Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 49 — Treasury of David

Titel
“Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.” Dit is precies hetzelfde als bij eerdere psalmen, dus verdere uitleg is niet nodig.
Indeling
De dichter, die ook musicus was, bezingt onder begeleiding van zijn harp hoe armzalig het is om op je rijkdom te vertrouwen. Zo troost hij de gelovige die onderdrukt wordt. De verzen 2-5 vormen een inleiding. In Psalm 49:6-13 verdwijnt alle angst voor machtige onderdrukkers, want we denken aan hun einde en aan hun dwaasheid. Psalm 49:14 spreekt zijn verbazing uit dat die dwaasheid maar blijft voortbestaan. In Psalm 49:15-16 wordt de toekomst van de goddelozen gezet naast die van de rechtvaardigen. En in Psalm 49:17-21 volgt de les van het geheel, in de vorm van een waarschuwing. Let op het refrein in Psalm 49:13 en 49:21, en op de twee keer dat het woord Sela voorkomt.
Uitleg
Verzen 2-5
In deze vier verzen roept de dichter, die ook profeet is, álle mensen op om naar zijn leerlied te luisteren.
Vers 2
“Hoort dit, alle gij volken.” Dit onderwerp gaat iedereen aan. Het gaat over alle mensen, dus spreekt de psalmdichter ook tot alle mensen. Toch denken we er niet graag over na. Wie anderen wil onderwijzen, moet hen dan ook dringend vragen om te luisteren. Als het thema, zoals hier, wijsheid en inzicht is, vraagt een dichter terecht om aandacht. En als de stijl de beknoptheid van een spreekwoord combineert met de schoonheid van poëzie, is de belangstelling snel gewekt.
“Neemt ter ore, alle inwoners der wereld.” “Wie oren heeft om te horen, die hore.” Mensen in alle windstreken gaat dit aan, want Gods leiding van de wereld volgt overal dezelfde wetten. Het is verstandig om te denken: ik ben een mens, dus alles wat sterfelijke mensen raakt, raakt ook mij. We moeten allemaal voor de rechterstoel verschijnen. Daarom moeten we allemaal serieus luisteren naar heilige vermaningen die ons kunnen helpen ons op die ontzagwekkende dag voor te bereiden. Wie niet wil horen wat hem geleerd wordt, kan niet ontkomen aan het verderf dat hij dan zélf over zich heen haalt, wanneer de Rechter zegt: “Gaat weg van Mij, gij vervloekten.”
Vers 3
“Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm.” Zonen van groten en kinderen van geringen, mannen met veel bezit en mensen die kwijnen in armoede: jullie allen worden opgeroepen te luisteren naar de bezielde zanger. Hij raakt de snaren van zijn harp aan voor een treurig maar leerzaam lied. De eenvoudigen krijgen moed, de hooggeplaatsten een waarschuwing, de rijken worden nuchter en de armen getroost. Er is voor ieder een nuttige les, als hij die tenminste wil leren.
Onze prediking moet voor alle mensen iets te zeggen hebben, en iedereen moet er oren voor hebben. Alleen de rijken naar de mond praten is goddeloze vleierij. Alleen de armen willen behagen is werken als een volksmenner. De waarheid kan zó gebracht worden dat ze ieders aandacht afdwingt, en verstandige mensen zoeken die aanvaardbare manier van spreken te leren. Rijk en arm komen binnenkort samen in het graf. Dan kunnen ze nu ook best samen komen luisteren. In de vergadering van de doden verdwijnen alle standsverschillen. Dan mogen die verschillen nu ook geen belemmering zijn om samen onderwezen te worden.
Vers 4
“Mijn mond zal enkel wijsheid spreken.” De profeet is bezield, en daardoor staat hij boven zichzelf. Hij prijst niet zijn eigen prestaties, maar eert de goddelijke Geest Die in hem sprak. Hij wist dat de Geest van waarheid en wijsheid door hem heen sprak. Wie er niet zeker van is dat zijn boodschap goed is, heeft geen recht om gehoor te vragen. “En de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.” Dezelfde Geest Die de oude profeten welsprekend maakte, maakte hen ook bedachtzaam. De hulp van de Heilige Geest was nooit bedoeld om ons eigen verstand overbodig te maken.
De Heilige Geest laat ons niet spreken als de ezelin van Bileam, die alleen geluiden voortbracht en nergens over nadacht. Nee, Hij brengt ons eerst tot overweging en nadenken. Pas daarna geeft Hij ons de tong van vuur om met kracht te spreken.
Vers 5
“Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk.” Wie wil dat anderen luisteren, begint zelf met luisteren. Zoals de zanger zijn oor naar zijn harp buigt, zo moet de prediker zijn hele ziel in zijn dienst leggen. De waarheid kwam tot de psalmdichter als een gelijkenis. Hij probeerde die te ontraadselen, zodat iedereen er iets aan had. Hij wilde de waarheid niet in het duister laten. Hij luisterde naar haar stem tot hij haar zo goed begreep dat hij haar kon uitleggen en vertalen in de gewone taal van de mensen.
Toch zou ze voor de velen die niet verlicht zijn een raadsel en een duistere rede blijven. Maar dat lag niet aan de zanger, want hij zegt: “ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.” De schrijver was geen mysticus die zich thuis voelde in diepe en nevelige zaken. Maar hij was ook niet bang voor de diepste onderwerpen. Hij probeerde de schatten van het duister te openen en parels uit de diepte omhoog te halen. Om aandacht te winnen goot hij zijn spreukenwijsheid in de vorm van een lied. Hij stemde zijn harp op de plechtige toon van zijn onderwerp.
Laten we ons scharen rond deze zanger van de Koning der koningen. Laten we de psalm horen die voor het eerst werd ingezet door de koorleider, toen het koor van de kinderen van Korach in de tempel hun stemmen verhief.
Vers 6
“Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?” De man van God kijkt rustig vooruit naar donkere tijden. Dan zullen de kwaden die hem op de hielen zaten, tijdelijk de overhand over hem krijgen. Onrechtvaardige mensen worden hier “de ongerechtigen, die op de hielen zijn” genoemd. Ze liggen op de loer voor de rechtvaardigen, als slangen die op de hielen van reizigers mikken. Het zijn dus de kwaden die ons proberen te laten struikelen of tegen te houden. Het is een oude voorspelling dat de slang de hiel van het zaad van de vrouw zou vermorzelen. De vijand van onze zielen doet zijn best die woorden uit te laten komen.
Op een troosteloos stuk van onze weg kan het kwaad sterker en driester worden. Het haalt ons in en valt ons openlijk aan. Wie als een troep wolven achter ons aan liep, kan ons misschien inhalen en omsingelen. En dan? Zwichten we dan uit lafheid? Worden we een prooi voor hun tanden? God verhoede het! Nee, we zullen zelfs dan niet vrezen. Want wat zijn deze vijanden eigenlijk? Niets anders dan sterfelijke mensen, die zullen omkomen en voorbijgaan. Gelovigen hebben geen enkele echte reden tot schrik. Hun vijanden zijn te onbetekenend om ook maar één rilling van angst waard te zijn.
Zegt de HEERE niet tegen ons: “Ik, Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?” Geleerden hebben dit vers ook anders vertaald. Wij blijven liever, als het even kan, bij de erkende vertaling. In dit geval vinden we daarin precies dezelfde betekenis als bij hen die “mijn hielen” weergeven met “mijn belagers”.
Vers 7
“Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen.” Stel dat de vijanden van de goede mens tot de groten van de aarde behoren. Toch hoeft hij hen niet te vrezen. Arme dwazen, die genoegen nemen met zo’n verrot houvast! Als we onze rots naast de hunne zetten, zou het dwaas zijn om bang voor hen te zijn. Ze mogen luid pochen, wij kunnen het ons veroorloven te glimlachen. Wat als ze zich beroemen op de grote hoeveelheid van hun rijkdom? Wij roemen in onze God. Hun trotse dreigementen jagen ons daarom geen schrik aan.
Veel macht, een hoge positie en groot bezit maken goddeloze mensen in eigen ogen heel belangrijk en tiranniek tegenover anderen. Maar de erfgenaam van de hemel laat zich niet imponeren door hun waardigheid, en niet intimideren door hun hoogmoed. Hij ziet hoe weinig rijkdom waard is. Hij ziet hoe hulpeloos de bezitters ervan zijn op het uur van hun dood. Daarom is hij niet zo laag dat hij bang is voor een eendagsvlieg, een mot, een zeepbel.
Vers 8
“Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen.” Met al hun rijkdom bij elkaar kunnen ze geen enkele vriend redden uit de ijskoude greep van de dood. Ze pochen over wat ze met ons gaan doen. Laten ze eerst maar naar zichzelf kijken. Laten ze hun goud wegen op de weegschaal van de dood en zien hoeveel ze daarmee van de worm en het graf kunnen kopen. In dit opzicht staan de armen op één lijn met hen. Hoe innig ze ook van hun vriend houden, ze kunnen God geen losprijs voor hem geven.
Een koninklijk losgeld zou niets uitrichten. Een Monte Rosa van robijnen, een Amerika van zilver, een wereld van goud, een zon van diamanten: God zou het allemaal volkomen verwerpen. O, pochers, denk niet dat jullie ons bang kunnen maken met jullie waardeloze rijkdom. Ga eerst maar de dood intimideren, voordat jullie mensen bedreigen die onsterfelijkheid en leven in zich hebben.
Vers 9
“Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden.” De prijs is te hoog en de koop is hopeloos. Wie met geld een ziel probeert vrij te kopen, zal altijd mislukken. De dood komt, en rijkdom kan hem niet omkopen. De hel volgt, en geen gouden sleutel opent haar kerker. Jullie dreigementen zijn dus ijdel, bezitters van de gele klei! Mensen die de waarde van bezit afmeten aan de sikkel van het heiligdom, vinden jullie kinderspeelgoed niets waard.
Vers 10
“Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.” Geen prijs kan iemand ervoor betalen dat hij eeuwig blijft leven en de verderving niet ziet. Mensen zijn nu al verzot op goud. Hoe dol zouden ze worden als het het levenselixer kon kopen! Er wordt goud uit de buidel gegooid om de worm te slim af te zijn: het arme lichaam wordt gebalsemd of in een loden kist gesloten. Maar dat is een armzalig voornemen, een regelrechte klucht. De ziel is veel te fijn om vastgehouden te worden. Als ze Gods bevel hoort om door onbekende gebieden omhoog te zweven, laat ze zich niet tegenhouden. Wij zullen dus nooit bang zijn voor die lage knagers aan onze hielen. Hun geroemde schat blijkt immers zo machteloos om te redden.
Vers 11
“Want hij ziet, dat de wijzen sterven.” Iedereen ziet dat. De trotse, vervolgende rijkaard kan er niet omheen. Hij kan zijn ogen niet sluiten voor het feit dat mensen die wijzer zijn dan hij, sterven. Hij weet ook dat hij zelf, met al zijn sluwheid, moet sterven. “Dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen.” Dwaasheid beschermt niet tegen de dood. De narrenmuts gaat net zo goed van het hoofd als de toga van de student. Vrolijkheid kan het uur van sterven niet wegmaken met een grapje. De dood bezoekt de universiteit, maar spaart ook de kroeg niet.
Onbezonnenheid en domheid komen even zeker aan hun einde als grondige zorg en slopende studie. Sterker nog: de werkelijk wijzen sterven, voor zover het deze wereld betreft. Maar de dwaas heeft een slechter lot. Hij komt om, wordt uit de herinnering gewist, door niemand beweend en door niemand meer gedacht.
“En hun goed anderen nalaten.” Geen cent kunnen ze meenemen. Of hun erfgenamen in rechte lijn, wettig geboren, hun bezit erven, of dat het onopgeëist blijft: het maakt niet uit. Hun opgespaarde schatten zijn niet langer van hen. Vrienden kunnen ruziën over hun eigendom, vreemden kunnen het als buit verdelen. Zij kunnen er niets meer aan doen. O, pochers, houd eerst jullie eigen bezit maar vast voordat jullie dromen van het beroven van de zonen van de levende God. Zorg dat jullie schoenen aan de voeten hebben op de donkere pelgrimstocht van de dood, voordat jullie ons in de hielen proberen te bijten.
Vers 12
“Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht.” Wie in zijn diepste gedachten nog dwazer is dan hij in zijn woorden durft te zijn, is dwaas in de hoogste mate. Zulke mensen zijn de wereldlingen: verrotte vruchten, rot tot in de kern. Diep in hun hart denken ze, ook al durven ze het niet te zeggen, dat aardse bezittingen echt zijn en blijven. Dwaze dromers! De vele ruïnes van hun kastelen en landhuizen zouden hun beter moeten leren. Maar ze blijven aan die waan vasthouden. Ze kunnen een luchtspiegeling niet onderscheiden van echte waterstromen. Ze denken dat regenbogen blijven staan en dat wolken de eeuwige heuvels zijn.
“Zij noemen de landen naar hun namen.” Dat gebeurt vaak genoeg. Zijn landgoed krijgt de naam van de landeigenaar. Hij kon die naam net zo goed op het water schrijven. Mensen hebben zelfs hele landen naar zichzelf genoemd. Maar wat schieten ze op met dat lege compliment, ook al houden mensen hun naam in gebruik?
Vers 13
“De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet.” Hij is maar een kostganger voor even en blijft niet eens een nacht. Zelfs als hij in marmeren zalen woont, is zijn opzegging al geschreven. Wie hoog zit, is altijd in groot gevaar. De held van het uur is maar één uur een held. Scepters vallen uit de verlamde handen die ze eens vasthielden. Kronen glijden van schedels als het leven weg is.
“Hij wordt gelijk als de beesten die vergaan.” Hij is niet als de schapen die door de Grote Herder behoed worden. Hij is als het opgejaagde dier dat gedoemd is te sterven. Hij leidt een leven als een dier en sterft een dood als een dier. Hij rolt zich in zijn rijkdom, is overladen met genot, wordt vetgemest voor de slacht en sterft als de os in het slachthuis. Wat jammer dat zo’n edel schepsel zijn leven zo onwaardig gebruikt en zo schandelijk eindigt! Voor zover het deze wereld betreft: waarin verschilt de dood van veel mensen van de dood van een hond? Zij dalen neer —
“Tot het verachte stof waaruit zij zijn ontsprongen,
Onbeweend, ongeëerd en onbezongen.”
Hoeveel reden hebben godvrezende mensen dan nog voor angst, als zulke redeloze dieren hen aanvallen? Geldt voor hen niet: “Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid”? We onderbreken hier, omdat deze strofe het refrein van het lied lijkt te zijn. Als zodanig wordt ze herhaald in Psalm 49:21.
Vers 14
Hun ijdele vertrouwen is geen toevallige afdwaling van het pad van de wijsheid. Het is hun weg, hun gewone en vaste manier van leven. Hun hele leven wordt bepaald door zulke uitgangspunten. Hun levenspad is dwaasheid in de kern. Ze zijn dwaas in merg en been. Van begin tot eind is dierlijkheid hun kenmerk. Kruipende domheid bepaalt hun gedrag.
“Nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden.” Wie hen opvolgt, volgt hen ook in hun dwaasheid. Ze halen hun wereldse levensregels aan en vinden hun dolle levensloop de verstandigste manier om te leven. Waarom zien ze aan het mislukken van hun vaders niet dat hun vaders dwaas waren? Nee, een geslacht geeft zijn zwakheid door. Genade is niet erfelijk, maar laaghartige wereldgezindheid gaat van geslacht op geslacht over. Het geslacht van de dwazen sterft nooit uit. Niemand hoeft zendelingen te sturen om mensen te leren regenwormen te zijn. Ze kruipen uit zichzelf naar het stof.
“Sela.” Terecht houdt de zanger hier even in. Hij vraagt ons na te denken over de diepgewortelde waanzin van de zonen van Adam. Lezer, grijp deze gelegenheid aan om na te denken over je eigen waanzin.
Vers 15
“Men zet hen als schapen in het graf.” Als een stomme, voortgedreven kudde worden ze naar hun ondergang gejaagd en opgesloten binnen de poorten van het verderf. Schapen gaan waarheen ze gedreven worden en volgen hun leider zonder na te denken. Zo worden ook deze mensen, die ervoor gekozen hebben om deze wereld hun alles te laten zijn, door hun hartstochten voortgedreven tot ze aan het eind van hun reis zijn. Dat eind is de diepte van het dodenrijk. Of, als we onze eigen vertaling volgen, hebben we het beeld van mensen die rustig sterven en in stilte begraven worden. Maar zij worden alleen wakker om zich te schamen op de laatste grote dag.
“De dood zal hen afweiden.” De dood is een norse herder, die hen voor zich uit drijft naar de plek waar ze eeuwig zullen grazen. Daar is alles kaal en ellendig. De rechtvaardigen worden geleid door de Goede Herder. Maar de goddelozen hebben de dood als herder, en hij drijft hen naar de hel. De macht van de dood heerst over hen in deze wereld, want ze zijn niet uit de dood in het leven overgegaan. Zo zullen de verschrikkingen van de dood hen in de komende wereld verslinden. In oude verhalen eten norse reuzen mensen die ze hun grotten in lokken. Zo voedt ook de dood, het monster, zich met het vlees en bloed van de machtigen.
“En de oprechten zullen in dien morgenstond over hen heersen.” De arme heiligen waren eens de staart, maar als de dag aanbreekt, zullen ze het hoofd zijn. Zondaars heersen tot de avond valt. Hun eer verwelkt in de avond, en in de morgen zien ze hun positie volledig omgekeerd. Voor de oprechten is dit de zoetste gedachte: de “morgen” die hier bedoeld wordt, luidt een eindeloze, onveranderlijke dag in. Wat een kwelling zal het zijn voor de trotse wereldling, wanneer de Rechter van de hele aarde zijn ochtendzitting houdt! Dan ziet hij de man die hij verachtte hoog in de hemel verheven, terwijl hij zelf wordt weggeworpen.
“En het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.” Alle glans die de goddelozen hadden, verdwijnt in het graf. Gestalte en bevalligheid vallen van hen af. De worm richt een treurige verwoesting aan onder al hun schoonheid. Zelfs hun laatste woonplaats, het graf, kan de overblijfselen die eraan zijn toevertrouwd niet beschermen. Hun lichamen lossen op. Er blijft geen spoor over van hun sterke ledematen en hoge hoofden, geen teken van overgebleven schoonheid. De schoonheid van de rechtvaardigen is nog niet geopenbaard. Ze wacht op haar openbaring. Maar alle schoonheid die de goddelozen ooit zullen hebben, staat in dit leven in volle bloei. Ze zal verwelken, verbleken, vergaan, verrotten en helemaal verdwijnen. Wie zou dan nog de trotse zondaar benijden of vrezen?
Vers 16
“Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen.” Uit die tijdelijke rustplaats zullen we te zijner tijd opstaan, levend gemaakt door goddelijke kracht. Net als ons opgestane Hoofd kunnen wij niet door de boeien van het graf worden vastgehouden. De verlossing heeft ons bevrijd uit de slavernij van de dood. Rijkdom kon de mens geen verlossing bieden, maar God heeft die gevonden in het bloed van Zijn dierbare Zoon. Onze Oudste Broer heeft God een losprijs betaald, en wij zijn de vrijgekochten van de HEERE. Vanwege deze verlossing door betaling zullen we zeker ook met kracht worden verlost uit de hand van de laatste vijand.
“Want Hij zal mij opnemen.” Hij zal mij uit het graf halen en opnemen in de hemel. Van mij wordt misschien niet gezegd wat van Henoch: “Hij was niet meer; want God nam hem weg.” Toch zal ik dezelfde heerlijke staat bereiken. God zal mijn geest opnemen. Mijn lichaam zal slapen in Jezus, tot het, opgewekt in Zijn beeld, ook in heerlijkheid wordt opgenomen. Wat staat zo’n hoop oneindig hoog boven alles waarop onze onderdrukkers kunnen roemen! Dit is iets om bij stil te staan. Laten we dus opnieuw pauzeren, op bevel van de zanger, die hier een Sela inlast.
Vers 17
In deze slotverzen wordt de psalmist prediker. Hij geeft ons vermaningen die hij zelf in de praktijk heeft geleerd. “Vrees niet, wanneer een man rijk wordt.” Laat het je niet bezighouden en geen zorgen baren dat goddelozen succes hebben. Stel geen vragen bij Gods rechtvaardigheid en laat geen somber voorgevoel je gemoed verduisteren. Tijdelijke voorspoed is veel te onbeduidend om er wakker van te liggen of je er het hoofd over te breken. Laat de honden maar hun botten houden en de zwijnen hun spoeling. “Wanneer de eer van zijn huis groot wordt.” Ook als de zondaar en zijn gezin hoog in aanzien staan en ver boven anderen uitsteken, maakt dat niets uit.
Te zijner tijd komt alles weer recht. Alleen mensen met een waardeloos oordeel gaan iemand méér bewonderen omdat zijn landerijen groter zijn. Wie om zulke onzinnige redenen zo hoog wordt aangeslagen, vindt al snel zijn eigen niveau terug, zodra waarheid en gerechtigheid op de voorgrond komen en aan het licht treden.
Vers 18
“Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen.” Zijn akkers heeft hij maar in pacht, en de dood maakt een eind aan die pachttijd. Door de rivier van de dood moet ieder mens naakt heen, zonder kleren of bagage. Geen lapje van zijn kleren, geen cent van zijn schat, geen greintje van zijn eer kan de stervende wereldling meenemen. Waarom zouden we ons dan zorgen maken en ons druk maken om zo vluchtige voorspoed, die toch zo snel voorbij is? “Zijn eer zal hem niet nadalen.” Terwijl hij daalt en daalt en daalt, voor altijd, volgt hem geen enkel eerbewijs en geen enkel bezit.
Adellijke titels zijn in het graf niets waard; ze gelden daar niet meer. Zijne Edelachtbare, Zijne Hoogheid, Zijne Lordschap en Zijne Genade: ze zullen hun titels allemaal lachwekkend vinden in de tombe. De hel kent geen adel. Fijnbesnaarde, kieskeurige zondaars zullen ontdekken dat het eeuwige vuur geen ontzag heeft voor hun aanstellerij en verfijning.
Vers 19
“Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent.” Hij verklaarde zichzelf gelukkig. Hij had zijn goede dingen in dit leven gehad. Zijn hoofddoel was zichzelf te zegenen, en de lofzang van vleiers beviel hem uitstekend. “En zij u loven, omdat gij uzelven goed doet.” De meeste mensen aanbidden succes, hoe het ook is behaald. Op de kleur van het winnende paard let niemand, hoe het ook gewonnen heeft; het gaat om de winnaar, en dat is genoeg.
“Zorg voor nummer één” is de bekende levenswijsheid van de wereld. Wie zich eraan houdt, heet “een slimme jongen”, “een fijn zakenman”, “een nuchtere, scherpe handelaar”, “iemand met zijn hoofd op de goede plaats”. Verdien geld en je bent “een achtenswaardig man”, “een gegoed burger”. Je huis wordt “een vooraanstaand handelshuis van de stad” of “een van de beste families van het graafschap”. Goed doen levert roem in de hemel op, maar jezelf goed doen geldt bij wereldse mensen als verstandig.
Toch volgt geen enkele wereldse gelukwens de miljonair op zijn laatste weg. Ze zeggen dat hij stierf met bergen geld, maar wat zegt dat nog tegen het dove, koude oor van de dood? De bankier rot net zo snel als de schoenpoetser, en de edelman vermolmt net zo goed als de bedelaar. Helaas, arme rijkdom! Je bent niet meer dan de regenboogkleur op een zeepbel, de tint die de ochtendnevel geel kleurt zonder er iets aan toe te voegen.
Vers 20
“Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen.” Waar de vorige generaties liggen, zal ook de huidige slapen. De voorouders wenken hun zonen naar hetzelfde land van de vergetelheid. Sterfelijke vaders brengen geen onsterfelijke kinderen voort. Zoals onze voorouders zijn heengegaan, zo gaan ook wij. “Tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.”
Naar deze bovenwereld keert de dode wereldling nooit terug om zijn landgoederen te bezitten en van zijn waardigheid te genieten. Hij moet liggen onder de doden, in dikke duisternis, waar geen vreugde of hoop hem bereikt. Van al zijn schatten blijft niet genoeg over om één armzalige kaars te kopen. De gloed van zijn glorie is voorgoed gedoofd en er is geen vonk meer om hem op te beuren. Hoe zouden wij dan met angst of afgunst kunnen opzien naar zo’n ongelukkige, een arme ziel die tot zoveel ellende is gedoemd?
Vers 21
Het lied sluit af met het refrein: “De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan.” Verstand maakt het verschil tussen mensen en dieren. Maar wie de hoogste wijsheid niet wil volgen en, net als dieren, alles in dit leven zoekt, krijgt een einde dat even armzalig en oneervol is als dat van wild dat op de jacht is neergeschoten of in het slachthuis is afgemaakt. Van de hoogste top van wereldse eer naar de diepste put van de dood is het maar één stap. Meer is er niet nodig.
Het allertreurigste van alles is nog dit. Mensen lijken wel op dieren in alle vernedering van het vergaan, maar niet in de rust die het vergaan van een dier met zich meebrengt. Want helaas, er staat geschreven: “Dezen zullen gaan in de eeuwige pijn.” Zo eindigt het lied van de dichter-zanger. Voor de rechtvaardigen is dit thema een grote troost, voor de wereldlingen is het vol waarschuwing. Luister toch, rijk en arm! Geef gehoor, volken van de aarde!
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Het is vreemd en opvallend dat twee psalmen die zo dicht bij elkaar staan als deze en Psalm 45, en alleen deze twee, een voorafschaduwing zijn van twee werken van Davids zoon: deze van Prediker, die andere van Hooglied. — J. M. Neale.
Vers 2
In deze psalm roept David als het ware alle mensen bijeen en deelt hij hen daarna in groepen in. In het tweede vers roept hij hen op: “Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld.” In het derde vers deelt hij hen in: “slechten” en “aanzienlijken”, “te zamen rijk en arm”. Het Hebreeuwse woord voor “aanzienlijken” is bene ish, zonen van Ish, en voor “slechten” bene Adam, zonen van Adam. Vertalen we de tekst woord voor woord, dan staat er: zonen van mensen en zonen van mensen.
Want zowel “zonen van Adam” als “zonen van Ish” wordt weergegeven met “mensenkinderen”. Worden ze echter tegenover elkaar gezet, dan betekent het ene laag en het andere hoog. Zo hebben onze vertalers het naar de zin overgebracht: niet “mensenkinderen en mensenkinderen”, maar “slechten als aanzienlijken”. Junius vertaalt op dezelfde manier, alleen met meer woorden: zowel zij die van eenvoudige mensen geboren zijn als zij die van aanzienlijken afstammen. — Joseph Caryl.
Vers 5
“Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk.” Dat wil zeggen: ik zal aandachtig luisteren, zodat ik niets onbevallig zing. Het beeld komt van musici, die hun oor dicht bij de harp houden om na te gaan of de klank zuiver is. — Victorinus Bythner.
Vers 6
“Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?” Wie vol is van jaren, komt steeds dichter bij zijn geluk. Zulke mensen hebben hun reis volbracht en zien de haven al liggen. De voorraad van de natuur is op, haar schatkist is leeg. De goede mens daalt dan niet zozeer in het graf af als wel dat hij erin valt, en vanuit het graf rijst hij op naar de hemel, naar eeuwige zaligheid. Zou hij daarvan ontdaan zijn? Zou hij daarvan schrikken? Zou hij bang zijn om gelukkig gemaakt te worden? Als ik me niet vergis, is dit wat de psalmist bedoelt.
Meestal worden deze woorden uitgelegd als slaande op zijn levensweg in het algemeen. Mij lijkt dat ze vooral slaan op de rampen die bij zijn ouderdom horen. Want “de kwade dagen” zijn de ouderdom, en de wijze noemt ze ook zo, in Pred. 12:1. Zoals de hiel het uiterste deel van het lichaam is, zo wijst ze hier op het laatste deel van iemands leven, zijn afnemende jaren. En “ongerechtigheid” (zoals dat woord bij de Hebreeën soms wordt gebruikt) betekent hier een kwaad dat als straf komt, en staat voor de zwakheden en het verval aan het eind van het leven.
De ware zin van de woorden van de psalmist is dus deze: nu, in mijn laatste dagen, laat ik me niet neerdrukken door angst en zwaarmoedigheid. Want ik kom dichter bij mijn geluk. Mijn afnemende jaren leveren mij uit aan de dood, en de dood draagt mij over aan het eeuwige leven. Dat is een reden tot blijdschap, niet tot vrees. Daarom beschouw ik mijn laatste dagen als het meest begerenswaardige deel van heel mijn leven. — John Edwards, D.D. (1637–1716), in “The Theologia Reformata”.
Vers 6
“Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?” (Engels: “de ongerechtigheid van mijn hielen”) Dat wil zeggen: wanneer mijn zonden en tekortkomingen in wat ik gedaan heb me te binnen schieten, of me als tuchtiging worden opgelegd. Elk mens heeft wel wat ongerechtigheid aan zijn hielen. Zoals er vuil aan onze hielen blijft kleven terwijl we door een vuile wereld lopen, zo zit er wat vuil, wat bezoedeling aan al onze daden. Dat mogen we “de ongerechtigheid van onze hiel” noemen. — Joseph Caryl.
Vers 6
“Als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?” Samen met bisschop Lowth, de beroemde Michaëlis, bisschop Hare en een groot aantal andere uitleggers neig ik sterk tot de gedachte dat ((Hebr.)), vertaald met “die op de hielen zijn”, gezien moet worden als het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord ((Hebr.)): uit de plaats dringen, bedrieglijk handelen, bedriegen, iemand bij de hiel vasthouden, enzovoort. Is dat juist, dan moet de vertaling luiden:
Waarom zou ik vrezen in de dagen van tegenspoed,
De ongerechtigheid van mijn verdringers, die mij omringen?
De Syrische en de Arabische vertaling lezen, net als dr. Kennicott:
Waarom zou ik vrezen op de kwade dag,
Wanneer de ongerechtigheid van mijn vijanden mij omringt?
— John Morison.
Verzen 6-10
Waarom zou ik vrezen in het kwade uur,
Al liggen wrede vijanden op de loer,
Die zwelgen in hun trotse macht
En bouwen op hun opgestapeld goud?
Wie kan het losgeld voor zijn broeder betalen
Of Gods eeuwig vonnis ongedaan maken?
Welke hand ontrukt de dood zijn prooi,
Het graf vol verrotting zijn feestmaal?
Uit “The Psalter, or Psalms of David, in English verse. By a member of the University of Cambridge” (Benjamin Hall Kennedy, D.D.), 1860.
Vers 7
“Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen.” Hier zien we de rijke mens die vertrouwt én roemt. Wat een vertrouwen! Dat is werkelijk een zeer groot vertrouwen, een vertrouwen dat uitloopt op roemen! Wie zich op God beroemt, heeft de hoogste trap van geloof in God bereikt. Zo’n geloof hebben deze mensen in hun fijne goud: ze beroemen zich erop. — Joseph Caryl.
Vers 7
“Die op hun goed vertrouwen.” De zelfspraak van de gierigaard. Geloof me, de tijden zijn zwaar en gevaarlijk, en niemand kan nog zomaar op een ander rekenen. De liefde is bekoeld en vrienden zijn onbetrouwbaar. Een lege beurs zit vol verdriet en holle zakken maken een zwaar hart. Armoede is een maatschappelijke pest. Ze jaagt vrienden en familie weg en laat ons achter met een “Heere, ontferm U onzer.” Het is een ziekte die erg aanstekelijk en besmettelijk is en vaker wordt gemeden dan genezen. Het beste tegengif is engelwortel en voorzienigheid, en het beste hartsterkende middel is aurum potabile, drinkbaar goud.
Goud op de nuchtere maag is een beproefd geneesmiddel. Schulden zijn slechte lichaamssappen en lopen uiteindelijk uit op gevaarlijke verstoppingen. Lenen is pure uitputting van het levenssap, en als dat op is, blijft er van de patiënt niets over. Laat anderen maar hun vertrouwen stellen op de beloften van hovelingen, op de diensten van vrienden, op de gunsten van vorsten. Geef mij maar dat speeltje dat goud heet, geef mij dat ding dat geld heet. O gezegende Mammon, wat is jouw alles beheersende aanwezigheid zoet voor mijn bloeiende ziel! In ballingschap ben je mijn dierbare metgezel, in gevangenschap mijn kostbare losprijs.
In angst en kwelling ben je mijn heerlijke rust, in ziekte mijn gezondheid, in verdriet mijn enige vreugde, in alle nood mijn enige houvast. Deugd moet voor jou buigen. Ja, zelfs genade, als ze niet gekruid is met jouw zoetheid, zou de rechtvaardige smaak van de mensenkinderen tegenstaan. Kom dan, mijn ziel, overleg, bedenk, ontwerp. Trek over zee en land. Laat geen waagstuk onbeproefd, geen pad onbetreden, geen tijd ongebruikt. Gun je ogen geen slaap en je hoofd geen rust. Verwaarloos je vraatzuchtige buik, ontkleed je rug. Bedrieg, verraad, zweer en zweer vals om zo’n vriend te winnen.
Ben je laag van geboorte? Goud maakt je eervol. Zwak van macht? Goud maakt je gevreesd. Heb je weinig vrienden? Goud maakt ze talrijk. Is je zaak slecht? Goud werft pleitbezorgers voor je. Wijsheid is een uitstekende hulp, zeker, als ze maar deze kant op buigt. En geleerdheid is een fraai sieraad, als ze niet te veel kost. Maar met permissie: ze zijn slechts bezit voor de duur van dit leven. Eeuwig goud echter, goed belegd, zegent niet alleen je dagen, maar ook je kinderen die je overleven, van geslacht op geslacht. Kom, kom, laat anderen hun hoofd vullen met duur gekochte slimheid, hun penningen omzetten in kostbare liefdadigheid en hun hart volstoppen met onvruchtbare vroomheid.
Laat hen alles verliezen om hun ingebeelde geweten te redden, en zichzelf thuis tot bedelaar maken om elders voor eerlijk te worden aangezien. Vul jij je zakken en je schuren, leg voor vele jaren voorraad aan, en neem rust. — Francis Quarles, in “The Covetous Man’s Care.”
Vers 7
De vorm van geld past goed bij zijn aard. Het wordt immers rond geslagen, omdat het zo graag bij een mens wegrolt. Vuur, dieven, water en talloze andere oorzaken verteren rijkdom en maken de bezitters arm, al hebben ze miljoenen en bergen goud. Maar stel dat het tegen zijn aard in bij iemand blijft. Ook dan kan die mens niet bij zijn bezit blijven. Hij moet het achterlaten, of hij wil of niet, zoals de psalmist zegt in Ps. 49:18: “Hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.” Zo maakt de dood met geweld een einde aan de band tussen de rijke en zijn bezittingen, wanneer tot hem gezegd wordt: “Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen.”
De rijke slaapt, zegt Job heel treffend, en wanneer hij zijn ogen opent, is er niets. Het gaat een rijke bij zijn dood zoals een slaper die uit zijn droom ontwaakt. Wie droomt dat hij een rijke buit vindt of bezit, is buitengewoon blij. Maar als hij wakker wordt, heeft hij niets en ziet hij dat het maar een droom was. Dan is hij bedroefd. Zo leek de rijke in zijn leven iets te bezitten, maar op zijn sterfdag verdwijnt alles als het beeld uit een droom, en dat doet pijn. — J. D., in “The Threefold Resolution,” 1608.
Vers 7
Wie klopt brutaler aan de hemelpoort om binnengelaten te worden dan zij die Christus zal afwijzen als werkers der ongerechtigheid? O, wat een zelfbedrog! Caligula maakte zich nooit belachelijker dan toen hij als god vereerd wilde worden terwijl hij meer als een duivel leefde. Bewijs eerst, om Gods wil, dat jullie mensen zijn en geen beesten, voordat jullie willen dat anderen jullie voor christenen houden. Met jullie beestachtige leven doen jullie het tegendeel. Praat dus niet over jullie hoop op zaligheid zolang jullie schandelijke leven de tekenen van verdoemenis draagt.
Was de weg naar de hemel zo gemakkelijk, dan hebben de heiligen zich door alle eeuwen heen schromelijk vergist, dat ze zich zoveel moeite getroostten om hun begeerten te doden en hun zinnelijke lusten niet te volgen. Dat kan ik je wel verzekeren. Waarom hebben zij zoveel zweet verspild in hun ijverige dienst aan God, en zoveel tranen omdat ze Hem niet beter konden dienen, als ze naar de hemel hadden kunnen gaan zoals deze mensen hopen te doen?
Die monnik oordeelde veel gezonder. Hij predikte in een vastentijd in Rome, waar enkele kardinalen en veel andere hooggeplaatsten aanwezig waren, en begon zijn preek abrupt en ironisch met deze woorden: Sint Petrus was een dwaas, Sint Paulus was een dwaas en alle eerste christenen waren dwazen. Want zij dachten dat de weg naar de hemel liep over gebeden en tranen, waken en vasten, strenge versterving en het opgeven van de praal en glorie van deze wereld. Maar u brengt hier in Rome uw tijd door met bals en maskerades, u leeft in pracht en hoogmoed, in wellust en overdaad, en toch noemt u uzelf goede christenen en hoopt u zalig te worden. Maar uiteindelijk zult u de dwazen blijken, en zij de wijzen te zijn geweest. — William Gurnall, Lijkrede voor Lady Mary Vere, 1671.
Verzen 7-11
David spreekt over mensen die op hun bezit vertrouwen en roemen op hun grote rijkdom. Rijke mensen kunnen veel, maar er is iets wat zij niet kunnen: niemand van hen kan zijn broeder verlossen of God een losprijs voor hem geven. Waarvan kan een rijke zijn broeder niet verlossen? Dat geldt voor de geestelijke verlossing, de verlossing van de ziel, en die ligt nog het verst buiten het bereik van de rijke. Geld vermag daar niets: “Dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt … maar door het dierbaar bloed van Christus.” 1 Petr. 1:18, 19.
Maar de psalmist heeft het over een lagere verlossing, waar alle rijkdom van de mens niet bij kan: “Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven; want de verlossing hunner ziel” (dat is van hun persoon uit het graf) “is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden.” Dat hij het over hun verlossing uit het graf heeft, staat duidelijker in Ps. 49:10: “dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.”
Jezus Christus heeft ons niet verlost zodat we eeuwig zouden leven zonder de verderving te zien. Dat was het voorrecht van Jezus Christus, onze Verlosser: Hij zag de verderving niet. Maar Hij heeft ons niet verlost opdat wij de verderving niet zouden zien. Hij heeft ons verlost om eeuwig in de hemel te leven, bij Hem. Niet om eeuwig op aarde te leven, of in het graf aan de verderving te ontkomen.
Want, zoals Ps. 49:11 zegt, “hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.” Het is alsof hij zegt: geen van beide soorten mensen kon van hun rijkdom dit gebruik of dit voordeel maken, namelijk zichzelf vrijkopen van de gang naar het graf. Want als ze dat konden, zouden ze alles aan die aankoop hebben besteed. Maar ze konden het niet, dus laten ze hun bezit aan anderen na. — Joseph Caryl.
Vers 8
“Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen”, enzovoort. Sommige dieren die aan God gewijd waren, konden voor een bepaald bedrag worden vrijgekocht. Maar voor het losgeld van een mensenziel kon nooit een prijs worden vastgesteld, hoeveel iemand ook wilde bieden. Dat er toch ooit zo’n losprijs zou komen, had het geloof van de kerk altijd verwacht: “Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.” Ps. 130:8. — W. Wilson, D.D.
Vers 9
“Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden.” In dat oordeel geldt: tranen helpen dan niet meer en gebeden worden niet verhoord. Beloften worden niet aangenomen en bekeren is te laat. Rijkdom, eretitels, scepters en kronen zullen nog veel minder uitrichten.
Het onderzoek zal bovendien zo grondig en zo eerlijk en nauwkeurig zijn dat geen enkele lichtvaardige gedachte en geen enkel ijdel woord wordt vergeten (tenzij je er in je leven spijt van hebt gehad). De Waarheid Zelf heeft immers niet voor de grap, maar in volle ernst gezegd dat de mensen van elk ijdel woord dat zij gesproken hebben, rekenschap zullen afleggen op de dag van het oordeel.
O, hoeveel mensen zondigen nu nog met groot genoegen, ja met gretigheid, alsof we een god van hout of steen dienden die niets ziet en niets kan doen! Zij zullen dan verbijsterd, beschaamd en sprakeloos zijn. Dan is het afgelopen met de vrolijke dagen die je nu hebt. Je wordt overspoeld door eeuwige duisternis, en in plaats van je genoegens wachten je eeuwige pijnen. — Thomas Tymme.
Vers 9
Want het kost meer om hun zielen vrij te kopen; daarom moet hij het voor altijd laten rusten, dat kan hij zich nooit veroorloven. — Vertaling van het Gebedenboek.
Vers 9
“En zal in eeuwigheid ophouden.” Dat betekent: met rijkdom kom je voor altijd tekort om dit te bereiken. Rijkdom heeft altijd tekortgeschoten en zal altijd tekortschieten. Dat blijft zo, wat we ook proberen. Er is geen enkele hoop dat het ooit genoeg zal zijn, hoe hoog we het bedrag ook opvoeren en hoe gunstig we de voorwaarden van de koop ook maken. Bezit of geld kan hier niets aan bijdragen, op geen enkele manier.
De hele zaak is volkomen uitzichtloos, als het gaat om de kracht van geld om één mens uit het graf te redden. Rijkdom moet er altijd in falen een mens van de dood te redden. Het woord dat hier met “ophouden” is vertaald, is het Hebreeuwse chadal. Het betekent: laten varen, stoppen, tekortschieten. Zie Gen. 11:8; Ex. 9:34; Jes. 2:22. — Albert Barnes.
Vers 12
“Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid.” Hieraan zie je wat onze daden werkelijk betekenen. We maken God niet tot ons deel, maar vertrouwen op onze overvloed aan rijkdom. Dat is onze binnenste gedachte, wat ons hart zegt: “Jij bent mijn god.” Eigenlijk zeggen we dan tegen ons geld: jij bent mijn vertrouwen, mijn hoop en mijn vreugde. Jij staat me bij als al het andere ophoudt en wegvalt. Jij laat mij geen gebrek lijden en mij niet in het ongelijk stellen, zolang jij er maar bent. Dat zijn de verborgen uitspraken van ons hart, die we nooit hardop zouden zeggen.
Christenen! Veel mensen kunnen als redenaars flink uitvaren tegen de ijdelheid van alles wat geschapen is. Ze praten even laatdunkend over geld als anderen en zeggen: “We weten wel dat het maar een beetje gezuiverde aarde is.” Maar hun hart hangt eraan vast. Ze vinden het moeilijk om het los te laten voor God, of wanneer God er duidelijk om vraagt.
Wie goede woorden over God spreekt, vertrouwt daarom nog niet op God. Dat laat zien hoe we onszelf kunnen misleiden. Zo ontslaat ook kwaad spreken over aardse rijkdom ons niet van het vertrouwen erop. Er is een verschil tussen redeneren als een redenaar en handelen als een christen. — Thomas Manton.
Vers 12
“Hun binnenste gedachte.” Als goede gedachten jouw diepste gedachten zijn, als (zoals we zeggen) het beste onderaan ligt, dan denk je juist en ben je rechtvaardig. Want zoals de diepste gedachten van wereldse mensen wereldse gedachten zijn en die van goddelozen goddeloze gedachten, zo zijn de diepste gedachten van goede mensen goede gedachten.
De Heilige Geest merkt over wereldse mensen iets opmerkelijks op: hun binnenste gedachte is dat hun huizen zullen blijven bestaan in eeuwigheid, enzovoort. Waarom staat dat er? Bestaat er dan een gedachte die niet binnenin zit? Nee, maar dit is de bedoeling. Zulke mensen hebben soms wel een paar zwevende gedachten over hun sterfelijkheid, over de ijdelheid en vergankelijkheid van alles wat van deze wereld is. Maar die drijven als het ware bovenop. Ze laten die gedachten niet in hun hart zinken en niet tot op de bodem doordringen.
Wat daar wél woont, zijn gedachten zoals onze Zaligmaker die beschrijft bij de man die bij zichzelf dacht: “Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.” Luk. 12:19. Let op die woorden: “hij overleide bij zichzelven.” Er zijn nog andere gedachten die soms aan de deur van het hart van zo’n wereldmens kloppen, ja zelfs door zijn ramen naar binnen kijken. Zo begon Paulus’ preek tot Felix’ hart door te dringen, en deed hem sidderen.
Maar binnenin zitten andere gedachten. Kunnen die de goede gedachten niet helemaal buitensluiten, dan houden ze die in elk geval tegen om een echte, diepe indruk op het hart te maken. Deze gedachten nestelen zich als het ware in de wortels van het hart, om te voorkomen dat andere gedachten daar komen. Juist die diepe gedachten noemt de Schrift de binnenste gedachten, zoals de psalmdichter zegt in Ps. 64:7: “Het binnenste eens mans, en het diepe hart.” — Faithful Teat, in “Right Thoughts the Righteous Man’s Evidence”, 1666.
Vers 12
“Zij noemen de landen naar hun namen.” God maakt dwazen van hen. Want hoe weinigen komen verder dan het derde geslacht? Hoe weinig huizen zijn er waarvan het kind of kleinkind kan zeggen: “Dit was van mijn grootvader en mijn overgrootvader”? Hoe weinig huizen zijn er waarvan de huidige bewoners kunnen zeggen: “Mijn voorvader woonde hier, en dit waren zijn landerijen”? Trek door een heel land: weinigen kunnen het zeggen.
Als mensen bouwen, bouwen ze behalve op aarde ook luchtkastelen. Ze hebben hun dromen en plannen. Nu bouw ik voor mijn kind en voor het kind van mijn kind. Maar God gooit roet in het eten. Ze krijgen geen nageslacht, of door duizend dingen die in de wereld gebeuren loopt het toch anders.
De tijd is kort en de gedaante van deze wereld gaat voorbij. Dat wil zeggen: de gebouwen gaan voorbij, het bezit gaat voorbij, alles hier gaat voorbij. Koop daarom alsof je het niet bezit. Koop zo dat we het beste bezit in de hemel niet verwaarlozen, en bezit deze dingen zo dat we er zelf niet door worden bezeten en beheerst. — Richard Sibbes.
Vers 12
De heer A. was een welgestelde boer in Massachusetts van ongeveer zestig jaar. Zijn grootste en bijna enige hartstocht in het leven was bezit verwerven. Zijn buurman B. had een klein boerderijtje dat te dicht in het midden van A.’s uitgestrekte gebied lag. Het was een vlek in zijn uitzicht en verstoorde de nette vorm van zijn land. Naar zijn mening moest hij het dus wel bij zijn andere bezit voegen, anders was zijn bezit niet compleet.
B. kwam in geldnood en werd gedagvaard. Er volgden vonnissen en bevelen tot executie. A. dacht nu dat hij het land zou krijgen. Maar de ene executie na de andere werd geregeld, en uiteindelijk werd de schuld afgelost zonder dat het land werd verkocht. Toen A. hoorde dat de laatste executie was betaald en daarmee zijn hoop op het land was vervlogen, riep hij uit: “Nou, B. is een oude man en kan niet lang meer leven. Als hij sterft, kan ik het stuk kopen.” B. was achtenvijftig, A. was zestig! Lezer, verwacht jij ooit te sterven? — K. Arvine, Cyclopaedia of Moral and Religious Anecdotes.
Vers 12
“Ik heb zulke landen gekocht”, zegt een ander, “en ik heb er zo’n goed bewijs van eigendom voor, dat ze vast voor altijd van mij en mijn erfgenamen blijven.” Zo iemand bedenkt nooit dat alles hier beneden elke dag onderhevig is aan eb en vloed, aan wendingen en wisselvalligheden. Zo’n man rekent zich rijk en veilig, maar niets hier beneden staat vast. — Joseph Caryl.
Vers 12
Hoe vluchtig aardse bezittingen zijn, zie je goed aan het leven van William Beckford. En hoe kortstondig prachtige bouwwerken zijn, zie je in de ruïne van zijn beroemde Babel, Fonthill Abbey. Byron bezong Beckfords paleis in Spanje in woorden die precies op Fonthill passen:
“Ook daar, o Vathek, Engelands rijkste zoon,
Schiep jij eens je paradijs, en zag niet in
Dat, waar de rijkdom tomeloos haar grootste werk verricht,
De zachte Vrede altijd zinnelijk vertier ontvlucht.
Hier woonde jij, hier smeedde jij je plannen voor genot,
Onder de altijd schone kruin van gindse berg.
Maar nu, alsof geen mens er ooit een zegen over sprak,
Ligt je sprookjesslot zo eenzaam als jijzelf!
Hier laat het reuzenonkruid nauwelijks een doorgang vrij
Naar verlaten zalen en poorten, wijd opengesperd:
Een nieuwe les voor wie nadenkt, hoe
IJdel de genoegens zijn die de aarde schenkt,
Weldra tot wrakhout weggespoeld door het ruwe getij van de tijd!”
— C. H. S.
Verzen 12, 13
“Zij noemen hun gronden naar hun namen. Maar de grondeling, in het midden van den luister, blijft niet.” In Ps. 49:12 staat in het Hebreeuws het woord voor “gronden”. In Ps. 49:13 staat het woord voor “grondeling”. Dat is een bewuste herhaling en woordspeling. Doordat men hier niet op lette, is de plaats niet helemaal begrepen. — John Mason Good.
Vers 13
“De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet.” De rabbijnen lezen het zo: “Adam, die in eer was, bleef geen nacht.” Het Hebreeuwse woord voor “blijven” betekent: “overblijven” of “overnachten”. Adam heeft in het paradijs dus kennelijk geen enkele nacht doorgebracht. Zo kort duurde de eer van de eerste mens. — Thomas Watson, Body of Divinity.
Vers 14
“Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden.” Meester Baxter zegt hier iets heel goeds over in zijn “Saints’ Everlasting Rest”, een bijzonder uitgelezen boek. De adel leert haar kinderen het plezier na te jagen en het gewone volk leert zijn kinderen het gewin. Jongeren volgen graag de ouderen.
Dit is hun weg, hun dwaasheid. Zelfs de heidenen keuren dit af, en toch letten christenen er niet op. Dat is beschamend voor ons. De wijsgeer Crates zei dat hij het liefst, als het kon, op de hoogste plek van de stad zou klimmen en daar luid zou roepen:
“Wat bedoelen jullie toch, heren, en waar rennen jullie halsoverkop heen? Jullie zorgen en tobben zo veel als je maar kunt om bezit bijeen te schrapen en rijkdom op te bouwen. Intussen geven jullie weinig of niets om je kinderen, aan wie jullie al die rijkdom moeten nalaten! Geven de meesten niet meer om het uiterlijke welzijn van hun kinderen dan om de gezondheid van hun innerlijke mens?” — J. Votier, Survey of Effectual Calling, 1652.
Vers 14
“Deze hun weg is een dwaasheid van hen.” Hoe dwaas een mens is, zie je zelden zo goed als wanneer hij druk bezig is met niets: veel geschreeuw en weinig wol. Zo ging het met dat ijdele ventje, een echte gewichtigdoener, dat zich aan Alexander vertoonde. Hij had er veel tijd en moeite aan besteed en schepte op dat hij een erwt door een klein gaatje kon gooien. Hij verwachtte een grote beloning. Maar de koning gaf hem slechts een schepel erwten, een beloning die paste bij zijn ijverige nalatigheid, of zijn drukke ledigheid.
Dingen die ijdel en leeg zijn, verdienen onze zorg en inzet niet. Daar gaat ons leven te snel voor voorbij. De man die met hard werken en levensgevaar de top van de kerktoren beklom om daar een ei rechtop te zetten, was terecht een voorwerp van medelijden en gelach. Wie een even groot vuur aanlegt om een ei te bakken als om een os te braden, zullen we weinig beter dan krankzinnig vinden. — George Swinnock.
Vers 14
“Een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen.” Dr. Leifchild vertelt in zijn “Remarkable Facts” over een vermogend man. Hij kwam altijd trouw naar zijn kerkdiensten, maar had steeds een gierige instelling laten zien. Dr. Leifchild schrijft:
“Ik werd erbij geroepen om hem de troost van het geloof te brengen, terwijl hij op zijn sterfbed lag. Ik sprak en bad met hem. Wat schrok ik toen hij mijn hand niet wilde pakken! Hij mompelde dat hij wist dat hij niet gedaan had wat goed was voor de steun en de bevordering van het geloof, maar dat hij van plan was zich op dat punt te verbeteren. Toen vroeg hij mij wat ik dacht dat er van hem zou worden.
Wat kon ik anders antwoorden dan hem aansporen zich te bekeren? Ik zei hem alle verdere wereldse gedachten los te laten en zich te richten op het offer en de bemiddeling van de Zoon van God, voor vergeving, veiligheid en redding in die wereld die hij naar alle schijn spoedig zou binnengaan. Hij staarde mij aan met een teleurgestelde blik, alsof hij iets anders van mij had verwacht.
Iemand gaf mij een wenk om te vragen waar hij op dat moment aan dacht. Ik vroeg het hem heel rechtstreeks. Tot mijn verbazing en ontzetting gaf hij schoorvoetend toe dat zijn handen, terwijl hij op het punt leek zijn laatste adem uit te blazen, onder de dekens de sleutels van zijn kast en zijn schatten omklemden, zodat niemand ze hem kon afnemen!
Kort daarna overleed hij. Helaas was er reden te vrezen dat hij, samen met zijn bezit, iets van zijn noodlottige hartstocht had doorgegeven aan wie achterbleven. Het deed mij pijn te bedenken dat iemand die mijn preken hoorde deze wereld verliet met zijn vingers in de dood verstijfd rond de sleutels van zijn schatten. Hoe sterk, hoe vreselijk was de heersende hartstocht in de dood van deze man!”
Vers 15
“Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.” Of, zoals we in de kantlijn lezen: “het graf, een woning zijnde voor elk van hen, zal hun gedaante verslijten.”
Iemand zou kunnen tegenwerpen: geldt dit niet ook voor godvrezende mensen? Worden zij door de dood en het graf niet net zo behandeld? Laat de dood hen ook niet weiden? En laat het graf hun gedaante ook niet vergaan? Ik antwoord: het is waar dat de dood en het graf dat bij hen doen, maar toch hoeft het hen niet te weiden of te verteren zoals het goddelozen weidt en verteert. De psalmdichter spreekt hier immers over de dood die als het ware zegeviert over de goddelozen, terwijl de godvrezenden juist zegevieren over de dood.
Ten eerste zegt hij: de goddelozen worden als schapen in het graf gelegd. Ze leefden als wolven of leeuwen, maar ze worden als schapen in het graf gelegd. Waarom als schapen? Niet vanwege de onschuld van hun leven, maar vanwege hun machteloosheid in de dood. Het is alsof er staat: zodra de dood hen te pakken nam om hen in het graf te leggen, konden ze niet meer weerstand bieden dan een schaap tegen een leeuw of een wolf.
Als de dood hen zo in het graf heeft gelegd, zegt de psalmdichter ten tweede: de dood zal hen afweiden, zoals een leeuw een schaap, of een wild dier zijn prooi. Dat is een stap verder in de overwinning van de dood op de goddelozen. De dood heeft hen dan helemaal in zijn macht.
En ten derde: hun gedaante zal in het graf vergaan. Dat wil zeggen: al hun lichamelijke en natuurlijke schoonheid (en dat is alle schoonheid die ze hebben) vergaat in het graf. De godvrezenden hebben daarentegen een schoonheid (en dat is volgens hen ook hun enige schoonheid) die het graf niet kan verteren. Dat is de schoonheid van hun genadegaven, het sieraad van heiligheid, de geestelijke schoonheid van de innerlijke mens. Ja, ook de geestelijke schoonheid van wat zij heilig doen, zal niet in het graf vergaan. Want: “Zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.” Openb. 14:13. — Joseph Caryl.
Vers 15
“De dood zal hen afweiden.” Liever: “De dood zal hun herder zijn.” (Septuaginta.) Aan het eind van de vorige psalm had de psalmdichter namens zijn volk gezegd dat “God onze God is, eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden als een herder over den dood”. Hier pakt hij hetzelfde herdersbeeld weer op. Hij zet er met nadruk het lot tegenover van trotse en voorspoedige wereldse mensen, die vertrouwen op hun aardse rijkdom en macht.
Zij worden niet veilig geleid, zoals de gelovigen, onder Gods herderlijke zorg, dwars over de dood heen. Nee: de dood zelf zal hun herder zijn, een heel andere herder dan Hij Die de Zijnen leidt, en het graf hun schaapskooi, waar ze samen als schapen in een hok worden neergelegd.
Augustinus zegt het zo: “De dood is de herder van de ongelovige. Het Leven (dat is Christus) is de Herder van de gelovigen.” “In inferno sunt oves quibus pastor Mors est; in caelo sunt oves quibus pastor Vita est.” En zo Keble:
Als een kudde staan zij opgesteld
Voor het donkere graf; de dood gaat hun voor,
De dood is nu hun herder.
— Christopher Wordsworth.
Vers 15
De woorden “in den morgenstond” betekenen volgens Dathe: op het moment van het oordeel. Hij denkt dat hier wordt gezinspeeld op het gewone tijdstip van de rechtszittingen, en die werden ’s morgens gehouden. Vergelijk Psalm 73:14; 101:8; Jeremia 21:12. — Redactionele aantekening bij Calvijn, bij deze plaats.
Vers 15
Hun gedaante zal in het graf vergaan. Kijk eens even naar de tombes en graven van vorsten en edelen. Toen ze nog leefden, zagen we hun glans en majesteit. Zien we nu de afschuwelijke gedaante die ze hebben gekregen, dan roepen we vol ontzetting uit: is dit die heerlijkheid? Is dit die hoogheid en voortreffelijkheid? Waar zijn nu hun rijen dienstknechten? Waar zijn hun sieraden en juwelen? Waar is hun praal, hun overdaad en hun kieskeurigheid? Het is allemaal verdwenen als rook in de wind. Er is niets meer over dan stof, afschuw en stank, meer niet.
De ziel is losgemaakt van het lichaam. Op de grond ligt geen mens meer, maar een dood kadaver zonder leven, zonder gevoel, zonder kracht, en zo vreselijk om te zien dat je het bijna niet kunt aanzien. Eerlijk gezegd is het lichaam nauwelijks meer waard dan dat van een paard of een hond die dood in het veld ligt. Iedereen die voorbijloopt, houdt zijn neus dicht en maakt dat hij wegkomt, om de aanblik en de stank te ontlopen. Zo is nu het lichaam van de mens geworden, ja, zo wordt het van ieder van ons, al was het dat van een monarch, een keizer of een koning.
Waar is die majesteit, die voortreffelijkheid, dat gezag van vroeger, toen iedereen beefde bij de aanblik en niemand zonder diep ontzag in zijn tegenwoordigheid durfde te komen? Wat is er van dat alles geworden? Was het een droom, een schaduw?
Daarna wordt de begrafenis voorbereid, en dan is het afgelopen. Dat is alles wat mensen van hun rijkdom en hun koninkrijk kunnen meenemen, en zelfs dat zouden ze niet hebben als ze er tijdens hun leven niet zelf voor hadden gezorgd, voor hun waardigheid en eer. Want de profeet David zegt het naar waarheid, in Psalm 49:17 en 18: “Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt; want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.” — Thomas Tymme.
Vers 15
Wat voor akelige, sombere tonelen doen zich voor als we een knekelhuis binnengaan en het graf bekijken! Wat een groot en gewichtig schouwspel! Ontstellende gruwelen treffen onze verbeelding. Afschuwelijke geluiden van ziekte, verwoesting en dood, met heel hun jammerlijke, zwarte gevolg, laten ons huiveren. Ach, wat een droevige, verwarde hoop puin van de mensheid! Wat een vreselijk bloedbad is er onder het menselijk geslacht aangericht! En wat een plechtig, ontzagwekkend toneel van sterfelijkheid ligt voor onze geest, bedekt met de door elkaar liggende resten van onze medeschepselen!
Daar liggen de beenderen van een trotse monarch, die zichzelf voor een kleine god hield, vermengd met het stof van zijn armste onderdanen. De dood greep hem op het toppunt van zijn ijdelheid. Hij kwam juist terug van een verovering, zijn hoogmoedige geest zwol van macht en grootheid, toen een van die noodlottige pijlen zijn hart doorboorde en met één slag al zijn vergankelijke gedachten en plannen beëindigde. Toen verdween de droom van roem, en zijn hele rijk kromp in tot het graf. Kijk eens hoe bleek die zegevierende veldheer eruitziet, hoe dood, koud en levenloos die armen zijn die eens zo gewend waren aan de oorlog. Kijk of je enig verschil ziet tussen zijn stof en dat van de allerverachtelijkste slaaf.
Daar ligt een talrijk leger, eens woest en vastberaden, met overwinningen zo snel als de bliksem, die alle volken deden sidderen van angst. Nu zijn ze zo zwak dat ze zelfs aan de geringste dieren ten prooi liggen: de walgelijke wormen die zegevierend over hen heen kruipen en spotten met hun vergane resten. Daar ligt een lichaam dat zo werd vergood en zo zorgvuldig werd verzorgd, en dat om zijn schoonheid en gestalte zo dwaas werd bewonderd. Nu is het stinkend en rottend, en alleen gedierte heeft er nog behagen in. Zo diep ingrijpend heeft de dood het veranderd.
Kijk daarnaast ook naar de roemloze as van een rijke, gierige stakker, wiens ziel aan deze wereld vastgeplakt zat en zich koesterde in zijn schatten. Met welke machtige weeën en stuiptrekkingen rukte de dood hem los van deze aarde! Wat klemden zijn handen zich vast aan zijn goud! Met welk heftig verlangen hing hij aan zijn zilver, en alles was machteloos en tevergeefs! Kijk nu of de rijkdom hem redde op die dag, of je ook maar iets van zijn nutteloze schatten naast hem in het graf kunt ontdekken, of de eer van zijn huis hem is nagedaald!
Verderop ligt een eerzuchtig staatsman. Zijn verrotte beenderen zijn nauwelijks nog te herkennen. Wat prees hij zijn sluwe plannen! Hoe zeker dacht hij ze te hebben uitgezet, en hoe vleide hij zich met de hoop op een gevestigde grootheid! Maar de dood greep in en blies ze alle tegelijk op. Dit graf is de hele uitkomst van zijn raadgevingen. En kijk daar: wat een afschuwelijke, verstikkende stank stijgt er op uit al die helse offers van wellust en onreinheid, mensen die hun kracht verspilden aan losbandigheid en niets meenamen naar het graf dan de schaamte van beestachtig genot. Maar er komt geen einde aan de lijken, en we kunnen dit ontzagwekkende slagveld van de dood niet overzien. — William Dunlop.
Vers 16 (laatste zinsdeel)
Want Hij zal mij opnemen. Dit korte halve vers is, zoals Böttcher opmerkt, juist door zijn kortheid zo gewichtig. Dezelfde uitdrukking komt nog een keer voor, in Psalm 73:24: “Daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.” In beide gevallen is het oorspronkelijke woord ontleend aan Genesis 5:24, waar het gebruikt wordt voor het wegnemen van Henoch: “Hij was niet meer; want God nam hem weg.” — J. J. Stewart Perowne.
Vers 18
Want wanneer hij sterft, zal hij niets medenemen. De vorm van geld past goed bij zijn aard: het is rond geslagen, omdat het zo graag wegrolt. Stel dat we rijk konden zijn zolang we leven, dan nog was dat onzeker genoeg, want het leven zelf is een droom, een schaduw, slechts de droom van een schaduw. (Augustinus.) Rijke mensen zijn als hagelstenen. Ze maken lawaai in de wereld, zoals hagel op de dakpannen van een huis ratelt. Dan vallen ze neer, blijven liggen en smelten weg. Dus al zou rijkdom bij een mens kunnen blijven, hij kan niet bij haar blijven. Of hij wil of niet, hij neemt niets mee wanneer hij sterft.
Leven en bezit zitten allebei in hetzelfde schip, en ze worden allebei tegelijk weggeslagen. Van de twee heeft het leven zelfs nog de meeste kans om stand te houden. Laat het zo snel wegvliegen als het wil: rijkdom heeft arendsvleugels en vliegt het voorbij. Er zijn struikrovers die ons geld nemen en ons leven sparen. In onze strafwetten zijn er niet zoveel manieren om ons leven te verbeuren als ons goed. De rijke Job beleefde het dat hij zichzelf tot een spreekwoord arm zag worden. Hoeveel mensen hier in deze stad die voor rijk doorgingen, zijn niet failliet gegaan voor duizenden!
Er zijn ontelbaar veel manieren om arm te worden: een brand, een dief, een valse knecht, borgtocht, het vertrouwen op slechte klanten, een trouweloze handelsagent, een zeerover, een onbekwame loods. Al die dingen hebben rijke mensen al tot armoede gebracht. Eén windvlaag kan kooplieden rijk of bedelaars maken.
Het leven van een mens is als de oevers van een rivier, en zijn tijdelijke vermogen is de stroom. De tijd laat de oevers afbrokkelen, maar de stroom blijft daarom niet staan. Hij glijdt voortdurend verder, zonder ooit te wachten. Het leven is de boom, rijkdom is de vrucht, of liever het loof. Het loof valt, de vrucht wordt geplukt, en toch blijft de boom staan. Sommigen schrijven over de pijnboom dat hij lang blijft leven als de schors eraf wordt getrokken, maar rot als de schors eraan blijft zitten. Als we de schors van de wereldling afstroopten, zou hij misschien langer leven, en er is grote hoop dat hij er beter van zou leven. — Thomas Adams.
Vers 18
Hij zal niets medenemen. Met ons in deze wereld gaat het zoals met de Joodse akkers en wijngaarden. Zolang ze daar waren, mochten ze plukken en eten wat ze wilden, maar ze mochten niets in hun zak steken of opbergen om mee te nemen. Zie Deuteronomium 23:25. — Thomas Gataker.
Vers 18
Hij zal niets medenemen. “Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.” Job 20:15.
Vers 18
Neerdalen. De dood grijpt de zondaar bij de keel en “sleurt hem de trap af naar het graf.” Wie toegeeft aan welke zondige neiging ook, gaat deze neerwaartse, dodelijke weg. Elke begeerte, of die nu rijkdom of eer betreft, het gokspel, wijn of vrouwen, leidt de misleide, ellendige dienaar stap voor stap naar de kamers van de dood. Er is geen enkele hoop in dat dreigende vooruitzicht. Benauwdheid en angst nemen de geest in bezit. Ben je ontkomen, o mijn ziel, aan het net van de helse vogelaar? Vergeet nooit dat je bent als een brandend stuk hout dat uit het vuur is gerukt. O, hoe diep staan we bij de genade in de schuld! — George Offor, aantekening in “The Works of John Bunyan.”
Vers 18
Je zult niets van je rijkdom meenemen, dwaas, naar de wateren van de Acheron. Helemaal naakt word je overgezet in het helse schip. — Propertius.
Vers 19
Wat dwaas is het om jezelf een beter mens te vinden dan een ander, en dat alleen omdat jouw mesthoop wat groter is dan de zijne! Zulke dingen horen helemaal niet mee te tellen in de waarde en het gewicht van een mens. Ze liggen allemaal buiten je en raken je niet meer dan mooie kleren de gezondheid of de kracht van je lichaam. Rijkdom is het inderdaad die al het lawaai en rumoer in de wereld maakt en alle achting en eer voor zich opeist. Het onwetende volk, verblind door praal en pronk, betaalt haar met een domme, verbaasde eerbied.
Maar weet dit goed: het zijn alleen je zijde en fluweel, je landerijen of je gevolg en knechten waar ze voor buigen, niet jij. En als je daar anders over denkt, ben je net zo terecht belachelijk als die ezel uit de fabel. Die werd heel plechtig trots en deed gewichtig toen het volk zich voor hem op de grond wierp, niet om hem te aanbidden, maar het beeld dat hij droeg. — Ezekiel Hopkins.
Vers 21
Gelijk als de beesten, die vergaan. Mijne heren, ik zeg u: het is helemaal geen wonder dat mensen die beestachtig genot najagen en dwepen met vergankelijke eer, net worden als de beesten die vergaan. Het is geen wonder dat wie als een beest leeft, ook als een beest sterft. Neem iemand die heeft geleefd als de dwaas uit het evangelie en zeg me: wat heeft deze man voor zijn onsterfelijke ziel gedaan, meer dan een beest voor zijn vergankelijke ziel doet? “Ziel, ziel, houd op met zorgen, eet, drink en neem rust.” Dat is het eeuwige lied dat de meeste mensen in aanzien zichzelf voorzingen. Ze hebben zich verdiept in kleren en eten, titels en ambten, manieren om winst en plezier te halen. Ben ik nog niet op het hoogste punt?
Misschien hebben ze zich ook verdiept in de zwarte kunst van vleierij en verraad. Ze begrijpen de grillen van de tijd, de toegeeflijkheden en afhankelijkheden van deze en andere staatslieden, de plannen van verschillende vorsten in het buitenland en het hoofdontwerp hier thuis. Is dat alles? Welnu, dan moet u weten dat mensen van dit slag voor hun kostbare zielen geen betere voorzieningen hebben getroffen dan wanneer ze de ziel van een beest in zich hadden, een vervliegende ziel. En als we de aard van mensenzielen zouden moeten beoordelen aan hun onwaardige, zinnelijke levenswandel, zouden we gemakkelijk in die ketterij kunnen vervallen, die gevaarlijke droom van sommigen die menen dat hun zielen sterfelijk zijn. — Francis Cheynell, in een preek met de titel “The Man of Honour”, gehouden voor de Lords van het Parlement, 1645.
Vers 21
Gelijk als de beesten. De zonde is zowel formaliter als effective gemeen: ze is dat in zichzelf, en ze heeft de mens gemeen gemaakt. Geen schepsel is zo diep gezonken als de mens, die in dit opzicht gemener is geworden dan enig ander schepsel. In de natuur van geen enkel schepsel zit zo’n bederf, behalve in de duivelse natuur. Geen enkel schepsel heeft ooit Gods beeld uit zijn natuur uitgewist, behalve de mens. Alleen in de mens vinden we een afkeer van Gods wil en een neiging tot wat Hem mishaagt, en in geen enkel ander schepsel op aarde.
De mens, die eens de heerlijkheid van de schepping was, is dus het gemeenste van alle schepselen geworden. Want het gemeenste is wat het meest tegengesteld is aan de oneindige heerlijkheid, en zo is onze natuur: “De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet”, hij is nu gelijk de beesten die vergaan. Ja, erger dan zij, als het grootste kwaad hem erger kan maken.
De mens was een weinig minder gemaakt dan de engelen, met heerlijkheid gekroond, verheven tot heer en bestuurder van alle werken van zijn handen. Alle schepselen in deze wereld waren onder zijn voeten gesteld, zo staat het in Psalm 8:6, 7. Maar door dit natuurlijke bederf staat hij, die slechts een weinig minder was dan de engelen, nu iets beneden de beesten. Hij hoorde te heersen, maar is lager gemaakt dan zij over wie hij heerst. Zij waren onder zijn voeten gesteld, maar nu is hij net zo laag als zij. Dat is het droevige gevolg van het bederf van onze natuur. — David Clarkson.
Vers 21
Gelijk als de beesten. De mens is zozeer een beest, dat hij zelfs niet kan weten dat hij er een is, tenzij God het hem leert. En we leren pas mens te zijn wanneer we hebben geleerd dat we beesten waren… Er staat niet dat hij gelijk is aan dit of dat beest, maar aan de beesten die vergaan. Neem welk beest je maar wilt, het maakt niet uit; neem alle beesten, of het ergste beest: hij is het evenbeeld van hen allemaal, en hij laat dagelijks de gemeenste eigenschappen van hen zien in zijn eigen leven. — Joseph Caryl.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 3
- De gedeelde behoeften van rijke en arme mensen.
- De gedeelde voorrechten van rijke en arme heiligen.
- Hun gedeelde dienst.
- Hun gedeelde hemel.
Vers 5
De diepe dingen van God zijn bedoeld:
- Om onze geest te oefenen in het begrijpen ervan.
- Om ons geloof op de proef te stellen, doordat we ze moeten geloven. “Neigen” wijst op een gemoed dat zich onderwerpt.
- Om onze vreugde op te wekken wanneer we ze begrijpen: “op de harp.”
- Om onze gaven te gebruiken bij het uitleggen ervan aan anderen.
Vers 6
- De gevolgen van onze zonde blijven bestaan: (a) in onszelf, (b) in anderen.
- Wanneer we ons schuldig weten, omringen ze ons. Dan liever nu, in dit leven, dan dat ze ons als spoken eeuwig blijven achtervolgen.
- Zijn ze vergeven, dan hebben we niets meer te vrezen. — G. R.
Vers 8
- Ingesloten. De ziel moet verlost worden.
- Ontkend. Rijkdom, macht, geleerdheid: niets kan verlossen.
- Geschonken: een losprijs, betaald door Jezus.
- Toegepast: door de Geest, zodat we werkelijk verlost worden.
Vers 13 (laatste zinsdeel)
Waarin goddelozen op de beesten lijken, en waarin ze van hen verschillen.
Vers 13
Hier worden de plannen van de goddeloze wereldling dubbel doorkruist.
- De eerste: hij zal niet worden wat hij altijd wilde zijn. Hij zal niet in eer blijven.
- De tweede: hij zal worden wat hij nooit wilde zijn. Hij zal zijn als de beesten die sterven. Hij mist wat hij zocht en krijgt wat hij niet verwachtte. — S. Hieron.
Vers 14
- In wereldse dingen doen mensen de wijsheid van anderen na.
- In geestelijke dingen doen ze hun dwaasheid na. — G. R.
Vers 15
- Naarmate de goddelozen het hier beter hebben, zal hun ellende hierna groter zijn: als schapen die uit de vette weide naar het slachthuis worden geleid.
- Naarmate hun weelde hier groter is, zal hun verval hierna dieper zijn. De dood zal hen afweiden: ze zijn goed gevoed, opdat de dood van hen zou kunnen weiden.
- Naarmate hun waardigheid hier groter is, zal hun vernedering hierna dieper zijn. De oprechten zullen over hen heersen, enzovoort. O, wat een tegenstelling dan tussen de rijke man en Lazarus!
- Naarmate hun schoonheid hier groter is, zal hun lelijkheid hierna dieper zijn. “Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij.” — G. R.
Vers 15
Schapen: wat een treffend beeld zijn ze van de goddelozen.
Vers 15
In den morgenstond. Kijk naar de verschillende profetieën in de Bijbel over wat “in den morgenstond” zal gebeuren.
Vers 16
- Tot stof zal ik terugkeren.
- Uit het stof zal Hij mij verlossen.
- In de hemel zal Hij mij opnemen.
- Eeuwig verblijd zal ik zijn.
Vers 18
De beladen en de onbeladen zondaar.
Vers 21
- Mensen met geestelijk inzicht maar zonder wereldse eer staan hoger dan de engelen van God in de hemel.
- Mensen met wereldse eer maar zonder ware wijsheid staan lager dan de beesten die vergaan. — G. R.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas