Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 30 — Treasury of David

Titel
Een psalm en lied bij de inwijding van het huis van David; of liever: een psalm, een lied van inwijding voor het huis. Van David. Dit is een lied van geloof, want het huis van Jehova waar het hier over gaat, heeft David zelf nooit gezien. Het is ook een lofpsalm, want een zwaar oordeel was tegengehouden en een grote zonde vergeven.
In onze Engelse vertaling lijkt het alsof deze psalm bedoeld was voor de bouw van het cederhouten huis dat David voor zichzelf liet neerzetten. Toen hoefde hij zich niet meer te verstoppen in de spelonk van Adullam, want hij was een groot koning geworden. Als dat echt de bedoeling was, dan leert het ons iets moois: wie verhuist, doet er goed aan zijn nieuwe woning aan God toe te wijden. We mogen onze christelijke vrienden uitnodigen en laten zien dat waar wij wonen, God woont, en dat waar wij een tent hebben, God een altaar heeft.
Maar het lied kijkt vooruit naar de tempel. David verzamelde daar met vreugde voorraad voor, en op oude leeftijd kocht hij de dorsvloer van Ornan als bouwplaats. Daarom moeten we hier vooral zien hoe heilig zijn geloof was: hij zag de belofte over Salomo al in vervulling gaan. Het geloof kan zingen—
“Eer zij U voor alle genade die ik nog niet heb gesmaakt.”
Door de hele psalm heen voel je dat David zwaar op de proef was gesteld, zowel persoonlijk als in zijn omgeving. Dat gebeurde nadat hij zich in zijn overmoed veilig had gewaand. Als Gods kinderen op de ene manier voorspoed hebben, worden ze meestal op een andere manier beproefd. Bijna niemand van ons kan immers onvermengd geluk verdragen. Zelfs de vreugde van de hoop moet gemengd worden met de pijn van de ervaring, zeker wanneer de troost ons vleselijk gerust en zelfverzekerd maakt.
Toch volgde de vergeving snel op het berouw, en Gods barmhartigheid kreeg alle eer. Deze psalm is een lied en geen klacht. Lees hem in het licht van Davids laatste levensjaren. Hij had het volk laten tellen, en God had hem daarvoor getuchtigd. Daarna gebood God de engel in Zijn barmhartigheid zijn zwaard weer in de schede te steken. Op de dorsvloer van Ornan kreeg de dichter de inspiratie die in dit heerlijke lied gloeit. Zo gelezen is dit de psalm van de volkstelling en van de inwijding van de tempel, die eraan herinnert dat de plaag werd gestopt.
Indeling
In Psalm 30:2-4 prijst David de Heere voor zijn redding. In Psalm 30:5-6 nodigt hij de heiligen uit om samen met hem Gods ontferming te vieren. In Psalm 30:7-8 belijdt hij de schuld waarvoor hij getuchtigd werd. In Psalm 30:9-11 herhaalt hij het smeekgebed dat hij opzond. Daarna sluit hij af met de herinnering aan zijn redding en de belofte van eeuwige lof.
Uitleg
Vers 2
“Ik zal U verhogen, HEERE.” Ik wil hoog van U denken, met diep ontzag, en dat laten klinken in mijn mooiste muziek. Anderen mogen U vergeten, over U mopperen, U verachten of U lasteren, maar “ik zal U verhogen”. Ik ben immers meer begunstigd dan wie ook. Ik zal Uw naam verhogen, Uw karakter, Uw eigenschappen, Uw barmhartigheid voor mij en Uw grote geduld met mijn volk. Maar vooral zal ik goed spreken over Uzelf: “ik zal U verhogen”, o Jehova. Dat wordt mijn blijde taak, elke dag opnieuw, en daar zal ik nooit genoeg van krijgen.
“Want Gij hebt mij opgetrokken.” Hier zit een tegenstelling in: “Ik zal U verhogen, … want Gij hebt mij opgetrokken.” Ik wil de weldaden die ik kreeg beantwoorden. De lof van de psalmist was dus niet zomaar een gevoel. Hij kon er een reden voor geven. Hij was omhooggetrokken, als een gevangene uit een kerker, als Jozef uit de put. Daarom hield hij zoveel van zijn bevrijder, die hem uit de nood had gehaald.
Ook ons heeft de genade opgetild: uit de put van de hel, uit de gracht van de zonde, uit het Slik der Moedeloosheid, van het ziekbed, uit de slavernij van twijfel en angst. Hebben wij daar geen lied voor? Hoe hoog heeft onze Heere ons getild! Tot de plaats van kinderen, opgenomen in Zijn gezin. Tot een band met Christus: “en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.” Verhef dus de naam van onze God hoog, want Hij heeft ons boven de sterren uitgetild.
“En mijn vijanden over mij niet verblijd.” Van de drie rampen was dit het oordeel waar David het meest bang voor was. Hij zei: laat mij liever in de hand van de Heere vallen dan in de hand van mensen. Het zou een verschrikkelijk lot zijn als we aan de willekeur van onze vijanden waren overgeleverd. Maar de Heere zij geloofd: dat is ons bespaard gebleven. De duivel en al onze geestelijke vijanden hebben zich niet over ons mogen verheugen, want we zijn gered uit de strik van de vogelaar. Onze slechte vrienden voorspelden dat we naar onze oude zonden zouden terugkeren. Zij zijn teleurgesteld, want het is niet gebeurd. Wie op ons struikelen loerde en zo graag wilde roepen: “Heah, onze ziel!”, heeft tot nu toe tevergeefs gewacht.
O, gelukkig zijn zij die de Heere zo trouw in hun levenswandel bewaart, dat de scherpe lynxogen van de wereld er geen echte fout in kunnen vinden. Geldt dat voor ons? Laten we alle eer geven aan Hem Die ons in onze oprechtheid heeft vastgehouden.
Vers 3
“HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.” David bad voor zichzelf en voor zijn volk toen de pest hen trof. Hij ging meteen naar het hoofdkwartier, en niet via een omweg naar mensen die ook kunnen falen. God is de beste dokter, ook voor onze lichamelijke gebreken. Wie God vergeet, doet erg verkeerd en dwaas. Het was een zonde van Asa dat hij op artsen vertrouwde en niet op God. Moeten we naar een arts? Dan is dat zo, maar laten we eerst naar onze God gaan. En bedenk vooral dat medicijnen op zichzelf geen helende kracht bezitten. De genezende kracht moet uit Gods hand komen.
Als ons horloge niet goed loopt, brengen we het naar de horlogemaker. Als ons lichaam of onze ziel in slechte staat is, laten we dan naar Hem gaan Die ze gemaakt heeft en Die feilloos weet hoe Hij ze weer in orde brengt. Voor onze geestelijke ziekten geldt: alleen de aanraking van de Heere Christus kan die genezen. Als we maar de zoom van Zijn kleed aanraken, worden we gezond. Alle andere artsen kunnen ons niet helpen, al sloten we ze allemaal in onze armen.
“HEERE, mijn God!” Zie welke verbondsnaam het geloof gebruikt: “mijn God”. Driemaal gelukkig is wie de Heere Zelf zijn deel mag noemen. Merk op hoe Davids geloof een trede hoger klimt. In vers 2 zong hij “HEERE”, maar in vers 3 is het “HEERE, mijn God”. Hemelse hartenmuziek stijgt altijd op, als de rookzuilen die van het reukaltaar opgingen.
“Ik heb tot U geroepen.” Ik kon nauwelijks bidden, maar ik riep. Ik stortte mijn ziel uit zoals een klein kind zijn verlangens uitstort. Ik riep tot mijn God. Ik wist tot wie ik moest roepen, en ik riep niet tot mijn vrienden of tot enige menselijke arm. Daarom is de uitkomst zo zeker en zo bevredigend: “Gij hebt mij genezen.” Ik weet het. Ik ben er zeker van, en ik hoef er niet langer aan te twijfelen. Ik voel het bewijs van geestelijke gezondheid nu in mijzelf: eer zij Uw naam!
Wie nederig bij God smeekt om bevrijding van de ziekte van de zonde, zal slagen zoals de psalmist. Maar wie niet eens genezing wil zoeken, moet zich niet verbazen als zijn wonden gaan zweren en zijn ziel sterft.
Vers 4
“HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd.” Let op: er staat niet “ik hoop het”, maar “Gij hebt, Gij hebt, Gij hebt” — driemaal. David is er helemaal zeker van, zonder twijfel, dat God grote dingen voor hem heeft gedaan. Daar is hij intens blij over. Hij was tot de rand van het graf gezakt en toch hersteld, om te vertellen hoe geduldig God is. En dat was nog niet alles, want er was meer om dankbaar voor te zijn. Hij erkende dat alleen genade hem van de diepste hel had gered, en dat maakte hem dubbel dankbaar.
Van het graf gespaard blijven is veel. Uit de kuil gered worden is méér. Daarom is er steeds meer reden tot lof, want beide reddingen komen alleen van de machtige rechterhand van de Heere. Hij is de enige Bewaarder van ons leven en de enige Verlosser van onze zielen uit de hel.
Vers 5
“Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten!” Het is alsof David zegt: “Zing met mijn lied mee en help mij mijn dankbaarheid uit te drukken.” Hij voelde dat hij God zelf niet genoeg kon prijzen, en daarom riep hij de harten van anderen te hulp. David wilde zijn koor niet vullen met mensen die God hebben afgewezen, maar met geheiligde mensen, die uit het hart konden zingen. Hij roept jullie, volk van God, omdat jullie heiligen zijn. En als zondaars goddeloos zwijgen, laat jullie heiligheid jullie dan dwingen om te zingen.
Jullie zijn Zijn heiligen: uitverkoren, met bloed gekocht, geroepen en voor God apart gezet. Jullie zijn juist geheiligd om het dagelijkse offer van lof te brengen. Laat dan ook niets aan deze hemelse plicht ontbreken. “Psalmzingt den HEERE.” Het is een prettige bezigheid en het levert veel op. Laat je niet telkens opnieuw aansporen tot zo’n aangename dienst.
“En zegt lof.” Laat jullie liederen dankliederen zijn, waarin de barmhartigheid van de Heere in blije herinnering weer tot leven komt. Alleen al de herinnering aan het verleden moet onze harpen stemmen, ook als we nu weinig vreugde voelen.
“Ter gedachtenis Zijner heiligheid.” Heiligheid is een eigenschap die diep ontzag wekt en een eerbiedige houding vraagt. En toch: zeg lof als je eraan denkt. “Heilig, heilig, heilig!” is het lied van serafs en cherubs. Laten wij ons daarbij voegen, niet treurig alsof we beefden voor Gods heiligheid, maar blij, en nederig verheugd erover.
Vers 6
“Want een ogenblik is er in Zijn toorn.” David denkt hier aan de beschikkingen van Gods voorzienigheid die tuchtigingen zijn. Als een vader bestuurt God Zijn dwalende kinderen daarmee, zoals met de plaag die over Jeruzalem kwam vanwege Davids zonden. Zulke oordelen duren maar kort. Ze worden weggenomen zodra oprecht berouw om vergeving smeekt en het grote, aanvaardbare offer aanbiedt. Wat een barmhartigheid! Want als de toorn van de Heere lang zou blijven smeulen, zou al wat vlees is volkomen voor Hem bezwijken.
God legt Zijn roede graag neer zodra die haar werk heeft gedaan. Hij is langzaam tot toorn en snel om die te beëindigen. Als Zijn tijdelijke, vaderlijke toorn al zo zwaar is dat hij wel kort moet zijn, hoe verschrikkelijk moet dan de eeuwige toorn zijn die de Rechter over Zijn tegenstanders uitoefent?
“Maar een leven in Zijn goedgunstigheid.” Zodra de Heere David weer vriendelijk aankeek, leefde de stad op en ook het hart van de koning. Wij sterven als verwelkte bloemen als de Heere Zijn wenkbrauwen fronst. Maar Zijn zachte glimlach doet ons herleven, zoals de dauw het veld verfrist. Zijn gunst maakt het leven niet alleen zoet en vrolijk. Zij is het leven zelf, de kern van het leven. Wie wil weten wat leven is, moet de gunst van de Heere zoeken.
“Des avonds vernacht het geween.” Maar nachten duren niet eeuwig. Zelfs in de sombere winter steekt de morgenster haar lamp aan. Het past dat in onze nachten de dauw van verdriet valt. Als de afwezigheid van de Bruidegom het van binnen donker maakt, is het begrijpelijk dat de ziel, als een weduwe, smacht naar een nieuw weerzien met de Geliefde.
“Maar des morgens is er gejuich.” Als de Zon der gerechtigheid opkomt, drogen wij onze ogen, en de vreugde verjaagt het verdriet dat binnendrong. Wie zou er niet blij zijn als hij Jezus kent? De eerste stralen van de morgen geven ons troost als Jezus de dageraad is, en alle gelovigen weten dat dit waar is. Rouw duurt maar tot de morgen. Als de nacht voorbij is, verdwijnt de somberheid. Dit wordt genoemd als reden om heilig te zingen, en het is een sterke reden. Korte nachten en vrolijke dagen vragen om luit en harp.
Vers 7
“In mijn voorspoed.” Al zijn vijanden waren rustig en zijn opstandige zoon was dood en begraven. Juist toen was het gevaarlijk. Menig schip vergaat bij windstilte. Geen verleiding is zo gevaarlijk als je rustig en veilig voelen.
“Ik zeide wel …: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Ach, David, je zei meer dan verstandig was om te zeggen, of zelfs om te denken! God heeft de wereld immers op de vloeden gegrond, om ons te laten zien wat voor arme, veranderlijke, onvaste wereld het is. Ongelukkig wie erop bouwt! Hij bouwt een kerker voor zijn hoop. In plaats van te denken dat we nooit zullen wankelen, moeten we bedenken dat we zeer snel helemaal weggehaald zullen worden. Niets blijft bestaan onder de maan. Omdat het mij vandaag goed gaat, mag ik mij niet inbeelden dat ik morgen nog even hoog sta.
Denk aan een wiel: de bovenste spaken komen vanzelf een keer onderaan. Zo gaat het ook met menselijke omstandigheden. Alles draait voortdurend rond, en niemand kan het tegenhouden. Velen die vandaag in het stof liggen, zullen morgen hoog verheven zijn. En wie nu bovenaan staat, schuurt straks over de grond. Voorspoed had de psalmist duidelijk het hoofd op hol gebracht, anders zou hij niet zo zelfverzekerd zijn geweest. Hij stond door genade, maar vergat zichzelf en kwam daardoor ten val.
Lezer, zit er niet veel van dezelfde hoogmoedige stof in ons allemaal? Laten we oppassen dat de dampen van bedwelmend succes ons niet naar het hoofd stijgen en ook ons tot dwazen maken.
Vers 8
“HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet.” Hij schreef zijn voorspoed toe aan de gunst van de Heere. Tot zover is het goed, want het is verstandig Gods hand te erkennen in al onze zekerheid en rijkdom. Maar let op: het goede in een goed mens is nooit zuiver goed. Hier zat vleselijke zekerheid doorheen, een zelfverzekerdheid zonder God. Hij vergelijkt zijn positie met een berg, iets groots en onwrikbaars. Een molshoop was dichterbij geweest, want we denken nooit te klein over onszelf. Hij roemde dat zijn berg stevig stond. Toch had hij eerder, in Psalm 29, gezegd dat Sirjon en de Libanon springen als jonge eenhoorns. Was Davids positie dan steviger dan de Libanon? Ach, wat een ijdele waan, en die kennen wij allemaal maar al te goed!
Hoe snel spat de zeepbel uiteen wanneer Gods volk zich in het hoofd haalt dat het onder de sterren onveranderlijk zal blijven en op deze draaiende bol altijd hetzelfde! Hoe ontroerend en leerzaam corrigeerde God de vergissing van Zijn dienaar: “Maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” Slagen waren niet nodig. Een verborgen gezicht was genoeg.
Dat bewijst twee dingen, en beide zijn de moeite waard om te onthouden. Ten eerste dat David een echte heilige was, want geen verborgen aangezicht van God zou een zondaar op aarde verontrusten. Ten tweede dat de vreugde van de heilige afhangt van de nabijheid van zijn Heere. Geen berg, hoe stevig ook, kan ons rust geven als onze gemeenschap met God verbroken is en Zijn aangezicht verborgen blijft. Toch is het dan goed om verontrust te zijn. Het beste na het koesteren in het licht van Gods gelaat is: volkomen ongelukkig zijn wanneer die zaligheid ons wordt onthouden.
“O Heere, laat mij om niets dan mijn zonden wenen,
En naar niemand verlangen dan naar U alleen!
O, wilde U mij toch die genade verlenen:
Dat ik altijd treur met een stil geween!”
Vers 9
“Tot U, HEERE! riep ik.” Gebed is de onfeilbare toevlucht van Gods volk. Als ze met hun verstand aan het einde zijn, kunnen ze nog altijd naar de genadetroon. Als een aardbeving onze berg doet wankelen, staat de troon van genade nog vast, en daar mogen we heen. Laten we nooit vergeten te bidden, en nooit twijfelen aan een goede uitkomst van ons gebed.
De hand die verwondt, kan ook genezen. Laten we ons keren tot Hem Die ons slaat, en Hij laat Zich door ons gebed vermurwen. Gebed troost beter dan Kaïns stedenbouw of Sauls zoeken naar muziek. Vrolijkheid en vleselijk vermaak zijn een droevig recept voor een verward, wanhopig gemoed. Gebed slaagt waar al het andere faalt. Wie in nood is, hoeft dus niet lang naar hulp te zoeken: de weg naar boven staat altijd open.
Vers 10
In dit vers zien we hoe David bad en hoe hij zijn gebed opbouwde. Het was een woordenstrijd met God: hij bracht redenen aan en bepleitte zijn zaak. Het was geen uiteenzetting van leerstellige meningen en geen verslag van wat hij had meegemaakt, en al helemaal geen verkapte steek naar anderen onder het mom van bidden. Dat laatste gebeurt helaas wel op sommige gebedssamenkomsten, waar zulke praktijken, en nog ergere, in de plaats zijn gekomen van heilig smeken. David worstelde met de Engel van het verbond en pleitte vurig, en daarom won hij. Hoofd en hart, verstand en gevoel, geheugen en inzicht: alles was aan het werk om zijn zaak goed voor te leggen aan de Heere van de liefde.
“Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve?” Wilt U dan geen zanger uit Uw koor kwijtraken, iemand die U zo graag groot maakt? “Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?” Is er dan niet één getuige minder van Uw trouw en betrouwbaarheid? Spaar dan toch Uw arme, onwaardige dienaar, omwille van Uw eigen naam!
Vers 11
“Hoor, HEERE! en wees mij genadig.” Een korte bede die alles omvat en die op elk moment past. Laten we haar vaak gebruiken! Het is het gebed van de tollenaar, en laat dat gebed ook het onze zijn. Als God een gebed verhoort, is dat een grote daad van barmhartigheid, want onze smeekbeden verdienen geen antwoord. “HEERE! wees mij een Helper.” Ook dit is weer zo’n kort, krachtig gebed dat altijd past. Het past in honderden situaties in het leven van Gods volk. Het past bij de predikant die naar de preekstoel gaat, bij de zieke op zijn ziekbed, bij de werker op zijn post, bij de gelovige die wordt verzocht en bij de man van God in tegenspoed. Wanneer God helpt, verdwijnen alle moeilijkheden. Hij is de hulp van Zijn volk, een hulp die vlakbij is als zij in nood zijn.
Deze twee korte beden worden aanbevolen als schietgebedjes voor gelovigen die het druk hebben en geen tijd hebben voor lange gebeden. Lange tijden van gebed zijn immers een zeldzaam voorrecht voor mensen die hun dagen in afzondering doorbrengen.
Vers 12
Let eens op het contrast. God neemt de rouw van Zijn volk weg, en wat geeft Hij hun daarvoor in de plaats? Rust en vrede? Ja, en nog veel meer dan dat. “Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei.” Hij laat hun hart dansen bij de klank van Zijn naam. “Gij hebt mijn zak ontbonden.” Dat is goed. Wat een opluchting om van het rouwkleed af te zijn! Maar wat dan? Dan kleedt Hij ons! En met wat voor kleding? Met een gewoon gewaad? Nee, met het koninklijke gewaad dat de verheerlijkte geesten in de hemel dragen. “En mij met blijdschap omgord.” Dat is mooier dan kleren van zijde of van goudbrokaat, versierd met borduurwerk en bezaaid met edelstenen. Menig arme man draagt dit hemelse gewaad om zijn hart, terwijl hij aan de buitenkant alleen grof katoen en ribfluweel heeft. Zo iemand hoeft de keizer in al zijn pracht niet te benijden. Eer aan U, o God, als U mijn geestelijke leven rijk hebt gemaakt met het besef van volle vergeving en van een rechtvaardiging die nú geldt, en mij hebt gevuld met alle volheid van God.
Vers 13
“Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge.” Dat wil zeggen: met dit doel en met dit voornemen, dat mijn eer – mijn tong of mijn ziel – U lof zingt en niet zwijgt. Het zou een schandelijke misdaad zijn als we Gods barmhartigheid hadden ontvangen en dan vergaten Hem te loven. God wil niet dat onze tong stilligt, terwijl er aan alle kanten zoveel redenen tot dankbaarheid zijn. Hij wil geen stomme kinderen in huis. In de hemel gaan ze allemaal zingen, dus moeten ze ook allemaal zingen op aarde. Laten we met de dichter zingen:
“Hier zou ik verheven muziek laten klinken,
Opdat mijn ziel niet in het stof zou verzinken.
O, had ik de klank van die hemelse tonen,
Om daar te verkeren waar engelen wonen!”
“HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven.”
Ik prijs Hem in ’t leven, ik prijs Hem in de dood,
Ik prijs Hem zolang Hij mij adem nog biedt.
En als dan de koude doodsdauw mij bevangt,
Terwijl heel mijn ziel naar de hemel verlangt,
Dan zeg ik: „Mijn Jezus, heb ik U ooit bemind,
Dan is het nú, nu ik sterf als Uw kind!”
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Opschrift. “Een psalm, een lied” enzovoort. Men denkt dat de woorden psalm en lied samen in het opschrift van een psalm staan om aan te geven dat bij het zingen in de tempel het geluid van instrumenten met de stem moest worden verbonden. Staat er “een lied, een psalm”, dan ging de stem voorop. Staat er “een psalm, een lied”, dan volgde de stem. — John Diodati.
Opschrift. “Een lied der inwijding.” (Hebr.) Het oorspronkelijke woord (Hebr.) betekent initiari, egkainizein, rei novae primam usurpationem (het eerste gebruik van een nieuw ding). Coccejus zegt het zo: inwijden, dus het eerste gebruik dat van iets wordt gemaakt. Als iemand een huis had afgebouwd en erin trok, vierde hij dat gewoonlijk met grote vreugde. Hij hield een feest, nodigde zijn vrienden uit en hield enkele godsdienstige plechtigheden om de bescherming van de hemel te verzekeren. Zo hielden de priesters, de Levieten en de overige ballingen de inwijding van het huis van God met vreugde en brachten ze veel offers, toen de tweede tempel klaar was. Ezra 6:16.
In het Nieuwe Testament lezen we in Johannes 10:22 over het feest van de inwijding. Dat was ingesteld door Judas Makkabeüs, ter herinnering aan de reiniging en het herstel van de tempel in Jeruzalem, nadat Antiochus Epifanes die had ontwijd en bijna in puin had gelegd. Het werd elk jaar gevierd tot de tempel door Titus werd verwoest: acht dagen lang met plechtige offers, muziek, liederen en lofzangen tot eer van God, met feestmaaltijden en alles wat het volk plezier kon doen. Josephus, Oudheden 1:7. Judas bepaalde dat “de dagen der inwijding op hun tijd, van jaar tot jaar, met vreugde en blijdschap moesten worden gehouden.” 1 Makkabeën 4:59.
Ook gewone mensen vierden een soort godsdienstig feest als ze voor het eerst een nieuw huis betrokken. Dat blijkt uit Gods gebod in Deuteronomium 20:5: wie een nieuw huis had gebouwd, mocht niet naar het leger worden geroepen: “Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga henen.” Dat wil zeggen: als hij er nog niet in bezit van had genomen met de gebruikelijke plechtigheden die bij zulke gelegenheden hoorden. Dit gebruik kwam min of meer bij alle volken voor. Zo wijdden de Romeinen hun tempels, hun schouwburgen, hun standbeelden, hun paleizen en hun huizen in. Suetonius, Octavianus, hfdst. 43, blz. 13; hfdst. 31, blz. 9. — Samuel Chandler.
Opschrift. Deze psalm is de enige in het eerste boek van de Psalmen, dat wil zeggen Psalm 1-41, die een shir of lied wordt genoemd. Het woord (Hebr.) shir staat in de opschriften van Psalm 45, 46, 48, 65, 68, 75, 83, 87, 88, 92, 108, 120 en 134. Psalm 18 spreekt in het opschrift van “de woorden dezes lieds” (shirah, lied), gesproken “ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden”. Het shir van deze psalm kunnen we daarmee in verband brengen. — Christopher Wordsworth.
Opschrift. Door de eerstelingen aan God te offeren, erkenden de Israëlieten dat ze de opbrengst van het hele jaar van Hem kregen. Zo verklaarden ze ook door hun huizen aan God te wijden dat ze Gods pachters waren. Ze beleden dat ze vreemdelingen waren en dat Hij hen daar had gehuisvest en hun een woning had gegeven. Als er dus een oproep voor de oorlog kwam, was het een rechtmatige reden voor vrijstelling als iemand zei dat hij zijn huis nog niet had ingewijd. Bovendien herinnerde deze plechtigheid hen er tegelijk aan dat je alleen op de juiste en behoorlijke manier van je huis geniet als je het zo inricht dat het als het ware een heiligdom van God is, waar ware godsvrucht en zuivere dienst aan God de boventoon voeren. De voorbeelden uit de wet zijn nu verdwenen, maar we moeten nog altijd vasthouden aan wat Paulus leert: alles wat God voor ons gebruik bestemt, wordt nog steeds “geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.” 1 Timotheüs 4:4-5. — Johannes Calvijn.
Gehele psalm
Calmet denkt dat David deze psalm schreef bij de inwijding van de plek die hij bouwde op de dorsvloer van Araüna, na de zware plaag die het koninkrijk bijna tot een woestenij had gemaakt. 2 Samuël 24:25; 1 Kronieken 21:26. Alle delen van de psalm passen daarbij. Ze passen er zo goed bij, en bij geen enkele andere veronderstelling, dat ik mij gerechtigd voel mijn uitleg alleen op dit uitgangspunt te baseren. — Adam Clarke.
Gehele psalm
In de volgende verzen heb ik geprobeerd de geest van de psalm weer te geven en de vele tegenstellingen te bewaren.
Ik zal U verhogen, HEER der heerscharen,
Want U hebt mij verhoogd en mij willen sparen;
U deed de grootspraak van de Satan zwijgen,
Daarom zal nu mijn roem tot U opstijgen!
Toen ik mijn jammerklacht tot U verhief,
Trok U mij weg van de afgrond van de hel;
Mijn Jezus zag mij aan en had mij lief,
En bracht verlossing, wonderbaar en snel.
Ik weende bitter heel de duist’re nacht,
Maar in de morgen werd mijn nood verzacht.
De hand die eerst mijn beend’ren liet bezwijken,
Heeft ook de banden van mijn smart doen wijken!
U hebt mijn rouw veranderd in een dans,
Mijn boetekleed verruild voor een vreugdeglans.
Uw toorn duurt kort, een enkel ogenblik,
Maar in Uw gunst is leven: daarom juich ik!
Zing dan met mij, gij gunstgenoten, zing!
Zing, wie genade van de HEERE ontving!
Gedenk met dankbaarheid het heerlijk licht
Dat u bescheen, toen u zocht Zijn aangezicht.
— C. H. S.
Vers 2
“Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken.” Ik zal U omhoog heffen, want U hebt mij omhooggeheven. — Adam Clarke.
Vers 2
“Gij hebt mij opgetrokken.” (Hebr.) Dit werkwoord wordt in zijn oorspronkelijke betekenis gebruikt voor de heen-en-weergaande beweging van de emmers aan een put: de ene gaat omlaag terwijl de andere omhooggaat, en andersom. Hier is het met bewonderenswaardige juistheid gekozen voor de wisselingen in Davids lotgevallen zoals deze psalm ze beschrijft, in voorspoed en in tegenspoed. Het wijst vooral op de genadige ommekeer van zijn bedroefde toestand, die hij nu viert, omdat God hem tot grote eer en voorspoed had verheven. Want nadat hij zijn paleis had gebouwd, “merkte hij, dat de HEERE hem tot een koning over Israel bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israels wil.” 2 Samuël 5:12. — Samuel Chandler.
Vers 3
“Gij hebt mij genezen.” (Hebr.) Dit werkwoord wordt gebruikt voor het genezen van lichamelijke kwalen, Psalm 103:3, maar ook voor een gelukkige wending in iemands omstandigheden, in het persoonlijke of het openbare leven, doordat een nood wordt weggenomen, bij één mens of bij een heel volk. Psalm 107:20; Jesaja 19:22. Zo ook hier. “Gij hebt mij genezen” betekent: U hebt mij uit mijn benauwdheden gehaald, mijn gezondheid hersteld en mij veilig en voorspoedig gemaakt. Onder Saul verkeerde David vaak in het uiterste levensgevaar. God heeft hem daar op wonderbare wijze uit gered, en dat drukt hij krachtig uit met de woorden: “Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.” Ik achtte mezelf verloren en dacht dat niets mijn ondergang kon tegenhouden. De redding die U mij hebt geschonken, kunnen we bijna alleen maar zien als een soort herstel uit de dood: U hebt mij doen herleven, of mij teruggebracht tot het leven uit hen die in de kuil nederdalen. Zo luidt de letterlijke weergave van het laatste zinsdeel. — Samuel Chandler.
Vers 5
“Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten.” Als het om het zingen over iets anders ging, zou ik het hele koor van Gods schepselen vragen om mee te zingen. Maar nu het gaat om het zingen over Gods “heiligheid”, wat hebben onheilige stemmen dan te zoeken in dit koor? Alleen “heiligen” zijn geschikt om over “heiligheid” te zingen, en vooral over Gods heiligheid. En het allermeest met heilige liederen. — Sir Richard Baker.
Vers 5
“Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten.” God vraagt om uiterlijke én innerlijke aanbidding. Een geestelijke gesteldheid voor innerlijke aanbidding kan ook gesteund worden door onze uiterlijke houding. Wie wezenloos voor zich uit staart, houdt de ziel in haar werk tegen. De tegenovergestelde houding bevordert en helpt haar. Zingen brengt de ziel in zo’n houding en wekt haar als het ware op: het is een levendige oproep aan het hart. Van alles wat we in het openbaar doen, vraagt het zingen van Gods lof de meeste overdenking. Het houdt het hart het langst bij wat er gezegd wordt. Gebed en luisteren gaan snel van de ene zin naar de volgende, maar hier blijft het hart lang bij stilstaan. Overdenking moet volgen op het horen van het woord en het bidden met de predikant. Want de steeds nieuwe zinnen laten ons op het moment zelf geen ruimte om goed na te denken over wat er gezegd wordt. Maar bij het zingen bid en overdenk je tegelijk. God heeft deze plicht zo geordend dat we, terwijl we ermee bezig zijn, tegelijk eten en herkauwen.
“Higgajon”, of “Overdenking”, staat bij sommige plaatsen in de Psalmen, zoals Psalm 9:17. Hetzelfde kan boven de hele plicht van het zingen en al haar onderdelen staan: “Overdenking.” Stel je iemand voor die in de beste houding zingt: zijn ogen zijn naar de hemel opgeheven, als teken dat hij verlangt dat ook zijn hart daar mag zijn. Hij heeft een regel of een vers voor zich over gebed, klacht, lof of Gods werken. Wat een ruimte heeft zijn hart nu om zich uit te spreiden in overdenking, terwijl hij het zingt! Ons zingen gaat in bedaard tempo, niet minder voor de overdenking dan voor de muziek. Wie dit voordeel niet zoekt in het zingen van psalmen, vindt het ook niet. Hij weet nog niet wat het betekent. — John Lightfoot, 1675.
Vers 6
“Zijn toorn.” God is vaak boos op Zijn eigen dienaren. Wat een reden hebt u dan, die Hem vreest, om Hem te danken dat Hij niet boos op u is en dat u Zijn misnoegen niet voelt! Anderen maakt Hij tot het doel waarop Hij Zijn pijlen richt. U hoort anderen zuchten omdat Hij is weggegaan, maar uw hart is niet zo bedroefd als het hunne. Uw ogen kunnen vol hoop naar de hemel opkijken, terwijl de hunne zijn omfloerst door verdriet. Tegen hen spreekt Hij hard, tegen u troostrijk. Hij lijkt zich als vijand tegen hen te keren, terwijl Hij met u omgaat als een liefhebbende vriend. U ziet een herlevende glimlach op Zijn gezicht, terwijl zij daar niets anders zien dan een aanhoudende, vreselijke frons.
O, bewonder de soevereine, onderscheidende genade van God en blijf u er eeuwig over verbazen! Bent u, die het nu gemakkelijk hebt, beter dan veel van Zijn kinderen die nu in een vurige oven zijn geworpen? Hebt u minder slakken in u dan zij? Denkt u dat zij zwaarder hebben gezondigd dan u ooit hebt gedaan? Hij is boos op hen om hun lauwheid en hun afval. En heeft uw hart altijd gebrand van liefde? Zijn uw voeten altijd op Zijn weg gebleven zonder af te wijken? Bent u nooit afgedwaald? Bent u nooit opzijgegaan, naar rechts of naar links? Zeker wel! Wat een barmhartigheid dan, dat Hij niet boos is op u, zoals Hij dat wel is op hen…
Wees daarom niet vermetel. Hoewel Hij nu nog niet boos op u is, kan Hij dat worden. Dat was Davids fout: “Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen”, maar meteen daarna volgt: “Toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” De zon schijnt nu op u en de kaars van de Heere verlicht uw tent, maar u kunt nog veel stormen, wolken en duisternis tegenkomen voordat u aan het einde van uw reis bent. De discipelen waren ooit zeer verheugd over de heerlijkheid op de berg van de verheerlijking. Tijdens die schitterende ontmoeting tussen Christus, Mozes en Elia dachten ze dat ze in de hemel waren. Maar er kwam een wolk die de heerlijkheid van daarnet verduisterde, en toen werden die arme mannen bang.
Het is waar dat Gods toorn maar een ogenblik duurde. Maar zelfs dat ene ogenblik is zeer droevig en vreselijk, meer dan te beschrijven valt. “Des avonds vernacht het geween”, zeker, maar het kan toch een zeer bittere en droevige nacht zijn. Het is een nacht als die van de Egyptenaren: toen zij opstonden, zagen zij al hun eerstgeborenen gedood, en er was een afschuwelijk geschrei en gekerm in het hele land. Zo kan ook deze nacht van de toorn van de Heere al onze troost vernietigen. Hij kan de eerstgeborene van onze kracht, het vertrouwen en de lust van onze hoop, de geest doen geven. — Timothy Rogers.
Vers 6
“Een leven in Zijn goedgunstigheid.” Laten we eens kijken waar het gewicht van de zegen en de vloek voor schapen en bokken werkelijk ligt. Wat ons in de hemel gelukkig maakt, is niet alleen het eeuwige leven zelf. David zegt het precies: “een leven in Zijn goedgunstigheid.” Stel dat een verloren ziel alle vreugden van het eeuwige leven mocht genieten, maar zonder de gunst van God. Dan zou de hemel voor die ziel een hel zijn. Want wat de hel zo ellendig maakt, is niet het donkere, afschuwelijke huis van pijn. Het is Gods misnoegen: ite maledicti (“gaat weg, gij vervloekten”). Stel nu dat een uitverkoren ziel in de hel terechtkwam, maar Gods gunst behield. Dan zou de hel voor die ziel een hemel zijn. Alle duivelen samen konden haar vreugde niet afnemen, want haar nacht zou in dag veranderen. — Edward Marbury.
Vers 6
Denk aan een leerling die zeven jaar lang of nog langer zwaar werk doet, en misschien ook slecht wordt behandeld. Toch dient hij zijn meester al die tijd zonder morren of klagen. Hij ziet immers dat de tijd verstrijkt. Zijn dienstbaarheid duurt niet eeuwig: uiteindelijk wordt hij vrijgelaten en is hij een vrij man. Zo zouden ook wij, als we zuchten onder de last van een kruis of van verdrukking, onze verlangens moeten bedwingen, onze ziel in geduld moeten bezitten en alle morren en klagen moeten laten varen. Bedenk goed dat de roede van de goddelozen niet altijd op het lot van de rechtvaardigen zal rusten. Het geween kan wel vernachten, maar des morgens is er gejuich. Moeiten krijgen een einde. Ze duren niet eeuwig. — John Spencer.
Vers 6
Wat is dat vers in ons leven al vaak letterlijk waar gebleken: “Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich!” Wat drukt een moeilijkheid zwaar op ons in de nacht! Onze vermoeide zenuwen en onze hersenen lijken de druk niet meer aan te kunnen. Onze pols bonkt, en een koortsig, rusteloos lichaam wil niet meewerken om vol te houden. We voelen ons ellendig en hulpeloos, en we huilen met heel ons hart onder een aanval waartegen we niets kunnen doen.
Eindelijk komt de slaap. Zorgen, verzoeking, wat het ook is dat ons probeert te overweldigen: het gaat één stap te ver, schiet zijn doel voorbij en drijft onze arme menselijkheid met louter geweld buiten het bereik van nog meer beproeving. Na zo’n nacht vol strijd en de zware slaap van uitputting worden we wakker met een vaag gevoel dat er iets drukt. Onze gedachten komen bijeen. Terwijl de herinnering terugkomt, verbazen we ons over onze eigen heftigheid. Wat leek toch zo hopeloos, zo donker? Waarom voelden we ons zo hulpeloos en wanhopig? Zo ziet het er nu niet meer uit. Het is nog droevig, maar het is te dragen. Het is hard, maar niet meer onmogelijk. Misschien is het nog erg genoeg, maar we wanhopen niet meer. Het geween vernacht wel, maar des morgens is er gejuich.
Zo gaat het ook met ons hele leven, met zijn strijd, zijn zware arbeid en zijn zonden, die ons voortdurend in conflict brengen. Het eindigt ten slotte in de felle strijd van de dood. Maar dan geldt: “Het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft” (Engels: Hij geeft Zijn beminden slaap). Zij slapen in Jezus en worden wakker in de vreugde van een morgen die nooit meer afneemt: de morgen van de blijdschap. De Zon der gerechtigheid schijnt op hen. Er is nu licht op al hun wegen. Vol verwondering denken ze terug aan de wanhoop, de duisternis, het zware werk en het geweld van hun aardse leven. En dan zeggen ze wat ze op aarde al zo vaak hebben gezegd: “Het geween heeft slechts tot de nacht geduurd, en nu is het morgen, en de vreugde is gekomen!” En onze smarten, onze twijfels, onze moeilijkheden, ons lange, wanhopige vooruitzien of onze kracht een zo lange nacht van beproeving wel zou volhouden: waar zijn ze nu? Zullen we dan niet voelen wat een van onze liederen zo mooi zegt—
“Wanneer wij in het zalig Vaderland,
Geliefden weerzien aan de overkant,
Dan zullen wij nog nauwelijks verstaan,
Waarom wij hier vergoten menig traan.”
— Mary B. M. Duncan, 1825-1865.
Vers 6
“Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.” Hun rouw duurt maar tot de morgen. God verandert hun winternacht in een zomerdag, hun zuchten in zingen, hun verdriet in blijdschap, hun rouw in muziek, hun bitter in zoet en hun woestijn in een paradijs.
Het leven van een christen zit vol wisselingen: ziekte en gezondheid, zwakte en kracht, gebrek en rijkdom, schande en eer, kruisen en troost, ellende en barmhartigheid, vreugde en verdriet, vrolijkheid en rouw. Louter honing zou ons schaden en louter alsem zou ons breken. Een mengsel van beide is de beste manier om onze ziel gezond te houden. Voor de gezondheid van de ziel is het het beste dat zowel de zuidenwind van de barmhartigheid als de noordenwind van de tegenspoed erover waait. Elke wind die waait, waait de heiligen ten goede. Toch sterven hun zonden zeker het meest, en bloeien hun genaden het best, wanneer ze in de uitdrogende, bijtende noordenwind van de ramp staan, net zo goed als in de warme, koesterende zuidenwind van barmhartigheid en voorspoed. — Thomas Brooks.
Vers 6
“Des morgens is er gejuich.” De vreugde van wie God vreest, komt in de morgen, terwijl die van de goddeloze juist dan verdwijnt. Want voor hem geldt: “de morgenstond is hun te zamen de schaduw des doods” (Job 24:17). De goddeloze vreest niet alleen bestraffing en straf. Ook als niemand van zijn daden zou weten, treurt en lijdt hij al genoeg om de schade, het verlies en de verspilling van zijn kracht, zijn tijd en zijn geld. — Zachary Bogan.
Vers 6
In de tweede helft van het vers wordt het geween voorgesteld als een persoon: een reiziger die in de morgen de herberg verlaat waar hij de avond ervoor was binnengegaan. Na hem arriveert een andere gast, en dat is de vreugde. — E. W. Hengstenberg.
Vers 6
De vorstelijke profeet zegt het ronduit: droefheid kan wel vernachten, maar des morgens is er gejuich. Denk aan de twee engelen die bij Lot kwamen. Ze bleven een nacht bij hem, en toen ze hun opdracht hadden volbracht, vertrokken ze in de morgen. Zo zijn ook verdrukkingen engelen of boden van God. God stuurt ze met een boodschap voor ons. Ze zeggen ons dat we God vergeten, dat we onszelf vergeten, dat we te trots zijn, te zelfingenomen, en dergelijke. En zodra ze hebben gezegd wat hun was opgedragen, zijn ze meteen weer weg. — Thomas Playfere.
Verzen 7-12
Wie zijn hart aan de schepselen hangt, vindt in al die dingen doornen. Grijpt hij er te veel of te hard naar, dan zal hij dat merken. Gods kinderen worden zo opgevoed dat God hen geen zonde laat ontlopen. Zijn ze te hartstochtelijk aan iets gehecht, dan vinden ze juist in dat ding een kruis. Je kunt dit zien in de dertigste psalm. Daar zie je de kringloop die God met Zijn kinderen doorloopt. David heeft veel verdrukkingen, zoals het zesde vers laat zien: ik riep, en toen keerde God tot mij terug, en er kwam vreugde. Wat deed David toen? “Ik zeide wel …: Ik zal niet wankelen.” Zijn hart werd overmoedig. Maar God liet hem daar niet mee wegkomen: “Toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” In het achtste vers zit David, zie je, weer in moeite. Dus roept hij opnieuw, in het negende en elfde vers, en dan verandert God zijn rouw weer in vreugde. Zo handelt God, zul je zien, in heel de Schrift. Maar omdat we Zijn handelwijze in deze psalm zo dicht bij elkaar vinden, wijs ik er hier op. — John Preston, D.D. (1587-1628), in “The Golden Scepter held forth to the Humble”.
Vers 7
“Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Er zijn twee plechtige momenten waarvan Satan gebruikmaakt om te verleiden: wanneer we beginnen aan een bijzondere dienst voor God, en wanneer we een bijzondere gunst van God ontvangen… Na zulke bezigheden en gunsten worden we gemakkelijk trots, onbezorgd en zelfverzekerd. Zo vallen mensen na een volle maaltijd gemakkelijk in slaap of eten ze te veel, en zo vergeten ze zichzelf wanneer ze tot eer worden verheven. Jobs grote vrede en overvloed maakten hem, zoals hij zelf belijdt, zo zelfverzekerd dat hij zei: “Ik zal in mijn nest den geest geven.” Job 29:18.
David genoot Gods gunst in meer dan gewone mate. Toch kende hij wisselingen en veranderingen beter dan de meeste mensen, en hij raakte zorgeloos in zijn overtuiging: “Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Maar hij erkent zijn vergissing. Hij laat haar achter als een ervaring waaraan anderen een waarschuwing kunnen nemen: toen hij warm werd onder de stralen van Gods aangezicht, was hij geneigd in zorgeloosheid te vallen. Dat gebeurde blijkbaar altijd zo bij hem. Wanneer hij het meest zorgeloos was, zat hij het dichtst bij moeite of onrust. “Toen Gij Uw aangezicht verborgt” — en dan zal de duivel hem vast zijn eigen gezicht laten zien — “en ik werd verschrikt.” Genietingen wekken vertrouwen. Vertrouwen brengt onbezorgdheid voort. Onbezorgdheid doet God Zich terugtrekken en geeft Satan de kans ongezien te werken. Zo worden ook wij na geestelijke vooruitgang vaak neergeworpen, zoals legers na de overwinning zorgeloos worden en dan vaak verrast worden. — Richard Gilpin.
Vers 7
“In mijn voorspoed.” (Hebr.) Het woord betekent vrede en rust die voortkomen uit een welvarende, voorspoedige toestand. God had David rustig op de troon gevestigd. Daarom meende David dat al zijn moeiten voorbij waren en dat hij ongestoord gelukkig zou zijn. Hij dacht: “Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet”, en: “Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.” Dat kan op verschillende manieren bedoeld zijn: God had hem zo veilig geplaatst voor alle gevaar, alsof hij zijn toevlucht had genomen op een ontoegankelijke berg; of Hij had zijn voorspoed zo hecht gemaakt dat die net zomin kon veranderen als een berg van zijn plaats kan worden gerukt; of Hij had hem verheven tot een uitzonderlijke hoogte van eer en voorspoed. Een berg is door zijn hoogte immers een heel natuurlijk beeld van een zeer hoge positie, die zich onderscheidt door macht, rijkdom en waardigheid.
David had de vesting op de berg Sion ingenomen, en die was eigenlijk zijn eigen berg, want hij had haar tot zijn woonplaats gekozen. Van nature was ze sterk, en door de versterkingen die hij had toegevoegd, was ze bijna onneembaar. Hij zag dit als het gevolg van Gods gunst voor hem. En hij beloofde zichzelf dat zijn vrede en geluk voortaan even rustig en onwankelbaar zouden blijven als de berg Sion zelf. — Samuel Chandler.
Vers 7
“In mijn voorspoed.” Voorspoed is voor ons prettiger dan nuttig. Hij lijkt op een mooie zomer, maar in werkelijkheid is hij een verterende winter, die alle vrucht opeet die we in de oogsttijd van de geheiligde verdrukking hebben binnengehaald. We zijn nooit in groter gevaar dan in de zonneschijn van de voorspoed. Als God ons altijd verwent en we nooit moeite proeven, is dat eerder een teken dat God ons verwaarloost dan van Zijn tedere liefde. — William Struther.
Vers 8
Het is zeldzaam om veel van deze wereld te ontvangen en niet, zoals de verloren zoon, ver weg te gaan. Het is moeilijk om dicht bij God te blijven als het ons voor de wind gaat, als we veel van deze wereld hebben om van te leven en ons mee te vergenoegen. Dan zouden we juist van God moeten leven, en van Hem onze tevredenheid en steun moeten maken, alsof we geen ander leven of levensonderhoud hadden dan in Hem. In zo’n situatie zijn we erg geneigd een vleselijke houding aan te nemen. We laten God los, verleren het oefenen van het geloof, en onze liefde voor God koelt af en raakt vervreemd.
Kijk maar hoe het met David ging: “Ik zeide wel …: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet.” Ik genoot van deze uiterlijke gemakken, alsof ik geen andere steun, kracht of tevredenheid nodig had en er geen verandering te vrezen viel. Ik hoefde mij nu niet meer te bekommeren om God tot mijn blijvende vreugde en steun te maken, en alleen op God als mijn deel te rekenen. Ik hoefde niet meer te bedenken dat ik Hem met een kruis moet volgen en mijn Zaligmaker gelijkvormig moet worden, door voor de wereld gekruisigd te zijn. Wat komt ervan? “Toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.” Dat gebeurde omdat hij te veel had toegegeven aan een leven van de zinnen.
Denk aan kinderen die door hun verzorgster omhooggehouden worden. Ze letten niet op hun voeten of op de grond. Als de verzorgster hen loslaat, vallen ze, alsof ze geen voeten of grond hadden om op te staan. Of denk aan kinderen die spelen in de gouden zonneschijn en zo achter hun spel aan lopen dat ze ver van het huis van hun vader dwalen. Eer ze het beseffen, valt de nacht. Dan zijn ze als het ware verloren en vol angst, en weten ze de weg naar huis niet meer.
Zo steelt de wereld onze harten van God af. Ze geeft zo weinig gelegenheid om het leven van het geloof te oefenen, en zoveel voordeel aan een leven van de zinnen. Ze slijt ons besef weg dat we van God afhangen en Hem nodig hebben. Als we dan door verdrukking op de proef worden gesteld, zijn we klaar om te falen, nog voor we ons wapen of onze greep kunnen terugwinnen. Het geloof is onze hartsterking (Psalm 27:13). Maar als het niet bij de hand is (en dat is gewoonlijk zo als we gezond zijn en het niet nodig hebben), kunnen we bezwijmen voordat we het weer kunnen gebruiken. — Elias Pledger, in een preek in “The Morning Exercises”, 1677.
Vers 8
“Gij verborgt Uw aangezicht, en ik werd verschrikt.” Welke ziel kan verlaten zijn zonder bedroefd te raken? Wie Gods tegenwoordigheid hoger waardeert dan alle aardse vreugde, kan Zijn afwezigheid alleen met de grootste smart beklagen. Wanneer het bewijs van onze zaligheid wordt verduisterd, het licht van Gods aangezicht wordt verdonkerd en de vertroostingen van de Geest worden achtergehouden, dan schijnen de hemelen minder helder. De beloften smaken niet meer zo zoet, en de verordeningen zijn niet meer zo levend. De wolken boven de ziel worden zwarter, twijfels rijzen op, angsten stromen over, verschrikkingen nemen toe en moeiten groeien. En de ziel kwijnt weg in bedroefdheid, vol van allerlei onrust. — Robert Mossom.
Vers 8
“Gij verborgt Uw aangezicht, en ik werd verschrikt.” Een gelovige trekt de rouwkleding van berouw aan, omdat hij het kleed van de volmaaktheid heeft afgelegd. Een suikerbrood lost op en “weent” zichzelf weg wanneer het in wijn wordt gedompeld. Zo smelten ook onze harten wanneer we de goddelijke liefde ervaren. — William Secker.
Vers 8 (laatste zinsdeel)
Dit vers leert ons heel helder een mooie, vertroostende waarheid waar vooral de middeleeuwse schrijvers graag bij stilstaan. Of een schepsel gelukkig of ongelukkig is, hangt af van de blik van God op dat schepsel, of van het ontbreken daarvan. Die verborgen bronnen van vreugde die soms vanzelf in ons opwellen, en waar een vreemde niets van merkt, zijn niets anders dan Gods directe, persoonlijke blik op ons. En het verdriet waarvoor we geen bepaalde oorzaak kunnen noemen – noem het zwaarmoedigheid, neerslachtigheid of hoe je het ook wilt noemen – is niets anders dan dat Hij Zijn gezicht van ons afwendt. — John Mason Neale.
Vers 8 (laatste zinsdeel)
Is het voor gelovigen een reden tot verdriet en neerslachtigheid als God Zich geestelijk terugtrekt en Zijn aangezicht verbergt? Ja zeker! Het laat hun hart bezwijken en niets kan hen dan nog troosten. “Gij verborgt Uw aangezicht, en ik werd verschrikt.” Uiterlijke ellende snijdt alleen door de huid, maar dit raakt het levende vlees. Zulke ellende valt als regen op de dakpannen, maar dit sijpelt door tot in het huis. Toch geeft Christus gelovigen echte reden tot troost tegen het leed van Gods verlating: Hijzelf werd een tijdlang door God verlaten, zodat zij nooit voor eeuwig verlaten zullen worden. — John Flavel.
Vers 8 (laatste zinsdeel)
Als God jouw deel is, dan is er in de hele wereld geen verlies dat zo zwaar op je drukt als het verlies van je God. Niets onder de hemel raakt en bedroeft iemand die God als zijn deel heeft zo diep als het kwijtraken van zijn God. David leed menig verlies, maar geen enkel sloeg zo’n pijnlijke en grote bres in zijn geest als het verlies van Gods aangezicht, het verlies van Gods gunst: “Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid. Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.”
Het Hebreeuwse woord (Hebr.) bahal betekent: hevig ontsteld zijn, doodsbang zijn. Je ziet het in 1 Samuël 28:21: “De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was.” Daar staat precies hetzelfde Hebreeuwse woord, bahal. Saul was zo geschrokken, ontdaan en ontmoedigd door het vreselijke nieuws dat de duivel hem in de gedaante van Samuël bracht, dat zijn levenskracht hem begaf en hij bewusteloos neerviel. Zo ging het ook met David toen God Zijn aangezicht verborg. Hij leek op een verwelkte bloem die haar sap, leven en kracht kwijt is, toen God Zich in een wolk hulde.
Het leven van sommige schepselen hangt af van het licht en de warmte van de zon. Zo hangt ook het leven van de heiligen af van het licht en de warmte van Gods aangezicht. En zoals bij een zonsverduistering heel de natuur als het ware kwijnt, zo kunnen genadige zielen niet anders dan kwijnen, verflauwen en zich voor Hem neerbuigen wanneer God Zijn aangezicht verbergt. Veel gevoelloze schepselen reageren zo op de aanwezigheid en afwezigheid van de zon, dat er tussen hen en de zon een soort verwantschap lijkt te bestaan. Sommige openen en sluiten zich, zoals goudsbloemen en tulpen. Andere buigen en neigen het hoofd, zoals de “solsequy” (de oude naam van de zonnebloem) en de maluwebloemen. Is de zon weg of bewolkt, dan vouwen ze zich dicht of laten ze het hoofd hangen, alsof ze door geen enkel oog gezien willen worden behalve dat van de zon, die hen met leven vervult. Zo was het ook met David toen God Zijn aangezicht achter een wolk hield. — Thomas Brooks.
Vers 9
“Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE.” Bernardus vertelt in de vorm van een gelijkenis een verhaal dat onze volle aandacht waard is. De koningen van Babylon en Jeruzalem – beeld van de wereld en van de kerk – voeren daarin voortdurend oorlog tegen elkaar. Op een keer vluchtte een van de soldaten van Jeruzalem naar het kasteel van Gerechtigheid. Het kasteel werd belegerd en een menigte vijanden groef zich rondom in. Vrees gaf alle hoop op, maar Voorzichtigheid sprak haar moed in.
“Weet je dan niet”, zei zij, “dat onze koning de Koning der ere is? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd. Laten we een bode sturen die Hem van onze nood op de hoogte brengt.” Vrees antwoordde: “Maar wie kan daar ooit doorheen breken? Duisternis ligt over de aarde, onze muren worden omringd door een waakzame schare gewapende mannen, en wij kennen de weg naar zo’n ver land totaal niet.” Daarop werd Gerechtigheid om raad gevraagd. “Houd goede moed”, zei Gerechtigheid. “Ik heb een boodschapper die ik bijzonder vertrouw. Ze is goed bekend bij de Koning en Zijn hof. Haar naam is Gebed. Ze weet onbekende wegen te vinden, in de diepste stilte van de nacht, tot ze bij de geheimen en de kamer van de Koning Zelf komt.”
Meteen ging ze op weg. Ze vond de poorten gesloten en klopte opnieuw: “Opent u, gij poorten der gerechtigheid, en wordt geopend, gij eeuwige deuren, opdat ik inga en den Koning van Jeruzalem vertel hoe onze zaak staat.”
Zonder twijfel is Gebed de trouwste en krachtigste boodschapper die we kunnen sturen. Sturen we onze verdiensten omhoog, dan zullen zelfs de sterren aan de hemel het verachten dat wij, die aan Gods voetbank wonen, zoiets durven te beweren, terwijl de zuiverste wezens in de hemel in Zijn ogen nog onrein zijn. Sturen we angst en wantrouwen omhoog, dan put de lange weg hen uit. Ze zijn zo zwaar en log als staven ijzer en storten naar de grond voordat ze halverwege de troon van het heil zijn. Sturen we lasteringen en vervloekingen omhoog, dan keert alles tussen hemel en aarde zich tegen ons. Zon en maan laten bloed regenen, het vuur gloeiende kolen en de lucht donderslagen op ons hoofd.
Gebed, zeg ik nogmaals, is de zekerste gezant. Noch de lengte van de weg noch de moeilijke doortocht kan haar van haar opdracht afhouden. Ze is snel, betrouwbaar en altijd succesvol. Ze kan zich boven de arenden van de hemel verheffen, tot in de hemel der hemelen, en als een vurige wagen ons omhoog dragen naar de tegenwoordigheid van God om Zijn hulp te vragen. — John King.
Vers 10
“Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve?” Hiermee laat David weten dat hij bereid zou zijn te sterven als hij God of zijn land daarmee echt kon dienen (Filippenzen 2:17). Maar hij zag niet in welk nut zijn dood op een ziekbed zou hebben, anders dan wanneer hij op het slagveld was gevallen. Heere, zegt hij, wilt U doen wat er staat: “Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet”? Psalm 44:13. — Matthew Henry.
Vers 10
“Wat gewin is er in mijn bloed enzovoort.” Het geringe gewin dat de Heere zou hebben als Hij Zijn volk de barmhartigheid weigert waar het om vraagt, kan ook als pleitgrond in het gebed dienen. David vraagt God om zijn eigen leven en gebruikt daarbij dit pleidooi: Wat gewin is er in mijn bloed? Zo pleitte ook de gevangen kerk in Psalm 44:13: “Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.” Zo kunnen ook arme heiligen van God in hun gebeden tot de Heere zeggen dat Hij hen inderdaad mag veroordelen, in verwarring brengen, afsnijden of verwerpen. Dat Hij hen met gefronste wenkbrauwen mag blijven bedreigen. Dat Hij dit of dat verzoek van hen mag afwijzen, om deze of gene rechtvaardige reden die in hén ligt. Maar wat zal Hij daarmee winnen? Door hen te horen en te helpen kan Hij veel lofprijs winnen enzovoort. Maar wat voor goeds zou het Hem doen als Hij hen verdrukt ziet door de vijanden van hun ziel? Of welk plezier zou het Hem zijn hen te zien zuchten, wegzakken en bezwijmen onder zware lasten enzovoort? Dit is een toegestane en zeer succesvolle manier van pleiten. — Thomas Cobbet.
Vers 10
“Zal U het stof loven?” Kan er ooit een aantal zijn dat groot genoeg is om U te loven? Zijn er ooit monden genoeg om Uw waarheid te verkondigen? Mag ik er dan niet één van zijn? Een zondige, dat weet ik, maar toch één in het aantal, als het U behaagt mij te sparen van het afdalen in den kuil? — Sir Richard Baker.
Vers 10
Een gebed dat God waarschijnlijk zal bewegen, moet met redenen onderbouwd zijn. God wil graag dat we met Hem pleiten en Hem in het gebed overwinnen met redenen. — Thomas Watson.
Vers 12
“Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord.” Dit kon waar zijn voor David, verlost uit zijn rampspoed. Het was waar voor Christus, toen Hij opstond uit het graf om nooit meer te sterven. Het is waar voor de boetvaardige, die zijn rouwkleed inruilt voor de kleren van het heil. En het zal voor ons allemaal waar worden op de laatste dag, wanneer we de schande van het graf afleggen om te stralen in eeuwige heerlijkheid. — George Horne.
Vers 12
“Gij hebt … veranderd.” Ik houd zo van de hoogten en diepten in de Psalmen. — Adelaide Newton.
Vers 12
“Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord.” Ik zeg met de apostel: “overwint het kwade door het goede”, en dus verdriet door vreugde. Vreugde is het echte medicijn tegen verdriet. Een ander medicijn was er nooit en kan er ook nooit zijn. Bij een ziel die huilt moeten we altijd een reden geven om zich te verheugen. Alle andere troost is volkomen nutteloos. — Alexandre Rodolphe Vinet, D.D., 1797-1847.
Vers 12
“Gij hebt mij met blijdschap omgord.” Mijn “zak” hing maar los om mij heen en kon naar believen makkelijk worden afgelegd. Maar mijn “blijdschap” is om mij heen gegord, zodat zij stevig en zeker zit. Zij kan mij niet verlaten, ook al zou ze willen. In elk geval kan niemand haar van mij afnemen. — Sir Richard Baker.
Vers 13
De Chaldeeën telden hun natuurlijke dag vroeger anders dan de Israëlieten. Zij zetten de dag eerst en de nacht daarna. De Israëlieten volgden juist de orde van de schepping, want in het begin was er duisternis op den afgrond, en van elk van de zes dagen wordt gezegd: “Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag”, enzovoort. Zo is ook de tijd van de wereld en van de kerk verschillend ingedeeld. De wereld begint de hare met een dag van voorspoed en eindigt met een nacht van duisternis en angst die eeuwig duurt. De kerk begint de hare juist met de nacht van tegenspoed, die zij een tijdlang lijdt, en eindigt met een dag van vertroosting die eeuwig zal zijn.
Zo begint de profeet in deze psalm met Gods toorn, maar eindigt hij met Zijn gunst. Wie vroeger de tabernakel binnenging, zag eerst onaangename dingen: de messen voor de offers, het bloed van de slachtoffers, het vuur op het altaar dat de offers verteerde. Maar ging je een stukje verder, dan kwam je bij het heilige, met de gouden kandelaar, de toonbroden en het gouden altaar waarop reukwerk werd geofferd. En ten slotte was daar het heilige der heiligen, met de ark van het verbond, het verzoendeksel en de cherubs, dat het aangezicht van God werd genoemd. — Timothy Rogers.
Vers 13
“In eeuwigheid zal ik U loven.” Wat is lof? Het pachtgeld dat we aan God verschuldigd zijn. En hoe groter de boerderij, hoe hoger de pacht moet zijn. — G. S. Bowes, 1863.
Wenken voor de dorpsprediker
Titel
Een huis inwijden, en hoe je dat aanpakt.
Gehele psalm
In dit lied zien we wat er in Davids hart omging vóór, tijdens en na de moeilijke tijd.
- Vóór de verdrukking: Psalm 30:7.
- Tijdens de verdrukking: Psalm 30:8-11.
- Na de verdrukking: Psalm 30:12-13.
— William Jay.
Vers 2 (eerste zinsdeel)
Hoe God en Zijn volk elkaar hoog verheffen.
Vers 2 (tweede zinsdeel)
Het geluk van zó bewaard te worden dat onze vijanden geen reden krijgen om met ons te spotten.
Vers 2
De teleurstelling van de duivel.
Vers 3
De zieke, de dokter, de nachtbel, het medicijn en de genezing. Of anders: een God van het verbond, een zieke heilige, een roepend hart en een helende hand.
Vers 4
Optillen en bewaren: twee uitgelezen barmhartigheden. Ze stralen des te mooier doordat er twee vreselijke kwalen tegenover staan, het graf en de kuil. En ze worden rechtstreeks aan de Heere toegeschreven: “Gij hebt.”
Vers 5
Zingen is een heilige dienst. Heiligen zijn er in het bijzonder voor geroepen. Gods heiligheid is een uitgelezen onderwerp voor ons lied, en ons geheugen een bewonderenswaardige hulp daarbij.
Vers 6
Gods toorn in verband met Zijn volk.
Vers 6
De nacht van geween en de morgen van vreugde.
Vers 6
Leven in Gods gunst.
Vers 6
Het voorbijgaande van de moeite van de gelovige en het blijvende van zijn vreugde.
Vers 7
De eigen gevaren van voorspoed.
Verzen 7-13
Davids voorspoed had hem in een ongepaste zekerheid in slaap gesust. God stuurde hem deze verdrukking om hem daaruit wakker te schudden. De gemoedstoestanden die elkaar opvolgen zijn hier duidelijk aangegeven. We moeten ze een voor een bekijken, zoals ze ons hier worden voorgehouden.
- Zijn vleselijke zekerheid.
- Zijn geestelijke verlatenheid.
- Zijn vurige gebeden.
- Zijn snelle herstel.
- Zijn dankbare erkentelijkheid.
— Charles Simeon.
Vers 8 (eerste zinsdeel)
Vleselijke zekerheid: waar ze vandaan komt, waarom ze gevaarlijk is en wat ertegen helpt.
Vers 8 (laatste zinsdeel)
De genadige klachten van een ziel in geestelijke duisternis.
Vers 9, samen met vers 3
Het gebed, het medicijn voor alles.
Vers 10 (eerste zinsdeel)
Redenen die we God kunnen voorleggen om ons in leven te houden en Zijn gunst te vernieuwen.
Vers 10 (laatste zinsdeel)
De opstanding: een tijd waarin het stof God zal loven en Zijn waarheid zal verkondigen.
Vers 11
Twee juwelen van gebed: kort, maar vol en onmisbaar.
Vers 11
“HEERE, wees mij een Helper.” Ik zie velen vallen. Ik zal ook vallen, tenzij U mij overeind houdt. Ik ben zwak en ik word verzocht. Mijn hart is bedrieglijk en mijn vijanden zijn sterk. Op mensen kan ik niet vertrouwen, en op mezelf durf ik het niet. De genade die ik ontvangen heb, bewaart mij niet zonder U. Heere, wees mij een Helper.
In elke plicht, in elke strijd, in elke beproeving, in elke poging om de zaak van de Heere te dienen, in elke tijd van voorspoed, in elk uur dat we leven: dit korte, ingegeven gebed past altijd. Mocht het uit ons hart opwellen, vaak op onze lippen zijn en in ons leven verhoord worden. Want als de Heere ons helpt, is er geen plicht die we niet kunnen vervullen, geen vijand die we niet kunnen overwinnen en geen moeilijkheid die we niet te boven kunnen komen. — James Smith, “Daily Remembrancer”.
Vers 12
Veranderingen: plotseling, volledig, goddelijk (“Gij”), persoonlijk (“mij”) en genadig.
Vers 12
Heilig dansen: leg de beeldspraak uit.
Vers 12
De kledingwissel van de gelovige. Licht dit toe aan het leven van Mordechai of Jozef. Noem alle kleren die de gelovige moet dragen: als rouwdrager, als bedelaar, als misdadiger enzovoort.
Vers 13
Onze eer en hoe die samenhangt met Gods eer.
Vers 13
Het doel van Gods genadige beschikkingen.
Vers 13
Zwijgen: wanneer het zonde is.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
De gelofte van de gelovige en het moment om haar af te leggen. Zie de gehele psalm.
Werken over de dertigste psalm
Meditations upon the XXX Psalme of David. Door Sir Richard Baker. (Zie blz. 10.)
In Chandlers “Life of David” (Deel II, blz. 8-15) staat een uitleg van Psalm 30.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas