“Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.”—Psalm 138:7
Ellendig, wandelen midden in de benauwdheid? Nee, gezegend wandelen, want daarvoor is er een bijzondere belofte. Geef mij een belofte, en wat is dan de benauwdheid nog? Wat leert mijn Heere mij hier zeggen? Dit: “Maakt Gij mij levend.” Ik zal meer leven, meer kracht, meer geloof krijgen. Is het niet vaak zo dat benauwdheid ons weer levend maakt, als een frisse lucht voor iemand die bijna flauwvalt?
Wat zijn mijn vijanden boos, en vooral de aartsvijand! Moet ik mijn hand uitsteken en mijn vijanden bestrijden? Nee, mijn hand is beter bezig met dienst aan mijn Heere. Bovendien is het niet nodig, want mijn God zal Zijn verreikende arm gebruiken, en Hij zal veel beter met hen afrekenen dan ik zou kunnen als ik het zelf probeerde. “Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.” Met Zijn eigen rechterhand van kracht en wijsheid zal Hij mij behouden. Wat kan ik nog meer verlangen?
Kom, mijn hart, overdenk deze belofte voor jezelf totdat je haar kunt gebruiken als het lied van je vertrouwen en als de troost voor je heilige leven. Bid dat je zelf weer levend gemaakt wordt en laat de rest over aan de Heere, Die alles voor je tot een goed einde brengt.

