Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 50 — Treasury of David

59 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

Een psalm van Asaf. Dit is de eerste van de Asafpsalmen. Of Asaf, die voortreffelijke musicus, hem zelf heeft geschreven of dat hij alleen aan hem is opgedragen, kunnen we niet zeggen. Twaalf psalmen dragen zijn naam. Toch kan niet in al die gevallen bedoeld zijn dat hij de schrijver was, want sommige van die psalmen zijn veel jonger dan de rest. Een en dezelfde dichter kan ze dus onmogelijk allemaal hebben gemaakt.

In Davids tijd leefde er een Asaf die tot zijn belangrijkste musici behoorde. Zijn nakomelingen bleven nog lang daarna als tempelmusici dienen: het ambt ging van vader op zoon. Een Asaf wordt ook genoemd als kanselier of schrijver in de dagen van Hizkia (2 Kon. 18:18), en een andere Asaf was beheerder van de koninklijke bossen onder Artaxerxes.

Dat de eerste Asaf zeker een aantal psalmen zelf heeft geschreven, blijkt uit 2 Kron. 29:30. Daar staat dat de Levieten de opdracht kregen “den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener”. Maar dat andere Asafpsalmen niet van zijn hand waren en hem alleen als musicus werden toevertrouwd, is even zeker. Dat lezen we in 1 Kron. 16:7, waar David een psalm in de handen van Asaf en zijn broeders legt.

Voor ons maakt het weinig uit of hij schreef of zong. Waar het om gaat, is dat de psalm ons voor God brengt. Dichter en musicus liggen dicht bij elkaar. Als de een de woorden maakt en de ander er muziek bij zoekt, verheugen ze zich samen voor het aangezicht van de HEERE.

Indeling

Eerst roept de HEERE de hele aarde bijeen om Zijn verklaring te horen (Ps. 50:1-6). Daarna legt Hij uit welke eredienst Hij aanneemt (Ps. 50:7-15). Vervolgens beschuldigt Hij de goddelozen van overtredingen van de geboden van de tweede tafel (Ps. 50:16-21). Dan sluit Hij de rechtszitting af met een waarschuwing (Ps. 50:22) en een wenk van genade (Ps. 50:23).

Uitleg

Vers 1

De God der goden, de HEERE (Engels: de machtige God, de HEERE). El, Elohim, Jehova: drie schitterende namen voor de God van Israël. Ze worden hier bij elkaar gezet om de oproep indrukwekkender te maken. Zo staan ook in koninklijke besluiten eerst de namen en titels van de vorst. In deze drie namen zien we de ware God: de Almachtige, de enige en volmaakte Die we mogen aanbidden, de Zelfbestaande.

Spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang. Jehova regeert over de hele aarde, en daarom is Zijn besluit voor alle mensen bedoeld. Oost en west moeten luisteren naar de God Die Zijn zon laat opgaan aan elke kant van de wereld. Mogen we de oproep van de grote Koning dan negeren? Durven we Hem kwaad te maken door Zijn roepstem te verachten?

Vers 2

Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende. De Heere spreekt niet alleen tot de aarde. Hij komt ook naar buiten om de glans van Zijn aanwezigheid te laten zien aan een heelal dat zich om Hem heeft verzameld. In vroeger tijd woonde God in Sion, te midden van Zijn uitverkoren volk. Hier schijnen de stralen van Zijn luister echter over alle volken. In het eerste vers kwam de zon al voor, maar hier schijnt een veel helderder zon.

Gods majesteit is het best te zien bij Zijn eigen uitverkorenen, maar ze blijft niet tot hen beperkt. De kerk is geen afgedekte lantaarn, maar een kandelaar. God schijnt niet alleen in Sion, maar óók vanuit Sion. Doordat Hij er woont, is zij volmaakt in schoonheid. Iedereen die kijkt, ziet die schoonheid zodra de Heere vanuit haar straalt. Let op hoe de oneindige Jehova met bazuinstem en een vlammend vaandel hemel en aarde oproept om naar Zijn woord te luisteren.

Vers 3

Onze God zal komen. De dichter spreekt over zichzelf en zijn broeders alsof ze elk moment het optreden van de Heere verwachten. “Hij komt”, zeggen ze, “onze verbondsgod komt!” Ze horen Zijn stem al van verre en zien de pracht van Zijn gevolg. Zo moeten ook wij wachten op de komst van de Heere uit de hemel. Die is al zo lang beloofd, en we mogen er met vertrouwen naar uitzien.

En zal niet zwijgen. Hij komt om te spreken: om Zijn volk aan te spreken, de goddelozen aan te klagen en recht te spreken. Lange tijd heeft Hij geduldig gezwegen, maar straks spreekt Hij met kracht. Wat een ontzagwekkend moment, vol stilte en spanning, als de Almachtige Zichzelf gaat laten zien! Hoe eerbiedig blij en hoe plechtig gespannen zullen we dan zijn als het tafereel uit deze psalm op de grote laatste dag werkelijkheid wordt!

Een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. Vuur en storm gaan vaak vooraf aan Gods verschijning. “Onze God is een verterend vuur.” “Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.” Ps. 18:13. “Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.” “In de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht; met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen.” 2 Thess. 1:7, 8.

Vuur is het beeld van rechtvaardigheid die in actie komt. De storm laat zien hoe overweldigend Zijn macht is. Wie wordt er niet doodstil en luistert niet aandachtig, als dit de rechtszaal is waarin de Rechter Zijn zaak voorlegt aan hemel en aarde?

Vers 4

Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde. Engelen en mensen, de hogere en de lagere wereld: ze worden allemaal als getuigen opgeroepen bij dit plechtige gebeuren. De hele schepping staat in de rechtszaal om te bevestigen dat Gods aanklacht ernstig is en waar. Hemel en aarde zullen samen de zonde veroordelen. Wie schuldig is, kan niet in hoger beroep. Iedereen wordt wel opgeroepen, zodat wie durft kan protesteren.

Engelen en mensen hebben allebei gezien hoe schuldig de mensheid is en hoe goed de Heere is. Daarom zullen ze erkennen dat Gods uitspraak rechtvaardig is, en “Amen” zeggen op het vonnis van de hoogste Rechter. Wee, jullie verachters! Wat gaan jullie doen, en naar wie vluchten jullie?

Om Zijn volk te richten. Het oordeel begint bij het huis van God. Het gericht over het zichtbare volk van God zal een allerverschrikkelijkste gebeurtenis zijn. Hij zal Zijn dorsvloer grondig reinigen. Voor de ogen van het hele heelal zal Hij in een openbare zitting onderscheid maken tussen wie alleen Zijn naam draagt en wie echt bij Hem hoort. Mijn ziel, als dit werkelijk gebeurt, hoe zal het dan met je gaan? Kun je de dag van Zijn komst verdragen?

Vers 5

Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten. Ga, snelle boden, en scheid het kostbare van het waardeloze! Lees het koren uit voor de hemelse schuur. Laat het volk dat zo lang verstrooid was maar wel uitverkoren, nu op één plaats samenkomen. Door Mijn genade, die hen apart zette, zijn ze bekend als Mijn geheiligden.

Niet iedereen is een heilige die dat lijkt te zijn. Er moet dus een scheiding komen. Laat daarom iedereen die belijdt een heilige te zijn, voor Mijn rechterstoel verzameld worden. Laat hen het woord horen dat alles doorzoekt en op de proef stelt. Dan worden de valse mensen ontmaskerd en de echte zichtbaar.

Die Mijn verbond maken met offerande. Dit is de beslissende toets, en toch hebben sommigen geprobeerd haar na te bootsen. Het verbond werd bekrachtigd door offerdieren te slachten, ze door te snijden en te verdelen. De rechtvaardigen hebben dat gedaan door met oprecht geloof het grote offer ter verzoening aan te nemen. De huichelaars deden het alleen in uiterlijke vorm.

Laat hen voor de troon worden verzameld om getoetst te worden. Allen die het verbond echt hebben bevestigd door te geloven in de Heere Jezus, zullen voor alle werelden worden bevestigd als mensen die bijzondere genade ontvingen. De formalisten zullen leren dat offers die alleen uiterlijk zijn, volkomen zinloos zijn. O, wat een plechtige rechtszitting! Mijn ziel buigt zich vol ontzag neer bij de gedachte eraan, en ze wil er stil van worden.

Vers 6

En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid. Verstandige wezens in de hemel en de geesten van de volmaakte rechtvaardigen zullen het onfeilbare oordeel van Gods rechtbank prijzen. Nu staan ze ongetwijfeld versteld van de huichelarij van mensen. Dan zullen ze net zo verbaasd zijn over hoe nauwkeurig God de ware en de valse mensen van elkaar scheidt.

Want God Zelf is Rechter. Daarom is het oordeel zo zuiver. Priesters uit vroeger tijd en kerken uit latere tijden lieten zich makkelijk om de tuin leiden, maar de Heere Die alles doorziet, nooit. Op de grote witte troon zit geen plaatsvervanger. De Heere van allen, Die gekrenkt is, weegt Zelf het bewijs en bepaalt of er straf of beloning komt.

Het tafereel in deze psalm is een groots gedicht, maar ook een profetie die door God is ingegeven: een voorspelling van de dag die zal branden als een oven, de dag waarop de Heere onderscheid maakt tussen wie Hem vreest en wie Hem niet vreest. Sela. Hier mogen we wel even stilstaan, diep gebogen voor God. We onderzoeken ons hart, bidden nederig en wachten vol ontzag af.

Verzen 7-15

De toespraak die nu volgt, is gericht tot het volk dat belijdt bij God te horen. In de eerste plaats gaat ze duidelijk over Israël, maar ze geldt evengoed voor de zichtbare kerk van God in elke eeuw. Ze laat zien hoe nutteloos uiterlijke godsdienst is als het geloof van het hart ontbreekt, en mensen tevreden blijven met alleen de plechtigheid zelf.

Vers 7

Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken. Jehova spreekt, en dit volk is openlijk Zijn eigen volk. Ze moeten dus ernstig luisteren. “Laat Mij spreken”, zegt de grote IK BEN. Hemel en aarde zijn slechts toehoorders. De Heere staat op het punt om zowel te getuigen als te oordelen.

Israel! en Ik zal onder u betuigen. God noemt hun verbondsnaam om Zijn woorden kracht bij te zetten. Het was dubbel erg dat het uitverkoren volk zo aards, zo ongeestelijk, zo vals en zo harteloos tegenover zijn God werd. God Zelf, Wiens ogen niet slapen en Die Zich niet laat misleiden door geruchten maar Zelf ziet, treedt op als getuige tegen Zijn bevoorrechte volk. Wee ons als God, ja de God van onze vaderen, getuigt tegen de huichelarij van de zichtbare kerk!

Ik, God, ben uw God. Hij had hen aangenomen als Zijn eigen volk, boven alle andere volken. Zij hadden plechtig beleden dat Hij hun God was. Daarom had Hij juist bijzondere reden om hen ter verantwoording te roepen. De wet begon met de woorden: “Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Nu begint de rechtszitting over hen met dezelfde herinnering aan hun unieke plaats, hun voorrecht en hun verantwoordelijkheid. Jehova is niet alleen God, maar úw God, o Israël. Daarom kan Hij u zo scherp aanspreken en doorzoeken.

Vers 8

Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij. Misschien hadden ze de uiterlijke eredienst netjes gevolgd, misschien ook niet. Daar zou Hij hen in elk geval niet op aanspreken, want er was nu iets veel belangrijkers aan de orde. Zij dachten dat de dagelijkse offers en de overvloedige brandoffers het belangrijkste waren. Voor Hem waren ze niets als het innerlijke offer van een toegewijd hart ontbrak. Wat voor hen het grootste was, was voor God het kleinste.

Zo is het vandaag nog steeds. Sacramenten (zogenaamd) en heilige plechtigheden zijn de grootste zorg van mensen die religieus zijn maar niet bekeerd. Voor de Allerhoogste telt juist de geestelijke dienst die zij vergeten. Laat iedereen het uiterlijke volledig in ere houden, zoals God het gebiedt. Maar als het verborgene en geestelijke eraan ontbreekt, is het een leeg offer, een dood ritueel, ja een gruwel voor de Heere.

Vers 9

Ik zal uit uw huis geen var nemen. Wat dwaas om te dromen dat stieren met hun hoorns en hoeven de Heere konden behagen, terwijl Hij harten en zielen zocht! Wat goddeloos om te denken dat Jehova die voorraad nodig had en tevreden zou zijn als zij Zijn altaar voedden met hun vette dieren! Wat Hij bedoeld had om hen te onderwijzen, maakten zij tot hun houvast. Ze dachten er niet aan dat “gehoorzamen beter is dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen.”

Noch bokken uit uw kooien. Hij noemt ook deze kleinere offerdieren, alsof Hij hun gezond verstand wil wakker schudden. De grote Schepper vindt in puur dierlijke offers geen voldoening. Als Hij ze nodig had, zou Hij niet wijzen op hun povere stallen en kooien. Hij weigert hier zelfs om er ook maar één te nemen, als ze die brachten in de valse en onterende gedachte dat die offers op zichzelf Hem goed bevielen.

Dat laat ons zien dat de offers uit de wet slechts een beeld waren van hogere, geestelijke dingen. God had er alleen vreugde in vanwege wat ze afbeeldden. De gelovige die door het uiterlijke heen keek, werd aangenomen. De ongeestelijke had geen oog voor hun betekenis, verspilde zijn bezit en lasterde de God van de hemel.

Vers 10

Want al het gedierte des wouds is Mijn. Hoe konden ze denken dat God, de Allerhoogste en eigenaar van hemel en aarde, dieren nodig had? Alle ontelbare kuddes die schuilen in duizend bossen en woestijnen zijn immers van Hem. De beesten op duizend bergen. Niet alleen de wilde dieren, ook het tamme vee is allemaal Zijn bezit. Zelfs als God Zich om zulke dingen bekommerde, kon Hij Zichzelf wel voorzien.

Hun vee was uiteindelijk niet van henzelf maar nog steeds van de grote Schepper. Waarom zou Hij hun dan iets verschuldigd zijn? Van Dan tot Berséba, van Nebajoth tot de Libanon liep geen enkel dier rond dat niet het merkteken droeg van de grote Herder. Waarom zou Hij dan offers van Israël willen hebben?

Wat een geringschatting klinkt hier door, zelfs voor offers die God Zelf had ingesteld, als ze verkeerd werden gezien als dingen die God op zichzelf behagen! En dat alles wordt zo nadrukkelijk gezegd onder de wet! Hoeveel duidelijker is het dan onder het evangelie, nu veel helderder is geopenbaard dat “God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid”? Jullie ritualisten, jullie sacramentariërs, jullie moderne Farizeeën, wat zeggen jullie hiervan?

Vers 11

Ik ken al het gevogelte der bergen. Alle gevleugelde schepselen staan onder Mijn toezicht en zijn dicht bij Mijn hand. Wat is dan de waarde van uw paar tortelduiven en uw twee jonge duiven? De grote Heere voedt al Zijn schepselen. Maar Hij kent ze ook stuk voor stuk. Wat is die kennis wonderlijk, en wat is ze veel te groot om te begrijpen!

En het wild des velds is bij Mij. Alle dieren die over de vlakte trekken, zijn van Mij. Waarom zou Ik dan bij u runderen en rammen zoeken? In Mij leven en bewegen alle dingen zich. Hoe dwaas bent u dan om te denken dat Ik úw levende dieren wil hebben! Een God Die Geest is, vraagt een ander leven dan dat wat we in dieren zien. Hij zoekt geestelijke offers: liefde, vertrouwen, lof, het leven van uw hart.

Vers 12

Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen. Wat een vreemde gedachte, een hongerende God! Maar stel dat zo’n ongerijmd idee waar kon zijn, en de Heere naar vlees zou hongeren. Dan zou Hij het nog niet aan mensen vragen. Hij kon Zichzelf voorzien uit Zijn eigen bezit. Hij zou niet als bedelaar naar Zijn eigen schepselen komen. Zelfs met het grofste beeld van God voor ogen is geloof in uiterlijke plechtigheden belachelijk.

Denken mensen soms dat de Heere vaandels nodig heeft, en muziek, en wierook, en fijn linnen? Als Hij dat nodig had, dan sierden de sterren Zijn banier. Dan werden de winden en golven Zijn orkest en ademden tienduizend maal tienduizend bloemen geur uit. Dan was de sneeuw Zijn witte gewaad, de regenboog Zijn gordel en de lichtende wolken Zijn mantel.

O dwazen, traag van hart, jullie aanbidden wat jullie niet kennen! Want Mijn is de wereld en haar volheid. Wat kan Hij nodig hebben, Die van alle dingen de eigenaar is en alles kan scheppen wat Hij wil? Zo overweldigend stort de Heere Zijn bewijzen uit over de formalisten, die denken dat God tevreden is met hun uiterlijke vertoon.

Vers 13

“Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?” Denken jullie dat echt? Is de grote IK BEN afhankelijk van lichamelijke behoeften, en moeten die ook nog op zo’n grove manier gestild worden? Heidenen dachten zo over hun afgoden. Maar durven jullie zo te denken over de God Die hemel en aarde gemaakt heeft? Kunnen jullie werkelijk zo diep gezonken zijn dat jullie Mij zo zien, Israël?

Wat een levendige redenering! Als vuurflitsen schieten deze vragen de dwaze gezichten in van mensen die op uiterlijke vormen vertrouwen. Bedrogen volgelingen van Rome, kunnen jullie dit lezen en toch onberoerd blijven? De terechtwijzing is vol verontwaardiging. De vragen laten geen enkele uitvlucht over. De conclusie ligt voor de hand: alleen een dienst van het hart kan de ware God behagen. Het is ondenkbaar dat uiterlijke dingen Hem tevredenstellen, behalve voor zover ons geloof en onze liefde zich daardoor uitdrukken.

Vers 14

“Offert Gode dank.” Zie je offers niet langer als geschenken die Mij op zichzelf goed doen. Breng ze als bewijs van je dankbaarheid. Dán neem Ik ze aan, maar niet zolang jullie arme zielen geen liefde en geen dankbaarheid hebben om Mij te geven. Offers op zichzelf worden verworpen. Wat wél geprezen wordt, is de liefde die ontstaat wanneer we aan Gods goedheid terugdenken: dát is de kern, de betekenis en de ziel van het offer. Dat was al zo toen de wetsvoorschriften nog golden, en toen ze ophielden werd het alleen maar duidelijker.

Israël werd niet berispt omdat er te weinig runderen op het altaar lagen, maar omdat er te weinig dankbare aanbidding was voor het aangezicht van de Heere. Het blonk uit in wat je kon zien, maar in de innerlijke genade, het ene wat nodig is, schoot het jammerlijk tekort. Veel mensen in onze tijd staan onder dezelfde veroordeling.

“En betaalt den Allerhoogste uw geloften.” Laat het offer echt gebracht worden aan de God Die het hart ziet. Betaal Hem de liefde die je beloofd hebt, de dienst die je beloofd hebt te verrichten, de trouw van het hart die je gezworen hebt vast te houden. O, om genade om dit te doen! O, dat God ons de kracht geeft om Hem lief te hebben en te leven zoals we belijden! Echte dienaren van de Heere zijn, liefhebbers van Jezus: daar gaat het ons om. Wat heeft onze doop voor zin, waarom komen we samen aan de tafel van de Heere, waartoe zijn onze plechtige vergaderingen, als we de vreze des Heeren niet kennen en levende godsvrucht niet regeert in ons hart?

Vers 15

“En roept Mij aan in den dag der benauwdheid.” Wat een gezegend vers! Is dit dan het ware offer? Is het een offer om bij de hemel om een aalmoes te vragen? Ja, zo is het. De Koning Zelf ziet het zo. Want hierin laat het geloof zich zien en bewijst de liefde zich: wanneer er gevaar dreigt, vluchten we naar mensen van wie we houden. Het lijkt een kleinigheid om tot God te bidden als we in nood zijn. Toch is dat een veel aangenamere eredienst dan het harteloos aanbieden van runderen en bokken.

Dit is een stem vanaf de troon, en wat is zij vol genade! Het stormt hevig rondom Jehova, en toch vallen er zachte druppels van genadige regen uit de schoot van die storm! Wie zou zulke offers niet willen brengen? Bedrukte ziel, haast je om het nú te brengen! Wie durft nog te zeggen dat de heiligen van het Oude Testament het evangelie niet kenden? De geest en het wezen ervan stijgen als wierook op rondom deze heilige psalm.

“Ik zal er u uithelpen.” Dat je gebed echt een offer is, zal blijken uit het antwoord. Of de rook van brandende stieren Mij nu aangenaam is of niet: je nederige gebed is dat zeker, en Ik zal het bewijzen door je smeking genadig te verhoren. Deze belofte is ruim. Ze kan gaan over verlossing in dit leven én over verlossing voor eeuwig. Het geloof kan haar alle kanten op draaien, als het zwaard van de cherubs.

“En gij zult Mij eren.” Je gebed eert Mij, en ook je dankbaarheid voor het antwoord dat Ik in barmhartigheid gaf, zal Mij verheerlijken. Bokken en stieren konden een mislukking blijken, maar het ware offer nooit. De kalveren uit de stal konden een nutteloos offer zijn, maar de kalveren van oprechte lippen nooit. Zo zien we wat echte eredienst is. Hier lezen we de voorschriften die God Zelf ingegeven heeft. Aanbidding in de geest is de grote en beslissende zaak. Al het andere, zonder haar, ergert God eerder dan dat het Hem behaagt. Als hulpmiddel voor de ziel waren uiterlijke offers kostbaar. Maar wanneer mensen er niet verder mee kwamen, werd zelfs hun heiligste bezit in de ogen van de hemel ontwijd.

Verzen 16-21

Hier richt de Heere Zich tot de openlijk goddelozen onder Zijn volk. Zulke mensen waren er zelfs op de hoogste plaatsen van Zijn heiligdom. Als de zedelijke formalisten al terechtgewezen werden, hoeveel meer dan deze onzedelijke komedianten die zich op gemeenschap met de hemel beroepen? Als een gebrek aan hart de eredienst van de nette, deugdzame mensen al bedierf, hoeveel erger bedierven dan de offers van de goddelozen door overtredingen van de wet die met opgeheven hand begaan werden?

Vers 16

“Maar tot den goddeloze zegt God.” Nu richt Hij Zich tot wie de tweede tafel van de wet overtreden. Eerder sprak Hij tot wie de eerste verwaarloosden. “Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen?” Jullie breken openlijk Mijn zedenwet, en toch zijn jullie vurige verdedigers van Mijn geboden voor de eredienst! Wat hebben jullie daarmee te maken? Welk recht hebben jullie erop? Durven jullie Mijn wet aan anderen te leren en haar zelf te schenden? Wat een schaamteloosheid, wat een lastering! Zeggen jullie dat je van Levi afstamt? Wat dan nog? Jullie goddeloosheid maakt je ongeschikt, onterft je en sluit je uit van de opvolging.

Ze zou jullie het zwijgen moeten opleggen. Dat zou ook gebeuren als Mijn volk zo geestelijk was als Ik wens, want dan zouden ze weigeren naar jullie te luisteren en jullie het deel aardse goederen te geven dat Mijn ware dienaren toekomt.

Jullie tellen de heilige dagen, jullie maken ruzie over rituelen en vechten voor uiterlijkheden, en ondertussen verachten jullie de zwaardere geboden van de wet! Blinde leiders, jullie zeven de mug uit en slikken de kameel door! Jullie huichelarij staat op je voorhoofd geschreven en iedereen ziet haar.

“En neemt Mijn verbond in uw mond?” Jullie zeggen dat je in verbond met Mij staat, maar jullie trappen Mijn heiligheid met voeten, zoals zwijnen parels vertrappen. Denken jullie dat Ik dat kan verdragen? Jullie monden zijn vol leugen en laster, en toch kauwen jullie op Mijn woorden alsof het passende hapjes voor mensen als jullie zijn!

Hoe afschuwelijk en slecht is het dat we tot op de dag van vandaag mensen leerstellingen zien uitleggen die zelf geboden verachten! Ze maken van genade een deken om de zonde onder te stoppen. Ze houden zichzelf zelfs voor gezond in het geloof, terwijl hun leven rot is. We hebben de genade van de leerstellingen even hard nodig als de leerstellingen van de genade. Zonder die genade is een apostel niets meer dan een Judas, en een welbespraakte belijder een doorgewinterde vijand van het kruis van Christus.

Vers 17

“Dewijl gij de kastijding haat.” Goddeloze belijders zijn vaak te wijs om te leren en te verblind door eigenwaan om van God onderwezen te worden. Wat een monsterlijkheid dat mensen voorschriften verkondigen die ze met hun hart niet kennen en in hun leven openlijk verloochenen! Wee de mensen die de onderwijzing haten die ze zelf op zich nemen te geven.

“En Mijn woorden achter u henenwerpt.” Ze verachten die woorden, gooien ze weg als waardeloos, stoppen ze als aanstootgevend uit het zicht. Veel mensen die op de wet roemden, deden dit in de praktijk. En in deze laatste dagen zijn er mensen die Gods woorden naar eigen smaak uitkiezen en uitzoeken, omdat ze het praktische deel van de Schrift niet kunnen verdragen. Ze walgen van plicht en verafschuwen verantwoordelijkheid. Ze halen de duidelijke betekenis uit teksten en verdraaien de Schriften tot hun eigen ondergang. Het is een slecht teken als iemand een Schriftwoord niet recht in het gezicht durft te kijken.

En het bewijst een bronzen schaamteloosheid wanneer hij het minder veroordelend over zijn zonden probeert te laten klinken, en moeite doet om aan te tonen dat het minder ver reikt in zijn eisen. Wat een krachtig argument is het dat zulke mensen geen recht hebben om Gods verbond in hun mond te nemen, omdat de geest ervan hun leven niet bestuurt!

Vers 18

“Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem.” Eerlijkheid in de omgang met mensen kan niet ontbreken waar ware genade is. Wie anderen in bedrog vrijpleit, is zelf schuldig. Wie anderen gebruikt om onrechtvaardige dingen voor zich te laten doen, is dubbel schuldig. Hoe godsdienstig iemand ook is: als zijn eigen daden oneerlijkheid niet bestraffen, is hij medeplichtig aan dieven. Als we kunnen berusten in iets wat niet oprecht is, zijn we zelf niet oprecht, en dan is onze godsdienst een leugen.

“En uw deel is met de overspelers.” Zo worden de geboden over ons gedrag één voor één overtreden door de zondaars in Sion. Mensen met een onrein leven verstoppen zich achter een masker van vroomheid. Dat kunnen wij ook doen: door te glimlachen om schuine grappen, te luisteren naar onfatsoenlijke taal en te knipogen naar losbandig gedrag dat zich in onze aanwezigheid afspeelt. Wie zo handelt, hoe durft hij dan te preken, voor te gaan in het openbaar gebed of de naam van christen te dragen? Zie hoe de Heere de gerechtigheid aan het schietlood legt.

Hoe duidelijk zegt dit alles dat niemand de Heere zal zien zonder heiliging! Geen hoeveelheid nauwkeurigheid in ceremonies of leerstellingen kan oneerlijkheid en hoererij toedekken. Die vuile dingen moeten door het bloed van Jezus uit ons gewassen worden. Anders ontsteken ze een vuur in Gods toorn dat brandt tot in de diepste hel.

Vers 19

“Uw mond slaat gij in het kwade.” Hier gaat het om zonden tegen het negende gebod. Wie zich overgeeft aan de gewoonte van laster, is een gemene huichelaar als hij zich bij het volk van God voegt. Aan iemands tong kun je gemakkelijk zien hoe gezond hij is. Een vuile mond hoort bij een vuil hart. Sommigen lasteren bijna net zo vaak als ze ademhalen, en toch zijn ze grote steunpilaren van de kerk en vurige pleitbezorgers van heiligheid. Hoe diep zullen zij in het kwaad zinken die er plezier in hebben het met hun tong te verspreiden?

“En uw tong koppelt bedrog.” Dit is een berekenender soort laster, waarbij iemand handig een vals getuigenis in elkaar zet en manieren bedenkt om iemand zwart te maken. Sommige mensen zijn uitvinders in laster, en helaas zelfs sommigen van wie gedacht wordt dat ze volgelingen van de Heere Jezus zijn. Ze fabriceren leugens, weven ze op hun getouw, smeden ze op hun aambeeld en venten ermee in elk gezelschap. Neemt God die aan? Ze brengen hun rijkdom naar het altaar en spreken welsprekend over waarheid en zaligheid. Hebben ze daarmee enige gunst bij God? Als we dat zouden denken, zouden we de heilige God lasteren.

Zij zijn verdorven in Zijn ogen, een stank in Zijn neus. Hij zal alle leugenaars in de hel werpen. Laat ze maar preken, bidden en offeren zoveel ze willen: zolang ze niet waarachtig worden, verafschuwt de God van de waarheid hen volkomen.

Vers 20

“Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder.” Hij gaat er rustig voor zitten. Het wordt zijn voedsel, hij bestudeert het, hij besluit ertoe, hij wordt een meester in kwaadspreken en neemt plaats op de leerstoel van de laster. Zelfs zijn beste vriend is niet veilig en zijn dierbaarste bloedverwant ontsnapt niet.

“Tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.” Juist van hem had hij het meest moeten houden, maar hij heeft slechts een kwaad woord voor hem over. Voor een Oosterling was de zoon van je eigen moeder een heel innige verwant. Maar de ellendige lasteraar kent geen aanspraken van verwantschap. Hij steekt zijn broer in het donker neer en richt zijn slag op iemand die uit dezelfde schoot is voortgekomen. En toch hult hij zich in het kleed van de huichelarij en droomt hij dat hij een lieveling van de hemel is, een door de Heere aangenomen aanbidder.

Komen we zulke monsters in onze tijd nog tegen? Helaas! Ze bezoedelen onze kerken nog steeds. Het zijn wortels van bitterheid, vlekken bij onze plechtige maaltijden, dwaalsterren voor wie de donkerste duisternis voor eeuwig bewaard wordt. Misschien leest er wel zo iemand deze regels, maar waarschijnlijk leest hij ze tevergeefs. Zijn ogen zijn te dof om zijn eigen toestand te zien, zijn hart is vet geworden en zijn oren horen nauwelijks. Hij is overgegeven aan een krachtige dwaling om de leugen te geloven, zodat hij veroordeeld wordt.

Vers 21

“Deze dingen doet gij, en Ik zwijg.” Geen snel oordeel velde de zondaar. De lankmoedigheid regeerde. Er klonk geen donder van bedreiging en er werd geen vuurstraal geslingerd om het oordeel uit te voeren. “Gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij.” De conclusie die uit de lankmoedigheid van de Heere werd getrokken, was schandelijk. De schuldige die uitstel kreeg, dacht dat zijn Rechter van hetzelfde slag was als hijzelf. Hij bracht een offer en vond dat het aangenomen werd. Hij bleef zondigen en bleef ongestraft, en daarom zei hij brutaal: “Waarom zouden we die gekke profeten geloven? God trekt zich niet aan hoe we leven, zolang we onze tienden betalen. Hij let maar weinig op hoe we aan onze buit komen, zolang we een rund naar Zijn altaar brengen.” Wat verzinnen mensen toch over de Heere!

De ene keer vergelijken ze de heerlijkheid van Israël met een kalf, en de volgende keer met hun eigen beestachtige zelf.

“Ik zal u straffen.” Uiteindelijk breek Ik Mijn zwijgen en laat Ik weten wat Ik denk. “En zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.” Ik laat je zonden in slagorde aantreden. Ik laat ze je zien en leg ze een voor een voor je neer, gerangschikt en geordend. Je zult weten dat Ik, al zweeg Ik een tijd, nooit blind of doof was. Ik laat je ervaren wat je geprobeerd hebt te ontkennen. Ik verlaat de genadetroon voor de rechterstoel, en daar laat Ik je zien hoe groot het verschil is tussen jou en Mij.

Vers 22

“Verstaat dit toch!” Dat “toch” is een smeekbede, want de Heere is er huiverig voor om zelfs de meest goddeloze door te laten lopen naar zijn ondergang. Denk hierover na. Neem deze waarheden ter harte, jullie die op ceremonies vertrouwen en jullie die in het kwaad leven, want jullie zondigen allebei doordat jullie God vergeten. Besef hoe weinig aanvaardbaar jullie zijn en keer terug naar de Heere. Zie hoe jullie de Eeuwige bespot hebben en bekeer je van je ongerechtigheden. Jullie die God vergeten!

“Opdat Ik niet verscheure en niemand redde.” Zoals de leeuw zijn prooi verscheurt en niemand haar kan bevrijden: geen Zaligmaker, geen toevlucht, geen hoop. Jullie verwerpen de Middelaar. Pas op, want in de dag van de toorn zullen jullie er dringend een nodig hebben, en niemand zal in de buurt zijn om voor jullie te pleiten. Hoe verschrikkelijk, hoe volledig, hoe pijnlijk en hoe vernederend zal de ondergang van de goddelozen zijn! God gebruikt geen zachte woorden of fluwelen beelden, en Zijn dienaren mogen dat ook niet doen wanneer ze spreken over de komende toorn. O lezer, overweeg dit.

Vers 23

“Wie dankoffert, die zal Mij eren.” Lofzang is het mooiste offer dat er bestaat: echte, hartelijke dankbaarheid die uit een vernieuwd hart komt. Het loeien van stieren die aan het altaar zijn vastgebonden, is niet de muziek waar Jehova graag naar luistert. Dat zijn de liederen van mensen die door Hem verlost zijn. Offer God dus je liefdevolle dankbaarheid, en Hij wordt erdoor geëerd.

“En wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.” Een heilig leven is een duidelijk bewijs dat iemand gered is. Wie heel zijn weg onder Gods leiding stelt en er zorgvuldig op let om God in zijn leven te eren, brengt een offer dat de Heere aanneemt, omdat het komt door Zijn dierbare Zoon. Zo iemand zal steeds meer onderwezen worden en Gods heil in de praktijk leren kennen. Dat heil heeft hij ook nodig, want hoe goed we ons leven ook inrichten, ons redden kan het nooit. Maar dat heil zal hij krijgen! De zegen is niet beloofd aan ceremonies en ook niet aan onreine lippen, maar aan dankbare harten en heilige levens.

O Heere, geef dat we in het oordeel mogen staan bij hen die U op de juiste manier hebben aanbeden en Uw heil hebben gezien.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Gehele psalm

Het begin van deze psalm is zo groots en indrukwekkend als je je maar kunt voorstellen: de Spreker is God, en Zijn hoorders zijn een wereld die bijeen is geroepen! Geen enkel menselijk tafereel is hiermee te vergelijken. Ik denk ook niet dat de aarde zo’n dag ooit zal meemaken voordat het uur komt waarop de bazuin van de aartsengel klinkt. Dan roept die alle volken van de aarde bijeen uit de vier windstreken, van het ene einde van de hemel tot het andere. Dan staan de doden, groot en klein, voor God. De zee geeft haar doden terug, en de dood en het dodenrijk geven de doden terug die in hen zijn. — Barton Bouchier.

Vers 1

El, Elohim, Jehova heeft gesproken! Dat is precies wat er in het Hebreeuws staat. — Andrew A. Bonar.

Vers 1 (eerste zinsdeel)

Sommige uitleggers hebben opgemerkt dat de drie namen die hier genoemd worden, El, Elohim en Jehova, elk een eigen accentteken hebben gekregen. Samen staan ze bij één werkwoord in het enkelvoud (in het Hebreeuws), “spreekt”. Daarin zien zij het geheim van de Drie-eenheid: drie Personen in het ene goddelijke Wezen. — John Gill.

Vers 1

“En roept de aarde”, enzovoort. Dat wil zeggen: Hij heeft alle bewoners van de aarde bevolen te komen, als getuigen en toeschouwers van het oordeel. — Simon de Muis.

Verzen 1-5

Niet langer spot de godloochenaar met Zijn lang verwijl;
Zijn wraak slaapt niet meer: zie, de dag is daar!

Zie, de Rechter daalt neer, Zijn wachters zijn nabij;
Storm en vuur begeleiden Hem langs de hemel omlaag.

Als God verschijnt, aanbidt heel de natuur Hem,
De zondaars sidderen, de heiligen verheugen zich voor Zijn aangezicht.

Hemel, aarde en hel, kom nader; laat alles komen
Om Mijn gerechtigheid te horen en het vonnis over de zondaar;
Maar verzamel eerst Mijn heiligen (zo gebiedt de Rechter),
Engelen, brengt hen uit hun verre landen.

Als Christus wederkomt, laat alle vreugde ontwaken,
En juicht, heiligen: Hij komt tot uw zaligheid.

— Isaac Watts.

Vers 5

“Verzamelt”, enzovoort. Tot wie zijn deze woorden gericht? Velen denken: tot de engelen, als dienaren van Gods wil. Maar het is niet nodig om de uitdrukking duidelijker te maken dan ze in de psalm zelf is. — J. J. Stewart Perowne.

Vers 5

“Mijn gunstgenoten”: dat zijn de mensen op wie Mijn barmhartigheid rust, de mensen die Ik heb geroepen en apart gezet. Het woord beschrijft hier een verhouding en niet een eigenschap die in iemand zelf zit. — J. A. Alexander.

Vers 5

“Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.” Er is een tweevoudig verzamelen tot Christus. Het eerste is een verzamelen tot Christus door het geloof. Het gebeurt binnen de band van het verbond, in het huisgezin van God, rondom de Wortel van Isaï die staat als een banier voor de volken. “Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isai, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn” (Jesaja 11:10). Dit is het hoofddoel van het evangelie en het grote werk van de dienaren van het Woord: zondaars verzamelen tot Christus.

Daarnaast is er een verzamelen bij het algemene oordeel, en dát wordt in deze woorden bedoeld. Het volgt op het eerste. Op de laatste dag brengt Christus alleen die mensen bij Zich die hier al door het geloof tot Hem zijn gekomen. Hij zal bevel geven om hen allemaal, en alleen hen, bij Zich te verzamelen: de mensen die Zijn verbond hebben vastgegrepen.

Ik wil spreken over de manier waarop Christus Zijn heiligen bij Zijn wederkomst erkent en voor iedereen belijdt. Die erkenning zit al in het bevel dat Hij geeft: “Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.” … Hierbij wil ik je op de volgende dingen wijzen.

  1. Heiligheid is op die dag het enige kenmerk waaraan je mensen onderscheidt. Nu zijn er nog veel kenmerken waarmee mensen zich van elkaar onderscheiden, maar die verdwijnen allemaal. Alleen dit ene kenmerk blijft over.
  2. Heiligheid is dan het ereteken van Christus. Pas op dat je nooit spot met heiligheid, met wijding en reinheid! Het is het ereteken van Christus, het kleed dat Zijn volgelingen dragen, en op die grote dag is het het enige ereteken dat telt.
  3. Christus vergeet geen enkele heilige en verwisselt er geen. Hier worden veel heiligen vergeten; niemand weet meer dat zulke mensen ooit in de wereld waren. Maar Christus vergeet er op die grote dag niet één en haalt er niet één door elkaar. Hij leest de lijst van al Zijn heiligen voor en geeft bevel om hen allemaal bij Zich te brengen.
  4. Hij erkent hen, belijdt hen en staat voor hen in bij Zijn Vader en bij Zijn heilige engelen (Matteüs 10:32; Lukas 12:8; Openbaring 3:5). Zij gaan naar het huis van Zijn Vader, en zij gaan er in Zijn naam, op Zijn recht en achter Zijn rug. Daarom moet Hij hen erkennen en belijden voor Zijn Vader. Maar waarom moet Hij hen ook voor de engelen erkennen? Het antwoord is: zij worden de metgezellen van de engelen. Daarom moet Hij hen ook aan de engelen bekendmaken. Voor hen is dat als een getuigschrift dat ze aan de engelen kunnen laten zien.

Tot slot: dan komt openbaar te liggen dat Hij recht op hen heeft en dat zij Zijn eigendom zijn. “En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn” (Maleachi 3:17). Dan is het te laat om de Zijne nog te worden. De betekenis is dus: het zal duidelijk blijken dat zij de Mijne zijn. — James Scot, 1773.

Vers 5

“Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.” We kunnen deze tekst zien als de opdracht die de grote Rechter aan Zijn engelen geeft. Zij zijn dienende geesten die Zijn wil doen en luisteren naar de stem van Zijn kracht. De woorden lijken op wat onze Heere zei toen Hij sprak over de komst van de Zoon des mensen: “En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.”

Maar vóór dit laatste, algemene bijeenbrengen van Zijn heiligen voor het oordeel, verzamelt Jehova hen al op allerlei manieren, op verschillende plaatsen en door verschillende middelen, zowel van voorzienigheid als van genade. Voordat Hij op een troon van oordeel zit, zien we Hem op een troon van genade, en horen we Hem zeggen: “Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.” Deze woorden laten ons twee dingen opmerken. I. De personen die worden beschreven: Mijn heiligen. II. Het bevel dat wordt gegeven: Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.

I. De personen die hier worden beschreven. “Mijn gunstgenoten”, dat wil zeggen: Mijn heiligen, Mijn geheiligden, mensen die God heeft afgezonderd en aan Zich heeft gewijd. Niemand van ons is dat van nature. We worden als zondaars geboren, en er is geen verschil tussen ons. Maar door Gods genade verandert onze natuur, en daarom krijgen we ook een andere naam.

De naam ‘heilige’ wordt aan Gods volk vaak uit spot gegeven. “Die en die”, zegt een wereldmens, “is een van uw heiligen.” Maar broeders, een hogere eer kan ons niet gegeven worden dan dat we heiligen worden genoemd, áls we die naam werkelijk verdienen. Maar op welke manier worden we dan heiligen?

  1. Door Gods verkiezing. De heiligen zijn het voorwerp van eeuwige liefde. Hun namen staan geschreven in het boek des levens van het Lam. Opvallend is dat overal waar de Heilige Schrift over Gods volk spreekt als het voorwerp van die eeuwige liefde, dit samengaat met hun persoonlijke heiliging. Let wel: ze zijn niet uitverkoren omdat ze heilig zijn, en ook niet omdat God vooruit zag dat ze het zouden worden. Ze zijn uitverkoren om heilig te zijn. Heiliging is het gevolg van de verkiezing, en het enige bewijs ervan.
  2. Door een goddelijke verandering, die het noodzakelijke gevolg van die verkiezing is. De kracht van de Heilige Geest werkt in de heiligen een innerlijke, geestelijke, bovennatuurlijke en volledige verandering. Zo worden ze vernieuwd in de geest van hun gemoed en krijgen ze deel aan een goddelijke natuur… Onthoud dus deze belangrijke waarheid: christenen zijn door het evangelie geroepen om heiligen te zijn. Je bent niet zozeer christen door je rechtzinnigheid als door je heiligheid. Je bent alleen heilige voor zover je in heel je levenswandel heilig bent.
  3. Gods volk toont dat het heilig is door een godvrezende levenswandel. “Aan hun vruchten”, dus niet aan hun gevoelens; niet aan hun lippen, niet aan hun algemene belijdenis, maar “aan hun vruchten zult gij hen kennen.”
  4. Het karakter van de heiligen blijkt uit hun toewijding aan God. Gods volk heet heilig voor zover het aan God gewijd is. Het is de plicht en het voorrecht van heiligen om zichzelf aan Gods dienst te wijden. Zelfs een heidense wijsgeer kon zeggen: “Ik leen mezelf aan de wereld, maar ik geef mezelf aan de goden.” Wij hebben meer licht en kennis dan hij, en daarom rust op ons een grotere verplichting dan op Seneca.

II. Het bevel dat wordt gegeven. “Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.”

Jehova brengt Zijn heiligen op verschillende manieren bij Zichzelf bijeen.

  1. Hij verzamelt hen tot Zich bij hun bekering. De opdracht die Christus aan Zijn dienaren gaf, was: “Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.” Anders gezegd: “Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten.” Het evangelie moet aan zondaars gepredikt worden, juist zodat zij heiligen kunnen worden.
  2. God brengt Zijn heiligen bijeen in de openbare eredienst.
  3. Hij verzamelt Zijn heiligen bij Zich in tijden van gevaar. Wanneer er stormen om hen heen samenpakken, wil Hij hen beschermen tegen de windstoot. Hij zegt tegen hen, in de woorden van Jesaja: “Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers” — de kamers van Zijn volmaaktheden en Zijn beloften — “en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.”
  4. God verzamelt Zijn heiligen in de dienst van Zijn kerk. Zo riep Christus Zijn apostelen bijeen om hun de opdracht te geven eropuit te gaan en alle volken te onderwijzen. In de tijd van de Reformatie wekte het grote Hoofd van de kerk Luther en Calvijn op, samen met andere voortreffelijke hervormers. Zij moesten in Europa, ja over de hele wereld een vlam aansteken die de adem van het pausdom nooit zou kunnen uitblazen.
  5. God verzamelt Zijn heiligen bij hun sterven en bij de opstanding. “Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.” Dit is de opdracht die de dood meestal krijgt: “Ga, dood, en haal die en die van Mijn heiligen bij Mij.” Zoals een hovenier de tuin in gaat en de volgroeide bloem en de rijpe vrucht plukt, zo gaat Jezus Christus de tuin van Zijn kerk in en haalt Hij Zijn heiligen bij Zich. Want Hij zegt: “Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen.” — Samengevat uit J. Sibree’s “Sermon preached at the reopening of Surrey Chapel, August 29th, 1830.”

Vers 5 (tweede zinsdeel)

“Maken” of bekrachtigen van een verbond betekent letterlijk ‘snijden’ of ‘slaan’. Misschien wordt hier gezinspeeld op het gebruik om offerdieren te slachten en in stukken te verdelen als een godsdienstige handeling bij plechtige verdragen (zie Genesis 15:10-18).

Op hetzelfde gebruik kan gedoeld worden in de volgende woorden, “met offerande”. Dat betekent: staande bij of boven het offer, of op het offer. Met andere woorden: de verbintenis wordt gegrond op een voorafgaande aanroeping van God. Waarschijnlijk is er een zinspeling op de grote verbondshandeling die in Exodus 24:4-8 is opgetekend. Het feit dat het offer hier genoemd wordt, laat duidelijk zien dat wat volgt niet bedoeld was om dat wezenlijke zinnebeeld van het voorbeeldige of ceremoniële stelsel in diskrediet te brengen of te verwerpen. — J. A. Alexander.

Vers 5

“Die Mijn verbond maken.” Vroeger zwoeren soldaten dat ze nooit van hun vaandel zouden wijken en hun aanvoerders trouw zouden blijven. Dat noemden ze sacramentum militare, een krijgseed. Zo’n eed rust op elke christen. Hij hoort zo wezenlijk bij het heilig-zijn van een christen dat de heiligen er hier mee beschreven worden: “Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken.”

We zijn pas christen als we dit verbond hebben ondertekend, en wel zonder enig voorbehoud. Wanneer we de naam van Christus belijden, laten we ons inschrijven op Zijn monsterrol. Daarmee beloven we dat we met Hem willen leven en sterven, tegen al Zijn vijanden … Hij neemt ons pas aan als we ons vrijwillig aan Hem overgeven. Dan blijft er achteraf geen gesteggel over Zijn geboden. We gaan en komen dan, als mensen onder Zijn gezag, op Zijn woord. — William Gurnall.

Vers 6

“De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid.” De Schrift heeft de gewoonte om het onderwijs over wat ze het meest opvallend en belangrijk wil maken, aan hemel en aarde toe te vertrouwen. De hemelen worden immers door iedereen gezien, en hun licht maakt alles zichtbaar. Hier spreekt ze over de hemelen en niet over de aarde, omdat de hemelen blijven bestaan en de aarde niet. — Geier en Muis, in Poole’s Synopsis.

Vers 8

“Om uw offeranden zal Ik u niet straffen.” Dat wil zeggen: niet omdat je ze hebt verwaarloosd, maar omdat je erin blijft hangen. Je blijft steken in de bast. Je brengt Mij de kale schaal zonder de kern. Je let niet op het ware doel en gebruik ervan, maar stelt jezelf tevreden met het verrichte werk. — John Trapp.

Vers 8

“Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.” De woorden “zijn” (in de grondtekst: “te zijn geweest”) hebben onze vertalers zelf toegevoegd. Je kunt ze weglaten, en de zin is nog helemaal in orde. Houd je ze toch aan, dan moet het ontkennende “niet” uit het eerste deel van het vers worden overgenomen, zodat het geheel zo klinkt: Ik zal u niet straffen om uw offeranden, of om uw brandofferen die niet steeds voor Mij zijn geweest. Dat wil zeggen: Ik zal u niet beschuldigen van het verwaarlozen van de uiterlijke plicht of eredienst, want het innerlijke of geestelijke (waarover Hij in Psalm 50:14 spreekt) is wat Mij het meest behaagt. — Joseph Caryl.

Verzen 8, 9

Precies dit verwijt maakte onze Heere Zelf aan de Farizeeën van Zijn tijd. Zij hielden zich krampachtig vast aan de uiterlijke regels van hun eigen tradities: het wassen van potten en bekers en dat soort dingen, het afgeven van een tiende van anijs, munt en komijn, en het opzichtig nakomen van elk plechtig gebruik voor het oog van de mensen. Zo werd de schaduw groot gemaakt en de werkelijkheid vergeten.

En hebben we in onze eigen dagen niet hetzelfde gezien? Denk aan het kleed van de voorganger, aan de kniebuiging en aan de houding van het lichaam. Het lijkt wel of het zichtbare kerkgebouw het enige is dat telt, en of God geen Geest is, Die van Zijn aanbidders vraagt dat ze Hem aanbidden in geest en waarheid. Het lijkt of het goud en de sieraden van de tempel veel zwaarder wegen dan de verborgen mens van het hart, met het onvergankelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest, die in Gods ogen zeer kostbaar is. — Barton Bouchier.

Vers 10

“Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.” Die laatste, eigenaardige uitdrukking kan twee dingen betekenen: duizend bergen, of bergen waar het vee bij duizenden rondtrekt. Waarschijnlijk wordt gedacht aan het heuvelachtige land Basan, aan de overkant van de Jordaan.

Als we naar de herkomst van de woorden kijken, betekent het woord in het eerste zinsdeel gewoon een dier, en het woord in het tweede zinsdeel dieren of beesten in het algemeen. Maar zet je ze naast elkaar, dan wijst het eerste op een wild dier en het tweede op tamme dieren, het vee. Beide woorden waren nodig om uit te drukken dat God de vrije eigenaar is van de hele dierenwereld.

Zo begrepen geeft dit vers de reden voor wat het vorige vers ontkent. Stel dat God dierenoffers nodig had, voor Zichzelf of voor hen. Dan hoefde Hij ze nog niet bij de mens te gaan halen, om welke reden dan ook. Alle dieren zijn immers van Hem en staan helemaal tot Zijn beschikking. — J. A. Alexander.

Verzen 11, 12

We laten onze geringschatting van Gods volheid zien als we in het geheim denken dat we bij Hem iets kunnen verdienen met een godsdienstige daad. Dan doen we alsof God ons iets verschuldigd kan zijn en door ons in de schuld kan komen. Of alsof onze vroomheid God een geluk kan geven dat Hij van Zichzelf niet al heeft. Terwijl: “mijn goedheid raakt niet tot U” (Ps. 16:2). Onze diensten aan God zijn veel meer diensten aan onszelf. Ze maken ons gelukkig, niet God.

Dit verborgen idee van verdienste is de mens van nature eigen, ook al wordt het door de papisten ontkend. Het zit in dat heimelijke zelfbehagen: we hebben een plicht vervuld en verwachten daarvoor van God een nette beloning, alsof we Hem van nut zijn geweest. Daar wijst God op met de woorden: “Het wild des velds is bij Mij. Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.” Hij maakt duidelijk dat ze Zijn oneindige volheid onrecht aandeden door te denken dat Hij hun offers en diensten nodig had, en dat Hij hun dank verschuldigd was voor hun aanbidding.

Alle verdienste veronderstelt een tekort, een morele of natuurlijke ontoereikendheid, bij degene bij wie we iets verdienen. Het betekent dat wij iets voor hem doen wat hij niet of niet zo goed voor zichzelf kan doen. Dat zit ook in onze klachten over hoe God met ons omgaat. Als er een reeks tegenslagen komt, denken mensen dat ze door hun dienst beter van Gods hand hadden verdiend dan zo opzijgezet en vernederd te worden. En als het ons goed gaat, denken we gemakkelijk in het geheim dat ons genot een schuld is die God aan ons moet betalen, en niet een geschenk dat Hij ons vrijwillig gaf.

Daarom geven mensen hun gerechtigheid met meer tegenzin op dan hun zonden. Ze eisen de zaligheid liever op als een recht dat hun toekomt, dan dat ze erom bedelen als een daad van genade. — Stephen Charnock.

Vers 12

“Zo Mij hongerde”, enzovoort. Offers van heidenen werden gezien als maaltijden voor hun goden. — Daniel Cresswell.

Vers 13

“Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?” Dat wil zeggen: als Mij iets ontbrak, zou Ik het je niet vertellen. Maar heb je werkelijk zulke grove ideeën over Mij? Denk je echt dat Ik het bloed en het vlees van dieren heb ingesteld en gevraagd om hun eigen waarde, en niet met een bedoeling? Verbeeld je dat Ik daar blij mee ben als ze zonder geloof, liefde en dankbaarheid worden gebracht? Nee, “Offert Gode dank”, enzovoort. Bewijs Mij een geestelijke en redelijke dienst, en wel door je beloften na te komen. Dan zul je Mij vinden als een hulp die dicht bij is in de benauwdheid. — B. Boothroyd.

Vers 15

“Roept Mij aan”, enzovoort. Bidden is als de ring die koningin Elizabeth aan de graaf van Essex gaf. Ze zei hem dat hij haar die ring moest sturen als hij ooit in nood zat, en dat ze hem dan zou helpen. Zo gebiedt God Zijn volk om, als het ergens in verlegenheid zit, deze ring naar Hem te sturen: “Roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.” — George Swinnock.

Vers 15

“Roept Mij aan in den dag der benauwdheid”, enzovoort. Wie gaat er nu kruipen voor een boswachter om een stuk wild, als hij zelf bij de heer van het wild mag aankloppen om te vragen en te ontvangen? Ga niet op zoek naar andere helpers, maar steun alleen op Hem. Vertrouw Hem volkomen terwijl je de middelen gebruikt die Hij voorschrijft en geeft. God is jaloers. Hij duldt geen medeminnaar en laat je (in dit geval) ook geen twee pijlen op je boog leggen. Hij Die alles in allen werkt, moet jouw alles in allen zijn. Uit Wie, door Wie en tot Wie alle dingen zijn, Hem zij de lof in eeuwigheid (Rom. 11:36). — George Gipps, in “A Sermon preached (before God, and from him) to the Honourable House of Commons”, 1645.

Vers 15

“Roept Mij aan in den dag der benauwdheid”, enzovoort. De Heere heeft Zijn kinderen beloofd dat Hij hen van alle goede dingen zal voorzien. Toch moeten zij de weg gebruiken waarlangs ze die ontvangen: het gebed. Hij voedt de jonge raven als ze tot Hem roepen (Ps. 147:9). Hij voedt ze, maar eerst roepen ze tot Hem. God houdt het achter voor wie niet vragen, om niet te geven aan wie niet verlangen. (Augustinus.)

David wist zeker dat hij door Gods kracht over een muur zou springen. Toch deed hij er zijn eigen kracht en behendigheid bij. Waar we om bidden, daarvoor moeten we ook werken. (Augustinus.) Een voerman bij Isidorus wilde, toen zijn kar was omgevallen, dat zijn god Hercules uit de hemel zou komen om hem die overeind te helpen. Maar zolang hij zelf zijn schouder er niet onder zette, bleef de kar liggen.

Abraham was zo rijk als wie van onze schepenen ook, David zo moedig als wie van onze edellieden ook, Salomo zo wijs als de diepzinnigste natuurkenner, en Susanna zo mooi als elk geschilderd portret. Toch dacht niemand van hen dat zijn rijkdom, moed, beleid, schoonheid of andere voortreffelijke gaven hem konden redden. Ze bliezen de vonken van de genade aan en gingen zelf aan het werk, vroom werk. Dat is ook onze weg, de enige die we hebben, als het ons ernst is om behouden te worden. — Thomas Adams.

Vers 15

“Ik zal er u uithelpen.” Eigenlijk: Ik zal je met Mijn eigen machtige hand uit de nood trekken en je planten in vrijheid en voorspoed. — Hermann Venema.

Vers 16

“Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen?” enzovoort. “Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.” Klopt dat niet? Dan is het geen wonder dat Gods wijsheid van ons vraagt dat we zelf eerst de oude mens afleggen, zoals slangen hun huid afleggen, voordat we de allereerbaarste taak op ons nemen: het bestraffen van zonde. Dat is een plicht die God meer eer brengt en mensen meer nut dan welke andere ook. Voor zover ik weet heeft God geen eervoller werk om ons mee te belasten.

En wat denk je zelf? Zijn vette keukenhulpen geschikt om voor koningen te staan? Zijn vuile straatvegers geschikt als gezanten met volmacht? Zijn onreine beesten geschikt om hofaalmoezenier te worden en de gunsten van de koning uit te delen? Zijn zwijnen geschikt om parels te werpen, en dan nog de allerkostbaarste parel van Gods koninklijke woord? Niemand die zich dat ook maar kan voorstellen. Dus kan niemand zich geschikt of gevolmachtigd achten om zonde te bestraffen totdat van hem geldt: “gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.”

In Athene woonde een krankzinnige bedelaar die vast geloofde dat alle schepen in de haven van hem waren. Zijn dwaling was niet groter dan die van mensen die denken dat dit rijkere ambt van hen is, voordat ze “uit de doden levende geworden” zijn en “uit den Geest geboren”, voordat ze zich tot God of tot zichzelf hebben bekeerd. De hertog van Alva zou geklaagd hebben dat “zijn koning hem in boeien zond om voor hem te strijden”, omdat de koning hem zonder vergiffenis en nog als gevangene in de oorlog gebruikte. Maar de hoogste Koning is barmhartiger. Hij wil dat onze liefde bij onszelf begint. Onze eerste plicht is onze zonden af te breken. En pas als we deze boeien hebben afgelegd, gaan we weg om Zijn oorlogen te voeren. — Daniel Burgess (1645–1712-13), in “The Golden Sufferers.”

Vers 16

“Tot den goddeloze.” Daarmee worden niet de openlijk goddeloze zondaars bedoeld, maar mensen die belijden gelovig te zijn en die ook leraren van anderen waren. Dat blijkt uit de bestraffingen die daarna volgen. Het gaat om de schriftgeleerden, Farizeeën en leraars van de Joden. Zo legt ook Kimchi het uit, over hun wijzen, die de wet leerden en onderwezen, maar er zelf niet naar leefden. — John Gill.

Vers 16

“Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen?” enzovoort. Alle middeleeuwse schrijvers leren ons, ook vanuit de wet van Mozes over de melaatse, dat de schrijver van deze psalm alleen in woorden zei wat die voorschriften in feite uitbeeldden. Er staat immers geschreven: “De klederen des melaatsen, in wien die plaag is, … en hij zal de bovenste lip bewimpelen.” Zoals ze allemaal in navolging van Origenes zeggen: wie zelf bezoedelde lippen heeft, moet er goed voor oppassen anderen niet te onderwijzen.

Je kunt het ook omdraaien. Kijk hoe Jesaja niet tot zijn volk wilde spreken, omdat hij een man van onreine lippen was en woonde te midden van een volk van onreine lippen. Pas toen zij waren aangeraakt met de gloeiende kool van het altaar, en zo, als door een sacrament van het Oude Testament, vrijspraak over hen was uitgesproken, kon hij spreken. — J. M. Neale.

Vers 16 (tweede zinsdeel)

De nadruk ligt op de uitdrukking “Gods inzettingen vertellen”. Die wijst op een zo nauwkeurige kennis ervan als je krijgt door ze te tellen, en ook op een ijverig en openlijk nalopen ervan. Het woord komt eigenlijk uit het Arabisch en betekent rekenen in stof. De oude volkeren rekenden namelijk met fijn stof dat ze op de tafels van het telraam strooiden. — Hermann Venema.

Vers 16

“Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij … en neemt Mijn verbond in uw mond?” Voor wie is het verbond gemaakt, als niet voor de goddelozen? Als mensen niet goddeloos of zondig waren, waarom was er dan een genadeverbond nodig? Het verbond is er voor de goddelozen, en het brengt genoeg genade mee om zelfs de meest goddelozen te vergeven. Waarom zegt de Heere dan tegen de goddeloze: “Wat hebt gij … en neemt Mijn verbond in uw mond?”

Let op wat er volgt, dan wordt Zijn bedoeling duidelijk: “Dewijl gij de kastijding haat.” Het is alsof God zei: Jij goddeloze, die je zonde beschermt en stevig vasthoudt, die weigert om terug te keren en een hekel hebt aan verbetering, wat heb jij met Mijn verbond te maken? Blijf er met je bezoedelde handen vanaf. Wie vastbesloten is zijn zonde te houden, grijpt het verbond tevergeefs. Of liever: hij laat het los, terwijl het lijkt alsof hij het vasthoudt. Wee hen die om barmhartigheid smeken en er intussen niet voor zorgen dat ze hun plicht doen. — Joseph Caryl.

Vers 16

Een dienaar die niet doet wat hij leert, wordt daardoor een schandelijk mens. Hij maakt zich zelfs belachelijk, zoals de apotheker van Lucianus. Die had in zijn winkel geneesmiddelen tegen hoest en vertelde anderen dat hij ze had, maar werd zelf toch door de hoest geplaagd. Met welk gezicht kun je op een kansel staan, Gods wetten verkondigen en de zorg voor zielen op je nemen, terwijl je eigen naaktheid aan het licht komt? Je tong is groter dan je handen, je bediening staat tegenover zichzelf, je levenswandel logenstraft je leer. Je zegt dat mensen heilig moeten zijn, en je daden onthullen de huichelarij van je mond. Je richt meer schade aan dan honderd anderen. — William Fenner.

Vers 17

“En Mijn woorden achter u henenwerpt.” Je werpt ze weg met minachting, met walging en afschuw, zoals afgoden uit een stad worden gegooid. Of zoals Mozes vol verontwaardiging de tafelen van de wet op de grond smeet. — Martin Geier.

Vers 17

“Mijn woorden.” Hiermee worden kennelijk de tien geboden bedoeld, die gewoonlijk de tien woorden worden genoemd. Daarmee heeft God, zo wordt vaak gezegd, Zijn verbond met Israël gesloten. — Hermann Venema.

Vers 18

“Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem”, of: je bent met hem meegelopen. Dit was letterlijk waar van de schriftgeleerden en Farizeeën. Zij verslonden de huizen van weduwen en ontnamen hun bezit onder het mom van lange gebeden. Ze stemden in met wat Barabbas deed, een rover, toen ze hem boven Jezus Christus kozen. Ze voegden zich bij de dieven aan het kruis toen die Hem beschimpten. En in geestelijke zin stalen ze het woord van de Heere, ieder van zijn naaste. Ze namen de sleutel van de kennis weg bij het volk en gaven valse uitleg aan de heilige geschriften. — John Gill.

Vers 18

“Zo loopt gij met hem”: je werd zijn medeplichtige. Sunetreces, in de Septuaginta. Dat wil zeggen: je hielp hem zijn buit weg te dragen en te ontkomen. — Samuel Horsley.

Vers 18

“Zo loopt gij met hem.” Of: je stemt met hem in. Je bent deelgenoot geweest, dat wil zeggen: je bent zijn gezel. Het is een uitdrukking uit de handel van kooplieden, of uit maaltijden naar oud gebruik, waaraan velen bijdroegen en zo hun aandeel hadden. — John Diodati.

Vers 18 (laatste zinsdeel)

Gastvrijheid bieden aan mensen van wie we weten dat ze liederlijk leven, is meedoen aan hun zonden. — Thomas Adams.

Vers 19

“Uw mond slaat gij in het kwade”, enzovoort. “Gij slaat.” Het Hebreeuwse woord betekent: je zendt uit, en wel vrij en ongebonden. Het wordt namelijk gebruikt voor mensen die hun vrouw of knecht wegsturen en zo hun vrijheid teruggeven. Je hebt een tong zonder teugels. Je gooit alle remmen van Gods wet en van je eigen geweten van je af en geeft je tong de vrijheid om te zeggen wat je maar wilt, ook als het God beledigt en onteert, en je naaste of je eigen ziel schaadt. Terecht wordt dat aangevoerd als bewijs van hun schijnheiligheid. “In het kwade” betekent: in zondige of schadelijke taal. “Koppelt bedrog” wil zeggen: je smeedt leugens en mooie woorden om iedereen die met je te maken heeft om de tuin te leiden. — Matthew Poole.

Vers 19

Nu komt het negende gebod erbij, naast de andere twee. De man die hier wordt aangesproken, overtreedt het gewoontegetrouw. — J. A. Alexander.

Vers 20

“Gij zit, gij spreekt”, enzovoort. Iemand kan kwaad spreken én kwaad doen terwijl hij rustig blijft zitten en niets uitvoert. Voor zulk werk is een luie houding genoeg. — Joseph Caryl.

Vers 20

“Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder”, enzovoort. Zit je rustig en heb je niets anders te doen, dan doe je je naaste voortdurend kwaad met je lasterpraat. Aan tafel maak je je beste vrienden zwart. — Samuel Horsley.

Vers 20

“Den zoon uwer moeder.” Om de kracht van deze woorden te begrijpen, moeten we weten dat veelwijverij onder de Israëlieten was toegestaan. Kinderen van dezelfde vader waren allemaal broers. Maar tussen wie ook nog dezelfde moeder had, bestond een nóg innigere band. — French en Skinner.

Vers 21

“Deze dingen doet gij, en Ik zwijg.” Bij God is geen slaap of sluimering, geen oogluikend toelaten, geen nalatigheid in wat dan ook. Omdat Hij niet meteen oordeelt en niet direct zichtbaar verwoest, trekt de godslastering er brutaal de conclusie uit: zou God Zich met zulke kleinigheden bemoeien? Zo dachten mensen over hun ingebeelde Jupiter. Non vacat exiguis rebus adesse Jovem. Wat een bekrompen en beperkt beeld van God! Hij Die elke handeling mogelijk maakt en voortbrengt — zou Hij niet bij elke handeling aanwezig zijn? Wat kunnen wij zonder Hem doen? We kunnen ons immers alleen in Hem bewegen.

Hij let op de mussen en telt de zaadjes die de ploeger zelf in de grond stopt. Kan dan één handeling van een mens aan Zijn kennis ontsnappen of uit Zijn blik wegglippen? Soms lijkt het alsof Hij Zijn ogen sluit voor wat er gebeurt, maar Hij sluit ze nooit. Hij laat niet altijd merken dat Hij het afkeurt, maar Hij weet het altijd. David sloeg Simeï niet toen die hem vervloekte, maar God hoorde Simeï wél vloeken. Rechters besluiten vaak om te luisteren, maar ze luisteren niet om tot een besluit te komen. Zo ziet God ook niet om iets goed te keuren, maar Hij vindt het wel goed om te zien. — Thomas Adams.

Vers 21

“Gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij.” Onze natuur is zo blind en bedorven dat we een vertekend, misvormd beeld van God hebben, totdat we Zijn gezicht met het oog van het geloof zien in de spiegel van het Woord. Daarom zegt meester Perkins dat alle mensen die ooit van Adam afstamden (Christus alleen uitgezonderd) van nature atheïsten zijn. Op het moment dat ze God erkennen, ontkennen ze immers Zijn macht, Zijn aanwezigheid en Zijn gerechtigheid. Ze laten Hem alleen zijn wat henzelf uitkomt. Het is voor ieder mens heel natuurlijk om zijn begeerten aan te passen aan het Godsbeeld dat hem het gunstigst en het best uitkomt.

Daar beschuldigt God sommigen van: “Gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij.” Zondaars doen met God wat de Ethiopiërs met engelen doen. Zij schilderen die met zwarte gezichten, zodat ze op henzelf lijken. — William Gurnall.

Vers 21

“Gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij.” Dat doen mensen wanneer ze zonden verdedigen als klein, als vergeeflijk, als iets waar God Zich niet druk om hoeft te maken. Omdat zijzelf het zo zien, moet God het ook zo zien. Met reuzentrots wil de mens op de troon van de Almachtige klimmen. Hij wil zich tegen Gods wil verzetten door niet Gods wil, maar zijn eigen wil de maat en regel van zijn doen en laten te maken. Dit beginsel is in het paradijs begonnen. Daar wilde Adam niet afhangen van Gods geopenbaarde wil, maar van zichzelf en zijn eigen wil, en zo maakte hij zich aan God gelijk. — Stephen Charnock.

Vers 21

“En zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.” Dit moeten we militair opvatten (more militari): dan staan de zonden in rij en gelid, in bloedige slagorde, tegenover je ziel. Of juridisch (more forensi): dan worden ze geordend als evenzovele aanklachten voor je opstand en verraad. — Stephen Charnock.

Vers 21

“En zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.” Het is alsof Hij zegt: Je dacht dat al je zonden verspreid en verstrooid lagen. Je dacht dat er geen enkele zonde te vinden was en dat ze nooit meer bij elkaar zouden worden gebracht. Maar Ik verzeker je: Ik maak er een leger van, een compleet leger. Ik zet ze in rij en gelid voor je ogen. Kijk dan maar hoe je zo’n heir kunt aanzien, laat staan bestrijden! Pas dus op dat je geen oorlog voert tegen je eigen ziel. Dat is de ergste van alle burgeroorlogen.

Als een leger van goddelijke verschrikkingen al zo angstaanjagend is, wat is dan een leger van zwarte, helse zonden! God zal hele regimenten zonden tegen je inzetten. Hier een regiment eden, daar een regiment leugens, een derde van oneerlijke handel, hier een troep vuile daden en daar een legioen onreine of goddeloze gedachten. Allemaal vechten ze tegelijk tegen je leven en je eeuwige vrede. — Joseph Caryl.

Vers 21

Atheïsten spotten met de Schriftplaatsen die zeggen dat we van al onze daden rekenschap moeten afleggen. Maar op de dag van de afrekening zal God hen laten ervaren dat het waar is. Het is voor Hem even gemakkelijk om hun vergeetachtige gedachten te laten terugdenken als om die gedachten in hen te scheppen. Wanneer Hij Zijn register tegen hun vergeetachtige geest legt, zien ze al hun vergeten zonden. Als de drukker schoon papier op zijn ingeoliede letters drukt, neemt het de afdruk van elke letter aan. Zo zien zij, wanneer God hun gedachten met Zijn register stempelt, al hun vroegere zonden in één oogopslag.

De hand bleef tegen Belsazar schrijven, zoals hij bleef zondigen, ook al zag hij het niet tot de beker vol was. Zo gaat het met de goddelozen. Hun zonden worden geteld en zijzelf gewogen, maar ze zien het niet, tot ze door een angstaanjagend ontwaken worden verdeeld. — William Struther.

Vers 21 (laatste zinsdeel)

God zet zijn zonden netjes op een rij voor zijn ogen. Ten eerste: de zonde van zijn ontvangenis. Item: de zonden van zijn kindertijd. Item: van zijn jeugd. Item: van zijn volwassen jaren, enzovoort. Of: ten eerste zonden tegen de eerste tafel. Item: zonden tegen de tweede. Zoveel uit onwetendheid, zoveel uit kennis, zoveel uit overmoed, elk apart gerangschikt. Hij zondigde door elkaar en stapelde ze op in hopen. Maar God ordent ze en legt ze hem voor, keurig in een stelsel gebracht. — Thomas Fuller.

Vers 22

“Verstaat dit toch, gij godvergetenden”, enzovoort. Wat is kleiner dan een zandkorrel? Toch: wat is zwaarder dan het zand van de zee, als je het vermenigvuldigt? Een klein bedrag loopt flink op als je het keer op keer optelt. Zo zal ook een kleine zonde waarover we nooit berouw hebben gehad, ons verdoemen, zoals één lek in een schip ons laat verdrinken als niemand het goed in de gaten houdt. ‘Kleine zonden’, zoals de wereld ze noemt. Maar het zijn grote zonden tegen de majesteit van de almachtige God. Juist Zijn majesteit, waartegen ze begaan worden, geeft ze nadruk en gewicht.

Zonder berouw brengen ze ons de verdoemenis. Je zou denken dat het geen groot ding is om God te vergeten, en toch staat daar een zwaar oordeel op. Talenten niet gebruiken, genade niet oefenen: de wereld ziet het als een kleinigheid. Maar we lezen over hem die zijn talent in de aarde verborg. Hij had het niet opgemaakt, hij had er alleen niet mee gehandeld, en toch wordt hij veroordeeld. — Thomas Watson.

Vers 22

“Opdat Ik niet verscheure.” Dit is beeldspraak, ontleend aan de kracht en de onstuitbare woede van een leeuw. Een herder die zich ertussen werpt, kan zijn kudde daartegen geen bescherming of verdediging bieden. — William Walford.

Vers 23

“Wie dankoffert, die zal Mij eren.” Danken is werk dat God verhoogt. Niets kan ook maar een el toevoegen aan Gods wezenlijke heerlijkheid, en toch verheft lof Hem in de ogen van anderen. Lof is Gods eer tentoonspreiden, Zijn naam omhoogheffen, het zegeteken van Zijn goedheid laten zien, Zijn voortreffelijkheid uitroepen en Zijn roem verbreiden. Het is de kruik met zalf openbreken, zodat de zoete geur van Gods naam zich over de wereld verspreidt.

“Wie zijn weg wel aanstelt.” Het belangrijkste werk van ons geloof speelt zich weliswaar vanbinnen af, maar toch moet “uw licht alzo schijnen” dat anderen het kunnen zien. Het fundament van oprechtheid ligt in het hart, maar de mooie voorgevel zie je in de manier waarop we leven. Gelovigen heten “een eigendom” (Engels: juwelen), omdat ze een fonkelende glans in de ogen van anderen werpen. Een oprecht christen lijkt op de tempel van Salomo: goud van binnen én van buiten. Oprechtheid is een heilig zuurdeeg. Als het in het hart zit, werkt het door in het leven en laat het dat rijzen tot aan de hemel. Fil. 3:20. — Thomas Watson.

Wenken voor de dorpsprediker

Vers 1

Het is voor alle mensen van onuitsprekelijk groot belang te weten wat God heeft gezegd. — W. S. Plumer.

Vers 1

  1. Wie heeft gesproken? De Machtige: niet mensen of engelen, maar God Zelf. 2. Tot wie heeft Hij gesproken? Tot alle volken, alle standen, alle karakters. Dat vraagt om (a) Eerbied, want het is de stem van God.

(b) Hoop, want Hij buigt Zich neer om zelfs tot opstandelingen te spreken.

  1. Waar heeft Hij gesproken?

(a) In de schepping.

(b) In Zijn zorg voor de wereld (de voorzienigheid).

(c) In Zijn Woord. — G. R.

Verzen 1-6

  1. Het gerechtshof wordt bijeengeroepen in de naam van de Koning der koningen.
  2. De zitting is geopend en de Rechter neemt plaats op Zijn zetel; Ps. 50:2, 3. 3. De partijen worden gedagvaard; Ps. 50:8.
  3. De uitkomst van deze plechtige rechtszaak wordt voorspeld; Ps. 50:6. — Matthew Henry.

Verzen 1-15

  1. God roept de mens.
  2. De mens roept tot God.

Vers 2

  1. De innerlijke schoonheid van Sion.

(a) Schoonheid op zichzelf: van wijsheid, heiligheid en liefde.

(b) Vergeleken met de schoonheid van het paradijs en van de hemel van de engelen.

(c) Alles overtreffend: alle volmaaktheden van God samen.

  1. Haar uiterlijke heerlijkheid. Uit haar heeft God geblonken.

(a) Over deze wereld.

(b) Over zielen die genade hebben ontvangen.

(c) Over engelen die ernaar verlangen erin te kijken, enzovoort.

(d) Over het hele heelal. “Alle schepsel … hoorde ik”, enzovoort.

Vers 4

  1. Wat God voor Zijn volk zal doen. Hij zal hen richten: (a) Hij bevrijdt hen. (b) Hij verdedigt hen. (c) Hij ondersteunt hen.
  2. De middelen die Hem daarvoor ten dienste staan. “Hij zal roepen”, enzovoort. Hemel en aarde dienen Hem, ten goede van Zijn kerk. — G. R.

Vers 4

Het oordeel over de zichtbare kerk. God Zelf voert het uit. Het is openbaar en doorzoekend, met vuur en wind, nauwkeurig en onherroepelijk.

Vers 5

De grote familiebijeenkomst.

(a) Wie er worden verzameld.

(b) Hoe ze worden verzameld.

(c) Bij wie.

(d) Wanneer ze worden verzameld.

Vers 5 (laatste zinsdeel)

  1. Het verbond.
  2. Het offer dat het bekrachtigt.
  3. Hoe wij kunnen zeggen dat wij het sluiten.

Vers 6 (laatste zinsdeel)

Dan zal laster het vonnis niet verdraaien, te grote strengheid het niet bitter maken, partijdigheid het niet goedpraten en leugen niemand misleiden. Er zal zeker recht geschieden.

Vers 7

De zonden van Gods volk gaan vooral tegen God in en zijn alleen aan God bekend. Een onderwerp dat diep doorzoekt.

Verzen 13-15

Wat offers niet zijn, en welke offers God welgevallig zijn.

Vers 15

  1. De aanleiding: “benauwdheid.”
  2. Het bevel: “roept Mij aan.”
  3. De belofte: “Ik zal er u uithelpen.”
  4. Het doel: “Gij zult Mij eren”, enzovoort. — G. R.

Vers 15

“Gij zult Mij eren.” Dat doen we door te bidden en door te loven als het gebed is verhoord. Ook door te vertrouwen op Zijn beloften, Zijn kastijdingen te aanvaarden, ons te bekommeren om Zijn eer, trouw te blijven aan Zijn zaak, Zijn volk lief te hebben en Zijn geboden voortdurend te gehoorzamen.

Vers 15

  1. Een bijzondere uitnodiging, voor een bepaald persoon en een bepaald moment.
  2. Een bijzondere belofte aan wie de uitnodiging aanneemt.
  3. Een bijzondere plicht die ontstaat zodra de belofte wordt vervuld.

Verzen 16, 17

  1. Het verbod dat wordt gegeven.

(a) De verboden dingen: “Mijn inzettingen te vertellen.” “Mijn verbond in uw mond”, enzovoort. (1.) Prediken. (2.) Onderwijzen, bijvoorbeeld op zondagsscholen. (3.) Bidden. (4.) Deelnemen aan de eredienst.

(b) De verboden personen: goddeloze predikers enzovoort, zolang ze in hun goddeloosheid volharden.

  1. De reden die wordt opgegeven; Ps. 50:17.

(a) Ze passen de waarheid niet op zichzelf toe.

(b) Ze haten haar in hun hart.

(c) Ze wijzen haar openlijk af. — G. R.

Vers 17

  1. Het noodlottige teken. (a) Een afkeer van onderwezen worden. (b) Een afkeer van wat er onderwezen wordt. 2. Wat dat aanduidt: (a) Hoogmoed. (b) Minachting van God. (c) Onverschilligheid voor de waarheid. (d) Atheïsme in het hart. (e) Een afgestompt geweten. 3. Waartoe het leidt. Zie Ps. 50:22.

Verzen 17, 18

Wie heilzaam onderwijs afwijst, komt vroeg of laat tot openlijke overtreding. Voorbeelden, redenen en waarschuwingen die daaruit volgen.

Verzen 20, 21

  1. De mens spreekt en God zwijgt.
  2. God spreekt en de mens zwijgt.

Vers 21

  1. God laat mensen een tijd aan zichzelf over.
  2. Daarom oordelen ze over God naar zichzelf.
  3. Te zijner tijd laat Hij hun hele zelf aan henzelf zien. “Ik zal u straffen”, enzovoort. — G. R.

Verzen 21, 23

Let op het alternatief: nu een goed ingericht leven, of straks zonden die netjes op een rij worden gezet.

Vers 22

  1. De beschuldiging: “Gij godvergetenden.” Dat zijn mensen die Zijn alwetendheid, Zijn macht, Zijn gerechtigheid, Zijn goedheid, Zijn barmhartigheid, Zijn woord en Zijn grote zaligheid vergeten. 2. De vermaning: “Verstaat dit toch.” Word wakker uit je vergeetachtigheid en denk ernstig na.
  2. De veroordeling: “Opdat”, enzovoort. (a) Hoe vreselijk die is. “Verscheure”, zoals een leeuw of adelaar zijn prooi verscheurt: lichaam en ziel. (b) Hoe onweerstaanbaar ze is: “niemand redde.” — G. R.

Vers 23

  1. Zaligheid is het werk van God.
  2. Het bewijs van zaligheid is heiligheid van hart en leven. 3. Het gevolg van dat bewijs is lof.
  3. Het doel van die lof is God te verheerlijken. God wordt niet verheerlijkt door de twijfels, angsten en klachten van Zijn volk, maar door hun lof. — G. R.

Vers 23 (laatste zinsdeel)

De ware orde van het leven.

  1. Wat het eerste is, komt eerst.
  2. Wat het meeste is, krijgt het meeste.
  3. Wat altijd duurt, geldt altijd.
  4. Wat alles is, krijgt alles.

Werk over de vijftigste psalm

In de oude kwartoeditie (1634) van “Mr. Paul Bayne’s Commentary on Colossians” staat, onder de “divers places of Scripture briefly explained”, een uitleg van Ps. 50:21-23 uit deze psalm, getiteld “The Terror of God displayed against carnal security.”

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas