Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 63 — Treasury of David

Titel
“Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.” Waarschijnlijk schreef David dit lied toen hij voor Absalom op de vlucht was. In elk geval was hij al koning toen hij het dichtte (vers 12), en werd hij hard bejaagd door mensen die hem naar het leven stonden.
David hield niet op met zingen omdat hij in de woestijn zat. Hij bleef ook niet slordig en werkeloos psalmen herhalen die voor heel andere momenten bedoeld waren. Nee, hij stemde zijn aanbidding zorgvuldig af op zijn omstandigheden. Hij bracht zijn God een woestijnlied, omdat hij in de woestijn was. Om hem heen lag een woestenij, maar in zijn hart was het niet dor.
Ook wij mogen verwachten dat we nog wel eens op ruwe plaatsen terechtkomen voordat we deze wereld verlaten. Dan hoop ik dat de eeuwige Trooster bij ons blijft! Dat Hij ons leert de Heere te allen tijde te danken, zodat zelfs een eenzame plek een tempel voor Jehova wordt.
Het kenmerkende woord van deze psalm is vroeg. Als ons bed lekker zacht is, worden we het sterkst verleid om lui uit te slapen. Maar als de gemakken weg zijn en ons leger hard is, hebben we reden genoeg om de woestijn te danken, wanneer we maar eerder opstaan om de Heere te zoeken.
Indeling
In vers 2 tot en met 9 spreekt de dichter zijn heilige verlangen naar God uit, en zijn vertrouwen op Hem. In de laatste drie verzen, vers 10 tot en met 12, kondigt hij profetisch aan dat al zijn vijanden ten onder zullen gaan.
Deze psalm past bijzonder goed bij een ziekbed, en bij elke situatie waarin we gedwongen wegblijven uit de gezamenlijke eredienst.
Uitleg
Vers 2
“O God! Gij zijt mijn God!”, of: “O God, U bent mijn Sterke.” De vorige psalm liet de echo van Gods macht nog nagalmen, en hier wordt ze opnieuw bezongen. Een sterk vertrouwen laat de vluchtende dichter zijn trouw belijden aan de enige levende God. En een vast geloof maakt hem in staat om Hem de zijne te noemen.
David twijfelt er niet aan dat hij zijn God bezit. En waarom zouden andere gelovigen dat dan wel doen? Deze rechte, heldere openingszin zou christenen veel beter passen dan de schuchtere, twijfelende woorden die onder belijders zo gewoon zijn. Wat klinkt zulke taal zoet! Is er een ander woord dat daar in verrukking tegenop kan? Meus Deus: mijn God! Kunnen engelen méér zeggen?
“Ik zoek U in den dageraad” (Engels: vroeg zal ik U zoeken). Wie iets bezit, krijgt er alleen maar meer zin in. Volle zekerheid remt onze ijver niet af, maar is juist de motor ervan. Hoe zou ik ooit de God van een ander kunnen zoeken? Nee, met brandend verlangen zoek ik Hem van Wie ik weet dat Hij van mij is.
Zie hoe gretig David is, blijkens het tijdstip dat hij noemt. Hij wacht niet tot de middag of de koele avond. Bij het kraaien van de haan is hij al op om zijn God te ontmoeten. De omgang met God is zo zoet dat hij de kou van de ochtend vergeet en de luxe van zijn bed zonder spijt achterlaat. De morgen is de tijd van dauw en frisheid, en de psalmdichter wijdt hem aan gebed en gemeenschap met God. De besten onder de mensen hebben altijd vroeg op hun knieën gelegen.
Het woord “vroeg” betekent niet alleen: vroeg in de morgen. Het drukt ook gretigheid uit, en dat je niet wilt uitstellen. Wie echt naar God verlangt, verlangt nú naar Hem.
Heilig verlangen hoort bij de sterkste krachten die ons innerlijk in beweging brengen. Daarom volgt direct: “Mijn ziel dorst naar U.” Dorst is een onstilbaar smachten naar iets wat we zo hard nodig hebben om te leven. Je kunt er niet mee redeneren, je kunt het niet vergeten, niet wegwuiven en ook niet met stoïcijnse onverschilligheid overwinnen. Dorst eist gehoor. De hele mens moet zich eraan overgeven. Precies zo gaat het met het goddelijke verlangen dat Gods genade schept in mensen die opnieuw geboren zijn. Alleen God Zelf kan het smachten stillen van een ziel die werkelijk door de Heilige Geest is wakker geschud.
“Mijn vlees verlangt naar U.” Met de twee woorden “ziel” en “vlees” noemt David zijn hele wezen. “Vlees” in de zin van het Nieuwe Testament verlangt nooit naar de Heere. Het stelt zich juist op tegenover de Geest. David bedoelt hier alleen de samenklank die soms in ons lichaam ontstaat door hevige bewegingen van de ziel. Onze lichamelijke natuur trekt meestal de andere kant op. Maar als de geest gloeit, kan hij haar dwingen om haar kracht, hoe weinig ook, aan zijn kant in te zetten. Toen de woestijn David moe maakte, hem ongemak bezorgde en hem liet dorsten, riep zijn lichaam mee met het verlangen van zijn ziel.
“In een land, dor en mat, zonder water.” Een vermoeiende plaats en een vermoeid hart maken Gods nabijheid des te kostbaarder. Is er hier beneden niets en in onszelf niets dat ons opfrist? Dan is het duizendvoudig genade dat we omhoog kunnen kijken en daar alles vinden wat we nodig hebben.
Hoe vaak hebben gelovigen dit dorre, dorstige land niet doorkruist, waar geestelijke vreugde vergeten is! En wat kunnen zij eerlijk getuigen dat dit land maar één echte behoefte heeft: de nabijheid van hun God! Het gemis van uiterlijk gemak kunnen we rustig dragen als we met God wandelen. En de grootste overvloed helpt ons niet als Hij Zich terugtrekt. Laten we daarom alleen naar God hijgen. Laten al onze verlangens samenvloeien tot één. “Zoekt eerst het Koninkrijk Gods” — al het andere wordt ons erbij gegeven.
Vers 3
“Ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer.” David verlangde niet zozeer naar het heiligdom zelf als wel naar zijn God. Hij keek dwars door het voorhangsel van alle plechtigheden heen naar de Onzienlijke. Vaak was zijn hart verblijd door de gemeenschap met God in de uiterlijke eredienst. Naar die grote zegen smacht hij opnieuw, en terecht. Voor een christen is het de zwaarste aardse smart om het besef van de nabijheid van zijn verbonds-God kwijt te raken.
David noemt twee eigenschappen van God die zich het diepst in zijn gemoed hadden gegrift toen hij op de heilige plaats in aanbidding verzonken was. Bij die twee had hij ook in de vorige psalm stilgestaan. De geur van dat nadenken hangt nog duidelijk in zijn hart nu hij in de woestijn is. Daar, op de plek van zijn ballingschap, wil hij ze opnieuw zien.
Het is een kostbare gedachte dat Gods macht en heerlijkheid niet aan bepaalde plaatsen of streken gebonden zijn. We kunnen ze horen boven het bulderen van de zee, zien in het licht van de bliksem, voelen in het bos en op de prairie. Ze zijn te genieten overal waar een hart is dat verlangt en dorst om ze te zien.
Onze ellende is dat we zo weinig dorsten naar deze verheven dingen, en zo sterk naar het valse speelgoed van tijd en zintuigen. We zijn in waarheid altijd in een vermoeid land, want dit is onze rustplaats niet. Het is verbazend dat gelovigen niet onophoudelijker dorsten naar hun erfdeel aan de overkant van de rivier. Daar zullen ze geen honger en dorst meer hebben, maar het gezicht van hun God zien, met Zijn Naam op hun voorhoofd.
David dorstte niet naar water of naar iets anders op aarde, maar alleen naar geestelijke openbaringen. Eén blik op God was genoeg voor hem, en niets minder kon hem tevredenstellen. Wat een grote Vriend is Hij, Wiens aanblik alleen al troost geeft! O mijn ziel, volg de psalmdichter na. Laat al je verlangens opstijgen naar het hoogste goed. Smacht hier om God te zien, en zoek zelfs voor de eeuwigheid geen hogere vreugde.
Vers 4
“Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven.” Dit is een reden voor wat ervoor staat, en ook voor wat erna komt. Het leven is kostbaar, maar Gods liefde is kostbaarder. Bij God wonen is beter dan het leven op zijn best: het leven in gemak, in een paleis, in gezondheid, in aanzien, in rijkdom, in genot. Ja, duizend levens halen het niet bij het eeuwige leven dat in Jehova’s glimlach woont.
In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Als Hij het licht van Zijn gezicht onttrekt, is dat voor ons als de schaduw van de dood. Daarom kunnen we niet anders dan verlangen naar de genadige verschijning van de Heere.
Het leven is voor veel mensen een twijfelachtig bezit. Goedertierenheid is een onbetwistbare weldaad. Het leven is maar vergankelijk, Gods ontferming is eeuwig. Het leven delen zelfs de laagste dieren met ons, maar de goedertierenheid van de Heere is het bijzondere deel van de uitverkorenen.
“Mijn lippen zouden U prijzen.” Openlijk, zodat Uw heerlijkheid bekend wordt, zal ik vertellen hoe goed U bent. Ook als ons hart meer verlangt dan geniet, moeten we de Allerhoogste blijven groot maken, want Zijn liefde is werkelijk kostbaar. Dat geldt ook als we er op dit moment zelf niet vrolijk van worden.
We mogen onze lof aan God niet laten afhangen van wat we persoonlijk aan weldaden ontvangen. Dat zou louter egoïsme zijn. Zelfs tollenaars en zondaars hebben een goed woord over voor wie hun handen vol geeft. Alleen de echte gelovige prijst de Heere nog als Hij Zijn gaven wegneemt of Zijn gezicht verbergt.
Vers 5
“Alzo zou ik U loven in mijn leven.” Zoals ik U nu zegen, zal ik dat altijd blijven doen. Of liever: naarmate U mij Uw goedertierenheid laat zien, zal ik U op mijn beurt blijven verheffen. Zolang we leven, zullen we liefhebben. Zien we geen reden om blij te zijn over onze toestand, dan hebben we altijd nog reden om blij te zijn in de Heere. Als niemand anders God zegent, dan toch Zijn volk. Zijn eigen wezen, als de oneindig goede God, is genoeg reden om Hem te prijzen zolang we bestaan.
“In Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.” Handen gingen omhoog bij aanbidding, maar ook in vreugde, in dankbaarheid, in arbeid en in vertrouwen. In al die betekenissen willen wij onze handen opheffen in de Naam van Jehova alleen. Niemand hoeft de handen te laten hangen als God in liefde nadert. De naam van Jezus heeft vaak lamme mensen laten springen als een hert, en bedroefde mensen laten klappen van vreugde.
Vers 6
“Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden.” Ook al kan ik niet mee-eten van het offer op Uw altaar, zelfs hier zal mijn ziel vol raken van geestelijke vreugde. Ze krijgt een volle, een dubbele voldoening. Gods liefde is een schat vol rijkdom en overvloed, een volheid van vreugde die de ziel vervult. Je kunt haar vergelijken met het rijkste voedsel waarmee het lichaam gevoed kan worden.
De Hebreeën hielden meer van vet dan wij. Hun hoogste idee van een feestmaal zit in de twee woorden “smeer en vettigheid”. Zo wordt hier een ziel getekend die op God hoopt en vol is van Zijn gunst. Ze eet het allerbeste van het beste, de lekkernijen van een koninklijk gastmaal.
“En mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.” Meer vreugde betekent meer lof. Als onze mond vol is van Gods ontferming, hoort hij ook vol te zijn van dank. Geeft God ons het merg van Zijn liefde, dan moeten wij Hem het merg van ons hart aanbieden. We moeten God met onze mond loven, net zoals we Hem geestelijk aanbidden. Anderen zien wat Hij ons schenkt. Laat hen ook onze dank horen.
Vers 7
“Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede.” Wakker liggend zocht de goede man de stilte van het overdenken, en toen begon hij te zingen. Hij hield een feestmaal in de nacht, en zong een lied in de nacht. Zijn slaapkamer maakte hij tot een bidkapel. Zijn kussen wijdde hij aan God. Zijn lof liep al vooruit naar de plaats waarvan geschreven staat: “Aldaar zal geen nacht zijn.”
Misschien hield de woestijn hem wel wakker. Zo ja, dan staan alle eeuwen na hem in het krijt voor dit prachtige loflied. Verleiden de zorgen van de dag ons om God te vergeten? Dan is het goed dat de stilte van de nacht ons doet denken aan Hem. We zien het best in het donker, als we daar God het best zien.
“Zo peins ik aan U in de nachtwaken.” Zo hield hij heilige aanbidding levend in zijn hart, zoals de priesters en Levieten die vierden in het heiligdom. Misschien had David zich eerder aangesloten bij hen “die allen nacht in het huis des HEEREN staat”. Nu hij niet persoonlijk bij hen kan zijn, telt hij de uren terwijl ze voorbijgaan. In de geest voegt hij zich bij de koorzangers en zegent Jehova zoals zij.
Het kan ook dat de koning de stemmen van de schildwachten hoorde als de wacht werd afgelost. Dan keerde hij telkens met nieuwe ernst terug naar zijn overpeinzingen over zijn God.
De nacht met zijn stilte en duisternis is weldadig voor een ziel die de wereld wil vergeten en zich tot hogere dingen wil verheffen. Als we helemaal opgaan in het heiligste onderwerp dat er is, vliegen nachtwaken voorbij die anders eindeloos zouden duren. Dan geeft zelfs het eenzame, harde bed de heerlijkste rust, een rust die méér verkwikt dan slaap. We lezen van bedden van ivoor. Maar bedden van godsvrucht zijn veel beter. Sommigen zwelgen in de nacht, maar die zijn bij lange na niet een tiende zo gelukkig als wie in de nacht over God nadenkt.
Vers 8
“Want Gij zijt mij een hulp geweest.” Het overpeinzen had zijn geheugen opgefrist en hem herinnerd aan eerdere verlossingen. Het zou goed zijn als we vaker ons eigen dagboek lazen, en daarbij vooral letten op de hand van de Heere die ons hielp in lijden, gebrek, werk of nood. Dat is het grote nut van ons geheugen: het levert ons bewijzen van de trouw van de Heere en leidt ons tot een groeiend vertrouwen op Hem.
“En in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.” Zelfs Gods schaduw is zoet voor een gelovige. Onder de arendsvleugels van Jehova verbergen we ons voor alle angst. Dat doen we vanzelf en meteen, omdat we eerder Zijn liefde én Zijn macht hebben beproefd en echt bevonden. We zijn niet alleen veilig, maar ook gelukkig in God. We verheugen ons, net zoals we rusten.
Vers 9
“Mijn ziel kleeft U achteraan”, of: “volgt U dicht op de voet”. We volgen de Heere dicht op de hielen, omdat we één met Hem zijn. Wie zal ons scheiden van Zijn liefde? Kunnen we niet gelijk met Hem optrekken, dan volgen we Hem tenminste met alle kracht die Hij ons leent. We hijgen ernaar Hem te bereiken en in Zijn gemeenschap te blijven. Belijders die dicht achter de wereld aan lopen, vallen in de gracht. Maar niemand heeft ooit te vurig naar gemeenschap met de Heere verlangd.
“Uw rechterhand ondersteunt mij.” Anders zou David de Heere niet standvastig hebben gevolgd, of zelfs maar naar Hem hebben verlangd. Gods macht, waarbij in deze en de vorige psalmen zo vaak wordt stilgestaan, is hier de bron van onze gehechtheid aan God. Wat zijn we sterk als de Heere met Zijn eigen rechterhand in ons werkt! En wat zijn we volkomen hulpeloos als Hij Zijn bijstand achterhoudt!
Vers 10
Zoals David ernstig God zocht, zo waren er mannen van een heel andere soort die net zo gretig zijn bloed zochten. Over hen zegt hij: “Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting.” Ze hadden het gemunt op zijn leven, zijn eer, zijn hoogste welzijn. Dat wilden ze niet alleen beschadigen, maar helemaal vernietigen.
De duivel is een verwoester, en heel zijn nageslacht is er happig op dezelfde schade aan te richten. Zoals hij zichzelf met zijn sluwe streken heeft verwoest, zo zullen ook zij ten onder gaan. Verwoesters worden verwoest. Wie zielen najaagt, wordt zelf het slachtoffer.
“Zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.” In de kuilen die zij voor anderen groeven, zullen ze zelf vallen. De slachters worden geslacht, en het graf zal hen bedekken. De hel die zij in hun vloek voor anderen afriepen, sluit haar muil over hen. Elke slag tegen de godvruchtigen slaat terug op de vervolger. Wie een gelovige slaat, slaat een spijker in zijn eigen doodskist.
Vers 11
“Men zal hen storten door het geweld des zwaards.” Zo ging het ook met Davids vijanden. Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen. Bloeddorstige mensen voelen hun eigen leven uit zich wegstromen als hun kwade dag eindelijk aanbreekt. Dan worden ze overgeleverd om de verschrikkingen van de dood in hun eigen lichaam te voelen.
“Zij zullen de vossen ten deel worden.” Ze zijn te min om een passende maaltijd voor de leeuwen te zijn. Dus snuffelen de vossen rond hun lijken, en de jakhalzen vieren feest op hun kadavers. Onbegraven en onbeweend worden ze voedsel voor de honden van de oorlog.
Vaak hebben goddeloze mensen een zo gruwelijk einde gevonden dat het duidelijk de maat was van vergeldende gerechtigheid. De grote zitting is bewaard voor een andere wereld. Toch trekt de gerechtigheid ook hier, tijdens de gewone zittingen van Gods voorzienigheid, vaak haar zwaard in het oog van het hele volk.
Vers 12
“Maar de koning zal zich in God verblijden.” Overweldigers verwelken, maar hij zal bloeien, en iedereen zal openlijk zien dat zijn voorspoed een gave van God is. De gezalfde van de Heere laat zeker niet na om Hem blij te danken. Zijn stevig gegronde troon erkent de hogere heerschappij van de Koning der koningen, en zijn vreugde ligt alleen in God. Zingen zijn onderdanen “Io triumphe”? Dan beveelt hij hun: “Zing het Te Deum!”
“Een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen.” Zijn trouwe volgelingen krijgen alle reden om te juichen en te triomferen. Ze hoeven zich nooit te schamen voor de eed van hun trouw. “Bij Hem zweren” kan ook betekenen: je aan God verbinden en Hem aanbidden. De heidenen zwoeren bij hun goden, en de Israëliet riep Jehova aan als getuige van zijn woorden. Wie de Heere als hun God erkenden, hadden dus reden om te roemen, zodra Hij Zich liet kennen als beschermer van de rechtvaardige zaak van de koning en als vernietiger van verraders.
“Want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.” En hoe eerder, hoe beter! Helpt schaamte niet, en vrees niet, en verstand ook niet? Laat dan de schop aarde van de doodgraver hun mond maar sluiten. Want een leugenaar is een duivel in mensengedaante. Hij is een vloek voor de mensen en door God vervloekt, want God heeft heel duidelijk en ronduit gezegd: “al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer.” Zie het verschil tussen de mond die God prijst en de mond die leugens smeedt. De eerste wordt nooit gestopt en zingt eeuwig door. De tweede wordt sprakeloos voor Gods rechterstoel.
O Heere, wij zoeken U en Uw waarheid. Verlos ons van alle boosaardigheid en laster, en maak Uzelf aan ons bekend, om Jezus’ wil. Amen.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Titel
Toen hij in de woestijn van Juda was. Zelfs in Kanaän was het land wel vruchtbaar en het volk talrijk, en toch lagen er ook woestijnen… Zo is het in de wereld, zo is het in de kerk, maar zo zal het niet zijn in de hemel… Alle nood en moeite van een woestijn mogen ons niet ontmoedigen om heilige liederen te zingen. Juist dan is het onze plicht, en ook ons voordeel, om vrolijk met God verbonden te blijven. Er zijn psalmen die bij een woestijn passen. En we hebben reden om God te danken dat we in de woestijn van Juda zitten en niet in de woestijn van Sin. — Matthew Henry.
Titel
De woestijn van Juda is de hele woestenij ten oosten van de stam Juda. In het noorden grenst ze aan de stam Benjamin. Naar het zuiden loopt ze door tot het zuidwestelijke uiteinde van de Dode Zee, naar het westen tot de Dode Zee en de Jordaan, en naar het oosten tot de bergen van Juda. — E. W. Hengstenberg.
Titel
Het woord voor woestijn, midbar, verschilt van aravah (een steppe). Zo noemde men een streek die niet geregeld werd bewerkt en bewoond, maar als weidegrond diende (van dabar, ‘drijven’). Meestal was er geen bos en weinig water, maar helemaal kaal was zo’n streek niet: er groeide wel iets. — J. P. Lange.
Titel
Hagar zag God in de woestijn en gaf een bron een naam die uit dat visioen voortkwam: Beër-Lachai-Roï. Gen. 16:13-14. Mozes zag God in de woestijn. Ex. 3:1-4. Elia zag God in de woestijn. 1 Kon. 19:4-18. David zag God in de woestijn. En de christelijke kerk zal God zien in de woestijn. Openb. 12:6,14. Elke godvrezende ziel die ervan hield God in Zijn huis te zien, wordt verkwikt door visioenen van God in de woestijn van eenzaamheid, verdriet, ziekte en dood. — Christopher Wordsworth.
Gehele psalm
Dit is zonder twijfel een van de mooiste en meest ontroerende psalmen van het hele Psalmboek. Donne zegt erover: “Het hele Boek der Psalmen is oleum effusum (zoals de bruid over de naam van Christus spreekt): een zalf die over allerlei wonden wordt uitgegoten, een wasdoek die alle builen en kneuzingen bedekt, een balsem die in alle wonden doordringt. Zo zijn er ook enkele psalmen die keizerlijke psalmen zijn. Ze gebieden over alle gevoelens en gelden bij alle gelegenheden. Het zijn katholieke, algemene psalmen, die bij alle noden passen. Dit is er zo een. Want van de regels die apostolisch heten, zegt één dat de kerk elke dag moest samenkomen om deze psalm te zingen. En zo getuigt ook de heilige Chrysostomus: ‘Dat de eerste kerkvaders hadden bepaald en vastgesteld dat er geen dag voorbij mocht gaan zonder dat deze psalm openbaar werd gezongen.’” — J. J. Stewart Perowne.
Gehele psalm
Clauss omschrijft deze psalm treffend als “Een kostbare belijdenis van een ziel die dorst naar God en Zijn genade. Ze merkt dat ze door innerlijke gemeenschap met Hem levend wordt, en ze weet ook haar uiterlijke lot in Zijn hand te leggen.” De les van de psalm is dat het besef van gemeenschap met God in nood het zekere onderpand van redding is. Dat is de bijzondere bron van troost die voor de lijder in deze psalm opengaat. De Berleburger Bijbel noemt hem een psalm “die voortkomt uit een geest die werkelijk vol ernst is. Het was de lievelingspsalm van M. Schade, de beroemde prediker in Berlijn. Hij bad hem elke dag voor zichzelf, met zoveel ernst en zo persoonlijk, dat het onmogelijk was om hem te horen zonder ontroerd te raken.” — E. W. Hengstenberg.
Vers 2
O God, U bent mijn God; vroeg zal ik U zoeken (of: ik zal U vlijtig zoeken, zoals kooplieden kostbare stenen zoeken die de grootste waarde hebben); mijn ziel dorst naar U. Hij zegt niet: mijn ziel dorst naar water, maar: mijn ziel dorst naar U. Hij zegt ook niet: mijn ziel dorst naar het bloed van mijn vijanden, maar: mijn ziel dorst naar U. En hij zegt niet: mijn ziel dorst naar redding uit dit dorre en dorstige land waar geen water is. Hij zegt ook niet: mijn ziel dorst naar een kroon of een koninkrijk. Nee: mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U. Dit is een opvallend beeld, ontleend aan zwangere vrouwen, om te laten zien hoe vurig, gloeiend en sterk zijn verlangen naar God is. — Thomas Brooks.
Vers 2
O God. Dit is een ernstig woord. Het is jammer dat het ooit als een gewone uitroep wordt gebruikt. — Matthew Henry.
Vers 2
“Mijn God” is in het Hebreeuws hetzelfde woord als waarmee de Heere aan het kruis tegen de Vader riep, rond het negende uur: “Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten?” Want in het Hebreeuws begint deze psalm met Elohim, Eli. Elohim is een meervoud en Eli een enkelvoud. Zo wordt het geheimenis van de Drie-eenheid uitgedrukt: het geheimenis van de Eenheid, het onderscheiden bestaan van de (drie) hypostasen en hun eenwezenlijkheid. — Psalterium Quin. Fabri stapulensis, 1513.
Vers 2 (eerste zinsdeel)
In David zien we een opvallend voorbeeld van een gevoelige, tedere ziel die zichzelf onderzoekt. Hij leeft in voortdurende gemeenschap met God. Tegelijk voelt hij diep wat het burgerlijke en godsdienstige leven van Israël van hem vraagt, en daarnaast is hij ook nog overladen met een lange rij veeleisende openbare plichten. In deze psalm drijven openbare rampen hem juist terug naar de kern waaruit zijn geest leeft. Voor even is alles weg: zijn kroon, zijn paleis, zijn eer, de harten van zijn volk en de liefde van zijn kind, van wie hij, zoals we weten, met zo’n grote tederheid hield. De psalmist is alleen met God. In het uur van zijn verlatenheid kijkt hij vanuit de woestijn omhoog naar de hemel. “O God!” roept hij, “Gij zijt mijn God!”
In de oorspronkelijke taal herhaalt hij het woord dat met ‘God’ vertaald is niet. In Elohim is de eigenlijke gedachte van de wortel ontzag, en de bijvoeglijke vorm wijst op blijvendheid. In Eli, het tweede woord dat hij gebruikt, ligt de gedachte van macht en kracht. We zouden het zo kunnen weergeven: “O U, altijd Ontzagwekkende, mijn Sterkte, of mijn sterke God bent U.”
Maar dat tweede woord, Eli, is op zichzelf al een aparte openbaring van een hele kant van Gods Wezen. Het wordt zelfs gebruikt als een eigen, aparte naam van God. Zoals Gesenius heeft opgemerkt, komen de persoonlijke achtervoegsels voor de tweede en derde persoon nooit bij deze naam El voor, terwijl Eli, de eerste persoon, alleen al in het Psalmboek heel vaak voorkomt. We kennen het allemaal uit de woorden die onze Heere Zelf aan het kruis uitsprak, en die Hij ontleende aan hun Syrische versie van Psalm 22. Dit woord onthult een waarheid die buiten de grenzen van de openbaring onbekend is: de Almachtige en Eeuwige geeft Zichzelf, in de volheid van Zijn Wezen, aan de ziel die Hem zoekt.
Het heidendom getuigde met zijn dienst aan huisgoden en plaatselijke goden, aan zijn penaten en zijn theoi epichorioi, door al dat bijgeloof wel degelijk van het diepe verlangen van het menselijk hart naar de persoonlijke liefde van een hogere macht. De ware God kennen betekende weten dat zo’n verlangen gestild wordt. “Mijn God.” Dit woord geeft geen menselijke indruk weer, geen wens of inbeelding, maar een kant, een waarheid, een noodzaak van Gods eigen wezen.
Een mens kan zichzelf maar half geven. Hij kan een beetje van zijn gedachten, van zijn hart en van zijn inzet schenken aan een ander mens. Anders gezegd: de mens kan onvolkomen zijn in zijn daden, zoals hij onvolkomen en eindig is van natuur. Maar als God, het Volmaakte Wezen, het schepsel van Zijn hand liefheeft, kan Hij Zijn liefde niet zo verdelen. Hij móét liefhebben met de volle rechtstreeksheid, kracht en intensiteit van Zijn Wezen. Want Hij is God, en kan dus niet half of onvolkomen handelen. Hij moet Zichzelf aan die ene ziel geven met een even absolute volledigheid, alsof er verder geen enkel ander wezen bestond.
En de mens weet van zijn kant dat God Zichzelf zo geheel geeft. Niet uit bekrompen, eerzuchtige zelfzucht, maar omdat hij het als een letterlijk feit vastgrijpt en uitspreekt, roept hij: “Mijn God.”
Daarom komt dit woord zo vaak voor in Hebreeuwse namen. Mensen bleven graag stilstaan bij die wonderlijke band tussen de Schepper en hun persoonlijk leven, die zo treffend is geopenbaard. Daarom, wanneer “alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe,” zien we de heilige Paulus aan de Galaten schrijven alsof zijn eigen ziel, helemaal alleen, was verlost door het offer van Golgota: “Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” — Henry Parry Liddon, in “Some Words for God: being Sermons preached before the University of Oxford, 1863-1865.”
Vers 2 (eerste zinsdeel)
Er zit veel méér in dan mensen van de wereld beseffen om, in dit verband en deze samenhang, te zeggen: O God, U bent mijn God. Er zit meer in wat de uitnemendheid ervan betreft, en er zit ook meer in wat de moeilijkheid betreft. Het is niet iets onvruchtbaars om het te zeggen, maar ook niet iets gemakkelijks. Het levert veel voordeel op en het vraagt ook veel genade, die erbij hoort, in de waarheid en werkelijkheid ervan.
Het voordeel is allereerst zeer groot. Ja, eigenlijk is het alles. Zeggen dat God de onze is, is zeggen dat de hele wereld de onze is, en nog veel meer. Het geeft ons recht op alles wat we nodig hebben of wat goed van pas komt. Alles wat we kunnen begeren of nodig hebben, ligt hierin besloten: U bent mijn God.
Maar het is ook een zaak van moeilijkheid, zoals dat bij alle uitnemende dingen gaat. Het is niet zo makkelijk te zeggen als de wereld denkt en zich voorstelt. Voor de mond is het inderdaad makkelijk, maar voor het hart niet. Het is makkelijk om een inval te hebben om het te zeggen, maar niet om het geloof te hebben om het te zeggen. Dat brengt enige moeite mee en is niet meteen bereikt. De geest van de mens deinst ervoor terug. Er zijn twee toestanden waarin het erg moeilijk is om te zeggen: O God, U bent mijn God. De ene is de staat van de natuur, waarin iemand nog niet wedergeboren is. De andere is de staat van verlating, wanneer God Zijn aangezicht voor de ziel verbergt. — Thomas Horton (1673).
Vers 2 (tweede zinsdeel)
De betrekkingen van God met Zijn volk zijn geen kale, lege titels. Ze brengen iets in beweging, van Hem naar hen toe en ook van hen naar Hem toe. Aan wie Hij tot God is, bewijst Hij bijzondere gunsten, en wie Hem als hun God hebben, brengen Hem ook bijzondere diensten terug. Zo vinden we het in heel de Schrift, ook bij David zelf op een andere plaats: “Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.” Ps. 118:28. Zo ook hier: U bent mijn God; vroeg zal ik U zoeken.
Zolang Gods knechten maar enige aanspraak op Hem hebben gemaakt, hebben ze ook hun plicht jegens Hem getoond. Deze tekst is niet alleen een uiting van geloof, maar ook van gehoorzaamheid, en zo moeten we hem zien. — Thomas Horton.
Vers 2
Vroeg: in de morgen, vóór alle dingen moet God gezocht worden. Anders zoek je Hem tevergeefs. Het is net als met het manna: als je het niet bij het eerste morgenlicht verzamelt, smelt het weg. — Simon de Muis.
Vers 2
Mijn ziel dorst naar U. O, kwam Christus maar dichtbij, bleef Hij maar staan en gaf Hij mij verlof naar Hem te kijken! Want kijken lijkt het voorrecht van de arme: voor niets en zonder loon mag hij toch de zon zien. Ik zou een koningsleven hebben als ik niets anders hoefde te doen dan eeuwig mijn schone Heere Jezus aan te zien en naar Hem te staren. Nee, stel dat ik buiten bleef staan bij de mooie ingang van de hemel: ik zou voor altijd gelukkig zijn als ik door een gat in de deur het gezicht van mijn liefste en schoonste Heere mocht zien.
O grote Koning! Waarom staat U op een afstand? Waarom blijft U achter de bergen? O Geliefde, waarom kwelt U een arme ziel met uitstel? Lang buiten Uw heerlijke tegenwoordigheid zijn is voor mij twee keer sterven en twee keer hel. We moeten elkaar ontmoeten. Ik moet Hem zien, ik kan niet zonder Hem. (Ik ben niet in staat zonder Hem te zijn.) Honger en verlangen naar Christus hebben zo’n noodzaak teweeggebracht om Christus te genieten, dat ik niet wil, ik kan niet zonder Hem. Want ik kan de liefde van Christus niet beheersen of bevelen. — Samuel Rutherford (1600-1661).
Vers 2
Mijn vlees, dat wil zeggen: mijn lichamelijke, zintuiglijke begeerte, die dorst en hevig verlangt naar de vertroosting die zij ontvangt uit de overvloed van de geestelijke troost voor de ziel. Deze uitleg bevalt me zeer. God geeft de bovenste en de onderste bronnen. Rebekka voegde eraan toe, nadat zij water had geput in haar kruik voor Eliëzer, de knecht van Abraham: “Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken,” Gen. 24:19. Jakob groef een put bij Sichar, dat later Samaria werd genoemd, en zoals de Samaritaanse vrouw zei: “hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee,” Joh. 4:12.
Toen Mozes met de staf tweemaal op de rots sloeg, “kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten,” Num. 20:11. Zo verzadigt God met deze vertroosting zowel onze hogere als onze lagere natuur. — Thomas Le Blanc.
Vers 2
Mijn vlees verlangt naar U. Het werkwoord kamah komt alleen op deze plaats voor. Daarom is de betekenis ervan nogal onzeker, maar het Arabisch werpt er licht op. In het lexicon van Golius betekent het caligavit oculus, alteratus colore, et mente debilitatus fuit: het oog werd dof, de kleur veranderde en de geest raakte verzwakt. Zoals de psalmist het gebruikt, drukt het dus het uiterste van een brandend verlangen uit. Het is alsof dat verlangen bijna zijn zicht aantastte, de kleur van zijn lichaam veranderde en zelfs zijn verstand schaadde. Zulke gevolgen kunnen soms ontstaan uit vurige begeerten die onbevredigd blijven. — Samuel Chandler.
Vers 2
In een dor. Hier moeten we ke-eretz (Keeretz) lezen in plaats van be-eretz (Beeretz). Er staat dan “zoals in” en niet “in” (dat hier geen kracht heeft): zoals in dit dorre, vermoeide en waterloze gebied, zo verlang ik ernaar om U te zien in het heiligdom en om Uw macht en Uw heerlijkheid te zien. — Benjamin Weiss, in “A New Translation of the Book of the Psalms, with Critical Notes”, enz. 1858. Weiss lijkt hiervoor het gezag van verscheidene handschriften te hebben, maar hij is zelden te voorzichtig met stellige beweringen. — C. H. S.
Verzen 2-3
“O God! Gij zijt mijn God!” David omhelst Hem bij het allereerste woord, zoals wij vrienden omhelzen als we hen voor het eerst weer zien. “Ik zoek U in den dageraad”, zegt hij. “Mijn ziel dorst naar U; mijn vlees” (dat wil zeggen: ikzelf) “verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.” David had nu zeker iets bijzonders met God te regelen voor zichzelf, zoals het vervolg laat zien (Ps. 63:3): “Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer.” Daar had God hem ontmoet en Zich aan hem bekendgemaakt…
Alleen al het zien van een vriend maakt een mens blij (Spr. 27:17): “Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.” Die vreugde wordt scherp door de verwantschap van twee geesten. Daarom wordt het zoeken van Gods aangezicht ook kenmerkend voor Gods volk genoemd. Dat wil zeggen: het zoeken van Hemzelf, want zo moeten we Zijn aangezicht hier verstaan: “Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.” Dat betekent: je krijgt Mij Zelf, of niemand dan Mij Zelf. Persoonlijke omgang met God is het einddoel van alle genade in ons.
Want zoals het verstand en het gesprek dat eruit voortkomt mensen gezellig voor elkaar maken, zo maakt de goddelijke natuur ons gezellig voor God Zelf. En het leven waarvan wij leven is slechts een werktuig, een spiegel om God tot ons neer te brengen. — Thomas Goodwin.
Verzen 2-3
“O God! Gij zijt mijn God!” Zie voor meer uitleg het commentaar op de Psalmen bij “Ps. 63:2”.
Vers 3
“Ziende Uw sterkheid en Uw eer”, enzovoort.
- Elke christen verlangt ernaar, of hoort ernaar te verlangen, steeds meer van Gods heerlijkheid te zien en te genieten.
- Dit doel moeten we zoeken door ons vroom en ijverig te voegen bij de eredienst in het heiligdom. Hoe laat God in het heiligdom Zijn karakter aan de gelovigen zien?
(a) Door de bediening van de verzoening, dus door de verkondiging van de waarheid van het evangelie.
(b) Gelovigen groeien in het heiligdom in hun kennis van Gods karakter. Ze zien en voelen hoe die grote waarheden doorwerken in de zielen van mensen, door de kracht en de invloed van de Heilige Geest.
- De gevolgen die een groeiende kennis van Gods macht en heerlijkheid heeft voor de gelovige, in zijn levensgeschiedenis en ervaring. Die gevolgen zijn groot en talrijk.
(a) Telkens nieuwe glimpen van Gods heerlijkheid maken de gelovige nuchter. De betovering van de wereld verliest haar greep op hem.
(b) Een tweede gevolg van een groeiende vertrouwdheid met God, en van elke blik op Zijn heerlijkheid die we krijgen, is dat onze geest vrijkomt uit de verwarring waarin hij soms raakt door wat we in Gods voorzienigheid zien gebeuren.
(c) Als we Gods macht en heerlijkheid in het heiligdom zien, krijgen we nieuwe kracht om onze weg als christen weer op te pakken.
- Een blik op Gods heerlijkheid kruisigt onze lusten en doodt het verdorvene in ons hart.
- Nieuwe blikken op Gods macht en heerlijkheid voeden onze nederigheid.
- Zulke blikken op Gods heerlijkheid in het heiligdom wapenen ons voor de strijd met de laatste vijand.
Slotopmerkingen:
- Het kenmerkt elk goed mens dat hij met heel zijn hart gehecht is aan de plechtige samenkomsten van de openbare eredienst.
- Zijn doel bij het gaan naar het heiligdom is helder en duidelijk. — John Angell James.
Vers 3
“Ik heb U in het heiligdom aanschouwd.” Je kunt met de verordeningen omgaan zonder met God om te gaan. Je kunt met de verordeningen bezig zijn zonder met God te maken te hebben. Helaas! Dan zijn ze slechts droge borsten, en een schoot die steeds weer een miskraam krijgt en nooit de vruchten van heiligheid zal voortbrengen. Verordeningen zonder God zijn als botten zonder merg, als schelpen zonder kern. Je luisteren zal zinloos zijn en je bidden ook. Er zal geen geest bewegen, geen stem antwoorden, geen waarschuwing voor het hart komen, geen verkwikking voor de ziel, geen ontmoeting met God. — William Strong (1654), in “Saints’ Communion.”
Vers 3
Gods heerlijkheid is te zien aan het uitspansel en in alle schepselen, maar vooral en het meest volledig in de kerk. Ps. 29:9: “In Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.” Daar is ze het best zichtbaar, het meest ontroerend en het sterkst prikkelend voor ieder om erover te spreken. In de wereld merken weinigen haar op, maar in de tempel ziet ieder haar en spreekt erover. De wereld is God geopend, en dus heerlijk. De kerk is Christus geopend, en dus bijzonder heerlijk.
Dat deed David verlangen naar het heiligdom toen hij in de woestijn was. Waarom? “Ziende Uw sterkheid en Uw eer.” Kon David die dan niet zien in de hemelen, in de bergen, in de prachtige cederbomen en in andere werken van God? Jazeker, maar niet zoals in het heiligdom. Daarom zegt hij: “Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer.” Daar heb ik U anders gezien dan ooit elders. Daar zag hij de Koning op Zijn troon en in Zijn heerlijkheid. — William Greenhill.
Vers 4
“Uw goedertierenheid is beter dan het leven”, of, zoals het Hebreeuws heeft, beter dan levens (chajim). Gods gunst is beter dan het leven. Ze is beter dan het leven met al zijn inkomsten en toebehoren, zoals eer, rijkdom, genoegens en applaus. Ja, ze is beter dan vele levens bij elkaar. Je weet toch hoe hoog mensen hun leven aanslaan? Ze zullen bloeden, zweten, braken, zich laten zuiveren, een bezit opgeven, ja, een lid van hun lichaam, ja, meerdere leden, om hun leven te behouden. Zoals iemand uitriep: “Geef mij maar enige misvorming, enige foltering, enige ellende, als je mijn leven maar spaart.”
Hoe dierbaar en kostbaar het leven ook is voor een mens, toch stelt een verlaten ziel de terugkeer van Gods gunst hoger dan het leven, ja, hoger dan vele levens. Veel mensen zijn hun leven moe geweest, dat blijkt uit de Schrift en uit de geschiedenis. Maar er is nog nooit iemand gevonden die Gods liefde en gunst moe was. Niemand waardeert de zon zo hoog als wie lang in een donkere kerker heeft gezeten, enzovoort. — Thomas Brooks.
Vers 4
“Uw goedertierenheid is beter dan het leven.” De liefde voor het leven is een zeer gewone en verderfelijke valstrik. Het besef van Gods liefde moet ons ervoor behoeden erin verstrikt te raken. Wat is zo begeerlijk als het leven, als een mens geen plaats heeft in Gods hart? Het leven is de grootste tijdelijke zegen, en niets kan het overtreffen behalve de gunst van de God van ons leven. En die overtreft het ook echt. Welke vergelijking is er tussen de adem in onze neusgaten en de gunst van een eeuwige God? Net zo min als tussen een eeuwig licht en een armzalige, vervliegende damp. Vergelijk Jes. 60:19 met Jak. 4:14.
Wie zou dan zijn eigen leven niet haten, dat voortdurend in twijfel voor hem hangt en waarvan hij nooit zeker kan zijn, als hij weet dat de levende God zijn zekere deel is? Wie zou niet bereid zijn om tienduizend van zulke levens, het ene na het andere (als hij er zoveel had), af te staan en op te geven, liever dan dat Gods toorn ook maar een klein beetje zou ontbranden? — Timothy Cruso (1657-1697).
Vers 4 (eerste zinsdeel)
“Gods barmhartigheid is beter dan levens.” Welke levens? De levens die mensen voor zichzelf hebben gekozen. De een koos voor zichzelf een leven van zaken, een ander een leven op het land, weer een ander een leven van woeker, een vierde het leven van een soldaat. De een dit, de ander dat. De levens verschillen, maar Uw leven is beter dan onze levens. Is wat U geeft aan mensen die zijn veranderd beter dan wat verkeerde mensen kiezen? Eén leven geeft U, dat boven al onze levens verkozen moet worden, welk leven in de wereld wij ook hadden kunnen kiezen. — Augustinus.
Vers 4
Het leven is een onzuiver goed. Het is een goed dat verward en verstrengeld is met een overvloed aan kwaad. Het leven van een mens is aan veel kruisen, moeiten en rampen onderworpen. Er zit misschien wel wat troost in, maar die troost is sterk verstoord en vermengd. Maar Gods gunst, die is goed, en niets dan goed. Zoals van Zijn zegen gezegd wordt: ze voegt geen droefenis toe, ze heeft geen enkel ongemak en brengt geen enkel kwaad met zich mee. — Thomas Horton.
Vers 4
“Mijn lippen zouden U prijzen.” Is het mogelijk dat iemand een ander liefheeft en hem niet prijst of over hem spreekt? Als je maar een valk of een hond hebt waar je van houdt, dan prijs je hem. Kan het dan samengaan met liefde voor Christus dat je weinig of nooit over Hem spreekt, nooit over Zijn liefde, en Hem nooit bij anderen aanbeveelt, zodat ook zij Hem lief krijgen en verliefd op Hem worden? Kijk maar naar de Bruid (Hooglied 5:9,16). Toen haar gevraagd werd wat haar beminde boven anderen was, beschreef zij Hem in elk deel van Hem en sloot ze af met: “Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.” Zo zegt David: omdat Uw goedertierenheid beter is dan het leven, zullen mijn lippen U prijzen en zal ik U zegenen zolang ik leef.
Kan het samengaan met dit leven van liefde dat je altijd over wereldse zaken praat, of over nieuws in het beste geval? Op werkdagen en op de sabbat, in bed en aan tafel, in goed gezelschap en in slecht, thuis en onderweg? Ik zeg je: een van de voornaamste redenen waarom je wilt leven, zal zijn dat je de Heere Jezus bekend kunt maken aan je kinderen, vrienden en kennissen, zodat in de tijden die komen Zijn Naam zal klinken en de herinnering aan Hem een zoete geur zal zijn, van geslacht op geslacht. Ps. 71:18.
Als je vóór je bekering anderen hebt vergiftigd met ijdel en verdorven praten, dan zul je na je bekering proberen de harten van anderen te kruiden met genadige, zoete en wijze gesprekken vol smaakvolle en gezegende woorden. Wat de Heere je heeft geleerd, vertel je aan anderen, omwille van Hem Die je liefhebt. — Thomas Sheppard (1605-1649), in “The Sound Believer.”
Verzen 4-7
David verheft Gods goedertierenheid als een koningin boven alle andere zegeningen die hem geschonken zijn, ook de kostbaarste, omdat “Uw goedertierenheid is beter dan (boven) het leven”. Rondom haar troon plaatst hij zeven delen van zijn lichaam en vermogens van zijn geest, als de zeven voornaamste engelen… die voor de Heere staan om haar te prijzen en te bewonderen. Dat zijn zijn lippen, zijn tong, zijn handen, zijn wil, zijn mond, zijn geheugen en zijn verstand.
Want ten eerste verheft hij Gods goedertierenheid met zijn lippen (Ps. 63:4): “Mijn lippen zouden U prijzen.” Ten tweede met zijn tong (Ps. 63:5): “Alzo zou ik U loven in mijn leven.” Ten derde met zijn handen: “In Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.” Ten vierde met zijn wil (Ps. 63:6): “Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden.” Ten vijfde met zijn mond: “En mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.” Ten zesde met zijn geheugen (Ps. 63:7): “Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede.” Ten zevende en laatste met zijn verstand: “Zo peins ik aan U in de nachtwaken.” — Thomas Le Blanc.
Vers 7
“Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, (en) over U peins in de nachtwaken.” Zo verbindt de Engelse vertaling dit vers met het vorige (Ps. 63:6). Maar de indeling van de strofen maakt de volgende vertaling beter, en die voorkomt bovendien dat we “en” moeten aanvullen: “Telkens wanneer ik Uwer gedenk op mijn legerstede, peins ik over U in de nachtwaken.” De gedachte aan U op mijn leger houdt me zo bezig dat ik mijn geest er niet van los kan maken en dus niet in de vergetelheid van de slaap kan wegzinken. Vaak peins ik de hele nachtwaken door over U. Zo ook Ps. 119:55,148 en Ps. 1:2.
Het Hebreeuws heeft “bedden”. Waarschijnlijk is dat een zinspeling op het feit dat hij in zijn onrustige ballingsleven zelden vele nachten in hetzelfde bed sliep, maar uit angst voor zijn tegenstanders op verschillende plaatsen overnachtte. Er waren drie nachtwaken: de eerste (Klaagl. 2:19), de middelste (Richt. 7:19) en de derde, of ochtendwake (Ex. 14:24; 1 Sam. 11:11). In het Nieuwe Testament heerst het Romeinse gebruik van vier. — A. R. Faussett.
Vers 7
Gedenken en overpeinzen. Overpeinzen heeft meer zoetheid in zich dan alleen maar herinneren. Het geheugen is de kist waarin je een waarheid opbergt, maar overpeinzing is het gehemelte waarmee je haar proeft. Het geheugen is als de ark waarin het manna werd bewaard; overpeinzing is als Israëls eten van het manna. Toen David over God begon te overpeinzen, was het hem zoet als merg. Er is evenveel verschil tussen een waarheid die je onthoudt en een waarheid die je overpeinst als tussen een hartversterking in het glas en een hartversterking die je hebt opgedronken. — John Wells (1668), in “Sabbath Holiness.”
Vers 7
“Op mijn legerstede.” Het bed kun je zien als een plaats om God te gedenken, en wel op drie manieren. 1. Als een plaats die we kiezen. In bed, liever dan ergens anders, waar ik aan mijn eigen vrijheid ben overgelaten. Toen David zin had om God te gedenken, koos hij daarvoor zijn bed, omdat dat het meest geschikt en passend was. Als het lichaam buitengewoon moe is geworden, om wat voor reden ook (de Schrift noemt dat vaak in het voorbijgaan), is dat de aanleiding om te spreken “in ulieder hart op uw leger”, enzovoort. Het kan dus heel goed zijn dat het bed de meest passende plaats is voor zo’n plicht. Ps. 4:5.
- Als een plaats die we nodig hebben. In mijn bed tenminste, wanneer het nergens anders kan, omdat ik beperkt word. David werd (zoals het nu met hem ging) van de openbare verordeningen weggehouden, door ziekte of door een andere belemmering die hij niet kon overwinnen. Toch wilde hij God nu niet helemaal vergeten. Hij wilde Hem zelfs in zijn bed gedenken. Zo kunnen we het ook opvatten.
- Als een plaats van onverschilligheid, dat wil zeggen: daar even goed als ergens anders. Ik zal U niet alleen gedenken wanneer ik op ben en het mijn taak maak om U te gedenken, maar zelfs in mijn bed. Ik zal daar een aanleiding en gelegenheid nemen om U te gedenken: door mezelf aan U toe te vertrouwen wanneer ik ga slapen, en door U te erkennen en te belijden wanneer ik voor het eerst wakker word. — Thomas Horton.
Vers 7
In de tabernakel werden nachtwaken gehouden om God te prijzen (Ps. 134:1). David voegde zich daar waarschijnlijk bij de Levieten, als hij er de vrijheid toe had. Maar nu kon hij zijn plaats bij hen niet innemen. Hij waakte wel op hetzelfde uur als zij, en in zijn hart wenste hij zichzelf bij hen. — Matthew Henry.
Vers 9
“Mijn ziel kleeft U achteraan.” Dit is de taal van een goed mens in zijn slechtste gesteldheid. Want als hij zijn nabijheid tot God kwijt is, kan hij niet rusten tot hij die weer heeft, en jaagt hij er met alle kracht achteraan. Het is ook zijn taal in zijn beste gesteldheid. Want als hij het meest van God kent en geniet, wil hij nog meer kennen en genieten. Maar je kunt het vooral zien als de taal van een bedroefde en zoekende ziel, die niet bezwijkt onder haar last, maar vurig hijgt naar verlossing en wordt ondersteund door het uitzicht dat ze die zal krijgen. Daarom volgt er: “Uw rechterhand ondersteunt mij”… Eerst wil ik nagaan wat het inhoudt dat de ziel God op de voet volgt, en dan onderzoeken waarom ze dat doet.
- Wie God op de voet volgt, gaat uit van iets wat eerst moet komen: (a) dat hij God al kent. Iets wat je niet kent, kun je niet verlangen, hoe goed het op zichzelf ook is. Daarom laat God Zijn licht in ons hart schijnen. Hij geeft ons het licht van de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus. Dat licht is de grondslag van alles wat genade in ons werkt. Het is vooral de bron van elk vurig verlangen naar Hem.
(b) God op de voet volgen is vurig en diep verlangen. Het zit niet in koele, slappe wensen, maar in een onstilbare honger naar gemeenschap met God en naar een leven dat helemaal bij Zijn wil past. (c) Het kost ook hard werken en inspanning. “Mijn ziel kleeft U achteraan” (Engels: mijn ziel volgt dicht achter U aan). Het gaat niet alleen om de aarde of de hemel. We jagen God Zelf na! En de verlangens van een ziel die werkelijk vernieuwd is, zijn niet traag en krachteloos. Zo’n ziel gebruikt alle middelen die God heeft aangewezen en zet alles in wat ze heeft, totdat ze bereikt wat ze zoekt.
(d) Je blijft zoeken. Het woord ‘volgen’ zegt dat al, en ‘dicht op de hielen volgen’ zegt het nog sterker. Het is alsof de psalmist zei: “Trekt God Zich terug? Dan ga ik Hem achterna. Houdt Hij Zijn zegen achter? Dan worstel ik met Hem tot ik die ontvang. Hij heeft lang gewacht om genadig te zijn, en nu wacht ik tot Hij het is.”
- Daarna moeten we goed nagaan waarom David God zo dicht op de hielen volgde.
(a) Schuld en nood zaten hem zelf dicht op de hielen.
(b) Ook zijn vijanden zaten hem op de hielen. Satan deed dat ook, en liet hem meer dan eens struikelen en vallen.
(c) Andere dingen had hij al eens achternagelopen, maar tevergeefs.
(d) Daarbij kunnen we de sterke aantrekkingskracht van Gods genade rekenen. — Samengevat uit Benjamin Beddome’s preek “The Christian’s Pursuit,” in “Short Discourses,” 1809.
Vers 9
Mijn ziel kleeft U achteraan. dabeqah achareka. Het oorspronkelijke woord dabaq betekent letterlijk: aan elkaar lijmen. Daarom heeft het ook de overdrachtelijke betekenis van zich verbinden, aanhangen, één zijn met iemand. Vooral duidt het op een hechte band met sterke genegenheid. Neem de woorden: “Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven;” dat betekent dat hij zich nauw met zijn vrouw verbindt, met de trouwste liefde. Gen. 2:24. De psalmist bedoelt dus eigenlijk dat zijn ziel met de warmste liefde aan God vastzat. Hij verlangde ernaar Hem in Zijn heiligdom zijn offer van lof te brengen. — Samuel Chandler.
Vers 9
Mijn ziel kleeft U achteraan. dabeqah, adhaesit, adherescit anima mea post te: Mijn ziel kleeft achter U aan, zoals dingen aan elkaar hangen. Dit woord komt in de Schrift heel vaak voor en is net zo vaak onderwerp van discussie onder de taalgeleerden. Het beschrijft de houding van Davids hart. Zijn ziel zat zo dicht bij God en hing zo van Hem af, dat niets haar van Hem kon losmaken. Satans sluwheid, Sauls wreedheid en Davids eigen verlies en schade hadden geen kracht en geen handigheid genoeg om deze Gordiaanse knoop van verbondenheid door te hakken of los te maken.
Davids hart was aan God vastgelijmd door de Geest van de Heere. Een huwelijk dat de Heere heeft gesloten, kan de duivel onmogelijk verbreken. Het is dan ook niet vreemd dat Davids woorden zijn toewijding aan God zo duidelijk laten zien. In dezelfde adem laten ze immers zien dat God hem ondersteunt: “Uw rechterhand ondersteunt mij,” zegt hij. — Alexander Pringle, in “A Stay in Trouble; or the Saint’s Rest in the Evil Day,” 1657.
Vers 9
Mijn ziel kleeft U achteraan. In de grondtekst staat dabeqah nafshi acharekha: Mijn ziel kleeft achter U aan. Het is alsof hij zei: Ga voor, mijn God, ga maar voor! Zie, ik volg zo dicht als ik maar kan; e vestigio, op Uw spoor. Ik wil geen afstand laten ontstaan. Ik loop Uw voetstappen na, stap voor stap. Ik leun op Uw eeuwige armen onder mij en volg waar U mij leidt. — John Gibbon, in “The Morning Exercises,” 1661.
Vers 9
Wat betekent het dat de ziel God volgt, en Hem zelfs dicht op de hielen volgt? Zeker veel meer dan een slappe, lusteloze neiging. Het gaat om veel meer dan zomaar wat goede wil. Het is niet “De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.” Het wijst op een intense, gloeiende betrokkenheid die een mens wakker schudt en tot ernst brengt. Zo iemand sleept zijn eigen ziel mee. Hij legt zich neer bij elke nodige inspanning en elk offer, hoe zwaar ook, en blijft doorgaan, wat voor moeilijkheden of ontmoediging hij ook tegenkomt.
Soms is de afstand groot, gaat het bergop, is de weg ruw en het weer slecht, en proberen vijanden ons terug te dringen. Soms raken we Hem uit het oog en vragen we iedereen die we tegenkomen: “Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?” En als we Hem weer ontdekken, lijkt Hij net zo snel vooruit te gaan als wij. Als we Hem inhalen en dichterbij komen, lijkt Hij om te kijken, te fronsen en ons te zeggen terug te gaan. Christenen die het leven met God kennen, begrijpen deze beelden uit eigen ervaring, want zij hebben het zelf zo meegemaakt.
Wie van hen is niet, net als de Joden, soms “verdrietig op dezen weg” geworden? Wie leek niet op de mannen van Gideon: “Moede, nochtans vervolgende”? En wie heeft niet vaak gezegd: Mijn ziel kleeft U achteraan? — William Jay.
Verzen 10-11
Davids verlangen naar God was niet uitgeblust. Zijn geloof ook niet. In het laatste deel van de psalm kondigt hij met volle zekerheid aan dat zijn vijanden uiteindelijk ten onder gaan. En zijn vervloekingen kwamen zelfs vrij nauwkeurig uit, in de strijd waarin hij zelf werd verlost. De legers ontmoetten elkaar in het woud van Efraïm, aan de overkant van de Jordaan. Daar was “te dienzelven dage een grote slag, van twintig duizend;” en “het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde.”
Davids woorden over de diepten van de aarde, over het zwaard en over de vossen waren dus niet ijdel gesproken. De valkuilen in het bos, de zwaarden van de koninklijke achtervolgers en de wilde dieren die daar hun holen hadden, deden alle hun werk. Het opstandige leger deelde zijn lot met zijn leider. Die bleef met zijn haren in de dikke takken van de eik hangen, werd door Joab door het hart gestoken en door zijn dienaren neergehouwen. De enige begrafenis die hij kreeg, was dat hij werd gegooid “in het woud, in een groten kuil” en bedekt werd met “een zeer groten steenhoop.” — Joseph Francis Thrupp, in “An Introduction to the Study and Use of the Psalms,” 1860.
Vers 11
Zij zullen vallen. Dit woord wordt in de Bijbel meestal van water gezegd. 2 Sam. 14:14; Klaagl. 3:49. Maar doordat hier meteen het zwaard wordt genoemd, gaat het hier om het vergieten van bloed. En omdat het werkwoord in de derde persoon meervoud staat, in de bedrijvende vorm, moet je het volgens Hebreeuws taalgebruik lijdend opvatten: zij zullen uitgegoten worden door de hand van het zwaard. Dat wil zeggen: zij zullen door het zwaard worden uitgegoten, want de hand van het zwaard is niets anders dan de snede van het zwaard. — Henry Hammond.
Vers 11
Zij zullen de vossen ten deel worden. Dieren zijn aan mensen gegeven als voedsel, maar hier worden mensen aan dieren gegeven als prooi. Wat een jammerlijk gezicht: de gemeenste van alle schepselen die zich gulzig tegoed doen aan het vlees van de edelste, en zonder enig ontzag het kistje meesleuren en verscheuren waarin vroeger het kostbaarste juweel van de wereld zat. Gaat het niet tegen de wet van de natuur in dat mensen voedsel worden voor dieren, en dan nog voor dieren die aas eten en geen mensenvoedsel? Zeker wel. Toch stemt de natuur zelf in met deze soort straf voor onnatuurlijke misdaden.
Het is ook alleszins redelijk dat de natuurwet wordt geschonden in de straf van wie haar met hun zonde schonden. Wie mensen verslond als dieren, wordt door dieren verslonden als mens. Wie met eigen handen onnatuurlijk geweld pleegde tegen zijn vorst, krijgt hetzelfde van de klauwen en tanden van wilde dieren, die zijn slaven zijn. Wie tijdens zijn leven een vos in zijn boezem droeg, wordt na zijn dood bijgezet in de buik van een vos.
Sint Augustinus legt deze hele profetie uit op Christus. Hij geeft een bijzondere reden voor dit oordeel van God, waardoor de Joden tot vossen werden veroordeeld. De Joden, zegt hij, doodden Christus om hun land niet te verliezen. Maar in werkelijkheid verloren ze hun land juist omdat ze Christus doodden. Ze wezen het Lam af en kozen Herodes, die vos, boven Hem. Daarom werden ze door de rechtvaardige vergelding van de Almachtige aan de vossen toegewezen als hun deel.
Augustinus verwijst hier vooral naar vossen. Toch rekken Jansenius en andere uitleggers de woorden van mijn tekst op tot alle wilde dieren en vogels, die als het ware ongeduldig zijn met de vos en alle ruimte en vrijheid hebben gekregen om zich te storten op de lijken van verraders van God en vaderland. Maar de vossen dragen hier de naam omdat ze in die streken in overvloed leefden. Er waren er zoveel dat Simson er in korte tijd, met een natte vinger, driehonderd ving. — Daniel Featley, D.D., in “Clavis Mystica,” 1636.
Vers 11
Zij zullen de vossen ten deel worden. Als het lichaam van een mens op de grond bleef liggen, zouden de jakhalzen er vast weinig van overlaten. In de oude oorlogstijden moeten ze op de slagvelden feest hebben gevierd, nadat de legers waren vertrokken. David verwijst naar deze eigenschap van de jakhals. Hij was zelf krijgsman, had op menig slagveld gestreden en moet de lijken van gesneuvelden gezien hebben, verminkt door die nachtelijke rovers. — J. G. Wood.
Vers 11
Wat een lot spreekt David hier uit over wie de ziel van de rechtvaardige zoeken om haar te verwoesten: Zij zullen de vossen ten deel worden. Daarmee worden naar ik aanneem jakhalzen bedoeld. Deze onheilspellende, schuldige, ellendige dieren komen, gedreven door honger, in benden samen bij de graven. Ze janken van woede en vechten als duivels om hun middernachtelijke maaltijden. Maar op het slagveld houden ze hun grote carnaval. O, laat het mij nooit zelfs maar in een droom overkomen dat iemand die mij dierbaar is, door het zwaard valt en daar blijft liggen, om door deze afschuwelijke huilers te worden verscheurd, aangevreten en rondgesleept. — W. M. Thomson, D.D., in “The Land and the Book,” 1861.
Vers 12
Een iegelijk die bij Hem zweert. Dat wil zeggen: bij David. Wie zijn zaak steunt en hem trouw zweert, zal zich verheugen en roemen in zijn voorspoed. Of het betekent: wie zweert bij de gezegende naam van God en niet bij een afgod. Deut. 6:13. Dan gaat het om alle goede mensen die oprecht en openlijk Gods naam belijden. Zij zullen in God roemen. Zij zullen roemen in Davids verheffing: “Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden.” Wie van harte de zaak van Christus omarmt, zal uiteindelijk roemen in haar overwinning. “Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen.” — Matthew Henry.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 2 (eerste zinsdeel)
De atheïst zegt: “Er is geen God,” en de heiden aanbidt “vele goden.” De ware gelovige zegt: “O God! Gij zijt mijn God!” God is dat voor hem:
- Door keuze.
- Door verbond.
- Door belijdenis.
Vers 2 (tweede zinsdeel)
God vroeg zoeken.
- Vroeg in het leven.
- Vroeg in ijver.
- Vroeg in (gloed).
- Vroeg in tijd en duur. — Alexander Shanks.
Vers 2 (tweede zinsdeel)
Ernstig zoeken. Wat je begeert, zoek je gretig.
- De ziel is vastberaden. Ik zal zoeken.
- De ziel is redelijk. Ik zal zoeken.
- De ziel is bereid. Vroeg zal ik. Zij staat klaar.
- De ziel houdt vol.
Laat dit het besluit zijn van zowel geredden als ongeredden. — G. J. K.
Vers 4
- Een besluit van liefde. Mijn lippen zullen U prijzen.
(a) Prijzen. Dat past bij de vernieuwde natuur. Zo’n natuur vindt geen plezier in mopperen, verwijten of schelden.
Lof laat waardering zien, en spreekt van dankbaarheid, geluk en genegenheid.
(b) God prijzen.
(c) God in de praktijk prijzen. Mijn lippen. Dat doe je door goed tot Hem te spreken en goed van Hem te spreken: over Zijn wijsheid, rechtvaardigheid, liefde, genade enzovoort.
(d) God voortdurend prijzen. Zolang ik leef, enzovoort.
- De reden van de liefde. Omdat Uw goedertierenheid. De liefde moet God prijzen, omdat (a) zij haar bestaan aan Hem te danken heeft. “Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.”
(b) Omdat Hij haar voedt en koestert. “De liefde Gods in onze harten uitgestort is,” enzovoort.
(c) Omdat de bewijzen van Zijn liefde lof verdienen. “Goedheid” voor wie arm, hulpeloos en verloren zijn. Een goedertierenheid die onze natuur niet kwetst. Beter dan het leven, of dat nu het beginsel, het genot of het werk van het leven is. — G. J. K.
Vers 4
Uw goedertierenheid is beter dan het leven.
- Liefde die we samen met het leven genieten.
- Liefde die we met het leven vergelijken.
- Liefde die we boven het leven kiezen. — G. J. K.
Verzen 6-7
- Het lege vat wordt gevuld! Hoe? Door overpeinzing. Waarmee? Met Gods goedheid, als merg en vettigheid. In welke mate? Tot verzadiging.
- Het volle vat loopt over. Mijn mond zal U prijzen met vrolijke lippen. De ziel stroomt over van lof, vrolijke lof. — G. J. K.
Verzen 6-7
Beschrijf de aard van 1. het werk van de gelovige en 2. zijn genieten, en laat zien hoe nauw die twee met elkaar samenhangen. — J. S. Bruce.
Vers 8
Een besluit met een stevige basis.
- Waarop het gegrond is, en waarom het zo stevig staat.
- Hoe het wordt uitgedrukt. — J. S. B.
Vers 9
- De ziel jaagt God na. Zij volgt: (a) in verlangen. (b) In daden. (c) Ernstig. (d) Snel. (e) Dicht achter Hem aan.
- De ziel wordt gesteund. Uw rechterhand ondersteunt mij: de arm van kracht. In ons werk en in ons dragen. — G. J. K.
Vers 9
“Een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.”
- Het doel van de jacht: U.
- De manier van jagen: dicht achter Hem aan.
- De gevaren onderweg. — J. S. B.
Vers 9 (tweede zinsdeel)
Gods rechterhand ondersteunt Zijn volk op drie manieren.
- Bij de zonde: zodat zij er niet door vallen.
- Bij het lijden: zodat zij er niet onder bezwijken.
- Bij de plicht: zodat zij er niet van afwijken. — W. Jay.
Verzen 10-11
- De vijanden van de christen. Boze geesten, boze mensen, slechte gewoonten enzovoort, enzovoort.
- Hun doel. Zij willen de ziel verwoesten.
- Hun val. Die komt zeker en is schandelijk en verwoestend.
- Hun toekomst. De hel ligt voor hen klaar. — G. J. K.
Vers 12
Drie onderwerpen om over te preken.
- Koninklijke blijdschap.
- Geoorloofd zweren.
- Kwaadspreken.
Werken over de drieënzestigste psalm
Chandler’s “Life of David” bevat een uitleg van deze psalm. Deel 1, blz. 130-4.
“An Exposition of the 63 Psalm,” in acht preken, in “Choice and Practical Expositions on four Select Psalms… Door Thomas Horton, D.D., 1675.” (Folio.)
Twaalf preken (over Ps. 63:2-9) in “Sermons on various Practical Subjects. Door Alexander Shanks (1731-1799), wijlen predikant van de Associate Congregation van Jedburgh, Edinburgh, 1081.”
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas