“Zo de HEERE lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond …”—Richteren 13:23
Dit is als het ware een belofte die uit logisch redeneren volgt. Het is een conclusie die terecht is getrokken uit vaststaande feiten. Het was onwaarschijnlijk dat de Heere aan Manoach en zijn vrouw had bekendgemaakt dat hun een zoon geboren zou worden en toch van plan was hen te vernietigen. De vrouw redeneerde goed, en wij doen er goed aan haar redenering te volgen.
De Vader heeft het grote offer van Golgota aangenomen en verklaard dat Hij er welbehagen in heeft; hoe zou Hij ons dan nu willen doden! Waarom een plaatsvervanger als de zondaar toch moet omkomen? Het aangenomen offer van Jezus maakt een einde aan de angst.
De Heere heeft ons onze verkiezing laten zien, onze aanneming tot kinderen, onze eenheid met Christus, ons huwelijk met de Welbeminde: hoe kan Hij ons nu vernietigen? De beloften zijn beladen met zegeningen, die het noodzakelijk maken dat wij bewaard worden voor het eeuwige leven. Het is voor de Heere onmogelijk ons te verwerpen en toch Zijn verbond na te komen. Het verleden stelt ons gerust, en de toekomst stelt ons opnieuw gerust. Wij zullen niet sterven maar leven, want wij hebben Jezus gezien, en in Hem hebben wij de Vader gezien door de verlichting van de Heilige Geest.
Omdat dit zien leven geeft, moeten wij eeuwig leven.

