk bestond precies hiervoor: om de waarheid van God overeind te houden te midden van de afgoderij om hen heen. Hun waren de godsspraken. Zij waren de bewaarders en hoeders van de waarheid. “En een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken.”
Het getuigenis over de ware God moest van generatie op generatie worden doorgegeven. Dat gebeurde door zorgvuldig onderwijs in de gezinnen die elkaar opvolgden. Dit gebod om mondeling door te geven staat heel vaak in de eerste vijf boeken van de Bijbel. Eén voorbeeld volstaat, uit Deuteronomium 6:7: “En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.” Lezer, als je zelf ouder bent: heb je deze plicht serieus genomen?
Vers 6
“Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden.” Voor zover ons korte leven het ons toestaat vooruit te plannen, moeten we ijverig zorgen voor een godvruchtige opvoeding van de jeugd. De verhalen, de geboden en de leer van Gods woord zijn niet verouderd. Ze blijven hun invloed houden zolang er mensen bestaan. “En zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen.” Eén ding staat centraal: doorgeven. Het getuigenis wordt alleen gegeven om het weer door te geven aan de volgende generaties.
Vers 7
“En dat zij hun hoop op God zouden stellen.” Het geloof is uit het gehoor. Wie de Naam van de Heere kent, zal zijn hoop op Hem vestigen. Dat mensen zover komen, is het hoofddoel van elk geestelijk onderwijs. “En Gods daden niet vergeten.” Genade geneest een slecht geheugen. Wie de barmhartige werken van de Heere snel vergeet, heeft onderwijs nodig. Zo iemand moet de goddelijke kunst leren om heilig te onthouden. “Maar Zijn geboden bewaren.” Wie Gods werken vergeet, zal in zijn eigen werk zeker tekortschieten. Wie Gods liefde niet in gedachten houdt, onthoudt waarschijnlijk ook Zijn wet niet. Het doel van het onderwijs is praktisch. We streven naar heiligheid voor God, niet naar een hoofd vol theorieën.
Vers 8
“En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht.” Er was nog ruimte voor verbetering. Vaders die koppig hun eigen weg gaan en zich verzetten tegen Gods weg, zijn een treurig voorbeeld voor hun kinderen. Men hoopt vurig dat beter onderwijs een beter geslacht voortbrengt. In sommige streken vinden mensen de gewoonten van hun familie de allerbeste regel. Maar ongehoorzaamheid is niet te verontschuldigen omdat ze erfelijk is. Melaatsheid was niet minder afschuwelijk omdat ze al lang in de familie zat. Als onze vaders opstandig waren, moeten wij beter zijn dan zij. Anders komen we om, net als zij.
“Een geslacht, dat zijn hart niet richtte.” Ze kozen niet vastberaden voor gerechtigheid en waarheid. Ze waren niet bereid om de Zaligmaker met een gewillig hart te ontvangen. Noch oordelen noch weldaden konden hun genegenheid aan hun God binden. Ze waren wispelturig als de wind en wisselvallig als de golven. “En welks geest niet getrouw was met God.” De stammen in de woestijn waren alleen standvastig in hun onstandvastigheid. Je kon niet op hen rekenen. Het was echt nodig om hun nakomelingen te waarschuwen, zodat ze hen niet blind zouden navolgen.
Wat zou het mooi zijn als elke generatie beter was dan de vorige! Maar helaas, we moeten vrezen dat het vaker bergafwaarts gaat dan bergopwaarts. Te vaak zijn de erfgenamen van echte heiligen veel opstandiger dan hun vaders, zelfs toen die nog niet wedergeboren waren. Moge het lezen van dit vaderlandslievende, goddelijke lied velen bewegen om zich in te zetten voor hun eigen groei, en voor die van hun nageslacht.
Vers 9
“(De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.).” Ze waren goed uitgerust en hadden de beste wapens van die tijd. Toch schoot de leidende stam tekort in geloof en moed, en week terug voor de vijand. Er zijn meerdere voorbeelden van, maar de dichter bedoelt waarschijnlijk dat Efraïm in het algemeen faalde om de stammen aan te voeren bij de verovering van Kanaän.
Hoe vaak zijn ook wij, hoewel we elk genadewapen hadden, tekortgeschoten in de strijd tegen onze zonden! We trokken dapper op, tot het uur van de beproeving kwam. En dan bleken we “ten dage des strijds” ontrouw aan onze goede voornemens en heilige verplichtingen. Wat is de onwedergeboren mens toch ijdel! Geef hem het beste wat natuur en genade te bieden hebben: hij blijft een hulpeloze lafaard in de heilige oorlog, zolang hij geen trouw geloof in zijn God heeft.
Vers 10
“Zij hielden Gods verbond niet.” Beloften en geloften werden gebroken, afgoden werden opgericht en de levende God werd verlaten. Ze waren uit Egypte geleid om een volk te zijn dat voor de Heere was afgezonderd. Maar ze vervielen in de zonden van de andere volken en hielden het getuigenis over de enige ware God niet zuiver. “En weigerden te wandelen in Zijn wet.” Ze gaven zich over aan hoererij, afgoderij en andere overtredingen van de tien geboden. Vaak waren ze in opstand tegen de milde theocratie waaronder ze leefden. Aan de Sinaï hadden ze beloofd de wet te houden. Daarna overtraden ze die opzettelijk, en zo werden ze verbondsbrekers.
Vers 11
“En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.” Als ze eraan hadden gedacht, hadden ze vol dankbaarheid en heilig ontzag gestaan. Maar de herinnering aan Gods goedheid voor hen was net zo snel gewist als iets wat op water is geschreven. Een enkele generatie kon het besef van Gods aanwezigheid in wonderlijke kracht al nauwelijks vasthouden. De volgende generatie had weer nieuwe buitengewone wonderen nodig. En zelfs dan was ze pas tevreden als ze er heel veel te zien kreeg.
Laten we hen niet te snel veroordelen. Laten we eerst berouw hebben over onze eigen kwalijke vergeetachtigheid. Laten we belijden hoe vaak ook wij vroegere weldaden zijn vergeten.
Vers 12
“Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.” Egypte, hier het veld van Zoan genoemd, was het toneel van wonderlijke dingen die overdag, voor de ogen van Israël, gebeurden. Het waren buitengewone wonderen op reusachtige schaal. Ze waren verbijsterend en niet te ontkennen. Ze hadden het voor een Israëliet onmogelijk moeten maken om Jehova, de God van Israël, ontrouw te zijn.
Vers 13
“Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan.” Dit was een dubbel wonder. Toen het water was gescheiden, lag de zeebodem er natuurlijk zeer ongeschikt bij voor zo’n enorm leger als dat van Israël. Hij zou in feite onbegaanbaar zijn geweest, als de Heere niet Zelf de weg voor Zijn volk had gebaand. Wie anders heeft ooit een volk door een zee geleid? Toch heeft de Heere dit voor Zijn heiligen heel vaak gedaan, in verlossingen die Hij door Zijn voorzienigheid bracht. Hij maakte een gebaande weg voor hen waar alleen een almachtige arm dat kon.
“En de wateren deed Hij staan als een hoop.” Hij verbood dat ook maar één druppel op Zijn uitverkorenen viel. Ze voelden geen enkele spat van de kristallen muren aan weerszijden. Vuur zal neerdalen en water zal rechtop staan als de Heere van alles het beveelt. De aard van Zijn schepselen is niet iets wat ze uit zichzelf bezitten. Ze blijft bestaan of verandert naar de wil van Hem Die ze eerst schiep. De Heere kan de kwalen die ons dreigen te overspoelen, laten ophouden met hun gewone werking. Dan worden ze voor ons ongevaarlijk.
Vers 14
“En Hij leidde hen des daags met een wolk.” Hij deed het allemaal. Hij alleen. Hij bracht hen de woestijn in, en Hij leidde hen erdoorheen. Het is de manier van de Heere niet om een werk te beginnen en het dan halverwege te laten liggen. De wolk leidde de stammen én gaf schaduw. Overdag was ze een enorm zonnescherm, dat de felle hitte van de zon en de weerkaatsing van het woestijnzand draaglijk maakte.
“En den gansen nacht met een licht des vuurs.” De Grote Herder zorgde zo onophoudelijk voor hen dat het teken van Zijn aanwezigheid de hele nacht, elke nacht, bij Zijn volk was. De wolk die overdag schaduw gaf, was ’s nachts als een zon. Zo werkt ook de genade. Ze verkoelt en kalmeert onze vreugde, en ze troost en verzacht ons verdriet. Wat een barmhartigheid dat we een vuurlicht bij ons hebben, midden in de eenzame verschrikkingen van de woestijn van het lijden! Onze God is dit alles voor ons geweest. Zullen wij Hem dan ontrouw zijn? We hebben Hem ervaren als schaduw én als licht, al naar gelang onze wisselende omstandigheden dat nodig maakten.
“Hij was onze vreugde in het leed,
Hij beurde ons op wanneer ons hart bezweek,
En met Zijn waarschuwing, zacht en ernstig,
Hield Hij ons hart in toom wanneer het juichte.”
Laat deze telkens opnieuw beleefde ervaring ons hart met de sterkste banden aan Hem vastbinden.
Vers 15
“Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn.” Mozes was het werktuig, maar de Heere deed het allemaal. Tweemaal maakte Hij van de harde keisteen een springende beek. Wat kan Hij niet?
“En drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.” Het was alsof het water opwelde uit de diepste voorraadkamers van de aarde. De stromen waren zo fris, zo rijk en zo gestaag dat ze wel uit de oerbronnen van de aarde leken te komen. Ze leken in één keer omhoog te springen uit “de diepte, die beneden is liggende.”
Hier zorgde God voor Israëls nijpende nood, en op zo’n manier dat het volk Hem, hun wonderdoende God, voor altijd onwankelbaar trouw had moeten blijven.
Vers 16
“Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots.” Er was evenveel water als er wonder zat in de herkomst ervan. Er kwamen geen druppeltjes uit de rotsen, maar stortvloeden. De stromen trokken met het leger mee. Het was geen voorraad voor een uur of een dag. Zo’n goedheid is een wonder! Als we nadenken over de overvloed van Gods genade, staan we sprakeloos van bewondering. Machtige rivieren van liefde hebben voor ons door de woestijn gestroomd. Helaas, grote God, wat we daartegenover zetten, kwam er niet bij in de buurt. Het was juist het tegenovergestelde.
Vers 17
“Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen.” Ze deden er zelfs nog een schepje bovenop. Hun vroegere zonden werden overtroffen, want ze zakten steeds dieper weg in het kwaad. Hoe meer ze kregen, hoe harder ze om meer schreeuwden. Ze mopperden dat ze niet elke luxe hadden die een verwende smaak maar kon bedenken. Het was al erg genoeg dat ze hun God niet vertrouwden voor het hoognodige. Maar in een vlaag van hebzuchtige woede tegen Hem in opstand komen om overbodige dingen was nog veel erger.
Zo werkt de ziekte van de zonde altijd: van kwaad tot erger. Mensen worden het zondigen nooit moe. Ze gaan juist steeds sneller in de wedloop van het onrecht. Hier werd zelfs Gods goedheid misbruikt als reden voor nog meer zonde. Was de Heere minder goed geweest, dan waren zij minder slecht geweest. Had Hij eerder minder wonderen gedaan, dan waren ze met hun ongeloof en hun baldadige afgoderij niet zó onverontschuldigbaar geweest.
“Verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.” Ze waren voor alles van God afhankelijk, en dat was ook duidelijk. Ze zaten in een woestijn waar de grond hun geen eten kon geven. Toch waren ze meedogenloos genoeg om hun Weldoener te tergen. Eerst prikkelden ze Zijn naijver met hun hunkering naar valse goden. Daarna wekten ze Zijn toorn door Zijn macht uit te dagen, Zijn liefde te belasteren en tegen Zijn wil in opstand te komen. Hij was louter overvloedige liefde, en zij waren louter overvloedige snoodheid. Geen volk kreeg zoveel gunst als zij, en toch was er geen volk dat zo weinig waardering toonde. Voor hen droop de hemel van manna, en zij gaven mopperen terug. De rotsen gaven hun rivieren, en zij antwoordden met vloeden van goddeloosheid.
Hierin zien we onszelf als in een spiegel. Israël in de woestijn speelde als in een toneelstuk het hele verhaal na van hoe de mens zich tegenover zijn God gedraagt.
Vers 18
“En zij verzochten God in hun hart.” Hij werd niet echt verzocht, want niemand kan Hem verzoeken. Maar zij handelden zo dat het Hem wel móést uitlokken. En het is altijd terecht om mensen aan te rekenen waar hun gedrag duidelijk op neerkomt. Christus kan niet opnieuw sterven, en toch kruisigen velen Hem opnieuw. Dat is namelijk het gevolg waar hun gedrag naartoe zou leiden, als andere krachten die uitwerking niet tegenhielden. De zondaars in de woestijn wilden dat de Heere Zijn wijze handelwijze zou veranderen om aan hun grillen tegemoet te komen. Daarom heet het dat ze Hem verzochten.
“Begerende spijs naar hun lust.” Moest God soms de leverancier van hun gulzigheid worden? Was er niets anders op dan dat Hij hun gaf wat hun zieke eetlust ook maar verlangde? De zonde begon in hun hart, maar kwam al snel op hun tong. Wat ze eerst stilletjes wensten, eisten ze kort daarna luid en duidelijk, met dreigementen, sluwe toespelingen en verwijten.
Vers 19
Uit dit vers leren we dat ongeloof tegenover God een laster tegen Hem is. “En zij spraken tegen God.” Maar hoe dan? Dit is het antwoord: ze zeiden: “Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?” Wie twijfelt aan het vermogen van Iemand Die ontegenzeglijk almachtig is, spreekt tegen Hem.
Deze mensen waren laag genoeg om te zeggen dat God hun wel brood en water had gegeven, maar toch geen tafel goed kon dekken. Grof voedsel kon Hij leveren, maar een feestmaal netjes klaarmaken kon Hij niet. Zo ondankbaar waren ze! Voor hen was het manna een noodoplossing en de stromende rotsbeek een tijdelijk hulpmiddel. Ze eisten een tafel die altijd keurig gedekt stond, zoals ze in Egypte gewend waren geweest.
Helaas, hoe vaak hebben ook wij overhoop gelegen met onze zegeningen! Hoe vaak hebben we klagend gesmacht naar een ingebeeld geluk. Wat we werkelijk hadden, telde voor niets, alleen omdat het toevallig niet precies paste bij onze dwaze fantasieën. Wie niet tevreden wil zijn, gaat tegen Gods voorzienigheid in, ook als die hem elke dag met weldaden overlaadt.
Vers 20
“Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken.” Ze geven toe wat Hij gedaan had. En toch eisen ze, met een overdaad aan dwaasheid en brutaliteit, nieuwe bewijzen van Zijn almacht. “Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?” Alsof het manna niets was! Alsof alleen dierlijk voedsel echte voeding is voor mensen. Hadden ze gevraagd: “Kan Hij ons geen vlees geven?”, dan was dat een redelijk argument geweest. Maar ze werden krankzinnig. Ze hadden al zoveel wonderen van Zijn almacht gezien, en toch durfden ze te insinueren dat andere dingen buiten Gods macht lagen.
Toch hebben ook wij hun zinloze gedrag nagedaan. Elke nieuwe moeilijkheid wekte nieuw ongeloof in ons. We zijn nog steeds dwaas en traag van hart om onze God te geloven. Daar moeten we met het diepste berouw om rouwen. Daarom is de Heere vaak toornig op ons en tuchtigt Hij ons zwaar. Ongeloof is immers een vorm van tergen van de ergste soort.
Vers 21
“Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen.” Hij was niet onverschillig voor wat ze zeiden. Hij woonde midden onder hen in het heiligdom, en dus beledigden ze Hem recht in Zijn gezicht. Hij hoorde er niet slechts geruchten over. De woorden zelf kwamen in Zijn oren. “En een vuur werd ontstoken tegen Jakob.” Dat was het vuur van Zijn toorn, dat ook echte branden met zich meebracht. “En toorn ging ook op tegen Israel.” Of Hij hen nu bekeek in het lagere of in het hogere licht, als Jakob of als Israël, Hij was toornig op hen.
Al als gewone mensen hadden ze Hem moeten geloven. En als uitverkoren stammen hadden ze voor hun goddeloze ongeloof geen enkel excuus. De Heere doet er goed aan toornig te zijn over zo’n ondankbare, ongegronde en laffe belediging als het in twijfel trekken van Zijn macht.
Vers 22
“Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.” Dit is de hoofdzonde, de zonde die om straf schreeuwt. Net als Jerobeam, de zoon van Nebat, zondigt ze zelf en brengt ze Israël aan het zondigen. Ze is op zichzelf kwaad en de moeder van alle kwaad. Deze zonde sloot Israël buiten Kanaän, en ze sluit ontelbaren buiten de hemel. God wil redden, want bij Hem gaan macht en bereidwilligheid samen. Maar de weerspannige mens wil zijn Zaligmaker niet vertrouwen, en daarom is hij al veroordeeld.
In de tekst lijkt het alsof alle andere zonden van Israël niets waren vergeleken bij deze. Hier legt de Heere Zijn vinger op de zere plek: dít was de daad die Hem in het bijzonder tergde en vertoornde. Laat elke ongelovige hieruit leren méér te sidderen voor zijn ongeloof dan voor wat dan ook. Is hij geen overspeler, dief of leugenaar? Laat hij dan bedenken dat dit alleen al ruim genoeg is om hem te veroordelen: hij vertrouwt niet op Gods heil.
Vers 23
“Daar Hij den wolken van boven gebood.” Zo’n wonder had ongeloof onmogelijk moeten maken. Als wolken graanschuren worden, moet zien wel geloven zijn en moeten alle twijfels smelten. “En de deuren des hemels opende.” De grote deuren van Gods voorraadschuur gingen wijd open, en het koren van de hemel stortte in hopen naar beneden. Wie in zo’n geval nog niet wilde geloven, was echt verhard.
Toch lijkt onze eigen situatie er sterk op. De Heere heeft ook voor ons grote verlossingen gewerkt, even gedenkwaardig en onloochenbaar. En toch spoken verdenkingen en sombere voorgevoelens in ons rond. Hij had de poorten van de hel over ons kunnen sluiten. In plaats daarvan opende Hij de deuren van de hemel. Zullen we Hem daarvoor niet geloven en groot maken?
Vers 24
“En regende op hen het Man om te eten.” Er was zoveel van! De hemelen stroomden over van eten, de wolken barstten van het voedsel. Het was passend voedsel: niet om naar te kijken, maar om te eten. Ze konden het opeten zodra ze het hadden verzameld. Hoe geheimzinnig het ook was – daarom noemden ze het manna, oftewel “wat is dat?” – het was bij uitstek geschikt om een mens te voeden. Het was overvloedig, het was geschikt, en het was ook nog binnen handbereik! Ze hoefden het niet van ver te halen. Het lag vlak bij hen, ze hoefden het alleen maar op te rapen.
O Heere Jezus, U gezegend manna des hemels, wat past dit alles bij U! Nu al willen we ons met U voeden als onze geestelijke spijs. En we bidden U: jaag alle goddeloos ongeloof bij ons weg. Onze vaders aten manna en twijfelden. Wij voeden ons met U en worden vervuld met zekerheid.
“En gaf hun hemels koren.” Alles was een geschenk, zonder geld en zonder prijs. Voedsel dat van boven viel en van de beste kwaliteit was, zodat het “hemels koren” heette, kregen ze zomaar. Het manna was rond als korianderzaad en heette daarom terecht koren. Het kwam niet uit de aarde omhoog, maar daalde neer uit de wolken. Daarom kloppen de woorden van het vers letterlijk. Waar het om gaat, is dit: dit wonder der wonderen liet de toeschouwers en de eters even geneigd als altijd om hun Heere te wantrouwen.
Vers 25
“Een iegelijk at het brood der Machtigen.” De lekkernijen van koningen werden overtroffen, want ze kregen de lekkernijen van engelen. Brood van de sterken viel op zwakke mensen. Wie lager staat dan de engelen, kreeg net zo goed te eten. Het manna viel niet alleen voor de priesters of de vorsten, maar voor het hele volk. Voor elke man, vrouw en elk kind in het leger. En er was genoeg voor allemaal, want “Hij zond hun teerkost tot verzadiging.” Gods maaltijden zijn nooit karig. Hij geeft het beste eten, en er is volop van.
Wat het evangelie ons voorzet, verdient alle lof die we maar kunnen bedenken. Het is gratis, rijk en uitnemend. God heeft het bereid, gezonden en geschonken. Goed gevoed is wie God voedt. Hemels voedsel is voedzaam en overvloedig. Hebben we ooit van Jezus gegeten? Dan hebben we iets beters geproefd dan engelenspijs. Want
“Nooit proefden engelen daarboven
Verlossende genade en stervende liefde.”
Het is verstandig om er volop van te eten. God heeft het zo gezonden dat wij niet bij Hem tekortkomen, maar alleen in onze eigen ingewanden. Gelukkige pelgrims, die in de woestijn hun voedsel krijgen uit het eigen paleis van de Heere boven! Laat hen overvloedig eten van het hemelse gastmaal. Laat hen de alles-genoegzame genade groot maken, die in al hun behoeften voorziet, “naar Zijn rijkdom … in heerlijkheid, door Christus Jezus.”
Vers 26
“Hij dreef den oostenwind voort in den hemel.” Hij is de oppermachtige Heere, hoger dan de vorst van de macht der lucht. Stormen steken op en onweren razen op Zijn bevel. Winden slapen tot God ze wekt. Dan antwoordt elke wind, zoals Samuël: “Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen.”
“En voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte.” Misschien volgden de winden elkaar op en dreven ze zo de vogels in de gewenste richting. Of ze vormden samen een zuidoostenwind. In elk geval voerden ze het plan van de Heere uit en lieten ze Zijn allerhoogste en alomvattende macht zien. Doet de ene wind het niet, dan doet een andere het. En als het nodig is, waaien ze allebei tegelijk. We spreken van wispelturige winden, maar ze gehoorzamen hun Heere zo goed dat ze een beter woord verdienen. Waren wijzelf maar half zo gehoorzaam als de winden, dan waren we veel beter dan we nu zijn.
Vers 27
“En regende op hen vlees als stof.” Eerst regende Hij brood en daarna vlees, terwijl Hij ook vuur en zwavel had kunnen laten regenen. De woorden wijzen op de snelheid en de overvloed van de neerdalende kwartels. “En gevleugeld gevogelte als zand der zeeen.” Er was geen tellen aan! Door een bijzondere voorzienigheid, zo niet door een wonder, streken enorme zwermen trekvogels neer rond de tenten van de stammen. Toch was het een twijfelachtige zegen, zoals snel verworven en overvloedige rijkdom dat meestal is. De Heere behoede ons voor vlees dat gekruid is met Gods toorn.
Vers 28
“En deed het vallen in het midden zijns legers.” Ze hoefden er geen reis voor te maken. Ze hadden om vlees geschreeuwd, en het vloog hun bijna in de mond, rondom hun woningen. Dat maakte hen even blij. Maar ze wisten niet dat een barmhartigheid ook in toorn gestuurd kan worden. Anders hadden ze gebeefd bij het zien van die goede dingen waar ze zo naar gesmacht hadden.
Vers 29
“Toen aten zij, en werden zeer zat.” Gulzig verslonden ze de vogels, tot ze overvol zaten. De Heere liet hun zien dat Hij “Zijn volke vlees toebereiden” kon, zelfs meer dan genoeg. Hij liet hun ook zien dat de begeerte teleurgesteld wordt als ze haar zin krijgt, en via verzadiging uitkomt bij afkeer. Eerst verzadigt het eten, dan doet het walgen. “Zodat Hij hun hun lust toebracht.” Ze werden vol van hun eigen wegen. Het vlees was ongezond voor hen. Maar omdat ze erom riepen, kregen ze het, en een vloek erbij. O mijn God, weiger mij liever mijn dringendste gebeden dan dat U ze verhoort in ongenoegen. Beter honger en dorst naar de gerechtigheid dan verzadigd worden met de lekkernijen van de zonde.
Vers 30-31
“Zij waren nog niet vervreemd van hun lust.” Begeerte groeit van wat haar voedt. Mensen kunnen ziek zijn van te veel vlees en toch worden ze hun begeerte niet beu. Ze veranderen alleen het voorwerp en blijven begeren. Als een zonde bitter is gebleken, houden mensen er niet mee op. Ze jagen een andere ongerechtigheid na. Keren ze zich, zoals Jehu, af van Baäl, dan vervallen ze tot het dienen van de kalveren van Bethel.
Maar terwijl hun eten nog in hun mond zat, nog voordat ze hun begeerde voedsel hadden kunnen verteren, werd het hun ondergang. Gods toorn kwam over hen voordat ze hun eerste maaltijd vlees hadden doorgeslikt. Kort was het genot, plotseling het oordeel. Het feest eindigde in een begrafenis.
“Dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.” Misschien waren dit de aanvoerders in het begeren. Dan zijn ze ook de eersten in de straf. Gods gerechtigheid kent geen aanzien des persoons: de sterken en dapperen vallen net zo goed als de zwakken en gewone mensen. Wat ze op aarde aten, verteerden ze in de hel, zoals velen sindsdien hebben gedaan. Hoe snel stierven ze, al voelden ze de scherpte van het zwaard niet! Hoe vreselijk was de verwoesting, al was het niet te midden van het lawaai van de strijd!
Mijn ziel, zie hier het gevaar van bevredigde driften: ze zijn de portiers van de hel. Als het volk van de Heere honger lijdt, houdt God van hen. Lazarus is Zijn geliefde, ook al kwijnt hij weg van kruimels. Maar als Hij de goddelozen vetmest, verafschuwt Hij hen. Dives wordt door de hemel gehaat, terwijl hij elke dag schitterend en overvloedig leeft. We mogen nooit wagen het geluk van mensen te beoordelen naar hun tafels. Het hart is de plaats om naar te kijken. De armste, uitgehongerde gelovige is meer te benijden dan de best gevoede lieveling van de wereld. Beter Gods hond dan des duivels lieveling.
Vers 32
“Boven dit alles zondigden zij nog.” Oordelen raakten hen niet meer dan zegeningen. Ze tartten de toorn van God. De dood zat in de beker van hun ongerechtigheid, maar ze wilden hem niet weggooien. Ze bleven eruit drinken alsof het een gezonde drank was. Hoe waar zijn deze woorden voor goddeloze mensen die vaak zijn getroffen. Ze lagen op een ziekbed, waren gebroken van geest, raakten hun bezit kwijt, en toch hielden ze vol in hun boze wegen. Schrik maakte geen indruk op hen, bedreigingen veranderden niets.
“En geloofden niet, door Zijn wonderen.” Hun ongeloof was chronisch en ongeneeslijk. Wonderen van barmhartigheid én van oordeel hielpen niet. Ze konden tot verwondering gebracht worden, maar je kon hun niet leren te geloven. Blijven zondigen en ongeloof gaan samen. Hadden ze geloofd, dan hadden ze niet gezondigd. Waren ze niet verblind door de zonde, dan hadden ze geloofd. Geloof en karakter werken op elkaar in. Hoe kan wie de zonde liefheeft geloven? En hoe kan de ongelovige aan de andere kant van de zonde afblijven? Gods wegen met ons in Zijn voorzienigheid overtuigen en bekeren op zichzelf al. Maar de niet-vernieuwde natuur weigert zich daardoor te laten overtuigen of bekeren.
Vers 33
“Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid.” Zonder geloof is het leven leeg. Eindeloos heen en weer zwerven door de woestijn was echt een zinloos bestaan, nu hun ongeloof het beloofde land voor hen had afgesloten. Het was rechtvaardig, en het was ook een bittere les. Omdat ze niet wilden leven om in geloof en gehoorzaamheid Gods plan met hen te dienen, mochten ze ook leven zonder doel. Ze stierven vóór hun tijd, onbevredigd en ongezegend. Wie zijn dagen in zonde verspilt, hoeft zich niet te verwonderen dat de Heere zijn leven verkort. Hij zwoer immers dat ze nooit zouden ingaan in de rust die ze hadden veracht.
“En hun jaren in verschrikking.” Uitputtende tochten waren hun verdriet, en nooit ergens tot rust komen was hun ijdelheid. Langs het hele spoor van Israël bleven ontelbare graven achter. Vraagt iemand: “Wie heeft al die mensen gedood?”, dan is het antwoord: “Wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.”
Veel kwelling en mislukking in zoveel levens komt ongetwijfeld doordat ongeloof ze ondermijnt en slechte driften ze uithollen. Niemand leeft zo vruchteloos en zo ellendig als wie zijn zintuigen zwaarder laat wegen dan zijn geloof, en zijn verstand en eetlust laat regeren over zijn ontzag voor God. Onze dagen gaan al snel genoeg voorbij, in de gewone loop van de tijd. Maar de Heere kan ze veel bitterder laten wegroesten, tot we het gevoel krijgen dat het verdriet het hart van ons leven wegvreet en ons bestaan opslokt als een kanker. Dat was de straf van het weerspannige Israël, het volk dat zo vaak was gewaarschuwd. De Heere geve dat het nooit de onze wordt.
Vers 34
“Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem.” Als geslagen honden likten ze de voeten van hun Meester. Ze gehoorzaamden alleen zolang ze de zweep op hun rug voelden. Wat zijn dat voor harde harten, die alleen de dood kan bewegen! Terwijl overal om hen heen duizenden stierven, werd het volk van Israël ineens godsdienstig en haastte het zich naar de deur van de tabernakel. Zo rent een kudde schapen in een dichte drom zolang de zwarte hond hen opjaagt, om uiteen te stuiven en rond te dwalen zodra de herder de hond terugfluit.
“En keerden weder, en zochten God vroeg.” Ze konden niet ijverig genoeg zijn. Ze haastten zich om hun trouw aan hun goddelijke Koning te bewijzen. Het oude gezegde luidt: “Toen de duivel ziek was, wilde de duivel wel monnik zijn.” Wie wordt er ook niet vroom als de pest heerst? Deuren die nooit eerder zo heilig waren, krijgen dan het witte kruis. Zelfs mensen die God hun hele leven hebben afgewezen, laten de dominee halen als ze op sterven liggen. Zo brengen zondaars schoorvoetend hulde aan de macht van het recht en aan Gods oppermacht. Maar hun huichelachtige hulde is in de ogen van de grote Rechter weinig waard.
Vers 35
“En gedachten, dat God hun Rotssteen was.” Scherpe slagen maakten hun slaperige herinnering wakker. Op de tuchtiging volgde nadenken. Ze kwamen tot het inzicht dat ze al hun vertrouwen op hun God moesten stellen. Want Hij alleen was hun schuilplaats, hun fundament, hun bron van voorziening en hun onveranderlijke vriend geweest. Hoe was het mogelijk dat ze dit vergaten? Kwam het doordat hun magen zo vol vlees zaten dat er geen ruimte meer was om over geestelijke dingen na te kauwen?
“En God, de Allerhoogste, hun Verlosser.” Ook dát hadden ze vergeten. De hoge hand en de uitgestrekte arm die hen uit de slavernij hadden bevrijd, waren allebei uit hun geestesoog verdwenen.
Helaas, arme mens, hoe snel vergeet je je God! Schaam je, ondankbare worm: een paar dagen nadat je weldaden hebt ontvangen, besef je er al niets meer van. Moet je de barmhartigheid van je God pas weer onthouden als Hij die helemaal heeft ingetrokken?
Vers 36
“En zij vleiden Hem met hun mond.” Op hun best waren ze nog slecht. Vals op hun knieën, leugenaars in hun gebeden. Een mond die aanbidt terwijl het hart ver weg is, moet God diep tegen de borst stuiten. Andere koningen houden van vleierij, maar de Koning der koningen verfoeit haar. De scherpste ellende perst vleselijke mensen niet meer dan een gespeelde onderwerping aan God af. Dat bewijst onmiskenbaar dat het hart hopeloos op kwaad uit is en dat de zonde in onze natuur zelf is ingeworteld. Sla een tijger met talloze striemen, en je maakt er nog geen schaap van. De duivel laat zich niet uit de menselijke natuur slaan, al kan er wel een andere duivel in worden geslagen: de huichelarij.
Godsvrucht die voortkomt uit de vochten van verdriet en de hitte van schrik, groeit als een paddenstoel. Ze schiet snel omhoog (“en zochten God vroeg”), maar het is niet meer dan een schimmel van voorbijgaande opwinding.
“En logen Hem met hun tong.” Hun vrome praat was schijnheilig gepraat, hun lofprijzing louter wind, hun gebed bedrog. Hun oppervlakkige berouw was een vliesje, veel te dun om de dodelijke wond van de zonde te bedekken. Dat leert ons weinig vertrouwen te hebben in berouwbetuigingen van mensen die op sterven liggen, ook als de grond ervan duidelijk slaafse angst is en niets meer. Elke dief zal berouw tonen als hij denkt dat de rechter daardoor bewogen wordt hem vrij te laten.
Vers 37
“Want hun hart was niet recht met Hem.” Hun berouw had geen diepte. Het kwam niet uit het hart. Ze waren wispelturig als een weerhaan: elke wind draaide hen om, en hun gemoed was niet op God gevestigd. “En zij waren niet getrouw in Zijn verbond.” Hun beloften waren nauwelijks gedaan of ze werden alweer gebroken, alsof ze maar voor de spot waren uitgesproken. Goede voornemens klopten bij hen aan zoals reizigers bij een herberg: ze bleven een tijdje en namen dan weer afscheid.
Vandaag waren ze heet voor heiligheid, morgen koud. Ze wisselden van kleur als een dolfijn, van eerbied naar opstand, van dankbaarheid naar mopperen. Op één dag gaven ze hun goud om een tabernakel voor Jehova te bouwen. De volgende dag rukten ze hun oorringen af om er een gouden kalf van te maken. Het hart is werkelijk een kameleon! Zelfs Proteus had niet zoveel gedaanten. Zoals we bij koorts tegelijk branden en rillen, zo gedragen onbestendige mensen zich in hun geloof.
Vers 38
“Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet.” Zij zaten vol vleierij, maar Hij zat vol barmhartigheid, en daarom had Hij medelijden met hen. Hij zag hun tergingen door de vingers, niet vanwege hun jammerlijke, huichelachtige schijn van boetvaardigheid, maar vanwege Zijn eigen, echte ontferming. “Maar wendde dikwijls Zijn toorn af.” Telkens als Hij boos op hen was geworden, trok Hij Zijn misnoegen weer in. Zelfs tot zeventigmaal zevenmaal vergaf Hij hun overtredingen. Hij was langzaam, zeer langzaam tot toorn. Het zwaard was geheven en flitste door de lucht, maar het werd weer in de schede gestoken, en het volk leefde nog.
De tekst zegt het niet, maar we weten uit de geschiedenis dat er een middelaar tussenbeide kwam: Mozes stond in de bres. Zo pleit ook nu de Heere Jezus voor zondaars, en wendt Hij Gods toorn af. Menige onvruchtbare boom blijft staan omdat de wijngaardenier roept: “Laat hem ook nog dit jaar.”
“En wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.” Had Hij dat wel gedaan, dan waren ze in een oogwenk vergaan. Als Zijn toorn maar een klein beetje ontbrandt, verbranden mensen al als kaf. Maar liet Hij Zijn verbolgenheid los, dan zou de vaste aarde zelf smelten en zou de hel elke rebel verzwelgen. “Wie kent de sterkte Uws toorns?” We zien de volheid van Gods ontferming, maar Zijn volle toorn zien we nooit.
Vers 39
“En Hij dacht, dat zij vlees waren.” Zij waren God vergeten, maar Hij dacht aan hen. Hij wist dat ze gemaakt waren van aardse, broze, vergankelijke stof, en daarom ging Hij zacht met hen om. Hierin zag Hij geen excuus voor hun zonde, want zonde blijft zonde. Toch maakte Hij er een reden voor barmhartigheid van. De Heere is altijd bereid een grond te vinden waarop Hij genadig kan zijn.
“Een wind, die henengaat en niet wederkeert.” De mens is niet meer dan een zucht, heengegaan om nooit terug te keren. Geest en wind lijken hierin op elkaar, wat onze menselijkheid betreft: ze gaan voorbij en laten zich niet terugroepen. Wat is ons leven een niets! En wat is het genadig van de Heere om juist de nietigheid van de mens als reden te nemen om Zijn toorn in te houden.
Vers 40
“Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn.” Tijden genoeg waren ze opstandig. Ze bleven even standvastig in tergen als Hij in Zijn lankmoedigheid. Wie kan bij ons zelf al onze dwalingen tellen? In welk boek zouden al onze verkeerde opstanden te boeken zijn? De woestijn was een plaats waar ze duidelijk afhankelijk waren, waar de stammen zonder Gods voorziening hulpeloos stonden. En toch verwondden ze de hand die hen voedde, terwijl ze nog aan het eten waren. Lijken wij niet op hen? Komen er geen tranen in onze ogen als we onszelf zien in die spiegel?
“Deden Hem smart aan in de wildernis!” Hun tergingen hadden effect. God liet ze niet koud: er staat dat Hij bedroefd was. Zijn heiligheid kon geen behagen scheppen in hun zonde, Zijn gerechtigheid niet in hun onrechtvaardige behandeling en Zijn waarheid niet in hun valsheid. Wat moet het erg zijn om de Heere van liefde te bedroeven! Toch hebben ook wij de Heilige Geest bedroefd. Hij zou Zich allang van ons hebben teruggetrokken, als Hij niet God was en geen mens. We bevinden ons in de woestijn, waar we onze God hard nodig hebben. Laten we er geen wildernis van zonde van maken door Hem te bedroeven.
Vers 41
“Want zij kwamen alweder.” Hun hart verlangde naar Egypte en zijn vleespotten. Telkens weer keerden ze terug naar hun oude wegen, hoe vaak ze er ook vandaan waren gegeseld. Vol kronkels en bochten bleven ze nooit op het rechte pad, zoals een kromme weg zelden recht wordt. “En verzochten God.” Voor zover het aan hen lag, stelden ze Hem op de proef. Zijn wegen waren goed, en door te eisen dat die veranderd werden, daagden ze God uit. Voordat ze Hem wilden geloven, eisten ze tekenen. Ze daagden de Heere uit om dit of dat te doen, en deden alsof Hij overgehaald kon worden de gunsteling van hun begeerten te zijn. Wat een godslastering was dat! Laten we Christus toch niet op de proef stellen, anders worden ook wij door de verderver verdorven.
“En stelden den Heilige Israels een perk.” Ze twijfelden aan Zijn macht en beperkten Hem zo. Ze schreven Zijn wijsheid voor wat die moest doen, en deden daarmee hetzelfde. Een weg voor God afbakenen is aanmatigende goddeloosheid. De Heilige moet rechtvaardig handelen, de God van Zijn verbond met Israël moet waarachtig zijn. Het is zelfs heiligschennis om tegen Hem te zeggen: “U moet dit of dat doen, anders aanbid ik U niet.” Zo laat de eeuwige God Zich niet aan een touwtje leiden door Zijn machteloze schepsel. Hij is de Heere, en Hij zal doen wat Hem goeddunkt.
Vers 42
“Zij dachten niet aan Zijn hand.” En toch moet het moeilijk zijn geweest om die te vergeten. Zulke machtsvertoningen van God, waarmee Egypte werd verbijsterd, uit de tafelen van het geheugen wissen kostte meer dan gewone inspanning. Waarschijnlijk bedoelt de psalmist dat ze Hem in de praktijk vergaten, meer dan in werkelijkheid. Wie de vanzelfsprekende wederdienst van dankbaarheid vergeet, kan er terecht van worden beschuldigd dat hij zijn plicht niet indachtig is.
“Aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste.” Die dag was uit hun kalender gewist, in elk geval wat betreft enig passend gevolg of enige tegenprestatie. Vreemd is het vermogen van het geheugen, in zijn vergeten evengoed als in zijn onthouden. De zonde verdraait de krachten van de mens. Ze maakt ze sterk in verkeerde richtingen en in de praktijk dood voor rechtvaardige doelen.
Vers 43
“Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte.” De plagen waren vaandels van Jehova’s aanwezigheid en bewijzen van Zijn haat tegen afgoden. Deze lessen in kracht werden voor ieders ogen uitgevoerd, zoals signalen worden opgericht om van heel ver en van dichtbij gezien te worden. “En Zijn wonderheden in het veld van Zoan.” Overal in het land werden wonderen gedaan, niet alleen in de steden maar in het hele wijde gebied, in de uitgelezen en oudste streken van het trotse volk. Dit hadden de Israëlieten nooit mogen vergeten, want zij waren het bevoorrechte volk voor wie deze gedenkwaardige daden werden verricht.
Vers 44
“En hun vloeden in bloed veranderde.” Het water was het middel geweest om de pasgeboren kinderen van Israël te laten omkomen. Nu verraadt het als het ware de misdaad: het bloost ervoor en wreekt haar op de moordenaars. De Nijl was het leven van Egypte, zijn ware levensbloed. Op Gods bevel werd hij een vloeiende vloek. Elke druppel was een gruwel, vergif om te drinken en een afschuw om te zien. Hoe snel kan de Almachtige dit ook met de Theems of de Seine doen! Soms heeft Hij toegelaten dat mensen, die Zijn roede waren, rivieren rood kleurden met bloed, en dat is een zwaar oordeel. Maar wat we hier voor ons hebben, was geheimzinniger, algemener en volledig. Het moet dus een plaag van de eerste orde zijn geweest.
“En hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.” De kleinere stromen deelden in de vloek, reservoirs en kanalen voelden het kwaad. God doet niets half. Heel Egypte roemde op het zoete water van zijn rivier, maar ze moesten er meer van walgen dan ze er ooit van gehouden hadden. Onze zegeningen kunnen zo snel onze ellende worden, als de Heere in toorn met ons handelt.
Vers 45
“Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde.” Kleine schepsels kunnen grote kwelgeesten worden. Als ze zwermen, steken ze een mens tot ze hem dreigen op te eten. Hier streden allerlei soorten insecten onder dezelfde vlag. Luizen en kevers, muggen en horzels, wespen en steekvliegen stormden vooruit in woeste bataljons en plaagden de zondaars van Egypte zonder genade. De kleinste plagen zijn de grootste. Welk zwaard of welke speer kon strijden tegen deze ontelbare benden? Het harnas en de staatsiekleding van de koning waren nutteloos. De kleine menseneters waren niet milder voor koninklijk vlees dan voor ander vlees. Het had hetzelfde bloed in zich, en dezelfde zonde erop. Wat is die God groot, Die zo met het kleine het prachtige kan verpletteren!
“En vorsen, die hen verdierven.” Deze beesten zwermden overal toen ze nog leefden, tot het volk bij het zien ervan liever wilde sterven. En toen de kruipers stierven, deden de hopen dode lijfjes het land zo stinken dat er een pestepidemie dreigde. Zo stuurden niet alleen aarde en lucht legers van afschuwelijk leven, maar voegde ook het water zijn legioenen van walging toe. Het leek wel alsof de Nijl eerst walgelijk werd gemaakt en toen gedwongen werd zijn bedding helemaal te verlaten, kruipend en springend in de gedaante van kikvorsen. Wie strijd voert tegen de Almachtige, weet weinig van de pijlen in Zijn koker. Verrassende zonde zal met een verrassende straf bezocht worden.
Vers 46
“En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.” Allerlei soorten vraatzuchtige beesten aten elk groen kruid en elke boom kaal. Wat de ene niet opat, deed de ander. Wat ze verwachtten van de natuurlijke vruchtbaarheid van de bodem, en wat ze hoopten van hun eigen werk, zagen ze voor hun ogen opgeslokt worden door een onverzadelijke menigte. Tegen die verwoesting was geen verdediging te vinden. Let in de tekst op dat de Heere het allemaal deed: “Hij zond”, “Hij gaf”, “Hij doodde”, “gaf Hij … over” enzovoort. Wie de tweede oorzaak ook is, in elke ramp over een volk is de rechtstreekse hand van de Heere aanwezig.
Vers 47
“Hij doodde hun wijnstok door den hagel.” Nooit meer zal jouw schenker de druiven in jouw beker uitpersen, Farao! De jonge, vruchtdragende ranken werden afgeslagen en de wijnoogst mislukte. “En hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.” Vorst kwam daar zelden voor. Maar Jehova trekt zich niets aan van de natuurwetten wanneer mensen zich niets aan Zijn zedelijke wetten gelegen laten liggen.
De wilde vijg was misschien voor meer mensen een bron van voedsel dan de wijnstok. Dit oordeel was dus bedoeld voor de armen, terwijl het eerste het zwaarst op de rijken viel. Zie hoe de hemelen hun Heere gehoorzamen en hun voorraad hagel uitdelen. En merk op dat zelfs het wispelturige weer net zo goed aan Gods wil onderworpen is.
Vers 48
“Ook gaf Hij hun vee den hagel over.” Wat voor hagel moet dat geweest zijn! Hij had kracht genoeg om ossen en ander groot vee neer te slaan. Normaal beschermt God de dieren tegen zulke rampen. Hier haalt Hij Zijn bescherming weg en geeft Hij hen prijs. Moge de Heere ons nooit prijsgeven, wat we ook verdienen! Sommigen vertalen: “sloot op”. Dan zien we hetzelfde beeld in een andere vorm: overgeleverd aan verwoestende krachten.
“En hun beesten aan de vurige kolen.” Met de hagel was vuur vermengd. Het vuur schoot over de grond en trof het kleinvee. Wat een storm moet dat geweest zijn! Wat hij met de planten deed, was al verschrikkelijk genoeg. Maar de arme, stomme dieren zien lijden moet hartverscheurend geweest zijn. Wie onder zulke plagen niet beefde, had een hart van diamant. En harder dan diamant waren de harten die later alles vergaten wat de Heere gedaan had en zich losscheurden van hun gehoorzaamheid aan Hem.
Vers 49
“Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid.” Zijn laatste pijl was de scherpste. De sterkste wijn van Zijn verbolgenheid had Hij tot het laatst bewaard. Zie hoe de psalmist de woorden opstapelt, en terecht! Slag volgde op slag, elke slag nog zwaarder dan de vorige. En de verpletterende klap bewaarde Hij voor het einde.
“Met uitzending der boden van veel kwaads.” Boodschappers van het kwaad kwamen midden in de nacht hun huizen binnen en troffen wat hun het dierbaarst was. De engelen waren kwaad voor hen, al zijn ze op zichzelf goed genoeg. Wie voor de erfgenamen van de zaligheid dienaren van genade zijn, zijn voor de erfgenamen van de toorn uitvoerders van het oordeel. Wanneer God engelen zendt, komen ze zeker, en als Hij hun beveelt te doden, sparen ze niet. Zie hoe de zonde alle machten van de hemel tegen de mens in slagorde zet! Dat zou ons aan het denken moeten zetten. Hij heeft geen vriend meer in het hele heelal als God zijn vijand is.
Vers 50
“Hij woog een pad voor Zijn toorn.” Stap voor stap kwam Hij dichter bij hen. Eerst viel Hij hun buitenste verdedigingswerken aan, door hun bezit te vernietigen. Daarna drong Hij door tot hun personen, als door een bres in de muur. Hij sloopte alle gemakken van hun leven en rukte toen op tegen hun leven zelf. Niets kon Hem tegenhouden. Hij maakte ruimte om het oordeel te voltrekken op Zijn tegenstanders.
“Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over” (Engels: maar Hij gaf hun leven over aan de pestilentie). De zonde had haar oorsprong in hun ziel. Daarom volgde Hij haar tot aan de bron en trof haar daar. Een felle ziekte vulde het land met talloze begrafenissen. Jehova deelde tienduizenden slagen uit en menigten geesten bezweken voor Hem.
Vers 51
“En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte.” Er werden geen uitzonderingen gemaakt. De koning rouwde om zijn erfgenaam, net als de knecht aan de molen. Zij sloegen de eerstgeborene van de Heere, Israël, en Hij sloeg die van hen.
“Het beginsel der krachten in de tenten van Cham.” De dood zwaaide zijn zeis over het veld en maaide de hoogste bloemen af. Elke tent van Cham kende een eigen, bijzonder verdriet. Zo moesten de Egyptenaren meevoelen met het leed dat zij de woningen van Israël zonder medelijden hadden aangedaan. Zo komen vloeken thuis om er te nestelen, als vogels die terugkeren naar hun nest. Onderdrukkers worden in hun eigen munt betaald, zonder één cent korting.
Vers 52
“En Hij voerde Zijn volk als schapen.” Wat een treffend contrast, dat het volk nooit had mogen vergeten! De wolven werden bij hopen gedood. De schapen werden zorgvuldig bijeengebracht en zegevierend naar buiten geleid. De rollen werden omgedraaid. De arme lijfeigenen werden het geëerde volk, en hun onderdrukkers moesten zich voor hen verootmoedigen. Israël trok uit als één kudde, in een gesloten groep. Op zichzelf waren ze weerloos als schapen, maar onder hun Grote Herder waren ze veilig. Ze verlieten Egypte net zo gemakkelijk als een kudde de ene weide voor de andere verlaat.
“En leidde hen, als een kudde, in de woestijn.” Zelf kenden ze de weg niet, door eigen inzicht of ervaring. Toch werden ze precies goed geleid, want de alwijze God kende elk plekje van de woestijn. Naar de zee, door de zee en van de zee af: zo leidde de Heere Zijn uitverkorenen. Hun vroegere drijvers waren intussen te moedeloos en te krachteloos om hen nog lastig te durven vallen.
Vers 53
“Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden.” Even waren ze geschrokken, en dat is begrijpelijk, want hun oude drijvers zaten hen op de hielen. Maar daarna vatten ze moed. Ze waagden zich dapper in de zee, en daarna in de woestijn waar niemand woonde. “Want de zee had hun vijanden overdekt.” Weg waren ze, voor altijd weg, en ze zouden de vluchtelingen nooit meer storen. Die geweldige slag beschermde de stammen veertig jaar lang doeltreffend tegen elke nieuwe poging om hen terug te drijven. Egypte vond de steen te zwaar en liet hem liever met rust. Geprezen zij de Heere, Die Zijn uitverkoren volk zo volkomen bevrijdde!
Wat een groots verhaal hebben we hier overdacht! Terecht koos de grootste meester van de gewijde zang “Israël in Egypte” als uitgelezen onderwerp voor zijn genie. En terecht mag elke gelovige bij elk onderdeel van deze verbazingwekkende gebeurtenis blijven stilstaan. Het wonder is dat het bevoorrechte volk kon leven alsof het alles vergeten was. Maar zo is de menselijke natuur. Helaas, arme mens! Of liever: helaas, verdorven hart!
Na een korte pauze nemen we de draad van de gebeurtenissen weer op. Het verhaal werd even onderbroken door een terugblik. Nu zien we Israël het beloofde land binnentrekken, om daar zijn dwaasheden te herhalen en zijn misdaden uit te breiden.
Vers 54
“En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid.” Hij bracht hen tot de grens van het Heilige Land. Daar wilde Hij de tabernakel neerzetten, als blijvend teken dat Hij onder Zijn volk woonde. Halverwege hun reis naar hun erfdeel liet Hij hen niet in de steek. Zijn macht en wijsheid bewaarden het volk tot de palmbomen van Jericho aan de overkant van de rivier in zicht kwamen.
“Tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.” Ook toen liet Hij hen niet los. Hij leidde hen verder, tot ze in de streek rond Sion waren, de plaats die het middelpunt van Zijn aanbidding zou worden. Die berg had de Heere al lang tevoren als voorbeeld verworven, door het offer van Izak. Dat was een passend beeld van het grotere offer dat daar op het juiste moment zou worden gebracht. Ook werd die berg met kracht bevrijd: de rechterhand van de Heere stelde Zijn dappere mannen in staat de Jebusieten te verslaan en de heilige heuvel te veroveren op de hoonlachende Kanaäniet.
Zo zullen de uitverkorenen van God de zekere bescherming van de Heere der heirscharen ervaren: tot aan het grensgebied van de dood, door de rivier heen, tot aan de heuvel van de Heere in heerlijkheid. Het gekochte volk bereikt veilig het gekochte erfdeel.
Vers 55
“En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen”, of: “Hij dreef de volken uit.” Het ging niet alleen om legers die op de vlucht werden gejaagd. Hele volken moesten verhuizen. De ongerechtigheid van de Kanaänieten was vol. Hun gebreken lieten hen boven de grond al wegrotten. Daarom verslond het land zijn inwoners, plaagden de horzels hen en richtte de pestilentie hen te gronde. Het zwaard van de stammen voltooide wat de gerechtigheid van de lang getergde hemel hun uiteindelijk had toegemeten.
De Heere was de ware veroveraar van Kanaän. Hij gooide die volken eruit, zoals mensen vuil uit hun huis gooien. Hij rukte hen uit, zoals een boer schadelijk onkruid uitroeit.
“En deed hen vallen in het snoer hunner erfenis.” Hij verdeelde het land van die volken onder de stammen, door loting en met de meetlijn. Hevitisch, Perizzitisch en Jebusitisch gebied wees Hij toe aan Simeon, Juda of Efraïm, zoals het uitkwam. Onder die veroordeelde volken waren niet alleen reuzen van gestalte, maar ook reuzen in misdaad. Die monsters van ongerechtigheid hadden de aarde al veel te lang bevlekt. Het werd tijd dat ze de onnatuurlijke misdaden waarvoor ze berucht waren, niet langer pleegden. Daarom moesten ze leven en land verliezen door de hand van de stammen van Israël. De verdeling van het afgenomen land gebeurde op Gods aanwijzing. Het was geen geduw en getrek, maar een rechtvaardige toewijzing van gebieden die door het verbeuren van de vroegere bezitters aan de kroon waren vervallen.
“En deed de stammen Israels in hun tenten wonen.” Het bevoorrechte volk trok in een gemeubileerd huis. De provisiekamer was gevuld, want ze aten van het oude koren van het land. De huizen waren al gebouwd, klaar om in te wonen. Zo treedt vaak een nieuw geslacht in het lot van een eerder volk. Het is echt triest wanneer de verandering die een oordeel brengt, niet veel verbetering blijkt te zijn, omdat de nieuwkomers de kwalen van de verdrevenen erven, net als hun bezittingen. Zo’n oordeel had de stammen goed moeten doen. Maar helaas, ze waren onverbeterlijk. Ze wilden zelfs niet leren van voorbeelden die zo dichtbij huis waren en zo vreselijk veelzeggend.
Vers 56
“Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste.” Een andere omgeving had hun gedrag niet veranderd. Hun zwervende levenswijze lieten ze achter zich, maar hun neiging om van hun God af te dwalen namen ze mee. Elke belofte van God was tot op de letter vervuld. Het land dat overvloeit van melk en honing was echt van hen geworden. Toch stelden ze de Heere opnieuw op de proef met hun ongeloof en tergden ze Hem met andere zonden.
Hij is niet alleen hoog en heerlijk, maar de Allerhoogste, ja de Allerhoogste: het enige Wezen dat zo hoog geëerd moet worden. En in plaats van Hem te eren, verdrietigde Israël Hem met opstand.
“En onderhielden Zijn getuigenissen niet.” Ze waren aan niets trouw behalve aan hun erfelijke ontrouw, en in niets standvastig behalve in leugen. Ze kenden Zijn waarheid en vergaten haar. Ze kenden Zijn wil en lieten die links liggen. Ze kenden Zijn genade en maakten er een aanleiding van voor nog grotere overtredingen. Lezer, heb je een spiegel nodig? Hier is er een die de schrijver van deze uitleg goed past. Geeft hij niet ook jouw beeld weer?
Vers 57
“En zij weken terug.” Ze sloegen het oude blad om en herhaalden dezelfde overtredingen. Als een slecht gemaakte boog sprongen ze opzij. Ze waren vals en ontrouw aan hun mooiste beloften.
“En handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders.” Zo bewezen ze echte kinderen te zijn: ze toonden dezelfde ontrouw als hun vaders. Het was een nieuw geslacht, maar geen nieuw volk. Het was een ander ras, maar toch niet anders. Slechte neigingen worden doorgegeven. De geboorte volgt de voortbrenger. De wilde ezel krijgt wilde ezels. De jongen van de raaf vliegen naar het aas. De menselijke natuur wordt niet beter. De nieuwe uitgaven bevatten alle drukfouten van de eerste, en soms komen er nieuwe fouten bij.
Ze zijn omgeslagen als een bedriegelijke boog. Zo’n boog stuurt de pijl niet alleen niet in een rechte lijn naar het doel, hij springt ook terug en verwondt de schutter. Misschien schiet hij de pijl zelfs tussen zijn vrienden, tot hun groot gevaar. Israël roemde op de boog als nationaal wapen. Ze zongen het lied van de boog. Daarom wordt juist een bedriegelijke boog het beeld en teken van hun eigen onbetrouwbaarheid. God kan de roem van mensen tot het teken van hun schande maken. Hij trekt een dwarsbalk over het wapenschild van verraders.
Vers 58
“En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten.” Dit was hun eerste dwaling: eigenwillige godsdienst, oftewel God dienen op een andere manier dan Hij heeft geboden. Velen nemen dat licht op, maar het was geen kleine zonde. En de neiging die ze meebrengt tot verdere overtredingen is zeer sterk. De Heere wilde dat Zijn heilige plaats de enige plek voor het offer bleef. Maar Israël kwam opzettelijk in opstand (ongetwijfeld verbloemd met het excuus van grote vroomheid) en besloot veel altaren op veel heuvels te hebben. Als ze dan maar één God hadden! Ze stonden erop niet tot één heilige offerplaats beperkt te worden.
Hoeveel van de eredienst van onze tijd is niets meer of minder dan pure eigenwillige godsdienst! Niemand durft voor een tiende van de ambten, feesten, plechtigheden en gebruiken van bepaalde kerken een goddelijke instelling aan te wijzen. God wordt zeker niet geëerd door een dienst die Hij niet heeft geboden. Integendeel: Hij is er zeer boos over, en dat met recht.
“En verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.” Dit was maar één stap verder. Ze maakten afbeeldingen van de onzichtbare God, want ze verlangden naar iets tastbaars en zichtbaars waar ze eerbied voor konden tonen. Ook dit is de schreeuwende zonde van onze tijd. Zien en horen we niet overal bijgeloof? Beelden, schilderijen, kruisbeelden en een menigte zichtbare dingen worden in religieuze eer gehouden. En het ergste van alles: mensen aanbidden tegenwoordig wat ze eten. Ze noemen een god wat in hun buik terechtkomt en vandaar op nog lagere plaatsen. De Heere is waarlijk zeer geduldig, anders zou Hij de aarde bezoeken vanwege deze slechtste en laagste afgoderij. Hij is een ijverig God. Het is Hem een gruwel dat Hij onteerd wordt door welke voorstelling dan ook die uit mensenhanden kan komen.
Vers 59
“God hoorde het en werd verbolgen.” Alleen al het gerucht erover vervulde Hem met verontwaardiging. Hij kon het niet verdragen. Hij was tot het uiterste vergramd, en dat met recht. “En versmaadde Israel zeer.” Hij stootte Zijn afgodische volk uit Zijn gunst en liet het aan zichzelf en zijn eigen bedenksels over. Hoe zou Hij gemeenschap kunnen hebben met afgoden? Wat heeft Christus met Belial te maken? De zonde is op zichzelf zo beledigend dat ze ook de zondaar beledigend maakt.
Afgoden van welke soort ook zijn God buitengewoon verfoeilijk. Door Gods genade moeten we ons ervan vrijhouden. Want wees er zeker van: afgoderij gaat niet samen met ware genade in het hart. Als Dagon bovenaan in een ziel zit, is de ark van God er niet. Waar de Heere woont, wordt geen beeld van jaloezie geduld. Een zichtbare kerk wordt snel een zichtbare vloek als er afgoden in worden opgericht. Dan neemt het snoeimes haar weg als een dorre tak van de wijnstok.
Let erop dat God Zijn volk Israël niet helemaal verwierp, zelfs niet toen Hij het zeer versmaadde. Hij keerde in barmhartigheid naar hen terug, zoals de volgende verzen ons vertellen. Zo zal ook het zaad van Abraham, hoewel een tijdlang onder een zware wolk, opnieuw verzameld worden, want het zoutverbond wordt niet verbroken. En het geestelijke zaad? Dat heeft de Heere niet veracht en niet versmaad. Zij zijn Zijn bijzondere schat en liggen voor eeuwig dicht bij Zijn hart.
Vers 60
“Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.” Zijn heerlijkheid zou zich daar niet meer tonen. Hij liet Silo een complete puinhoop worden. Bij de ingang van die tent was schaamteloos gezondigd, en rondom de tent waren afgoden aanbeden. Daarom week de heerlijkheid, en werd “Ikabod” uitgesproken, een woord van schrik over Silo en de stam Efraïm. Zo kan de kandelaar weggenomen worden, ook al is de kaars niet gedoofd. Dwalende gemeenten vallen af, maar een ware gemeente blijft bestaan. Is Silo ontheiligd, Sion is gewijd.
Toch blijft het altijd een ernstige waarschuwing voor elke vergadering van heiligen. Ze roept ons op om nederig met onze God te wandelen, wanneer we woorden lezen zoals die van de profeet Jeremia in zijn zevende hoofdstuk:
“Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze! … Want gaat nu henen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israel.”
Laten we dus goed oppassen. De ark keerde na haar gevangenneming door de Filistijnen nooit naar Silo terug. Zo kan ook het evangelie ons in een oordeel ontnomen worden, om nooit meer aan dezelfde gemeente teruggegeven te worden.
Vers 61
“En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis.” De Filistijnen konden de ark alleen in een gevecht veroveren omdat de Heere haar Zelf in hun handen gaf, als straf voor Israël. Anders hadden ze er geen been tegen kunnen stellen. Het teken van Gods aanwezigheid noemt de dichter hier “Zijn sterkte”. Dat klopt ook: onder Zijn volk is de aanwezigheid van de Heere Zijn kracht. Wat een zwarte dag was het toen het verzoendeksel werd weggehaald, de cherubs wegvlogen en wat Israël als zijn beschermer zag in vreemde handen viel!
“En Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.” In de ark woonde Gods geopenbaarde heerlijkheid. Toen Zijn vijanden haar naar hun eigen steden droegen, juichten ze luid. Duidelijker kon Gods ongenoegen niet worden. Het leek wel alsof Jehova liever tussen Zijn openlijke tegenstanders wilde wonen dan bij zo’n vals volk als Israël. Hij nam liever de beledigingen van Filistea op de koop toe dan de trouweloosheid van Efraïm. Het was alsof Hij zei: liever vijanden die het openlijk zijn dan vrienden die Mij verraden.
Voor het volk dat zoveel gunst had ontvangen was dit een vreselijke val. Zware oordelen volgden, de ergste die je je kunt voorstellen. Als God weg is, is alles weg. Geen ramp is te vergelijken met het moment waarop Gods aanwezigheid een volk verlaat. O Israël, wat ben je diep gezonken! Wie helpt je nu, nu je God je heeft verlaten?
Vers 62
“En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde.” Ze sneuvelden in de strijd omdat Gods kracht hen niet meer steunde. Het zwaard was scherp, maar de reden waarom het werd getrokken was nog scherper.
“En werd verbolgen tegen Zijn erfenis.” Ze waren nog steeds van Hem. In dit vers staat dat zelfs twee keer. Toch weerhield Zijn gunst Hem er niet van hen te straffen, zelfs met een ijzeren roede. Waar de liefde het heetst brandt, is de jaloezie het hardst. Zonde kan niet worden geduld bij mensen die God zo nabij zijn. Wie zo dicht bij het vuur staat, merkt het als hij zich eraan brandt.
Vers 63
“Het vuur verteerde hun jongelingen.” Zoals vuur Nadab en Abihu letterlijk doodde, zo trof het vuur van Gods toorn de zonen van Eli, die het heiligdom van de Heere hadden bezoedeld. Dezelfde vuurgloed, nu in de vorm van oorlog, verteerde de bloem van het volk.
“En hun jonge dochters werden niet geprezen.” Geen bruiloftslied klonk. De bruid miste haar bruidegom. Het scherpe zwaard had de banden van hun verloving doorgesneden. Meisjes die anders met liederen en gelukwensen zouden zijn bezongen, bleven ongehuwd achter.
Zo diep was Israël vernederd, en zo bitter was de leegte in elk huis: het kon voor zijn dochters geen echtgenoten vinden. Daardoor werd het volk niet aangevuld en klommen er geen kleine kinderen meer op de knieën van hun ouders. Het volk had de jeugd niet in de vreze van Jehova onderwezen, zoals het zijn plechtige opdracht was. Het was dus een passend oordeel dat juist het voortbestaan van het nageslacht in gevaar kwam.
Vers 64
“Hun priesters vielen door het zwaard.” Hofni en Pinehas kwamen om. Ze behoorden tot de ergste zondaars en gingen daarom met de rest ten onder. Het priesterschap is geen schuilplaats voor wie kwaad doet. Het borstschild vol edelstenen houdt de pijlen van het oordeel niet tegen.
“En hun weduwen weenden niet.” Hun eigen verdriet ging verloren in de veel grotere nationale smart: de ark van God was genomen. Zoals de meisjes geen hart hadden voor een bruiloftslied, zo hadden de weduwen zelfs geen kracht om de klaagzang voor de doden aan te heffen. Er vielen te veel doden, en ze moesten te snel worden begraven voor de gebruikelijke rouwplechtigheden. Dit was het diepste punt. Vanaf hier gaat alles een genadige wending nemen.
Vers 65
“Toen ontwaakte de Heere, als een slapende.” Hij had Zijn werkeloosheid met recht gekozen. Zo liet Hij de vijand zegevieren, Zijn ark veroveren en Zijn volk doden. Maar nu wekt Hij Zichzelf op. Zijn hart is vol medelijden met Zijn uitverkorenen en vol toorn tegen de hoonlachende vijand. Wee u, Filistea! Nu voel je het gewicht van Zijn rechterhand!
“Als een held, die juicht van den wijn.” Zo wordt Hij beschreven: als iemand die wakker wordt en nieuwe kracht voelt na een verfrissende dronk. Sterk en vol vuur stortte de Heere Zich op Zijn vijanden en liet hen onder Zijn slagen wankelen. Zijn ark trok van stad naar stad, meer als een wreker dan als een zegeteken. Overal vielen de valse goden hulpeloos voor haar neer, alsof ze niets te vertellen hadden.
Vers 66
“En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste.” De builen maakten hen belachelijk, en hun talloze nederlagen nog meer. Ze sloegen op de vlucht, maar werden ingehaald en in de rug getroffen, tot hun eeuwige schande.
“Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.” De mensen in het Oosten zijn niet bijzonder kieskeurig in hun taal. We kunnen ons best voorstellen dat de aambeien een geliefd onderwerp van spot over de Filistijnen waren, net als hun herhaalde nederlagen tegen Israël. Uiteindelijk werden ze volledig verpletterd, om nooit meer als apart volk te bestaan.
Vers 67
“Doch Hij verwierp de tent van Jozef.” God had Efraïm eer bewezen. Tot die stam behoorde Jozua, de grote overwinnaar, en Gideon, de grote richter. Binnen zijn grenzen lag Silo, de plaats van de ark en het heiligdom. Maar nu veranderde de Heere dit alles en stelde Hij andere leiders aan. Hij wilde de zaken niet langer aan Efraïm overlaten, want die stam was op de proef gesteld en te licht bevonden.
“En den stam van Efraim verkoos Hij niet.” Bij hen vond Hij zonde, dwaasheid en onbetrouwbaarheid. Daarom werden ze als ongeschikt voor het leiderschap aan de kant gezet.
Vers 68
“Maar Hij verkoos den stam van Juda.” Om het volk nog een kans te geven, werd deze stam tot de hoogste macht verheven. Dat sluit aan bij de stervensprofetie van Jakob. Onze Heere is uit Juda voortgekomen, en Hij is het Die Zijn broeders zullen prijzen.
“Den berg Sion, dien Hij liefhad.” Onder de regering van David werden de tabernakel en de ark naar Sion gebracht. Voor de eigenzinnige Efraïmieten bleef er geen eer over. Vlak bij deze berg had de vader van alle gelovigen zijn enige zoon geofferd. En hier zouden later de grote bijeenkomsten van Zijn uitverkoren zaad plaatsvinden. Daarom zegt de Schrift dat Sion God zo dierbaar is.
Vers 69
“En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten.” De tabernakel kreeg een hoge plaats, in de letterlijke en in de geestelijke zin. Het was een berg van schoonheid. De ware godsdienst stond in het land omhoog. Wat heiligheid betreft was het een tempel, en wat majesteit betreft een paleis.
“Als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.” In de tempel zag je vastheid en pracht samen, en dat geldt ook voor de gemeente van God. De profeten zagen ze beide in hun visioen.
Vers 70
“En Hij verkoos Zijn knecht David.” Dit was een verkiezing uit soevereine genade, en ze werkte in de praktijk: de uitverkorene werd een gewillige knecht van de Heere. Hij werd niet gekozen omdat hij een knecht was, maar om het te worden. Gods kiezen maakt dus geschikt, het vindt niet alleen wat er al is. David vond het altijd een grote eer dat hij én een uitverkorene van God was én Zijn knecht.
“En nam hem van de schaapskooien.” Hij was herder van schapen geweest, en dat was een goede leerschool voor een herder van mensen. Een nederig beroep sluit niemand uit van de eer die de verkiezing van de Heere geeft. De Heere kijkt immers niet zoals de mens kijkt. Hij vindt het heerlijk om mensen te zegenen die laag in aanzien staan.
Vers 71
“Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.” David volgde de ooien op hun zwerftochten en zorgde met kunde en toewijding voor de jonge lammeren. De tederheid en het geduld die hij zo leerde, hielpen de eigenschappen groeien die een koning het meest sieren.
Voor de man die zo was voorbereid, kwamen op Gods tijd het ambt en de waardigheid die God voor hem had bestemd. En hij kreeg de kracht om ze waardig te dragen. Het is wonderlijk hoe vaak Gods wijsheid het vroege, onopvallende deel van een uitverkoren leven zo inricht dat het een voorbereidende school wordt voor een werkzamere en edelere toekomst.
Vers 72
“Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten.” David was oprecht voor God. In zijn hart week hij nooit af van de gehoorzame aanbidding van Jehova. Welke fouten hij ook had, hij was ongeveinsd trouw aan de hogere Koning van Israël. Hij weidde het volk voor God, met een eerlijk hart.
“En heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.” Hij was een scherpzinnig heerser, en de psalmist prijst de Heere dat Hij hem heeft aangesteld. Onder David kreeg het Joodse koninkrijk een eervolle plaats onder de volken en kreeg het invloed op de buurlanden.
We sluiten nu een psalm af die de wisselende lotgevallen van het uitverkoren volk heeft beschreven. Hoe goed is het dat we zo vredig eindigen! Al het rumoer van oproer en zondige plechtigheden is tot zwijgen gebracht. Na een lange reis over een stormachtige zee kwam de ark van de Joodse staat tot rust op haar Ararat, onder een wijze en zachte regering. Nooit meer zou ze door vloeden en stormen heen en weer worden gesleurd.
De psalmist was al die tijd van plan om dit zijn laatste couplet te laten zijn. Ook wij mogen er tevreden mee zijn al onze liefdesliederen af te sluiten met de regering van de Gezalfde van de Heere. Maar we mogen wel vol verlangen vragen: wanneer komt ze? Wanneer maken we een einde aan deze woestijnzwervingen, deze opstanden en tuchtigingen? Wanneer gaan we binnen in de rust van een vast gevestigd koninkrijk, waar de Heere Jezus regeert als “den Vorst van het huis van David”?
Zo hebben we deze lange gelijkenis tot het einde toe gevolgd. Moge er in ons eigen levensverhaal minder zonde zijn, en net zoveel genade als er in Israëls geschiedenis te zien is. En moge het eindigen onder de veilige leiding van “den grote Herder der schapen”. Amen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Deze psalm lijkt ontstaan te zijn doordat het heiligdom van Silo, in de stam Efraïm, naar Juda werd overgebracht. Tegelijk ging de voorrang in Israël van de eerste stam over naar de tweede, zoals duidelijk blijkt uit Davids benoeming tot hoofd van kerk en volk. Dit was de uitvoering van Gods raad. Maar de schrijver laat hier zien dat het ook voortkwam uit Gods oordeel over Efraïm. Onder hun leiding had het volk hetzelfde zondige en weerspannige karakter getoond dat hun voorouders in Egypte kenmerkte. — B. M. Smith, in “The Critical and Explanatory Pocket Bible,” 1867.
Vers 1
“Neigt ulieder oor.” Een oor neigen is meer dan gewoon horen. Het is luisteren zoals een leerling naar zijn meester: onderworpen, met eerbied in je hart, stil en ernstig. Zo hoor je alles wat tot onderwijs wordt gezegd goed en versta je het, en er glipt niets door je vingers. Er bestaat ook een ander soort hoorder, die achteloos luistert. Hij wil niet leren of navolgen, maar kritiek leveren, grappen maken, zijn vijandschap botvieren of de tijd doden. — Musculus.
Vers 1
“Neigt ulieder oor.” Leg ze dicht tegen mijn lippen, zodat er door jullie schuld geen enkel stukje van deze heilige taal op de grond valt. — John Trapp.
Vers 1
“Tot de redenen mijns monds.” Was het voor het parallellisme niet genoeg geweest om te zeggen: tot mijn redenen? Natuurlijk wel. Waarom wordt dan de mond genoemd? Omdat wie hun onderdanen wetten kunnen opleggen, het ook beneden zich vinden om hen met hun eigen mond toe te spreken. Zo gaat het bij koningen, vorsten en pausen, zowel de Roomse als andere. Hoe hoger iemand stijgt in waardigheid, des te minder past het volgens hem om tot het volk te spreken en het met zijn mond te leren en te onderrichten.
Ze denken dat ze het volk niets verschuldigd zijn. Ze zijn er volledig mee bezig dat men tegen hen opkijkt als tegen vorsten, zodat ze een zeker wereldlijk gezag van bevelen behouden. Maar met je eigen mond de onwetenden onderwijzen is een bijzonder bewijs van liefde en vaderlijke genegenheid, zoals het een leermeester, herder en onderwijzer betaamt.
Dit heeft Christus het standvastigst gedaan. Hij was met vaderlijke genegenheid bewogen over de verloren schapen en kwam als Herder om ze te zoeken. Zo wees Hij de manier van de aardse vorsten af. Hij nam de vaderlijke gewoonte aan die een herder en leraar past: Hij trok rond en opende Zijn mond om onderricht te geven. Zie Mattheüs 5. Daarom was de profeet terecht niet tevreden met de woorden: “Neem mijn leer ter oren.” Hij voegt eraan toe: “Neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.” Zo laat hij zien dat hij hen met vaderlijke genegenheid wilde toespreken en onderwijzen, als een vader die zijn kinderen om zich heen roept. — Musculus.
Vers 2
“Spreuken.” Duistere zegswijzen. Mashal is een gezaghebbende, gewichtige uitspraak. Het Hebreeuwse woord komt vrijwel overeen met het Griekse kuriai doxai: gezaghebbende uitspraken of spreuken, of gewichtige woorden, die een vergelijking uitdrukken of inhouden, zoals zulke uitspraken vaak doen. Chidah is een raadsel, een gelijkenis. Zo’n gelijkenis dringt tot je gemoed door en maakt, als je haar begrijpt, een diepe indruk van wat ermee wordt bedoeld of voorgesteld. Hier lijkt chidoth te wijzen op de geschiedkundige feiten die verderop in de psalm worden verteld. Zij worden gezien als raadsels van geestelijk belang. — John Parkhurst.
Vers 2
“Spreuken.” Spreuken zijn de woorden van wijze mensen. Het zijn zelfs de uittreksels en de kern van wijsheid. Het Hebreeuwse woord betekent heersen of gezag hebben. Zulke woorden komen immers met gezag op ons af en overwinnen ons verstand door hun gewicht. — Joseph Caryl.
Vers 2
“Ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten.” Dit beeld komt van een fontein die overvloedig water laat stromen. Nabá betekent namelijk eigenlijk: voortvloeien, opborrelen. Het hart van de leraars in de kerk hoort vol te zijn en klaar om de stromen uit te storten waarmee de kerk wordt bevloeid. Hun bron mag niet leeglopen en in de zomer opdrogen. — Mollerus.
Vers 3
“Die wij gehoord hebben en weten ze.” We hebben de wet gehoord en de feiten gekend. — Adam Clarke.
Vers 3
“Vaders.” De naam vader in de kerk verdienen zij die aan het nageslacht de waarheid van God doorgeven zoals die in de Schrift staat, zoals hier in deze psalm. Dat is de enige onfeilbare vorm van overlevering: zij geeft aan het nageslacht door wat God aan de profeten of hun voorgangers in de Schrift heeft overgeleverd, zoals de leer die in deze psalm wordt doorgegeven. — David Dickson.
Vers 4
“Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen,” enzovoort. Je moet God niet alleen zelf prijzen, maar ook je best doen om de herinnering aan Zijn goedheid door te geven aan het nageslacht. Kinderen zijn de erfgenamen van hun ouders. Het zou tegennatuurlijk zijn als een vader zijn schat vlak voor zijn dood in de grond begroef, waar zijn kinderen hem niet kunnen vinden of gebruiken. De barmhartigheden van God zijn niet het minste deel van de schat van een goed mens. Ze zijn ook niet het minste deel van de erfenis van zijn kinderen. Ze helpen hun geloof, geven stof voor hun lofprijs en prikkelen hen tot gehoorzaamheid.
“Onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds. Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven,” enzovoort, Psalm 44:2-3. Hieruit putten zij hun vertrouwen, Psalm 44:5: “Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs,” en het wekt hun dankbaarheid, Psalm 44:9: “In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid.”
Zoals kinderen de erfgenamen van hun ouders zijn, zo zijn ze volgens het recht ook verplicht de schulden van hun ouders te betalen. De grote schuld waarmee een heilige sterft, is wat hij aan God verschuldigd is voor Zijn barmhartigheden. Het is dus billijk dat hij zijn nageslacht aan de betaling daarvan bindt. Zo kun je God tegelijk in de hemel en op aarde loven. — William Gurnall.
Verzen 4-6
Stof die in de wol is geverfd, houdt zijn kleur het langst. Wie als kind leert, groeit uit tot een engel op leeftijd. Oefening en ervaring maken je sterker en zekerder in elk vak en in elke wetenschap. Hoe langer je kind op Christus’ school zit, hoe beter het de listen en valstrikken van de satan herkent en ontloopt. En hoe langer het bij dit vak in de leer is, hoe handiger het erin wordt en hoe meer vreugde het vindt in de aanbidding en het genieten van de gezegende God. Een boom die oud is, staat sterk tegen de wind, precies zoals hij als jonge boom is geplant.
De kinderen van Merindol gaven in zaken van geloof zulke antwoorden aan de vervolgende bisschop van Cavaillon, dat een omstander tegen de bisschop zei: ‘Ik moet toegeven dat ik vaak bij de disputen van de doctoren in de Sorbonne ben geweest. Maar nog nooit heb ik zoveel geleerd als van deze kinderen.’ Zeven kinderen stierven eens tegelijk als martelaar, samen met hun moeder Symphrosia, een godvruchtige vrouw. Zo’n zegen hoort vaak bij een christelijke opvoeding. Daarom wilde keizer Julianus de Afvallige niet dat kinderen onderwezen werden, in geen enkele wetenschap, menselijk of goddelijk. Hij wilde zo voorkomen dat het christendom zou groeien en zich zou verspreiden.
Filippus was blij dat Alexander werd geboren toen Aristoteles nog leefde, zodat Aristoteles hem wijsbegeerte kon leren. Het is geen kleine genade dat je kinderen geboren worden in de dagen van het evangelie. Ze groeien op in een dal van openbaring, in een land van licht, waar ze het christelijk geloof kunnen leren kennen. Verzuim dus niet je kinderen te vertellen wie God is. Vertel hun wie Christus is en wat Hij doet. Vertel hun hoe zondig en ellendig ze van nature zijn, en hoe ze daaruit kunnen worden gered. Leer hun waarvoor ze op de wereld zijn gezonden, en dat ze opnieuw geboren moeten worden en heilig moeten leven, willen ze ooit aan de eeuwige dood ontkomen! Hoe zouden ze ooit in de hemel aankomen als ze de weg ernaartoe niet kennen?
De inwoners van Mitylene, die ooit de zeeën beheersten, kenden een bijzondere straf voor buren die zich van hen afkeerden. Ze verboden die buren hun kinderen te onderwijzen. Zij vonden dat wraak genoeg. (Aelianus.) Lezer, als je hier zelf onachtzaam in bent, wil ik je vragen welk kwaad je kinderen jou hebben gedaan. Waarom zou je op hen wraak nemen door hun te onthouden wat hun toekomt? Ik bedoel: onderricht in het geloof.
De Joodse rabbijnen spreken over een zeer strenge gewoonte en methode om hun kinderen les te geven, passend bij hun leeftijd en bevattingsvermogen. Op hun vijfde waren ze filii legis, zonen van de wet, en leerden ze de wet lezen. Op hun dertiende waren ze filii praecepti, zonen van het gebod, en leerden ze de wet begrijpen. Op hun vijftiende waren ze Talmudisten en verdiepten ze zich in lastiger onderdelen van de wet, tot en met de twijfelvragen van de Talmoed. Zo moet jij je kinderen ook, naarmate ze ouder worden, steeds verder onderwijzen in Gods wil.
Ze zijn immers “als het veulen eens woudezels geboren”, Job 11:12. Dat wil zeggen: ongetemd, dwaas en onwetend. We noemen een dwaas vaak een ezel. Maar hier staat “het veulen eens woudezels”, en dat is het ruwste, wildste en domste wat er is. Hoe moeten je onwetende kinderen dan zonder onderricht God of zichzelf leren kennen?
Het is jouw plicht om je kinderen te vertellen wat God heeft gedaan. Leer hun Zijn daden net zo goed als Zijn woorden. “Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; … en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken”, Deuteronomium 4:9. Gods wonderen moeten we voor altijd in herinnering houden. “Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt”, Psalm 111:4. Een bijzonder goede manier om dat te doen, is ze in het geheugen van onze kinderen te schrijven. Zo worden ze aan het nageslacht doorgegeven.
Dit deden de aartsvaders al. Ze vertelden hun kinderen over de schepping van de wereld, de val van de mens, de ondergang van de oude wereld, Gods voorzienigheid, de Messias Die Zich zou openbaren, en meer van zulke dingen. De monden van de ouders waren grote boeken, waarin hun kinderen de roemrijke daden van de Heere lazen.
Het gebod wordt hier (Psalm 78:2-7) om twee redenen met nadruk gegeven. De eerste reden is Gods eer, en het blijvende karakter van Zijn grote daden. Zijn woorden hebben groot gewicht. Daarom moeten ze, als kunstige schilderijen of kostbare juwelen, ter herinnering aan Hem van vader op zoon worden nagelaten, zolang de wereld bestaat. Wat op papier of perkament is geschreven, kan verloren gaan. (En zou het niet duizend keer jammer zijn als zulke voortreffelijke gedenkstukken verdwenen?) Maar als vaders het met succes in de harten van hun kinderen schrijven, dan wist geen tijd het uit en slijt het nooit af, Exodus 12:26-27.
Daarom deden de Joden dit, zoals de rabbijnen opmerken, in de nacht vóór het pascha. Om Gods barmhartigheid tot Zijn eer te blijven herinneren, spraken ze dan met hun kinderen. Het kind vroeg: ‘Waarom heet het pascha?’ De vader zei: ‘Omdat de engel ons voorbijging toen hij de Egyptenaren sloeg, en ons niet liet omkomen.’ Het kind vroeg: ‘Waarom eten we ongezuurd brood?’ De vader antwoordde: ‘Omdat we in alle haast uit Egypte moesten vertrekken.’ Het kind vroeg: ‘Waarom eten we bittere kruiden?’ De vader antwoordde: ‘Om ons te herinneren aan onze onderdrukking in Egypte.’
De tweede reden voor dit gebod is hun eigen voordeel, Psalm 78:7: “dat zij hun hoop op God zouden stellen”, enzovoort. Wie weet hoe goed God is, krijgt moed om te geloven. Wie Zijn macht kent, vindt het gemakkelijker Zijn belofte te geloven. Lezer, gehoorzaam je aan dit gebod, dan kan dat zowel jou als je kinderen veel opleveren. Als je je kinderen leert wat God doet, zet je het ook steviger vast in je eigen geest, en het maakt dan meer indruk op hen. Dingen steeds opnieuw noemen is de beste manier om ze te onthouden. Wat de mond vaak verkondigt, dat overweegt het gemoed lang.
Bovendien kan het hun heil dienen. Hoe beter ze de goedheid, de wijsheid, de macht en de trouw van God leren kennen, die in Zijn werken zichtbaar zijn, hoe meer ze Hem zullen vrezen, liefhebben en vertrouwen. — George Swinnock.
Verzen 5-6
Het lijkt erop dat hier vijf generaties worden genoemd:
- Vaders; 2. Hun kinderen; 3. De generatie die nog komt; 4. Hun kinderen; 5. En weer hun kinderen.
— Adam Clarke.
Vers 6
Kinderen moeten goed luisteren naar wat hun ouders hun leren. Zo kunnen ze later zelf hetzelfde aan hun zonen vertellen, en ontstaat er een gouden keten. Met die keten aan elkaar verbonden zoekt het hele gezin de hemel. De vader trekt de zoon, de zoon trekt de kleinzoon, en de kleinzoon trekt zijn kinderen naar Christus toe. Hij is de magneet van hen allen, zodat zij allen één worden. — Thomas Le Blanc.
Vers 7
Hun hoop op God stellen. Hun hoop moest niet rusten op de wet, die straft. Ze moest rusten op de genade, die om niet wordt geschonken en die redt. Daarom staat er ook bij: “en Gods daden niet vergeten”. — Johannes de Turrecremata, 1476.
Vers 8
“En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders.” De waarschuwing is ontleend aan een voorbeeld dicht bij huis. De dichter zegt niet: ‘Laat hen niet zijn als de volken die God niet kennen.’ Hij zegt: ‘Laat hen niet zijn als hun vaders.’ Voorbeelden van kwaad in je eigen gezin zijn veel schadelijker dan voorbeelden uit den vreemde. Daarom zegt een dichter: Sic natura jubet, velocius et citius nos corrumpunt vitiorum exempla domestica. Dat betekent: ‘Zo wil de natuur het: de slechte voorbeelden thuis bederven ons sneller en eerder.’ Laten we hieruit leren dat het niet in alle dingen veilig is om in de voetsporen van onze vaders te lopen. De dichter bedoelt de vaders die in de woestijn omkwamen. Zie daarover Numeri 14, Deuteronomium 1 en Psalm 68:7. — Musculus.
Vers 8
“Gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht.” We hebben van nature een diepe eerbied voor onze vaders. Daardoor is het moeilijk om de slechte navolging van onze voorouders uit het hart van mensen te halen. Daarom stapelt de profeet de woorden op bij zijn beschrijving van de misdaden van hun vaders. Hij zegt dat ze dor moreh waren. Dat is een geslacht dat het gezag van God aantastte en voortdurend de banden van de wet verbrak. In hun overmoed wierpen ze het juk af, als een wild en weerspannig paard of een ongetemde stier. Zo’n dier verdraagt de teugel niet en weigert zijn nek onder het juk te buigen. Het trekt zich steeds terug en slaat het bit weg. — Mollerus.
Verzen 8-9
Let goed op de grond van je daadwerkelijke gehoorzaamheid. Hij moet gezond en oprecht zijn. Dezelfde zuivere beginselen waarmee een oprechte ziel voor Christus werkt, drijven haar ook om voor Christus te lijden, als God haar met zo’n opdracht roept. “De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.” Waarom? Wat is er aan de hand? Zo goed bewapend en toch zo laf? Dat lijkt vreemd. Lees het vers ervoor en je zult je niet meer verbazen. Daar staan ze beschreven als “een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God”.
De wapenrusting mag zijn wat ze wil. Stel dat de soldaten in een kasteel zaten met een fundament van rots en muren van koper. Als hun hart niet recht staat tegenover hun vorst, jaagt een lichte storm hen van de muren, en opent een kleine schrik de poort. Die poort heeft de grendel van oprechtheid niet om haar dicht te houden. In onze laatste oorlogen hebben we gezien dat eerlijke harten een stad hielden, achter dunne en zwakke verdedigingswerken. Maar geen muren konden verhinderen dat verraad het vertrouwen verried. — William Gurnall.
Vers 9
“De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters”, enzovoort. “Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, en willens waart, om naar het gebergte henen op te trekken, zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet. Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des HEEREN wederspannig, en handeldet trotselijk, en toogt op naar het gebergte. Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seir tot Horma toe.” Deuteronomium 1:41-44.
Vers 9
Veel mensen denken dat deze passage gaat over de gebeurtenis in 1 Kronieken 7:21-22. Daar worden de zonen van Efraïm genoemd: “de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, omdat zij afgekomen waren om hun vee te nemen. Daarom droeg Efraim, hun vader, vele dagen leed; en zijn broeders kwamen om hem te troosten.” Uit de manier waarop dit wordt verteld, blijkt dat de slachting groot moet zijn geweest. Volgens deze gedachte heeft de psalmist deze vlucht en nederlaag op het oog, en ook dat de mannen hun afhankelijkheid van God niet erkenden.
Maar er is bezwaar tegen deze uitleg. De gebeurtenis in het boek Kronieken vond duidelijk plaats vóór de uittocht van Israël uit Egypte. Vers 11 zegt echter dat dezelfde Efraïmieten Gods daden en wonderen vergaten, die Hij deed ten tijde van hun uittocht uit Egypte. Het is dus waarschijnlijker dat bene Efraïm het Israëlitische volk in het algemeen aanduidt. Mendelssohn denkt dat ook.
Hij merkt op dat “het zelfstandig naamwoord Efraïm vóór de regering van het huis van David een algemene benaming voor Israël was. Jozua, de zoon van Nun, de eerste richter, kwam namelijk uit deze stam. Het gebied dat aan deze stam was toegewezen, lag ook in de streek van Silo. En het is mogelijk dat al wie in die dagen hoog in aanzien stond, ook Efraïmiet werd genoemd, vanwege de reputatie van deze stam.”
Hij had nog een andere, sterkere reden kunnen noemen dan alle voorgaande om Israël zo te noemen: Jerobeam, die als de stichter van de Israëlitische monarchie kan worden gezien, wordt in 1 Koningen 11:26 een afstammeling van Efraïm genoemd. De oorlog waarop hier wordt gezinspeeld, kan een van de oorlogen zijn geweest tussen de tien stammen en het volk van Juda. — George Phillips.
Vers 10
“Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.” Let op: we moeten wandelen in Gods wet. Dat is de smalle, heilige weg die Christus voor ons baant. In Athene was er een hiera hodos, een heilige weg. Volgens Harpocration trokken de priesters van de mysteriën daarlangs naar Eleusis. Ook in Rome was er een weg die de Via Sacra heette. Ook voor ons is er een weg naar de hemel, gewijd door de voetstappen van de heiligen. Het past ons dan ook niet om te talmen. We moeten altijd onderweg zijn. — Thomas Le Blanc.
Vers 12
Zoan. Zoan is de naam van een stad in Egypte (Numeri 13:22). In het verhaal van Exodus wordt ze niet genoemd. Toch noemt de schrijver van deze psalm haar twee keer, hier en in Psalm 78:43, als het toneel van de wonderen die Mozes voor Farao deed. Misschien kwam dat doordat de eerste en belangrijkste wonderen echt daar aan Farao werden getoond, omdat de koning in deze stad zetelde. Het was ook een zeer oude stad. Dat blijkt uit wat er over Hebron wordt gezegd in Numeri 13:22. Daar woonde Abraham, de tiende na Noach. Om te laten zien hoe oud die stad was, staat er dat ze “zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte”.
Of misschien is het alleen dichterlijke taal, want “het veld” of het land van Zoan is hetzelfde als “Egypteland” dat eraan voorafgaat. Zo vinden we in andere profetische geschriften, wanneer er oordelen worden gedreigd, soms alleen “Zoan” in plaats van “Egypte”. Jesaja 19:11 is zo’n plek, waar de “vorsten van Zoan” dezelfde zijn als de raadslieden van Farao. Soms staan “de vorsten van Zoan” samen met een andere stad, zoals in Jesaja 19:13: “de vorsten van Zoan … de vorsten van Nof”. Dat zijn weer de raadslieden van dat koninkrijk. Zij hebben, zoals het verder zegt, “Egypte doen dwalen”: ze hebben het hele volk in het verderf gebracht. Zo ook Jesaja 30:4. Daar stuurden ze boden naar Egypte om hulp, en wordt gezegd dat “zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes”. — Henry Hammond.
Vers 12
“In het veld van Zoan.” In deze passage zien we dat God Zijn wonderen, Zijn kracht en Zijn heerlijkheid niet zonder reden het sterkst liet zien in de beroemdste steden. Hij minachtte de eenvoudige en onbekende plaatsen niet. Maar zo kon Hij de kennis en de roem van Zijn Naam gemakkelijker verspreiden. Daarom wilde Hij dat Mozes zijn wonderen deed in de koninklijke stad en op haar veld. Om dezelfde reden vestigde Hij later Zijn woning in de beroemdste stad van Kanaän. Daar besloot Hij ook dat Christus, Zijn Zoon, gekruisigd zou worden en dat de basis van Zijn hemelse koninkrijk gelegd zou worden. — Musculus.
Vers 13
“De wateren deed Hij staan als een hoop.” Het oorspronkelijke woord wijst op die grote hopen die als dijken of wallen worden gebruikt om water tegen te houden. De Joden hebben deze uitdrukkingen niet alleen letterlijk opgevat. Ze hebben ook de vrijheid genomen om bijzonderheden toe te voegen, alsof het verhaal te kort was en aangevuld moest worden. Ze zeggen dat de zee als het ware twaalf wegen of dammen had gevormd, voor elke stam van Israël één. — James Saurin.
Vers 13
“De wateren deed Hij staan als een hoop.” God wilde de zee niet helemaal aan het oog van de Hebreeën onttrekken. Hij wilde haar onderbreken en verdelen, zodat ze als een muur aan beide kanten van de weg bleef staan. Daar waren vier redenen voor. Ten eerste: het wonder moest duidelijk te herkennen zijn. In die zee is namelijk geen getij, geen opkomend en wegtrekkend water. Ten tweede: het volk kreeg zo grotere vreugde bij het zien van zo’n groot wonder. Ten derde: tijdens hun hele tocht door de zee zouden ze meer op Gods voorzienigheid steunen.
Hij kon in één ogenblik de zee in haar bedding laten terugstromen en hen allemaal laten verdrinken. God wil dat we des te vuriger naar Hem vluchten, naarmate het gevaar dichterbij lijkt. Ten vierde en ten laatste: het volk zou zo sneller oversteken, want ze wisten niet hoe lang God het wonder wilde laten duren. — Thomas Le Blanc.
Vers 14
Dat deze wolkkolom en vuurkolom een verborgen betekenis hadden, blijkt uit Jesaja 4:5-6. Op de berg Sion heeft nooit een echte wolk met vuur gestaan. De vuurkolom verdween bovendien zodra Israël Kanaän was binnengetrokken. Jesaja bedoelt met deze woorden dus iets geestelijks. Zo laat ook de apostel het zien: de kolom was een afbeelding van een geheim van het evangelie (1 Kor. 10:2). Ze wees heen en wierp een schaduw vooruit op drie dingen: 1. Christus Zelf; 2. de weldaden van Christus; 3. de verordeningen van Christus.
- Christus Zelf. Sommigen zien in de kolom een schaduw van Zijn Godheid én van Zijn mensheid. Er school een vurige gloed in de wolken. Toch was dat maar een zwakke afschaduwing van de heerlijkheid van Zijn Godheid, die in visioenen vaak zo wordt afgebeeld. Zijn goddelijke natuur was immers gehuld en overschaduwd door Zijn menselijke natuur. Zo was er in deze schaduw ook net zo goed een wolkkolom als een vuurkolom. In Openbaring 10:1 zien we Christus gekleed in een wolk, met voeten als pilaren van vuur. Dat past opvallend goed bij dit oude voorbeeld en schaduwbeeld, waar de wolk en het vuur samen voorkwamen.
- De kolom wijst ook op de weldaden van Christus. Welke weldaden ontvingen de Israëlieten eigenlijk van deze vuurkolom en wolkkolom? Drie: (1) licht en leiding, (2) verdediging en bescherming, (3) sieraad en heerlijkheid. Dit alles hebben wij in nog veel rijkere mate in Christus, door het evangelie.
- De kolom was ook een beeld van de verordeningen, en van Zijn aanwezigheid in en bij die verordeningen. De verordeningen zijn immers de uiterlijke, zichtbare tekenen van Gods aanwezigheid bij Zijn volk, precies zoals deze vurige kolom dat vanouds was. Daarom bleef de kolom ook op de tabernakel rusten toen die was gemaakt en opgericht (Ex. 40:38).
Sommige plichten zijn verborgen. De wereld ziet ze niet en hoeft ze ook niet te zien, zoals het geven van aalmoezen en het persoonlijke gebed in het verborgene. Maar de verordeningen die God Zelf heeft ingesteld, horen we zo openlijk mogelijk te houden. Het zijn uiterlijke, zichtbare tekenen van Gods aanwezigheid. Dat geldt vooral voor die grote verordening van de doop, zoals in 1 Korinthe 10:2.
De wolk had, zo lijkt het, een verfrissende vochtigheid in zich. Die gaf schaduw, verkwikte hen en verkoelde hen in de brandende hitte. Ze werden er als het ware mee bedauwd (liever: erin “gedoopt”, zoals Paulus het zegt in 1 Korinthe 10:2), net zoals wij met het water van de doop. Zo werd deze wolk uit de tijd van de wet een voorbeeld van de doop van het evangelie. En zo zie je hoe de kolom iets liet zien van Christus Zelf, iets van Zijn weldaden en iets van al Zijn verordeningen onder het Nieuwe Testament. — Samuel Mather.
Vers 14
Den gansen nacht. Hoeveel dit woord “gansen” voor de Israëlieten betekende, daar hoeven we niet lang bij stil te staan. Of ze nu ’s nachts onderweg waren of rustten: het licht was voor hen kostbaar, even nodig en even goed. Als dit vuurlicht niet ononderbroken had geschenen, was het nauwelijks iets waard geweest. Zou het plotseling zijn gedoofd terwijl ze marcheerden, dan was heel Israël in verwarring en angst gestort. Het doven van het licht had het geordende leger in een wanordelijke bende veranderd, in plaats van in een rij gelederen. — Philip Bennett Power, in “Breviates: or Short Texts and Their Teachings.”
Vers 15
De rotsstenen. Ze waren een beeld van Christus (1 Kor. 10:4). Die wordt vaak met een rots vergeleken: om Zijn hoogte, sterkte en duurzaamheid, en om de schaduw, de schuilplaats en de bescherming die Hij biedt. Hij heet “de Rotssteen Israels”, “een steen des aanstoots … den twee huizen van Israel”, “de Rotssteen mijns heils”, “Steenrots mijner toevlucht”, “de Rotssteen mijner sterkte” en “een rotssteen, die mij te hoog zou zijn”. Op Hem is de gemeente gebouwd, en Hij is ook “de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land”. — John Gill.
Vers 15
En drenkte hen overvloedig, als uit afgronden. Het was alsof Hij een meer of een oceaan had gemaakt, die hun een onuitputtelijke voorraad leverde. — Albert Barnes.
Vers 16
Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, enz. “Waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest.” Het tweede morren om water, bij Kades, was blijkbaar een zwaardere daad van opstand dan het eerste. Toch wordt het water nu in nog grotere overvloed gegeven. O, wat is Gods soevereine genade vrij! — W. Wilson.
Vers 17
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen. De psalmist zegt niet dat ze alleen maar zondigden. Hij zegt dat ze tegen God zondigden. En ze bleven tegen Hem zondigen, tegen God dus. Tegen welke God? Tegen Hem Die hen met grote, nooit eerder vertoonde wonderen uit Egypte had bevrijd. Tegen Hem Die hen als vrije mensen droogvoets door de Rode Zee had geleid. Tegen Hem Die hen bij dag en bij nacht bleef leiden en beschermen met de wolkkolom en de vuurkolom, en Die hun overvloedig water te drinken gaf, getrokken uit de dorre rots. Tegen deze God hadden ze zonde op zonde gestapeld.
Gewoon zondigen is menselijk. Het overkomt zelfs heiligen die al genade hebben ontvangen. Maar tegen God zondigen laat een heel bijzondere mate van goddeloosheid zien. Dan krenk en onteer je Hem juist in dingen die Hemzelf rechtstreeks aangaan. Zo zondigden zij tegen God. Ze hadden immers zoveel uitgelezen bewijzen van Zijn zorg gezien, en toch bleven ze kwaad over Hem denken en spreken.
Alle zonden, van welke soort ook, worden in feite tegen God bedreven, want ze gaan in tegen Zijn wil. Maar de zonden die zich in het bijzonder tegen God richten, zijn zeker zwaarder dan andere. Dat zijn de zonden tegen Zijn Naam, Zijn goedheid, Zijn voorzienigheid, Zijn macht, Zijn waarheid en Zijn dienst, en tegen alles wat Hem bijzonder aangaat. Zo lezen we over de zonden van de zonen van Eli in 1 Samuël 2:24-25, waar hun vader zegt: “Dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat het volk des HEEREN overtreedt. Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden?” — Musculus.
Vers 17
Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen. Hun zonde bestond niet alleen uit morren, hoe zondig dat ook is. Het was ongebreidelde begeerte. En waar ging die begeerte naar uit? Naar vlees. Ze waren zo ver gekomen dat ze genoeg hadden van het brood uit de hemel, dat God zo barmhartig gaf. Ze wilden er iets bij, iets wat voor hun bestaan helemaal niet nodig was.
Toen ze bij Massa om water morden, morden ze om iets wat ze echt nodig hadden. Hun zonde was toen dat ze morden in plaats van te bidden. Hier verlangden ze naar iets overbodigs, en dat maakte hun zonde zwaarder. Daarom zegt de psalmist, die deze zonde hier duidelijk met het morren bij Massa vergelijkt: “Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen.” — George Wagner, in “The Wanderings of the Children of Israel.”
Vers 18
Zij verzochten God. We weten: “God kan niet verzocht worden met het kwade.” Toch kun je met recht zeggen dat Hij wordt verzocht, telkens wanneer mensen ontevreden zijn over wat Hij doet. Zij vragen Hem dan eigenlijk om Zijn handelen te veranderen en te doen wat beter bij hun gevoel past. Denk er maar even over na, dan kun je haast niet anders dan inzien dat dit en dergelijke dingen in strikte zin een verzoeking van God zijn.
Stel dat iemand ontevreden is over wat de Voorzienigheid hem toewijst. Hij morrt en klaagt hardop over wat de Almachtige hem te doen of te dragen geeft. Moeten we hem dan niet beschuldigen van het tarten van God, zodat Hij Zijn plan verandert? En wat is dat anders dan “God verzoeken”: proberen Hem van Zijn plannen af te brengen, terwijl elk van die plannen door oneindige wijsheid is vastgesteld? Of neem dit. Stel dat iemand van ons, ondanks talloze bewijzen van Gods goedertierenheid, twijfelt of God hem werkelijk liefheeft. Waaraan maakt hij zich dan schuldig, als het niet het verzoeken van de Heere is? Hij vraagt God om extra bewijs, alsof er iets tekortschoot. Hij daagt Hem uit tot nieuwe bewijzen van wat Hij allang overvloedig heeft laten zien.
Tussen mensen zou je dat ook verzoeken noemen. Stel dat een kind met zijn gedrag laat merken dat het twijfelt aan de liefde van zijn ouders of er niet in gelooft. Dan zou je zeggen dat het nieuwe bewijzen van die liefde probeert af te dwingen. En dat terwijl de ouders al zoveel hadden gedaan als ze in alle redelijkheid en wijsheid hoorden te doen. Dat is duidelijk een verzoeking van hen, in de gewone betekenis van het woord. Kortom: ongeloof, van elke soort en in elke mate, is een verzoeking van God. Wie niet gelooft op grond van het bewijs dat God goed vond te geven, vraagt Hem om méér te geven dan Hij al gaf.
Hij biedt zijn mogelijke instemming aan, als het bewijs groter wordt, als lokaas om God verder te laten gaan dan Zijn wijsheid heeft bepaald…
Je kunt God niet wantrouwen zonder Hem te beschuldigen van gebrek aan macht of aan goedheid. Je kunt niet morren, zelfs niet in gedachten, zonder Hem in feite te zeggen dat Zijn plannen niet de beste zijn, en dat Zijn beschikkingen over jouw leven niet de wijste zijn die er mogelijk waren. Je angst, je moedeloosheid of je bezorgdheid in tijden van verlegenheid of gevaar is dus niets minder dan een oproep aan God om van Zijn vaste koers af te wijken. Het is een vermoeden, of liever een bewering, dat Hij op een manier kon handelen die Hemzelf meer waardig was. En dus daag je Hem uit om Zijn handelwijze te veranderen, als Hij wil bewijzen dat Hij de eigenschappen bezit die Hij zegt te hebben.
Misschien bedoel je God niet zo te beschuldigen of te tergen, telkens wanneer je morrend klaagt. Maar je morren doet dit allemaal, en kan niet anders. Je kunt niet ontevreden zijn zonder in feite te zeggen dat God de dingen beter had kunnen regelen. En je kunt niet zeggen dat Hij de dingen beter had kunnen regelen zonder in feite te eisen dat Hij Zijn handelwijze verandert en andere bewijzen geeft van Zijn oneindige volmaaktheid. Zo verzoek je Hem, net zoals de Israëlieten Hem in de woestijn verzochten. — Henry Melvill.
Vers 18
Begerende spijs naar hun lust. God had hun voedsel gegeven voor hun honger, het manna: gezond, aangenaam en in overvloed. Hij had hun ook voedsel gegeven voor hun geloof, uit de koppen van Leviatan, die Hij verbrijzelde (Ps. 74:14). Maar dat was niet genoeg. Ze moesten ook voedsel hebben voor hun lust: lekkernijen en afwisseling, om een verwende eetlust te bevredigen. Niets tergt God zozeer als wanneer wij ruziën met wat Hij ons toewijst en toegeven aan de begeerten van het vlees. — Matthew Henry.
Vers 19
Let goed op waaraan Israël zich bij deze gelegenheid schuldig maakte. Dat was niet het verlangen naar brood en water. Het was de gedachte, al was het maar voor een ogenblik, dat de Heere hen eerst uit Egypte had geleid en daarna zou toelaten dat ze Kanaän niet zouden bereiken, omdat het hun aan iets noodzakelijks ontbrak. Honger en dorst hebben was geen zonde. Het hoorde bij hun menselijke natuur. Alles wat leeft, verlangt naar voedsel en heeft het nodig. Als wij dat niet doen, zijn we dood. Dat zij het wel deden, was dus geen zonde.
Hun zonde was dat ze twijfelden of God hen in de woestijn kon of wilde onderhouden, of Hij hen die Zijn leiding volgden iets goeds zou laten ontbreken. Dat was hun zonde, meer niet. Met de christen van nu is het precies zo. Deze Israëlieten hadden niet meer letterlijk dagelijks voedsel voor hun lichaam nodig dan de christen voor zijn ziel. Wie dat niet nodig heeft, is dood, en een levende ziel zou zonder dat voedsel snel sterven. Het is dus geen zonde. Onze Heere heeft zelfs gelukzalig genoemd wie hongert en dorst naar de gerechtigheid, met de kostbare belofte erbij dat allen die zo zijn, verzadigd zullen worden.
Maar het is wél een zonde, en een grote zonde, als we gaan morren en bang worden zodra dat voedsel niet direct merkbaar voor onze zintuigen wordt gegeven. Deze dingen overkwamen de Israëlieten om hun geloof te beproeven, zoals de beproevingen van alle christenen in alle eeuwen. En het is “nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben” dat we mogen verwachten bevestigd, gesterkt en gegrondvest te worden. — Brownlow North, in “Ourselves. A Picture sketched from the History of the Children of Israel,” 1865.
Verzen 19-20
Na alles wat ze hadden meegemaakt, twijfelden ze aan Gods almacht. Ze behandelden die alsof ze niets voorstelde, zodra ze hun lusten niet wilde bevredigen. Ongeloof zit zo diep in het menselijk hart geworteld dat het, wanneer God wonderen doet op aarde, betwijfelt of Hij ze ook in de hemel kan doen. En wanneer Hij ze in de hemel doet, betwijfelt het of Hij ze ook op aarde kan doen. — Augustus F. Tholuck.
Vers 20
Zou Hij ook brood kunnen geven? Ze hadden moeten zeggen: “Zal Hij onze lusten dienen?” Maar dat schaamden ze zich te zeggen. — John Trapp.
Vers 20
Wie kan zeggen dat iemand zijn vriend dankbaar is voor een goedheid van vroeger, als hij ondertussen slecht over hem denkt voor de toekomst? Meer was het niet wat het ondankbare Israël aan God teruggaf, nadat Hij zo wonderlijk de rots had geopend om hun dorst te lessen: “Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen”… “Zou Hij ook brood kunnen geven?” Dit was eigenlijk hun gewone houding, zolang ze in de woestijn waren.
Daarom beschrijft God hun karakter niet naar hoe ze leken terwijl Zijn goedheid nog voor hen lag. Toen konden ze zeggen: “God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.” Hij beschrijft hen naar hun gemoed en hun gedrag in nood. Wat dachten ze van God toen het tafelkleed was weggehaald en het feestmaal uit hun zicht verdwenen was? Konden ze Zijn Naam zoveel eer geven dat ze Hem vertrouwden voor hun middagmaal van morgen, Hem Die hen gisteren nog had onthaald? Welnee. Zodra ze hun honger voelden terugkomen, schreeuwden ze als koppige kinderen, alsof God hen wilde uithongeren. Daarom wijst God hun lofzangen af en erkent Hij hun huichelachtige belijdenissen niet. Hij schrijft hun ondankbaarheid op: “zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.”
O, wat is het droevig dat God een ziel aan Zijn tafel kan onthalen met uitgelezen barmhartigheid en verlossing, en dat die ziel er zo slecht mee omgaat! Er blijft geen kruimel over om het geloof een maaltijd te geven, of om het hart voor bezwijken te behoeden wanneer God niet zo snel komt helpen als we hopen. De dankbaarste mens is degene die Gods barmhartigheden in zijn geheugen opspaart en zijn geloof kan voeden met wat God voor hem heeft gedaan. In de kracht daarvan loopt hij door de benauwdheden van nu. — William Gurnall.
Vers 23
De deuren des hemels opende. Hier wordt gezinspeeld op de zondvloed, net als in Psalm 78:15. — A. R. Fausset.
Vers 23
De deuren des hemels opende. God, Die de sleutel van de wolken heeft, opende de deuren van de hemel. Dat is meer dan het openen van de vensters, wat toch ook als een grote zegen wordt genoemd (Mal. 3:10). — Matthew Henry.
Vers 23
De deuren des hemels opende. Dit is een beeld dat is ontleend aan een graanschuur, waaruit koren wordt gehaald. Het openen van de deuren wil zeggen dat het manna heel overvloedig viel. Vergelijk Genesis 7:11. — Thomas Fenton.
Verzen 24-25
Manna. De profeet prijst dit wonder om vier redenen. Ten eerste vanwege de ongewone plaats waar het manna vandaan kwam. God liet geen vruchten uit de aarde groeien om hen te voeden, maar liet dit voedsel uit de wolken regenen, uit de diepten van de lucht. Ten tweede vanwege het gemak waarmee het werd uitgedeeld. Op Gods bevel alleen was dit voedsel klaar, zonder enige menselijke arbeid, ja zelfs terwijl ze sliepen. Daarom staat er: “gaf hun”, enz. Ten derde prijst hij de grote overvloed, die genoeg was voor zo’n enorme menigte. Ten vierde de uitnemendheid van het voedsel. Hij noemt het “het brood der Machtigen” of der sterken. Het smaakte niet alleen de gewone mensen, maar ook de vorsten en de helden, want het was voedsel voor machtigen. — Mollerus.
Vers 25
Een iegelijk. Liever, zoals in Exodus 16:16: een ieder. Niemand van hen werd overgeslagen; niet één bleef zonder. — A. R. Fausset.
Vers 25
Het brood der Machtigen. Het wordt engelenspijs genoemd. Dat is niet omdat de engelen er elke dag van eten, maar omdat engelen het klaarmaakten en uitdeelden. Met die naam wordt duidelijk hoe uitnemend dit brood was. — Christopher Ness (1621-1705), in “The Sacred History and Mystery of the Old Testament.”
Vers 25
Het brood der Machtigen (Engels: engelenspijs). Het manna heet het brood van de engelen, omdat engelen het naar beneden brachten. Het smaakte bovendien zó heerlijk dat het de engelen had kunnen dienen, als zij brood hadden gegeten. — John Weemse.
Vers 25
Het brood der Machtigen (Engels: engelenspijs). Zo werd hun manna genoemd om een van deze drie redenen. Ten eerste: engelen zorgden ervoor dat het er was en zonden het. Ten tweede: het leek uit de hemel te komen, de woonplaats van de engelen. Ten derde: zo kon men laten zien hoe voortreffelijk dit brood was. Het was spijs, zou je kunnen zeggen, die goed genoeg was voor engelen, als engelen eten nodig hadden.
Zo wordt ook de overweldigende glans op het gezicht van Stefanus beschreven: “zij zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels” (Hand. 6:15). En Paulus spreekt over een uitzonderlijk mooie taal als “de talen … der engelen” (1 Kor. 13:1). — Arthur Jackson.
Vers 25
Hoe kostbaarder het geschenk is dat God geeft, des te zwaarder weegt de ondankbaarheid van wie het niet op prijs stelt en er niet zorgvuldig mee omgaat. Dat zien we aan de zonde van Israël: zij waardeerden het manna niet zoals ze hadden moeten doen. Had de Heere hun stof uit de aarde te eten gegeven, of graswortels, of iets anders van weinig waarde, dan hadden ze geen reden tot klagen gehad.
Maar Hij gaf hun een nieuw voedsel, elke morgen speciaal voor hen gemaakt. Elke dag kwam er vers voedsel uit de hemel, met een prachtige kleur, een heerlijke smaak, een heerlijke geur en een goede werking op hun gezondheid. Hoe tartten zij God dan door daar niet tevreden mee te zijn! Zeker toen Hij hun er ruimschoots van gaf. Hij zond hun voedsel tot verzadiging. — David Dickson.
Vers 26
“Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte.” Kijken we naar de ligging van het land waar de Israëlieten zich toen bevonden, dan zien we precies hoe een zuidoostenwind de kwartels kon aanvoeren. Israël was net langs de Rode Zee getrokken en begon al iets te voelen van de ontberingen die in de woestijn op het volk wachtten. Trekkende vogels vliegen op hun reis naar het noorden eerst naar de kust van de Rode Zee. Daar wachten ze tot een gunstige wind hun de oversteek over het water mogelijk maakt. De zuidoostenwind gaf hun precies de hulp die ze nodig hadden, en ze maakten er vanzelfsprekend gebruik van. — J. G. Wood, in “Bible Animals,” 1869.
Vers 27
Als stof. Het gaat hier om de enorme wolken fijn stof en zand die een zware wind in de woestijnen van het Oosten opjaagt. Daarmee wordt het vergeleken. — William Keatinge Clay.
Vers 27
Gevleugeld gevogelte. Letterlijk staat er in het Hebreeuws: “gevogelte van vleugel.” Dat betekent: vliegend gevogelte, om het te onderscheiden van tam pluimvee. — Williams, in aantekeningen bij Calvijn op deze plaats.
Verzen 27 en 31
Als het kerkhof bij Sarbut el Khadem inderdaad het werk van de Israëlieten is, zoals alle eerdere aanwijzingen samen laten zien (een belangrijke begraafplaats van hun noodlottige kamp bij Kibroth-Hattaäva), dan mogen we met reden verwachten dat de grafmonumenten symbolische afbeeldingen bevatten van het wonder van het “gevleugeld gevogelte” en van de verschrikkelijke plaag die daarop volgde. Gelukkig kan Niebuhr aan die redelijke verwachting tegemoetkomen. Hij heeft afbeeldingen gemaakt van de hiërogliefen op drie van die grafstenen. Die zijn gepubliceerd op de platen 45 en 46 van zijn eerste deel. Op plaat 44 staat een plattegrond van het kerkhof zelf, en die is meer waard dan alle latere beschrijvingen.
De schrijver van deze regels ontdekte (zoals hij in een eerder werk, “The Voice of Israel,” heeft verteld) aan de hand van minstens vier Sinaïtische opschriften iets bijzonders. De vogels van het wonder noemt Mozes in het algemeen salu. De psalmist noemt ze nog algemener oph kanaph, gevleugelde vogels, of juister “langvleugelige vogels.” Het waren geen kwartels, zoals al onze vertalingen, oud en nieuw, ervan maken. Het was een kraanachtige rode vogel die op een gans lijkt, in het Arabisch nuham genoemd. Die ontdekking kreeg later een bijzondere en opvallende bevestiging. Deken Stanley, en eerder al Schubert, vonden namelijk reusachtige zwermen van precies deze nuhams op de plek waar het wonder zou zijn gebeurd, bij Kibroth-Hattaäva.
Houd die gegevens in gedachten en kijk dan naar de drie gedenktekenen die Niebuhr op het kerkhof van Sarbut el Khadem heeft getekend. Meteen valt op dat een kraanachtige vogel die op een gans lijkt, met een slank lijf en lange poten, het belangrijkste hiërogliefenteken is op alle drie de stenen. Op de eerste steen komen maar liefst vijfentwintig van deze vogels voor, op de tweede tien en op de derde vijftien. Af en toe zie je ook een gans, maar de belangrijkste afbeeldingen hebben de houding van een gans en de vorm van een kraan.
Kortom: het zijn precies de vogelsoorten die deken Stanley zag, zowel op deze plek op de Sinaï als bij de eerste waterval van de Nijl. Ze komen ook voortdurend voor op Egyptische gedenktekenen. Het lijkt wel alsof juist het voedsel van Egypte, waar de Israëlieten naar verlangden, hun werd gezonden om tegelijk hun prooi en hun plaag te zijn.
“En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten” (Ex. 16:3). Hier ligt dus een onweerlegbaar feit voor ons. De vogels die door allerlei bewijzen zijn vastgesteld als de salu’s, de langbenige en langvleugelige vogels van het wonder, zijn precies de vogels die op de grafstenen van Sarbut el Khadem staan afgebeeld: staand, vliegend en blijkbaar zelfs gebonden en gekookt… De onvermijdelijke conclusie is… dat deze grafstenen het wonder van het “gevleugeld gevogelte” gedenken, en dat ze staan boven de graven van de gulzigaards die ze hebben opgegeten. — Charles Forster, in “Israel in the Wilderness,” 1865.
Meneer Forster ontcijfert met zijn alfabet enkele van de door elkaar staande opschriften en tekens als volgt:
“Van de zee komen de kranen op één plaats samen;
De boogschutters schieten op de kranen die over de vlakte trekken.
Met een gulzige maag stormen zij op de prooi los —
Het graf hun lot — hun merg door God bedorven,
De slaperige uil, zinnebeeld des doods,
God zendt verderf onder hen.”
“De moeder der graven — de zwarte en witte ganzen,
Plotseling sterven, belust op vlees, de gulzigaards.
De Hebreeën bestijgen de bergtop,
Zij eten, verslinden, verteren tot niets meer overblijft, alle maat te buiten,
Hun lichamen bedorven; aan gulzigheid sterven zij.”
Vers 29
Let op hoe de profeet in deze psalm als het ware een gevecht laat zien tussen God en de mens. God strijdt met zegeningen, de mens met zonden. God zet Zijn macht in ten voordele van de onwaardige mens: “Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan” (Ps. 78:12). De mens betaalt de goddelijke macht terug met ontrouw: “Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen” (Ps. 78:17). En even verder, in Psalm 78:19: “Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?”
Ten tweede laat God Zijn mildheid als regen neerdalen om ondankbare zondaars met Zijn gaven te overladen: “Hij den wolken van boven gebood,” enzovoort, “en regende op hen het Man” (Ps. 78:23-24). Deze mensjes (homunciones) zetten
hun gulzigheid tegenover Gods vrijgevigheid en misbruiken de gaven die zij kregen: “Toen aten zij, en werden zeer zat” (Ps. 78:29). Ten derde begint de goddelijke gerechtigheid opnieuw te strijden, om tegelijk hun botheid te straffen: “Hun spijs was nog in hun mond, als Gods toorn tegen hen opging” (Ps. 78:30-31). Toch blijven ze koppig tegen de prikkel uitslaan: “Boven dit alles zondigden zij nog” (Ps. 78:32).
Ten vierde daalt de barmhartigheid uit de hemel neer om hen uit te nodigen tot vrede: “Doch Hij, barmhartig zijnde” (Ps. 78:38). Maar Zijn ontferming maakt de mensen alleen maar brutaler, en ze vallen daardoor nog makkelijker terug in de zonde: “Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn?” (Ps. 78:40). Ten vijfde en ten laatste, als alles verloren lijkt, komt de liefde dichtbij. Ze doet ongehoorde wonderen om hun hardheid te raken en hen te redden uit de gevaren waarin ze verkeerden: “Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte” (Ps. 78:43). Maar tegen deze pijlen van Zijn liefde zetten zondaars hun vergeten van al Zijn weldaden: “Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste” (Ps. 78:42).
Dit alles gebeurde nog vóór ze het beloofde land binnengingen. De strijd die zich in het beloofde land tussen de Hebreeën en God afspeelde, wordt in het volgende deel van de psalm verteld. — Thomas Le Blanc.
Verzen 29-31
Gevaarlijke gebeden. Als onze begeerte de woorden dicteert, kan Gods toorn het antwoord zijn. Laat Gods genade dicteren, en Zijn barmhartigheid zal antwoorden. — C. D.
Vers 30
“Zij waren nog niet vervreemd van hun lust.” Dit betekent dat ze nog steeds brandden van verlangen. Iemand kan tegenwerpen dat dit niet past bij de zin ervoor, waar staat dat “aten zij, en werden zeer zat.” Mijn antwoord is: als de gedachten van mensen niet binnen de grenzen van verstand en matigheid blijven, worden ze onverzadigbaar, zoals bekend is. Daarom zal grote overvloed het vuur van een verdorven eetlust niet doven. — Johannes Calvijn.
Vers 30
“Zij waren nog niet vervreemd van hun lust.” Verzadigd waren ze wel, maar tevreden niet. Het is even makkelijk het vuur van de Etna te doven als de gedachten die door begeerte in brand zijn gestoken. — John Trapp.
Vers 30
“Zij waren nog niet vervreemd van hun lust.” Bedenk dat je meer echte voldoening vindt in het doden van je begeerten dan in het voeden of vervullen ervan. Er is meer waar genot in je vlees te kruisigen en te beteugelen dan in het te bevredigen. Was er enig echt genot in de zonde, dan zou de hel geen hel zijn, want hoe meer zonde, hoe meer vreugde. Je kunt niet één begeerte tevredenstellen, hoe je ook je best doet en hoe volkomen slaaf je er ook van wordt. Je denkt dat je rust zou hebben als je kreeg wat je hart wenst. Daar vergis je je zwaar in: zij kregen het immers. — Alexander Carmichael.
Vers 31
“Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde.” Hier vallen twee dingen op. Ten eerste: waarom gaf Hij hun overvloed en genoeg kwartels, en strafte Hij daarna de morrende, ongelovige mensen? Had Hij hen eerder gestraft, dan zou het erop hebben geleken dat Hij meer kracht had om hen te verdelgen dan om hun vlees te geven. Daarom toonde Hij eerst Zijn macht. Zo werd het ongeloof van het volk des te duidelijker, en zo bleek hoe terecht de straf was. Eerst liet Hij zien dat Hij kon geven, omdat zij geloofden dat Hij het niet kon. Daarna strafte Hij hen voor hun ongeloof…
Ten tweede: Hij vernietigde de vetsten en de uitgelezenen van het volk, hoewel van hen allen wordt gezegd dat zij morden. Ongetwijfeld waren die de eersten in de overtreding, en daarom worden ze bij de straf in het bijzonder genoemd. — Musculus.
Vers 31
“Dat Hij van hun vetsten doodde.” Ze werden vetgemest als schapen voor de slacht. De slager pakt de vetste altijd het eerst. We mogen aannemen dat er ook vrome, tevreden Israëlieten waren. Zij aten met mate van de kwartels en kwamen er niet slechter van af. Want niet het vlees vergiftigde hen, maar hun eigen begeerte. Laat de genotzoekers en zinnelijke mensen hier hun vonnis lezen: zij, “welker einde is het verderf, welker God is de buik” (Filipp. 3:19). — Matthew Henry.
Verzen 31-34
Een christen heeft meer echt genot van het geschapene dan de goddeloze, want het komt zuiverder bij hem aan dan bij de ander. De goddeloze ellendeling slurpt het op met droesem en al: droesem van zonde en droesem van toorn. De beker van de christen is niet zo vermengd. Eerst de droesem van zonde. Hoe meer genietingen de schepping hem geeft, des te meer zondigt hij ermee. O, het is droevig om te bedenken wat ze in zijn goddeloze hart aanrichten! Ze zijn alleen brandstof waaraan zijn begeerte kan ontvlammen. Ze rennen weg met hun genietingen, zoals de verloren zoon met zijn geldbuidels, of als zwijnen die in de aarde wroeten. Je krijgt geen glimp van hen te zien en ze denken niet aan terugkeren, zolang ze buitenshuis nog iets kunnen krijgen tussen de genoegens van de wereld. Niemand is zo buitensporig goddeloos als wie hoog wordt gevoed met vleselijke genoegens.
Voor de goddelozen zijn die genoegens als de mest en het vuil voor het zwijn dat er vet van wordt door erin te liggen. Zo worden hun harten grof en vet, en hun gewetens stompen af en worden ongevoeliger voor de zonde door die dingen. De troost en het genot die God aan een heilige ziel geeft door het geschapene, worden daarentegen geestelijk voedsel voor haar genade. Ze brengen oefening in het goede voort, zoals ze bij anderen begeerten voortbrengen.
Dan de droesem van toorn. De Israëlieten hadden weinig plezier van hun lekkernijen, want Gods toorn viel op hen nog vóór ze het door hun keel konden krijgen. Het feestmaal van de zondaar is nauwelijks opgediend, of de goddelijke gerechtigheid maakt zich klaar om er een rekening achteraan te sturen. De vreselijke verwachting daarvan kan niet anders dan de smaak van het andere bederven. — William Gurnall.
Vers 33
“Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid.” Met grote nadruk zegt hij: “In ijdelheid vergingen hun dagen.” Ze werden duidelijk beroofd van hun hoop, en al hun lijden ondergingen ze tevergeefs. Ze bereikten niet wat ze hadden gehoopt. Alleen hun kinderen gingen het land binnen. — Mollerus.
Vers 33
De dagen worden het eerst genoemd en daarna de jaren. Daarmee wordt te kennen gegeven dat Gods vloek de duur van hun leven verkortte, en dat heel duidelijk te zien was dat ze midden in hun levensloop bezweken. — Johannes Calvijn.
Verzen 34-36
Sommige mensen nemen goede voornemens en besluiten zodra ze onder bezoekingen komen, ziek worden of koorts krijgen en God de dood boven hun hoofd laat zwaaien, of wanneer ze bij een plechtige verordening zijn. Ze leggen al snel geloften af, een persoonlijk verbond met God. Maar zoals ze gemakkelijk komen, zo gaan ze ook gemakkelijk weer weg: “Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg.” Onze bezoekingen zijn vaak als een dakgoot: bij een flinke bui lopen we over van voornemens richting God.
“En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong. Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.” En toch zochten ze Hem, en zochten ze Hem vroeg, toen Hij hen doodde. Dat laat zien dat voornemens en een verbond met God, als ze haastig tot stand komen, net zo plotseling weer verdwijnen. Het besluit moet dus doordacht zijn als we met de Borg een overeenkomst sluiten en ons verbinden tot meer waakzaamheid en tederheid. Anders is het zo weer verdwenen. — Alexander Wedderburn, in “David’s Testament, opened up in Forty Sermons,” 1701.
Verzen 34-37
In deze woorden zie je duidelijk dat dit volk heel vroeg en ernstig God zocht. Ze wilden dat Hij Zijn hand terugtrok en de oordelen wegnam die op hen lagen. Maar ze vroegen niet dat God hen zou genezen van de zonden die Hem hadden gebracht tot het trekken van Zijn zwaard, om het dronken te maken van hun bloed. Ondanks de droevige slachtingen die de goddelijke gerechtigheid onder hen had aangericht, vleiden en logen ze alleen maar en speelden ze toneel voor God. Ze wilden wel verlost worden van hun lijden, maar het kon hun niet schelen of ze van hun zonden verlost werden.
Ach! Een ziel die Gods genade kent, roept juist uit: Heere, neem alleen mijn zonden weg, dan ben ik tevreden en blij, ook als U Uw zware hand nooit terugtrekt. Een ware Nathanaël zucht het uit onder zijn zwaarste beproeving, zoals die goede man deed: A me, me salva, Domine, (Augustinus) verlos mij, o Heere, van die kwade mens, mijzelf. Geen last is zo zwaar als de last van de zonde. Heere! zegt de gelovige ziel, verlos mij van mijn innerlijke last, en leg op mij elke uiterlijke last die U maar wilt. — Thomas Brooks.
Verzen 34-37
Er is een soort mensen die van nature vijanden van God zijn en nog niet met Hem verzoend zijn, maar die toch midden in de zichtbare kerk leven. Ze houden zich sterk in en slikken hun vijandschap in. Door een zwakkere werking van het woord en de Geest van God in hun hart gaan ze zelfs God zoeken om vrienden met Hem te worden. Ze doen ook veel voor Hem, in uiterlijke daden, en ze kiezen de kant van Zijn vrienden. En toch blijft hun hart onveranderd. De vervloekte vijandschap van hun natuur leeft voort en is niet weggenomen, en zo blijven ze in de gal der bitterheid liggen.
Kijk maar naar de mensen in Psalm 78:34-37. Daar staat letterlijk dat ze “zochten God vroeg” en “gedachten, dat God … de Allerhoogste, hun Verlosser” was, terwijl Hij hen doodde. En toch vleiden ze Hem alleen met hun mond, enzovoort.
Een vleier is geen vriend, dat weet je best. Hij doet alsof hij heel vriendelijk is, maar zijn goede wil is van binnen niet echt. Hij doet het voor zijn eigen doel. Zo zoeken ook velen God, terwijl Hij hen toch als vijanden ziet. Ze zoeken Hem namelijk alleen omdat ze zelf in Zijn macht zijn. Het is moeilijk om zulke mensen te ontdekken. Ze doen zoveel alsof ze Zijn vrienden zijn, en ze bewijzen uiterlijk (misschien) net zoveel vriendelijkheden als echte vrienden. Vleiers zijn net zo gul met uiterlijke vriendelijkheid als ware vrienden, ja, vaak nog guller, juist omdat ze niet ontdekt willen worden.
Als geen van de eerdere kenmerken bij hen aanslaat of hen raakt, blijft er maar één goede weg over. We moeten de drijfveren achter alles wat ze doen onderzoeken. Komt het voort uit echte, innerlijke, zuivere en standvastige goede wil, ja of nee? Of komt het voort uit eigenbelang?
Zo gaan we ook te werk als we een aap veel dingen zien doen die een mens doet. Hoe maken we dan onderscheid tussen die handelingen bij de een en bij de ander? Door te kijken naar de innerlijke beginselen waaruit ze voortkomen. Bij de een komen ze voort uit verstand, bij de ander niet. Als dus bewezen kan worden dat alles wat iemand voor God lijkt te doen niet voortkomt uit goede wil jegens Hem, is dat genoeg om hem ervan te overtuigen dat hij nog niet met God verzoend is. Want als alle uiterlijke vriendelijkheid en alle vriendschapsbetuigingen niet uit een vriendelijke gezindheid en zuivere goede wil komen, maar helemaal uit eigenbelang, dan is het niets dan gemaakte vleierij, zelfs tussen mensen.
En zodra dat uitkomt, roept het dubbele haat op. Bij God is daar nog veel meer reden voor. Hij kent immers het hart, en Hem vleien is de grootste bespotting. Dat is juist wat mensen zo kwaad maakt bij wie vriendschap veinst: er zit spot in.
Dat God iedereen die zich niet uit zuivere goede wil tot Hem keert, voor een vleier houdt, blijkt duidelijk uit Psalm 78:36-37: “En zij vleiden Hem met hun mond, … en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.” Als het hart van mensen in hun daden niet innerlijk bij God is, zoals een vriend bij een vriend is, dan rekent Hij hen tot Zijn tegenstanders. “Uw hart,” zegt Petrus tegen Simon de tovenaar, “is niet recht voor God” (Handelingen 8:21), en daarom zegt hij hem dat hij “in een gans bittere gal” was (Handelingen 8:23). — Thomas Goodwin.
Vers 36
Vleierij tegenover God.
- Een veelvoorkomende zonde.
- Een hatelijke zonde.
- Een gevaarlijke zonde. — B. D.
Verzen 36-38
Eén ding staat vast, en het geeft de tekst zijn juistheid: God werd bewogen door een berouw dat zelfs niet de beginselen van een droefheid naar Gods wil over de zonde in zich had. Zelfs een toevallige toeschouwer, laat staan Hij Die het hart doorzoekt, zou het nooit hebben aangezien voor die boetvaardigheid die een diepe, innerlijke verandering veronderstelt. En toch was zelfs zo’n berouw nog genoeg om een beloning van God te krijgen. De rouwkleding zat wel om het lichaam, maar niet om de ziel. Niet de zonde zelf, maar de straf op de zonde bracht dit uiterlijke vernederen voort. Toch wees God dat afgedwongen smeken niet af. Hij gaf de redding waar ze Hem om vroegen, ook al kwam die smeking niet uit het hart.
Ja, God, Die voor geen karakter meer afschuw toont dan voor dat van de huichelaar, en Die niets verontwaardigder afwijst dan uiterlijk eerbetoon dat niet voortkomt uit een innerlijke, diepe buiging: van Hem kan worden gezegd dat Hij de vernedering van het volk wegnam alsof Hij hun hart niet kon lezen. Of alsof Hij hun hart wél las en hun ongebroken weerspannigheid zag, en dat schijnbare berouw toch een beloning waard vond…
Als God de schijn en het uiterlijk van berouw al niet zonder beloning laat, zal Hij dan écht berouw vergeten? Hij wendde vaak Zijn toorn af van mensen die Hem alleen met hun mond vleiden en met hun tong tegen Hem logen. Heeft Hij dan niets in voorraad voor wie nederig van geest is en met het offer van een gebroken hart tot Hem komt?
O, dat God Zijn tijdelijke toorn afwendde omdat de afgoden uiterlijk werden verlaten, is een machtig onderpand dat ook Zijn eeuwige toorn wordt afgewend als wij innerlijk verslagen zijn en bij de Zaligmaker schuilen. God moet eeuwig goed in voorraad hebben voor Zijn vrienden, als Hij zelfs Zijn vijanden met tijdelijk goed beloont. Ja, als ik zie hoe de Filistijnen en Ammonieten de afgodische Israëlieten onderdrukten, en daarna zie hoe die onderdrukkers werden teruggedreven, zelfs als beloning voor een hartloze dienst, o, dan leer ik dit: echt berouw over de zonde en echt geloof in het offer van Jezus Christus zullen alle vijanden verstrooien.
Ik laat het afvallige volk achter me, bevrijd ondanks de bekende holheid van hun beloften. En ik keer terug met de zekerheid dat een koninkrijk waar geen Filistijn en geen Ammoniet in kan vallen, het deel zal zijn van allen die redding zoeken door Christus. — Henry Melvill.
Vers 37
Hun hart was niet recht met Hem. God bevalt hun zolang Hij hen met eten verzadigt, maar niet wanneer Hij hun hart met Zijn genade vervult. Daarom betalen ze Hem terug met de mond en niet met het hart. Ze zijn helemaal mond en tong, zonder hart, maar God is helemaal hart en borst. Zij geven woorden; God geeft melk en volmaakte liefde. Bij velen dringt de liefde niet door tot hun diepste wezen. Ze blijft in de ingang steken. — Thomas Le Blanc.
Vers 37
Hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw, enz. Dit is de klacht die steeds terugkomt; zie Psalm 78:8 en 22. De hervorming die tot stand is gebracht, heeft geen duur en geen vastheid. Vergelijk Hosea 6:4. — J. J. Stewart Perowne.
Vers 38
Volgens de Babylonische Talmoed (B. Kiddoesjin 30a) is dit vers het middelste van de 5896 pesukim, de verzen van de Psalmen. Volgens B. Makkoth 22b werden Psalm 78:38 en daarvóór Deuteronomium 28:58-59 en 29:9 opgezegd terwijl de negenendertig zweepslagen werden geteld die de schuldige kreeg. Paulus kreeg die slagen volgens 2 Korinthe 11:24 vijf keer. — Franz Delitzsch.
Vers 38
Doch Hij, barmhartig zijnde, enz. Toen Zijn hand al omhoog was en Hij de slag wilde geven, trok Hij haar terug. Zo doet iemand die het niet over zijn hart kan verkrijgen. En toen Hij het uiteindelijk toch deed, wekte Hij niet al Zijn grimmigheid op. Hij liet een paar druppels vallen, maar goot niet de hele bui uit. Voor beide geeft Hij de reden: zij zijn maar vlees. Zijn voornaamste doel is immers barmhartigheid te bewijzen. Dat Hij bedroeft, gebeurt alleen bij gelegenheid. Daarom wordt Hij eerst getergd, en zwaar getergd, voordat Hij het doet.
Het is voor een bij van nature om honing te geven, maar ze steekt. Toch steekt ze alleen bij gelegenheid, als ze getergd wordt. Dat zien we uit ervaring ook bij God: Hij verdraagt mensen, en Hij verdraagt hen lang. Zij blijven in hun zonden en Hij blijft in Zijn barmhartigheden en houdt Zijn oordelen tegen. — John Preston (1587-1628), in “The Golden Sceptre held forth to the Humble.”
Vers 38
“Verzoende” is een heel ontoereikende vertaling van het Hebreeuwse woord. Dat roept onvermijdelijk de gedachte op aan verzoening als grond voor vergeving. — Joseph Addison Alexander.
Vers 38
Maar wendde dikwijls Zijn toorn af. God wordt elke dag getergd, en toch is Hij langzaam tot toorn. Soms heeft Hij zelfs besloten kwaad over een volk te brengen. Hij heeft Zich dan in de houding van het oordeel gesteld, het zwaard getrokken en hen geslagen. Zelfs dan houden zij niet op Hem te tergen, maar Hij houdt op hen te straffen. Zo houdt een liefdevolle vader die een weerspannig en slecht kind tuchtigt, soms zijn hand in, nog voordat het kind om genade smeekt. Hij houdt zich dan uit louter genade in.
Zo deed God met Israël. Ondanks hun veinzerij, met hun vleiende tongen en verbondbrekende harten, verzoende Hij hun ongerechtigheid en verdierf Hij hen niet. Ja, dikwijls wendde Hij Zijn toorn af en wekte Hij Zijn grimmigheid niet op. De woorden zijn: Hij vermenigvuldigde om Zijn toorn af te wenden. Zoals zij het aantal van hun daden vermenigvuldigden om Zijn toorn op te wekken, zo vermeerderde Hij het aantal van Zijn daden om haar af te wenden. En zo overtrof Hij uiteindelijk hun zonden in aantal met Zijn barmhartigheden, zodat zij niet omkwamen. — John Strickland, in “A Sermon preached before the House of Commons,” getiteld “Mercy rejoicing against Judgment,” 1645.
Vers 38
En wekte Zijn ganse grimmigheid niet op. Zijn lankmoedigheid blijkt uit de manier waarop Hij Zijn oordelen temt wanneer Hij ze zendt. Leegt Hij Zijn koker met pijlen? Raakt Zijn voorraad donder op? Nee! Hij zou het ene onweer na het andere over alle mensen kunnen laten rollen. Voor Hem is het even gemakkelijk een voortdurende beweging van bliksem en donder te scheppen als van zon en sterren, en de wereld net zo angstaanjagend te maken door het een als ze prachtig is door het ander. Hij opent niet al Zijn voorraad. Hij stuurt een lichte afdeling uit om met de mensen te schermutselen, maar zet niet Zijn hele leger in slagorde. Hij wekt niet al Zijn toorn op.
Hij knijpt maar, waar Hij had kunnen verscheuren. Wanneer Hij veel wegneemt, laat Hij genoeg over om ons in leven te houden. Had Hij al Zijn toorn opgewekt, dan had Hij alles weggenomen, en ons leven erbij. Hij raapt slechts een paar vonken bijeen en grijpt maar één brandende tak om naar de mensen te gooien, terwijl Hij de hele oven over hen had kunnen leegstorten. Hij stuurt maar een paar druppels uit de wolk, die Hij in haar geheel kon laten losbreken en op onze hoofden laten neerstorten om ons te overweldigen. Hij houdt veel in van wat Hij zou kunnen doen, en dat is genade. — Stephen Charnock.
Vers 39
Een wind, die henengaat.
“De stille raderen van de jagende tijd
Waarschuwen zo kort en wentelen zo snel,
Dat ik al dood ben eer ik schijn te leven.
En wat is het leven? Een vermoeide pelgrimsreis,
Waarvan de glans in één dag het toneel vult
Met kindsheid, mannenjaren en gebrekkige ouderdom.
En wat is het leven? Het bloeiende gewaad
Van de trotse zomerweide, die vandaag
Haar groen fluweel draagt en morgen hooi is.
En wat is het leven? Een ademtocht, gehuld in kleren,
Gevoed met spijs, vastgeklemd met bittere afkeer van zichzelf,
Tot het, zichzelf moe, weer tot niets vergaat.” — Francis Quarles.
Vers 40
Hoe dikwijls verbitterden zij Hem, enz. Ze tergden God minstens tien keer (Numeri 14:22) tijdens de eerste twee jaar van hun reis door de woestijn: (1) bij de Rode Zee (Exodus 14:11-12); (2) bij de wateren van Mara (Exodus 15:24); (3) in de woestijn Sin (Exodus 16:2); (4) toen ze het manna bewaarden tot de volgende dag (Exodus 16:20); (5) toen ze op de sabbat manna verzamelden (Exodus 16:27); (6) in Rafidim, waar geen water was (Numeri 20:2,13); (7) bij de Horeb, toen een gegoten kalf werd gemaakt (Exodus 32:1 enz.); (8) in Tabera (Numeri 11:1-3); (9) toen ze naar vlees verlangden (Numeri 11:4); (10) toen ze morden over het bericht van de mannen die waren gestuurd om het land te verkennen (Numeri 14:1 enz.). — Daniel Cresswell.
Vers 40
Hoe dikwijls. God hield bij hoe vaak ze Hem tergden, ook al deden zij dat zelf niet. Zie Numeri 14:22: “Mij nu tienmaal verzocht hebben.” — Matthew Henry.
Vers 41
Want zij kwamen alweder. Over het woord vayashuvu, dat wij vertalen met: en zij keerden terug. Sommigen zeggen dat dit betekent dat ze weer naar Egypte wilden, anderen dat ze terugvielen in hun oude gewoonte van opstand. Ik zeg: hier heeft het zo’n betekenis niet. Het is een Hebraïsme, een eigen Hebreeuwse manier van zeggen, en moet worden weergegeven als: zij keerden terug en verzochten. Dat wil zeggen: saepius tentaverunt, zij verzochten Hem telkens weer, of zij verzochten Hem opnieuw. — Thomas Froysel, in “Sermons concerning Grace and Temptation,” 1678.
Vers 41
Verzochten God. Dit zegt alleen dat mensen met God omgaan alsof Hij verzocht kon worden. Ze gedragen zich zo dat ze Hem op de proef stellen, Zijn rechtvaardige ongenoegen opwekken en Hem tegen zich in beweging brengen, alsof het voor Hem billijk zou zijn dat ook werkelijk te doen vanwege hun overtredingen. Dit staat helemaal niet haaks op wat Jakobus zegt: “God kan niet verzocht worden met het kwade.” Dat betekent dat het kwade geen invloed op Hem kan hebben. Het kan Hem er niet in meetrekken en niet tot zich keren, zodat Hij de macht ervan zou voelen of besmet zou raken.
Hij staat er oneindig ver van af, er hoog boven verheven, in al zijn vormen. En dat is Hij door de volstrekte volmaaktheid van Zijn wezen en Zijn zaligheid. — John Adam, in “Exposition of the Epistle of James,” 1867.
Vers 41
En stelden den Heilige Israels een perk. Ze beperkten óf (1) Gods macht, zoals hierboven in Psalm 78:19-20, óf (2) Gods wil. Dan schreven ze Hem voor wat Hij moest doen, en wanneer, en op welke manier, en morden ze tegen Hem als Hij hun bijzondere en velerlei wensen niet steeds inwilligde. — Matthew Poole.
Vers 41
En stelden den Heilige Israels een perk. Wat een vreselijke beschuldiging! En hoe geheimzinnig lijkt ze ons, nu ze zo vreselijk is. Hoe ontzettend dat de mens, die worm, zich aanmatigt tot Hem Die hem gemaakt heeft te zeggen: “Tot hiertoe zult Gij komen, en niet verder.” Verbazend, zeg ik, is die beschuldiging: de afmetingen en werkingen van de Godheid beperken! Wat een verbazende brutaliteit om een grenslijn te trekken waar de Schepper Zelf niet overheen mag, en de Wetgever van de natuur Zelf de weg van Zijn voorzienigheid voor te schrijven! De lelijkheid daarvan is onmetelijk.
Maar we weten, vrienden, dat deze misdaad niet ongewoon is. Eén van de natuurlijke gevolgen van de zonde lijkt dit te zijn: de zondige geest, of het nu die van de mens is of van de verloren aartsengel, kan de vaste grondvesten van de eeuwige troon niet laten wankelen. Daarom vermaakt hij zijn boosaardigheid, en zoekt hij tijdelijke verlichting van zijn verterende zorgen door aan de buitenranden en grenzen van het rijk van de Almachtige afsluitingen op te richten. Hij hoopt tevergeefs de Bezitter van de troon te hinderen, Die hij toch niet kan verontrusten.
Wat een ontroerende woorden! Raken ze je echt zoals ze mij raken? “Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.” Op de een of andere manier lijkt geen combinatie van woorden zo ontroerend te kunnen zijn. Zij beperkten God. Zij beperkten de Almachtige. Zij beperkten de Oneindige. Nee! Deze woorden bevatten een ontzaglijke, ontroerende golfslag van betekenis. Want ze beschrijven Hem, een ontzagwekkend, in Zichzelf besloten Wezen, Wiens essentie eeuwigheid en macht is, Wiens zelfbestaan blijkt uit de verbazende wonderen van de natuur, Wiens leven wezenlijk bestaan was.
Zij beperkten Hem. Hem in Wiens wezen al het bestaan werd opgeslorpt en opgenomen. Hem voor Wiens blik bergen en heuvels wegvluchtten en niet meer werden gevonden. Hem Die van eeuwigheid is, God, Die boven allen is, tot in eeuwigheid gezegend. Hem voor Wie alle volken waren als een druppel aan een emmer, en Die de eilanden optilde als een heel klein ding. Hém beperkten zij! Wat een onbeschaamdheid!
Zij hadden Zijn karakter gekend als dat van de Heilige. Het was alles wat ze van Zijn karakter wisten. Maar het was omringd met een ontzag dat nog verschrikkelijker was dan de eenzame macht en zelfrust van de Godheid. In ontzagwekkende woorden en betekenissen hadden ze Zijn karakter horen uitroepen: de Heilige. Hém beperkten zij. Hem Wiens troon omhangen was met de vreselijke vleugels van de zondeloze aartsengelen, die door de duisternis van die onuitsprekelijke helderheid roepen: “Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige!” En Wiens heiligheid zelfs bevestigd werd door de wanorde van de rollende wereld. Zij beperkten Hem.
Persoonlijker, en daarom wonderlijker, werd de gruwelijkheid. De generaties van hun volk hadden van Hem getuigd als de Heilige Israëls. Zij hadden de wonderen van Zijn heiligheid en macht gezien in Egypte en in de Rode Zee. Zij hadden gehoord van de God van Abraham, Izak en Jakob. Zij hadden gehoord van Hem Die tot hun Aanvoerder had gesproken in de braamstruik, brandend van vuur. Zij zagen Zijn vuur- en wolkkolom. Zij wisten zichzelf goddelijk uitgezocht en verkoren. En Hem Die hen koos, beperkten zij! Wat hun geloof had moeten verzekeren, werd alleen maar de bron van hun misdadigheid. — E. Paxton Hood.
Vers 41
“En stelden den Heilige Israels een perk.” God kan het niet verdragen dat wij Hem beperken. Niet in de tijd, niet in de manier, niet in de middelen waarmee Hij helpt. Hij beschuldigt de Joden van deze vermetelheid: zij stelden den Heilige Israëls een perk. Het is ondraaglijk als iemand een oneindige wijsheid en macht probeert af te bakenen. Hij zal werken, maar wanneer het Hem behaagt, en hoe het Hem behaagt, en met de middelen die Hem behagen. Of, als het Hem goeddunkt, zonder enig middel. Ook door zwakke en onwaarschijnlijke middelen, door middelen die iedereen veracht en afwijst. — Joseph Caryl, in een “Sermon before the House of Commons” (een preek voor het Lagerhuis), getiteld “The Works of Ephesus.”
Vers 41 (laatste zinsnede)
Dit was de zonde van Israël. En zijn wij daar niet vaak schuldig aan geweest? Onze God is de “Heilige”. Hij zal doen wat het meest tot Zijn eer strekt. Hij is de Heilige Israëls, en daarom zoekt Hij het welzijn van Zijn volk. We mogen Zijn wijsheid niet beperken, want die is oneindig. We mogen Zijn macht niet beperken, want die is almachtig. We mogen Hem ook niet aan onze tijd binden, want Hij zal Zijn soevereiniteit tonen. Hij laat Zich niet dwingen om onze regels te volgen, en Hij is niet verplicht om onze klok aan te houden. Maar Hij brengt Zijn woord tot vervulling, Hij eert ons geloof en Hij beloont wie Hem ijverig zoeken. — James Smith.
Vers 41
Stelden een perk. Het Hebreeuwse woord komt nog maar op één andere plaats voor (Ezra 9:4). Daar betekent het: een merkteken op iemand zetten. Sommigen passen dat hier bij wijze van spreken toe, in de zin van brandmerken of beledigen. — Joseph Addison Alexander.
Vers 41
En stelden den Heilige Israels een perk, of: zij merkten Hem. Volgens de Targum merkten ze Hem met een teken. Jarchi legt het zo uit: zij daagden Hem uit door van Hem een teken te vragen. Ze drongen aan op een wonder, waaraan te zien zou zijn of de Heere wel of niet onder hen was (Ex. 17:7; vergelijk Matth. 16:1). Kimchi denkt aan grenzen: zij stelden grenzen aan Zijn macht en goedheid. Dit kon Hij wel doen, zeiden ze, en dat andere niet (zie Ps. 78:19-20).
Zo beperken mensen de Heere ook als ze de zegen die ze willen precies vastleggen: déze zegen en geen andere. Ook de mate leggen ze vast, tot welke hoogte hij hun geschonken moet worden, en het tijdstip waarop ze hem willen ontvangen. Maar de zegen zelf, de mate ervan en het tijdstip van de gift horen allemaal aan de Heere overgelaten te worden. Hij weet wat daarvan voor ons het beste is en wanneer het beste moment is om het ons te geven. — John Gill.
Vers 41
Den Heilige Israëls een perk stellen: dat is wantrouwen dat God de macht heeft om al Zijn genaden waar te maken. Wantrouwen dat Hij kan doen wat in elk geval nodig is voor Zijn volk, en dat Hij Zijn plannen met hen kan uitvoeren. Op het moment dat ik veronderstel dat iets niet tot zegen kan zijn, beperk ik God. Dat is een grote zonde. Dubbel groot, als we bedenken wat Hij al niet voor ons gedaan heeft. De Heilige Geest redeneert altijd vanuit Gods geopenbaarde, oneindige liefde door tot al haar gevolgen. Hij heeft verzoend; dan zal Hij ons zeker ook zaligmaken tot het einde toe. Hij heeft Zijn Zoon niet gespaard; hoe zal Hij ons dan met Hem niet alle dingen schenken? — J. N. Darby.
Vers 42
“Zij dachten niet aan Zijn hand”, enzovoort. God haat het als we Zijn weldaden vergeten. Ten eerste omdat Hij ons geboden heeft ze niet te vergeten (Deut. 4:9; 8:14). Ten tweede omdat vergeten een teken van minachting is. Ten derde omdat het een bijzondere onachtzaamheid verraadt. Ten vierde omdat het voortkomt uit ongeloof. Ten vijfde omdat het het duidelijkste kenmerk van ondankbaarheid is. — Thomas Le Blanc.
Vers 42
“Zij dachten niet aan Zijn hand”, enzovoort. Waar komt het geloof samen in tijden van beproeving? Bij de eerste openbaring van genade. Voor een Israëliet is de herinnering aan de verlossing uit Egypte de toetssteen van een levend geloof. Zo is het voor de beproefde gelovige van nu het kruis dat de uitweg wijst uit de nevelachtige duisternis waarin Satan ons geweten soms mag hullen, wanneer we de Heere niet waakzaam voor ogen hebben gehouden.
Omdat Israël die eerste verlossing vergat, ging het eigenzinnig verder op de weg van het kwaad. Zo blijft ook een christen in zijn geestelijke strijd soms steken vóór hij het kruis bereikt. Hij verslaat de vijand dan niet, en blijft onvruchtbaar en ongelukkig. Dat duurt voort totdat de grote Herstelder ingrijpt en hem in zijn hart terugbrengt naar de plaats waar God hem voor het eerst ontmoette, en hem in Jezus welkom heette in de volheid van vergeving en vrede. Geen ervaring daartussen helpt hem hier, hoe echt die ook is.
Alleen bij het kruis krijgen we een gezonde, eerlijke houding terug, tegenover onszelf én tegenover God. Willen we Hem verheerlijken, dan moeten we “het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden”, Hebr. 3:14. — Arthur Pridham.
Vers 42
“Zij dachten niet aan Zijn hand”, enzovoort. Gegeten brood is snel vergeten. Nihil citius senescit quam gratia: niets veroudert zo snel als een gunst. — John Trapp.
Vers 43
Zoan, ook wel San genoemd, was blijkbaar een van de belangrijkste hoofdsteden van de Farao’s, een van hun koninklijke residenties (Jes. 19:11, 13; 30:4). Daarom wordt het veld van Zoan, de mooie vruchtbare vlakte van aangeslibde grond rondom de stad, beschreven als het toneel van de wonderlijke werken die God in de tijd van Mozes deed. — John Kitto.
Verzen 43-51
Mozes deed wonderen die verwoestten; Christus deed wonderen die bewaren. Mozes veranderde water in bloed; Christus veranderde water in wijn. Mozes bracht vliegen, kikvorsen, sprinkhanen en rupsen, die de vruchten van de aarde opvraten en kwelden. Christus liet een klein beetje van die vruchten groeien, vijf broden en enkele vissen, door ze te zegenen, zodat Hij er vijfduizend mannen mee voedde.
Mozes sloeg mensen en vee met hagel, donder en bliksem, zodat ze stierven. Christus maakte sommige doden weer levend en redde zieken en kranken van de dood. Mozes was een werktuig om allerlei toorn en kwade engelen onder hen te brengen. Christus wierp duivels uit en deed allerlei goed: Hij gaf de blinden hun gezicht, de doven hun gehoor, de stommen hun spraak, de lammen hun benen en de melaatsen reiniging. En toen de zee onstuimig was, bedaarde Hij haar.
Mozes doodde hun eerstgeborenen en veroorzaakte zo een ontzettend geschrei in heel Egypte. Christus redt álle eerstgeborenen, of Hij maakt hen tot eerstgeborenen door hen te redden. Want zo worden zij genoemd, Hebr. 12:23. — John Mayer.
Vers 46
Kruidworm. Het woord chasil geeft de Septuagint in 2 Kron. 6:28 weer met broukos. Aquila doet dat hier ook, en de Vulgaat in Kronieken en in Jes. 33:4. Hieronymus vertaalt het hier met bruchas, “de kever”, en iedereen weet dat die de bladeren van bomen massaal verslindt. De Syrische vertaling geeft het in Joël 1:4; 2:25 weer met tzartzooro. Michaëlis leidt dat af van het Arabische tzartzar, “krekel”, en verstaat het als de molkrekel. Ook die richt in zijn larvestadium grote verwoesting aan in koren, gras en andere gewassen, doordat hij de wortels aanvreet waarvan hij leeft. — Redactionele aantekening bij Calvijn op deze plaats.
Vers 46
Rups. Vroeger noemde men zo elk verwoestend, kruipend schepsel dat op bebouwde grond voorkwam. Tegenwoordig beperken we de term, in onderlinge overeenstemming, tot het tweede stadium van de insecten uit de orde van de schubvleugeligen, dat zijn vlinders en motten. Rupsen vallen op door de vraatzucht waarmee ze de bladeren, de vrucht en soms zelfs het harde hout van planten en bomen aanvallen. Dat merkt ook wie weinig van de natuur weet. — “Biblical Treasury.”
Vers 46
Sprinkhaan. Wie hun verbazende menigte nooit zelf gezien heeft, gelooft hun aantal niet. Over een gebied van meerdere mijlen is de hele aarde ermee bedekt. Het geluid dat ze maken terwijl ze bomen en kruid afknagen, is op grote afstand te horen. Het klinkt als een leger dat in het geheim plundert. Zelfs de Tartaren zijn een minder verwoestende vijand dan deze kleine diertjes. Je zou denken dat het vuur hun route gevolgd had. Waar hun myriaden zich verspreiden, verdwijnt het groen van het land. Bomen en planten, kaalgevreten en teruggebracht tot hun naakte takken en stammen, laten het troosteloze beeld van de winter in een oogwenk de plaats innemen van het rijke tafereel van de lente.
Wanneer deze wolken sprinkhanen opvliegen, om een hindernis te nemen of sneller een dorre vlakte over te steken, kun je letterlijk zeggen dat de hemel erdoor verduisterd wordt. — F. C., graaf de Volney.
Vers 47
“Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.” De wijnstok voor de rijke en de wilde vijg voor de arme: Gods rechtvaardig oordeel nam ze beide weg van het volk. — W. Wilson.
Vers 47
De wilde vijgeboom (sycomore, niet sycamore, want dat is iets heel anders, al wordt het door een drukfout in onze Bijbels vaak met de sycomore verward) was een boom die in Egypte veel voorkwam, Amos 7:14; Luk. 19:4. Zijn bladeren leken op die van de moerbei en zijn vrucht op die van de vijg. Van zijn opbrengst leefden de lagere standen grotendeels. De psalmist noemt maar één soort, maar hij bedoelt duidelijk elke soort kostbare boom. — William Keatinge Clay.
Vers 49
“Met uitzending der boden van veel kwaads” (Engels: kwade engelen). Het kwaad komt ongeroepen, maar nooit ongezonden. Worden ze hier niet engelen genoemd? Ze worden gezonden. Het woord engel betekent immers bode. Geen levenloos ding, maar ook geen levend wezen, geen dier, geen mens, zelfs Satan zelf niet, kan schaden tenzij God het gebiedt.
De duisternis van drie dagen in Egypte: hoe kwam die? “Hij zond duisternis”, zegt David (Ps. 105:28). Zo ook de hagel, de donder en de bliksem: de Heere zond ze, zegt Mozes. De kikvorsen, vliegen, luizen, sprinkhanen en rupsen die Egypte plaagden, en de leeuwen die de afgodendienaars in Samaria doodden (2 Kon. 17): over hen allen zegt de tekst: Dominus immisit, de Heere zond ze. En wat mensen betreft: “Ben ik”, zegt Rabsake, “zonder den HEERE opgetogen tegen deze plaats?” Hij had mij bevolen te gaan. Ja, zelfs de duivel, de boze aartsengel die zoekt te verslinden, moet eerst gezonden worden voor hij iets kan doen. De leugengeest in de monden van de valse profeten wilde Achab verleiden. God moest eerst bevelen: Egredere, ga uit, en doe zo.
Het nut hiervan ziet iedereen zonder mijn hulp. Wie het goede doet, hoeft niets te vrezen. Geen mens, geen duivel, geen schepsel kan je schaden, want God zendt ze niet. Maar wie zondigt, moet alles vrezen. Het zwakste schepsel kan de machtigste mens overmeesteren als God zegt: ga! Een muis, zegt de dichter, zal een goddeloos mens bijten. Al is het de trotse Herodes of de grote Antiochus: als God de schepselen maar vraagt: Quem mittam, wie van jullie zal Ik zenden?, dan antwoordt de worm: Ecce me, zend mij; ik zal hem verslinden. En zulke arme, eenvoudige, verachtelijke schepselen zijn sommige van deze kwade engelen in mijn tekst.
Hij zond: wat zond Hij? Kwade engelen, staat er direct in dezelfde Schriftplaats. Kwade engelen? Par dispar: twee woorden die niet goed bij elkaar lijken te passen. Het tweede kan tegen het eerste zeggen: Quid mihi et tibi, wat heb ik met jou te maken? Engelen waren immers de beste en heiligste van Gods schepselen. Allen waren ze goed, zeer goed, zegt Mozes; maar engelen waren kat’ exochen, bij uitstek goed. Dan zou “kwaad” hier een kwaad bijvoeglijk naamwoord bij engelen zijn. Dat lees je nergens anders dan hier, en hier (denken sommigen) is het niet goed vertaald.
De uitdrukking “kwade engelen” heeft hier namelijk een andere betekenis: de engelen, dat wil zeggen de boden van het kwaad. In het Hebreeuws staat niet malakim maar mal’achei. Daarom denken sommige uitleggers dat de psalmist doelt op de woorden van Mozes en Aäron. Die werden van God gezonden als boden van het kwaad, dat wil zeggen alle plagen die God over Egypte zou brengen. Die uitleg veroordeel ik niet, maar ik volg hem ook niet. De Griekse kerkvaders hebben een andere: onder de kwade engelen worden de boze geesten verstaan. Ook Christus noemt hen engelen: de engelen van de duivel. Augustinus houdt niet van die uitleg. De meest gangbare uitleg is die van een Joods schrijver: de “kwade engelen” zijn de tien afzonderlijke plagen. — Richard Clerke (gest. 1634).
Vers 49
“Met uitzending der boden van veel kwaads” (Engels: kwade engelen). Elke gelovige weet dat de duivel en zijn engelen zo boos zijn dat het eeuwige vuur voor hen bereid is. Maar dat door hun bemiddeling een bezoeking van de Heere God gezonden wordt over mensen die Hij deze straf waardig acht, lijkt hard. Zo voelt het wie weinig geneigd is na te denken over hoe Gods volkomen gerechtigheid zelfs kwade dingen goed gebruikt. Want wat hun wezen betreft: welke andere persoon dan Hij heeft hen gemaakt? Boos heeft Hij hen niet gemaakt. Toch gebruikt Hij hen, omdat Hij goed is, op een gepaste en rechtvaardige manier. Zoals onrechtvaardige mensen omgekeerd Zijn goede schepselen op een kwade manier gebruiken.
God gebruikt dus kwade engelen om kwade mensen te straffen, zoals bij allen over wie de psalm spreekt. Zoals bij koning Achab, die een leugengeest naar Gods wil misleidde, zodat hij in de oorlog zou vallen. Maar Hij gebruikt hen ook om goede mensen te beproeven en openbaar te maken, zoals Hij bij Job deed. — Augustinus.
Vers 50
“Hij woog een pad voor Zijn toorn.” Letterlijk: “Hij woog een weg.” Dat laat zien dat God, door de Egyptenaren zo zwaar te straffen, niets anders deed dan wat rechtvaardig en billijk was, afgewogen op de weegschaal van het recht. Vergelijk Spr. 4:26. — A. R. Fausset.
Vers 50
“Hij woog een pad voor Zijn toorn.” Het is alsof de psalmist zegt: als er geen weg was voor Zijn toorn, dat wil zeggen voor het uitvoeren van Zijn toorn, dan baande Hij Zich er zelf een. Hij vond geen weg, dus maakte Hij er een. Hij vocht Zich door alle moeilijkheden heen die de vernietiging van Zijn vijanden leken tegen te houden.
In de kantlijn van onze Bijbel staat: Hij woog een pad. Hij maakte het pad zo nauwkeurig alsof Hij het in een weegschaal had gelegd. De weg paste bij de grootte van Zijn eigen toorn en bij de afmetingen van hun goddeloosheid. Zo maakte Hij een weg voor Zijn toorn: Hij stemde de weg af op Zijn toorn én ruimde alle hindernissen uit de weg van Zijn toorn. Als God werkt om te redden, wie zal het verhinderen? En als God werkt om te verdelgen, wie of wat zal het verhinderen? — Joseph Caryl.
Vers 51
“Het beginsel der krachten in de tenten van Cham.” De zon van de laatste dag van Israëls verblijf in Egypte was ondergegaan. Het was de vierde dag na het gesprek met Mozes. Farao, zijn vorsten en de priesters van zijn afgoden hadden ongetwijfeld moed geput uit dit ongewone uitstel. Jehova en Zijn dienaren waren eindelijk verslagen, want nu behaalden de goden van Egypte de overhand! De zege zou gevierd worden met praal en offers, met feesten en dansen. Niets is waarschijnlijker dan dat de feestzalen van Farao in Rameses straalden van de lampen. En dat hij en zijn vorsten plengoffers van wijn uitgoten voor hun goden, en midden in hun slemppartij plannen smeedden om Israëls slavernij te laten voortduren…
Farao Sethos schoot die nacht overeind van zijn legerstede, gillend van woeste en bittere pijn. Hij knaagde aan de scherpe pijl die als bij een gewonde leeuw in zijn ingewanden woelde. Zijn zoon, zijn eerstgeborene, zijn enige zoon, net volwassen, net tot koning van Egypte gekroond en met zijn vader verbonden in de zorg voor het bestuur, kronkelde voor hem in doodsstuipen en stierf. Zijn uitbarstingen van verdriet werden weergalmd, en niet met een gespeelde stem, door de vorsten, de raadslieden en de priesters die zijn brasserij deelden. Ieder scheurde zijn kleren en drukte het trillende lichaam van zijn eerstgeboren zoon tegen zijn borst.
In die vreselijke nacht: “er was een groot geschrei in Egypte”. Maar als we haar geschiedenis juist gelezen hebben, steeg de luidste, wildste klacht van wroegende angst op uit de feestzaal van Farao! — William Osburn, in “Israel in Egypt”, 1856.
Vers 52
En Hij voerde Zijn volk als schapen. Er staat niet dat ze als schapen uittrokken, maar dat Hij hen als schapen liet uittrekken. Dit zegt dus niets over het karakter van het volk zelf. Het is juist een lofprijzing op Gods zorg en goedheid. Zoals een goede herder bracht Hij Zijn eigen volk volkomen veilig uit Egypte, als schapen die uit het midden van de wolven worden weggegrist. — Musculus.
Vers 53
Zodat zij niet vreesden. Ten eerste hadden ze bij hun vertrek uit Egypte geen enkele reden tot angst: (1) ze zagen de Egyptenaren sterven, maar tegen hen liet zelfs geen hond een kik horen; (2) ze waren allemaal gezond; (3) ze waren rijk geworden door de buit van de Egyptenaren; (4) ze trokken uit als een grote menigte; (5) ze hadden zich van wapens voorzien. Ten tweede vreesden ze ook niet om de Rode Zee in te gaan, want de schrik die Farao’s nadering had veroorzaakt, was snel verdwenen. Ten derde waren ze niet bang om veertig jaar door de woestijn te zwerven, omdat God Zijn kolom voor hen uit liet gaan. Ten vierde vreesden ze niets, ook al werden ze door vijanden aangevallen en bedreigd. — Thomas Le Blanc.
Vers 54
En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid. Dat wil zeggen: tot het heilige land. Dat gebied heet zo om verschillende redenen, maar vooral vanwege Gods heiligdom, de plaats waar Hij woonde. Het hele land was daarbij slechts de grens en de omlijsting. Zo bijzonder was die ene plaats, de plek waar Hij Zelf woonde! Haar heiligheid straalde als het ware uit over elk ander deel van het land, alsof het geheel één heiligdom was, gewijde grond. Het is dus een eer voor het hele land, en niet alleen voor het heiligdom, dat Hij het noemt: de heilige landpale, een landpale van Zijn heiligheid. — Annotaties van de Westminster-synode.
Vers 57
Zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. Een oosterse boog heeft in rust één bepaalde kromming. Om hem te spannen en van de pees te voorzien, moet je hem eerst de andere kant op buigen. Probeert iemand die er niets van kent of die zwak is dat te doen, dan springt de boog terug in zijn oude stand, als hij niet erg oplet. Dat kan zelfs je arm breken, als het ongelukkig uitpakt. Ik heb het zelf meegemaakt: een gespannen boog schoot opzij en sprong terug in zijn ruststand. Dat was niet zonder gevaar voor mij, en een paar keer kreeg ik er letsel van.
Dit beeld komt vaak voor in de Heilige Schrift, maar niemand heeft het begrepen, omdat men de oosterse boog niet kende. Zo’n boog moet eerst naar de tegenovergestelde kant worden gebogen, voordat hij bruikbaar is. Is hij niet goed gemaakt, dan vliegt hij terug als je de pijl afschiet. Van de boog van Jonathan staat geschreven: “werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven”, 2 Sam. 1:22, lo nasog achor, “hij kromde zich niet naar achteren”. Het was een goede boog, een boog waarop hij kon rekenen. Hosea, Hos. 7:16, vergelijkt het ontrouwe Israël met een bedrieglijke boog. Die schiet, als hij gespannen is, plotseling opzij en keert terug naar zijn vroegere stand. Dezelfde gedachte vinden we in Jer. 9:3.
Het is precies de boog waarover Homerus schrijft, Odyssee 21. Geen van Penelope’s vrijers kon hem spannen. In rust heet hij toxon palinonon, de kromme boog. Is hij klaar voor gebruik, dan heet hij toxon palintonon, de teruggebogen boog. Wat Odysseus’ boog en de proef van zijn kracht en handigheid bij het spannen betreft, daar hebben de critici en uitleggers niets van kunnen maken. Ze kenden het bedoelde werktuig immers niet. Elders heb ik een verhandeling over de boog van Homerus geschreven. Het beeld klopt volkomen en is heel treffend. Toen deze Israëlieten uit hun natuurlijke kromming werden gebracht, sprongen ze snel terug en vielen ze weer in hun oude gedrag. — Adam Clarke.
Vers 57
Opzij schietend als een gebroken boog (Engels Gebedenboek). Maar als een boog breekt, schiet hij niet meer opzij. De veerkracht die hem zou laten wegschieten, is dan juist verdwenen. — Stephen Street.
Vers 57
Zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog. Zolang de boog niet gespannen is, valt de barst die erin zit misschien niet op. Maar gebruik hem: trek de pijl tot aan de punt, en hij spat uit elkaar. Zo gaat het met een vals hart als het op de proef wordt gesteld. In de fabel kleedt men een aap als een mens. Gooi je dan noten voor haar neer, dan kan ze haar aard niet langer verbergen en laat ze zien dat ze echt een aap is. Een vals hart verraadt zichzelf, nog voor het er erg in heeft, zodra er een mooie gelegenheid is voor zijn verlangens. Oprechtheid daarentegen houdt de ziel zuiver als de verleiding komt. — William Gurnall.
Vers 57
Het vierde is de bedriegelijke boog (qeshet remiyyah), een slappe of kromtrekkende boog: arcus doli vel dolosus seu fallax (Hebreeuws). Zo’n boog bedriegt zeker de schutter die ermee schiet. Hij slaat terug in de buik, zoals boogschutters dat noemen. Je kunt je oog en je pijl nog zo recht op het doel richten en vol vertrouwen bij jezelf denken dat je raakt, toch vliegt de pijl door het kromtrekken van de boog uiteindelijk de tegenovergestelde kant op. Soms keert hij zelfs terug naar de schutter zelf. Non semper feriet, quodcunque minabitur arcus: de boog treft niet alles waarmee hij dreigt.
Een slecht gemaakte of kromtrekkende boog draait om in de hand van de schutter en stuurt de pijl nu eens deze kant op, dan weer die kant. Soms springt hij terug in zijn eigen zij. En een rotte boog, hoe mooi hij er ook uitziet, breekt in de hand zodra de pijl tot aan de punt wordt getrokken, en zo bedriegt hij de boogschutter. Hetzelfde gebeurt als de pees slecht is en breekt wanneer je de pijl trekt. Dit is niets minder dan een goddelijke beeldspraak uit de Schrift.
Kijk: zo’n bedrieglijke, kromtrekkende en rotte boog is het bedrieglijke hart van de mens. Zijn goede voornemens en beloften zijn de pijlen die hij op de pees legt. Het doel waarop hij mikt is berouw. Vooral in tijden van benauwdheid richt hij daar zijn scherpe, gespannen blik op, alsof hij echt berouw wil hebben. Maar helaas! Zijn hart bedriegt hem, want het is niet oprecht in Gods verordeningen, Ps. 119:80. Daarom vallen zijn beloften en voorwendsels voor zijn voeten neer of verdwijnen ze als rook in de lucht. Zo doet een bedriegend, maar ook een bedrogen hart, de mens afdwalen, Jes. 44:20, zoals het deze valse Israëlieten deed.
O, let dus op het verborgen kromtrekken van je eigen hart! Je bent Gods boog, dus moet je door Hem gespannen worden en voor Hem gespannen blijven staan, Zach. 9:13. Dan zul je zijn als de boog van Jonathan, die “niet achterwaarts gedreven” werd, 2 Sam. 1:22. — Christopher Ness, in “A Crystal Mirror”, 1679.
Verzen 57-59
Wie niet vast staat in het geloof, tart God. Wie de waarheid eerst omarmt en dan afvalt, brengt het evangelie in kwaad daglicht. Dat blijft niet ongestraft, en het wordt ook zeker gezien. Zij weken terug, en handelden trouwelooslijk. God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer. Wie afvalt, valt als een afgevallen vrucht de duivel in de mond. — Thomas Watson.
Vers 58
Hoogten. Dat zijn altaren, kapellen en vergelijkbare plaatsen om God te dienen buiten de ene plaats die Hij Zelf had gewijd en die Hem alleen welgevallig was. Misschien waren ze ook aan afgoden gewijd. Ze heetten zo, omdat het volk daarvoor de allermooiste heuvels en heuveltjes uitzocht. — John Diodati.
Vers 59
God hoorde het en werd verbolgen. De psalmdichter laat het lawaai van de slechte daden van het volk opstijgen tot de oren van de Eeuwige. — Armand de Mestral, in “Commentaire sur le Livre de Psaumes”, 1856.
Vers 60
Het is heidense waan en een vals vertrouwen om te denken dat God aan een plaats of plek gebonden is. De Trojanen dachten dat hun stad onneembaar was, omdat ze de tempel van Pallas binnen hun muren hadden. In onze tijd binden de aanhangers van Rome Christus aan Rome en aan de stoel van Petrus. Daarna houden ze er uitdagend aan vast en zeggen ze: “Ik zal niet wankelen”, Ps. 10:6. Want, zeggen ze, het schip van Petrus kan wel een beetje zinken, maar nooit helemaal. Het enige wat dan nog ontbreekt aan hun verhaal, is dat zij helemaal niet het schip van Petrus zijn.
Ze lijken veel meer op een Oost-Indiëvaarder, een handelsschip met een lading Italiaanse apen en andere vreemde koopwaar: parels, purper, zijde, koper, ijzer, zilver, goud, wierook, lood. Zo kunnen ze handel drijven in geestelijke ambten, van de godsdienst een winkel maken en de hele wereld bedriegen, Openb. 18:11-24. — Johann Andreas Cramer, 1723-1788.
Vers 61
En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, enz. Hij noemt de ark de sterkte van God. Dat is niet gezegd omdat Gods kracht er helemaal in opgesloten zat, alsof Hij alleen door de ark machtig en sterk kon zijn. Maar Zijn aanwezigheid, waarvan de ark het teken was, had Israël altijd Zijn kracht en macht laten zien: in de blijvende bescherming en de vele reddingen van dat volk. Op dezelfde manier noemt Hij de ark de schoonheid of heerlijkheid van God. God maakte Zijn heerlijkheid immers bekend onder het volk door Zijn eigen aanwezigheid, en Hij wilde dat ze door dit uiterlijke teken zichtbaar werd. — Mollerus.
Vers 63
Het vuur verteerde hun jongelingen. Vuur kan hier een beeld zijn van verwoestende oorlog, zoals in Num. 21:28: “Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten”, enz. — Albert Barnes.
Vers 63 (eerste zinsnede)
Als de godsdienst onder Gods volk omver wordt gehaald, moet de staat niet denken dat hij zelf overeind blijft. Toen God Zijn heerlijkheid in de hand van de vijand gaf, “Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde … Het vuur verteerde hun jongelingen.” — David Dickson.
Vers 63
Niet geprezen. Dat wil zeggen: ze kregen geen bruiloftsliederen, zoals in die tijd de gewoonte was; zie Jer. 7:34; 16:9; 25:10. Het betekent dat ze niet met eer waren getrouwd, omdat er door de oorlogen te weinig mannen waren, Jes. 4:1; Jer. 18:21. Of dat ze zonder enige plechtigheid trouwden, als arme slavinnen. Of in het geheim, zoals in tijden van algemene ramp. — John Diodati.
Vers 64
Hun weduwen weenden niet. Dit laat zien hoe groot de verwoesting werkelijk was. Het zegt veel voor iedereen die in een oosterse stad is geweest tijdens een pestepidemie of een andere vernietigende ramp. In het begin is het gejammer dat na elk sterfgeval hoort, luid en overal te horen. Maar naarmate de ramp en de verwoesting groter worden, wordt het gejammer niet luider. Het sterft weg. De dood wordt een vertrouwde gast in elk huis. Iedereen is zo vol van zijn eigen verlies dat hij weinig medeleven overheeft voor een ander. Daarom let niemand meer op de luidste klachten, en er komen geen troostende vrienden meer naar het huis van de rouw.
Dat komt ook door de afgestompte gevoelens die voortdurende gruwelen altijd teweegbrengen. Een nieuw sterfgeval wordt in stilte ontvangen, of met niet meer dan zuchten en tranen. Alle gewone gebruiken worden stopgezet. De doden worden zonder rouwplechtigheid weggedragen en begraven, zonder dat overlevende vrienden erbij zijn. Mannen die dit als beroep doen, voeren ze op de rug van muilezels of ezels af uit de huizen die ze verlaten achterlaten. Wij hebben dit zelf gezien. — Kitto’s “Pictorial Bible”, 1856.
Vers 64
Hun weduwen weenden niet. Dit kan vier dingen betekenen. Of 1. dat ze door verdriet overweldigd waren en niet konden wenen. Of 2. dat ze in gevangenschap bij de Filistijnen zaten en de dood van hun mannen niet mochten beklagen. Of 3. dat ze van verdriet stierven en dus niet meer leefden om bij de begrafenis te klagen. Of 4. dat ze zo in beslag werden genomen en bezwaard waren door hun eigen ellende, en vooral door de ellende van de gemeente en het volk van God in het algemeen, dat ze geen tijd hadden om hun mannen te bewenen. Van die laatste twee hebben we een duidelijk voorbeeld in de vrouw van Pinehas. Toen ze stierf, sprak ze met geen woord over haar man, 1 Sam. 4:19-20. — Arthur Jackson.
Vers 64
De schoondochter van Eli was tegelijk in barensnood en stervende. Zo werd het oordeel van God over dat goddeloze huis voltooid. Alsof ze nauwelijks iets voelde bij de dood van haar schoonvader, haar man en zichzelf, vergeleken met dit verlies, noemde ze haar zoon, die te vroeg geboren werd, Ikabod. Met haar laatste adem zei ze: “De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israel, want de ark Gods is genomen.” — Joseph Hall.
Vers 65
Toen ontwaakte de Heere. Weet hoe je deze en vergelijkbare plaatsen in de Schrift moet begrijpen, waar van de Heere wordt gezegd dat Hij slaapt en Zijn volk vergeet, Ps. 13:2; 44:24; 77:10. Het gaat hier dus niet om een algemeen en totaal vergeten of slapen van Gods voorzienigheid. God kent immers geen vakantie: Hij houdt overal ter wereld, elk moment, voortdurend de teugels van het bewind in Zijn hand. Het betekent ook niet dat Zijn voorzienigheid helemaal stilstaat ten opzichte van datgene wat de Heere, naar ons idee, lijkt te vergeten en waar Hij slapend bij ligt. Want Zijn voorzienigheid werkt voortdurend door, op een manier die we niet zien en waar we nu nog niet van weten, zoals is aangetoond.
Bovendien laat zo’n vergeten en slapen van de voorzienigheid juist zien hoe mooi Gods voorzienigheid werkt in de manier waarop ze dingen tot stand brengt. Het is geen tussenbewind en God laat de scepter van het bestuur niet vallen. Het is juist een prachtig bewijs dat God alles wijs regelt, terwijl Hij lijkt te vergeten en te zijn als iemand die slaapt. De nacht valt als nacht even goed onder Gods voorzienigheid als de dag, want ook voor de nacht zijn er hemelse ordeningen, Jer. 31:35. Zo is ook de donkere nacht, waarin de Heere in bepaalde zaken lijkt te slapen, een deel van Zijn alwijze regeringsplan. De zeventigjarige gevangenschap was een lange nacht van benauwdheid voor de gemeente, en toch moest het zo gaan volgens de ordening van de voorzienigheid, Jer. 29:10. — Thomas Crane.
Vers 65
Als een held, die juicht van den wijn. Zijn geest en moed leven weer op en vatten vlam door een flinke teug edele wijn. Deze vergelijking is niet beledigender voor de goddelijke Majesteit dan die van een dief die in de nacht komt, waarmee de wederkomst van Christus wordt vergeleken, 1 Thess. 5:2. — Matthew Poole.
Vers 66
En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste. Dit slaat op de Filistijnen, die met aambeien of builen werden geslagen terwijl ze de ark gevangen hielden, 1 Sam. 5:6, 12 … De Griekse vertaling, zoals Suïdas die aanhaalt, luidt: Hij sloeg Zijn vijanden aan de achterkant van de zetel. Dat wijst, zegt hij, op een ziekte die men liever netjes en omfloerst omschrijft. — John Gill.
Vers 67
Als de ark wordt verplaatst, is ze nog niet weggenomen. Silo heeft haar verloren, maar Israël niet. God zal een gemeente in de wereld hebben en een koninkrijk onder de mensen, ook al wordt de kandelaar van deze of gene plaats weggenomen. Sterker nog: dat Silo wordt verworpen, betekent dat Sion wordt uitverkoren. — Matthew Henry.
Verzen 67-68
“Verwierp.” “Verkoos niet.” “Verkoos.” Gods liefde wordt ons niet voorgesteld als iets vaags dat ergens neerdaalt, maar als een liefde die alle mensen kent en hen stuk voor stuk in het oog heeft. Daarom heeft Hij haar ook niet op iedereen gelegd. Dat is iets anders dan het voorgaande, want een liefde zonder bepaald doel weet niet op wie ze valt. God wist wél op wie Hij Zijn liefde legde, en dus legde Hij haar alleen op sommigen, niet op ieder mens.
Als God wilde liefhebben, moest Hij daarin vrij zijn. Het is vreemd dat je God niet gunt wat je aan koningen en vorsten wel gunt. Zij mogen gunstelingen hebben die zij liefhebben, en anderen die zij niet liefhebben. Toch willen mensen God die vrijheid niet geven. Volgens hen moet Hij ofwel alle mensen liefhebben, ofwel wreed en onrechtvaardig zijn. Maar juist het bijzondere van Zijn liefde maakt haar groter en voor ons kostbaarder. Je ziet bijna overal in de Bijbel dat God, als Hij Zijn liefde wil laten zien, die liefde richt op Zijn eigen uitverkorenen.
Hij maakt dat duidelijk door te laten zien wat Hij anderen aandoet. … Ook zul je vaak in de Schrift merken dat Hij, wanneer Hij zegt wie Hij gekozen heeft, er met opzet bij zegt wie Hij verworpen heeft. … Als Hij spreekt over een keuze uit de stammen, laat Hij het niet bij de mededeling dat Hij Juda koos, maar noemt Hij er ook de verwerping van Jozef bij, of in elk geval dat Hij hem voorbijging. “Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet. Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.” … Hij spreekt over de tijd van de richters.
Al snel werd zichtbaar dat de tien stammen verworpen werden: Hij zegt dat Hij de tent van Efraïm verwierp, maar Juda verkoos. Na Salomo’s tijd gingen zij kalveren dienen. (Let op: het is het wegvallen van de verkiezing dat een volk ten val brengt. Als de verkiezing in een volk zeldzaam wordt en in een tijdperk ophoudt, is het met dat volk gedaan.) Uiteindelijk werden de tien stammen verstoten, en zo zijn ze tot op de dag van vandaag. Maar de stam Juda had de verkiezing in zijn midden…
In het begin, en lange tijd daarna, waren beide even goed Zijn volk. Maar op de duur raakte de verkiezing bij het ene deel onderbroken. Efraïm, dat wil zeggen de tien stammen, had in het begin een streepje voor op Juda in geestelijke dingen. De ark, het teken van Gods aanwezigheid, was hun in Silo in bewaring gegeven. Het zegel van Gods dienst en Zijn verordeningen was aan hen toevertrouwd, en Juda moest naar hen toe optrekken als het de Heere wilde zoeken.
Maar Efraïm zondigde tegen die dienst. Daardoor verspeelde en verloor het die eer, en het mocht haar niet langer bewaren, nee, nooit meer. Juda kreeg haar in Bethlehem, totdat ze ten slotte een vaste plaats kreeg op Sion, “als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid” (Ps. 78:69). En dat gebeurde om geen andere reden dan dat Hij hen had liefgehad en hen uit liefde had gekozen (Ps. 78:67-69). Want verder zat Juda net zo goed als Efraïm vast in dezelfde schuld van zonde, waardoor het de ark had kunnen verspelen. Dat laten Ps. 78:56-60 van deze psalm duidelijk zien: “Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet,” enzovoort. In die verzen heeft Hij het over het hele volk, en toch grijpt Hij de gelegenheid aan om de ark voorgoed bij Efraïm weg te nemen.
Zo zijn de eersten de laatsten en de laatsten de eersten. Wie een tijdlang Gods aanwezigheid bij zich heeft, van die mensen begint God Zich terug te trekken zodra ze een of andere opvallende zonde bedrijven. Hij doet dat stap voor stap, zoals Hij deed met het volk van de tien stammen, totdat Hij hen ten slotte verwierp als Zijn volk. Zo handelde Hij echter niet met Juda. Dat verspeelde in de gevangenschap van Babel weliswaar zijn tempel, zijn eredienst en zijn volksbestaan, maar uiteindelijk bracht God alles weer terug, en nog heerlijker dan eerst. De grond daarvoor staat in Ps. 78:68: de berg Sion, “dien Hij liefhad.” — Thomas Goodwin.
Verzen 67-68
“Verwierp.” “Verkoos niet.” “Verkoos.”
Vers 70
“En nam hem van de schaapskooien.” Volgens Basilius zijn het hoeden van vee en het regeren van mensen zussen van elkaar. — John Trapp.
Vers 71
“Van achter de zogende schapen.” Een goede en betrouwbare lammerenhoeder is veel waard voor een veehouder. Toch zou ik alle veehouders aanraden om dit werk zelf in de gaten te houden. Maar weinig knechten brengen de aandacht op die nodig is, of die een meester zelf zou geven, en in veel gevallen levert de kleinste slordigheid de grootste schade op. Ik let al jaren op het lammeren, dus ik hoop dat ik er geen nieuweling in ben en er wel een beschrijving van mag geven. Veel lammeren kunnen verloren gaan zonder dat je de lammerenhoeder van slordigheid of onkunde kunt beschuldigen, al hadden er met meer aandacht van zijn kant vaak veel gered kunnen worden die nu omkomen. …
Het lammeren is soms heel ingewikkeld en put gemakkelijk het geduld van de lammerenhoeder uit. Schapen zijn koppig, en het lammeren geeft een tafereel van chaos, wanorde en gesjouw. Het is aan de lammerenhoeder om dat recht te zetten, en daarop moet hij altijd voorbereid zijn. Sommige ooien laten hun lammeren misschien in de steek, of de lammeren raken door elkaar. Ooien die hun lam kwijt zijn, lopen blatend rond, terwijl andere hulp nodig hebben. Dit zijn maar enkele van de vele voorvallen die direct de aandacht van de lammerenhoeder vragen. — Daniel Price, in “A System of Sheep grazing and Management,” 1809.
Vers 71
“Van achter de zogende schapen.” Er wordt verteld dat een geleerde doctor in Oxford zijn lederen broek in zijn studeerkamer ophing, als herinnering voor bezoekers aan zijn eenvoudige afkomst. Of dat waar is, kan ik niet garanderen. Maar de geschiedenis vertelt ons van Agathocles, die van pottenbakker opklom tot koning van Sicilië. Aan zijn tafel liet hij zich alleen bedienen met aardewerk, om zich te herinneren aan zijn vroegere slavenwerk.
Het zou goed zijn als sommigen zich zouden herinneren wiens schoenen ze hebben gepoetst, wiens kolen ze hebben gesjouwd en wiens geld ze hebben geleend, en als ze hun schuldeisers dankbaar behandelden. Zo deed de goede lord Cromwell dat tegenover de Florentijnse koopman in de tijd van Hendrik VIII, toen Wolsey (zie Foxe’s Martelaarsboek) als een slager zijn koning en meester vergat. Bij de heilige David was het anders. Hij was koning, en toch dacht hij genadig terug aan zijn werk achter de zogende schapen, nu hij de schapen van Israël weidde. Zijn gouden scepter wijst naar zijn houten herdersstaf. Op zijn algumharp speelt hij de oude liedjes van zijn herdersfluit, en midden in zijn marmeren paleis op de berg Sion slaat hij zijn Bethlehemse tent op. — Samuel Lee.
Vers 71
“Om te weiden Jakob, Zijn volk.” (Dit is een opvallend voorbeeld van middeleeuws vergeestelijken en wordt hier alleen als zodanig opgenomen. Het is grappig om te zien dat een Tractariaanse uitlegger de passage aanhaalt met duidelijk grote bewondering. C. H. S.)
Let op: een goede herder moet nederig en trouw zijn. Hij hoort brood in een reistas te hebben, een hond aan een touw, een staf met een roede en een welluidende hoorn. Het brood is het woord van God. De reistas is het geheugen dat dat woord bewaart. De hond is de ijver waarmee de herder brandt voor het huis van God. Hij verjaagt de wolven met vroom geblaf, door te preken en onvermoeibaar te bidden. Het touw waaraan de hond gehouden wordt, is de matiging van die ijver, en het inzicht waardoor de ijver van de herder getemperd wordt door een geest van godsvrucht en kennis.
De staf is de troost van vrome vermaning, waardoor de al te angstigen worden gesteund en verkwikt, zodat ze in tijden van verdrukking niet bezwijken. De roede is het gezag en de macht waarmee de onstuimigen in bedwang worden gehouden. De welluidende hoorn, die zo lieflijk klinkt, staat voor de zoetheid van de eeuwige gelukzaligheid, die de trouwe herder zachtjes en vaak zijn kudde in de oren fluistert. — Johannes Paulus Palanterius, 1600.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
De plicht om goed te luisteren naar Gods woord. Manieren waarop we die plicht verzuimen; wegen om haar te vervullen; redenen om te gehoorzamen; het kwaad van onoplettendheid.
Vers 2 (eerste zinsnede)
Preek over de “Gelijkenis van het verloren volk,” zoals die in de hele psalm wordt verteld. — C. A. Davies, van Chesterfield.
Verzen 2-3
- Waarheden zijn niet minder waar omdat ze oud zijn: “spreuken; … van ouds her.” “Oud hout,” zegt lord Bacon, “brandt het best; oude boeken zijn het best om te lezen; en oude vrienden zijn het best om te vertrouwen.”
- Waarheden zijn niet minder waar omdat ze in beeldspraak verborgen zijn: “Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden … uitstorten.”
- Waarheden zijn niet minder waar omdat ze vaak herhaald worden.
(a) Ze worden daardoor beter beproefd.
(b) Ze worden daardoor beter bevestigd. — G. R.
Vers 3
Het verband tussen wat we “gehoord” hebben en wat we in ons geloof persoonlijk “weten”.
Vers 4
Een goed voornemen en een gezegend gevolg. — C. D.
Vers 4
- Wat moet bekend worden gemaakt? De lofprijzingen van de Heere, Zijn kracht en Zijn wonderen.
- Aan wie moet het bekend worden gemaakt? Aan de komende geslachten.
- Door wie? Door ouders, het ene geslacht aan het andere.
- Hoe maken we het bekend?
(a) Door niets te verbergen.
(b) Door alles te vertellen wat God gedaan heeft. — G. R.
Vers 5
Overlevering volgens de Schrift, of het erfstuk van het evangelie.
Verzen 5-8
Godsdienst in het gezin.
- De kennis van de vaders is de erfenis van de kinderen — Ps. 78:5-6.
- De val van de vaders is de bewaring van de kinderen — Ps. 78:7-8.
Verzen 5-8
- Waarheid die eenmaal op weg is gezet, kan nooit meer worden tegengehouden — Ps. 78:5-6.
- Waarheid die we aannemen, bindt de ziel aan God — Ps. 78:7.
- Waarheid die we verwerpen, steekt waarschuwingsvuren aan voor anderen — Ps. 78:8.
Verzen 7-8
Over het bedrog van het hart, wanneer we in het algemeen de beschikkingen van Gods voorzienigheid in de wind slaan. — John Jamieson, “Sermons on the Heart,” I. 430.
Vers 8
Halsstarrigheid is iets anders dan standvastigheid: het verschil tussen een natuurlijke ondeugd en een eigenschap die uit genade komt.
Vers 8
Het valse hart (middelste zinsnede). Met zijn linkerhand houdt het vast aan “Halsstarrigheid in het verkeerde” (eerste zinsnede), en met zijn rechterhand aan “Wankelmoedigheid in het goede” (laatste zinsnede). — C. D.
Vers 9
Wie waren zij? Wat hadden zij? Wat deden zij? Wanneer deden zij het?
Verzen 9, 67
Het terugvallen van vooraanstaande gelovigen.
- De soldaten van de Heere: wie zij waren; ze hoorden bij Gods uitverkoren volk; ze waren door genade onderscheiden. Gen. 48:17-20. Sterk door Gods zegen. Deut. 33:17. Een eervolle plaats onder hun broeders. Begunstigd met de tabernakel in Silo — Ps. 78:60.
- Hun uitrusting: wapenrusting om zich te verdedigen en om aan te vallen, zoals die van anderen die de overwinning behaalden.
- Hun gedrag in de strijd: omkeren was verraderlijk, laf, gevaarlijk, rampzalig en oneervol.
- Hun straf — Ps. 78:57. Ze werden beroofd van hun bijzondere eer. Openb. 3:11. — C. D.
Verzen 10-11
De trappen van de zonde: God verwaarlozen, God afwijzen, God vergeten. — C. D.
Verzen 12-16
God laat Zich kennen in Zijn daden. De God Die wonderen doet — Ps. 78:12-16. De God Die wraak neemt — Ps. 78:12. De God Die ingrijpt — Ps. 78:13. De God Die leidt — Ps. 78:14. De God Die als een Vader zorgt — Ps. 78:14-16. — C. D.
Verzen 12-17
De hardnekkigheid van het ongeloof. Het verzet zich tegen Gods majesteit — Ps. 78:17; tegen Zijn genadige voorzienigheid — Ps. 78:14-16; tegen Zijn ingrijpende zorg — Ps. 78:13; tegen Zijn wrekende gerechtigheid — Ps. 78:12; tegen Zijn onderscheidende genade — Ps. 78:12-16. — C. D.
Verzen 12-17
Wonderen kunnen een ziel niet bekeren. Luk. 16:31. — C. D.
Verzen 15-16
Gods voorziening komt op het juiste moment, is overvloedig, van het beste en wonderbaarlijk.
Vers 16
Stromen uit de Rots, Christus Jezus.
- Waar ze vandaan komen.
- Hun verscheidenheid.
- Hun overvloed.
— B. Davies, van Greenwich.
Vers 17
In haar opmars voedt de zonde zich met Gods barmhartigheid, om zo verder te komen, net zoals met elke andere omstandigheid om haar heen.
Verzen 17-21
- Ze stelden Gods geduld op de proef; Ps. 78:17.
- Ze stelden Gods wijsheid op de proef; Ps. 78:18.
- Ze stelden Gods macht op de proef; Ps. 78:19-20.
- Ze stelden Gods toorn op de proef; Ps. 78:21.
— E. G. Gange, van Bristol.
Verzen 18-21
Hoe het kwaad voortschrijdt.
- Ze worden door hun begeerte meegesleept: Ps. 78:18.
- Als de begeerte zwanger is geworden, baart ze zonde: Ps. 78:19-20.
- Als de zonde volwassen is, baart ze de dood: Ps. 78:21.
“Welker lichamen gevallen zijn in de woestijn.” — C. D.
Verzen 21-22
De kwade gevolgen van ongeloof.
- De zonde zelf: ze twijfelden aan de uiteindelijke zekerheid, de volledigheid en de echtheid van Gods verlossing uit Egypte.
- Wat haar nog zwaarder maakt: ze richtte zich tegen God, en wie haar koesterden, waren Gods eigen volk. De hulpmiddelen voor het geloof werden over het hoofd gezien: het woordje “daar.”
- Waartoe het hen bracht: zonde van binnen — Ps. 78:18; zonde van buiten — Ps. 78:19, enzovoort.
- Wat het over hen bracht; Ps. 78:21. Vurige slangen, enzovoort. — C. D.
Vers 25
Verschillende soorten voedsel. Voedsel voor beesten, Luk. 15:16. Voedsel voor zondaars, Hos. 4:8. Voedsel voor vormendienaars, Hos. 12:2. Voedsel voor heiligen, Jer. 15:16; Joh. 6:53-57. Voedsel voor engelen. Het voedsel van Christus, Joh. 4:34. — C. D.
Verzen 34-37
De voeten van de huichelaar, Ps. 78:34. Het geheugen van de huichelaar, Ps. 78:35. De tong van de huichelaar, Ps. 78:36. Het hart van de huichelaar, Ps. 78:37. Of: de mantel van de huichelaar en het hart van de huichelaar. — C. D.
Vers 38 (laatste zinsnede) en vers 50 (eerste zinsnede)
Gods toorn zoals die Zijn volk treft en zoals die Zijn vijanden treft. — C. D.
Verzen 39, 35
Hoe God aan Zijn volk denkt, en hoe Zijn volk aan God denkt.
Vers 42
De dag der dagen.
- De vijand die op die dag werd ontmoet.
- De strijd die werd doorstaan.
- De verlossing die werd bewerkt.
- De vreugde die werd ervaren. — B. D.
Vers 45
De kracht van kleine dingen, wanneer ze de opdracht hebben ons te plagen.
Vers 47 (laatste zinsnede)
Soms wil hij niet schieten. Soms wel. En als hij schiet, mist hij zijn doel.
Vers 52
- God heeft een volk in de wereld.
- Hij leidt hen weg bij anderen vandaan.
- Hij brengt hen in gemeenschap met Zichzelf.
- Hij brengt hen in gemeenschap met elkaar.
- Hij leidt hen naar hun rust.
Vers 55
God verdringt. Hij verdringt de gevallen engelen in de hemel. Op aarde verdringt het ene volk het andere (zie de hele geschiedenis). In de wedergeboorte worden de gedachten en genegenheden van het hart verdrongen, enzovoort. — Jes. 55:13. — C. D.
Verzen 56-57
Over het bedrog van het hart bij het doen van onze plicht. — J. Jamieson, I. 326. Over het bedrog van het hart bij het nalaten van onze plicht. — J. Jamieson, I. 353.
Verzen 59-72
- Een sombere zonsondergang, Ps. 78:59-60.
- Een onheilspellende nacht, Ps. 78:60-64.
- Een gezegende zonsopgang, Ps. 78:65-72. — C. D.
Verzen 70-72
Geestelijke promoties.
Vers 72
Ondanks zijn overtredingen, waar hij altijd bitter berouw over had en die daarom uit het Boek van God zijn uitgewist, blijft hij voor alle vorsten en heersers op aarde het edelste voorbeeld. In volle innerlijke waarheid kende en voelde hij zich “Koning bij de genade Gods.” De kroon en de scepter droeg hij maar in bewaring van de Koning der koningen. Tot zijn laatste ademtocht deed hij zijn best om bevonden te worden als een echte theocratische koning, die in alles zijn aardse bestuur moet voeren naar de geboden en aanwijzingen van God. Daarom liet de Heere alles wat hij ondernam gelukken, en niets was voor het volk duidelijker dan dat de Heere werkelijk met de koning was. — Frederick William Krummacher, in “David, the King of Israel,” 1867.
Werken over de achtenzeventigste psalm
Waardevolle informatie over de plagen van Egypte vind je in de volgende werken: — “Observations upon the Plagues inflicted upon the Egyptians: in which is shewn the peculiarity of those Judgments, and their correspondence with the Rites and Idolatry of that People… By JACOB BRYANT. 1794.”
“Israel in Egypt; or the Books of Genesis and Exodus illustrated by existing Monuments. By WILLIAM OSBURN. 1856.”
Over Israël in de woestijn: “The wanderings of the Children of Israel.” Door wijlen de eerwaarde George Wagner, 1862.
“The Church in the Wilderness.” Door William Seaton. In twee delen. 1821.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas