Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 61 — Treasury of David

30 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth” (Engels: op Neginah). In de grondtekst zien we dat zowel het lied als het snaarinstrument van David zelf waren. Hij schreef de verzen en zong ze ook zelf, begeleid door het snarenspel waar hij zo veel van hield. De psalmen met de titel Michtam hebben we nu achter ons gelaten. Toch zullen we nog volop kostbare gedachten vinden, ook al ontbreekt die gouden naam. Deze titel kwamen we eerder tegen, in Psalm 4, 6, 54 en 55. Er is wel een verschil: het woord staat hier in het enkelvoud. De psalm zelf is heel persoonlijk en past bijzonder goed bij de persoonlijke omgang met God van één mens.

Onderwerp en indeling

Deze psalm is een parel: klein, maar kostbaar. Menig bedroefd mens heeft er woorden in gevonden op momenten dat de eigen geest geen taal kon bedenken. Het is duidelijk dat David hem schreef nadat hij koning was geworden (zie Ps. 61:7). Uit vers 3 maken we op dat hij ontstond toen de dichter gedwongen weg moest van de tabernakel, de zichtbare woonplaats van God. Als dat klopt, dan past de tijd van Absaloms opstand heel goed als het moment waarop hij werd geschreven. En dan heeft Delitzsch gelijk als hij de psalm noemt: “Gebed en dankzegging van een verdreven koning op zijn terugweg naar zijn troon.” We zouden de verzen kunnen indelen naar hun inhoud. Beter is het om de indeling van de dichter zelf te volgen en bij elke sela even stil te staan.

Uitleg

Vers 2

“O God! hoor mijn geschrei.” David meende het bloedserieus. Hij schreeuwde het uit, hij verhief zijn stem naar de hemel. Maar hij is er niet mee tevreden om zijn nood alleen maar te uiten. Zijn verdriet de ruimte geven is niet genoeg: hij wil dat de hemel écht luistert, en hij hoopt dat er rijkelijk hulp komt. Farizeeën kunnen rusten in hun gebeden. Echte gelovigen willen een antwoord. Wie aan ritueel hangt, is tevreden zodra de vaste gebeden en gebedsteksten “gezegd of gezongen” zijn. Maar levende kinderen van God komen pas tot rust wanneer hun smeekbeden de oren van de Heere, de God van de hemelse legers, hebben bereikt.

“Merk op mijn gebed.” Geef er aandacht aan, en geef het antwoord dat U wijs vindt. Als wij zover komen dat we roepen, mogen we er zeker van zijn dat God dan ook luistert. Onze hemelse Vader is niet hard tegenover de kreten van Zijn eigen kinderen. Wat een troost: de Heere hoort altijd het roepen van Zijn volk en vergeet hun gebeden nooit! Wat Hem verder ook niet beweegt, een biddende adem gaat nooit verloren!

Vers 3

“Van het einde des lands roep ik tot U.” David was verbannen van de plek die het middelpunt van zijn vreugde was. Tegelijk was hij somber en zwaarmoedig. Hij was een banneling, letterlijk en in zijn gevoel. Toch houdt hij zijn gebed niet in. Hij vindt er juist een reden in om luider en dringender te roepen. Voor gelovigen van vroeger was het een diep verdriet om weg te zijn van de plaats waar God werd aanbeden. Ze zagen de tabernakel als het middelpunt van de wereld. Konden ze niet meer naar het heilige heiligdom, dan voelden ze zich aan de uiterste rand van het heelal. Hun hart was zwaar, als in een vreemd land, nu ze buiten de plechtige samenkomsten stonden.

Maar zelfs zij wisten heel goed dat geen enkele plaats ongeschikt is om te bidden. Er kan een einde komen aan het land, maar nooit aan de aanbidding. Aan de rand van de schepping kunnen we God aanroepen, want ook daar is Hij binnen gehoorsafstand. Geen plek is te troosteloos en geen situatie te schrijnend. Of het nu het einde van de wereld is of het einde van het leven: bidden kan altijd.

In sommige omstandigheden vraagt bidden om vastberadenheid. Die spreekt de psalmist hier uit: “roep ik” (Engels: ik zal roepen). Dat was een wijs besluit, en een dapper besluit. Was hij met bidden gestopt, dan was hij aan de wanhoop ten prooi gevallen. Wie stopt met bidden, is zelf ook aan zijn einde gekomen. Merk op dat David er nooit aan dacht om een andere God te zoeken. Hij stelde zich niet voor dat de heerschappij van Jehova aan één plek gebonden was. Hij stond aan de rand van het beloofde land, maar hij wist dat hij nog steeds in het gebied van de grote Koning was. Alleen tot Hem richt hij zijn verzoeken.

“Als mijn hart overstelpt is.” Dat wil zeggen: als de enorme golven van moeite over mij heen slaan en ik helemaal onder water sta, niet alleen met mijn hoofd maar ook met mijn hart. Het is moeilijk bidden als je hart zelf verdrinkt. Toch pleiten gelovigen op zulke momenten het allerbest. Verdrukking brengt ons bij God en brengt God bij ons. De grootste overwinningen van het geloof worden behaald in de zwaarste beproevingen. Het is met mij gedaan, de ellende ligt over mij heen. Ze omringt mij als een wolk, ze slokt mij op als een zee, ze sluit mij op in dikke duisternis.

En toch is God dichtbij, dichtbij genoeg om mijn stem te horen. Ik zal Hem aanroepen! Is dat geen moedig spreken? Let op hoe de psalmist het de Heere vertelt, alsof hij weet dat Hij hem hoort: hij is van plan Hem aan te roepen. In onze nood kan ons bidden klinken als roepen naar een vriend die ver weg is. Maar ons diepste geloof fluistert zijn stille woorden tot de Heere als tot Iemand Die zeker onze hulp is, en wel een hulp die vlakbij is.

“Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.” Ik zie U als mijn toevlucht, veilig en sterk. Maar ach, ik ben in de war en kan U niet vinden. Ik ben zwak en kan U niet beklimmen. U bent zo onwrikbaar: leid mij. U bent zo hoog: til mij omhoog. In dit korte gebed zit een schat aan betekenis.

Langs de ijzige kusten van onze noordelijke stranden gaan mensenlevens verloren, omdat de rotsen onbereikbaar zijn voor schipbreukelingen. Een predikant in een van die kustdorpen heeft met enorm veel moeite treden uitgehouwen, van het strand omhoog naar een grote ruimte die hij in de krijtrotsen heeft uitgegraven. Daar zijn veel zeelieden gered. Ze klommen de rots op, die anders te hoog voor hen was geweest, en zo ontkwamen ze. Maar we hoorden onlangs dat de stormen de treden hebben weggeslepen. Arme zeelieden zijn daardoor jammerlijk omgekomen, in het zicht van de schuilplaats die ze niet konden bereiken, want die was te hoog voor hen.

Daarom wil men nu ijzeren pinnen in de rots slaan en kettingladders ophangen, zodat schipbreukelingen de kamers in de rots wel kunnen bereiken. Dit voorbeeld legt zichzelf uit: wie een rots te hoog vindt, heeft hulp nodig om erbij te komen.

Uit eigen ervaring begrijpen we dit vers heel goed. Er was een tijd dat we zo ontdaan waren over onze zonde dat we de Heere Jezus wel kenden als een zeker heil voor zondaars, maar toch niet tot Hem konden komen. Onze vele twijfels en angsten stonden ons in de weg. Een Zaligmaker had ons niets geholpen als de Heilige Geest ons niet zachtjes naar Hem toe had geleid en ons niet in staat had gesteld op Hem te rusten. Zelfs nu voelen we vaak dat we niet alleen een rots nodig hebben, maar er ook naartoe gebracht moeten worden.

Daarom gaan we mild om met de half ongelovige gebeden van mensen die net wakker geschud zijn. In hun verwarring kunnen we niet verwachten dat ze meteen vol geloof roepen. Wie Hem zoekt, hoort direct in Jezus te geloven. Maar het mag wel dat iemand vraagt om naar Jezus toe geleid te worden. De Heilige Geest kan dat doen, ook als het hart op de rand van wanhoop staat.

Hoe onmetelijk veel hoger dan wij is het heil van God! Wij zijn laag en kruipen over de grond, maar dat heil torent als een hoge klip ver boven ons uit. Dat is zijn glorie, en ons geluk zodra we eenmaal in de rots zijn geklommen en het als het onze hebben opgeëist. Zolang we nog bevende zoekers zijn, maken de heerlijkheid en hoogheid van dat heil ons juist bang. Dan voelen we ons te onwaardig om er ooit deel aan te krijgen. Zo gaan we roepen om genade op genade. We zien hoe afhankelijk we zijn voor alles: niet alleen voor de Zaligmaker zelf, maar ook voor de kracht om in Hem te geloven.

Vers 4

“Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest.” Merk op hoe de psalmist steeds wisselt tussen wat God deed en wat hij zelf zal doen: “Gij hebt” en “ik zal” (Ps. 61:4-7). Ervaring voedt het geloof. Uit het verleden halen we argumenten voor ons vertrouwen van nu. Telkens opnieuw bedreigden de vervolgingen van Saul en de gevaren van de strijd Davids leven. Alleen door een wonder was hij er levend uitgekomen, en toch leefde hij nog, ongedeerd. Daaraan denkt hij terug, en dat vult hem met hoop.

“Een sterke Toren voor den vijand.” David had gewoond als in een onneembare vesting, omdat de Almacht hem omringde. Het is onuitsprekelijk zoet om terug te denken aan de goedertierenheid van de Heere in vroegere dagen. Hij verandert immers niet, en daarom zal Hij ons ook blijven behoeden voor alle kwaad.

Vers 5

“Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden.” Laat mij maar eenmaal terugkeren naar Uw voorhoven, en niets zal mij daar ooit nog wegjagen. Zelfs nu, in mijn ballingschap, is mijn hart daar. En waar mijn lot mij ook heen slingert: ik blijf U aanbidden in de geest. Misschien wordt met het woord tabernakel hier de woonplaats van God bedoeld. Dan is de bedoeling: ik zal bij de Heere wonen, genieten van Zijn heilige gastvrijheid en veilig zijn onder Zijn bescherming.

“Daar zou ik vaste rust vinden,
Terwijl anderen komen en gaan;
Niet langer vreemdeling of gast,
Maar als een kind dat thuis is.”

Wie omgang heeft met God, is altijd thuis. Zo iemand beseft dat God overal aanwezig is. Zijn geloof ziet om zich heen het paleis van de Koning, waarin hij veilig en juichend rondloopt, overvloeiend van blijdschap. Gelukkig zijn de knechten in huis, die niet weggaan van Zijn aangezicht. Houthakkers en waterputters in de tenten van Jehova zijn meer te benijden dan de vorsten die woeste feesten vieren in de paviljoenen van koningen. Het mooiste van alles is dat ons verblijf bij God niet tijdelijk is, maar eeuwig. Ja, voor eeuwen der eeuwen, voor de tijd en voor de eeuwigheid. Dat is ons hoogste en hemelse voorrecht: “Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden.”

“Ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen.” Onze liefelijke zanger gebruikt dit beeld vaak. En het is veel beter om één passend en leerzaam beeld te herhalen dan om uit hang naar nieuwigheid de hele schepping af te zoeken naar armzalige, vergezochte vergelijkingen. Denk aan de kuikens onder de kloek: hoe veilig, hoe behaaglijk, hoe gelukkig! Hoe warm is de borst van de moeder! Hoe zacht zijn de veren die hen koesteren! God buigt zich zo diep naar ons toe dat we dit beeld op onszelf mogen toepassen. Wat is het leerzaam en wat troost het ons! O, laten we méér vertrouwen hebben: het kan nooit te onvoorwaardelijk zijn. Zo’n schuilplaats nodigt ons uit tot de meest ongestoorde rust.

Sela. Rusten mogen we hier zeker, nu we dit punt bereiken. Zelfs de harp mag veelzeggend zwijgen wanneer diepe, innerlijke stilte het hart helemaal vult en het verdriet zich in een vredige sluimer heeft uitgesnikt.

Vers 6

“Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften.” Bewijzen van Gods trouw moeten we niet vergeten. We moeten ze doorvertellen tot eer van de Heere. Het gebed uit Ps. 61:2 mag zeker op een antwoord rekenen, op grond van wat we in Ps. 61:6 ervaren. We hebben immers met een God te maken die niet verandert. Geloften mogen terecht samengaan met gebeden, als ze toegestaan zijn, goed overwogen en echt tot eer van God. Het is een grote genade dat God enige aandacht schenkt aan de geloften en beloften van zulke trouweloze en bedrieglijke schepsels als wij. Wat wij Hem beloven, is al van Hem, en toch neemt Hij onze geloften aan, alsof we niet zozeer Zijn knechten waren als vrije minnaars die naar believen konden geven of terughouden.

“Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.” We zijn erfgenamen gemaakt, medeerfgenamen met alle heiligen, die in hetzelfde deel delen. Daar mogen we echt blij mee zijn. Lijden we, dan is dat de erfenis van de heiligen. Worden we vervolgd, leven we in armoede of in verzoeking? Dat alles staat in de eigendomsbewijzen van het erfdeel van de uitverkorenen. Met wie we straks het avondmaal delen, met hen kunnen we nu ook best tevreden het middagmaal delen. We hebben dezelfde erfenis als de Eerstgeborene zelf. Wat is er nog beter denkbaar dan dat?

Heiligen worden beschreven als mensen die de naam van God vrezen. Dat zijn mensen die eerbiedig aanbidden. Ze hebben ontzag voor het gezag van de Heere, ze zijn bang Hem te kwetsen en ze voelen hun eigen kleinheid voor de Oneindige. Met zulke mensen te mogen delen en door God met dezelfde gunst behandeld te worden als Hij hun geeft, daar kunnen we eindeloos dankbaar voor zijn. Alle voorrechten van alle heiligen zijn ook de voorrechten van ieder afzonderlijk.

Vers 7

“Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen”, of beter: “dagen tot de dagen des Konings zult Gij toevoegen.” De dood dreigde, maar God hield Zijn geliefde in leven. Gezien alle gevaren die hij doorstond, kreeg David een lange en voorspoedige regering. “Zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht.” Hij mocht zelf generatie na generatie zien opgroeien. In zijn nakomelingen bleef hij heel lang koning, zijn dynastie hield vele geslachten stand. En in Christus Jezus, zijn zaad en zoon, regeert David geestelijk voor eeuwig.

Zo wordt hij die onderaan de rots begon, half verdronken en bijna dood, hier naar de top gebracht. Daar zingt hij als priester die in de tabernakel woont, als koning die voor eeuwig met God regeert en als profeet die goede dingen in de toekomst voorzegt (Ps. 61:8). Zie hoe sterk geloof en gebed iemand omhoog tillen. Niemand staat zo laag, of hij kan nog hoog gezet worden.

Vers 8

“Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten.” In bepaalde zin geldt dit voor David. Maar wij zien er liever de Heere Jezus in, als directe afstammeling van David en vertegenwoordiger van zijn koninklijke geslacht. Jezus zit voor eeuwig op de troon voor het aangezicht van God. Daarin liggen onze veiligheid, onze waardigheid en onze vreugde. Wij regeren in Hem. In Hem zijn we samen gezet in de hemel. Davids eigen aanspraak om voor eeuwig op de troon te zitten is slechts een voorafschaduwing van het voorrecht dat nu is geopenbaard voor alle ware gelovigen.

“Bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.” Zoals mensen roepen: “Leve de koning!”, zo begroeten wij met gejuich onze gekroonde Immanuël en roepen: “Laat goedertierenheid en waarheid Hem behoeden!” Eeuwige liefde en onveranderlijke trouw zijn de lijfwachten van Jezus’ troon. Ze zorgen voor allen die in Hem tot koningen en priesters voor God zijn gemaakt, en ze beschermen hen. Wij kunnen onszelf niet bewaren, en niets minder dan Gods goedertierenheid en waarheid kan dat. Maar die twee kunnen het wél, en ze zullen het doen. Zelfs de geringste van Gods volk zal niet verloren gaan.

Vers 9

“Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid.” Omdat mijn gebed is verhoord, zal mijn lied nooit ophouden. Omdat Jezus voor eeuwig aan Uw rechterhand zit, zal het U welgevallig zijn. Omdat ik in Hem bewaard word, zal het vol dankbaarheid zijn. David had zijn gebed stem gegeven met een schreeuw. Nu zal hij zijn lof laten horen in een lied. Onze smeekbeden en onze dankzeggingen horen op elkaar te lijken. We mogen niet springen in het gebed en hinken in de lofprijzing.

De belofte om Gods Naam eeuwig te vieren is geen overdreven grootspraak. Het is een belofte die we, door genade en heerlijkheid, letterlijk zullen kunnen waarmaken. “Opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.” Aan God, Die dagen bij onze dagen voegt, willen we al onze dagen wijden. We beloofden eeuwige lof en we willen die zonder onderbreking brengen. We willen God aanbidden de die in diem, dus van dag tot dag, zonder te stoppen terwijl de dagen voorbijrollen. We vragen geen vakantie van deze hemelse roeping en we willen geen pauze nemen in deze heilige dienst. God vervult elke dag Zijn beloften, laten wij dus elke dag onze geloften nakomen. Hij houdt Zijn verbond, laten wij het onze dan ook niet vergeten. “De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.”

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Het woord Neginah (het enkelvoud van Neginoth) kunnen we zien als een ander woord voor kinnor of harp. Dat is het instrument met acht snaren, dat waarschijnlijk met een strijkstok of plectrum werd bespeeld. — John Jess.

Vers 2

“O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.” Thomas van Aquino zegt dat sommigen deze woorden zo lezen: Intende ad cantica mea, “merk op mijn liederen”. Dat kan inderdaad veilig, want het Hebreeuwse woord rannah betekent juichen of schel uitroepen van vreugde. Zo wordt aangeduid dat de gebeden van de heiligen als fijne liederen en heerlijke zangen klinken in Gods oren. Geen vrolijkheid en geen muziek kan ons zo behagen als de gebeden van de heiligen God behagen. Zie Hooglied 2:14 en Ps. 141:2. — Thomas Brooks.

Vers 2

“Mijn geschrei.” In het boek Job staat een plaats waar de “die met het hart huichelachtig zijn” streng worden veroordeeld, omdat “zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.” Ik voel me er prettig bij dat van het getuchtigde kind van God geen harde standvastigheid wordt gevraagd. Het mag onder de roede voelen en roepen, zonder ook maar één opstandige gedachte. — Mary B. M. Duncan.

Verzen 2-3

Eén schietgebed wekt het volgende. “Hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed” (hoewel er geen woorden van dat gebed staan), en dan, Ps. 61:3: “Van het einde des lands roep ik tot U.” Hij had zo geroepen, en daarom zal hij steeds opnieuw roepen. Golven van verzoeking snoeren hem telkens de mond en onderbreken hem. Hij komt maar af en toe boven water om adem te halen. Zo zal hij blijven roepen: “Leid mij”, of “geleid mij”, of draag mij naar die rots daar, die mij te hoog is. — Thomas Cobbet (1608-1686), over het gebed.

Vers 3

“Van het einde des lands.” Dit kan op twee manieren worden opgevat. Ofwel natuurlijk: dan is het een zinspeling op mensen die ver weg zijn van hulp, verlichting en troost. Ofwel, zoals ik het zou noemen, kerkelijk: dan gaat het om de tempel van God, die “in medio terrae” stond, “in het midden en hart van het land”. Daar liet God Zijn genadige aanwezigheid en gunst zien en gaf Hij er tekenen van. Het is alsof hij zei: “Ik ben aan het einde van het land, ver weg van elk teken, onderpand of openbaring van de liefde en gunst van God, en ook van alle hulp en bijstand van mensen.” — John Owen.

Vers 3

“Het einde des lands.” Welke plaats was dit, dat einde des lands, als we de uitdrukking toepassen op de schrijver van de psalm? We weten dat het middelpunt van de liefde en toewijding van de vrome Israëliet de “heilige stad, Jeruzalem” was, “waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.” Het land waarvan deze stad de hoofdstad was, was voor de Jood de wereld. Het was de wereld in de wereld, de aarde in de aarde. De hele rest van de aardbol was voor hem een woestenij, een plaats buiten de wereld, een gebied buiten de aarde, voorbij de grenzen die de almachtige Heere had gesteld.

Zo betekent wat in de Heilige Schrift “de wereld” of “de aarde” heet, vaak alleen dat deel ervan dat het erfdeel van het uitverkoren volk was…

Het einde des lands zou, toegepast op de psalmist, dus elke plaats aanduiden waar hij lichamelijk weg was van de tempel, waar de Godheid Zijn bijzondere woning had genomen. Of elke plaats van waaruit zijn geestelijke liefde die tempel niet kon bereiken. Toegepast op ons betekent de uitdrukking elke voelbare afstand tot God. God is immers het middelpunt van leven, hoop, liefde en vreugde. Afstand tot Hem, hoe groot of klein ook, is daarom de andere kant van de wereld voor de ziel: een streek van dorheid en duisternis, het IJsland van de menselijke geest. — Alfred Bowen Evans, 1852.

Vers 3

Ik roep tot U. In deze woorden hoor je iemand die dichter bij God probeert te komen. Het is net als wanneer je roept naar iemand die je in de verte ziet, en je bent bang dat hij nog verder van je weg zal gaan. Dat is het grote werk van het geloof: naar God roepen, van veraf, terwijl je vreest dat Hij bij de volgende bocht helemaal uit het gezicht verdwenen is. Wie tot de Heere roept, gaat ervan uit dat Hij Zich terugtrekt, ja, dat Hij steeds verder weg gaat. — John Owen.

Vers 3

Roepen. Het maakt niet uit hoe afgebroken een gebed klinkt, zolang het maar de stem van ons hart is. Zo deed David. Waar bidt hij? In de ballingschap. Wanneer? Als zijn geest overweldigd is. Hoe bidt hij? Hij roept. Zo bad ook Hanna zichzelf tot rust. Houd dit goed in gedachten: innerlijke rust is het werk van Gods Geest. Pleit er dus eerst om voordat je haar hebt. — John Singleton (1706), in “The Morning Exercises.”

Vers 3

Roepen. Roepen komt in de plaats van gewoon spreken. Het laat ook zien hoe ernstig iemand het meent. — William Jay.

Vers 3

Als mijn hart overstelpt is. Moeiten zijn er in alle soorten. Sommige tergen ons, sommige knagen aan ons, sommige brengen ons in verwarring en sommige overweldigen ons. Maar in welke vorm ze ook komen, het blijven moeiten, en ze horen bij de slijtage van het leven.

…Overweldigende moeiten spoelen over een mens heen, zoals de machtige golven van de oceaan over het strand spoelen en het onder water zetten. Het zijn moeiten die met ons worstelen op leven en dood. Moeiten die ons als hulpeloze wrakken zouden achterlaten. Ze botsen met ons op het hoogtepunt van onze kracht, ze grijpen ons aan als we gezond en sterk zijn, en dreigen ons met pure kracht te overwinnen, hoe dapper we ons ook verdedigen. Zo’n moeite kende de psalmist. — Philip Bennett Power, in “The I wills of the Psalms,” 1861.

Vers 3

Hart. Hier wordt ons het hart voorgesteld als overstelpt, of, zoals het ook vertaald wordt, “bedekt”. Het wordt gesmoord. Het kan zijn werk niet meer goed doen en het bloed niet meer naar de ledematen pompen, om hun de levenskracht te geven die ze voor elke noodzakelijke inspanning nodig hebben. Als het hart even maar verlamd raakt, voelt elk deel van het lichaam dat. Een rilling in het hart stuurt zijn koude trilling door alle ledematen.

De satan weet dit heel goed. Daarom richt hij al zijn aanvallen op het hart: hij probeert de bron van het leven zelf te verlammen. En dat hebben we zelf ook ervaren. We hebben de dood voor een deel in ons gevoeld. We hebben ons hart langzaam voelen verdoven, zijn slag voelen vertragen, en een gewicht voelen drukken, steeds zwaarder. Zo ging dat overweldigen in zijn werk. — Philip Bennett Power.

Vers 3

Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. De toren in Psalm 18:3 is “mijn Hoog Vertrek” (Engels: mijn hoge toren), en de rots is hier een hoge rots, een rots hoger dan ik. Toch is er een manier om in de hoogste torens te komen: met stormladders kan een man over de hoge muren heen klimmen. Deze toren en deze rots waren voor David zelf te hoog om erin te komen. Daarom grijpt hij naar de stormladder. “Leid mij op de rots, en in den toren die mij te hoog is. Hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.” Zo maakt hij van het gebed de stormladder om op die rots te komen en in die toren, die anders te hoog voor hem zou zijn geweest.

De veiligheid en redding die hij nodig heeft, zijn zonder gebed tot God onmogelijk te krijgen. — Jeremiah Dyke.

Vers 3

Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn. Dit zijn opmerkelijke woorden. Ze laten ons een schipbreukeling zien. Zijn schip is gezonken. Hij is in de machtige oceaan terechtgekomen en worstelt daar met de golven. Hij vecht voor zijn leven, hapt naar adem en staat op het punt alles op te geven. Dan ontdekt hij plotseling een rots die boven hem uitsteekt. Als hij de top maar kan bereiken en daar vaste grond onder zijn voeten krijgt, kunnen de golven hem niet meer raken en is hij veilig.

Het gebed in onze tekst is de hulpkreet van deze arme drenkeling. Hij is zo uitgeput en afgemat dat hij de rots zelf niet kan bereiken. Hij schreeuwt om de vriendelijke hand van iemand die sterker is dan hij, of om een touw dat hem wordt toegeworpen door mensen die al veilig op de rots staan. Zo hoopt hij de rots te halen. “Leid mij op de rots”, roept die arme, verloren ellendeling. “O, leid mij, geleid mij, wijs mij erheen! Ik ben zo afgemat en uitgeput dat ik er anders niet bij kan. Ik sta op het punt te sterven. Ik moet zinken en word nooit meer gezien, als niemand mij helpt.” Zo roept hij om iemand die hem uit de diepte redt en op de rots zet.

Maar welke rots? Hij weet dat hij niet veilig is, ook al staat hij erop, tenzij het een hoge rots is. De rots, zegt hij, “moet hoger zijn dan ik, anders bereiken de golven mij en spoelen ze mij weer weg.” Een rots waarvan de top maar net boven de zee uitkomt, niet hoger dan het lichaam van een mens, zal het leven van een schipbreukeling niet redden. Zo’n rots kan juist de oorzaak van de schipbreuk zijn, maar de drenkeling heeft er daarna niets aan. Het is een rots om op te stuklopen en te vergaan, niet om op te staan en veilig te zijn. Leid mij op de rots, of zoals het in de vertaling van het Gebedenboek staat: “Zet mij op de rots die hoger is dan ik!”

…De tekst laat ons het gevaar van de zonde zien, maar laat ons niet troosteloos achter. Hij toont ons dat de toevlucht zeker is. We hebben al gezien dat David, als een schipbreukeling, bidt om “geleid te worden naar” een rots die hoger is dan hijzelf, en erop gezet te worden. Die uitdrukking lijkt veel in te houden. De rots die hoger is dan hij, moet hoger zijn dan welk mens ook, want David was een machtig koning. Hij wil dus zeggen: de toevlucht die ik zoek, moet meer zijn dan wat een “arm des vleses” mij ooit kan bieden. Ze moet dus goddelijk zijn. — Samengevat uit een preek van Fountain Elwin, 1842.

Vers 3

Het is meer het beeld van iemand die door het getij wordt ingehaald terwijl hij zich haast om buiten bereik te komen. Toch ziet hij bij elke stap hoe het water steeds dichterbij rolt. Hij hoort het woedende gebulder, het losse zand zakt onder zijn voeten weg. Nog een paar minuten, en de golven slaan om hem heen. De wanhoop heeft “zijn hart overstelpt”. Dan, in de diepste angst, ziet hij hoog boven de golven een punt van een rots. “O, kon ik die maar bereiken en veilig zijn!” En dan klinkt de kreet, de angstige kreet, tot Hem Die machtig is om te redden: Leid mij op de rots die hoger is dan ik.

Het is de kreet van de zondaar tot de Zaligmaker van zondaars! — Barton Bouchier, A.M., in “Manna in the Heart; or, Daily Comments on the Book of Psalms,” 1855.

Vers 3

Leid mij op de rots. Als we onszelf op de rots willen vinden en het ook echt willen ervaren, moeten we afhankelijk zijn van de hand van Een Ander. En die hand kan alles voor ons doen, zelfs in onze slechtste tijden. Soms zijn we zo verblind door de zoute golven die ons in de ogen slaan, en zo duizelig dat we niet eens kunnen denken, laat staan blijven proberen. Dan is er een hand die ons kan leiden, die ons uit het water kan trekken en onze voeten op de rots kan zetten.

We hebben de kracht en de tederheid van die hand zeker al ervaren. En misschien hebben de golven in het leven van de lezer wel gemerkt dat hun prooi op wonderlijke wijze aan hen werd onttrokken. Hij werd op een rots gezet, onwrikbaar te midden van alle wateren, en sterk genoeg in elke storm! — Philip Bennett Power.

Vers 3

De rots die hoger is dan ik. De rots van onze zaligheid is dus “hoger dan wij”. Hier zien we de Godheid van Christus, de Rots: daarin is Hij “hoger dan wij”. En als Hij als God niet zo hoog was, zou Hij geen Zaligmaker kunnen zijn, want Hij is “een rechtvaardig God, en een Heiland”. Iemand die niet hoger is dan wij, of maar iets hoger, zoals de engelen (wij zijn immers maar “een weinig minder gemaakt dan de engelen”), kan ons wel onderwijzen, waarschuwen of troosten, maar nooit redden. De prooi zit in de handen van de sterke, en alleen de Almachtige is sterker.

Maar een rots is niet alleen hoog, ze is ook diep. Ze steekt niet alleen boven de golven uit, haar voet staat ook vast in de bodem van de oceaan. “Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden? Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten? Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.” Job 11:7. Hier zien we de mensheid van Hem Die de rots is. Door die mensheid kon Hij afdalen naar de diepten, en toch zegevierend rijden op de boezem van de wateren.

Het zijn de diepten waarvan David, uit eigen ervaring sprekend, profetisch over Hem zei: de diepten van onze val en vernedering. In die mensheid daalde Hij af in het graf, naar de verborgen hoeken van de tussentoestand, en heeft Hij “den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt.”

Dit is onze rots, zowel diep als hoog: de rots van onze zaligheid. Wie door zijn zonden “aan het einde des lands” is neergezet, verlangt ernaar daarheen gebracht te worden, om vaste grond onder de voeten te vinden. Laat hen niet bang zijn die de bitterheid voelen van ver van God te zijn, want ze worden dichtbij gebracht. De kust waarheen ze gedreven worden, mag woest zijn, maar ertegenover ligt het Paradijs van God. Wolken en duisternis mogen zich verzamelen aan de voet van deze rots van veiligheid, maar “eeuwige zonneschijn rust op haar top.” — Alfred Bowen Evans.

Vers 3

Hoger. Een schuilplaats moet locus excelsissimus zijn, de allerhoogste plaats. Jullie lage huisjes zijn zo beklommen. Jezus Christus is een hoge plaats. Hij is zo hoog als de hemel. Hij is de ladder van Jakob die van de aarde tot in de hemel reikt. Genesis 28:12. Hij is te hoog voor mensen en te hoog voor duivels. Geen enkel schepsel kan deze hoge muren beklimmen. — Ralph Robinson (1614-1655), in “Christ All and in All.”

Vers 5

Ik zal in Uw hut verkeren. Sommigen vertalen: Ik zal wonen in Uw tent, het koninklijk paviljoen. Dan is het een beeld uit de oorlog, want wie in de eigen tent van de koning is, zit natuurlijk op de veiligste plek. Deze uitleg past goed bij de woorden die volgen: Ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. — John Trapp.

Vers 5

Het verborgene Uwer vleugelen. Wie in de tabernakel doordringt tot het Heilige der Heiligen, ziet als eerste de uitgespreide vleugels boven het verzoendeksel. Onder hun bescherming, en op het verzoendeksel zelf, zou David in stil vertrouwen blijven. — C. H. S.

Vers 6 (eerste zinsdeel)

Rond die tijd begon ik te weten dat er een God is Die gebed hoort en verhoort. — John Newton, in zijn Dagboek.

Vers 6

“Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften.” Dat wil zeggen: zijn gebeden, want die moeten altijd samengaan met geloften. Een gebed zonder gelofte is een leeg blad. Bid je God om een weldaad? Als je het meent, beloof je dan ook Hem ervoor te prijzen en Hem ermee te dienen. Bid je tegen een zonde? Tenzij je God probeert te bedriegen, beloof je er net zo goed iets tegen te doen als je erom bidt. — William Gurnall.

Vers 6

De erfenis. Het eeuwige leven heet een erfenis. Theodoretus zegt: “De ware erfenis is het eeuwige leven. Christus zegt over haar tot de schapen aan Zijn rechterhand: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Deze erfenis geeft de Heere aan hen die Hem vrezen.” In Efeze 1:14 wordt van de Geest gezegd dat Hij “het onderpand is van onze erfenis”. In Kolossenzen 1:12 spoort de apostel de gelovigen aan: “Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht.”

Bij dit vers hebben we de gouden uitleg van Chrysostomus, die Theophylactus herhaalt. Hij noemt het een erfenis om te laten zien dat niemand het koninkrijk krijgt door zijn eigen goede werken. Niemand heeft immers zo geleefd dat hij het koninkrijk waard werd. Alles is uit Gods genade. Daarom zegt hij: “Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.” — Johann Caspar Suicer, “Thesaurus,” 1728.

Vers 7

“Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen”, enz. David kan deze woorden van gelukwens niet alleen op zichzelf bedoeld hebben. Het is waar dat hij een zeer hoge leeftijd bereikte en vol van dagen stierf. Hij liet het koninkrijk in een vaste toestand achter, in de handen van zijn zoon die hem opvolgde. Maar zijn leven duurde niet langer dan dat van een gewoon mens, en het grootste deel ervan bracht hij door in voortdurend gevaar en zorg. Het kan dus niet anders dan dat de reeks van jaren, ja zelfs eeuwen, waarover hij spreekt, vooruitwijst naar de komst van Christus.

Het was immers, zoals ik vaak heb opgemerkt, juist de toestand van het koninkrijk dat God hen als één volk onder één hoofd bijeenhield, of hen weer verenigde wanneer ze verstrooid waren. Dezelfde opvolging bestaat ook nu nog, wat ons betreft. We moeten Christus zien als levend in Zijn leden tot het einde van de wereld. Hierop doelt Jesaja wanneer hij zegt: “Wie zal Zijn leeftijd uitspreken?” Met die woorden voorzegt hij dat de kerk door alle eeuwen heen zou blijven bestaan, hoewel ze voortdurend in gevaar is om vernietigd te worden door de aanvallen van haar vijanden en door de vele stormen die haar bestoken. Zo voorzegt David hier dat het koninkrijk onafgebroken zou doorgaan tot de tijd van Christus. — Johannes Calvijn.

Vers 7

Des konings leven: en zijn jaren. David spreekt bewust over de dagen van de koning in plaats van over zijn eigen dagen, wat je na het voorgaande zou verwachten. Zo laat hij zien dat hij de belofte van eeuwige heerschappij niet op zichzelf als persoon betrok, maar op zijn familie, het koninklijk geslacht van David. — E. W. Hengstenberg.

Vers 8

Bereid goedertierenheid. David heeft in zijn eigen naam bekendgemaakt wat God met hem voorheeft: eeuwige zaligheid. Hij zal, zegt hij van zichzelf, eeuwig voor Gods aangezicht zitten. Tegelijk denkt hij na over wat hij in dit leven nog moet doorlopen en wat het zal kosten om hem tot het einde te bewaren, en dus voor eeuwig. Daarom voegt hij er meteen aan toe, in de vorm van een gebed: bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij mij behoeden. Alsof hij zegt: Ik heb nog een lange reis te gaan, door vele gevaren, en Uw belofte is dat ik eeuwig voor Uw aangezicht zal blijven. Heere, U moet dan wel een overvloed aan goedertierenheid en waarheid klaarleggen en vooraf gereedmaken om mij in de tijd die komt te behoeden. — Thomas Goodwin.

Vers 9

Wie godvrezend zijn, worden in de kerk of gemeente onderdrukt en gekweld met dit doel: dat ze roepen wanneer ze onder druk staan, dat ze verhoord worden wanneer ze roepen, en dat ze God loven en prijzen wanneer ze verhoord zijn. — Augustinus.

Wenken voor de dorpsprediker

Gehele psalm

De opeenvolgende “ik zal”-uitspraken.

  1. Ik zal roepen.
  2. Ik zal in Uw hut verkeren.
  3. Ik zal betrouwen.
  4. Ik zal psalmzingen.

Vers 2

Antwoorden op gebed moeten we ernstig zoeken.

  1. Wat houdt het antwoord op gebed tegen?
  2. Wat moeten we doen wanneer een antwoord uitblijft?
  3. Welke aanmoediging hebben we om te geloven dat het uitstel maar tijdelijk is?

Vers 3

Leid mij.

  1. Wijs mij de weg: maak Jezus bekend.
  2. Maak mij in staat die weg te gaan: werk geloof in mij.
  3. Til mij op wanneer ik niet kan lopen: doe voor mij wat boven mijn kracht gaat.

Vers 3

Hoger dan ik. Jezus is groter dan onze hoogste inspanningen, onze verworvenheden, onze wensen, onze verwachtingen en alles wat we kunnen bedenken.

Vers 3

God, de rots van de heilige. John Owen, Twee preken. Werken. Deel 9, blz. 237-256.

Vers 3

De roep en het verlangen van het hart.

  1. Het erkennen van een plaats van veiligheid.
  2. Daarna: die plaats wordt ons voorgehouden als meer dan voldoende, wanneer we onze eigen zwakheid hebben ingezien.
  3. Deze plaats kunnen we niet bereiken zonder de hulp van de hand van Een Ander.
  4. Het wezen van deze toevlucht, en de plaats van een gelovige wanneer hij ervan gebruikmaakt: de plaats van toevlucht is “een rots”, en de gelovige staat “op een rots.” — P. B. Power.

Verzen 3-4

  1. Hoe zou hij bidden? Ik zal tot U roepen.
  2. Waar zou hij bidden? Van het einde des lands.
  3. Wanneer zou hij bidden? Als mijn hart overstelpt is.
  4. Waarom zou hij bidden? Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.
  5. Waar haalt hij zijn aanmoediging om te bidden vandaan? “Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest”, enz. (Psalm 61:4). — William Jay.

Vers 4

Een beschutting tegen de regen van moeite, de storm van vervolging, de vloed van satanische verzoeking, de hitte van Gods toorn en de vlaag van de dood. De ark, Lots berg, de met bloed bestreken deur in Egypte, de vrijstad, de spelonk Adullam. Een sterke Toren: duurzaam in zichzelf, onneembaar voor vijanden, veilig voor wie erin woont.

Vers 6 (tweede zinsdeel)

Onderzoek of het met ons gaat zoals met de heiligen.

Verzen 6, 9

  1. Geloften die in de hemel gehoord worden.
  2. Geloften die we op aarde zorgvuldig moeten nakomen.

Vers 6 (tweede zinsdeel)

  1. Wie God vrezen, hebben een “erfenis.”
  2. Deze erfenis is “gegeven.”
  3. We kunnen weten dat we haar bezitten. — William Jay.

Vers 7

Onze Koning, Zijn eeuwige bestaan, onze persoonlijke vreugde daarin en onze vreugde voor onze nakomelingen.

Verzen 5, 8

  1. Mijn voorrecht: ik zal verkeren (Psalm 61:5).
  2. De grond ervan: Hij zal zitten, enz. (Psalm 61:8).

Verzen 6, 9

  1. Geloften die in de hemel gehoord worden.
  2. Geloften die we op aarde zorgvuldig moeten nakomen.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas