Davids Schatkamer - Treasury Of David
Psalm 137 — Treasury of David

Dit klaaglied hoort door zijn dichterlijke kracht bij de mooiste stukken uit het hele boek Psalmen. Was het niet door God ingegeven, dan nog zou het een hoge plaats innemen in de dichtkunst. Dat geldt vooral voor het eerste deel, dat vol is van tederheid en liefde voor het vaderland. In de latere verzen (Ps. 137:7-9) horen we brandende verontwaardiging tegen de voornaamste vijanden van Israël. Die woede was even rechtvaardig als vurig. Wie daar kritiek op heeft, moet maar eerst zijn tempel in vlammen zien opgaan, zijn stad in puin zien liggen, zijn vrouwen zien onteren en zijn kinderen zien doden.
Wie dat heeft meegemaakt, praat misschien niet meer zo zoetsappig. Het is één ding om te praten over de bittere gevoelens van Israëlitische gevangenen in Babylon. Het is iets heel anders om zelf gevangene te zijn van een meedogenloze, woeste macht, die geen genade kende en er plezier in had weerlozen te mishandelen. Dit lied zou prima passen bij de klaagmuur van de Joden. Het is een vrucht van de ballingschap in Babylon en het heeft vaak woorden geleend aan een smart die anders onuitsprekelijk was gebleven. Het is een psalm als een opaal, met een melkachtige, gedempte kleur. In zijn zachte glans gloeit een vuur, en wie het ziet, staat er verbaasd bij.
Uitleg
Vers 1
“Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.” In Babylon stroomde overal water. Er waren niet alleen natuurlijke rivieren, maar ook kanalen die mensen hadden gegraven. Het was een land met brede stromen en beken. De gevangenen hadden genoeg van het gejaagde lawaai in de straten. Ze zochten de waterkant op, want het zachte stromen leek hun tranen te begrijpen. Een plekje buiten de drukte, met een beetje ruimte om te ademen: veel troost was het niet, maar het was iets. Ze zakten neer om even uit te rusten, als mensen die hun lasten neerzetten, en hun verdriet te laten zakken.
In kleine groepjes zaten ze samen, klaagden hardop en lieten herinneringen en tranen door elkaar heen vloeien. Prachtige rivieren, zeker. Maar het waren de rivieren van Babel, helaas, en onder hun voeten lag vreemde grond. Daarom weenden ze. Wie hun stilte kwam verstoren, was een inwoner van de stad die hen had vernield, en niemand zat op hem te wachten. Alles hield Israël voor ogen dat het uit de heilige stad was verjaagd. Het was een slaaf in de schaduw van de tempel van Bel. En tegenover een wrede vijand stond het volkomen machteloos. Daarom zakten zijn zonen en dochters bedroefd neer: telkens “als wij gedachten aan Sion”, weenden ze.
Geen enkele andere pijn had hun moed kunnen breken. Maar wat hen helemaal neersloeg, was de gedachte aan het huis van hun God, aan het paleis van hun koning en aan het middelpunt van hun hele volksbestaan. Het ongeluk had alles weggevaagd waar ze blij mee waren. Dus weenden ze, de sterke mannen en de zoetklinkende zangers! Dat deden ze niet als ze dachten aan de wreedheid van Babylon. Zulke herinneringen lieten hun tranen opdrogen en hun hart gloeien van woede. Maar zodra de geliefde stad van hun feesten voor hun geest verscheen, was er geen houden meer aan: de tranen stroomden.
Zo rouwen ook ware gelovigen wanneer ze zien dat de kerk wordt geplunderd en dat ze haar niet kunnen bijstaan. Dit is erger dan al het andere, en we zouden alles liever dragen dan dit. Ook vandaag richt het Babel van de dwaling schade aan in de stad van God. De trouwe gelovigen voelen een diepe wond wanneer de waarheid op straat ligt en wanneer het ongeloof de overhand neemt onder mensen die zeggen dat ze de Heere dienen. We protesteren wel, maar het helpt kennelijk niet. De massa is verslaafd aan haar afgoden. Laten we dan, in het verborgen, wenen om wat ons Sion wordt aangedaan.
Veel meer kunnen we niet doen, maar misschien is dit uiteindelijk wel het allerbeste. Laten we ook rustig gaan zitten en goed bedenken wat ons te doen staat. En laten we, wat er ook gebeurt, de gemeente van God voor ogen houden, want zij is ons zo dierbaar. Wie oppervlakkig leeft, vergeet haar misschien. Wij niet: Sion staat in ons hart gegrift, en haar welzijn is onze diepste wens.
Vers 2
“Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.” De afhangende takken leken net als wij te huilen. Daarom gaven we onze instrumenten maar aan hen. Wilgen konden net zo goed muziek maken als wij, want we hadden helemaal geen zin in spel. Of de harpen nu midden in het wilgenbos hingen, midden langs de rivieren of midden in Babylon, het doet er weinig toe. Hoog hingen ze, die harpen waaruit eens in de zalen van Sion zoveel zielvolle muziek had geklonken. Hang ze liever op dan ze kapot te slaan.
Hang ze liever aan een wilg dan ze te ontheiligen door ze in dienst van afgoden te stellen. Wat is iemand die veel verdriet heeft er slecht aan toe als hij zijn harp zat wordt, terwijl hij in betere tijden zoveel zachte troost uit die snaren kon halen! Muziek kan onrustige geesten kalmeren. Maar is het hart diep bedroefd, dan lijkt ze alleen te spotten met het verdriet dat bij haar aanklopt. Mensen bergen hun vreugde-instrumenten op zodra een zware wolk hun ziel verduistert.
Vers 3
“Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions.” Wie zingen kon, had het zwaar, want zijn gave werd gedwongen om een tiran te dienen. Dan maar liever stom dan onder dwang een vijand verblijden met een lied dat je niet wilt zingen! Wat een wreedheid: een volk eerst doen zuchten en dan bevelen te zingen! Worden mensen weggerukt van hun huis en alles wat hun lief is, en moeten ze dan ook nog vrolijk zingen voor het plezier van hun harteloze bewakers?
Dit is marteling met voorbedachten rade. Het ijzer snijdt door de ziel. Hier klopt het woord “wee de overwonnenen” tot in de letter, als verslagenen moeten zingen om de triomf van hun overwinnaars op te luisteren. Zo’n geraffineerde wreedheid had bijna niemand kunnen bedenken. Geen wonder dat de gevangenen weenden toen ze zo werden beledigd! “En zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd.” Zingen alleen was niet genoeg. Ze moesten ook lachen en hun muziek met vrolijkheid opvrolijken. Lang geleden werd de blinde Simson voor de Filistijnen gehaald om hen te vermaken, en nu blijkt dat de Babyloniërs van hetzelfde kaliber zijn.
Geplunderd, gewond, geketend, weggevoerd naar ballingschap en armoede, en toch moest het volk lachen alsof alles maar toneel was. Ze moesten feestvieren alsof ze nergens verdriet van hadden. Voor wie God en Zijn uitverkoren land liefhadden, was dit alsem en gal. “Zingt ons een van de liederen Sions.” Alleen een heilig loflied kon hen bevredigen, een melodie uit de dienst van Jehova. Voor de Babylonische spotters moest het per se een psalm van Israël zijn, zoals het volk die zong in zijn gelukkigste tijd voor de Heere, Wiens goedertierenheid eeuwig is. Dat gaf hun vervolgers heerlijk vermaak, want dan konden ze de eredienst belachelijk maken en lachen om het geloof in Jehova.
Zo’n eis beledigde hun God en bespotte tegelijk hun eigen volk, en dat maakte haar nog wreder. Boosaardiger kon het niet, en pijnlijker ook niet. Deze brutale vervolgers waren de gevangenen achternagegaan naar hun afgezonderde hoekje. Ze zagen hoe bedroefd ze eruitzagen en bevalen de treurenden precies “aldaar” en meteen vrolijkheid voor hen te maken. Waarom lieten ze de lijdenden niet met rust? Mochten de ballingen dan nergens hun adem terugvinden? De dochter van Babel leek vastbesloten haar maat van ongerechtigheid vol te schenken door het volk van de Heere te kwellen. Juist wie het meest hadden bijgedragen aan Israëls val, voegden aan hun woestheid nog hun spot toe.
“De barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.” Ze waren zelfs slechter dan de Egyptenaren. Die eisten werk, en werk kon een slachtoffer leveren. Deze mensen eisten uitgelatenheid, die de ballingen niet konden geven, en heilige liederen, die ze niet wilden misbruiken voor zo’n doel. Zo maakten ze het leed van de uitgeputte, onderdrukte ballingen nog groter met hun gelach en hun schaamteloosheid. We moeten het helaas toegeven: de gelijkenis geldt nog steeds, tussen de Joden in gevangenschap en de christenen op hun levensreis. Ook wij moeten de spot verdragen van goddelozen en van mensen die nooit nadenken.
Oprechte vroomheid wordt in deze wereld maar al te vaak bespot en geminacht. Mode, lichtzinnigheid en onechte wijsheid vormen samen een machtig front tegen ons. Dezelfde waarheid, dezelfde eerlijkheid en dezelfde rechte lijn van beginselen zouden elders gewoon mannelijk en eerbaar heten. Maar zodra ze verbonden worden met het evangelie en met wat daarin zo verheven is, krijgen ze hoon en gelach te verduren. — Thomas Chalmers.
Verzen 3-4
De heilige Johannes Chrysostomus laat zien wat zo’n tijd van nood bij de Joden had bewerkt. Vroeger spotten ze met profeten en brachten ze sommigen zelfs om. Maar nu ze als gevangenen in een vreemd land woonden, waagden ze het niet hun heilige liederen aan het gelach van de heidenen uit te leveren. — Robert Bellarmine.
Vers 4
“Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Hoe kunnen ze nog zingen? Zingen, in een vreemd land? Het lied van Jehova laten horen tussen de onbesneden mensen? Nee, dat gaat niet. Dat zal niet gebeuren. Allemaal weigeren ze, in één stem, maar bescheiden, want ze doen het met een vraag. De mannen van Babylon waren verdorven genoeg om te eisen dat heilige dingen werden bezoedeld, uit nieuwsgierigheid of voor de lol. Maar de mannen van Sion waren niet zo hard geworden dat ze hen voor zo’n verschrikkelijke prijs wilden plezieren.
De goddelozen kunnen veel dingen doen zonder ook maar een tel na te denken, maar wie Gods genade kent, durft die dingen niet aan. De vraag “Hoe kan ik?” of “Hoe zouden wij?” spruit voort uit een gevoelig geweten. Ze toont dat we niet meer kunnen zondigen, en dat is iets waar we hard naar moeten streven.
Vers 5
“Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve.” Wie voor het plezier van Sions vijanden Sions liederen zingt, laat de heilige stad in de steek. Elke Jood zweert voor zichzelf dat hij dat nooit zal doen, want let op: in de tekst wordt “wij” ineens “ik”. Ieder van de gevangenen belooft persoonlijk trouw aan Jeruzalem. Hij verklaart dat hij liever de kunst vergeet waarmee hij muziek uit zijn snaren toverde, dan haar in te zetten voor het vermaak van Babel. Het is veel beter dat de rechterhand haar vertrouwde vaardigheid kwijtraakt en alle behendigheid verliest.
Beter dan dat ze voor rebellen muziek uit de instrumenten van de Heere haalt, of een heilige psalm met zoet vakmanschap begeleidt nadat die is vernederd tot een gewoon wijsje waar dwazen mee lachen. Niemand van hen zal Jehova zo onteren om Belus te verheerlijken en zijn volgelingen een plezier te doen. Plechtig spreken ze over zichzelf een vloek uit voor het geval ze ooit zo vals en trouweloos zouden blijken te zijn.
Vers 6
“Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke.” Zo vragen de zangers dat hun mond voor altijd zwijgt, als ze Jeruzalem vergeten om Babel een plezier te doen. De muzikanten en de zoetgevooisde zangers denken er allemaal hetzelfde over: de vijanden van de Heere krijgen van hen geen vrolijk deuntje en geen lied. “Zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!” De heilige stad moet altijd op de eerste plaats in hun gedachten staan, als de koningin van hun ziel. Ze zouden liever niets meer kunnen zeggen dan haar heilige liederen te onteren en de onderdrukker een reden te geven haar eredienst uit te lachen.
Als een verbannen Jood zo aan zijn vaderland hangt, hoeveel meer moeten wij dan houden van de gemeente van God, waarvan wij kinderen en burgers zijn! Wat moeten we zorgvuldig waken over haar eer en wat moeten we ons vurig inzetten voor haar welzijn. Laten we nooit grappen maken over de woorden van de Schrift en nooit vermaak zoeken in heilige dingen. Anders worden we schuldig aan het vergeten van de Heere en van Zijn zaak. Het is te vrezen dat veel tongen alle aantrekkingskracht hebben verloren voor de gemeenten van de heiligen, omdat ze het evangelie zijn vergeten en God hen heeft vergeten.
Vers 7
“HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem.” De zaak wordt in de handen van Jehova gelegd. Hij is een God Die vergeldt en Die onpartijdig recht doet. Door hun verwantschap hadden de Edomieten bevriend moeten zijn met Israël, maar ze lieten een diepe haat en een wrede boosaardigheid zien. De oudste wilde de jongste niet dienen. Zo stond Ezau klaar om zijn slag te slaan toen Jakob zijn dag van nood meemaakte. De gevangen Israëlieten, bewogen door hun verdriet, legden hun klacht bij God neer. Ze voegden er een gebed aan toe dat Hij dat volk zou bezoeken, dat zich zo laag aan de kant van hun vijanden had geschaard en de indringers zelfs had aangespoord tot nog meer wreedheid dan gewoonlijk.
“Die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!” Ze wilden Jeruzalem en de Joodse staat voorgoed zien verdwijnen. Er mocht geen steen op de andere blijven staan. Tempel, paleis, muur en huis: alles moest worden schoongeveegd. Het is afschuwelijk als buren elkaars vijand zijn. Het is nog erger als ze hun vijandschap laten zien in een tijd van groot lijden. Het allerergste is dat buren anderen aanzetten tot kwaadaardige daden. Wie anderen als werktuig gebruikt voor zijn eigen vijandschap, is verantwoordelijk voor hun zonden. Het is een schande om slechte mensen op te stoken tot daden die je zelf niet kunt uitvoeren.
De Chaldeeën waren al wreed genoeg en hadden geen aanmoediging nodig om nog woester te worden. Maar de haat van Edom was niet te verzadigen. Wie in kwade tijden geen genade gedenkt, verdient het dat de wraak aan hem wordt gedacht. Dat geldt des te meer voor wie een ramp aangrijpt om wraak te nemen op mensen die al lijden. Als Jeruzalem op zijn dag van herstel komt, wordt aan Edom gedacht en wordt het van de aardbodem weggevaagd.
Vers 8
“O dochter van Babel!” Dit kan ook worden gelezen als “Gij, verwoestster” of als “die verwoest zult worden”. Laten we het op de ene of de andere manier opvatten, of zelfs op allebei. De verwoestster zou zelf verwoest worden, en de psalmist zag haar in een visioen al in puin liggen. Een stad wordt vaak een dochter genoemd, een maagd. Babylon stond in zijn kracht en schoonheid, maar om zijn misdaden was het al ten dode gedoemd. “Welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.” De wreker zou een eervolle roeping vervullen als hij een zo wrede en onmenselijke macht ten val bracht.
De Assyrische en Chaldeeuwse legers hadden bij hun veroveringen hoogmoedig en wreed huisgehouden. Het was billijk dat alles wat ze hadden aangericht, in hun eigen schoot werd teruggegooid. Geen straf is overtuigender rechtvaardig dan de straf die zich op de letter houdt aan de regel “oog om oog” (in het Latijn: lex talionis). Babylon moest vallen zoals het Jeruzalem had laten vallen. De plundering en slachting van Babylon moesten gelijk zijn aan wat het voor andere steden had bedacht. De dichter was een vaderlandsvriend. Hij zat verdrietig in zijn ballingschap en vond troost in het vooruitzicht dat de keizerin onder de steden, die hem gevangen hield, zou vallen.
Hij vond Cyrus echt gelukkig, omdat die voor zo’n rechtvaardig werk was aangewezen. De hele aarde zou de veroveraar zegenen omdat hij de volken van een tiran verloste. Toekomstige generaties zouden hem gezegend noemen, omdat hij mensen weer liet ademen en de vrijheid op aarde weer mogelijk maakte. We kunnen er zeker van zijn dat elke onrechtvaardige macht ten onder zal gaan. Vanaf Gods troon wordt recht gedaan aan iedereen wiens wet geweld is, wiens regel eigenbelang is en wiens beleid onderdrukking is. Gelukkig is de man die zal meehelpen aan de val van het geestelijke Babel.
Dat is, ondanks zijn rijkdom en macht, “verwoest” en gedoemd te vallen. Nog gelukkiger is hij die het zal zien zinken als een molensteen in de zee, om nooit meer boven te komen. Niemand hoeft te vragen wat dat geestelijke Babel is. Er is maar één stad op aarde die die naam draagt.
Vers 9
“Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.” Fel was het hart van de Jood die zijn geliefde stad had zien veranderen in het toneel van zo’n verschrikkelijke slachting. Zijn hart sprak over Babylon hetzelfde oordeel uit. Het zou worden geslagen met zijn eigen zweep van ijzerdraad. Het verlangen naar rechtvaardige vergelding past meer bij de geest van de wet dan bij die van het evangelie. Toch laait in momenten van rechtvaardige woede het oude vuur weer op. Zolang het gevoel voor rechtvaardigheid leeft in de menselijke borst, zal er geen gebrek zijn aan brandstof bij de tirannieën die er nog zijn.
Het is verstandig deze passage te lezen als een profetie. Volgens de geschiedenis is ze letterlijk vervuld. De Babylonische bevolking besloot in haar angst haar eigen kinderen te doden. Mensen vonden zichzelf gelukkig als ze hun vrouwen en kinderen met het zwaard hadden omgebracht. Hoe gruwelijk dit alles ook was, we mogen er blij om zijn als we naar het welzijn van de hele wereld kijken. Want Babylon, die gigantische rover, had jarenlang volken zonder genade afgeslacht. Zijn val was voor veel volken het begin van een vrijer en veiliger bestaan. Dat onschuldige kinderen worden vermoord, kunnen we nooit genoeg betreuren.
Maar het hoorde bij de oorlogvoering van de oudheid, en de Babyloniërs hadden het niet nagelaten bij hun eigen bloedbaden. Daarom werden zij er zelf ook niet voor gespaard. De wraak van de voorzienigheid komt misschien langzaam, maar ze komt zeker. Wie Gods rechtvaardige hand erin ziet, kan haar niet met spijt tegemoet zien. Het is ellendig dat een volk een beul nodig heeft. Maar als mensen moorden plegen, passen tranen beter bij hun slachtoffers dan bij de moordenaars zelf. Liefde voor iedereen is bewonderenswaardig, maar ze mag nooit los komen van een scherp gevoel voor recht.
De gevangenen in Babylon maakten geen muziek, maar spraken hun rechtvaardige vloeken uit. Die pasten veel beter bij hun omgeving dan zang en gelach ooit hadden gedaan. Wie spot met het volk van de Heere, krijgt meer dan hij wil, tot zijn eigen schaamte. Hij houdt weinig over om vrolijk van te worden en ruim genoeg om diep ongelukkig van te worden. De vervloekingen van goede mensen zijn verschrikkelijk. Ze worden niet lichtvaardig uitgesproken en ze worden in de hemel gehoord. “Alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.” Maar is er dan geen oorzaak? Zullen tirannen de deugd onder hun ijzeren hiel kunnen vertrappen en nooit gestraft worden? De tijd zal het leren.
Verklarende aantekeningen en treffende uitspraken
Gehele psalm
Let erop dat precies deze psalm, waarin de vraag wordt gesteld: “Hoe zouden wij … zingen?”, zelf nog steeds een lied is. Het is een lied van de HEERE. Droeviger en hopelozer kan het niet. De psalm spreekt over wenen bij de gedachte aan Sion. Hij spreekt over harpen aan de wilgen, in handen van ballingen die geen zin hebben ze te bespelen. En toch is het vertellen van al dat verdriet en van die onmacht om te zingen zelf nog altijd een lied. We zingen het ook nu in onze gemeenten, honderden en duizenden jaren nadat het ontstond.
Het hoort bij de melodieën van de kerk en bij de liederen van de HEERE. Het toont ons mooi hoe afwisselend en veelzijdig de aanbidding kan zijn, zelfs op een terrein dat louter vreugde en lof lijkt. Ook het weigeren te zingen kan op zichzelf een lied zijn. Elke echte uiting van goede gedachten kan een ware lofzang zijn, of die gedachten nu blij zijn of verdrietig. Het kan een echte melodie zijn voor de gemeente, ook al spreekt ze niet op elk moment uit wat alle aanbidders voelen. “Hoe zouden wij … zingen?” is zelf een blijvende lofzang, een lied dat God heeft ingegeven, voor alle kerken. — C. J. Vaughan.
Gehele psalm
Deze psalm heeft twee delen. Het eerste is een droevige klacht van de kerk, tot Ps. 137:7. Het tweede is een zware verwensing en een profetische aankondiging van het oordeel over de vijanden van de kerk, tot het einde van de psalm. — Robert Rollock.
Gehele psalm
Wat een wonderlijke mengeling van zachte weemoed en vurige vaderlandsliefde is deze psalm! De hand die hem schreef, moet zowel het zwaard scherp hebben kunnen hanteren als de harp kunnen stemmen. Het zijn gloeiende woorden van een hart dat een onsterfelijke liefde voor zijn land ademt en een onsterfelijke haat tegen zijn vijand. De dichter is inderdaad “gezegend met de haat van haat, de minachting van minachting, de liefde van liefde”. — J. J. Stewart Perowne.
Gehele psalm
Verschillende psalmen wijzen duidelijk naar de tijd van de Babylonische ballingschap… De treurige gevoelens van weemoedige zwaarmoedigheid en vermoeide verlangens tijdens die lange, vermoeiende tijd vormen de hoofdgedachte van de honderdzevenendertigste psalm. Waarschijnlijk is ze toen geschreven door een begaafde Levitische gevangene. Sommigen denken dat Jeremia haar heeft gemaakt, de profeet van de tranen, en dat hij haar stuurde aan zijn landgenoten in het land van hun ballingschap. Dan zou ze de herinnering aan het verleden hebben moeten wakkerroepen en een levendige hoop voor de toekomst hebben moeten voeden. Zijn pen is dit lied zeker waardig, want het is een van de zoetste, meest klagende en prachtigste treurzangen in welke taal ook.
Het zit vol pathos waar je hart van smelt en tranen van komen. In elke regel hoor je het kreunen van de gevangene, het jammeren van de balling en het zuchten van de heiligen. — W. Ormiston, in “The Study,” 1874.
Gehele psalm
Hier zien we:
- De treurende gevangenen kunnen zichzelf niet vermaken, Ps. 137:1-2.
- Ze kunnen hun hoogmoedige onderdrukkers niet naar de mond praten, Ps. 137:3-4.
- Ze kunnen Jeruzalem niet vergeten, Ps. 137:5-6.
- Ze kunnen Edom en Babylon niet vergeten, Ps. 137:7-9. — Matthew Henry.
Vers 1
“Aan de rivieren van Babel.” Dit zijn waarschijnlijk de kanalen van Babylon zelf (vergelijk Ps. 137:2). — William Kay.
Vers 1
“Aan de rivieren.” Daarmee worden de Eufraat, de Tigris, de Chabor en zo meer bedoeld, plus de kanalen die het land doorsneden. De ballingen zochten vanzelf de oevers van de stromen op, als schaduwrijke, koele en rustige plekken waar ze hun treurige herinneringen de vrije loop konden laten. De profeten uit de tijd van de ballingschap zagen hun visioenen bij de rivier. Ezech. 1:1; Dan. 8:2; 10:4. — “Bibliotheca Sacra and Theological Review,” 1848.
Vers 1
“Aan de rivieren.” De oever van een rivier is net als het strand een geliefde plek voor mensen die door diep verdriet uit de drukte van de mensen naar de eenzaamheid worden gedreven. De rivier trekt als een grenslijn een veilige rugdekking om de eenzaamheid heen. Het eentonige klotsen van de golven houdt de doffe, weemoedige wisseling van gedachten en gevoelens gaande. Tegelijk heeft het koele, frisse water een rustgevende invloed op de verterende koorts in het hart. — Franz Delitzsch.
Vers 1
“Aan de rivieren.” Waarom worden de kinderen van Israël afgebeeld terwijl ze bij de stromen zitten? De bijzondere reden is het wenen. Het zitten komt dus voort uit een innerlijk verband tussen hun tranen en de stromen. Dat verband is niet moeilijk te vinden. In alle talen kent men beken van tranen of stromen van tranen. Vergelijk in de Schrift Klaagl. 2:18: “Laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek.” Zie ook Klaagl. 3:48 en Job 28:11, waar het omgekeerde gebeurt: daar heet het opwellen van het water wenen (zie de kanttekening). De kinderen van Israël gingen naast de stromen van Babel zitten omdat ze daarin een beeld en teken van hun eigen tranenvloed zagen. — E. W. Hengstenberg.
Vers 1
“Daar zaten wij.” Bij de dichters is op de grond zitten een teken van ellende of gevangenschap.
Multos ilia dies incomtis moesta capillis Sederat. — Propertius.
Met ongekamde lokken zat zij daar vele dagen lang, bedroefd.
O utinam ante tuos sedeam captiva penates. — Propertius.
Och, mocht ik als gevangene voor uw poort mogen zitten!
Dezelfde houding zie je op een oude munt die een overwinning van Lucius Verus op de Parthen viert.
Op verscheidene munten van Vespasianus en Titus zien we het land Judea afgebeeld in de houding die rouw en gevangenschap uitdrukt. — Uit Joseph Addisons “Dialogues on Medals.”
Vers 1
Het woord “zaten” laat zien dat de uitbarsting van verdriet lang duurde. Het toont ook dat de gevangenen haar zagen als een soort ontspanning en rust. — Chrysostomus.
Vers 1
“Daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.” Wie God vreest, draagt het leed van de kerk mee in zijn hart. Er zijn bomen, las ik ergens, waarvan alle bladeren zich samentrekken en een poosje slap omlaag blijven hangen zodra je aan één blad komt of het afknipt. Zo voelen christenen onderling met elkaar mee. Lijdt een ander deel van Gods kerk, dan is het alsof zij zelf worden aangeraakt. Ambrosius vertelt dat keizer Theodosius, toen hij op sterven lag, zich meer bekommerde om de kerk van God dan om zijn eigen ziekbed.
Aeneas wilde Anchises redden, maar die antwoordde: “Het zij verre van mij dat ik zou willen leven nu Troje onder zijn puin begraven ligt.” Neem twee snaren die op dezelfde toon zijn gestemd. Tokkel je de ene, dan trilt de andere vanzelf mee. Zo komt ook een godvrezend hart diep in beroering als de Heere anderen treft. Zie Jes. 16:11: “Daarom rommelt mijn ingewand … als een harp.” Een kind van God kan het zelf prima hebben en in een huis van cederhout wonen. Toch snijdt het hem door de ziel als het met de gemeenschap slecht gaat.
Koningin Esther had de gunst van de koning en leefde in alle luxe van het hof. Maar zodra het bloedige bevel was ondertekend om de Joden te doden, rouwde en vastte zij en zette zij haar eigen leven op het spel om dat van haar volk te redden. — Thomas Watson.
Vers 1
Ze weenden alleen om Sion. Dat is heel anders dan bij de velen die meewenen met het wenen van Babylon en meejuichen met zijn vreugde, omdat heel hun belangstelling en liefde hangt aan de dingen van deze wereld. — Augustinus.
Vers 1
Laten we wenen. In dit leven moeten we immers aan de wateren van Babel blijven zitten. We zijn hier nog gasten, bijna ballingen, en ver weg van het genot van die rivier die de stad van God verblijdt. Och, als we toch maar bedachten dat de hemel ons vaderland is en dat deze aarde ons gevangenis- of ballingsoord is! Dan zou het minste gemis van ons vaderland ons de tranen in de ogen brengen en de zuchten in het hart, net als David (Ps. 120:5): “O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.” Denk eens terug aan het gedrag van de Joden in de jaren van hun ballingschap, aan de rivieren en wateren van Babel.
Ze weenden en weigerden zich te laten troosten. Hun harpen en instrumenten hingen ze op. Wat zijn de wateren van Babel? Het zijn de genoegens en pleziertjes van de wereld, wateren van verwarring, want dat betekent het woord. Neem nu dat Gods volk daar gaat zitten, dat betekent: niet onnadenkend, maar rustig overleggend. Ze zien die genoegens voorbijglijden en verdwijnen. Ze leggen die naast Sion, naast de ondenkbare stromen van genot die in het hemelse Jeruzalem blijven stromen. Hoe kunnen zij dan anders dan wenen? Ze zien zichzelf zitten aan de ene oever en ver van de andere wonen!
Het is bovendien de moeite waard op te merken dat de Joden vele redenen tot tranen hadden. De Chaldeeën hadden hun bezittingen, eer, land, vrijheid, ouders, kinderen en vrienden afgenomen. Toch bleek het gemis van Sion het zwaarst: “Ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.” Het ging dus om het gemis van Jeruzalem. Wat moeten wij dan doen om het gemis van een heel ander Jeruzalem? Dat van hen was aards en oud, leeggeroofd, geplunderd, in brand gestoken en kapotgeslagen. Het onze is hemels en nieuw. Daar vliegt geen pijl, daar klinkt geen trommel, geen trompet en geen strijdkreet.
Wie zou dan niet wenen als hij daar niet is! — Walter Balcanqual, in “A Sermon Preached at St. Maries Spittle,” 1623.
Vers 1
“Wij gedachten aan Sion.” Dat betekent noodzakelijk dat ze het vergeten waren. Hoe konden ze er nu anders weer aan denken? In hun tijd van vrede en overvloed hadden ze weinig oog voor Sion. — John Whincop, in een preek met de titel “Israel’s Tears for Distressed Zion,” 1645.
Vers 1
Hun nieuwe omgeving vormde de scherpste tegenstelling met hun vaderland. Daar lag hun stad op de bergen, grillig en schilderachtig. Ze kroonde ongelijke hoogten en keek uit over diepe, steile ravijnen, waarvan er één een schrale beek doorsneed. Maar nu kwamen de Hebreeën terecht in het uitgestrekte, vierkante, vlakke Babylon, dat aan beide kanten van de brede Eufraat lag. Eindeloze vlakten lagen er omheen, doorsneden met lange rechte kanalen waarlangs wilgen stonden. Hun eigen tempel was klein, maar prachtig afgewerkt en rijk versierd, en stond met zijn voorhoven op de rand van een hoge rotswand.
De tempel van de Chaldeeuwse Bel was een kolos. Hij rees op uit de vlakte, acht reusachtige verdiepingen of torens op elkaar, loodrecht omhoog tot de hoogte van een stadie. Het paleis van de Babylonische koningen was meer dan twee keer zo groot als hun hele stad. Het besloeg acht mijl, met hangende tuinen op gewelfde terrassen, de een boven de ander, rijk aan de weelderigheid van kunstmatig onderhouden groen. Wat een verschil met de zonovergoten kliffen van hun eigen land, waar olijfboom en wijnstok vanzelf opgroeiden, en met de koele, beschutte, afgelegen dalen waar je altijd schaduw vond als de middagzon brandde!
Geen wonder dat hun eigen lied zo aangrijpend zegt: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.” Hoe ze als gevangenen in het algemeen werden behandeld, weten we nauwelijks. Uit de psalm die hier is aangehaald, lijkt te blijken dat de Babyloniërs genoeg smaak hadden om het dichterlijke en muzikale talent van de ballingen te waarderen. Af en toe moesten die komen om de feestmaaltijden van hun meesters op te vrolijken, hoewel ze de liederen van Sion in een vreemd land zeer tegen hun zin zongen.
Over het geheel mochten de Joodse ballingen in flinke gemeenschappen bij elkaar blijven wonen. Ze werden niet als huisslaven, lijfeigenen of landarbeiders verkocht, in elk geval niet degenen van betere afkomst, waaruit de ballingschap vooral bestond. Het waren meer kolonisten dan gevangenen. Gaandeweg kregen ze aanzienlijke bezittingen. Ze hadden het advies van de profeet Jeremia gevolgd, die hun geen vooruitzicht op snelle thuiskomst had gegeven. Ze hadden huizen gebouwd en tuinen aangelegd, trouwden en voedden kinderen op, en gedroegen zich als rustige onderdanen van het plaatselijke gezag. Dat laat een zekere mate van vrijheid zien, en ook van welvaart en comfort.
Hun godsdienst mochten ze vrij uitoefenen, tenminste voor wie trouw vasthielden aan hun geloof in Jehova. Van een aparte of algemene godsdienstvervolging horen we niets. — Henry Hart Milman (1791-1868), in “The History of the Jews.”
Vers 1
Ze zaten daar zwijgend. Ze dachten zwijgend terug. Ze weenden zwijgend, zonder ook maar één woord. — J. W. Burgon.
Verzen 1-6
Israël was een volk dat als afbeelding van iets groters diende. 1. Het was een afbeelding van Gods kerk in alle eeuwen van de wereld. En 2. Het was een afbeelding van de ziel van elke afzonderlijke gelovige. Deze psalm is gemaakt voor Israël in zijn ballingschap. Laten we hem doorlopen en letten op wat hij zinnebeeldig betekent.
- Een gelovige in gevangenschap denkt met pijn terug aan Sion. Zo was het bij Gods oude volk: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion” (Ps. 137:1). Het slot van 2 Kron. 36:14-20 vertelt het trieste verhaal van Juda’s gevangenschap. Veel van hun vrienden waren door het zwaard omgekomen. Het huis van God stond in vlammen en de muren van Jeruzalem lagen plat. Zijzelf zaten als gevangenen in een vreemd land. Het is dan ook niet gek dat ze neerzaten en weenden, vol verdriet, bij de gedachte aan Sion.
Zo gaat het vaak ook met de gelovige als de zonde hem gevangen wegvoert, ver van huis. Hij gaat zitten en weent als hij aan Sion denkt. Sion is de plek waar God Zich laat kennen. Een arme zondaar die is wakker geschud, leert de Zaligmaker kennen en mag door het gescheurde voorhangsel naar binnen, het Allerheiligste in. Zo wordt hij burger van Sion: “Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend.” Hij woont in Sion, en de mensen die daar wonen, hebben vergeving van hun ongerechtigheid. Maar valt een gelovige in zonde, dan valt hij in het donker.
Hij wordt als gevangene weggevoerd uit Sion. Hij komt niet meer binnen achter het voorhangsel. Hij wordt niet meer blij als ze tegen hem zeggen: “Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.” Hij gaat zitten en weent, terwijl hij aan Sion denkt.
- De wereld lacht de gelovige uit als hij gevangen zit. Dat was ook het geval bij het oude Israël. Wrede overwinnaars waren de Chaldeeën. God zegt door Zijn profeet: “Want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.” Ze sleepten hen niet alleen weg van hun tempel, hun land en hun huizen. Ze hoonden ook hun verdriet. Zagen ze hen bij de rivieren van Babel zitten en bittere tranen vergieten? Dan eisten ze juist vrolijkheid en een lied: “Zingt ons een van de liederen Sions.” Zo behandelt de wereld ook de christen die gevangen zit.
Er zijn tijden dat de wereld de christen met rust laat. Vaak is hij zo vreemd blij dat de wereld zwijgend staat te kijken. Vaak straalt hij een zachte en rustige geest uit die elk verzet de wind uit de zeilen neemt. Een zacht antwoord haalt de angel uit de woede, en zelfs zijn vijanden moeten vrede met hem sluiten. Maar kijk wat er gebeurt als de donkere dag voor de christen aanbreekt. Als zonde en ongeloof hem in gevangenschap hebben gebracht, als hij buiten Sion staat, ver weg is gevoerd en zit te huilen, dan maakt de wrede wereld zijn leed erger.
Dan vragen ze om vrolijkheid en gezang. En zien ze de bittere traan over zijn wang rollen, dan roepen ze met wrede spot: “Waar is nu je psalmzingen?” “Zingt ons een van de liederen Sions.” Zelfs Christus voelde die bitterheid, toen Hij aan het kruis hing.
- In gevangenschap kan een christen niet zingen. Het oude Israël had dat ook. De liederen van Sion waren het volk bijzonder lief. Ze riepen de dagen van David en Salomo op, toen de tempel werd opgebouwd en Israël in volle glorie stond. Vooral herinnerden ze aan hun God, aan hun tempel en aan de erediensten in het heiligdom. Elk jaar trokken de mensen driemaal in groepen uit het land naar Jeruzalem. Dan zongen ze die lieflijke Sionsliederen en keken ze omhoog naar de bergen, vanwaar hun hulp kwam. Maar nu ze gevangen zaten, hingen ze hun harpen in de wilgen.
Eisten hun wrede plunderaars vrolijkheid en een lied? Dan antwoordden ze: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Zo gaat het ook met de gelovige die in de duisternis zit, ver van het licht. Zijn harp hangt aan de wilgen, en het lied van de Heere kan hij niet zingen. Iedere gelovige heeft een harp. Elk vernieuwd hart verandert in een harp van lofprijs. De mond loopt over van lachen en de tong van de allermooiste muziek. Een echte christen houdt van loven, en hoe heiliger hij is, hoe liever hij het doet.
Maar als de gelovige in zonde en duisternis valt, hangt zijn harp in de wilgen. Het lied van de Heere komt dan niet over zijn lippen, want hij is in een vreemd land. (a) Hij verliest elk gevoel van vergeving. Juist dat gevoel geeft het lied van de christen zijn zoetste klank. Zit een gelovige in gevangenschap, dan is die zoete zekerheid van vergeving weg. En daarom zingt hij niet.
(b) Hij verliest elk gevoel van Gods aanwezigheid. Wat een gelovige laat zingen, is het zoete bewustzijn dat God bij de ziel is. Als dat bewustzijn ontbreekt, is het huis van de HEERE slechts een kale vlakte waar de wind over huilt, en dan zeg je: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” (c) Hij verliest het hemelse Kanaän uit het oog. Staan de eeuwige bergen in zijn blikveld, dan lokken ze hemelse melodieën uit de gelovige ziel. Maar zondigt een gelovige en wordt hij gevangen weggevoerd? Dan is zijn hoop op heerlijkheid verdwenen. Hij zit er maar te wenen, zonder uitzicht. Zijn harp hangt aan de wilgen en het lied van de Heere zingt hij niet in een vreemd land.
(d) De gelovige in het donker blijft aan Sion denken en stelt het hoger dan zijn grootste vreugde. Vaak ontdekt hij, nadat hij in zonde en gevangenschap is gevallen, dat hij tussen wereldse plezieren en wereldse vrienden is beland. Duizend vermaken proberen hem te verleiden om hier te gaan wonen. Maar een echt kind van Sion zal zich nooit in een vreemd land vestigen. Hij kijkt langs alles wat de wereld en de zonde te bieden hebben en zegt: “Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders”; “Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!” — Samengevat uit Robert Murray M’Cheyne, 1813-1843.
Verzen 1-2
Iedereen bewondert deze psalm, en terecht, want mooier kan bijna niet. De toon is zo gevoelig dat hij elke ziel moet raken die kan voelen. Het is opmerkelijk dat dr. Watts hem in zijn voortreffelijke berijming niet heeft opgenomen. In zijn “Lyrics” staan wel enkele verzen erover, en velen anderen hebben dit lied bewerkt. Ik ken meer dan tien van zulke bewerkingen. De laatste, en misschien de beste, is van Lord Byron. Maar wie is tevreden met één van die pogingen, hoe goed ook bedoeld? Zo begint de psalm: “Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.” Die rivieren waren waarschijnlijk takken van de Eufraat en de Tigris.
Gewoonlijk denkt men dat de Joodse gevangenen daar door hun opzichters waren gezet om de waterwerken in stand te houden of te repareren. Maar is het gek om te denken dat de psalmist niet spreekt over een voortdurend verblijf daar, maar over een af en toe, niet uit dwang maar uit eigen wil? Ik zie ze voor me, hoe ze zich daarheen terugtrokken om hun bedrukte geest in de eenzaamheid wat lucht te geven. “Kom,” zegt een van die vrome Joden tegen een ander, “kom, laten we even weggaan van al die ijdelheid en smerigheid. Laten we met elkaar in de koele schaduw van de wilgen langs het water gaan zitten. En laten we onze harpen meenemen en ons troosten met enkele liederen van Sion.” Maar zodra ze er zijn en de snaren aanraken, roepen de klanken, zo sterk werkt de herinnering, hun vroegere voorrechten en vreugde terug.
Het verdriet overweldigt hen volkomen. Ze zakken neer in het gras en wenen als ze aan Sion denken. Met neergeslagen ogen, van elkaar afgewend, lijken ze te zeggen: “Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve! Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!” Maar wat moeten ze met hun harpen? Geen stem van vrolijkheid meer, en alle dochters van de muziek liggen neergeslagen. Een melodie is niet op haar plaats bij een gekwelde geest. “Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.” “Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.” Toch sloegen ze hun harpen niet kapot en gooiden ze die niet in de rivier.
Ze hingen ze slechts op. Wat ze nu niet konden gebruiken, hoopten ze op een gelukkiger tijdstip weer te kunnen oppakken. Wie terneergeslagen is, is nog niet vernietigd. Wie in nood zit, wanhoopt nog niet.
“Hoed je voor wanhoopsdaden: ook de donkerste dag
is voorbij, als je maar tot morgen leven mag.”
“Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.” Laten we nu van de Jood naar de christen gaan, en naar de geestelijke smart die hij kent. Luther zegt: wie goed wil prediken, moet goed onderscheiden. Dat is vooral nodig als we bij dit onderwerp aankomen. Want niet alle verdriet van de christen is gelijk of heeft dezelfde afkomst. Laten we vier bronnen van zijn zedelijke zwaarmoedigheid bekijken.
- De eerste is van lichamelijke aard.
- De tweede is misdadig, een kwestie van schuld en kwaad.
- De derde is verstandelijk.
- De vierde is vroom. — William Jay in “The Christian Contemplated.”
Vers 2
“Onze harpen.” Onder de weggevoerde gevangenen waren vele zangers: Ezra 2:41. Vanzelfsprekend namen die hun instrumenten mee, en werden ze daarmee bespot, zoals we hier lezen. Hun liederen waren heilig. Het paste niet ze voor afgodendienaars te zingen. — Uit “Anonymous Notes” in James Merricks “Annotations,” 1768.
Vers 2
“Wilgen.” Babylon lag in een geheel vlak land. Door de vele rivieren en kanalen die erdoor stroomden, was dat op tal van plekken veranderd in moeras, vooral dicht bij die waterlopen. Daarom groeiden er in overvloed wilgen. De Schrift spreekt dan ook van de “vallei der wilgen”. Zo hoort men de woorden in Jes. 15:7 te vertalen, die wij weergeven met “de beek der wilgen”. — Humphrey Prideaux (1648-1724), in “The Old and New Testament Connected” enzovoort.
Vers 2
“Wilgen.” De treurwilg van Babylon groeit uit tot een flinke boom. Hij heeft lange, slanke, afhangende takken en past daardoor goed langs rivieroevers en vijvers en boven bronnen. Ook zijn bladeren zijn lang en smal. Als er mist of dauw valt, blijft aan de punt van elk blad een druppel water hangen. Samen met de afhangende takken maakt dat een uitermate droevige indruk. Van een soort van deze wilg zouden geliefden hun bloemenkransen hebben gevlochten, omdat de takken zo fijn en buigzaam zijn. Voor sierbeplanting is de boom altijd gewild geweest, in alle soorten tuinen en parken.
Je kunt hem tussen soortgelijke bomen zetten in de grootste parken, of afzonderlijk planten boven een bron of op een groot, open veld, om de bijzondere afwisseling die hij door zijn treurige uiterlijk brengt. — John Evelyn (1620-1706) in “Silva; or, A Discourse of Trees.”
Vers 2
“Wilgen.” Merkwaardig is het volgende. Tijdens het Gemenebest van Engeland stond Cromwell, als een verstandig politicus, de Joden toe zich in Londen te vestigen en synagogen te hebben. Ze kwamen toen in zulke aantallen naar Londen dat ze het Loofhuttenfeest in hutten konden vieren, tussen de wilgen langs de oevers van de Theems. Ontelbare toeschouwers, vooral Londense leerjongens, verstoorden hun rust zo erg dat de plaatselijke bestuurders hun enige bescherming moesten geven, zodat ze hun feest in vrede konden vieren. Niemand werd persoonlijk beledigd, maar de natuurlijke nieuwsgierigheid naar zo’n nieuw en buitengewoon schouwspel dreef velen ertoe te dicht om hun kamp heen te komen staan en misschien hun privacy te schenden. — Maria Callcott (1788-1842), in “A Scripture Herbal,” 1842.
Vers 2
“Wilgen.” Over de komst van de treurwilg in Engeland wordt een mooi verhaaltje verteld.* Jaren geleden kreeg de beroemde dichter Alexander Pope, die in Twickenham woonde, een mand vijgen uit Turkije als geschenk. Die mand was gevlochten van de buigzame takjes van de treurwilg. Het was precies dezelfde soort als die waaronder de gevangen Joden zaten en weenden bij de wateren van Babel. “Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen.” De dichter vond die fijne twijgjes erg waardevol, omdat er zoveel belangwekkends aan verbonden was. Hij maakte de mand los en zette een van de takken in de grond.
Er zaten al fraaie knopjes aan, en hij hoopte dat hij hem kon laten groeien, want in Engeland kende niemand deze wilgensoort. Gelukkig slaat de wilg erg snel wortel en groeit hij gauw. Het takje werd al snel een boom die sierlijk over de rivier neerboog, net zoals zijn soortgenoten dat deden boven de wateren van Babylon. Alle treurwilgen die in Engeland staan, stammen af van die ene tak. — Mary en Elizabeth Kirby, in “Chapters on Trees,” 1873.
*Volgens de twee vorige uittreksels kan dit verhaal niet waar zijn. De wilg van Evelyn is immers duidelijk de treurwilg, en die moet allang bekend zijn geweest.
Vers 2
“Die daarin zijn.” Het meest voor de hand ligt dat dit de stad Babylon zelf bedoelt. Die was bijna zo groot als Middlesex en had binnen haar muren parken en tuinen. — William Kay.
Vers 3
“Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden.” Strikt genomen eisen ze dus niet een lied, maar alleen “de woorden” ervan. Ze vinden het niet vreemd dat een godsdienst zich vrolijk met de wereld mengt. In hun onwetendheid vragen ze alleen om “de woorden eens lieds”, want de hemelse melodie hebben ze nooit gehoord. “En zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd.” Houd goed voor ogen dat juist dit wereldse element verwoest en overhoop werpt, in ons eigen hart en in de kerk van God. Maar het kind van God antwoordt, trouw aan zijn geestelijke instinct: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Het is dan helemaal niet verslagen of overwonnen.
Integendeel: met een nieuwe uitbarsting van vastberadenheid, met nieuwe kracht en gloed, richt het zich op om de geloften van vers 5 en 6 uit te spreken. Want als we zo’n geestelijke strijd hebben doorstaan, komen we er niet uitgeput uit, maar verfrist, niet zwakker maar sterker. Het is een van de schijnbare tegenstrijdigheden van het evangelie dat vermoeidheid wordt genezen en zware lasten worden verlicht doordat we het kruis op onze schouders nemen. Na de strijd van Israël, die een hele nacht duurde, ging bij Pniël de zon over hem op, ook al “was hij hinkende aan zijn heup”. — Alfred Edersheim.
Vers 3
“Zingt ons een van de liederen Sions.” Voor de genotzoekers over wie de profeet spreekt, deugt geen enkele muziek, behalve die van de tempel: Amos 6:5: “En bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David.” David was voortreffelijk in de dienst van de tempel. Zo uitgelezen wilden zij zelf zijn bij hun privéfeesten. De drank van Belsazar smaakt in andere bekers lang niet zo zoet als in de voorwerpen van de tempel: Dan. 5:2: “Zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had.” Zo vinden ook de Babylonische spotters niets zo heerlijk als een van de liederen van Sion.
Geen gewoon lied, nee: “Zingt ons een van de liederen Sions.” Voor een goddeloze geest smaakt geen grap zo lekker als wanneer de Schrift wordt misbruikt en als lakei de dienst krijgt in zijn uitgelaten plezier. De ijdele mens vindt dat hij zijn genoegens nooit genoeg kan opsmukken en nooit genoeg minachting kan uitstorten over God en heilige dingen. — Thomas Manton.
Vers 3
“Zingt ons een van de liederen Sions.” Hoe beledigend deze eis was, zien we pas goed als we bedenken waar die liederen gewoonlijk over gingen: over de almacht van Jehova en Zijn liefde voor het volk dat Hij had uitgekozen. — William Keatinge Clay, 1839.
Vers 3
De Babyloniërs vroegen Israël spottend om een van de liederen van Sion. Ze overlaadden de zuivere, eerbiedwaardige godsdienst van de ballingen met hun hoon. Zo maakten ze het lijden van de uitgeputte, onderdrukte ballingen nog groter met hun gelach en hun schaamteloosheid. Helaas moeten we zeggen dat de gelijkenis nog steeds opgaat, tussen de Joden in gevangenschap en de christenen op hun pelgrimstocht. Ook wij moeten de spot dragen van de goddelozen en van de mensen die niet nadenken. Oprechte vroomheid wordt in deze wereld vaak bespot en geminacht. Mode, lichtzinnigheid en onechte wijsheid hebben een geduchte coalitie tegen ons gevormd.
Dezelfde waarheid, dezelfde eerlijkheid en dezelfde onbuigzame beginselen, die elders mannelijk en achtenswaardig zouden heten, worden veracht en uitgelachen als ze bij het evangelie en zijn verheven belangen horen. — Thomas Chalmers.
Verzen 3, 4
De heilige Johannes Chrysostomus laat zien wat zo’n verdrukking bij de Joden had gebracht. Vroeger spotten ze met profeten, en een aantal doodden ze zelfs. Maar nu ze gevangen zaten in een vreemd land, waagden ze het niet hun heilige gezangen bloot te stellen aan de spot van de heidenen. — Robert Bellarmine.
Vers 4
“Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Zijn wij niet, op vele manieren, net als de Joodse ballingen? Ook wij moeten het lied van de Heere zingen in een vreemd land. Als het land niet vreemd is voor ons, dan is het zeker vreemd voor dat lied. Het is als het ware buitenlands gebied, vijandig tegenover het lied van de Heere. Het leven dat we hier in het lichaam leven, bestaat uit zien en voelen. Van nature gaan we af op wat we zien. Maar het lied van de Heere zingen kan alleen door geloof.
Geloof is het zien van de ziel, het zien van de Onzienlijke. Dat groeit niet vanzelf in de natuur, en zonder dit kunnen we het lied van de Heere niet zingen, omdat we in een land zijn waar het vreemd is. Ook de gevoelens in dit leven zijn vaak tegen lofprijs gericht. De ballingen in Babylon konden niet zingen, omdat hun hart zwaar was. Gods hand lag zwaar op hen. Hij had een geschil met hen om hun zonden. Zo staan ook de gevoelens van velen van ons haaks op het lied van de Heere.
Sommigen van ons zitten diep in het verdriet. Een vriend is gestorven. We zijn bang voor iemand die alles voor ons betekent. We weten niet hoe we morgen aan brood komen of vandaag aan troost. Hoe zouden we dan het lied van de Heere kunnen zingen? Er is nog een andere soort droefheid, die de levende aanbidding, als het kan, nog meer de das omdoet. Dat is het gewicht van onvergeven zonde, een last die op ons drukt. Uit de cel van de gevangenis in Filippi kunnen liederen opklinken. Ook vanaf het rustige sterfbed of bij het open graf.
Maar uit een ziel waarop de last van Gods ongenoegen rust, echt of ingebeeld, of die de genade en het leven voor zondaren in Christus Jezus nog niet kan vastgrijpen, komen geen liederen los. Dat was, vermoeden we, het probleem van de verbannen Israëliet. En dat is zeker ook nu bij velen de hindernis voor een uitbarsting van christelijke lofprijs. En dan is er nog een land dat voor het lied van de Heere nog vreemder en vijandiger is dan het land van onvergeven schuld. Dat is het land van de zonde die we niet hebben opgegeven en waar we nog in leven. — Samengevat uit C. J. Vaughan.
Vers 4
Het lied van de Heere in een vreemd land. Wat hen zo in verwarring bracht, was het contrast, de scheve verhouding. Stel je voor: gevangenen in Babylon, die enorme, onhandelbare stad. Daar steekt de tempel van de Chaldeeuwse Bel met acht torenhoge verdiepingen een stadie hoog de lucht in. En de Israëlitische ballingen worden uitgenodigd op een afgodenfeest, om het gezelschap te vermaken met een van hun wereldberoemde Hebreeuwse melodieën, uit nieuwsgierigheid en voor het plezier van het oor. Hoe zou dat ooit kunnen? Wat zij het lied van de Heere noemden, was een van die door God ingegeven gedichten van Mozes of David.
In zo’n lied stortte de heilige ziel van een koning of een profeet zich uit in de nederigste en hoogste aanbidding van de ene goddelijke Schepper, Verlosser en Heiligmaker. Hoe kon zoiets klinken in zo’n tegenstrijdige omgeving, vragen ze zich af. De woorden zouden op hun tong verschrompelen. De tonen zouden niet willen klinken op de harp die zo lang ongebruikt had gehangen. Zo’n psalm moet in zijn eigen sfeer worden gezongen, al is het niet in de voorhoven van de tempel op Sion, dan toch in de zachte lucht van Palestina en de geloofsatmosfeer van Israël. — C. J. Vaughan, in “The Family Prayer and Sermon Book.”
Vers 4
“Een lied des HEEREN.” Deze oude liederen werden Gods liederen genoemd, liederen van de HEERE, om ze te onderscheiden van heidense liederen. Ze waren door Hem onderwezen, ze waren van Hem geleerd en Hij had geboden ze te zingen tot Zijn eer. — John Bunyan.
Vers 4
Bij de herinnering aan Sion kwamen veel droevige gedachten boven. Wat hadden ze daar niet genoten! De plechtige feesten, de gelukkige bijeenkomsten van hun stammen om voor het aangezicht van de HEERE te aanbidden, en de tempel, “het schone huis waar hun vaderen hadden aanbeden”, nu in puin. Maar er was één gedachte die hen echt zwaar op het hart drukte. Die verbitterde alles, deed hun stemmen verstommen en liet hun harpen verslappen. Het was de oorzaak van deze ramp: hun zonde. Paulus en Silas konden in een kerker zingen, maar hun zonde had hen daar niet gebracht.
Zo konden ook heiligen die leden om de naam van Christus zeggen: “Ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.” Geen enkele omstandigheid waarin God ons brengt, of waar Hij ons leidt en met ons meegaat, is echt verdrietig. Maar waar zonde is, en het lijden niet als vervolging wordt gevoeld maar als oordeel, is geen vreugde en kan er geen zijn. De ziel weigert zich te laten troosten. Israël kan niet zingen bij de wateren van Babel. — William De Burgh.
Vers 4
We verschillen van Gods oude volk. Toen was de aanbidding van God aan één plek gebonden. Nu heeft Hij Zijn tempel overal waar twee of drie samenkomen in de naam van Christus, mits ze zich losmaken van alle afgodische praktijken en de zuiverheid van de goddelijke dienst bewaren. — Johannes Calvijn.
Vers 4
Er is een ontroerend detail uit de Engelse gevangenschap van koning Johan II van Frankrijk. Hij zat eens als gast een groot toernooi bij dat ter ere van hem werd gehouden, en keek er bedroefd naar. Mensen om hem heen drongen erop aan dat hij vrolijk zou zijn en van het prachtige schouwspel zou genieten.
Hij antwoordde met een weemoedige glimlach: “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” — Polydore Virgil, 1555.
Vers 5
“Indien ik u vergeet, o Jeruzalem!” Golgotha, Olijfberg, Siloam: wat ruikt het hier naar de Naam die boven alle naam is! “Indien ik u vergeet, o Jeruzalem!” Kan ik vergeten waar Hij zo vaak wandelde, waar Hij zulke genadige woorden sprak, waar Hij stierf? Kan ik vergeten dat Zijn voeten zullen staan op de “Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten”? Kan ik vergeten dat daar de opperzaal was en dat daar de regenbuien van Pinksteren neerkwamen? — Andrew A. Bonar.
Vers 5
“Zo vergete mijn rechterhand zichzelve” (Engels: haar kunst). Hier zit een treffend en heel passend punt waaraan tot nu toe iedereen voorbij is gegaan. In het Oosten is het gewoonte te zweren bij je beroep. Wie geen beroep heeft, arm is en zonder iets wat de wereld waardevol vindt, zweert daarom bij zijn rechterhand. Zij is zijn enige inzet in de samenleving, en met haar “kunst” verdient hij zijn brood. Vandaar het gebruikelijke Arabische spreekwoord (door Burckhardt doorgegeven), dat spot met de verandering in houding als omstandigheden verbeteren: “Vroeger zwoer hij ‘bij het afhakken van zijn rechterhand!’ Nu zweert hij ‘bij het geven van geld aan de armen.’” De woorden “haar kunst” zijn door de vertalers toegevoegd.
Toen betekende “cunning” (van het Saksische “cannan”, Nederlands “kunnen”, “weten”) “bekwaamheid”, en een “cunning man” was wat wij nu een bekwaam man noemen. Hier is dat zonder twijfel de kunst van het harpspelen. In die bijzondere zin staat het woord nog zo laat als bij Prior:
“Zodra Pedro de luit ter hand neemt,
geleidt zij de kunst van zijn hand.”
Moderne vertalers zetten er “bekwaamheid” voor in de plaats, maar misschien is een nog algemenere term beter, zoals: “Mijn rechterhand verliese haar kracht.” — John Kitto, in “The Pictorial Bible.”
Vers 5
“Zo vergete mijn rechterhand.” Er moet iets uit het verband worden aangevuld… Het ging om het spelen op het snaarinstrument, Ps. 137:2, en om de vraag of de rechterhand daarvoor gebruikt mocht worden. De straf past ook volkomen bij de overtreding, zoals in Job 31:22. Als ik mijn rechterhand verkeerd gebruik door er vrolijke tonen mee te spelen op mijn instrument, en ik u daarmee vergeet, Jeruzalem, dan vergete mijn rechterhand als straf de edele kunst. Ook Ps. 137:6 sluit zo prachtig aan bij wat eraan voorafgaat. Moge mijn verkeerd gebruikte hand haar vermogen om te spelen verliezen en mijn tong, die ik verkeerd heb gebruikt om vrolijke liederen te zingen, haar vermogen om te zingen. — E. W. Hengstenberg.
Vers 6
“Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke.” Óf onze bedden zijn te zacht, óf onze harten zijn te hard, als we kunnen rusten terwijl de kerk geen rust heeft. Dan voelen we door onze zachte bedden heen de harde touwen niet waaraan onze broeders vastgebonden liggen. — John Trapp.
Vers 6
“Zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!” Letterlijk: “indien ik Jeruzalem niet boven het hoofd van mijn blijdschap verhef.” Dat wil zeggen: als ik Jeruzalem niet als een diadeem op het hoofd van mijn vreugde zet en al mijn geluk daarmee kroon. — Christopher Wordsworth.
Vers 7
“HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem.” Edom en Israël waren familie: Obadja 1:10; Amos 1:11. Ze waren ook buren, want de gebieden Idumea en Judea grensden aan elkaar: Mark. 3:8. Bovendien had Edom een verbond met de Joden (Jer. 27:3 vertelt dat er een gezant van Edom in Jeruzalem was). Die gezant stond daar samen met de gezanten van de andere koningen die in dat vers worden genoemd. Ze versterkten zich met Zedekia tegen Nebukadnezar; zie Obadja 1:7. Juist zij kozen ervoor om op de dag van Jeruzalems ramp oude rekeningen met de Joden te vereffenen. Daardoor werd hun zonde buitengewoon zondig. — William Greenhill, 1591-1677.
Vers 7
“HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem.” Kwaadspreken over onze broeder is in elke vorm barbaars en een schande voor een christen. Maar dit is het ergste: de zonde van Edom, die een vijand tegen zijn broeder opstookte op de dag van diens verdriet en benauwdheid. Hij sperde zijn mond wijd open tegen hem en jubelde over zijn ongeluk. … Let op wat het tijdstip aan Edoms wreedheid toevoegt. Jeruzalem maakte de verschrikkelijkste tijd uit zijn geschiedenis door, en daarom heet hij “den dag van Jeruzalem”. Alles kwam samen om zijn verdriet compleet te maken.
Op dat moment, midden in de doodsstrijd van de stad, zette Edom zijn ogen, zijn tong, zijn hart en zijn hand in de wapenrusting. Alles voegde hij samen met de vijand, tegen zijn eigen broeder. Hieruit leren we dat God niet alleen let op wát we een ander aandoen, maar ook op wanneer. Hij legt al die dingen straks netjes voor ons neer. De God van barmhartigheid kan wreedheid immers niet uitstaan. — Edward Marbury, 1649.
Vers 7
“HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom.” Aan Edom wordt gedacht, wegens zijn verderfelijke raad. En de dochter van Babel verdwijnt voorgoed uit de herinnering, omdat ze Jeruzalem met de grond gelijk maakte. Laten alle verborgen en openlijke vijanden van Gods kerk er maar goed op letten hoe ze hun tong en handen gebruiken tegen de verborgenen van God. Wie zich aan één van beide waagt, ziet hier zijn rampzalige vonnis staan, geschreven in het stof van Edom en in de as van Babel. — Daniel Featley (1582-1645), in “Clavis Mystica.”
Vers 7
In Herodes, de Idumeeër, kwam Edoms haat tot een geconcentreerde uiting. Hij probeerde Hem te vernietigen Die God in Sion had gelegd als “een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is”. — William Kay.
Vers 7
Later speelden de Joden tegenover de christelijke kerk precies de rol die Edom tegenover hen had gespeeld. Ze spoorden de heidenen aan, en zetten ze op, om haar te vervolgen en van de aardbodem te vagen. God “gedacht” hun ter wille van de christenen, zoals zij Hem hadden gebeden “Edom te gedenken” ter wille van henzelf. Hier leren we dus duidelijk wat een zware misdaad het is wanneer christenen de gemeenschappelijke vijand helpen, of hem erbij roepen om hen te helpen, en dat tegen hun eigen broeders, die ze zouden moeten liefhebben. — George Horne.
Vers 7
De verwensingen uit deze psalm mogen we alleen als profetie opvatten. Ze rusten op de vele profetieën die al klonken over de val van Babel, als we aannemen dat onze psalm na de verwoesting van Jeruzalem is geschreven. Maar nog niet alles uit die profetieën is vervuld. Dat moet nog gebeuren aan het mystieke Babylon. Dan is de macht van de Antichrist voor altijd opgeruimd en wordt de ware kerk binnengeleid in de heerlijke vrijheid van de kinderen van God. Dat is wanneer hun Heere en Zaligmaker Jezus Christus verschijnt in Zijn eigen koninkrijk. — William Wilson.
Vers 7
Edoms haat is de haat van het vleselijke denken. Dat denken is van nature een vijand van God, en het ziet altijd met afkeer naar alles wat Hij als voorwerp van Zijn gunst heeft uitgekozen. Jeruzalem was de stad van God. “Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!” is wat elke onwedergeboren geest wil zeggen over elk bouwwerk dat staat op de uitverkoren Steen, het goddelijke fundament. De mens vindt Gods verkiezing nooit mooi, totdat zijn eigen hart door genade de barmhartigheid met aanbidding ontvangt. In zijn natuurlijke staat kwam hij in woede tegen die barmhartigheid in verzet en wilde hij niet erkennen dat ze andere mensen veranderde. Van Kaïn tot de Antichrist blijft deze plechtige waarheid altijd gelden. — Arthur Pridham.
Verzen 7-9
Misschien herkennen anderen dit, maar ik heb vaak gewild dat de laatste verzen van deze psalm los hadden gestaan van het lieve, ontroerende begin. Het lijkt wel of een van de snaren van hun mooi gestemde harpen vals klinkt, een schrille misklank. Toch weet ik dat dit gevoel verkeerd is. Het is niets anders dan wat de Heere Zelf had voorzegd en uitgesproken over de eindelijke verwoesting van het hoogmoedige Babylon. Des te heviger verlang je naar de tijd waarin de volken van de aarde de oorlog niet meer leren. Dan zingen alle harpen en alle stemmen de liederen van de HEERE.
Ook de stemmen van de gemartelden onder Gods altaar, die luider en zoeter klinken dan alle andere. Het lied van Mozes en van het Lam zingen ze, in dat heerlijke land waar niemand meer zucht en niemand meer huilt. — Barton Bouchier.
Vers 8
“O dochter van Babel!” In het begin van het vijfde regeringsjaar van Darius kwamen de Babyloniërs in opstand. Hij moest ze met een langdurig beleg opnieuw onderwerpen. … Met zijn hele leger sloot hij de stad in. … De Babyloniërs zagen dat ze omsingeld waren door een leger waar ze in het open veld niet tegenop konden. Meteen concentreerden ze zich helemaal op het volhouden van het beleg. Ze namen daarvoor het meest wanhopige en wreedste besluit dat een volk ooit heeft genomen. Hun voedsel moest langer meegaan, en daarom besloten ze alle onnodige monden weg te nemen.
Ze haalden alle vrouwen en kinderen bijeen en wurgden hen: echtgenotes, zusters, dochters en jonge kinderen, die toch niets voor de oorlog konden doen. Alleen mocht elke man één van zijn vrouwen houden, de vrouw van wie hij het meest hield, en een dienstmeisje voor het werk in huis. — Humphrey Prideaux.
Vers 8
“O dochter van Babel!” Over het woord hasjedoeda zijn allerlei uitleggingen gegeven. De Septuaginta heeft: hē talaipōros (de ellendige). De Vulgaat: misera. Anderen kiezen voor verwoestster, machtige, gewelddadige of woeste. Het past waarschijnlijk het best in het verband als we aannemen dat het iets uitdrukt wat al is gebeurd. De psalmist is er zo van overtuigd dat de ondergang komt, dat hij de voltooide tijd gebruikt, alsof het werk al af is: “O dochter van Babel, de verwoeste!” — “Bibliotheca Sacra and Theological Review.”
Vers 8
Wie het kwaad zaait, maait kwaad. Wie het kwaad van de zonde zaait, maait het kwaad van de straf. Zo zei Elifaz tegen Job dat hij het had gezien (Job 4:8): “die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.” Dat kan zijn naar soort of naar aard, naar verhouding of naar hoeveelheid. Naar soort betekent dat hem precies hetzelfde overkomt als wat hij anderen deed. Naar verhouding betekent dat hij een gelijke maat terugkrijgt. Hij maait dus wat hij zaaide, in kwaliteit of in kwantiteit, óf even groot óf in dezelfde verhouding.
De profeet vervloekt Edom en Babel en zegt: “O dochter van Babel! … welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.” In de grondtekst staat: “die u uw daad vergeldt die gij ons gedaan hebt.” … Zo wordt het kwaad terugbetaald suo genere, in zijn eigen soort. Zo keert de zondaar zich vaak tegen de zondaar, besteelt de dief de dief, proditoros proditor. In Rome grepen veel ongedoopte keizers en veel gedoopte pausen de macht door bloed en verraad, en door bloed en verraad raakten ze die weer kwijt. Slechte mensen drinken wat ze zelf hebben gebrouwen.
Ze worden gestraft met hun eigen roede en verdrinken in de kuil die ze voor anderen groeven. Haman hing aan zijn eigen galg, en Perillus werd gemarteld in zijn eigen toestel! — Thomas Adams.
Verzen 8-9
Deze twee verzen hebben hetzelfde onderwerp als veel hoofdstukken bij Jesaja en Jeremia: Gods vergelding op Babel, uitgevoerd door Cyrus. Hij was verwekt als koning van de Meden en Perzen, die zich voor dat doel onder hem hadden verenigd. De woorden “Welgelukzalig zal hij zijn” betekenen dat hij zijn weg zal vervolgen en succes zal hebben. De HEERE van de heirscharen zal immers met hem optrekken en zijn veldslagen voeren tegen de vijand en onderdrukker van Zijn volk. Hij geeft hem de kracht om de Chaldeeën het werk van hun handen terug te betalen en hun te vergelden wat ze Israël hadden aangedaan. — George Horne.
Verzen 8-9
Geen verslag hoeft ons te zeggen dat de veroveraars bij het beleg en de wegvoering van Jeruzalem vreselijke gruwelen hebben begaan. We mogen er zeker van zijn dat “menige tierende moeder toen, en pasgeboren baby, stierf”, want de oorlogen van de oude wereld gingen altijd gepaard met zulke barbaarse wreedheden. In Ps. 137:8-9 wordt daarom alleen aangekondigd dat er zeker een rechtvaardige vergelding komt. Dat is dezelfde vergelding als die de profeten hadden voorspeld (Jes. 13:16; 47:1-15; Jer. 50:46; vergelijk “verwoeste” in Ps. 137:8). Het vers noemt ook het geluk van wie daarbij het werktuig zouden zijn, die Babel zouden toemeten wat het de overwonnen Jood had toegemeten. Het was een vast besluit van de hemel dat hun “kinderen” voor hun ogen “verpletterd” zouden worden. De psalmist beaamt eenvoudig dat dit besluit rechtvaardig en heilzaam is.
Volgens hem had de vreselijke wraak het volk verdiend. Wie hem daarom van wraakzucht beschuldigt en hem wraakzuchtig noemt, trekt dus de rechtvaardigheid en barmhartigheid van de Allerhoogste in twijfel. Voor die aantijging is geen enkele grond, want zijn woorden zijn gewoon een voorspelling, net als bij de profeet: “Gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren”: Obadja 1:15. — Joseph Hammond, in “The Expositor,” 1876.
Vers 9
“Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen …”, enz. Het betekent: je hebt iedereen onder je heerschappij zo zwaar onderdrukt dat iedereen je is gaan haten en verafschuwen. Daarom zullen zij die je ondergang afronden en je inwoners volledig uitroeien “gelukzalig” heten. Ze worden bejubeld en geprezen door iedereen, omdat ze de wereld van zo’n zware vloek hebben verlost. Deze profetische woorden roepen niemand op tot wreedheid of barbaarsheid, in geen enkel geval. Ze verklaren alleen wat er zal gebeuren volgens de ordening van Gods vergeldende voorzienigheid en gerechtigheid, en welk algemeen oordeel daar dan over wordt uitgesproken. Bidden om de ondergang van onze vijanden komt voor ons daarom helemaal niet in aanmerking. — Adam Clarke.
Vers 9
“Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.” Probeer met alle kracht en zo snel mogelijk de allereerste opwellingen van je hart tot zonde tegen te houden. Dat zijn de knoppen waaruit de bittere vrucht groeit. Als de zonde niet al in de knop wordt gesmoord, is het niet te zeggen hoe snel ze uitschiet. … Deze zonden lijken op zichzelf misschien klein, maar hun gevolgen zijn uitermate schadelijk. Die kleine vossen richten in de wijngaard evenveel schade aan als de grote, of nog meer. Daarom moeten we ze ijverig opsporen, najagen en doden, als we ons hart vruchtbaar willen houden.
Met de eerste uitspattingen van de zonde moeten we omgaan zoals de psalmist wil dat Gods volk omgaat met de kinderen van Babel: “Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.” Zonder twijfel gaat het die mens geestelijk het allerbeste en het gelukkigste, die geen enkel medelijden toont, ook niet met zijn nog zuigende verdorvenheden. Hij doodt de kleine net zo goed als de grote. Zo verslaat hij zijn vijanden niet alleen door hun kracht van nu te weerstaan, maar ook door hun toekomstige geslacht uit te roeien. Zelfs de kleinste kinderen worden volwassen mannen, als ze in leven blijven.
En de eerste bewegingen van de zonde groeien, als je ze met rust laat, uit tot grote, openlijke en schaamteloze aanmatiging. — Robert South, 1633-1716.
Vers 9
“Aan de steenrots.” Dat het Hebreeuwse woord sela “rots” betekent, staat vast. Alle beste Hebreeuwse woordenboekschrijvers getuigen eensgezind hetzelfde. Daaruit volgt iets belangrijks. Er ligt namelijk geen rots, berg of heuvel in de stad Babylon, en ook niet in het gebied van het oude Babylonië.
De plek waarop de verwensing van deze psalm is gericht, kan dus niet de hoofdstad van het oude Assyrische rijk zijn. Het moet het apocalyptische Babylon wezen: het pauselijke Rome, gebouwd op zeven heuvels, waarvan er één de beroemde Tarpeïsche rots is. Vers 8 zegt er bovendien nadrukkelijk bij dat Gods vergeldende rechtvaardigheid het apocalyptische Babylon precies hetzelfde zal laten ondergaan als wat het Assyrische Babylon en ook het heidense Rome Jeruzalem lieten ondergaan.
Nebukadnezar én Titus “verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur” (2 Kon. 25:9). Zo zullen ook “de tien hoornen … de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden”; “en zij zal met vuur verbrand worden” (Openb. 17:16; 18:8).
Toen de maat van de ongerechtigheid van de Kanaänieten vol was, kreeg Israël van God de opdracht dat schuldige volk uit te roeien. Hetzelfde geldt voor het pauselijke Rome, zodra de maat van zijn ongerechtigheid vol is. Dan geldt: “Een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden”; “want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden. Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel” (Openb. 18:21; 18:5-6). Dan klinkt de goddelijke afkondiging: “Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld” (Openb. 18:20). — John Noble Coleman, in “The Book of Psalms, with Notes,” 1863.
Vers 9
“Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.”
Mijn helden gesneuveld, mijn bruidsbed vertrapt,
mijn dochters onteerd, mijn stad in vlammen,
mijn bloedende kinderen tegen de grond verpletterd:
dat alles moet ik nog zien, en misschien nog meer!
— Homerus’ Ilias, vertaling van Pope, boek 22, 89-91.
Wenken voor de dorpsprediker
Vers 1
- Een opdracht die eens vreugde gaf: “wij gedachten aan Sion”.
- Wat het gedenken pijnlijk maakt.
- Wie die vreugde of dat verdriet bijzonder voelen: “wij”.
Vers 1
- Sion verlaten ten tijde van voorspoed. De diensten werden genegeerd, de priesters raakten moreel verdorven, en de dienst van Baäl en Astarte kreeg de voorkeur boven de dienst van de ware God.
- Sion herdacht toen het slecht ging. Meer in Babylon dan in Jeruzalem, meer aan de oevers van de Eufraat dan aan de oevers van de Jordaan, en met tranen, terwijl ze het met vreugde hadden kunnen doen. “Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen.” “HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.” — G. R.
Vers 2
- Harpen: onze gaven om te loven.
- Harpen in de wilgen: het gezang dat is stilgevallen.
- Harpen opnieuw gestemd: vreugde die nog komt.
Vers 2
- Een bekentenis dat vreugde in verdriet was omgeslagen: “wij hebben … gehangen” enzovoort. Het jammeren van hun harpen in de treurwilgen sloot beter aan bij hun stemming dan alle liedjes die ze vroeger altijd speelden.
- Een lied van verdriet dat zich in vreugde keert. De ballingen namen hun harpen mee de gevangenschap in. Ze hingen ze op, om ze later weer te gebruiken. — G. J.
Vers 2
“Wij hebben onze harpen gehangen” enzovoort.
- Om verloren vreugde te gedenken. Hun harpen hoorden bij een heerlijk verleden en dat verleden mochten ze niet vergeten. Ze hielden de goede oude gewoonte vol. Wie wil herinneren, heeft daar altijd wel middelen voor binnen handbereik.
- Als teken van het verdriet waarin ze nu verkeerden. Spelen konden ze niet vanwege (a) hun zondigheid.
(b) hun omstandigheden.
(c) hun thuisland.
- In het vooruitzicht van zegen die nog komt. Ze sloegen hun harpen niet in stukken. Aan de ballingschap was een grens gesteld. Dat ze zouden terugkeren, was uitdrukkelijk voorzegd. In de goede tijd die aanbreekt, hebben we onze harpen weer nodig. Zondaars bespelen nu hun harp, maar straks moeten ze die voor altijd wegleggen. — W. J.
Vers 3 (laatste zinsdeel)
Los van de tekst bekeken is dit een hele fijne en lovenswaardige wens. Waarom willen we zo’n lied?
- Zuiver is het in elk geval.
- Het tilt ons zeker omhoog.
- Het brengt waarschijnlijk blijdschap.
- Het geeft ons moed en richt ons op.
- Het helpt ons om onze dank uit te spreken.
Verzen 3-4
- De wrede eis.
a) Een lied terwijl we gevangen zitten.
b) Een lied om onze vijanden in een goed humeur te brengen.
c) Een heilig lied dat voor onheilige doelen moet dienen.
- Waarom men het vraagt. Soms uit pure spot. Soms uit misplaatste vriendelijkheid, die ons met scherpe woorden uit onze somberheid wil halen. Vaak uit niets dan lichtzinnigheid.
- Ons antwoord: “Hoe zouden wij?” enzovoort.
Verzen 3-4
- Vraagt God om vreugde, dan hoeven we niet te rouwen. Sions liederen horen in Sion gezongen te worden.
- Vraagt God om rouw, dan hoeven we niet uitgelaten te zijn. “Hoe zouden wij … zingen?” enzovoort. Zie Jes. 5:12. — G. R.
Verzen 3-4
- Een onredelijk verzoek: “Zingt ons een van de liederen Sions.” Dit was:
a) Een opvallend bewijs dat de dienst van Jehova een blije dienst was. Zelfs de heidenen wisten van “de liederen Sions”.
b) Een zware proef voor de trouw van het gevangen Israël. Voldoen aan het verzoek had hun op dat moment misschien iets kunnen opleveren.
c) Een wrede bespotting van de treurige, moedeloze toestand van de gevangenen.
- Het verontwaardigde nee. “Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?” Echte Israëlieten kunnen dit lied niet zingen:
a) Als hun hart ontstemd is, en dat is het onvermijdelijk in “een vreemd land”.
b) In een onaangenaam gezelschap, tussen vreemden zonder medegevoel.
c) Voor onheilige doelen, om de heidenen te amuseren. Veel zogenaamde geestelijke concerten doen godvrezende christenen net zoveel pijn als de eis om het lied van de HEERE te zingen de godvrezende Israëlieten deed. Het lied van de HEERE mag alleen gezongen worden “voor den HEERE”. — W. H. J. P.
Verzen 3-4
De spot met heilige dingen.
- Gods dienaren staan in een wereld die niet met hen meeleeft.
- De vraag om vermaak en verstrooiing. Tempelliederen om een leeg uurtje door te komen! Zo luidt tegenwoordig de vraag van velen. Men wil dat wij de godsdienst tot een klucht maken om hen te kietelen.
- Het terechte, verontwaardigde antwoord van alle echte mensen: “Hoe zouden wij?” Christelijke werkers hebben serieuzer werk te doen, ook al is dat minder populair. — W. B. H.
Vers 5
Wie er gedenkt, wat er wordt gedacht en de plechtige vervloeking.
Vers 5
Alleen een harp voor Jezus.
- De harp toegewijd. Bij de bekering.
“Eén zwaard ten minste zal uw recht bewaken,
één trouwe harp zal u loven!”
- De harp is stil:
“Uw liederen zijn gemaakt voor wie dapper is en vrij;
ze klinken nooit in slavernij.”
- De harp daarboven opnieuw gespannen:
“En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers.” — W. B. H.
Verzen 5-6
- Wie met de wereld meejuicht, vergeet de kerk.
- Wie de kerk wil liefhebben, moet haar boven alles verkiezen.
- Wie de kerk wil dienen, moet bereid zijn om alles te lijden.
Vers 7
De haat van de goddelozen tegen de ware godsdienst.
- De oorzaak.
- De omvang. “Ontbloot ze, ontbloot ze” enzovoort.
- Het moment waarop ze zich toont: “aan den dag van Jeruzalem”, in benauwdheid enzovoort.
- Het loon: “HEERE! gedenk.”
Werk over de honderdzevenendertigste psalm
“An Exposition upon some select Psalms of David.” Dit werk is geschreven door die trouwe dienaar van God, M. Robert Rollok, en door Charles Lumisden uit het Latijn in het Engels vertaald, Edinburgh, 1600, kleinoctavo. Het bevat een korte verklaring van Psalm 137 en is van weinig waarde.
© Vertaling Treasury of David door Teun van der Plas