Naar de inhoud
Het Spurgeon Archief Preken en geschriften in het Nederlands

Davids Schatkamer - Treasury Of David

Psalm 138 — Treasury of David

57 min. lezen

Charles Haddon Spurgeon

Titel

“Een psalm van David.” Deze psalm staat op een verstandig gekozen plek. Wie deze heilige gedichten ook heeft verzameld en op volgorde gezet, hij lette op het verband en het contrast tussen de psalmen. In Ps. 137:1-9 zagen we hoe nodig het kan zijn om te zwijgen tegenover mensen die lasteren. Hier zien we hoe krachtig een moedige belijdenis is. Er is een tijd om te zwijgen, zodat we geen parels voor de zwijnen werpen. En er is een tijd om vrijuit te spreken, zodat niemand ons van laf zwijgen kan beschuldigen.

Deze psalm is duidelijk typisch Davidisch. Hij laat dezelfde trouw, dezelfde moed en dezelfde vastberadenheid zien als die koning van Israël en vorst onder de psalmdichters. Natuurlijk hebben de critici geprobeerd David het auteurschap te ontnemen, omdat de tempel wordt genoemd. Toevallig staat datzelfde woord ook in een van de psalmen waarvan zij zelf toegeven dat David ze schreef. Veel moderne critici zijn voor het Woord van God wat bromvliegen zijn voor ons eten: goed doen ze niets, en als je ze niet meedogenloos wegjaagt, richten ze grote schade aan.

Indeling

Vol zekerheid is David bereid om zijn God te erkennen tegenover de goden van de heidenen, of tegenover engelen of heersers (Ps. 138:1-3). Hij zegt dat hij koningen en volken zal onderwijzen en tot bekering zal brengen, tot mensen langs de openbare wegen de lof van de HEERE zingen (Ps. 138:4-5). Daarna spreekt hij zijn persoonlijke vertrouwen uit op Jehova. Die zal Zijn nederige dienaar helpen en hem beschermen tegen alle boosaardigheid van woedende vijanden.

Uitleg

Vers 1

“Ik zal U loven met mijn gehele hart.” Zijn gedachten zijn zo vol van God dat hij Zijn naam niet eens noemt. Voor hem bestaat er geen andere God, en Jehova is hem zo helder en zo vertrouwd, dat de psalmist er niet aan denkt Zijn naam uit te spreken wanneer hij Hem aanspreekt. Dat doen wij ook niet als we met een vader of een vriend praten. Hij ziet God voor zich met het oog van zijn gemoed en zegt eenvoudig “U”. Hij is vastbesloten de Heere te loven. Hij zal dat doen met alle kracht van zijn leven, met zijn gehele hart.

Hij laat zich niet remmen door wat anderen ervan denken. Ook tegenover de tegenstanders van de levende God wil hij net zo hartelijk aanbidden alsof iedereen een vriend was die blij met hem meedeed. Loven anderen de Heere niet? Dan is dat een reden te meer dat wij het wel doen, en wel met stralende ijver. We hebben een gebroken hart nodig om onze eigen zonden te bewenen. Maar we hebben een heel hart nodig om de volmaaktheden van de HEERE te prijzen. Als ons hart ooit heel is en helemaal bij één ding, dan moet het zijn als we de Heere loven.

“In de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.” Waarom zouden deze afgoden Jehova mogen beroven van Zijn lof? De psalmist denkt er niet aan zijn lied ook maar even te onderbreken, alleen omdat er beelden voor hem staan en hun dwaze aanbidders misschien niet van zijn muziek houden. Volgens mij doelde David op de valse goden van de buurvolken en op de godheden van de Kanaänieten die waren overgebleven. Het beviel hem niet dat zulke goden werden opgesteld. Maar hij wilde meteen laten merken hoe weinig hij van hen vond en hoe volkomen hij opging in de dienst van de levende Jehova.

Daarom bleef hij vol ernst zingen, waar hij ook was. Het zou deze dode afgoden te veel eer geven om op te houden met zingen omdat ze zo hoog op hun sokkel stonden. Tegenwoordig worden elke dag nieuwe godsdiensten bedacht en nieuwe goden opgericht. Dan is het goed te weten hoe je moet handelen. Bitterheid is verboden, en een twist maakt vaak alleen maar reclame voor de dwaalleer. De allerbeste manier is om zelf de Heere trouw te blijven aanbidden, met onverminderde ijver, en met hart en stem Zijn koninklijke lof te zingen.

Ontkennen ze dat onze Heere God is? Laten we Hem dan nog vuriger aanbidden. Minachten ze de verzoening? Laten we haar dan nog standvastiger verkondigen. Was de helft van de tijd die is besteed aan concilies en geschillen gebruikt om de Heere te loven, dan was de kerk veel gezonder en sterker geweest dan ze nu is. Het Hallelujaleger wint de strijd. Loven en zingen zijn ons harnas tegen de afgoderij van de dwaalleer, onze troost als brutale aanvallen op de waarheid ons neerdrukken en ons wapen om het evangelie te verdedigen. Geloof dat zich toont in blijmoedige durf, heeft iets heiligs dat aansteekt.

Anderen leren op de Allerhoogste vertrouwen als ze Zijn dienaar zien, “kalm te midden van het verwarde geschreeuw, vol vertrouwen op de overwinning.”

Vers 2

“Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid”, de plaats waar God woonde, waar de ark stond. Hij wilde God aanbidden op Gods eigen manier. De Heere had één middelpunt aangewezen waar iedereen samenkwam, een plaats voor het offer, een huis waar Hij woonde. David nam de vorm van aanbidding aan die God door Zijn openbaring had voorgeschreven. Ook een oprechte gelovige van nu mag niet vervallen in eigenwillige godsdienst vol bijgeloof, of in de wilde aanbidding van de twijfel. Hij moet eerbiedig aanbidden zoals de Heere Zelf het wil. De afgoden hadden hun eigen tempels.

Maar David wendt zijn blik van hen af en kijkt ernstig naar de plek die de Heere voor Zijn eigen heiligdom had uitgekozen. We moeten de ware God niet alleen aanbidden, maar dat ook doen op de manier die Hij Zelf heeft aangewezen. De Jood keek naar de tempel. Wij moeten kijken naar Jezus, de levende tempel van de Godheid.

“En ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid.” Het loven zou het belangrijkste deel van Davids aanbidding zijn. De Naam of het wezen van God was het grote onderwerp van zijn lied. Zijn lof richtte zich bijzonder op de genade en de waarheid die zo helder uit die Naam straalden. De Persoon van Jezus is de tempel van de Godheid, en daarin zien we de heerlijkheid van de Vader, “vol van genade en waarheid”. Juist op deze twee punten wordt de Naam van Jehova op dit moment aangevallen: op Zijn genade en op Zijn waarheid.

Hij zou te streng zijn, te angstaanjagend, zeggen ze. Daarom duwt het “moderne denken” de God van Abraham, Izak en Jakob opzij en zet het er een slappe godheid voor in de plaats, een eigen verzinsel. Wij echter geloven rotsvast dat God liefde is. Als alles straks wordt samengevat, zal blijken dat zelfs de hel niet in strijd is met de goedheid van Jehova. Ze is een noodzakelijk deel van Zijn zedelijk bestuur, nu de zonde het heelal is binnengedrongen. Ware gelovigen horen de donder van Zijn rechtvaardigheid, en toch twijfelen ze niet aan Zijn goedertierenheid.

We genieten vooral van Gods grote liefde voor Zijn uitverkorenen. Die liet Hij zien aan Israël als volk, en nog meer aan David en zijn nageslacht, toen Hij een verbond met hem sloot. Daar is volop reden voor lofprijs. Maar het blijft niet bij aanvallen op Gods goedertierenheid. Op Gods waarheid wordt op dit moment van alle kanten geschoten. Sommigen twijfelen aan de betrouwbaarheid van de geschiedenis in het ingegeven verslag. Anderen bestrijden de leer. Velen lachen om de profetieën. Het onfeilbare Woord van de Heere wordt in feite behandeld alsof bedriegers het hadden geschreven en het nergens anders goed voor was dan om op af te geven.

De zwijnen trappen nu op de parels en niets houdt hen tegen. Toch blijven de parels parels, en ze zullen nog schitteren rond het voorhoofd van onze Vorst. Wij zingen over de goedertierenheid en de waarheid van de God van het Oude Testament: “Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.” David zong tegenover de valse goden eerst, daarna aanbad hij, en toen verkondigde hij de genade en waarheid van Jehova. Laten wij dat ook doen tegenover de afgoden van de Nieuwe Theologie. “Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” In de Engelse vertaling die Spurgeon volgt, staat: “Gij hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw Naam.” Het woord van belofte dat aan David was gegeven, was in zijn ogen heerlijker dan al het andere wat hij van de Allerhoogste had gezien.

De openbaring staat boven de schepping in duidelijkheid, nauwkeurigheid en volheid van onderwijs. De Naam van de Heere is in de natuur niet zo makkelijk te lezen als in de Schrift. De Schrift is een openbaring in mensentaal, speciaal afgestemd op het menselijke verstand. Ze gaat over menselijke nood en over een Zaligmaker Die in een menselijke natuur verscheen om de mensheid te verlossen. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar het goddelijke woord gaat niet voorbij. In dat opzicht heeft het vooral een voorsprong op elke andere vorm van openbaring.

Wat meer is: de Heere laat alles wat Zijn Naam omvat meewerken aan Zijn Woord. Zijn wijsheid, macht en liefde, en al Zijn andere eigenschappen, werken samen om Zijn Woord uit te voeren. Zijn Woord is het dat schept, in stand houdt, tot leven brengt, verlicht en troost. Als bevel heeft het alle gezag. En in de Persoon van het vleesgeworden Woord staat het boven alle werken van Gods handen. Deze zin uit de tekst zit wonderlijk vol betekenis. We hebben er een enorme hoeveelheid literatuur over verzameld, maar we hebben geen ruimte om alles in onze aantekeningen op te nemen.

Laten we de Heere aanbidden, Die tot ons heeft gesproken door Zijn Woord en door Zijn Zoon. En laten we, als ongelovigen om ons heen staan, zowel Zijn heilige Naam loven als Zijn heilige Woord hooghouden.

Vers 3

“Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord.” Niets overtuigt zo sterk als wat je zelf hebt meegemaakt. Wie een antwoord van vrede op zijn smeking heeft gekregen, twijfelt niet meer aan de kracht van het gebed. Dat Hij naar de smeekbeden van Zijn volk luistert en antwoordt, is het kenmerk van de ware, levende God.

De goden horen niet en antwoorden niet. Maar Jehova’s eretitel is: “de God Die het gebed verhoort”. Er was een bijzondere dag waarop David heftiger riep dan anders. Hij was zwak, gewond en bezorgd, en zijn hart was moe. Toen “riep” hij, als een kind, tot zijn Vader. Het was een bitter, ernstig, gretig gebed, zo natuurlijk en klagend als het huilen van een baby. De Heere verhoorde het. Maar wat voor antwoord bestaat er op een kreet, op een louter onverstaanbare klacht van verdriet? Onze hemelse Vader kan tranen en kreten verstaan. Hij antwoordt op wat erin zit, en wel zó dat de nood volledig wordt gedekt.

Het antwoord kwam op dezelfde dag als waarop de kreet opsteeg. Zo snel gaat een gebed omhoog naar de hemel, en zo snel keert de barmhartigheid terug naar de aarde. Elke gelovige kan dit zeggen. En omdat ze het met veel feiten kunnen onderbouwen, moeten ze het vrijmoedig bekendmaken, want het strekt God tot grote eer. De psalmist kon terecht zeggen “ik zal mij nederbuigen” toen hij zich gedrongen voelde te zeggen: “Gij hebt mij verhoord.” Hij kon met recht roemen in het bijzijn van de afgoden en hun aanbidders, want hij had gebedsverhoringen om op terug te kijken.

Dat is ook onze verdediging tegen moderne dwaalleren: wij kunnen de Heere niet verlaten, want Hij heeft onze gebeden gehoord. “Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.” Dat was een echt antwoord op zijn gebed. Werd de last niet weggenomen, dan kreeg hij tenminste kracht om hem te dragen, en dat is een even goede manier van helpen. Misschien is het voor ons niet het beste dat de beproeving ophoudt. Het kan veel nuttiger voor ons zijn dat we door haar druk geduld leren. Zoet zijn de vruchten van tegenspoed, en onze wijze Vader in de hemel onthoudt ze ons niet.

Kracht die de ziel krijgt, is een onschatbaar geschenk. Het betekent moed, uithoudingsvermogen, zekerheid, heldhaftigheid. Door Zijn Woord en Geest kan de Heere een bange dapper maken, een zieke gezond, een vermoeide stralend. Zo’n kracht in de ziel kan blijven. Wie voor één noodsituatie is versterkt, blijft sterk voor het hele leven en is voorbereid op al het werk en lijden dat nog komt. Dat geldt tenminste zolang hij zijn kracht niet wegwerpt door ongeloof of hoogmoed of een andere zonde. Als God versterkt, kan niemand verzwakken. Onze ziel is pas echt sterk als de Heere kracht in haar uitstort.

Vers 4

“Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.” Koningen geven er meestal weinig om het woord van de Heere te horen. Maar koning David weet zeker dat ze, als ze het wel horen, de kracht ervan zullen voelen. Aan het hof gaat een beetje vroomheid al heel ver. Maar er komen lichtere dagen, waarin machthebbers luisteraars en aanbidders worden. Mocht zo’n gelukkige tijd snel aanbreken. Wat een samenkomst: “alle koningen der aarde”! Wat een doel: ze komen bijeen om de woorden uit Jehova’s mond te horen.

Wat een prediker: David zelf herhaalt de woorden van Jehova. Wat een lofzang, als ze allemaal in blije eenheid hun liederen tot de Heere opzenden! Koningen zijn hier beneden als goden, en ze doen er goed aan de God hierboven te aanbidden. Voor koningen loopt de weg naar bekering net zo als voor onszelf: ook bij hen komt het geloof door het horen, en het horen door het Woord van God. Gelukkig zijn zij die het woord van de Heere kunnen laten doordringen tot in paleizen. Want wie op een troon zit, hoort meestal als laatste het blijde geluid van het evangelie.

Koning David gaf om de zielen van koningen. Het is verstandig als ieder het eerst opkomt voor mensen van zijn eigen stand. Hij begon aan zijn getuigenis met een volle zekerheid dat het zou lukken. Hij wilde alleen de woorden uit Jehova’s mond spreken, en hij was er zeker van dat de koningen zouden luisteren en Jehova zouden loven.

Vers 5

“En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.” Hier zit een dubbel wonder: koningen op Gods wegen, en koningen die daar zingen. Wie de wegen van Jehova eenmaal kent, vindt er ruim voldoende reden om te zingen. Maar het is moeilijk om de groten van de aarde op wegen te krijgen die voor het vleselijke denken zo weinig aantrekkelijk zijn. Misschien zien we, als de Heere ons een koning David stuurt om te prediken, nog vorsten tot bekering komen en horen we hun stem opstijgen in vrome aanbidding.

Die heerlijkheid van de HEERE zal alle grootheid en glorie van alle koningen in de schaduw stellen. Als ze die zien, worden ze geraakt en gaan ze gehoorzamen en aanbidden. O, werd Jehova’s heerlijkheid nu al onthuld! O, mochten de blinde ogen van mensen haar eenmaal zien! Dan zouden hun harten worden overwonnen en vol blijde eerbied raken. David, onder de indruk van Jehova’s heerlijkheid, riep uit: “Ik zal U psalmzingen” (Ps. 138:1). Hier laat hij de koningen hetzelfde doen.

Vers 6

“Want de HEERE is hoog.” In grootheid, waardigheid en macht staat Jehova hoger dan het allerhoogste. Zijn wezen reikt hoog boven wat Zijn schepselen kunnen bevatten. Zijn heerlijkheid gaat zelfs de hoogste vlucht van onze verbeelding te boven. “Nochtans ziet Hij de nederige aan.” Hij kijkt met welgevallen naar hen. Hij denkt zorgzaam aan hen, luistert naar hun gebeden en beschermt hen tegen het kwaad. Omdat zij weinig van zichzelf denken, denkt Hij veel van hen. Zij hebben ontzag voor Hem en Hij waardeert hen. In hun eigen ogen zijn zij klein, en in Zijn ogen maakt Hij hen groot.

“En den verhevene kent Hij van verre.” Hij hoeft niet dichterbij te komen om hun volslagen ijdelheid te ontdekken. Een blik van ver is genoeg om Hem hun leegte en hun aanstootgevende houding te laten zien. Hij heeft geen omgang met hen. Hij kijkt van een afstand naar hen. Hij laat zich niet bedriegen, maar kent de waarheid over hen, ondanks hun grote woorden. Hij heeft geen waardering voor hen, maar verafschuwt hen volkomen. Een offer van Kaïn, de belofte van een Farao, de dreiging van een Rabsake en het gebed van een Farizeeër: voor geen van die dingen heeft de Heere waardering.

Nebukadnezar, ver van God, riep: “Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks?” Maar de Heere kende hem en stuurde hem met het vee grazen. Hoogmoedige mensen pochen luid op hun beschaving en op “de vrijheid van gedachte”. Ze durven zelfs hun Maker te bekritiseren. Maar Hij kent hen van verre. In dit leven houdt Hij hen op afstand, en in het volgende sluit Hij hen op in de hel.

Vers 7

“Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend.” In de Engelse vertaling staat hier: “Gij zult mij nieuw leven geven.” Wandel ik nu door de nood, of zal ik dat in de komende jaren doen, dan heb ik niets te vrezen. God is bij mij en geeft mij nieuw leven. Een beetje in de problemen zitten is al zwaar genoeg. Maar het is nog erger om door te dringen tot het hart van dat donkere werelddeel en dwars door het midden te trekken. En toch gaat de gelovige dan vooruit, want hij wandelt.

Hij loopt rustig, want hij doet niet meer dan wandelen. En hij is niet zonder het beste gezelschap, want zijn God is dichtbij en giet vers leven in hem. Het is een gelukkige zaak dat God, ook als Hij op alle andere momenten ver weg zou zijn, in moeilijke uren toch beloofd heeft bij ons te zijn: “Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen.” Wie met vertrouwen de woorden van David kan gebruiken, is gelukkig: “Maakt Gij mij levend.” Hij zal niet tevergeefs op God roemen.

Hij zal in leven blijven en levendiger worden dan ooit. Hoe vaak heeft de Heere ons niet juist door ons verdriet levend gemaakt! Zijn de moeilijke tijden niet Zijn snelste middel om het heilige leven in ons tot volle kracht te wekken? Krijgen we nieuw leven, dan hoeven we niet te treuren om ons lijden. Als God ons nieuw leven geeft, kan de nood ons nooit schaden. “Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.” Dit is wat de verzwakte David nieuw leven moest geven. Onze vijanden vallen als de Heere met hen afrekent.

Met de vijanden van Zijn volk maakt Hij korte metten: met één hand verslaat Hij hen. Zijn toorn dooft hun woede snel, en Zijn hand houdt hun hand tegen. Er kunnen veel tegenstanders zijn, kwaadwillend en machtig. Maar onze heerlijke Verdediger hoeft alleen Zijn arm uit te steken, en hun legers verdwijnen. De lieflijke zanger zegt zijn zekerheid van redding opnieuw op en zingt erover in de oren van de Heere, in deze taal vol vertrouwen. Hij zal gered worden. Hij wordt kundig, beslist en goddelijk gered. Daar twijfelt hij niet aan. Gods rechterhand vergeet haar kunst niet. Jeruzalem is Zijn grootste vreugde, en Hij zal Zijn eigen uitverkorenen verdedigen.

Vers 8

“De HEERE zal het voor mij voleinden.” Al mijn belangen zijn veilig in Jehova’s handen.

“Het werk door Zijn goedheid begonnen,
voltooit Zijn machtige arm;
Zijn belofte is ja en amen,
en nooit is zij nog gebroken.”

God bekommert Zich om alles wat Zijn dienaren raakt. Hij zorgt ervoor dat niets van wat hun dierbaar is, onvoltooid blijft. Hun leven, hun kracht, hun hoop, hun genadegaven en hun pelgrimstocht: alles wordt afgemaakt en tot volmaaktheid gebracht. Jehova Zelf draagt hiervoor zorg, en daarom is het absoluut zeker. “Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid.” Het refrein van de vorige psalm klinkt hem nog in de oren, en hij herhaalt het als zijn eigen overtuiging en troost. De eerste helft van het vers is de zekerheid van het geloof. De tweede helft gaat verder, tot de volle zekerheid van het inzicht.

Gods werk in ons blijft bestaan tot het af is, omdat Zijn goedertierenheid jegens ons zo blijft bestaan. “En laat niet varen de werken Uwer handen.” Door ons vertrouwen gaan we niet minder bidden, het moedigt ons juist aan om nog meer te bidden. We hebben op ons hart geschreven dat God Zijn werk in ons zal voltooien. We zien ook in de Schrift geschreven dat Zijn goedertierenheid niet verandert. Daarom smeken we met heilige ernst dat Hij ons niet zal verlaten. Is er iets goeds in ons, dan is het het werk van Gods eigen handen.

Zou Hij dat in de steek laten? Waarom heeft Hij zoveel in ons gewerkt, als Hij ons toch wil opgeven? Dan was al Zijn arbeid voor niets geweest, en dat zou een rampzalige verspilling zijn. Hij Die zo ver is gegaan, zal zeker met ons doorgaan tot het einde. Onze hoop dat een gelovige blijft volharden berust op het blijven volharden van de God van die gelovige. Begint de Heere te bouwen en maakt Hij het niet af, dan strekt dat Hem niet tot eer. Hij verlangt naar het werk van Zijn handen, want Hij weet wat het Hem al heeft gekost.

Een vat waaraan Hij zoveel werk en vakmanschap heeft besteed, werpt Hij niet weg. Daarom loven we Hem met heel ons hart, zelfs in het bijzijn van mensen die van Zijn heilige Woord afwijken en een andere God en een ander evangelie oprichten. Dat is geen ander evangelie, maar er zijn mensen die ons in verwarring brengen.

Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken

Psalm 138:1 tot 145:21. In deze acht psalmen spreekt de dichter in de ik-vorm. Ze passen prachtig na de vijftien “Pelgrimsliederen” en de drie lofpsalmen van het koor van hen die naar Sion waren opgetrokken. Die liederen drukten uit wat een heel volk samen voelde in zijn toewijding aan God. Deze acht vormen het handboek van de vrome Israëliet voor zijn eigen gebed en lofprijs. — Christopher Wordsworth.

Gehele psalm

Met deze psalm begint een reeks van acht (Ps. 138:1-145:21), waarschijnlijk de laatste die David maakte. Je kunt ze zien als een commentaar op de grote belofte over de Messias in 2 Sam. 7:1-29. Dat ze juist in dit deel van het psalmboek staan, komt doordat een latere samensteller ze als grondslag, of liever als kern, nam van een groter geheel (Ps. 135:1-146:10). — Joseph Addison Alexander.

Gehele psalm

Verwijst deze psalm naar de belofte in 2 Sam. 7:1-29, dan staat het opschrift, dat hem aan David toeschrijft, zeker vast. Want de man aan wie die belofte is gegeven, treedt zelf op als spreker. Ook de combinatie van stoutmoedige moed (zie vooral Ps. 138:3) en diepe nederigheid (zie Ps. 138:6) bewijst Davids auteurschap, want die vereniging is zo kenmerkend voor hem. Daar komt nog bij dat deze psalm nauw verwant is aan Davids andere psalmen, vooral aan de psalmen die eveneens verwijzen naar de belofte van het eeuwige koninkrijk. Hij lijkt ook sterk op Davids dankzegging in 2 Sam. 7:1-29, waarvan het slot opvallend overeenkomt met het slot van onze psalm: “Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.” — E. W. Hengstenberg.

Vers 1

“Ik zal U loven met mijn gehele hart.” Dankbaarheid houdt in dat we ons hart nu alvast binden om God ook straks te loven. We merken immers dat alle dank die we vandaag kunnen uitspreken tekortschiet bij wat we Hem verschuldigd zijn of willen geven. Daarom zegt David: “Ik zal U loven”. Soms voelt een gelovige dat zijn hart in de dienst van God ruim en vrij is, terwijl het op andere momenten als vastgebonden voelt. Dan moet hij een ruim hart aangrijpen om op Gods weg vooruit te lopen, zoals David hier doet: “Ik zal U loven met mijn gehele hart.” — David Dickson.

Vers 1

“Ik zal U loven.” Word wakker, lieve ziel! Misschien klaagde je ooit net als Israël over je gevangenschap in Babel, Ps. 137:1. Zing nu toch weer een lied van vreugde voor de Heere. Je bent uitgeperst als een tros druiven. Laat nu je rijpe sap stromen. — Christoph Starke.

Vers 1

“Ik zal U loven.” Helaas, het is een hoofdzonde van het volk van de Heere dat het zo onvruchtbaar is in lofprijs! Ik ben er helemaal van overtuigd dat een regel lofprijs meer waard is dan een bladzijde gebed, en een uur lofprijs meer dan een dag van vasten en treuren! — John Livingstone, 1603-1672.

Vers 1

“Met mijn gehele hart.” Deze uitdrukking verwijst, net als in Ps. 9:2, naar hoe geweldig groot de ontvangen weldaad was. Die vulde het hele hart met dank. Ze kwam niet uit één hoekje, zogezegd. De uitdrukking past ook bij de grootte van de weldaad in de woorden “in de tegenwoordigheid der goden”. Daarmee vraagt David die goden of ze hun godheid kunnen bewijzen door te wijzen op zo’n gave die zij hun dienaren hebben gegeven. Een weldaad die zo’n bewijs kon leveren en reden gaf voor spot, moest wel overweldigend groot zijn. — E. W. Hengstenberg.

Vers 1

“In de tegenwoordigheid der goden.” Wat “goden” in dit vers betekent, wordt heel verschillend uitgelegd. Het kan letterlijk gaan om een afgodisch land, om de tempels van valse goden zelf, waar zoveel christelijke martelaren hun geloof beleden. De Septuaginta, de Vulgaat en de Ethiopische en Arabische vertalingen hebben “engelen”. De Chaldeeuwse vertaling heeft “rechters” en de Syrische “koningen”. De oudere Griekse kerkvaders verklaren het als een verwijzing naar de koren van priesters en Levieten in de tempel. — Zigabenus, in Neale en Littledale.

Vers 1

“In de tegenwoordigheid der goden.” Sommige uitleggers (de Septuaginta, Luther, Calvijn en anderen) denken hier aan engelen en wijzen naar Ps. 29:1. Maar het is twijfelachtig of het Hebreeuwse woord Elohim, zo kaal en zonder enige toelichting, dat kan betekenen. Bovendien heeft het hier, zo lijkt het, geen zin. Anderen (Rabbijnen, Flaminius, Delitzsch en anderen) vatten het op als “de groten der aarde” en vergelijken Ps. 138:4 verderop en Ps. 82:1; 119:46 en andere teksten. Ook dan krijgt de passage echter geen bijzondere kracht. Waarschijnlijk (Aquila, Symmachus, Hiëronymus en anderen) is de bedoeling: “Vóór, of in het bijzijn van, de goden van de heidenen, dus: uit minachting voor de afgoden die niets kunnen doen, en recht voor hun ogen, zal ik Jehova loven, Die wonderen doet voor mij en voor Zijn volk.” Vergelijk een soortgelijke uitdrukking in Ps. 23:5, en ook Ps. 95:3 en 96:5, waar het Hebreeuwse woord “goden” waarschijnlijk afgoden aanduidt. — Speaker’s Commentary.

Vers 1

“In de tegenwoordigheid der goden” enzovoort. In de Vulgaat staat in conspectu angelorum, “in het gezicht van de engelen”. Hun aanwezigheid hoort mannen en vrouwen met ontzag te vervullen en hen te weerhouden van elke oneerlijkheid, van slechte woorden, daden en gebaren, van heimelijk wrokken en van alle ontevredenheid en gemopper. De engelen zijn blij als ze zien dat je gemoed in goede staat is. Ze zijn blij als je de orde houdt die God in kerk en staat heeft ingesteld, en als christen leeft tot eer van God. Ze zijn bedroefd als ze het tegendeel zien. En je zult je zonden moeten verantwoorden tegenover deze grote ambtsdragers in het grote gezin van hemel en aarde. — William Greenhill.

Vers 2

“Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid.” De heilige tempel was een voorafbeelding van de Heere Jezus Christus. Daarom zien we Daniël zijn vensters openen richting de tempel, waar hij driemaal per dag bad. En daarom zegt Jona: “Nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.” Zo zien we op naar Jezus, want Hij is onze tempel. Behalve door Hem is er geen aanbidding die God aanneemt. Maar door Jezus Christus kunnen we geestelijke offers brengen waar God behagen in heeft. Houd dus de Heere Jezus Christus steeds voor ogen. Zo kunnen jullie God aanbidden en door Hem naderen tot de voetbank van de genade. Zo kunnen jullie een aangenaam offer brengen en Zijn Naam loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn waarheid. — Joseph C. Philpot, 1802-1869.

Vers 2

“Het paleis Uwer heiligheid.” Het opschrift van deze psalm luidt “een psalm van David”, en Calvijn gaat er, in overeenstemming met dat opschrift, van uit dat David de schrijver is. Maar dat in dit vers “de tempel” wordt genoemd, lijkt die opvatting te ondermijnen. Vertalen we het woord echter met “woning”, en dat is de juiste weergave van de grondtekst (de woning van Uw heiligheid), dan vervalt het bezwaar tegen Davids auteurschap. — James Anderson’s aantekening bij Calvijn op deze plaats.

Vers 2

“Ik zal … Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid.” Hier ontdekken we twee prachtige gedachten. De eerste is “Gods neerbuigen in gedachten” en de tweede is “Zijn tederheid in handelen”. Beide liggen in het woord “goedertierenheid” besloten, en beide toont God aan Zijn eigen volk. Hij buigt Zich neer om te zien wat de mensenkinderen doen. Hij daalt af tot mensen van lage stand. Over de gezegende Jezus staat dat “Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden”: 2 Kor. 8:9. Niemand kan zeggen hoe diep God afdaalt in Zijn liefdevolle gedachten.

Zelfs de haren op ons hoofd zijn allemaal geteld, staat er. En als de haren op ons hoofd al geteld zijn, dan zeker alles daarnaast. God, onze hemelse Vader, heeft belangstelling voor alles wat Zijn volk raakt. Dat heeft Hij ook voor dingen waarvan zij denken dat ze beneden Zijn aandacht zijn, of waarvan zij door hun onwetendheid het belang niet inzien. Een moeder kan volop troost putten uit het besef dat God Zich zo zorgzaam neerbuigt. Hij is betrokken bij haar baby. Als ze het kindje aan Hem toevertrouwt, denkt Hij, de Maker van het heelal, met Zijn oneindige geest aan haar wieg en aan het weerloze schepseltje dat daarin in slaap wordt gewiegd.

Een zieke kan uit dezelfde bron volop troost putten. Hij mag immers geloven dat de Ene, Die zijn lichaam vreselijk en wonderlijk heeft gemaakt, het lijden van dat lichaam overweegt. Die zal het verzachten, of kracht geven om het te dragen, als het gedragen moet worden. Alles wat God met Zijn volk doet, draagt het kenmerk van die zorgzame neerbuiging in gedachten. Vlak daarachter komt tederheid in handelen. Die “tederheid in handelen” is een groot deel van Gods goedertierenheid. Dat spreekt vanzelf: een bedachtzaam gemoed en een tedere hand horen samen in de volmaaktheid van liefde.

God is niet alleen krachtig in Zijn handelen, maar ook teder. Hij is de God van de dauwdruppels evengoed als de God van de donderbuien. Hij is de God van het tere grassprietje net zozeer als van de eik op de berg. Er bestaan, lezen we, grote machines die ijzeren staven kunnen verbrijzelen en toch zo zacht aanraken dat ze de schaal van het kleinste ei heel laten. Zoals zij zijn, zo is de hand van de Allerhoogste. Hij kan een wereld vermorzelen en toch een wond verbinden. En hoe hard hebben we in onze nederige staat tederheid nodig!

Een kleinigheid zou ons al breken. Onze zielen zijn zo gekneusd en zwak dat we snel zouden omkomen, als we niet Eén hadden Die zo teder met ons omging. — Philip Bennett Power, in “The ‘I Wills’ of the Psalms,” 1861.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” De Engelse vertaling, waarop de uitleggers hieronder voortbouwen, leest hier: “Gij hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw Naam.” Dat “woord” wordt hier gekoppeld aan “goedertierenheid en waarheid”. Het gaat dus wel om dat deel van Zijn woord waarop die twee passen: Zijn belofte. De inhoud van die belofte is barmhartigheid of goedertierenheid, en wie haar uitvoert, toont waarheid of trouw. Dit “groot maken” van het woord van belofte lijkt twee dingen te betekenen. Ten eerste: heel grote en voortreffelijke beloften doen.

Ten tweede: ze tot in de puntjes nakomen. Wie dat doet “boven al Zijn Naam”, belooft en volbrengt de allerhoogste barmhartigheid, meer dan er ooit over God is verteld, gezegd of geloofd. Zo gelezen luidt het: ik zal aanbidden enzovoort, “en Uw Naam loven boven Uw goedertierenheid en boven Uw waarheid”. Dat betekent: het is te laag en te mager om U barmhartig of waarachtig te noemen, of U met een van Uw andere eigenschappen aan te duiden. U bent dat alles, en méér dan dat. “Gij hebt Uw woord groot gemaakt”: U hebt de heerlijkste beloften gegeven en nagekomen, “boven al Uw Naam”, dus boven alles wat mensen over U hebben begrepen of gezegd.

Dit vers en deze hele psalm kun je gemakkelijk toepassen op Gods barmhartigheid in Christus. Die gaat ver uit boven wat er over Hem verteld, gezegd, geloofd of begrepen kon worden. — Samengevat uit H. Hammond.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Zonder enige twijfel staan er in het boek van de openbaring hogere en helderdere onthullingen van Hem, van Zijn wezen, Zijn volmaaktheid en Zijn plannen. Zijn werken hebben nooit zoveel getoond, en zij kunnen dat ook niet. Over God zijn er heel veel punten van het hoogste belang voor de mensheid, waarover de ontdekkingen van de wetenschap geen licht verspreiden. Er zijn veel dingen die een mens graag zou willen weten, maar die geen school voor wijsbegeerte hem kan leren. Er is troost die een mens nodig heeft in een wereld vol moeite, en die je in de natuur niet vindt.

En vooral is er de kennis van de manier waarop zonde kan worden vergeven en de ziel gered kan worden. Die kan nooit worden onthuld door de blaaspijp, de telescoop of de microscoop. Wie dit al leert, leert het alleen uit de openbaring. De mens is een reiziger op weg naar een andere wereld. Voor hem is dit belangrijker dan alle kennis die in de scholen van de wijsbegeerte te halen valt, hoe waardevol die kennis ook is. — Albert Barnes.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Op het eerste gezicht lijkt dit een raadselachtige zin. Een kundig uitlegger wijst er bij deze plaats terecht op dat je de woorden ook anders kunt lezen, en die lezing past beter bij het Hebreeuws: “Gij hebt Uw Naam boven alle dingen groot gemaakt in Uw woord.” Met andere woorden: U hebt Uw Naam boven alles groot gemaakt door Uw woord waar te maken. Wat U zomaar, uit vrije wil, beloofde, hebt U trouw gedaan. Wat Uw mond zei, heeft Uw hand uitgevoerd. Daarom moet Uw Naam op wonderbaarlijke wijze groot worden gemaakt, en daarvoor willen wij U eren en prijzen. — James Nalton, 1664.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Alles wat God heeft gemaakt, draagt Zijn Naam. Maar in Zijn woord, met de waarheid die daarin staat, is die Naam helemaal uitgeschreven. Daarom is dat woord Hem kostbaarder dan al Zijn andere werken. Hij geeft er weinig om wat er met de wereld en alles erin gebeurt, als Hij Zijn woord maar houdt en Zijn waarheid behoudt. Niet lang meer en we zien de wereld in lichterlaaie staan. Hemel en aarde vergaan straks, “maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid.” Als God het wil, kan Hij er nog zo’n wereld bij scheppen.

Een andere waarheid kan Hij niet scheppen, en daarom laat Hij er geen enkele tittel van verloren gaan. Dat weet Satan. Daarom zet hij al zijn vernuft in om haar te schenden en te misvormen met onzuivere leer. In het woord zien we God als in een spiegel. Kijken we naar Hem, dan verandert Zijn Geest ons naar Zijn beeld. Zit die spiegel vol barsten, dan zien we een vertekend beeld van God. Maar het woord laat Hem zien in Zijn ongerepte helderheid, in volle glorie voor onze ogen. — William Gurnall.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Aan mijn huis en mijn koninkrijk hebt U beloofd dat ze zullen blijven bestaan. Die belofte rijst in grootheid en goedheid uit boven alles wat U tot nu toe van Uzelf hebt getoond voor Uw volk (2 Sam. 7:10, 12-13, 15-16, 21-22, 24-26, 29. Let vooral op 2 Sam. 7:21: “Om Uws woords wil … hebt Gij al deze grote dingen gedaan”; en 2 Sam. 7:26: “En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid”, een taalkundige overeenkomst tussen het verhaal en de psalm die niemand zo bedoeld heeft).

Alleen in de Messias komt de grootheid van de belofte tot haar recht, voor Israël en de hele wereld, en dat zal later nog vollediger gebeuren. — Andrew Robert Fausset.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” God heeft ons Zijn woord gegeven, 1. Als een spiegel, die Zijn heerlijkheid weerkaatst. “De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk”; daarin kunnen we Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid onmiskenbaar zien. Ps. 19:2, 4-5. Ook in Zijn bestuur over alle dingen zien we veel van Zijn wijsheid en goedheid.

Maar wat Zijn volmaaktheden in het geheel zijn, kunnen we uit dit alles niet afleiden, en over Zijn plannen kunnen we er niets uit te weten komen. De heidenen laten dat zonneklaar zien. Zij zien de wonderen van de schepping en van Gods bestuur even goed als wij: “Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord. Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld”: Ps. 19:4-5. Maar in het heilige boek straalt de volle glorie van de Godheid, schitterend en onverdeeld. Daar mogen we, bij wijze van spreken, de raadzaal van de Allerhoogste binnen.

We horen hoe de Vader en de Zoon hun verbond sluiten. De Vader belooft de Zoon een nageslacht, dat Hij als erfdeel zal bezitten. Daarvoor moet de Zoon van Zijn kant Zijn ziel tot een schuldoffer stellen en, in hún mensennatuur, de schuld van hun ongerechtigheden betalen. Dit geheimvolle verbond is uitgevoerd in de menswording en de dood van de Heere Jezus Christus. Daarin zien we alle volmaaktheden van God samenkomen en in harmonie klinken, zoals dat nooit eerder gebeurde en op geen andere manier kon gebeuren. We zien gerechtigheid die strenger is dan wanneer ze het hele mensdom had gestraft.

En we zien barmhartigheid die rijker is dan wanneer ze het mensdom zonder zo’n verzoening had gespaard. Daar geldt: “De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen”, zoals het zo treffend is gezegd: Ps. 85:11. Van dit grote geheim vinden we in de rest van de schepping niets terug. In het woord wordt het weerspiegeld als in een spiegel (2 Kor. 3:18). En het schijnt zo helder dat zelfs de engelen rond de troon er wijzer van worden, doordat het aan de kerk wordt bekendgemaakt: Ef. 3:10. 2. Als een richtsnoer waaraan alles te toetsen valt.

Wat God wil, weten we alleen uit het woord: “ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.” Wat God van ons eist, kan geen enkel onderdeel van de schepping of van Zijn bestuur ons zeggen. Wat Hij voor ons zal doen, valt niet uit te maken. Hoe Hij met ons zal handelen, valt evenmin op te maken uit de dingen om ons heen. Maar het heilige boek schrijft alles op als met een zonnestraal. Alles wat God van ons verwacht dat we voor Hem doen, staat daar uitdrukkelijk. Alles wat Hij belooft voor ons te doen, is het onderwerp van een duidelijke belofte.

Heel Zijn handelwijze op de dag van het oordeel ligt daar open: de wetten waarnaar we geoordeeld worden, de manier waarop de getuigenis, voor of tegen ons, wordt voorgebracht, de gronden waarop de veroordeling of vrijspraak wordt uitgesproken, en zelfs de plaats waar ieder mens, vrijgesproken of veroordeeld, uiteindelijk terechtkomt. Alles is zo helder bekendgemaakt dat iedereen die nu eerlijk en zonder zelfbedrog over zichzelf oordeelt, zijn lot met zekerheid kan voorzien. Raden is niet meer nodig, want niets is aan gissingen overgelaten. Ieder mens heeft een richtsnoer waarmee hij zijn oordeel op elk punt kan rechtzetten.

Aan het onderwijs voor ons verstand en aan de richting voor onze verwachtingen kan dus niets meer worden toegevoegd.

  1. Als een bron waaruit al Zijn zegeningen vloeien. Door de werken van de schepping en van Gods bestuur stromen ongetwijfeld grote zegeningen naar ons toe. Ze zorgen zonder ophouden voor ons welzijn, want “Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft.” Maar wat die ons geven, is slechts tijdelijk. Het ingegeven boek geeft geestelijke en eeuwige weldaden. Daar komt al onze kennis van de goddelijke waarheid vandaan, en ook al onze hoop op eeuwige zaligheid. We krijgen niet alleen kennis van de waarheid, maar ook de werking en de kracht ervan op onze ziel.

Als de Heilige Geest de goddelijke waarheid toepast, kan ze verwonden, heiligen en redden: Ps. 19:8-12. Komt ze met kracht binnen in de ziel, dan gaat het stoutste hart van het heelal trillen. Wordt ze als balsem uitgegoten, dan gaat het diepst bedroefde schepsel onder de hemel van vreugde springen. Kijk eens rond op de aarde en tel hoeveel mensen er eens onder de ongebonden heerschappij van de zonde leefden en nu zijn herschapen naar het beeld van hun God. Stijg dan op naar de hemel en zie de tienduizenden verlosten rond de troon van God, die samen hun hallelujazang laten klinken voor God en het Lam.

Al die mensen zijn in die staat gebracht door dat gezegende woord, dat als enige zo’n groot werk kon volbrengen. Zo heeft God Zijn woord groot gemaakt, en zo zal Hij het blijven groot maken, tot het einde van de tijden. Ja, tot in alle eeuwigheid zal het worden erkend als de enige bron van alle zegen die ooit genoten zal worden. — Charles Simeon, in Horae Homileticae.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” In de Engelse vertaling, waar deze uitleggers van uitgaan, staat: “Gij hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw Naam.” Weinig uitspraken in de Schrift zijn tegelijk zo veelomvattend en zo verbazend. Voor mij is dit een van de meest opmerkelijke zinnen uit heel het boek van God. “Gij hebt Uw woord groot gemaakt boven al Uw Naam.” Wat is Gods Naam? Daarin zit alles wat Hij is en alles wat Hij van Zichzelf heeft laten zien: Zijn rechtvaardigheid, majesteit, heiligheid, grootheid en glorie, en alles wat Hij in Zichzelf is.

Dát is Gods Naam. En toch heeft Hij één ding “groot gemaakt boven Zijn Naam”: Zijn woord, Zijn waarheid. Daarmee kan het vleesgeworden Woord bedoeld zijn, de Zoon van God, Die “het Woord” heet. “Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een”: 1 Joh. 5:7. “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God”: Joh. 1:1. Er zijn twee manieren om de zin te lezen. De eerste: God heeft Zijn Woord, Zijn eeuwige Zoon, groot gemaakt boven heel Zijn grote Naam.

Hij heeft Jezus dan hoog boven alle andere volmaaktheden van Zijn majesteit geplaatst. De tweede: het gaat om Zijn geschreven woord in de heilige Schriften. Dan bedoelt de tekst niet alleen het vleesgeworden Woord in de Persoon van Jezus, maar ook het geschreven woord in de Schriften van de waarheid. Dat woord heeft Hij groot gemaakt boven al Zijn Naam, doordat Hij het vervult. Gods trouw is Hem zo kostbaar dat Hij haar hoger heeft gesteld dan al Zijn andere volmaaktheden. Hetzelfde zien we in het gewone leven. Neem een man op wie je volkomen kunt bouwen, die zo trouw is aan zijn woord dat hij liever alles opgeeft dan van dat woord af te wijken.

Zo’n man laat zijn bezit los, ja zelfs zijn leven, voordat hij zijn woord breekt. Op die manier spreekt God over het groot maken van Zijn woord boven al Zijn Naam. Liever laat Hij al Zijn andere volmaaktheden in het niet verdwijnen dan dat Zijn trouw tekortschiet. Zijn trouw heeft Hij zo groot gemaakt dat Zijn liefde, barmhartigheid en genade allemaal eerder zouden bezwijken dan Zijn trouw: het woord van Zijn mond en wat Hij in de Schrift heeft laten weten. Wat een vast fundament voor onze zaligheid, die rust op Zijn woord, nu God dat woord groot heeft gemaakt boven al Zijn Naam!

Wat een rijkdom aan geluk en waarheid ligt daarin! Heeft God Zijn waarheid aan jouw ziel geopenbaard en je geloof gegeven om je anker uit te werpen in de wereld van de belofte? Dan kiest Hij ervoor alles te verliezen voordat dat anker losraakt. Want Hij heeft Zijn woord groot gemaakt boven al Zijn Naam. — Joseph C. Philpot.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” De woorden van Zijn mond gaan God meer aan het hart dan de werken van Zijn hand. Hemel en aarde zullen voorbijgaan. Maar van alles wat Hij zei, zal geen enkele jota of tittel op de grond vallen. Sommigen leggen dit uit van Christus, het wezenlijke Woord. In Hem heeft God Zijn Naam gelegd, en Hem heeft Hij zo hoog verheven dat Hij Hem “een Naam gegeven” heeft, “welke boven allen naam is”. — Ebenezer Erskine, 1680-1754.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Daarmee wordt bedoeld dat Zijn woord of belofte als het ware oppermacht heeft en uitoefent over al Zijn voorrechten en eigenschappen, zoals Zijn wijsheid, rechtvaardigheid en macht. Mensen hoeven dus nooit bang te zijn dat een van die eigenschappen ooit, in welk geval ook, ook maar in het kleinste detail tegen Zijn woord in zal gaan. — John Goodwin, 1593-1665.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” Soms zijn er buitengewone werken van God in de wereld, zoals donder en bliksem. Dan worden we gauw bang en roepen we: wat een groot God laat Zich in deze grote werken zien! Maar was ons hart zoals het hoort bij het lezen van het Woord, dan zouden we daar méér van sidderen dan van elke andere onthulling van God in al Zijn werken sinds het begin van de wereld. En als jij in Zijn Woord niet meer van Gods heerlijkheid ziet dan in Zijn werken, komt dat doordat er maar weinig licht in jou is. — Jeremiah Burroughs, 1599-1646.

Vers 2

“Want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.” “Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.” Maar het woord waarmee een verloren wereld wordt vrijgekocht, is oneindig veel sterker. Dát is het “woord” dat Hij “groot gemaakt heeft boven al Zijn Naam”. Want daarin zien we meteen hoe overweldigend groot Zijn macht is, hoe rijk Zijn veelzijdige wijsheid is, en hoe heiligheid en liefde in glorie samenvloeien. — John Lillie.

Vers 2

Onze zorg is niet de waarheid zoals ze alleen is gedacht, maar de waarheid zoals ze is uitgedrukt. Niet de waarheid zoals onze door God ingegeven leraar haar zag, maar de waarheid zoals hij haar tot ons sprak. Het is niet genoeg dat de Geest hem de waarheid goed liet zien, als Hij hem niet óók liet zeggen wat hij zag. Een zuivere instroom in de geest van een apostel waarborgt het onderricht van de wereld nog niet, tenzij er ook een zuivere uitstroom is. Want we hebben niet met de leer te maken die is binnengestroomd, maar met de leer die is uitgestroomd.

Zo worden we dan ook geroepen ons over te geven aan de uitgestroomde leer, dat is het woord. Het woord is een licht voor onze voet en een lamp voor ons pad. Zijn woord is wat God verheven heeft boven al Zijn Naam. Dat woord heeft Hij in de hemel stevig vastgezet, met een duurzaamheid die zekerder en blijvender is dan die van de wetten van de natuur. De leer die van de hemel naar de aarde wordt gebracht, kunnen we niet in ons opnemen zolang ze nog alleen is aangekomen als gedachte in de geest van een apostel.

Pas als ze verder wordt gebracht tot uitdrukking, in gesproken of geschreven woorden, komt ze met ons in aanraking. Kort gezegd: onze directe zorg is niet wat apostelen innerlijk voor ogen kregen, maar wat ze naar buiten brachten. Niet de plannen of stelsels die ze hebben mogen begrijpen, maar de boeken die ze hebben geschreven. Hadden de verdedigers van een afgezwakte inspiratie de hele kracht en het hele gewicht van deze opmerking goed overdacht, dan zouden zij, daarvan zijn we overtuigd, de inspiratie van de gedachte niet zo hebben losgemaakt van de inspiratie van de taal als ze nu hebben gedaan. — Thomas Chalmers.

Vers 2

“Uw woord” of “Uw belofte.” Gods beloften zijn zo groot, en Hij komt ze zo getrouw en volledig na, dat Hij daarmee zelfs de verwachtingen overtreft die de grootte van Zijn Naam heeft gewekt. — Annotated Paragraph Bible.

Vers 3

“Ten dage, als ik riep” enzovoort. God gaf hem snel antwoord, want hij werd verhoord op dezelfde dag dat hij riep. En dat antwoord was geestelijk: hij kreeg “kracht in zijn ziel”. Wil je zielskracht hebben voor het werk waar je tegen opziet? Roep dan om kracht tot Hem Die de “Overwinning van Israel” is (Engels: “Strength of Israel”, Sterkte van Israël). Want “Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.” — Ebenezer Erskine.

Vers 3

“Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord” enzovoort. Neem een leger. Het deel dat in het veld vecht, krijgt zeker zijn soldij, zolang de bevelhebbers geld in hun beurs hebben of om hun mannen geven. Zij gaan soms zelfs voor, terwijl de kameraden die in de kwartieren zijn achtergebleven moeten wachten. Ik weet zeker dat in het leger van Christus, bij Zijn lijdende mensen, meer goud en zilver (geestelijke vreugde en troost, bedoel ik) te vinden is dan hun broeders thuis, in vrede en welvaart, gewoonlijk kunnen tonen. Wat zijn de beloften anders dan vaten vol versterkende wijn, speciaal aangestoken voor een uur vol zuchten, het moment waarop God ze meestal opent!

“Roept Mij aan in den dag der benauwdheid”, zegt God. Ps. 50:15. Mag dat dan niet ook op een vredige dag? Jazeker, maar God wil dat we juist op de dag van benauwdheid het vrijmoedigst bij Hem zijn. Niemand wordt zo snel geholpen bij de troon van genade als lijdende heiligen. “Ten dage, als ik riep,” zegt David, “zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.” Hij zat in de nauwte, en God komt haastig naar hem toe. Als een gezonde vriend ons laat roepen, laten we hem misschien nog even wachten.

Maar een zieke vriend mag ons midden in de nacht uit bed halen. In zulke noodgevallen gaan we meestal direct mee met de bode die ons komt halen, en zo doet God met het gebed. Petrus klopte op de poort van de mensen die bijeen waren om God voor hem te zoeken, bijna op hetzelfde moment dat hun gebed voor hem op de hemelpoort klopte. En zo hoort het ook, als we bedenken wat voor verleidingen er in ons lijden zijn. We gaan er dan snel van uit dat onze beste vrienden ons vergeten zijn.

We voelen elke wachttijd als uitstel en elke vertraging als verwaarlozing. Daarom kiest God ervoor Zichzelf juist dan het vriendelijkst te laten zien. “Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig”: 2 Kor. 1:5. Zoals de mens verdrukking opstapelde, zo legde Christus er troost in. Het water steeg en daalde bij beide tegelijk. Toen het springtij van het lijden bij Hem kwam, was het ook springtij van Zijn vreugde. Hoe groter de nood van een arme is, hoe meer wij hem helpen. Zo troost Christus Zijn volk meer naarmate hun benauwdheden toenemen.

En zeg me nu eens, christen: verdient jouw dierbare Heere dan geen bereidwillige geest van jou? Een geest die klaarstaat voor elk lijden met Hem, voor Hem of door Hem, Die Zijn zoetste troost geeft waar Zijn volk de zwaarste smart moet dragen? Een knecht werkt graag met een blij hart, als zijn meester zo goed voor hem zorgt dat hij zelf zijn ontbijt naar het veld brengt. De christen hoeft niet te wachten tot hij in de hemel is om al zijn troost te krijgen. Daar komt inderdaad het grote avondmaal. Maar, christen, er is nu al een ontbijt van vreugden vooraf, meer of minder, dat Christus naar het veld voor je brengt. Je eet het op ter plekke, waar je je moeite te dragen hebt. — William Gurnall.

Vers 3

“Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.” God verhoort onze gebeden op een genadige manier als Hij ons geestelijke kracht in onze ziel schenkt. Als Hij ons de dingen die we vragen niet geeft, maar ons wel kracht in onze ziel geeft, verhoort Hij onze gebeden in Zijn genade. Wat is deze geestelijke kracht? Mijn antwoord: ze is een werk van Gods Geest, dat een mens in staat stelt te doen en te dragen wat God wil, zonder te bezwijken of terug te vallen in zonde. — James Nalton.

Vers 3

“Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.” Andere meesters bedenken werk voor hun knechten, maar helpen niet mee. Onze Meester in de hemel geeft ons niet alleen werk, maar ook kracht. God vraagt ons Hem te dienen en zal ons in staat stellen dat te doen, Ezech. 36:27: “En Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen.” De Heere zoekt niet alleen werk dat bij ons past, maar maakt ons ook geschikt voor ons werk. Met Zijn gebod geeft Hij de macht ervoor. — Thomas Watson.

Vers 3

“U maakt mij in mijn ziel dapper met kracht.” De gewone weergave van dit zinsdeel (“Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel”; Engels: “Thou strengthenedst me with strength in my soul”) bevat een woordspel dat in de grondtekst niet voorkomt. Daar hebben het werkwoord en het zelfstandig naamwoord zelfs geen enkele letter gemeen. Sommige vertalers geven het werkwoord weer met “U maakte mij trots”, en bedoelen daarmee: U tilde mij omhoog. Het gaat dan niet om ijdele of egoïstische trots, maar om een verheven hoop die iemand opbeurt. — Joseph Addison Alexander.

Vers 4

“Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven.” Heel opvallend is dat deze belofte al bij David en het volk Israël is uitgekomen. De koningen rondom zagen hoe God de weg van Zijn volk wonderlijk leidde (2 Sam. 5:11; 8:10). Toch komt de volle vervulling pas met de overwinningen die de Messias nog gaat behalen. Dan zullen de heersers en groten van de aarde Zijn woord aanvaarden. Door Gods genade leren ze dan de roemrijke wegen van Zijn liefde te prijzen. In het licht van het geloof zien ze hoe machtig de heerlijkheid is van Jehova, de God van het heil. Ja, “alle koningen der aarde” zullen de Heere nog loven. Ze komen samen met hun talloze onderdanen aanstormen om de zegetocht van Zijn genade luid te begroeten. — John Morison.

Vers 5

“En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN.” Er komt een tijd dat de lofzang op Jahwe, die volgens Ps. 137:4 in het bijzijn van de heidenen moest zwijgen, juist door de koningen van diezelfde heidenen wordt aangeheven. — Franz Delitzsch.

Vers 5

“En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN.” Een wandeling met God is een aangename wandeling. De wegen van de wijsheid heten “wegen der liefelijkheid”: Spr. 3:17. En is licht niet heerlijk? Ps. 89:16: “O HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.” Met God wandelen lijkt op lopen tussen bedden vol specerijen, waar een zalige geur omhoogstijgt. Dat geeft vrede, Hand. 9:31: “wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes”. Zolang we met God wandelen, hoe zoet laat de vogel van ons geweten dan zijn muziek horen in onze borst! “Zij zullen zingen van de wegen des HEEREN.” — Thomas Watson.

Vers 6

“Want de HEERE is hoog.” Hier ontmoeten we Gods grootheid, die alles te boven gaat. Hij is de hoge Heere, of Jehova. Hij is “de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont”, Die zegt: “Ik woon in de hoogte en in het heilige”, en Die “een ontoegankelijk licht bewoont”. Wie kan Zijn hoogheid naar waarde schatten, in gedachten of in woorden? Zondige, sterfelijke wormen worden blind zodra ze “de plaats des tabernakels Uwer eer” willen zien. Wat een oneindige afstand ligt er tussen Hem en ons!

“Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?” Ja, “de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal.” Hij is niet alleen “hoog” boven de mensen, maar ook boven de engelen. Cherubs en serafs zijn maar Zijn dienende geesten. Hij is “hoog” boven de hemelen, want “de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen”. Toch vernedert Hij Zich zelfs, want Hij is het “Die zeer laag ziet, in den hemel”. Vrienden, doe moeite om groot en vol bewondering te denken over de heerlijke majesteit van God. Want “Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.” — Ebenezer Erskine.

Vers 6

“Nochtans ziet Hij de nederige aan.” Waarom heeft God zo veel achting voor nederige mensen? Niet omdat zo’n houding van de ziel bij Hem ook maar iets zou verdienen. Maar om drie redenen. 1. Nederigheid past het allerbeste bij Gods grote doel: Zijn vrije genade verhogen en verheerlijken. Wat dachten jullie, vrienden, dat God wilde bereiken met de verkiezing, met de verlossing, met heel de bediening van het evangelie en met al haar verordeningen? Zijn grote doel in dit alles was een heerlijke, hoge troon op te richten.

Vanaf die troon laat Hij de rijkdom van Zijn vrije, soevereine genade zien. Die genade wil Hij door de eeuwigheid heen groot gemaakt hebben, boven heel Zijn andere Naam. Welnu, nederigheid en deemoed van geest sluiten het beste aan bij dit doel: de vrijheid van Zijn genade verheffen. Wie zich aan de openbaring van genade onderwerpt, is niet de man van de wet of de trotse Farizeeër. Het is de arme, nederige tollenaar, die op zijn borst slaat en roept: “O God! wees mij zondaar genadig!” 2. God acht de nederige ziel zo hoog omdat nederigheid een vrucht is van de Geest, Die in de ziel woont.

Bovendien bewijst ze dat de ziel met de Heere Jezus Christus is verenigd, in Wie wij alleen aangenaam zijn. 3. Nederigheid maakt de ziel aan Christus gelijk, en hoe meer iemand op Christus lijkt, hoe meer God van hem houdt. Van Christus wordt gezegd dat Hij “zachtmoedig” en “nederig van hart” was. “Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.” Hij was het Afschijnsel van de heerlijkheid van Zijn Vader, en toch nam Hij er genoegen mee te verschijnen in “de gestaltenis eens dienstknechts”. Hij was rijk en werd toch bereidwillig arm, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden.

De nederige ziel is dus een afbeelding van Christus, Die het uitgedrukte Beeld van Zijn Vader is. Daarom moet God wel oog voor haar hebben. — Ebenezer Erskine.

Vers 6

“Ziet Hij de nederige aan.” Geef mij het eenvoudige vat van de nederigheid. Dat zal God bewaren en vullen met de wijn van Zijn genade. Dat is mij liever dan de gelakte beker van de hoogmoed, want die slaat Hij stuk als een pottenbakkersvat. Is nederigheid de hoeksteen, dan wordt heerlijkheid de sluitsteen. — William Seeker, in “The Nonsuch Professor in his Meridian Splendour,” 1660.

Vers 6

“En den verhevene kent Hij van verre.” Iemand die een schouwspel of een persoon tegenkomt waar hij niet naar kan kijken, gaat zo iemand uit de weg of draait zich al om terwijl hij nog ver weg is. Is wat hij ziet daarentegen een lust voor het oog, dan komt hij dichterbij en gaat er zo dicht mogelijk bij staan. Staat er dus dat de Heere een hoogmoedig mens “van verre” kent, dan laat dat Zijn minachting voor die man zien. Hij wil hem nauwelijks met een tang aanraken (zoals wij zeggen), en Hij kan het niet verdragen bij hem in de buurt te komen. Hij weet maar al te goed hoe verachtelijk zo iemand is, zelfs op de grootst mogelijke afstand. — Joseph Caryl.

Vers 6

“En den verhevene kent Hij van verre.” Hij straft hen immers in de hel. — Richard Rolle, 1340.

Vers 7

“Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend.” Dat overkwam ook de drie jongemannen in de gloeiende oven. Nebukadnezar, die hen had laten vervolgen, riep uit: “Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.” — Andrew Robert Fausset.

Vers 7

“Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend.” Wanneer iemand in een uitzichtloze situatie geholpen wordt, zien we Gods wijsheid. God toont Zijn wijsheid het liefst op het moment dat mensen en hun verstand niets meer kunnen doen. Goede advocaten pakken graag de lastigste kwesties uit de wet aan, om hun kunde nog duidelijker te laten blijken. Zo vindt Gods wijsheid altijd een uitweg. Is het in Zijn beschikkingen op zijn donkerst, dan komt de morgenster van de verlossing op. Soms laat God Zijn vijanden de moed in de schoenen zinken. Joz. 2:24.

Soms geeft Hij hun iets anders te doen en laat Hij hen de aftocht blazen. Zo ging het bij Saul, toen hij David op de hielen zat: “De Filistijnen zijn in het land gevallen.” “Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden.” Wanneer de kerk al op het altaar ligt en haar vrede en vrijheid bijna worden geofferd, dan verschijnt de engel. — Thomas Watson.

Vers 7

“Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij” enzovoort. U zult Uw hulp tussen mij en hen in plaatsen en mij ongedeerd redden. Zo laten de dichters hun goden doen voor wie ze begunstigen. U slaat hen met Uw linkerhand en redt mij met Uw rechter. Zo begrijpt Tremellius het. — John Trapp.

Vers 8

“De HEERE zal het voor mij voleinden” enzovoort. Gods werk is volmaakt, terwijl wat mensen doen onhandig blijft en half af. God houdt pas op als Hij klaar is. Rust Hij, dan is dat omdat Hij naar Zijn werk kijkt en ziet dat alles “zeer goed” is. Zijn sabbat is dus de sabbat van een doel dat is bereikt, van een raadsbesluit dat is uitgevoerd. Onze eigen paleizen zijn altijd zoals dat paleis uit het verhaal: één raam blijft donker en zonder edelstenen, terwijl al het andere van schoonheid straalt. Als God bouwt, kan niemand zeggen: “Hij kon het niet afmaken.” In Zijn grote paleis maakt Hij haar “glasvensters kristallijnen” en haar “ganse landpale van aangename stenen”.

Neem aan dat de middeleeuwse droom was uitgekomen, en een alchemist één korreltje lood in goud had veranderd. Dan had hij met genoeg smeltkroezen en ovens uiteindelijk al het lood ter wereld kunnen omzetten. Alle moeite zit in de eerste stap. Zijn jij en ik van vijanden tot zonen gemaakt, en is er in ons hart één vonk van liefde tot God aangestoken? Dan is dat een veel diepere verandering dan alles wat nog moet gebeuren om ons volmaakt te maken. Eén korreltje is veranderd, en de hele massa volgt op Zijn tijd. — Alexander Maclaren, preek in “Wesleyan Methodist Magazine,” 1879.

Vers 8

“Laat niet varen de werken Uwer handen.” Zitten we in verdrukking die ons dreigt te breken? Dan is het goed de Heere eraan te herinneren dat Hij ons gemaakt heeft. Zo geeft David zijn gebed gewicht: “Laat niet varen de werken Uwer handen.” Iedereen is gesteld op wat hij zelf gemaakt heeft, en velen zijn er verliefd op. Moeten we dan geloven dat God Zijn eigen werk in de steek laat? Kijk hoe Gods volk in zijn diepste nood bij God pleit (Jes. 64:8-9): “Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk. HEERE! wees niet zo zeer verbolgen.” — Joseph Caryl.

Vers 8

“Laat niet varen de werken Uwer handen.” Koningin Elizabeth bad: kijk naar de wonden in Uw handen en verlaat dan de werken van Uw handen niet. Luther bad meestal zo: Bevestig, o God, wat U in ons hebt gewrocht, en maak het werk af dat U in ons bent begonnen, tot Uw eer. Amen. — John Trapp.

Vers 8

“Laat niet varen de werken Uwer handen.” Zie Uw werk in mij aan, niet het mijne. Ziet U mijn werk, dan veroordeelt U het. Ziet U het Uwe, dan bekroont U het. Elk goed werk dat ik heb, heb ik van U gekregen, dus het is meer van U dan van mij. Want Uw apostel zegt mij: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus”: Ef. 2:8-10. — Augustinus.

Vers 8

“Uwer handen.” Met Zijn scheppende handen vormde Hij in het begin onze zielen. Met Zijn doorboorde handen kocht Hij ze vrij op Golgotha. Zijn verheerlijkte handen zullen onze zielen vasthouden en nooit meer loslaten. Laten we onze geesten in Zijn handen bevelen. We weten zeker dat Zijn handen opnieuw heel maken wat onze handen hebben vernield, ook al hebben de werken van onze handen de werken van Zijn handen tenietgedaan. — J. W. Burgon.

Wenken voor de dorpsprediker

Verzen 1-3

David wordt gekweld door rivaliserende goden, zoals wij door rivaliserende evangeliën. Wat doet hij?

  1. Zingen met een lofprijs van ganser harte.

a) Zo laat hij zonder verbittering zien dat hij niets van het valse moet hebben.

b) Zo bewijst hij zijn sterke geloof in het ware.

c) Zo maakt hij zijn blijde ijver voor God bekend.

d) Zo wordt hij beschermd tegen het kwaad van de mensen om hem heen.

  1. Aanbidden volgens de verachte regel.

a) Stilletjes elke eigenwillige godsdienst negeren.

b) Opzien naar de Persoon van Christus, Die door de tempel werd afgebeeld.

c) Vertrouwen op het offer.

d) God Zelf beseffen, want hij spreekt tot God.

  1. De aangevochten eigenschappen loven.

a) Goedertierenheid die iedereen omvat en die elk afzonderlijk raakt. Genade in alles wat er gebeurt.

b) Waarheid. Historische betrouwbaarheid. Zekere beloften. Profetieën die precies uitkomen. Als we zeker zijn van Gods liefde en van de waarheid van Zijn woord, laten we ons daar dan nog steviger aan vastklampen.

  1. Het geëerde woord met ontzag benaderen. Het staat boven alles wat schepping en voorzienigheid ons openbaren, want het is:

a) Helderder.

b) Betrouwbaarder.

c) Meer soeverein.

d) Completer en uniek.

e) Blijvender.

f) Eervoller voor God.

  1. Het bewijzen uit eigen ervaring.

a) Door te bidden.

b) Door het antwoord door te vertellen.

c) Door te laten zien welke kracht in de ziel we als antwoord op ons gebed hebben ontvangen.

Vers 2

De houding die op Christus gericht is.

  1. Aanbidding en lofzang horen bij elkaar.
  2. We brengen ze met onze ogen op God in Christus, want Hij is de tempel. Hij is de plaats waar God woont, waar geofferd wordt, waar voorspraak wordt gedaan. Hij is het priesterschap, de godsspraak en de openbaring.

Vers 2 (eerste zinsdeel)

  1. De mooiste houding van de ziel: “naar het paleis Uwer heiligheid”.
  2. De mooiste bezigheid van de ziel: zich “nederbuigen” en “loven”.

— W. W.

Vers 2

  1. Wat de aanbidder beschouwt. Zijn blik rust op de heilige tempel. De stenen tempel is nog niet gebouwd. Christus is het heiligdom. Hebr. 8:2. Alle aanbidding gaat door Hem. De ogen van de aanbidders zijn op Hem gericht.
  2. Wat de aanbidder zingt. Liefde en waarheid. Let op dat deze twee samengaan. De waarheid kwam door Mozes. Genade en waarheid kwamen door Jezus Christus.
  3. Waarmee de aanbidder pleit. Christus, “het Woord”, is de belichaming van God en Zijn heerlijkste openbaring. Hebr. 1:2-3. — Archibald G. Brown.

Vers 3

  1. Een gebed dat nog op dezelfde dag wordt verhoord.
  2. Een gebed dat wordt verhoord doordat God kracht geeft voor die dag. Zie 2 Kor. 12:8-9.

— A. G. B.

Vers 3

  1. Verhoringen moeten we opmerken en erkennen: “Gij hebt mij verhoord.”
  2. Snelle verhoringen verdienen extra lof: “Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij” enzovoort.
  3. Een versterkte ziel is soms het beste antwoord op een gebed: “Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.”

— J. F.

Vers 3

Een opmerkelijke gebedsverhoring.

  1. Het gebed: zwak, ernstig, verdrietig en zonder woorden.
  2. Het antwoord: snel, goddelijk, doeltreffend en zeker.
  3. De lof die zulke genade verdient. Zie de voorgaande verzen.

Vers 3

  1. Een bijzondere dag.
  2. Een bijzondere manier van bidden: “Ik riep.”
  3. Een bijzondere manier van antwoorden.

— W. W.

Vers 4

  1. Een koninklijke ontvangst.
  2. Een koninklijk orkest.

Verzen 4-5

  1. Wie Gods woorden hoort, leert God kennen.
  2. Wie God kent, zal Hem loven, hoe hoog hij onder de mensen ook staat: “Alle koningen der aarde” enzovoort.
  3. Wie God looft, zal op Zijn wegen gaan.
  4. Wie op de wegen van de Heere gaat, zal Hem eer brengen, en Hij zal in hen geëerd worden.

— G. R.

Vers 5

Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 1615: “Singing in the Ways of the Lord.”

Vers 5

Dit staat er over koningen, maar het geldt ook voor de eenvoudigste pelgrims. De Heere heeft achting voor de nederigen en laat hen zingen.

  1. Ze zingen onderweg, op de wegen zelf.

a) Ze vinden er vreugde in.

b) Ze wijken er niet van af om elders vreugde te zoeken.

c) Ze zingen terwijl ze verder gaan, in dienst, in aanbidding, in heiligheid en in lijden.

d) Ze zijn er helemaal klaar voor om te zingen. Ze hebben kracht, veiligheid, leiding, voorzieningen en troost.

  1. Ze zingen van de wegen van de Heere.

a) Van Gods wegen met hen.

b) Van hun eigen weg naar God. Ze weten waar ze vandaan komen. Ze weten waar ze naartoe gaan. Het is een goede weg. Profeten zijn hem gegaan, en ook de Heere van de profeten. Hier is goed gezelschap, goed onderdak, een goed uitzicht en goed daglicht.

  1. Ze zingen van de Heere van de weg. Van Zijn goedertierenheid. Van Zijn waarheid. Van verhoorde gebeden. Van Zijn nederbuigen. Ze zingen dat Hij ons levend maakt in de nood. Dat Hij ons bevrijdt. Dat Hij ons voltooit. Dat Zijn barmhartigheid eeuwig duurt.
  2. Ze zingen tot de Heere van de weg.

a) Tot Zijn eer.

b) Zodat die eer zich verder verspreidt.

c) Als oefening om Hem voor eeuwig te eren.

Vers 6

Goddelijke omkeringen.

  1. De nederige wordt geëerd, tot zijn eigen verbazing.
  2. De hoogmoedige wordt overgeslagen, tot zijn eeuwige schaamte.

— W. B. H.

Vers 7 (eerste zinsdeel)

  1. De sombere tocht van de psalmist: hij wandelt “in het midden der benauwdheid”. Hij kijkt dus niet toe maar wordt zelf aangevallen. Er zijn benauwdheden van allerlei aard: persoonlijk, in de samenleving, in de kerk en in het land.
  2. Zijn bemoedigende verwachting: nieuw leven, bescherming en verlossing. — W. J.

Vers 7

  1. Goede mensen zitten soms midden in de benauwdheid. Die is veelsoortig en houdt lang aan.
  2. Hun voortgang houdt ze niet tegen. Ze “wandelen” er middenin. Ze zijn moe, maar blijven doorzetten. Soms “lopen” ze zelfs “met lijdzaamheid” enzovoort.
  3. Ze vinden er troost in: “Als ik wandel” enzovoort, “maakt Gij mij levend.”
  4. Ze trekken er voordeel uit.

a) Hun vijanden worden ten val gebracht.

b) Hun redding is volkomen. — G. R.

Vers 7

Het kind van God wordt vaak uit de benauwdheid levend gemaakt. Vaker nog midden in de benauwdheid, en niet zelden erdoorheen. Het wordt bevrijd van haar, gedragen in haar en geheiligd door haar. — A. G. B.

Vers 7

Een voorval op de weg naar de stad.

  1. Pelgrims worden door dieven overvallen en neergeslagen.
  2. Grootmoed komt eraan en de vijand slaat op de vlucht.
  3. De fles gaat naar de lippen: “maakt Gij mij levend.” Wat een zoet ontwaken, als je de schoonheid van Zijn aangezicht en de kracht van Zijn hand leert kennen! — W. B. H.

Vers 7 (derde zinsdeel)

Redding door de rechterhand.

  1. God Zelf zal haar tot stand brengen.
  2. Hij zal al Zijn kracht in het werk leggen.
  3. Hij zal al Zijn vaardigheid laten zien.

Vers 8 (eerste zinsdeel)

  1. Een breed onderwerp: “het voor mij” (Engels: “that which concerneth me”, wat mij aangaat). Dat is niet per se wat mij zorgen geeft.
  2. Een belofte die dat dekt: “De HEERE zal het voor mij voleinden.” — A. G. B.

Vers 8 (eerste en laatste zinsdeel)

Wie gelooft in Gods plan, hoeft daarom niet minder te bidden. Het moedigt juist aan om te bidden: “De HEERE zal het voor mij voleinden.” “Laat niet varen.” — A. G. B.

Vers 8

Zie “Spurgeon’s Sermons”, nr. 231 en 1506: “Faith in Perfection” en “Choice Comfort for a Young Believer.”

Vers 8

Gods genade maakt een mens bedachtzaam. Ze doet hem nadenken over zichzelf, over zijn leven, zijn toekomst en de vraag of het werk van de genade wel af zal komen. Dat kan ons treurig en wanhopig maken. Maar de Heere werkt in ons met andere bedoelingen.

  1. Hij vervult ons met zekerheid.

a) Dat de Heere voor ons aan het werk zal gaan.

b) Dat Hij Zijn werk zal afmaken.

c) Dat Hij dat zal doen in Zijn voorzienigheid, als het tenminste echt iets is wat ons aangaat.

d) Dat Hij dat zal doen in ons zelf. Onze genadegaven zullen groeien. Onze ziel gaat op Christus lijken. Heel ons wezen wordt volmaakt.

e) Dat Hij dat zal doen met ons eigen werk voor Hem.

  1. Hij schenkt ons rust in Zijn barmhartigheid.

a) U vergeeft mijn zonden.

b) U verdraagt mijn aard.

c) U steunt mij in het lijden.

d) U voorziet in al mijn nood.

e) U staat mij bij in de dood.

  1. Hij legt het gebed in ons hart.

a) Dat Hij mij niet in de steek laat.

b) Dat Hij Zijn eigen werk in mij niet half laat liggen.

c) En ook Zijn werk door mij niet onaf laat. Waarom begon Hij eraan? Waarom bracht Hij het al zo ver? Waarom zou Hij het dan niet afmaken?

Vers 8

  1. De volle zekerheid van het geloof: “De HEERE zal het voor mij voleinden.”
  2. De vaste grond van het geloof: “Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid.”
  3. Het vurige gebed van het geloof: “Laat niet varen de werken Uwer handen.”

© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas