Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 60 — Treasury of David

43 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Dit opschrift is lang, maar het helpt ons enorm om de psalm te begrijpen. “Voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth”, of de Lelie van het Getuigenis. Ook Psalm 45 ging over lelies. Daar zagen we de koninklijke krijger in al zijn schoonheid de strijd ingaan. Hier zien we hem de buit verdelen en getuigen van de heerlijkheid van God. Melodieën hebben op het eerste gezicht soms vreemde namen. Dat komt doordat we niet weten wat de componist voor ogen had. Anders vonden we ze misschien juist ontroerend passend. Mogelijk hebben de muziek of de instrumenten meer met dit opschrift te maken dan de psalm zelf.

Toch komen rozen en lelies vaak voor in krijgsliederen. Je denkt aan het Lied van de Hugenoten van Macaulay, al vergissen we ons misschien door zo’n wereldse regel aan te halen:

“Bij de lippen van uw liefsten, edele heren van Frankrijk:
Stormt aan voor de gouden lelies — op hen af met de lans!”

“Een gouden kleinood van David tot lering.” David gehoorzaamde het gebod om de kinderen van Israël te onderwijzen. Hij schreef de machtige daden van de Heere op, zodat ze in de oren van latere generaties zouden blijven klinken. Gouden geheimen moet je van de daken verkondigen. Dit is niet in een hoekje gebeurd en hoort niet in stilte begraven te worden. We willen graag leren wat de goddelijke inspiratie ons hier zo mooi leert.

“Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba.” De verbonden Aramese stammen wilden Israël overweldigen, maar ze werden vernietigend verslagen. “En Joab wederkwam.” Hij was elders aan het strijden geweest. De vijanden van Israël maakten gebruik van zijn afwezigheid, maar toen hij samen met Abisai terugkwam, keerde het krijgsgeluk. “En de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.” Volgens 1 Kronieken 18:12 zijn er meer gesneuveld, maar dit vers gedenkt één bijzonder moment uit de strijd. De slag moet verschrikkelijk zijn geweest, en de gevolgen waren beslissend: de macht van de vijand was volledig gebroken. De Heere verdiende zeker een lied van Zijn knecht.

Indeling

Je kunt zeggen dat het lied uit drie delen bestaat: de klagende verzen (Ps. 60:3-5), de blijde (Ps. 60:6-10) en de biddende (Ps. 60:11-14). Wij hebben het ingedeeld op de plekken waar de toon ons leek te veranderen.

Uitleg

Vers 3

Al vóór de dagen van Saul was Israël diep vernederd. Onder zijn bewind had het volk te lijden gehad van innerlijke verdeeldheid, en zijn regering eindigde met een verpletterende ramp bij Gilboa. David zat op een wankele troon. Hij kreeg met een dubbel kwaad tegelijk te maken: partijtwisten in eigen land en aanvallen van buitenaf. Meteen zocht hij de oorzaak waar die werkelijk lag, helemaal bij de bron. Zijn politiek was die van het geloof, en uiteindelijk is dat de wijste en diepste politiek die er is. Hij wist dat de toorn van de Heere deze ramp over het volk had gebracht. Om die toorn weg te nemen, wierp hij zich in ernstig gebed neer.

“O God! Gij hadt ons verstoten.” U hebt ons behandeld als vuile, walgelijke dingen die je wegdoet, als arme bedelaars die je met minachting ontloopt, als nutteloze dode takken die van de boom worden gerukt omdat ze hem ontsieren. Door God verstoten worden is verreweg de zwaarste ramp die een mens of een volk kan overkomen. Maar het ergste is het wanneer iemand het niet eens beseft en er onverschillig onder blijft. Als Gods verlating verdriet en berouw wakker maakt, is ze maar gedeeltelijk en tijdelijk. Een verstoten ziel die verlangend naar haar God zucht, is in werkelijkheid helemaal niet verstoten.

“Gij hadt ons gescheurd.” David ziet heel duidelijk wat Gods toorn heeft aangericht. De vlucht van Israëls krijgers, de gebroken kracht van het volk, de verdeeldheid binnen het rijk: alles voert hij terug op de hand van God. Wie de vijanden ook als werktuig hebben gediend, voor David is de Heere de eerste oorzaak. Daarom pleit hij bij de Heere Zelf over deze zaak. Israël was als een stad met een bres in de muur, omdat haar God vertoornd was. Deze eerste twee verzen (3 en 4) met hun neerdrukkende belijdenis zien we het best als een krachtige aanloop naar het geloof dat in de volgende verzen juicht over betere dagen, omdat de Heere genadig naar Zijn volk terugkeert.

“Gij zijt toornig geweest.” Dat is het geheim van onze ellende. Als wij U hadden behaagd, zou U ons ook hebben behaagd. Maar omdat wij tegen U in zijn gegaan, bent U tegen ons in gegaan. “Keer weder tot ons.” Vergeef onze zonde en glimlach weer naar ons. Breng ons terug bij U, en keer U Zelf weer naar ons toe. Vroeger was Uw gezicht naar Uw volk gericht. Kijk ons nu opnieuw aan met Uw gunst en genade. Sommigen lezen: “Gij zult U weer tot ons keren.” Welke lezing we ook kiezen, het maakt weinig uit, want een oprecht gebed brengt zo snel een zegen dat het geen aanmatiging is die al als ontvangen te beschouwen.

Het was harder nodig dat God Zich tot Zijn volk keerde dan dat Juda’s soldaten dapper waren of dat Joab en zijn bevelhebbers verstandig handelden. God met ons is beter dan sterke bataljons. Een vertoornde God is angstaanjagender dan alle Edomieten die ooit het Zoutdal introkken, of alle duivels die ooit de kerk hebben tegengestaan. Als de Heere Zich naar ons toe keert, wat zijn Aram-Naharaim en Aram-Zoba ons dan waard? Wat zijn dood en hel dan nog voor ons? Maar als Hij Zijn aanwezigheid terugtrekt, beven we al bij het vallen van een blad.

Vers 4

“Gij hebt het land geschud.” Alles was zo onzeker alsof de vaste aarde zelf aan het schudden was gebracht. Niets stond nog stevig. Saul had de priesters vermoord, de slechtste mannen hadden ambten gekregen, de Filistijnen hadden het leger gebroken, en het gezag van de overheid was uitgehold door opstanden en burgertwisten. “Gij hebt het gespleten.” Bij een zware aardbeving scheurt de grond en gaapt hij open in spleten. Zo was ook het koninkrijk verscheurd door ruzie en tegenspoed.

“Genees zijn breuken.” Denk aan een huis tijdens een aardbeving: het schudt, de muren beginnen te scheuren en er openen zich dreigende kloven. Zo stond het met het koninkrijk, het wankelde in zijn voegen. “Want het wankelt.” Het zwaaide naar zijn val toe. Als het niet snel werd gestut en hersteld, zou het helemaal instorten. Israël was zo ver heengegaan dat alleen God Zelf het nog kon behoeden voor totale vernietiging. Hoe vaak hebben we kerken in zo’n toestand gezien! En wat past dit gebed dan goed, want het gebruikt de uiterste nood als argument voor hulp.

Hetzelfde geldt voor ons eigen geloofsleven. Soms is het zo zwaar op de proef gesteld dat het, als een huis dat door een aardbeving is geschud, op instorten staat met een luid gekraak. Dan kan niemand behalve de Heere Zelf de breuken herstellen en ons redden van de volledige ondergang.

Vers 5

“Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien.” Zware tegenslagen hadden zich op hen opgestapeld, en de psalmist herleidt die strenge beschikkingen tot hun bron. Niets was toevallig gebeurd. Alles was gekomen door een goddelijk plan en met een doel. Toch was het Israël hard vergaan. De psalmist houdt vol dat ze nog altijd het eigen volk van de Heere waren, hoewel hij in vers 3 had gezegd: “Gij hadt ons verstoten.” Wie klaagt, spreekt meestal verward, en dat zie je hier. En het geloof spreekt in tijden van nood al snel de moedeloze uitspraken van het vlees tegen.

“Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.” Onze ellende heeft ons gemaakt als mannen die dronken zijn van een zware, bittere wijn. We zijn verbijsterd, verward, ijlend. Onze stappen waggelen en we wankelen als mensen die staan te vallen. De grote Heelmeester geeft Zijn patiënten krachtige drankjes om hun diepgewortelde ziekten uit te drijven. Verbijsterende rampen brengen verbijsterende uitkomsten. De druiven uit de wijngaard van de zonde leveren een wijn op die zelfs de meest verharde met angst vervult, wanneer de gerechtigheid hem dwingt de beker te drinken. Er bestaat een vuurwater van zielsangst, dat zelfs voor de rechtvaardige een beker van beven wordt en hem diep bedroeft, tot stervens toe. Wanneer verdriet zo gewoon wordt dat het onze drank is, de plaats van onze vreugde inneemt en onze enige wijn wordt, dan verkeren we werkelijk in een slechte staat.

Vers 6

Hier neemt de toon van het lied een wending. De Heere heeft Zijn knechten bij Zich teruggeroepen, hen gestuurd voor Zijn dienst en hun een vaandel gegeven voor Zijn oorlogen. “Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven.” Hun ellende had hen tot heilig ontzag gebracht. En toen ze klaar waren voor de gunst van de Heere, gaf Hij hun een veldteken. Dat was een verzamelpunt voor hun legers, een bewijs dat Hij hen had gestuurd om te strijden, en een waarborg voor de overwinning.

Meestal krijgen de dapperste mannen de banier toevertrouwd. En zeker is het dat wie God vrezen, minder bang hoeven te zijn voor mensen dan alle anderen. De Heere heeft ons het vaandel van het evangelie gegeven. Laten we leven om het hoog te houden en, als het moet, sterven om het te verdedigen. Ons recht om voor God te strijden en onze reden om succes te verwachten liggen hierin: het geloof is de heiligen eens en voor altijd toevertrouwd, en wel door de Heere Zelf.

“Om die op te werpen, vanwege de waarheid.” Banieren zijn er voor de wind, de zon en de strijd. Israël mocht gerust met moed uittrekken, vol vertrouwen, want een heilig vaandel werd voor hen uit omhoog gedragen. Het evangelie verkondigen is een heilige plicht, je ervoor schamen een dodelijke zonde. Gods waarheid stond op het spel bij de zege van Davids legers, want Hij had hun de overwinning beloofd. Zo hoeven ook wij bij het uitdragen van het evangelie niet te aarzelen. Want zo zeker als God waar is, zal Hij Zijn eigen woord laten slagen.

Om de waarheid, en omdat de ware God aan onze kant staat, laten we in deze moderne strijdtijd het voorbeeld van Israëls krijgers volgen. Laten we onze banieren vol vertrouwen en vreugde voor de wind ontrollen. Donkere tekenen van dreigend of naderend onheil mogen ons niet ontmoedigen. Als de Heere ons had willen vernietigen, had Hij ons het evangelie niet gegeven. Alleen al het feit dat Hij Zichzelf in Christus Jezus heeft bekendgemaakt, houdt de zekerheid van de overwinning in. Magna est veritas et praevalebit. (De waarheid is groot en zal zegevieren.)

“Harde dingen deed U ons zien,
U gaf ons bittere wijn te drinken;
Toch hebben wij Uw banier ontrold
En doen wij Uw waarheid hoog weerklinken.

Ons hart blijft moedig, al verlicht
Geen aardse lamp de donkere nacht;
Want spoedig staat U op in kracht
En neemt gevangen wie ons gevangen bracht.”

Sela. Er zit zoveel in het feit dat de legers van Israël een banier krijgen, zoveel hoop, plicht en troost, dat een pauze hier op haar plaats is. De inhoud rechtvaardigt haar, en de blijdere klank van de muziek maakt haar nodig.

Vers 7

“Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden.” David was de beminde van de Heere. Zijn naam betekent “geliefde”. En in Israël was een overblijfsel, naar de verkiezing van de genade, dat de geliefde van de Heere was. Omwille van hen deed de Heere grote wonderen, en Hij had hen op het oog bij al Zijn machtige daden. Gods beminden zijn het innerlijke zaad. Ter wille van hen houdt Hij het hele volk in stand, dat als een bolster om het levende deel zit. Dit is het hoofddoel van Gods leiding in de wereld: “Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden.” Als het niet om hen ging, zou Hij geen banier geven en geen overwinning sturen.

“Geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.” Red meteen, nog voordat het gebed afgelopen is. De zaak is wanhopig, tenzij er onmiddellijk redding komt. Wacht niet, Heere, tot ik uitgepleit ben. Red eerst en verhoor daarna. Die redding moet echt koninklijk en voortreffelijk zijn, zoals alleen Gods almachtige hand samen met Zijn bekwame wijsheid die kan brengen. Dringende nood drijft mensen tot dringende, stoutmoedige smeekbeden als deze. Door het geloof mogen we vragen en verwachten dat onze uiterste nood Gods gelegenheid zal zijn. Bijzondere, gedenkwaardige verlossingen komen er wanneer vreselijke rampen op handen lijken.

Hier pleit één smekeling voor velen, net zoals onze Heere in Zijn voorbede voor Zijn heiligen. Hij, de David van de Heere, pleit voor de overige beminden, die in Hem, de Opperbeminde, bemind en aangenaam gemaakt zijn. Hij zoekt redding alsof het om Hemzelf ging, maar Zijn oog is altijd gericht op allen die met Hem één zijn in de liefde van de Vader. Als Gods tussenkomst nodig is om de uitverkorenen te redden, dan moet die er komen. Want het eerste en grootste wat Gods leiding vraagt, is de eer van God en de zaligheid van Zijn uitverkorenen. Dit is het vaste lot, de onwrikbare zekerheid, het middelpunt van het onveranderlijke besluit, de binnenste gedachte van de onveranderlijke Jehova.

Vers 8

“God heeft gesproken in Zijn heiligdom.” Het geloof is nooit gelukkiger dan wanneer het kan terugvallen op Gods belofte. Het zet die tegenover alle ontmoedigende omstandigheden. Laat de gebeurtenissen om ons heen zeggen wat ze willen: de stem van een trouwe God overstemt elk geluid van angst. God had Israël de overwinning beloofd en David het koninkrijk. Gods heiligheid garandeerde dat Hij Zijn eigen verbond zou nakomen, en daarom sprak de koning vol vertrouwen. Het mooie land was de stammen verzekerd door de belofte aan Abraham. Die goddelijke gift was meer dan genoeg reden om te geloven dat Israëls wapens in de strijd zouden slagen.

Gelovige, maak hier goed gebruik van. Verban je twijfels zolang de beloften blijven staan. “Dies zal ik van vreugde opspringen”, of: “ik zal triomferen.” Het geloof ziet de belofte niet als verzinsel maar als werkelijkheid. Daarom drinkt het er vreugde uit en pakt het er de overwinning mee. “God heeft gesproken …; dies zal ik van vreugde opspringen.” Dat is een passende leus voor elke strijder van het kruis.

“Ik zal Sichem delen.” Als overwinnaar zou David het veroverde gebied verdelen onder hen aan wie God het bij loting had gegeven. Sichem was een belangrijk deel van het land en had zich tot nu toe niet aan zijn gezag onderworpen. Maar hij zag dat het met Jehova’s hulp zou gebeuren, ja dat het eigenlijk al helemaal van hem was. Het geloof verdeelt de buit, nog voordat de strijd gewonnen is. Het is zeker van wat God beloofd heeft en neemt meteen bezit.

“En het dal van Sukkoth zal ik afmeten.” Zoals het oosten, zo moest ook het westen van de Jordaan worden toegewezen aan wie er recht op had. Vijanden zouden worden verdreven en de grensstenen van vreedzaam bezit zouden worden neergezet. Waar Jakob zijn tent had opgeslagen, zouden zijn rechtmatige erfgenamen de akker bewerken. Wanneer God gesproken heeft, wordt Zijn goddelijke “zal” ons “ik zal”. Dat is geen ijdele grootspraak, maar de passende weerklank van Gods besluit.

Gelovige, sta op en neem de zegeningen van het verbond in bezit. Verdeel Sichem en meet het dal van Sukkoth af. Laat Kanaänitische twijfels en wettische gevoelens je niet buiten het erfdeel van de genade houden. Leef naar je voorrechten. Neem het goede dat God je geeft.

Vers 9

“Gilead is mijn, en Manasse is mijn.” Hij eist het hele land op grond van de belofte. Hij noemt nog twee andere grote delen van het land bij naam. Duidelijk geniet hij ervan om het mooie land te overzien dat de Heere hem gegeven had. “Alles is uwe … hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen.” Geen klein deel is voor de gelovige bestemd, dus laat hij er ook niet klein over denken. Geen vijand zal het echte geloof onthouden wat God het gegeven heeft, want de genade maakt het sterk genoeg om het de vijand te ontrukken. Het leven is mijn, de dood is mijn, want Christus is mijn.

“En Efraim is de sterkte mijns hoofds.” Alle krijgsmacht van de dappere stam stond tot Davids beschikking, en hij prijst God daarvoor. God zal alle dapperheid van mensen buigen naar de uitvoering van Zijn plannen. De kerk mag roepen: “de krachtdaden der legers zijn mijn.” God zal al hun daden richten op de voortgang van Zijn zaak.

“Juda is mijn wetgever.” Daar was de burgerlijke macht samengebracht, in die stam zat het wettelijk gezag. De koning uit die stam zond zijn wetten uit vanuit haar midden. Wij kennen geen andere wetgever dan de Koning Die uit Juda is voortgekomen. Alle aanspraken van Rome, van Oxford of van kerkvergaderingen van mensen negeren we. We zijn vrij van elk ander kerkelijk gezag dan dat van Christus. Maar Hem gehoorzamen we met blijdschap: “Juda is mijn wetgever.” In de verwarring is goede, gezonde wetgeving een groot goed. Ze was een balsem op Israëls wonden, en ze is onze vreugde in de kerk van Christus.

Vers 10

Nu hij met voldoening in eigen huis heeft rondgekeken, richt de heldenkoning zijn blik juichend naar buiten. “Moab is mijn waspot.” Moab deed mij in vroegere jaren zoveel kwaad. Het is het bekken waarin het water valt wanneer het uit een kan over mijn voeten wordt gegoten, een gewone pot voor het vuile water nadat mijn voeten erin gewassen zijn. Eens bezoedelde Moab Israël, op raad van Bileam, de zoon van Beor. Maar het kan niet langer zo’n lage daad uithalen. Het wordt een waspot voor hen die het wilde besmetten. De goddelozen, waarin we het kwaad, de vrucht en de straf van de zonde zien, helpen zo mee aan de reiniging van de heiligen.

Dat gaat tegen hun wil in en tegen de aard van de dingen, maar het geloof vindt honing in de leeuw en een waspot in het vuile Moab. David behandelt zijn vijanden als onbeduidend en gering. Een hele natie is voor hem niet meer dan een voetbad voor zijn koninkrijk.

“Op Edom zal ik mijn schoen werpen!” Zoals een man die zich baadt zijn schoenen opzij gooit, zo moeiteloos zou David zijn heerschappij over de trotse nakomelingen van Ezau verwerven. Misschien wierp hij zijn schoen zoals mensen tegenwoordig een handschoen werpen: als uitdaging om zijn gezag maar te durven betwisten. Hij hoefde geen zwaard te trekken om zijn verlamde, volkomen moedeloze tegenstander te verslaan. Als die in opstand zou komen, hoefde hij maar zijn pantoffel naar hem te gooien en de man zou sidderen. We zijn gemakkelijk overwinnaars wanneer de Almacht voorgaat. De dag komt dat de kerk met even groot gemak China en Ethiopië zal onderwerpen aan de scepter van Davids Zoon.

Ook elke gelovige kan, ieder voor zich, door het geloof zegevieren over alle moeilijkheden en heersen met Hem Die ons tot koningen en priesters gemaakt heeft. “Zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams”: dat zal nog gezegd worden van allen die vertrouwen op de kracht van Jezus.

Juich over mij, o Palestina! Het kan betekenen: wees zo volledig onderworpen dat je je verheugt over mijn overwinningen op mijn andere vijanden. Of bedoelt David: ‘Ik heb jouw kampioen verslagen en jou uiteindelijk zo klein gekregen dat je nooit meer over Israël zult kunnen juichen. Maar moet je per se feestvieren? Doe dat dan met mij, niet tegen mij!’ Of is het eerder een spottende uitdaging, een stukje ironie?

O trots Palestina, waar blijven nu jouw grote woorden? Waar zijn je hooghartige blikken en je beloofde veroveringen? Zo durven ook wij de laatste vijand te tarten: “Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?” De zaak van de hel is volkomen hopeloos zodra de Heere ten strijde trekt. Dan mag zelfs de zwakste dochter van Sion het hoofd schudden naar de vijand en hem uitlachen. O, wat is het geloof dan heerlijk verheven! Er zit geen greintje ijdele roem in, en toch kan niemand zijn heilige trots de mond snoeren. Spreekt de Heere een belofte uit, dan zullen wij niet aarzelen om ons daarover te verheugen en erin te roemen.

Vers 11

Tot nu toe waren de binnenste vestingen van Edom nog niet veroverd. De binnenvallende legers van Edom waren in het Zoutdal verslagen, en David wilde zijn veroveringen voortzetten tot aan Petra, de stad in de rots, die men onneembaar vond. “Wie zal mij voeren in een vaste stad?” Je kon er bijna niet bij komen, en daarom stelt David deze vraag. Een groot succes moet ons aansporen tot nog grotere inspanning, maar het mag nooit een reden worden om op onszelf te gaan vertrouwen. Aan het eind van een veldtocht moeten we net zo goed naar de Sterke opzien voor kracht als aan het begin.

“Wie zal mij leiden tot in Edom?” Hoog tussen de sterren lag die stad van steen, maar God kon Zijn dienaar erheen brengen. Geen hoogte van genade is te hoog voor ons als de Heere onze leider is. Maar we moeten ons wel hoeden voor hoge dingen die we in eigen kracht proberen. Excelsior – ‘steeds hoger!’ – is een prima lijfspreuk, maar voor onze leiding moeten we opzien naar de Allerhoogste. Joab kon David niet in Edom brengen. De oudgedienden uit het Zoutdal kregen de doorgang niet open, en toch moest het gewaagd worden. Daarom keek David op naar de Heere om hulp.

Er zijn nog heidense volken te onderwerpen. De stad op de zeven heuvels moet het evangelie nog horen. Wie zal de kerk de kracht geven om dat te volbrengen? Het antwoord is niet ver te zoeken.

Vers 12

“Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt?” Ja! De God Die ons tuchtigt is onze enige hoop. Hij heeft ons nog steeds lief. Voor een klein ogenblik verlaat Hij ons, maar met grote ontferming brengt Hij Zijn volk weer bijeen. Hij is sterk om te slaan, en Hij is net zo sterk om te redden. Hij liet ons zien hoe afhankelijk we van Hem zijn, door ons te tonen wat voor zwakke schepselen we zonder Hem zijn. Nu zal Hij de heerlijkheid van Zijn hulp openbaren door grote ondernemingen tot een goed einde te brengen.

“En niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?” U bent dezelfde God, en aan U blijft ons geloof zich vastklampen. Al doodt U ons, wij vertrouwen op U en blijven uitzien naar Uw barmhartige hulp.

Vers 13

“Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid.” Help ons de rampen van burgertwist en vijandelijke invallen te boven te komen. Red ons van nieuwe aanvallen van buiten en van verdeeldheid binnen ons land. Wilt U, Heere, deze verlossing brengen, want ijdel is de hulp van mensen. Op pijnlijke wijze hebben we geleerd hoe machteloos legers, koningen en volken zijn zonder Uw hulp. Onze banieren, door het slijk gesleept, hebben bewezen hoe zwak we zonder U zijn. Maar die vlag daar, hoog voor ons uit gedragen, zal getuigen van onze moed nu U ons te hulp bent gekomen. Wat past dit vers mooi bij Gods beproefde volk, als een zucht die het telkens opnieuw slaakt! We weten hoe waar het is.

Vers 14

“In God zullen wij kloeke daden doen.” Alle kracht komt van God, en alles wat we goed doen, gebeurt door Zijn werk in ons. Toch moeten we als soldaten van de grote Koning vechten, en wel dapper. Dat God werkt is geen reden om achterover te leunen, maar juist de beste aanmoediging om ons moedig in te zetten. Tot nu toe heeft Hij ons geholpen, dus zal Hij ons ook in de toekomst helpen. Daar zijn we zeker van, en daarom besluiten we te strijden als mannen.

“En Hij zal onze wederpartijders vertreden.” Van Hem komt de kracht, en aan Hem zal de eer toekomen. Als stro op de dorsvloer onder de hoeven van de ossen zullen we onze verachte vijanden vertrappen. Maar het zal eerder Zijn voet zijn die hen neerdrukt dan de onze. Zijn hand gaat tegen hen uit om hen neer te werpen en onderworpen te houden.

Voor christenen zit er veel bemoediging in een besluit als dat in de eerste zin van dit vers. We zullen kloeke daden doen. We schamen ons niet voor onze vlag, we zijn niet bang voor onze vijanden en we twijfelen niet aan onze zaak. De Heere is met ons, de Almacht ondersteunt ons, en we aarzelen niet: we durven geen lafaards te zijn. O, kwam onze Koning, de ware David, maar om de aarde op te eisen! Want het koninkrijk is van de Heere, en Hij regeert over de volken.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Titel

Als we het opschrift van deze psalm naast de inhoud leggen, rijzen er enkele vragen. Na zo’n opschrift verwachten we natuurlijk vreugde, gelukwensen en lof voor de overwinning. Maar de psalmist begint met klachten en bittere jammerklanken. Pas vanaf vers zes verandert zijn toon: dan begint hij vertrouwen te voelen en gebruikt hij de taal van jubel en zegepraal. Het beste middel om dit verschil weg te nemen is vermoedelijk dit: de psalm is geschreven na een aantal van de veldslagen die in het opschrift genoemd worden, maar de schrijver beperkt zich niet tot die gebeurtenissen.

Hij kijkt breder en neemt de ellende van zowel Israël als Juda mee, in het laatste deel van Sauls leven en de eerste jaren van Davids regering. Tegen het einde van Sauls leven kregen de Filistijnen de overhand over hem en vernietigden hem uiteindelijk samen met zijn leger. Daarna verkeerde het hele land in grote onrust en verwarring, door de twisten tussen de aanhangers van Sauls familie en de volgelingen van David. De volken rond het land Kanaän waren altijd vijandig tegenover de Joden en grepen elke kans aan om hen aan te vallen en te benadelen.

Toen David erin geslaagd was het hele volk onder zijn gezag te verenigen, nam hij wraak voor het onrecht en de beledigingen die zijn landgenoten van de Filistijnen, Edomieten, Moabieten en Syriërs hadden moeten verdragen. God vond het goed hem daarbij grote voorspoed te geven. David lijkt dus al die gebeurtenissen samen te vatten en tot onderwerp van deze psalm te maken. — William Walford.

Titel

Schusan Eduth. “De lelies van het getuigenis” – dit betekent dat deze psalm als hoofdonderwerp iets zeer liefelijks en bemoedigends in de wet heeft. Het gaat om de belofte die aan het begin van vers acht wordt aangehaald: het land Kanaän behoorde aan de Israëlieten toe. Daarop wordt het vertrouwen gegrond dat in Psalm 60:8-10 wordt uitgesproken over hun recht op het land en hun bezit ervan. Deze belofte staat – om niet veel andere plaatsen uit de vijf boeken van Mozes te noemen, en zelfs al bij de aartsvaders – in Genesis 49 en Deuteronomium 33. Het is duidelijk hoeveel waarde en gewicht deze belofte had, en vooral de herinnering eraan in deze tijd. — T. C. Barth, “Bible Manual,” 1865.

Titel

Het enige andere eduth, ofwel “getuigenis”, in het Psalmboek is Psalm 80. Daar worden de stammen Efraïm, Benjamin en Manasse bij name genoemd. Die psalm is een getuigenis tegen deze stammen, omdat zij de Herder van Israël hadden verlaten, Die hen uit het land Egypte had geleid. — Joseph Francis Thrupp, M.A., in “An Introduction to the Study and Use of the Psalms,” 1860.

Titel

Aram-Naharaim. De naam Aram komt overeen met Syrië in de ruimste en vaagste zin. Hij wordt met andere namen verbonden om bepaalde delen van dat grote land aan te duiden. Aram omvat zelfs Mesopotamië. Dat is een begrip uit de natuurkundige en niet uit de staatkundige aardrijkskunde, en het verwijst naar het gebied tussen de Tigris en de Eufraat. Het komt overeen met Aram-Naharaim, oftewel Syrië van de Twee Rivieren, in het vers dat voor ons ligt. De koning van dit land moest schatting betalen aan de koning van Aram-Zoba, zoals blijkt uit het verhaal van Davids tweede oorlog tegen de Arameeërs (2 Sam. 10:16,19). — Joseph Addison Alexander.

Titel

Toen hij gestreden had met Aram-Naharaim en met Aram-Zoba. Een belediging van Hanun, koning van de Ammonieten, aan het adres van Davids gezanten leidde tot een zware oorlog. Hanun huurde huurlingen uit Syrië om zijn leger te versterken. Joab en zijn broer Abisai, Davids legerleiders, leverden hun slag. Joab stond tegenover de Syriërs en behaalde de eerste overwinning. De Ammonieten zagen hun bondgenoten verslagen en sloegen op de vlucht naar hun stad. Maar deze nederlaag lokte een grote coalitie uit van alle volken tussen de Jordaan en de Eufraat. Toch trok David onbevreesd tegen hen op aan het hoofd van zijn leger.

Hij versloeg al zijn vijanden en werd meester over de kleine Aramese koninkrijken Damaskus, Zoba en Hamath. Ook onderwierp hij de oostelijke Idumeeën, die in het Zoutdal hun laatste nederlaag leden. — Francois Lenormant en E. Chevallier, in “A Manual of the Ancient History of the East,” 1869.

Titel

“Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.” Vergelijk 2 Sam. 8:13: “Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriers geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend,” en 1 Kron. 18:12, waar juist deze dienst door Abisai werd verricht. Antwoord: in het ene geval wordt de overwinning toegeschreven aan de koning, tot zijn eer, omdat hij de oorzaak ervan was. In het andere geval worden de voornaamste legerleiders genoemd, door wie het werk werd gedaan. Onder God moet David de eer van het werk krijgen, zodat zijn naam groter wordt.

Hij is immers aangesteld om Christus uit te beelden, Die alle heerlijkheid van de dag moet ontvangen, welke overwinning Hij hier ook behaalt door middel van werktuigen. Die werktuigen worden eveneens uitgebeeld in Davids helden, van wie Joab en Abisai de voornaamsten waren. Door hen behaalde hij die grote zege over Hadad-ezer. Toen Joab terugkeerde van die dienst, trof hij zijn broer Abisai aan in het Zoutdal, in de strijd tegen achttien duizend Edomieten of Syriërs (dat is hetzelfde). De Almachtige zag hun dapperheid aan, want Hij schrijft de hele slachting aan hem toe, omdat hij als eerste de aanval inzette.

Joab nam dit blijkbaar over op zijn terugweg van de vorige slachting en schoot zijn broer Abisai te hulp. Dat was immers hun gewone manier van doen: hoewel zij hun legers verdeelden, verdeelden zij hun harten niet. Maar als de vijanden te sterk waren, hielp de een de ander (1 Kron. 19:12). Van die achttien duizend, die hierboven aan David en Abisai worden toegeschreven, versloeg Joab er twaalf duizend. De herinnering aan die dienst wordt hier met een psalm gebalsemd. Eerst laat de psalm zien in welke uiterste nood zij verkeerden, aanvankelijk twijfelend of zij de overwinning wel zouden behalen.

Ten tweede past hij dit toe op het koninkrijk van Christus. Ten slotte schrijft hij alle eer van de verovering toe aan God, en zegt: door God is deze kloeke daad gedaan, Hij was het Die onze vijanden vertrad, en Hij zal het doen (laatste vers). — William Streat, in “The Dividing of the Hoof,” 1654.

Titel

Het Zoutdal. De bergrug van Usdum laat zijn bijzondere vorm duidelijker zien. Het hoofdmassief van het gebergte is één vaste massa steenzout… We konden onze ogen eerst nauwelijks geloven. Pas nadat we de rotswanden herhaaldelijk genaderd waren en stukken hadden afgebroken, waren we overtuigd, zowel door voelen als door proeven. Waar het zout zo bloot ligt, is het overal min of meer door de regens doorploegd. Naarmate we verder kwamen, lagen er grote brokken en massa’s die van boven waren afgebroken, als rotsen langs de oever, of ze waren als puin naar beneden gestort.

De stenen onder onze voeten waren helemaal zout… De ligging van dit gebergte aan het zuideinde van de zee stelt ons ook in staat de plaats te bepalen van het Zoutdal dat in de Schrift genoemd wordt. Daar behaalden de Hebreeën onder David, en later weer onder Amazia, beslissende overwinningen op Edom. Dit dal kan geen ander zijn geweest dan de Ghor ten zuiden van de Dode Zee, naast het zoutgebergte. Het vormt inderdaad de scheiding tussen de oude gebieden van Juda en Edom. — Edward Robinson, “Biblical Researches in Palestine,” 1867.

Titel

Het geschiedverhaal noemt achttien duizend doden, en hier zijn het er maar twaalf duizend. Het grotere getal omvat uiteraard het kleinere. Het verschil is op verschillende manieren te verklaren. Misschien noemt het opschrift de aantallen die één afdeling van het leger doodde. Of de twaalf duizend sneuvelden in de slag, en de rest op de vlucht. Of er is een fout in de tekst geslopen. Elke geleerde geeft toe dat het soms veel moeite kost de getallen in het Oude Testament vast te stellen. Hier heeft Calvijn tweeëntwintig duizend, de gewone vertaling twaalf duizend, terwijl er in de oorspronkelijke tekst “twee tien duizend” staat. Op één manier opgevat zou dat twintig duizend betekenen, dat wil zeggen twee tientallen duizenden. Hammond brengt het aantal gedoden in verband met verschillende veldslagen, en omzeilt zo de moeilijkheid. — William S. Plumer.

Vers 3

“O God! Gij hadt ons verstoten.” Het woord dat hier staat betekent eigenlijk: vuil, ranzig of weerzinwekkend zijn. Vervolgens betekent het: iets behandelen alsof het vuil of ranzig is, dus afstoten, versmaden, wegwerpen. Het is sterke taal. Ze betekent dat God hen scheen te behandelen alsof ze walgelijk of weerzinwekkend voor Hem waren. — Albert Barnes.

Vers 4

“Genees zijn breuken, want het wankelt.” Ze bidden dat dit met de grootste spoed gebeurt, want uitstel was gevaarlijk. Het koninkrijk werd al door een zware ramp neergedrukt en stond op de rand van de ondergang. Dat wordt aangeduid met het woord mot. Dit komt oorspronkelijk van een sterke, trillende helling naar één kant, en is ontleend aan het gebruik van een hefboom. Het wordt gezegd van mensen die zo ver naar één kant overhellen dat ze op het punt staan te vallen. Figuurlijk drukt het dus een uiterst gevaarlijke toestand uit, waarin iemand op de rand van de verwoesting staat. — Hermann Venema.

Vers 4

“Genees zijn breuken.” Zelfs Israël is niet tegen breuken beschermd. Zo ging het met het letterlijke Israël dat als voorafbeelding diende, Davids koninkrijk. Zo kan het ook gaan met het geestelijke, mystieke Israël, het koninkrijk van Christus, de kerk van God op aarde. Er zijn breuken van buiten en breuken van binnen. Ik keer de volgorde om. Van buiten komen ze door openlijke vervolging, van binnen door binnenlandse en zelfgemaakte verdeeldheid. Van beide heeft de kerk van God in alle eeuwen genoeg ervaring gehad. Kijk naar de oudste tijden, de kindertijd van de kerk.

Hoe gezond en ongeschonden zij ook was, de gezondste kerk die ooit bestond: toch werd ze gebroken! Ze werd gebroken door vervolging van buiten en door verdeeldheid uit eigen kring. Op beide manieren werd de kerk in de tijd van de apostelen gebroken, bedrukt door vijanden buiten die haar vervolgden. — John Brinsley (1600-1665), in “The Healing of Israel’s Breaches.”

Vers 4

“Want het wankelt.” Dat wil zeggen: het voorspelt niets dan ondergang en val, tenzij het snel gestut wordt en zijn breuken worden hersteld en genezen. Zo zag David de kwaal van Israël. Daarom raakte die hem zo diep, en verlangde hij zo ernstig naar genezing. Volgens de uitleggers gaat het hier om die zelfgemaakte verdeeldheid, de burgeroorlogen tussen de huizen van Saul en David na de dood van Saul. Toen beefde en schudde de “aarde”, het land, het land Israël (zoals de Chaldeeuwse vertaling het uitlegt). Het was gebroken en gespleten, zoals het woord in de grondtekst betekent. Zoals de aarde soms door aardbevingen wordt gespleten en uiteengescheurd met enorme kloven, openingen en gapingen, zo werd dat koninkrijk verdeeld door die burgerlijke onlusten. Edelen en volk kozen partij, sommigen voor David, sommigen voor Isboseth. — John Brinsley.

Vers 5

“Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien.” God zal zeker Zijn eigen akker ploegen, wat er ook van de wildernis wordt. Hij wiedt Zijn eigen tuin, ook al laat Hij de rest van de wereld verwilderen en woekeren. — John Trapp.

Vers 5

“Gij hebt ons te drinken gegeven verbijstering”, of verwarring, zoals mensen wijn drinken. Zo verklaart Hupfeld de constructie. Hij verwijst naar Ps. 80:6, “Gij spijst hen met tranenbrood”; 1 Kon. 22:27, “Spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid”; Jes. 30:20. Maar het bijgevoegde woord kan ook anders verklaard worden. Het tweede zelfstandig naamwoord kan namelijk een naamwoordelijk gezegde zijn dat het eerste nader bepaalt: “U hebt ons wijn te drinken gegeven die (geen wijn, maar) verbijstering is.” — J. J. Stewart Perowne.

Vers 5

“Zwijmelwijn” (Engels: de wijn der verbijstering). “Bedwelmende wijn.” Hebreeuws: “Wijn van waggeling”, dat wil zeggen wijn die waggelen veroorzaakt, met andere woorden: bedwelmend. Sommigen vertalen: “wijn van verdoving”, dus verdovend. Symmachus: “wijn van beroering”. Deze betekenis heb ik overgenomen, en het is ook die van het Syrisch. — Benjamin Boothroyd.

Vers 6

“Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven.” Misschien gold het overhandigen van een banier in oude tijden als een verplichting om te beschermen, en kon de psalmist het in dat licht zien. Dan zegt hij, na een overwinning op de Syriërs en Edomieten, nadat het met de openbare zaken van Israël slecht had gestaan: “Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien”, enzovoort. “Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven.” Hoewel U Uw Israël een tijd lang in de handen van hun vijanden overgaf, hebt U hun nu de verzekering gegeven dat U hen onder Uw bescherming hebt opgenomen. — Thomas Harmer (1715-1788), in “Observations on Divers Passages of Scripture.”

Vers 6

“Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven”, enz. Door de overwinning van zojuist hebt U ons, na de diepe val die we achter de rug hebben, een zegebanier gegeven om omhoog te steken (zo staat het in het Hebreeuws). U doet dat omdat U trouw blijft aan Uw belofte. ‘Waarheid’ betekent hier hetzelfde als Gods heiligheid (Ps. 60:8). Zolang soldaten hun banier hoog zien wapperen, verzamelen ze zich er vol vertrouwen omheen. Ligt ze op de grond, dan zakt hun moed en verdwijnt hun hoop. De banier is een onderpand van veiligheid en een verzamelplaats voor iedereen die eronder vecht. — A. R. Faussett.

Vers 6

“Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven”, enz. De dichter vergelijkt de redding die de Heere Zijn volk schenkt met een prachtige banier. Zo’n banier is een teken voor iemand die in zijn ellende op de grond ligt: sta op! Misschien denkt hij daarbij aan Num. 21:8: “En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.” Hoe dan ook: die passage, waarin de slang een beeld is van Gods genezende kracht, helpt ons om de tekst voor ons te verstaan. Vergelijk ook “genees zijn breuken”. — E. W. Hengstenberg.

Vers 6

Een banier is een teken of hulpmiddel:

  1. Van eenheid. Dit volk was kort geleden nog verdeeld en liep achter allerlei verschillende banieren aan. Nu hebt U de mensen bij elkaar gebracht onder één banier: onder mijn bewind.
  2. Van strijd. U hebt ons een leger en de kracht gegeven om onze vijanden te weerstaan. Tegenover de banier van de vijand konden we onze eigen banier zetten.
  3. Van overwinning. We hebben onze eigen banier niet verloren, maar die van de vijand veroverd en in triomf meegevoerd. Vergelijk Ps. 20:6. — Matthew Poole.

Vers 8

“God heeft gesproken in Zijn heiligdom.” Dat wil zeggen: door Samuël heeft Hij beloofd, als heilige God Die woord houdt, dat ik koning zou worden over heel Israël. Nu heeft Hij die belofte waargemaakt. (2 Samuël 5.) Calvijn spreekt er toch over alsof het nog niet gebeurd was. Maar uit het verloop van de geschiedenis blijkt dat David nu koning was over de gebieden die hij hier noemt.

“Ik zal Sichem delen” betekent: omdat het mij onderworpen is. Zoals Jozua het land onder zijn gezag verdeelde onder zijn volk, zo verdeelt David als koning van het hele land de stukken grond die zijn volgelingen als erfdeel toekwamen. Sommigen van hen waren misschien verdreven in de tijd van Isboseths regering. Of er waren in die oorlogen hele families uitgeroeid. Dan had de koning de vrije hand om hun land weg te geven, het onder zijn mannen te verdelen en zelf een deel te nemen. — John Mayer.

Vers 8

“God heeft gesproken in Zijn heiligdom.” Dat wil zeggen: Hij heeft Zijn woord gegeven vanuit de hemel, de woonplaats van Zijn heiligheid en heerlijkheid. Of: Hij heeft het zeker gezegd, want in Zijn woord is niets dan heiligheid (en dat is de kracht van woorden).

David had dit woord ontvangen en wist dus: net zoals Sichem en Sukkoth, Gilead en Manasse, Efraïm en Juda zich gewillig aan hem zouden onderwerpen en hem gehoorzaam zouden zijn, zo zouden ook Moab, Edom en Filistea, zijn openlijke vijanden, onder zijn gezag komen. Hij verwachtte hen te overwinnen en over hen te triomferen. Hij zou hun het laagste werk laten doen, als zijn slaven. Want God had het besloten en in Zijn heiligheid gesproken.

God heeft het woord gesproken, zegt David, dus zal het gebeuren. Ja, het is al gebeurd! Daarom riep David: Alles is van mij, Gilead is van mij, Manasse is van mij, Moab en Edom zijn van mij. Hij riep het zodra God Zijn woord had gesproken. — Joseph Caryl.

Vers 8

“Ik zal Sichem delen.” Het is alsof David zegt: ik wacht er niet op dat anderen mijn deel voor mij afmeten. Ik deel en meet het zelf af, want ik ben de rechtmatige eigenaar en bezitter. — Thomas Wilcocks.

Vers 8

“Ik zal Sichem delen”, enz. Sichem en het dal van Sukkoth, of ‘hutten’, heten zo omdat Jakob daar hutten bouwde en zijn vee liet grazen. (Zie Gen. 33:17-18.) Met die plaatsen wordt Samaria bedoeld. Dat David het gebied ‘deelt’ en afmeet, laat zien dat hij er heerst. Het hoort immers bij het koninklijk gezag om het land in steden en streken te verdelen en er rechters en bestuurders aan te stellen.

Dan noemt David Gilead (dat heel Basan en de rest van het land aan de overkant van de Jordaan omvatte), en vervolgens Manasse en Efraïm. Met die losse delen wil hij het koninkrijk Israël aanduiden, de tien stammen. Dat zij van hem zijn en ‘de sterkte van zijn hoofd’, maakt hem tot heer over hen. Hij mag hun kracht gebruiken in zijn oorlogen, om zijn gebied te verdedigen of uit te breiden.

Dan is er Juda, “mijn wetgever”. Dat wijst terug op de profetie van Jakob dat de scepter en de wetgever niet uit Juda zouden wijken. Zo wordt die stam aangewezen als de koninklijke stam. Met Juda is het koninkrijk Juda bedoeld (waar Benjamin onder valt). Ook dat bezat David dus. — Henry Hammond.

Vers 8

Sukkoth. Als de overwegingen hiervoor kloppen, mogen we aannemen dat het huidige Sâkût de naam en de plaats van het oude Sukkoth bewaart…

We reden schuin langs de noordelijke helling van dezelfde brede heuvelrug. De grond was alleen bedekt met een dichte begroeiing van distels. Rechts van ons lag een laagte waar we langzaam in afdaalden. Ze was vol gras, wilde haver en distels, met hier en daar een doornstruik. De bodem leek op die van een rivierdal in Ohio. Het gras, vermengd met hoge madeliefjes, en de wilde haver reikten tot aan de ruggen van de paarden. De distels staken soms boven de hoofden van de ruiters uit. Alles was nu dor, en op sommige plekken was het moeilijk om een weg te vinden door de weelderige begroeiing.

Eindelijk kwamen we bij de oorzaak van die vruchtbaarheid: een mooie beek die door de laagte kronkelde. We staken haar over en klommen schuin omhoog over een volgende, even brede heuvelrug, ook weer alleen met distels begroeid. Daar stond een oude olijfpers, heel groot en uit één stuk steen gehouwen. Hij was hier duidelijk naartoe gebracht en wijst erop dat de olijfboom hier vroeger welig groeide. Bij de oorsprong, Ain el Beida, kwamen we dezelfde beek weer tegen: een grote, mooie bron, omringd door komkommertuinen, die een uitgestrekt gebied van water voorziet.

Hier waren we aan de rand van het hogere deel van de Ghôr. Lage ruggen en heuvels lopen daar uit vanaf de voet van de westelijke bergen en vormen een golvende vlakte of hoogvlakte. Die is goed bewaterd, vruchtbaar en wordt over een groot gebied gebruikt voor tarwe. Het gebied verder naar het oosten, dat we net waren doorgetrokken, reikt tot de hoge oever van het onderste deel van het Jordaandal. Het ligt lager en is vlakker, al wordt het doorsneden door lage golvingen tussen de waterlopen, en er wordt weinig akkerbouw bedreven.

De inwoners van Tûbâs zijn verdeeld in drie vijandige partijen, en die verdeeldheid nemen ze mee naar hun akkers in de Ghôr. De ene partij zaait bij Ain el Beida, waar wij nu waren. Een andere zaait rond Ain Makhûz, meer naar het noorden. De derde zaait bij Ridghah, Sâkût en verder zuidelijk. Ook de mensen van Teyâsîr zaaien ten zuiden van Mâlih, en gebruiken het water daarvan voor de bevloeiing. Het hele gebied ten noorden van Wady Mâlih werd, zo zei men, van de regering gepacht door een van de sjeiks van het geslacht Jenâr, die in Jeba en omgeving wonen. Hij verhuurt het weer aan de verschillende dorpen. — Robinson, “Biblical Researches in Palestine”.

Verzen 8-9

De belangrijkste plaatsen waar de opstandige partij woonde en verbleef, zijn die welke de dichter in vers 8 en 9 noemt: Sichem, een stad in de stam Efraïm. Sukkoth, een stad in de stam Gad. Gilead en Manasse, de uiterste grensgebieden van het land Kanaän aan de overkant van de Jordaan.

Dit waren enkele van de belangrijkste plaatsen die Isboseth steunden zolang hij leefde, zoals je kunt lezen in 2 Samuël 2. En het lijkt erop dat ze ook na zijn dood trouw bleven aan het huis van Saul, en David niet als hun koning erkenden. — John Brinsley.

Vers 9

“Gilead is mijn, en Manasse is mijn.” Dat wil zeggen: ik zal ze in bezit nemen en over hen regeren. Niet als een overwinnaar over slaven, maar als een heer over onderdanen, als een vader over zijn kinderen. Ik erken hen als de mijnen en neem hen als de mijnen aan. Zij zijn mijn erfdeel en zullen mijn volk zijn, mijn onderdanen. — John Brinsley.

Vers 9

“En Efraim is de sterkte mijns hoofds.” Efraïm was een sterke, strijdlustige stam. Voor het land was die stam wat de helm is voor de soldaat in de strijd. Of misschien is er een zinspeling op Deut. 33:17: “Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten.” — J. J. Stewart Perowne.

Vers 9

“Juda is mijn wetgever” (of: zal mijn wetgever zijn). Dat betekent dat alle onderdanen onder één Hoofd zouden komen, één bestuurder die hun wetten gaf, zodat ze goed geordend en bestuurd werden. Die macht en dat gezag kwamen toe aan de stam Juda, volgens de profetie van Jakob (Gen. 49:10) waarop de dichter hier zinspeelt.

Er is geen andere weg om een volk tot eenheid te brengen, tot één lichaam, dan door het onder één hoofd te brengen, onder één wetgever wiens wetten het kunnen ordenen en besturen. In de kerk, en in alles wat met geloof te maken heeft, is dat ene Hoofd Christus, de Leeuw uit de stam van Juda, zoals Hij genoemd wordt (Openb. 5:5). Hij is de Wetgever van Zijn kerk, en zo moet het ook zijn. Dit is een, ja het enige middel om een heilige, godsdienstige eenheid te laten groeien en dwalende, zwervende schapen weer thuis te brengen. — John Brinsley.

Vers 9

Geen bestuur kon standhouden dat niet in Juda gevestigd was. — Johannes Calvijn.

Vers 10

“Moab is mijn waspot.” Daarmee wordt gezegd dat Moab tot slavernij zou vervallen. Het was immers het werk van een slaaf om zijn heer de waskom voor zijn handen aan te reiken. Bij de Grieken was plunein tina, ‘iemand afwassen’, een alledaagse uitdrukking voor iemand belachelijk maken, mishandelen of slaan. Daarom vinden we het woord ‘waspot’ ook toegepast op degene die zo behandeld wordt. “U lijkt niet goed bij uw verstand te zijn, dat u in het bijzijn van zoveel mannen een waspot van mij maakt.” Aristofanes. — Thomas S. Millington, in “The Testimony of the Heathen to the Truths of Holy Writ”, 1863.

Vers 10 (tweede zinsdeel)

Stel dat iemand aan het voeten wassen denkt, en de schoenen die hij heeft uitgetrokken naar een ander toe gooit, zodat die ze weghaalt of schoonmaakt. Het werkwoord kyliwch met al en ook met el, 1 Kon. 19:19, betekent ‘naar iemand toe gooien’. Degene die zo’n dienst moet verrichten, kan alleen een slaaf van de laagste soort zijn. — E. W. Hengstenberg.

Vers 10

“Op Edom zal ik mijn schoen werpen.” Dat betekent ofwel dat David hen minacht, alsof hij zegt: kijk naar hen als mensen die er hooguit goed genoeg voor zijn om mijn schoenen af te schrapen en schoon te maken. Of het betekent, ten tweede, dat hij hen verovert: ik trek dwars door Edom heen en onderwerp het. — Joseph Caryl.

Vers 10

“Op Edom zal ik mijn schoen werpen.” Als een schoen wordt uitgestrekt, ingeworpen of uitgeworpen, op de nek van volken of over hun land, dan betekent dat niets anders dan: overwinnen, onderwerpen, onder je macht brengen, in bezit nemen, en zulke mensen en landen tot een lage dienstbaarheid dwingen. Het gewone woord ‘bezit’ zegt in zijn grammaticale betekenis precies hetzelfde, want ‘possessio’ komt niet van iets anders dan ‘pedum positio’: het neerzetten van de voeten.

Deze manier van spreken verwijst ook naar de wet die in Deut. 25:6-10 is opgetekend. De letter van die wet zegt: als de zwager de weduwe van zijn broer niet wilde trouwen en voor zijn broer een nageslacht wilde verwekken, maakte de weduwe zijn schoen los en spuwde hem in het gezicht. Dan verloor hij zijn aanspraak op de bezittingen die de vrouw van haar man had gekregen. Het huis van zo’n man heette ‘domus discalceati’, dat wil zeggen: “Het huis van degene wiens schoen losgemaakt is.” We zien die wet ook toegepast in het boek Ruth, bij het land van Elimelech, tussen Boaz en de verwant, over de weduwe Ruth, die door het recht van haar man een belang had in dat land.

Bovendien komt deze uitdrukking in het boek van God zo vaak voor dat de betekenis van de woorden zo helder is als de dag. Deze koning zegt elders, wanneer hij zijn overwinningen bezingt: “Zij vielen onder mijn voeten.” En over Kaleb: “Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft.” Het volk mocht zich echter niet “mengen” met het gebergte Seir, want God zou hun daarvan “ook niet tot de betreding van een voetzool” geven. Maar toch: de plaats waar de zolen van hun voeten zouden treden, van de woestijn van Libanon en van de rivier de Eufraat tot aan de verste zee, zou van hen zijn. Ps. 18:39; Deut. 1:36; 2:5. — William Loe, in “A Sermon before the King at Theobalds”, getiteld “The King’s Shoe, made and ordained to trample on, and to tread down enemies”, 1623.

Vers 10

“Op Edom zal ik mijn schoen werpen.” Turnus, nadat hij Pallas had gedood — “Hij stond over het lijk en zette er zijn voet op.” — Vergilius.

Vers 10

Over de Filistijnen zegt David: Over Filistea mag ik roemen. Zo zou ik het namelijk vertalen, en niet zoals gewoonlijk: Filistea, juich over mij. Dat geeft geen logische zin. — Hermann Venema.

Vers 10 (laatste zinsdeel)

Laat onze tegenstanders niet juichen over onze scheuren en breuken. “Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin!” Of, als ze het dan toch willen: laat hen maar juichen. Juich, o Filistea, om mijnentwil, of over mij. — John Brinsley.

Verzen 10-12

Moab ligt in het oosten, Edom in het zuiden en Filistea in het westen. (Het noorden wordt niet genoemd, omdat Davids banier daar al had gezegevierd.) — Augustus F. Tholuck.

Vers 13

“Want ’s mensen heil is ijdelheid.” Dat hadden ze onlangs zelf ondervonden aan Saul, een koning die ze zelf hadden uitgekozen, maar die hen niet kon redden van die trotse Filistijnen. — John Trapp.

Vers 13

Zolang onze ogen en ons verstand houvast vinden in een situatie, is er geen plaats voor geloof en hoop. Wie veel menselijke hulp heeft, zet Gods genade niet op de proef. De kracht van het geloof ligt juist in het ontbreken van al die hulp. Een man is sterker als hij op zijn eigen voeten staat dan wanneer hij als kind aan de leiband loopt of als oude man op een stok leunt. Zo dienen de twee voeten van geloof en hoop ons het best wanneer we helemaal alleen op de Rots van Sion staan. — William Struther.

Vers 14

“In God zullen wij kloeke daden doen”, enz. In een oorlog moeten deze twee samengaan, en eigenlijk bij alles wat we doen: Hij en wij, God en mens.

  1. “In God zullen wij kloeke daden doen”, want God helpt geen slappe, laffe of nalatige mannen.
  2. En toch is het werk, als het gedaan is, van Hem: “Hij zal … vertreden.” De slag en de nederlaag van de vijand moeten we niet aan onszelf toeschrijven, maar aan Hem. — Adam Clarke.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 3

Gebed van een kerk die diep gezonken is.

  1. De klacht.

(a) De kerk is door Gods Geest verlaten.

(b) De kerk is verstrooid.

  1. De oorzaak. Iets wat God mishaagt. Nalatigheid of echte zonde; een onderwerp om onszelf te onderzoeken.
  2. De genezing. De Heere komt bij ons terug, en wij keren terug naar Hem. In onze vertaling is het een gebed. In de Septuaginta is het een uiting van geloof: “U zult U weer tot ons keren.”

Vers 4

De beroering, het gebed, het pleidooi. — G. R.

Vers 5

Dat God Zijn volk streng tuchtigt, en dat Hij daar goede redenen voor heeft.

Vers 5

“Zwijmelwijn” (Engels: de wijn der verbijstering). Een zuiveringsmiddel en een versterkend middel. Verbijsterende zonde, gevolgd door verbijsterende kastijdingen: ontdekkingen van verdorvenheid, van de geestelijke diepte van de wet en van de verschrikking van Gods toorn. En daarna verbijsterende neerslachtigheid, verzoekingen en strijd.

Vers 6

De banier van het evangelie.

  1. Waarom een banier? Een verzamelpunt om onder te strijden, enz.
  2. Door wie gegeven? Door U.
  3. Aan wie? Aan hen die U vrezen.
  4. Wat moeten ze ermee doen? Haar omhoogsteken.
  5. Om welke reden? Vanwege de waarheid. Waarheid bevordert waarheid.

Vers 7

De redding van de uitverkorenen vraagt om een God Die redt, een machtige God (de rechterhand) en een God Die gebeden verhoort.

Vers 7 (laatste zinsdeel)

“Geef heil … en verhoor ons.” De opvallende volgorde van deze woorden doet ons denken aan het feit dat Gods redden aan ons bidden voorafgaat:

  1. In Gods voornemen.
  2. In de eerste werken van genade.
  3. Vaak in tijden van beproeving.
  4. En vooral in hevige verzoekingen.

Vers 8

Gods heilige belofte: een grond voor vreugde nu, en om vrijmoedig in bezit te nemen wat Hij beloofd heeft.

Vers 9

“Gilead is mijn, en Manasse is mijn.” Hoe en in welk opzicht deze wereld van de christen is.

Vers 9

“Juda is mijn wetgever.” De gelovige die geen andere wet erkent dan de wet die van Christus komt.

Vers 10

“Moab is mijn waspot.” Hoe we zondaars dienstbaar kunnen maken aan onze heiliging. Hun zonde en straf waarschuwen ons, enz. Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 983, “Moab is mijn waspot.”

Vers 11

De vraag van de zielenwinner.

  1. Het doelwit van de aanval: de sterke stad van het menselijk hart, versperd door verdorvenheid, onwetendheid, vooroordeel, gewoonte, enz.
  2. Ons hoofddoel. Doordringen tot de burcht, om die voor Jezus te veroveren.
  3. Onze grote vraag. Welsprekendheid, geleerdheid, vernuft: niets daarvan kan de poort forceren, maar er is Eén Die het kan.

Vers 14

Dat God werkt is een reden om zelf aan de slag te gaan.

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas