Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 64 — Treasury of David

Titel
Voor de koorleider. Hij is nu even met dit lied belast. Het zou goed zijn als de voorzangers in al onze gemeenten hun taak met de nodige ernst bekeken. Het is immers geen kleinigheid om geroepen te worden het heilige lied van Gods volk voor te gaan, en die verantwoordelijkheid is zeker niet licht. Een psalm van David. Zijn leven was één lange strijd, en bijna nooit sluit hij een psalm af zonder zijn vijanden te noemen. Ook nu is al zijn denken vervuld van gebed tegen hen.
Indeling
In Ps. 64:2-7 beschrijft David hoe wreed en listig zijn vijanden zijn. In Ps. 64:8-11 voorspelt hij hun ondergang. Het beeld van de boogschutters keert daarbij steeds terug: eerst schieten zij, daarna worden zijzelf getroffen.
Uitleg
Vers 2
Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag. Bidden helpt vaak beter als we onze stem gebruiken en hardop spreken. Maar ook een gebed dat alleen in de gedachten leeft, heeft bij God een stem die Hij hoort. We lezen nergens dat Mozes aan de Schelfzee iets met zijn lippen zei. Toch zei de Heere tegen hem: “Wat roept gij tot Mij?” Gebeden die op aarde niemand hoort, kunnen in de hemel juist het best gehoord worden. Let eens op hoe vanzelfsprekend David steeds naar het gebed grijpt. Het is zijn strijdbijl, zijn wapen in de oorlog.
Hij gebruikt het onder elke druk: of die nu komt van zonde in zijn hart of van woede van buiten, van een inval van vreemde volken of van een opstand in eigen land. Wij handelen wijs als we het gebed tot God in elk uur van nood onze eerste en meest vertrouwde toevlucht maken, en niet pas als al het andere is mislukt.
Behoed mijn leven voor des vijands schrik. Bescherm mij tegen schade, en tegen de angst voor schade. Je kunt het ook lezen als een uiting van Davids zekerheid dat het zo zal gaan: “voor de schrik van de vijand zult U mijn leven bewaren.” Bij al onze gebedsoffers horen we het zout van het geloof te voegen. Bidden zonder vertrouwen is als offeren zonder zout.
Vers 3
Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners. Verberg mij voor hun verborgen valstrikken. Maak hun plannen onschadelijk. Laat hun geheimen botsen op Uw geheime leiding, en hun boosaardige plannen op Uw plannen van liefde. Voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid. Als hun heimelijke plannen losbarsten in luidruchtig oproer, blijf U dan mijn beschermer. Als zij kwaad bedenken, laat Uw goddelijke gedachten dan hun plan verijdelen. En als zij kwaad doen, laat Uw krachtige gerechtigheid hen dan omverwerpen. Houd mij in beide gevallen buiten het bereik van hun wrede hand, en zelfs buiten het zicht van hun boze oog.
Het is goed om kwaadwillige vijanden te overwinnen. Maar nog mooier is het als je helemaal niet met hen hoeft te vechten, omdat je buiten de twist bent gehouden. De Heere weet Zijn volk vrede te geven. Wil Hij rust brengen, dan is Hij zonder moeite sterker dan alle onruststokers samen. Dan kan Hij zowel hun diep verborgen complotten als hun openlijke vijandschap doorkruisen.
Vers 4
Die hun tong scherpen als een zwaard. Laster is altijd het wapen bij uitstek geweest van wie een goed mens haat, en ze doen er alles aan om het zo doeltreffend mogelijk te gebruiken. Zoals soldaten hun zwaard slijpen, zodat het diep snijdt en dodelijk verwondt, zo verzinnen gewetenloze mensen leugens die pijn moeten doen, een reputatie moeten doorboren en de eer van een rechtvaardige moeten doden. Wat zegt een kwade tong niet allemaal? Welke ellende probeert zij niet aan te richten?
Een bitter woord aanleggen als hun pijl (Engels: hun bogen spannen om hun pijlen te schieten, bittere woorden). Ver weg schieten ze hun lasterpraat af, zoals boogschutters hun vergiftigde pijlen. Ze maken hun woorden zorgvuldig en krachtig klaar, als gespannen bogen. Dan laten ze, kalm en berekenend mikkend, de pijl vliegen die ze in bitterheid hebben gedoopt. Steken, pijn doen, vernietigen: dat is hun enige doel. Belediging, sarcasme, spottende tarting en het geven van scheldnamen: in het Oosten beoefende men dat alles als een soort kunst. In onze westerse streken hebben we verfijndere manieren en grijpen we minder snel naar grof geschimp. Toch is het te vrezen dat het minder zichtbare gif van de tong net zo scherpe pijn veroorzaakt.
Laten we in alle gevallen naar de Heere vluchten om hulp. David had maar één toevlucht, het gebed, tegen de twee wapens van de goddelozen. Tegen zwaard en pijl had hij maar één verdediging: het geloof in God.
Vers 5
Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten (Engels: de volmaakte). Ze liggen op de loer, met gespannen bogen, klaar om een laffe pijl op de oprechte af te schieten. Een oprechte, rechtschapen levenswandel behoedt ons niet voor de aanvallen van laster. De duivel schoot zelfs op onze Heere Zelf. We mogen er dus zeker van zijn dat hij ook voor ons een vurige pijl achter de hand heeft. Christus was volstrekt volmaakt, wij zijn dat maar in beperkte zin. Daarom is er in ons brandstof die door vurige pijlen kan ontvlammen.
Zie hoe laag kwaadwillige mensen zijn. Een eerlijk gevecht aanvaarden ze niet. Ze mijden het open veld en loeren tussen de struiken. Daar liggen ze op de loer voor mensen die zo weinig met bedrog bekend zijn dat ze geen verraad vermoeden, en die te mannelijk zijn om hun verachtelijke manier van vechten na te volgen.
Haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet. Bij het heimelijke komt het plotselinge. Hun nietsvermoedende slachtoffer krijgt geen kans zich te verdedigen. Ze storten zich op hem als een wild dier dat zijn prooi bespringt. Ze maken hun plannen zo behoedzaam dat ze niet bang zijn ontdekt te worden. Ze zien geen enkel gevaar.
In het gewone leven hebben we gezien hoe een pijl van laster zijn slachtoffer zwaar verwondde. Toch konden we niet ontdekken uit welke hoek hij was afgeschoten, en evenmin wie de pijlpunt had gesmeed of in gif had gedoopt. Bestaat er een straf die zwaar genoeg is voor de lafaard die mijn goede naam bezoedelt en zelf verborgen blijft? Een openlijke leugenaar is een engel vergeleken met deze demon. Adders en cobra’s zijn onschuldige, vriendelijke beesten vergeleken met zo’n reptiel. Voorwaar, zelfs de duivel zou kunnen blozen als hij de vader was van zo’n laag nageslacht.
Vers 6
Zij sterken zichzelven in een boze zaak. Goede mensen raken vaak ontmoedigd, en ze ontmoedigen elkaar lang niet altijd. Maar de kinderen van de duisternis zijn slim in hun eigen kring. Zij houden de moed erin, en ieder heeft een opbeurend woord voor zijn mede-booswicht. Alles wat hun handen kan versterken in hun gezamenlijke plan, grijpen ze aan. Hun hart zit helemaal in dat zwarte werk, en ze doen het met overgave.
Zij houden spraak van strikken te verbergen. Met de koppen bij elkaar tellen en herhalen ze al hun slimme trucs, om uit te komen bij een nieuwe, meesterlijke list. Ze weten wat samenwerking oplevert en zijn daar niet zuinig mee. Ze gooien hun ervaring in één gezamenlijke pot en leren elkaar nieuwe methoden. Zij zeggen: Wie zal ze zien? Zo ijverig verbergen ze hun aanvallen dat ze ontdekking tarten. Hun valkuilen zijn te goed verstopt, en zijzelf houden zich te zorgvuldig schuil om gevonden te worden. Zo denken ze. Maar ze vergeten het alziende oog en de alles ontdekkende hand, die altijd vlak bij hen zijn.
Grote complotten komen meestal aan het licht. Zoals bij het Buskruitcomplot gaat er meestal ergens iets mis. Tussen de samenzweerders zelf vindt de waarheid een bondgenoot, of de stenen van het veld roepen tegen hen. Laat geen enkele christen slaaf worden van angst voor diep beraamde jezuïetische plannen. Er is immers geen toverij tegen Jakob, en geen waarzeggerij tegen Israël. De mazen van het net zijn stuk, de pijlen van de boog zijn gebroken, de listen van de goddelozen zijn verijdeld. Wees daarom niet bang, jullie die beven: de Heere staat aan jullie rechterhand, en de vijand zal jullie geen kwaad doen.
Vers 7
Zij doorzoeken allerlei schalkheid. Ze overwegen, verzinnen, bedenken en zoeken ijverig goddeloze plannen om hun boosheid te koelen. Dit zijn geen gewone schurken, maar ontdekkingsreizigers in het rijk van het kwaad, uitvinders en brouwers van ongerechtigheid. Het is bedroevend dat kwaadwillige mensen, om een goed mens te vernietigen, vaak even gretig zijn alsof ze een schat zoeken. De Inquisitie kon martelwerktuigen tonen die net zoveel vernuft verraden als het machinepark op onze moderne tentoonstellingen. De bladzijden van de geschiedenis waarop het menselijk vernuft zich het diepst toont, zijn die waar wraak de diplomatie heeft aangestuurd en intrige heeft gebruikt om haar duivelse doelen te bereiken.
Ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is (Engels: zij volbrengen een nauwkeurig onderzoek). Hun plan is af, uitgewerkt en klaar voor gebruik. Ze roepen “Eureka!” Ze hebben de zekere manier van wraak gezocht en gevonden. Wat een verfijnde boosaardigheid! De hel leent haar kunst aan de kunstenaars van het bedrog. De aarde en wat eronder ligt worden afgezocht naar materiaal voor de strijd, en diepe kennis maakt van alles gebruik. Zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart (Engels: de innerlijke gedachte van ieder van hen is diep, en het hart ook). Hun verstand is niet oppervlakkig, maar scherpzinnig, geslepen door oefening en bittere haat. Goddeloze mensen hebben vaak de sluwheid om haastig langzaam te zijn: te behagen om te verderven, te vleien om straks te verslinden, de knie te buigen om uiteindelijk onder hun voet te vermorzelen.
Wie met het zaad van de slang te maken heeft, heeft veel behoefte aan de wijsheid die van boven is. Het geslacht van de adders kronkelt en draait, wentelt en wriemelt. Toch blijven ze steeds vastberaden op hun doel gericht, en kiezen ze de kortste weg ernaartoe, ook als ze er een eind omheen lopen. Helaas, wat is de toestand van de gelovige gevaarlijk, en hoe makkelijk kan hij overwonnen worden als hij aan zichzelf wordt overgelaten! Dat is de klacht van het gewone verstand en de zucht van het ongeloof. Zo praat wie alleen naar zichzelf kijkt. Komt het geloof erbij, dan zien we dat de heiligen zelfs hierin nog veilig zijn. Zij zijn immers allemaal in Gods handen.
Vers 8
Maar God zal hen haastig met een pijl schieten. Zij schoten, en zij zullen beschoten worden. Een veel grotere boogschutter dan zij zal zeker op hun hart richten. Eén van Zijn pijlen is genoeg, want Hij mist nooit. De Heere draait de rollen om voor Zijn tegenstanders en verslaat hen met hun eigen wapens. Hun plagen zijn er. Zij wilden de heilige verrassen, maar kijk: zijzelf worden onverwacht overvallen. Zij wilden dodelijke wonden toebrengen, en worden zelf geraakt door wonden die niemand kan helen. Terwijl zij hun bogen spanden, had de grote Heere Zijn boog al klaargemaakt. Hij liet de pijl los toen zij zo’n onverbiddelijke bode van de gerechtigheid het minst verwachtten.
“Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.” De rechtvaardigen hoeven de kunst van zelfverdediging of aanval niet te leren. Hun wraak ligt in betere handen dan de hunne, namelijk in de handen van God.
Vers 10
En alle mensen zullen vrezen. Ze worden vervuld van ontzag door Gods rechtvaardige oordelen, zoals de Kanaänieten door de ondergang van Farao aan de Schelfzee. Wie stoutmoedig in de zonde had kunnen zijn, moet nu sidderen en ontzag hebben voor de rechtvaardige Rechter.
En Gods werk verkondigen. Het wordt een onderwerp van algemeen gesprek. De ondergang die de Heere de boosaardigen bezorgt, zal zo vreemd, zo treffend en zo ontzagwekkend zijn dat men er in elk gezelschap over praat. Zij zondigden in het verborgene, maar hun straf volgt voor het aangezicht van de zon, voor ieders ogen.
En Zijn doen verstandelijk aanmerken. Gods oordelen zijn vaak zo helder en openlijk dat mensen ze niet verkeerd kunnen lezen. Wie ook maar een beetje nadenkt, moet er de ware les uit trekken. Sommige goddelijke oordelen zijn een diepe afgrond. Maar bij kwaadwillige vervolgers is de zaak duidelijk genoeg, en ook de minst geleerde kan haar begrijpen.
Vers 11
De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE. Ze bewonderen Gods gerechtigheid en stemmen er volkomen mee in, hoe die zich ook laat zien. Zo verheugen ze zich ook over de redding van gekrenkte onschuld. Toch is hun vreugde niet zelfzuchtig of zinnelijk, maar helemaal op de Heere gericht.
En op Hem betrouwen. Wat ze in Gods leiding zien, laat hun geloof groeien. Want Hij Die Zijn dreigementen uitvoert, vergeet Zijn beloften niet.
En alle oprechten van hart zullen zich beroemen. De overwinning van de onderdrukten is de overwinning van alle rechtschapen mensen. Het hele leger van de uitverkorenen verheugt zich over de zege van de deugd. Terwijl vreemden vrezen, zijn de kinderen blij als ze de macht en de gerechtigheid van hun Vader zien. Wat de bozen schrik aanjaagt, verkwikt de goeden. Zo werkt dezelfde daad van God op beide groepen heel verschillend.
Heere God van barmhartigheid, geef dat wij bewaard blijven voor al onze vijanden, en gered worden in Uw Zoon met een eeuwige zaligheid.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Rabbi Obadja past deze psalm toe op Haman en Mordechai. De vijand is Haman, en de volmaakte mens op wie geschoten wordt is Mordechai. Haman overlegde met zijn vrienden hoe hij strikken voor hem kon leggen, en zocht ijverig naar aanleidingen tegen hem en zijn volk. Dat liep uit op zijn eigen ondergang. De oude Midrasj van de Joden past de psalm toe op Daniël, toen hij in de leeuwenkuil werd geworpen. Jarchi denkt dat David door een geest van profetie dit voorzag en bad voor hem die uit zijn zaad was, en dat alles in de psalm prachtig bij dat verhaal past.
Daniël is de volmaakte mens op wie gemikt wordt. De vijanden zijn de vorsten aan het hof van Darius. Zij beraadslaagden tegen hem, spraken over het leggen van strikken voor hem en bereikten hun doel, dat hun eigen ondergang bleek te zijn. Maar de psalm behoort naar de letter aan David, door wie hij is opgesteld. — John Gill.
Gehele psalm
Een kreet van Gods uitverkorenen tot hun Verlosser en zekere Wreker, wanneer zij vervolgd worden om de gerechtigheid. Het algemene beginsel dat hier wordt uiteengezet is heel duidelijk. Als ervaringsuiting past de psalm op de lippen van het christelijk geloof overal waar dat in aanraking komt met de boze machten van de vorst van deze wereld, zodat het lijdt omwille van het evangelie. Want de psalm drukt de toestand en de hoop uit van iemand die werkelijk in gevaar verkeert om de waarheid. Hoe goed een deel van deze psalm past op de lijdende Waarheid Zelf in de dagen van Zijn verdrukking, toen Hij, in Zijn geest doorboord door leugenachtige woorden, de tegenspraak van zondaren tegen Zichzelf verdroeg, hoeft niet te worden aangewezen. — Arthur Pridham, in “Notes and Reflections on the Psalms,” 1869.
Vers 2
Behoed mijn leven. In het Hebreeuws staat hier ‘levens’, in het meervoud. Dat komt doordat het leven zoveel kanten heeft: er zijn zoveel vermogens, bezigheden, wendingen en voordelen in. — John Trapp.
Vers 4
Die hun tong scherpen, enz. Volgens Parkhurst betekent dit werkwoord ‘scherpen’ of ‘slijpen’. Dat doe je door er steeds opnieuw met een wrijvende beweging overheen te gaan. Het is een mooi beeld, dat hier op een goddeloze tong wordt toegepast. Het woord is echter ook vertaald met ‘trillen’, zoals een slang dat zeker met zijn tong doet. — Richard Mant.
Vers 4
Wat is het menselijk vernuft al op de proef gesteld en geoefend, vooral op twee terreinen: wapens bedenken die verwoesten in de oorlog, en allerlei manieren verzinnen om mensen te gronde te richten met kwade woorden. De wapens van de eerste soort vind je in boeken over krijgskunde. Maar de vormen van kwaadspreken zijn bijna niet op te sommen. Kwaadsprekers hebben pijlen: scherp, met weerhaken, gedoopt in gif. Ze hebben “zwaarden, vlammende zwaarden, tweesnijdende zwaarden, getrokken zwaarden, in woede getrokken”, en daarmee snijden ze in de goede naam van hun naaste, verwonden en doden ze hem.
Zonden van de tong zijn meestal heel wreed. Laster gebeurt gewoonlijk in het geheim, en dan kun je je niet tegen de aanval verdedigen. De spelregels ervan komen uit de hel. Eén ervan is: “Als een leugen beter uitkomt dan de waarheid, lieg dan.” Een andere: “Gooi er maar veel modder tegenaan; er blijft altijd wat hangen.” — William S. Plumer.
Verzen 4-5
In het museum van Venetië zagen we een apparaat waarmee een van de oude Italiaanse tirannen vergiftigde naalden afschoot op mensen die hij uit pure boosaardigheid wilde treffen. Dat deed ons denken aan roddelaars, kwaadsprekers en lasteraars die in het geheim te werk gaan. We wensten dat hun kwaadaardige vondsten snel een einde zouden nemen. Hun wapens zijn insinuaties, schouderophalen en gefluister. Die lijken net zo onschuldig als naalden. Maar het gif dat ze inspuiten, is dodelijk voor menige goede naam. — C. H. Spurgeon, in “Feathers for Arrows; or, Illustrations for Preachers and Teachers,” 1870.
Verzen 4-5
Uit droevige ervaring vergelijkt David een goddeloze, lasterende tong met drie dodelijke wapens: een scheermes, een zwaard en een pijl.
Een scheermes neemt elk haartje weg. Zo haalt een lasterende tong voordeel uit elke grove zonde van een ander. Maar ook uit de kleine zonden, de geringste zwakheden, die anderen met een beter oog niet eens opmerken.
Een zwaard verwondt. Zo snijden de tongen van smaders diep in het aanzien en de goede naam van hun broeders. Maar een zwaard doet alleen van dichtbij schade, niet van veraf. Daarom wordt de tong ten derde vergeleken met een pijl, die op afstand kan raken. Lasteraars doen dus niet alleen kwaad aan mensen in hun eigen dorp of stad, maar ook aan anderen die ver weg wonen.
Wat is het daarom nodig dat ieder mens voorzichtig leeft! Geef geen terechte aanleiding tot smaad. Maak jezelf niet belachelijk voor de dwazen van deze wereld. En willen ze toch smaden (en dat zullen ze zeker doen), laat het dan zijn om je ijver voor Gods wegen en niet om zonde. Dan valt de smaad terug op hun eigen hoofd en hun gemene taal in hun eigen keel. — Jeremiah Burroughs.
Verzen 4, 8-9
De gevaarlijkste wapens van de goddelozen zijn woorden, en dan vooral bittere woorden. Maar het Woord is het belangrijkste wapen van de Heilige Geest. Zoals onze grote Aanvoerder met dit zwaard de verzoeker in de woestijn versloeg, kunnen ook wij “de werkers der ongerechtigheid” overwinnen met het echte Jeruzalemse lemmet. — J. L. K.
Vers 5
Om in verborgen plaatsen … te schieten. Over de goddelozen staat dat ze hun pijlen in het verborgene afschieten op de volmaakte. En dan “zeggen: Wie zal ze zien?” (Ps. 64:6). Zo laat de satan een verzoeking zo stiekem vliegen dat je hem er nauwelijks achter zoekt. Soms gebruikt hij de tong van een vrouw om zijn boodschap over te brengen. Een andere keer sluipt hij achter de rug van een man, vriend of knecht om, en niemand ziet hem bezig.
Wie had gedacht een duivel te vinden in Petrus, toen hij zijn Meester op de proef stelde? Of had durven vermoeden dat Abraham het werktuig zou zijn om zijn geliefde vrouw in de zonde te laten vallen? Toch was het echt zo. Soms is de satan zelfs zo sluw dat hij Gods boog leent om zijn pijlen mee af te schieten. Dan wordt de arme christen om de tuin geleid. Hij denkt dat God hem berispt en boos op hem is, terwijl het de duivel is die hem dat laat denken en alleen Gods stem nabootst. — William Gurnall.
Vers 9 (eerste zinsdeel)
“In zulke zaken
Treft ons het oordeel hier al: wij leren slechts
Bloedige lessen, die, eenmaal geleerd, terugkeren
Om wie ze bedacht te kwellen. Dit rechtvaardig recht
Zet ons de gifbeker die wij zelf mengden
Weer aan de eigen lippen.” — William Shakespeare.
Vers 9
En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven (Engels: hun eigen tong zal op hen vallen). Dat betekent: hun eigen woorden zullen worden als getuigenis tegen hen gebruikt en veroordelen hen. “Alzo is ook de tong een klein lid” (Jak. 3:5) en dus een licht lid. Toch valt ze zwaar, zo zwaar als lood. Een mens kan nog beter zijn huis op zich laten vallen dan zijn tong op zich, in deze zin.
Sommigen zijn doodgeperst omdat ze niet wilden spreken en stom bleven staan voor de rechter. Maar meer mensen zijn doodgeperst door hun zondige vrijheid om te spreken, of liever: hun losbandigheid. Die bracht hen voor het gerecht en deed hen hun zaak verliezen… Wat vreemd dat de val van een mensentong zijn lichaam en al zijn bezit kan verpletteren! Toch is het zo: het gewicht van een tong die op iemand valt, vermorzelt hem tot stof. — Joseph Caryl.
Vers 9
En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven (Engels: hun eigen tong zal op hen vallen). De pijlen van ijdele woorden worden uit het zicht afgeschoten en zijn misschien allang vergeten. Toch komen ze later neer op de hoofden van wie de boog spande. ‘Woorden zijn maar wind’, zegt het spreekwoord. Maar het is een wind die de ziel naar haar haven van rust kan blazen, als de woorden heilig, heilzaam, smaakvol en geestelijk zijn en tot opbouw dienen. Maar ook een wind die haar kan laten zinken in de Dode Zee en de bodemloze afgrond van eeuwige ellende, als ze ijdel, goddeloos, schuimend en nutteloos zijn. — Edward Reyner (1600-1670), in “Rules for the Government of the Tongue.”
Vers 11
De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen. Dat wil zeggen: misschien hebben ze tot nu toe in hun vertrouwen gefaald en God de eer niet gegeven door op Hem te vertrouwen. Maar deze wonderbare werken van God (waarover hij in de psalm spreekt) wekken toch deze hoop. — Joseph Caryl.
Vers 11
Alle oprechten van hart. Het woord in deze tekst, jasjar, betekent rectitudinem en planitiem: een rechte weg. De weg van de duivel was namelijk een kringweg, rond de aarde. Maar de weg van de engelen naar de hemel, langs Jakobs ladder, was een rechte, directe weg. Het woord betekent bovendien een gewone, gladde, effen weg. Een weg die al tot een begaanbaar pad is platgelopen, een weg waar de vaderen en de kerk eerder op hebben gelopen. Het is dus geen ontdekking van onze eigen nieuwsgierigheid of zelfverzekerdheid, waarbij we op eigen houtje of via anderen nieuwe leerstellingen en meningen omarmen.
De mensen die God uitnodigt om Zijn vergelding te delen, zijn dus ten eerste recti (dat wil zeggen: rechte én gewone mensen) en daarna recti corde. Die rechtheid en gladheid moet in het hart zitten. Alle oprechten van hart krijgen haar.
Op deze aarde kan niemand één stap in een volkomen rechte lijn zetten. De aarde zelf is rond. Elke stap die we erop doen, is dus noodzakelijk een stukje van een cirkel, een boog. Maar hoewel geen enkel stuk van een cirkel een rechte lijn is, heeft ook een hele cirkel nergens een hoek of een punt. Een volmaakte rechtheid kunnen we in deze wereld op geen enkele manier bereiken. In elk beroep liggen onvermijdelijke verzoekingen. Maar hoewel we geen cirkel uit rechte lijnen kunnen maken (dat is onmogelijk voor menselijke zwakheid), kunnen we wel verdergaan zonder hoeken en scherpe punten. Dat wil zeggen: zonder vermommingen in ons geloofsleven, en zonder liefde voor sluwheid, leugen en bedrog in onze zaken met anderen.
Een kompas is onmisbaar aan boord van een schip, en dankzij dat kompas komt het schip veilig thuis. Toch wijkt dat kompas een beetje af: het wijst niet precies naar het noorden. En de ster die we de noordpool noemen, of waaraan we de noordpool herkennen, is zelf de pool niet. Maar we noemen haar zo en we trekken er onze conclusies uit alsof het zo was, omdat het de ster is die het dichtst bij die pool staat. Wie zo dicht bij oprechtheid komt als zijn zwakheden toelaten, is een oprecht mens, ook al houdt hij nog van een paar scheve kantjes. — John Donne.
Vers 11
Alle oprechten van hart zullen zich beroemen. De psalm begon in de eerste persoon enkelvoud: “Hoor, o God! mijn stem.” Maar hij eindigt met alle rechtvaardigen erbij. Wie zich het meest bezorgd maakt over zijn eigen zaligheid, blijkt vaak de mens met de meest oprechte en wijdste liefde voor anderen. En wie het meest praat over onbaatzuchtigheid in het geloof, is meestal de meest zelfzuchtige.
We kunnen anderen niet beter helpen dan door ernstig voor onszelf te bidden dat we voor de zonde bewaard blijven. Ons voorbeeld is dan al nuttig op zichzelf. En onze godsvrucht geeft kracht aan ons getuigenis, zodat elke bestraffing, waarschuwing of aanmoediging die we geven meer waard wordt. Onze zonde is, of wordt, het verdriet van de kerk. En de weg om alle oprechten te laten juichen is: zelf oprecht zijn. — C. H. S.
Vers 11
Zullen zich beroemen. In de grondtekst staat hier het woord halal. Voor de vertalers van ons Book of Common Prayer betekende halal ‘blijdschap’, want daar staat: ‘Zij zullen verblijd zijn.’ Voor de vertalers die daarna kwamen, was het ‘zich verheugen’: ‘Zij zullen zich verheugen.’ En onze laatste vertalers vonden dat het ‘heerlijkheid’ betekende: ‘Zij zullen roemen’, zeggen zij. Maar de allereerste vertaling in onze taal (die van lang vóór deze drie) noemt het lof en zet het in de lijdende vorm: ‘Alle mensen van rechtvaardig hart zullen geprezen worden.’ En zo kan het woord jithhalelu in de grondtekst inderdaad worden opgevat.
Ja, het vraagt er zelfs om. Het gaat dan niet om lof die zij aan God zullen geven, maar om lof die zij zullen ontvangen omdat ze God met een oprecht hart hebben gediend. Niet dat zij God prijzen door dit te doen, maar dat godvruchtige mensen hen zullen prijzen omdat zij het hebben gedaan.
Dit alles komt heel natuurlijk voort uit de wortel van het woord. De wortel van dit woord is namelijk lucere, splendere: stralen in de ogen van mensen en bij hen een heilige, eerbiedige bewondering opwekken. Zoals het Johannes de Doper tot lof werd gezegd dat hij “een brandende en lichtende kaars” was. Eigenlijk betekent het: door een goed en heilig voorbeeldig leven anderen ertoe brengen de heiligheid naar waarde te schatten en heilige mannen de verschuldigde eer te geven…
Zullen zich beroemen. Dat God deze vergelding in de toekomst plaatst, doet niets af aan deze heerlijkheid. Het verhoogt juist onze troost. Roemen ze nu nog niet, dan zullen ze zeker roemen. En roemen ze nu al, dan dooft die roem niet uit. Ze zullen eeuwig roemen. — John Donne.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2
- Het verlangen: behoud van het leven.
(a) Hoe dit verlangen wordt uitgesproken.
(b) Wat het precies inhoudt: bescherming tegen een gewelddadige dood, tegen angst voor, enz.
- Het gebed om behoud van het leven.
(a) Om zelf beter te worden.
(b) Om nuttig te kunnen zijn.
(c) Voor de eer van God. — G. R.
Vers 3 (eerste zinsdeel)
Toegepast op de satan.
- Het gevaar onder ogen zien.
(a) De vijand: goddeloos, machtig, boosaardig, ervaren.
(b) Zijn plan. Hij verzoekt sluw en weloverwogen.
(c) Het verborgene ervan. Hij kan anderen tegen mij ophitsen of kwaad in mijzelf zaaien.
- Smeek om verlossing. Verberg mij.
(a) Houd mij weg van de verzoeking.
(b) Bewaar mij voor het kwaad als ik toch verzocht word.
(c) Breng mij er ongedeerd doorheen.
(d) Laat mij ondertussen op Uw verborgen plaats zijn.
- De troost van het geloof.
(a) God beschermt biddende zielen.
(b) Onze vijand is Zijn vijand.
(c) Hij heeft ons tot nu toe bewaard.
(d) Wij zijn de Zijnen.
(e) Zijn eer staat op het spel.
Vers 4
Bittere woorden. Een uitstekend onderwerp, zowel voor de zondaar als voor belijdende heiligen.
Vers 4
Het scherpen van de tong. Nieuwe fouten worden opgespoord, slechte bedoelingen aangewreven, overdrijvingen verzonnen, leugens gesmeed, insinuaties gesuggereerd, oude lasterpraat opgegraven en oude haat opnieuw aangewakkerd.
Vers 7 (eerste twee zinsdelen)
De fouten-zoeker: zijn beweegreden, zijn karakter, zijn voorwendsels en zijn straf.
Vers 10
- Het onderwerp van overdenking: oordelen over de goddelozen.
(a) Als oordelen.
(b) Als oordelen van God: dit is Zijn werk, Zijn doen.
- Hoe we dit onderwerp overdenken.
(a) Ze zijn bedoeld om ook door anderen overdacht te worden.
(b) Ze moeten met wijsheid overdacht worden.
- Het gevolg van deze overdenking.
(a) Ontzag voor God.
(b) Lof aan God; Gods werk verkondigen, enz. — G. R.
Verzen 10-11
- Een daad van God; iets van Zijn werk.
- Wat het teweegbrengt bij mensen in het algemeen: Alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, enz.
- Een bijzondere plicht die daaruit volgt voor goede mensen: De rechtvaardigen, enz. — H. Dove.
Vers 11
- De personen.
(a) Wat ze zijn, in onderscheid van anderen: de rechtvaardigen, de gerechtvaardigden.
(b) Wat ze in zichzelf zijn: oprecht van hart; niet volmaakt, maar oprecht.
- Hun voorrecht.
(a) Zich midden in alle vervolging in God te verheugen.
(b) Midden in alle gevaren op God te vertrouwen. — G. R.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas