Een preek uitgesproken op zondagavond 3 april 1887 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.
In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten. Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden. Numeri 9:11-12
Met grote tederheid stond God toe dat het Pascha een tweede keer gehouden werd, opdat wie bij de eerste viering buiten eigen schuld onrein was geworden, niet uitgesloten zou worden van deze gedenkwaardige en zinnebeeldige instelling. Maar hoewel Hij de datum van het Pascha veranderde, veranderde Hij nooit de vorm ervan: het paasmaal moest hetzelfde blijven, wanneer het ook gevierd werd en door wie het ook gehouden werd. Of het nu een gezin was of een Israëliet die toevallig als vreemdeling en gast in het huis verbleef, wie het Pascha ook hield, dezelfde voorschriften moesten zorgvuldig worden opgevolgd. Hieruit leid ik af, en zo leer ik een les uit dit voorbeeld, dat Christus altijd Dezelfde is, langs welke ervaringen wij ook tot de zaligheid komen, en dat wij allen op dezelfde wijze deel aan Hem moeten hebben. Voor u die zo verontreinigd bent dat u als het ware van het tweede Pascha moet eten, zelfs te elfder ure, lang nadat anderen zich al met Christus voedden, is er toch dezelfde Christus als voor hen die op de goede tijd komen, die de Heere vroeg zoeken en Hem vinden terwijl de dauw van hun jeugd nog op hen ligt. Er is niemand dan Jezus voor ieder van ons! Er is geen eigen weg voor deze mens vanwege zijn rechtvaardige leven, en geen eigen weg voor die ander vanwege zijn goddeloosheid,
maar voor de meest zedelijke en voor de meest onzedelijke mens is er dezelfde Zaligmaker, Die door hetzelfde kostbare geloof ontvangen moet worden! Alleen door de besprenkeling met het bloed van Jezus worden wij van de toorn verlost, en alleen door ons met Christus te voeden kan ons geestelijk leven in stand blijven. Er zijn geen twee evangeliën, maar slechts één Evangelie. Er zijn geen twee Christussen, maar slechts één Christus! Er zijn geen twee wegen naar de hemel, maar slechts één weg naar de hemel. Laten we samen naar het kruis gaan, het ene grote offer voor de zonde aanschouwen en door het geloof de zaligheid in Hem vinden!
Het onderwerp dat wij nu willen overdenken, is eenvoudig dit: als wij Christus ontvangen, dan wordt dat ontvangen prachtig uitgedrukt en afgebeeld doordat wij ons met Hem voeden. Ten eerste moeten wij ons dus met Jezus Christus voeden: het paaslam moest gegeten worden. Ten tweede moeten wij Christus ontvangen en ons met Hem voeden als de gehele Christus: ‘Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken.’ Ten derde moeten wij Christus ontvangen in gemeenschap met anderen. Het is iets heel gezegends wanneer ons persoonlijk ontvangen van Christus, ons persoonlijk voeden met Christus, geen eenzame daad is, maar in gezelschap gebeurt, zoals vroeger een heel gezin samenkwam om zich met het paaslam te voeden.
- Ten eerste dan, MOETEN WIJ ONS VOEDEN MET JEZUS CHRISTUS.
Het ware ontvangen van Christus wordt heel mooi uitgedrukt door het beeld dat wij ons met Hem voeden. Wat een zondaar die werkelijk wakker geschud is en wiens geweten grondig ontwaakt is, in de eerste plaats wil weten, is dit: ‘Hoe kan ik zalig worden? Ik weet dat Christus een Zaligmaker is, maar hoe kan Hij mijn Zaligmaker worden? Ik begrijp dat Hij een verzoening heeft aangebracht waardoor de zonde weggedaan kan worden; maar hoe kan die verzoening mijn zonde wegdoen?’
Wanneer het paaslam in het huisgezin van de Israëliet geslacht was, werd eerst het bloed door de man die het hoofd van het gezin was, op de bovendorpel en de beide zijposten gesprenkeld. Zodra het daar gesprenkeld was, werkte zijn kracht onmiddellijk: dat huis was veilig. Vervolgens moesten ze dit lam, dat aan het vuur gebraden was, binnenbrengen en zich rond de tafel verzamelen, en het enige wat ze ermee hoefden te doen, was het eten. Nu is eten zo’n eenvoudige handeling dat ik die niet kan uitleggen. De beste manier om uit te leggen hoe men eet, is denk ik door te eten, en de beste manier om uit te leggen hoe Christus ontvangen moet worden, is Hem te ontvangen! Toch moet ik, omdat ik een arme, verontruste ziel wil helpen, zo goed als ik kan proberen uit te leggen wat het was om het paaslam te eten en wat het is om Christus te ontvangen.
Ik zeg het nog eens: het eten van het paaslam was een heel eenvoudige zaak. Mozes had tegen een Jood kunnen zeggen: ‘Dat lam, aan het vuur gebraden, is van u als u het eet. Er hoeft geen ceremonie te worden uitgevoerd, geen bezwering te worden opgezegd, geen knieval te worden gemaakt. U staat aan de tafel, u eet het lam, en het is van u.’ Wat nu het voeden met de Heere Jezus Christus betreft: het eerste wat moet gebeuren, is dat u Hem door het geloof ontvangt. Ontvangen is het eerste deel van het eten. U hebt honger en er wordt brood voor u neergezet. U steekt het brood in uw mond, u ontvangt het en het wordt van u. Ontvang zo de Heere Jezus Christus; het geloof is de mond waarmee Hij ontvangen moet worden. Geloof Hem; geloof wat er in het Woord van God van Hem getuigd wordt.
Zeg tegen uzelf: ‘Dit getuigenis is waar: Jezus is de Zoon van God. Hij kwam als Mens in de wereld, Hij leidde een heilig leven, Hij stierf de offerdood: “Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen.” Dit alles geloof ik. Ik aanvaard het als waar, als waar voor mij, en ik neem het niet alleen in mijn oren op door het te horen, maar in mijn hart door het te geloven als de zekere waarheid van God, waardoor alleen zielen behouden kunnen worden.’
‘Maar stel dat ik Hem neem en er geen recht op heb?’ Ach, als u Hem eenmaal neemt, dan hebt u Hem, recht of geen recht! Heb ik u niet vaak gezegd dat, als u een stuk brood gegeten hebt waar u geen recht op had, alle advocaten ter wereld zich het hoofd zullen breken over de vraag hoe ze het weer van u af kunnen krijgen? In zo’n geval is bezit meer dan de spreekwoordelijke negen tiende van het recht! Ja, het is het hele recht, en als u Christus als de uwe neemt, dan hebt u Christus als de uwe! O, dat u Hem nu zou aangrijpen! ‘Maar stel dat het niet juist is dat ik Christus heb?’ Het was nooit verkeerd dat een arme zondaar Christus nam; neem Hem dus nu!
Als Hij dicht bij u is, grijp Hem dan nu! ‘Grijp naar het eeuwige leven’, zegt de apostel (1 Timotheüs 6:12), en als u Christus aangrijpt, zal God nooit roepen: ‘Handen af!’ Waag het eens vrijmoedig, en u zult merken dat u niet wordt afgewezen. De deur van de barmhartigheid staat open; ga naar binnen. En als u wordt afgewezen, zult u, wie u ook bent, de eerste zijn die ooit door Christus werd verworpen! ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden’ (Handelingen 16:31).
‘Dat heb ik gedaan’, zegt iemand. Ik ben heel blij als u dat gedaan hebt, maar hebt u het werkelijk gedaan? Men kan geloven en toch niet waarlijk geloven. Iemand gelooft dat dit of dat waar is, of zegt dat tenminste, en toch kan hij zo handelen dat hij bewijst dat hij het niet gelooft. U bent thuis; u ligt in bed en slaapt. Iemand maakt u wakker door te roepen dat uw huis in brand staat, en u draait zich kalm om en slaapt weer verder. Uit uw handelen weet ik dan dat u het bericht dat u gebracht werd, niet kunt hebben geloofd! Iemand kijkt u aan en zegt dat hij bij u de sporen van een dodelijke ziekte ziet en dat u binnen korte tijd dood zult zijn, tenzij u een bepaald geneesmiddel inneemt. Zegt u mij dat u gelooft dat u die ziekte hebt en dat het geneesmiddel u zou genezen als u het innam, en gaat u daarna naar huis en denkt u er niet meer aan? Dan weet ik dat u niet de waarheid sprak toen u zei dat u geloofde, want waarachtig geloof zou u tot handelen bewegen; u zou ernstig onder de indruk zijn van deze zaken als u geloofde dat ze waar waren.
Kom dan, laat me u een vraag stellen. Is de zonde voor u een werkelijkheid? Neemt u de plaats van een zondaar in en belijdt u dat u een Zaligmaker nodig hebt? Gelooft u dat de Zoon van God in menselijke gedaante verschenen is met het doel om zulke mensen als u te behouden? Kunt u nog een stap verder gaan en zeggen: ‘Ik geloof in Christus als mijn Zaligmaker’? Tot zover gaat het goed; het brood is in uw mond!
Bij het eten is het volgende dat het voedsel verteerd wordt. Het moet in het lichaam blijven en worden opgelost. Zo moet er, om Christus volledig te ontvangen, ook iets van vertering zijn door overdenking. De grote waarheden van God die ik genoemd heb, gaan de ziel binnen en worden door overdenking in hart en verstand overwogen. We denken erover na, we peinzen erover, we overwegen ze; ze beginnen invloed op ons uit te oefenen, en onze geest gaat met die waarheden aan het werk en perst er het sap en de kern uit, zodat wij hun verborgen kracht en werking leren kennen. O mensen, er zijn er onder u die nooit door Christus behouden zullen worden, omdat u niet wilt nadenken! Tenzij de Heere Jezus u genadig ontmoet en u plotseling tot geloof in Hem gebracht wordt, en ik bid dat dat gebeurt, vrees ik dat u zeker verloren zult gaan!
Sommigen van u verkeren niet in een toestand waarin het horen van het Evangelie u iets goeds kan brengen, omdat u niet nadenkt over wat u hoort. Wat u op de sabbat geleerd wordt, bewaart u niet in uw hart en overweegt u niet in uw gedachten. Velen laten het Evangelie vrij doorgaan: het gaat het ene oor in en het andere uit. Zo is het bij hen zondag na zondag, week na week, maand na maand, jaar na jaar alleen maar het Evangelie horen, en daar blijft het bij! De waarheid van God krijgt geen kans om voedsel voor hun geest te worden, want wat ze het ene ogenblik lijken op te nemen, werpen ze het volgende weer uit. Dat is helemaal geen voeden; het is niets dan dwaasheid en spot!
Welnu, nadat het voedsel het lichaam is binnengegaan en verteerd is, volgt er nog een proces. Ik ga me niet in fysiologische beschouwingen verdiepen, maar er is, zoals u weet, het proces dat opname of assimilatie heet. Bepaalde organen in het lichaam verrichten elk hun taak, en zo wordt het gegeten voedsel geleidelijk gebruikt om het lichaam te voeden en op te bouwen. Zo wordt het brood, dat kort geleden nog los van mij stond, onafscheidelijk van mij: het is in mijn lichaam opgenomen en een wezenlijk deel van mijzelf geworden.
Dit is de beste vorm van ons voeden met Christus: wanneer wij de waarheid over Hem geloofd hebben en haar overdacht hebben tot wij haar verteerd hebben, en dan verborgen vermogens in ons binnenste Hem opnemen en in ons geestelijk leven doen opgaan. Let op, mensen: ik geloof dat Christus de vleesgeworden Zoon van God is. Ik geloof dat niet alleen als een feit, zoals ik zou kunnen geloven dat er zo iemand bestaat als de tsaar van Rusland, maar ik verwacht behouden te worden door Hem, Die Mens werd om mij te kunnen behouden! Kijk verder. Ik geloof dat deze vleesgeworden God mijn zonden in Zijn lichaam op het kruis gedragen heeft. Ik verwacht vergeving; nee, ik weet dat mij vergeven is, omdat Hij mijn zonde weggenomen heeft en er, wat mij betreft, een einde aan gemaakt heeft. Dat is het opnemen van de grote waarheid van God over de verzoening in het binnenste van mijn geest.
Ik hoef het proces niet langer uit te leggen; ik wil dat u het in praktijk brengt. Welnu, geliefden, u die zich al zo vaak met Christus gevoed hebt, voed u op dit ogenblik opnieuw met Hem! Denk aan Hem zoals u Hem kent en probeer meer van Hem te leren kennen! Maar wat u wel van Hem weet, grijp dat vast. Pers uit deze trossen hun heilig sap. Haal uit deze waarheden de goddelijke kracht die zij uw geest willen geven. Zeg: ‘Deze waarheden van God zijn van mij. Ik leef ervan, ik zou erop kunnen sterven, ik heb niets beters nodig.’ Als u zich werkelijk zo met Christus voedt, dan zal het erop uitlopen dat Christus en u één worden, en niemand zal u van Hem kunnen scheiden of Hem van u kunnen wegnemen. Zoals het brood of het vlees dat u eet één wordt met uzelf, zo zal Christus, door een kinderlijk vertrouwen in uw diepste binnenste opgenomen, levend en voor eeuwig een wezenlijk deel van uzelf worden! En omdat Hij leeft, moet u ook leven, want Hij heeft u doen leven en Hij leeft in u!
Ik weet zeker dat, als u eenmaal geleerd hebt u met Christus te voeden op de manier die ik beschreven heb, u geen bezwaar zult hebben tegen de ‘bittere kruiden’ die bij het Pascha gegeten moesten worden. O, nee! Die bittere kruiden lijken het feestmaal juist pit te geven. Toen ik probeerde tot de kern van deze tekst door te dringen, dacht ik bij mezelf: ‘Ik heb elke dag mijn schotel bittere kruiden.’ Ze komen tot mij in deze vorm: predikanten die ik heb opgeleid en die het geloof verlaten; christenen van wie ik dacht dat ze bekeerd waren, maar die zich onbetamelijk en goddeloos gedragen; en zorgen om velen die zelf niet zoveel bekommernis om hun ziel lijken te hebben als ik om hen heb. O Christus, mijn gezegende Meester, Uw dienst is heel zoet omwille van U, maar op zichzelf: wee mij dat ik er ooit toe geboren ben! Maar de inzetting luidt: ‘met bittere saus zullen zij dat eten’; laten we daarom doorgaan met ons werk en alle bitterheid aanvaarden die met onze dienst gepaard gaat. Misschien wordt u om uw godsdienst bespot; dat is uw schotel bittere kruiden. Of misschien bent u erg arm. Of misschien leert u, hoe meer u van Christus kent, ook des te meer uw eigen onwaardigheid kennen, en die kennis is als het eten van bittere kruiden. Welnu, dank God dat u Christus hebt en zeg niets over de bittere kruiden, want als een hongerige Israëliet een paaslam krijgt om zich mee te voeden, kan hij best tevreden zijn de bittere kruiden erbij te nemen.
De Israëlieten moesten het Pascha ook eten ‘met ongezuurde broden’. Gezuurd brood vindt onze arme, gevallen natuur meestal smakelijker, en het wegdoen van het zuurdeeg vraagt dus enige zelfverloochening. Welnu, wij worden geroepen onszelf te verloochenen om Christus’ wil, en wij willen alle vormen van zonde wegdoen, alles wat gezuurd is, opdat wij ons alles in Hem hebben en alles wat het gehemelte verrukt en de geest bekoort, in Christus alleen vinden! Ja, neem uw gezuurde brood met al zijn zoetheid weg en breng in plaats daarvan de bittere kruiden en het ongezuurde brood binnen; wij zullen volkomen tevreden zijn, zolang het ware Paaslam op de tafel staat en onze ziel zich met Hem mag voeden! Over dit eerste deel van mijn onderwerp zeg ik verder niets meer, maar ik bid u: voed u in de stilte van uw geest met Christus Jezus.
- Dit brengt mij bij mijn tweede punt, namelijk dat wij Christus als geheel moeten ontvangen. De Heere zei over het Pascha: ‘Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken.’ Als wij Christus ontvangen, moeten wij Hem als geheel ontvangen.
Wij moeten Christus ontvangen in Zijn gehele Persoon. Daar had je Arius: hij wilde Christus ontvangen als een goed mens, maar niet als God. Maar u kunt Christus helemaal niet hebben, tenzij u Hem als geheel hebt. Er waren er ook die het omgekeerde standpunt innamen en Christus wel als God wilden ontvangen, maar niet als een bloedende, lijdende Mens. Maar u kunt Christus helemaal niet ontvangen als u Hem niet geheel wilt hebben; u moet Hem hebben in Zijn gehele Persoon, als God en Mens, anders kunt u Hem helemaal niet hebben en niet van Hem genieten als het voedsel van uw ziel.
Wij moeten Christus ook ontvangen in al Zijn ambten. Hij is gekomen als Profeet, Priester en Koning. Wees bereid door Hem onderwezen, door Hem gereinigd en door Hem geregeerd te worden. En let wel: u kunt de Priester niet hebben als u niet ook de Profeet wilt hebben, en Hij kan uw Profeet niet zijn als Hij niet ook uw Koning wordt! Een gehele Christus in onverdeelde eer, aanvaard als alles wat Hij zegt te zijn: zo moet u Hem hebben, of helemaal niet!
En u moet een gehele Christus hebben wat Zijn werk betreft. Hij komt om uw zonde weg te doen door het storten van Zijn bloed, en u zegt: ‘Hem wil ik hebben.’ Maar luister: Hij komt ook om uw zondigheid weg te nemen en u heilig te maken door het water dat met het bloed uit Zijn zijde vloeide. U kunt niet de rechtvaardiging nemen en de heiliging weglaten; u moet ze allebei hebben, of geen van beide! De wet betreffende het Pascha luidde: ‘Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken.’ U moet Christus hebben zoals Hij in Zijn Woord wordt voorgesteld, in alle delen van Zijn reddende werk.
En wij moeten Christus hebben in al Zijn onderwijs. Het gaat niet aan dat wij zeggen: ‘Ik wil Christus wel geloven wanneer Hij spreekt in Zijn Bergrede en ons de zedenleer van het gewone leven leert, maar ik wil Hem niet geloven wanneer Hij de verborgenheden van Zijn liefde ontsluit, terwijl Hij Zijn discipelen toespreekt op weg naar de hof van Gethsémané.’ U kunt Hem helemaal niet hebben, tenzij u bereid bent alles te geloven wat Hij leerde, voor zover u het kent, en te geloven dat wat Hij sprak waar moet zijn, ook al kent u het nu nog niet. U moet de Heere Jezus Christus voor uzelf als volstrekt onfeilbaar aannemen; anders kunt u Hem helemaal niet ontvangen.
U moet Christus ook aannemen met al Zijn waarschuwingen. U mag zich niet afkeren wanneer Hij zegt: ‘En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn’, en denken dat Zijn woorden te streng zijn. Wie bezwaar maakt tegen één woord van Christus, maakt in werkelijkheid bezwaar tegen Christus Zelf! Zoals één lek een boot doet zinken, zo zal één bezwaar tegen Christus uw trouw vertrouwen op Hem vernietigen. Nee, neem elk woord dat Hij spreekt aan en geloof het! Hang uw ziel eraan op, in de wetenschap dat het waar moet zijn, omdat Christus het gezegd heeft. U mag niets van dit gezegende Paaslam overlaten; u mag geen been van Hem breken!
Zo moet het ook zijn met Christus in al Zijn geboden. Het is niet aan ons te vragen waarom; het is aan ons te doen wat Hij ons gebiedt! En wij mogen niet zeggen: ‘Dit is wezenlijk en dat is niet wezenlijk.’ Wij mogen niet zeggen: ‘Dit wat Hij mij gebiedt, zal ik doen, maar dat wat Hij mij gebiedt, doe ik niet.’ Als u zo handelt, bent u geen discipelen, maar opstandelingen! U bent niet Zijn vrienden, maar Zijn vijanden, als u zo uitkiest welke van Zijn geboden u wilt gehoorzamen! Hoe kan iemand een goed soldaat zijn die zijn kapitein soms gehoorzaamt en soms niet? Zo’n tucht, of liever zo’n gebrek aan tucht, zou in geen enkel leger geduld worden, en het zal ook in de legers van de levende God niet verdragen worden! Nee, u moet een gehele Christus aannemen in al Zijn geboden.
En precies zo moet het zijn met Christus en Zijn gezindheid. Iemand zegt: ‘Christus is heel liefdevol, en ik wil ook liefdevol zijn.’ Daar hebt u gelijk in, mijn broeder, maar Christus was ook heel openhartig en volstrekt onverzettelijk; wilt u ook openhartig en onverzettelijk zijn? Zo niet, dan stelt uw liefdevolle gezindheid weinig voor, want ze is dan niet meer dan een vorm van toegeven aan de wereldsgezindheid. De gezindheid van Christus is volmaakt, en wie haar niet heeft, komt Hem niet toe! Het is niet aan ons één eigenschap van Zijn gezindheid uit te kiezen en te zeggen: ‘Die zal ik navolgen.’ Nee, zoals Christus te allen tijde handelde, zo moet u handelen. Zet, voor zover u Hem kunt volgen, uw voeten neer waar Hij Zijn voeten neerzet. Doe wat Hij deed, naar uw eigen maat en vermogen. Alleen een gehele Christus, volledig en getrouw nagevolgd, kan een volmaakt karakter voortbrengen!
Welnu, geliefde vrienden, u ziet wat hier onze opdracht is. Wij moeten ons eerst met Christus voeden, en vervolgens moeten wij Hem als geheel ontvangen. Maar het spijt mij dat er mensen zijn die zich niet met een gehele Christus voeden. Sommigen doen dat helaas niet uit pure eigenzinnigheid. Zij kiezen wat hun aanstaat en tonen daarmee hun eigenwaan en hun opstandigheid. Doe dat niet! Doe dat toch niet, ik smeek het u, maar voed u met de gehele Christus, zoals de Israëlieten het gehele paaslam aten.
Sommigen zijn door onwetendheid niet in staat zich met een gehele Christus te voeden. Zij kennen Hem niet, anders zouden zij Hem graag ontvangen. Laat onwetendheid niemand van u ervan weerhouden te genieten van het zoetste op de tafel van Gods genade, maar zeg tegen uzelf: ‘Hoe weinig ik ook weet, ik voel dat ik, als ik meer wist, alleen maar zou willen weten wat Jezus mij zou leren. Ik geef mij zonder voorbehoud aan Hem over, zoals een blinde zich aan zijn gids overgeeft, en ik zeg tot Jezus: “Wat ik niet weet, leer mij dat.”’ Op die manier bent u tenminste bereid het gehele Paaslam te eten, ook al begrijpt u door onwetendheid nog niet ten volle wat het is Hem te ontvangen.
Er zijn er ook die uit schroom tekortschieten in het voeden met een gehele Christus. Zij durven sommige van de heerlijke leerstukken die Hij onderwijst niet tot zich te nemen, sommige zoete zaken van Zijn eeuwig verbond, iets van de vaste spijs van Zijn eeuwige raad, iets van het ‘vet vol mergs’ en de ‘reine wijnen, die gezuiverd zijn’ (Jesaja 25:6). Ik bid u: deins niet terug, maar omdat Christus Zichzelf geheel aan al Zijn volk geeft, voed u met elk kostbaar woord van het verbond! Is er een rijke belofte, geloof die dan en geniet ervan!
Christus weigert Zijn geliefden niets. Als u werkelijk aan Zijn tafel komt en alles wilt hebben wat er in Hem is, neem het dan en wees niet bang! Hij zal u nooit berispen. Kom daarom vrijmoedig tot Christus, geliefden. Hijzelf heeft de uitnodiging gedaan: ‘Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!’ (Hooglied 5:1). Neem zoveel van Christus in uw ziel op als u kunt bevatten, totdat u met Hem vervuld bent; kom met blijdschap, neem vrolijk deel aan alles wat Hij u om niet geeft, en wees niet bang.
Ik denk dat ik over dit tweede punt niet meer hoef te zeggen. Ik zou alleen wensen dat velen hier bereid waren te zeggen: ‘Ik wil een gehele Christus hebben.’ Als u bereid bent Hem te hebben, dan is Hij van u! Als u Hem maar vertrouwt, is Hij van u! U hoeft niets anders te doen dan Hem aan te nemen als uw hoop en Hem vanavond als uw maaltijd te nemen. Ontvang Hem in uzelf als het voedsel van uw geest, en Hij is voor altijd de uwe!
- Over het laatste punt moet ik nog maar een paar zinnen zeggen: wij moeten Christus ontvangen in gemeenschap met anderen.
Het Pascha was geen eenzame maaltijd. Men sloot zich niet op om het lam te laten braden en op tafel te laten zetten en het dan helemaal alleen te proberen op te eten. Nee, het was een gezinsmaaltijd: allen die in het huis waren en van het zaad van Israël waren, heer en knechten, man, vrouw en kinderen, kwamen aan die tafel en aten samen. O, ik geniet graag zelf van Christus, maar als ik niet voor anderen mag spreken, dan spreek ik voor mijzelf,
en dan moet ik zeggen dat ik altijd meer van de zaken van God geniet samen met u dan wanneer ik alleen ben. Het geeft zoveel smaak als er vrienden zijn die met ons van Christus genieten. We kunnen ons ook alleen aan Hem verzadigen, gezegend zij Zijn Naam; we kennen de zoetheid van de eenzame gemeenschap met Christus, maar we houden er nog meer van de zegen met andere christenen te delen.
Ik heb geen verlangen de hele weg naar de Hemelse Stad alleen te gaan! Ik zou veel liever reizen met Christinne en Barmhartigheid en al die kleintjes, het hele gezin van pelgrims, en met Grootmoed en al de anderen! Zij hadden onderweg zulke opgewekte gesprekken, en als ze de reuzen tegenkwamen en er een wat terneergeslagen was, dan beurde een ander hem op en moedigde hem aan zich als een man te gedragen. Wat was het een prachtige zaak voor zo’n arm schepsel als meneer Lichtvertraagd, die altijd op krukken liep, en voor de arme Kleingeloof, en voor meneer Neerslachtig en juffrouw Zeerbevreesd, dat ze in zulk goed gezelschap terechtkwamen! Het zou een sombere reis voor hen geweest zijn als ieder van hen helemaal alleen naar de Hemelse Stad had moeten gaan! Maar toen ze in zulk goed gezelschap reisden, werden ze, zoals u weet, vrolijk.
U herinnert zich dat ze zo juichten toen het hoofd van reus Wanhoop was afgeslagen, dat meneer Lichtvertraagd, hoewel hij zoiets nooit eerder gedaan had, zonder zijn krukken danste! Het is wonderlijk hoeveel vreugde er voortkomt uit christelijke gemeenschap en heilige omgang! Het is dus goed dat u het Pascha samen eet en niet alleen. Het is goed dat u zich in Christus verheugt in het gezelschap van anderen die zich ook in Hem verheugen.
De eersten met wie wij Christus moeten ontvangen, zijn onze eigen huisgenoten. Welnu, mijn broeder, hoe staat het met de leden van uw gezin? Zijn ze al allemaal bekeerd? Zijn ze allemaal behouden? Zo niet, zend dan een gebed op dat de Heere ook de anderen bij het paasmaal brengt. Sommigen van u zullen straks moeten vertrekken, wanneer wij blijven voor het avondmaal. Sommigen van u, mannen, moeten uw vrouw hier achterlaten en zullen naar huis moeten gaan, of boven op de galerij tussen de toeschouwers moeten gaan zitten. Bedenk dat er in de hemel geen toeschouwers zullen zijn! En op die laatste dag van de scheiding zal het vreselijk zijn om voor eeuwig gescheiden te worden van hen die we liefhebben. Het gelukkigst zal het in de hemel zelf zijn als wij elkaar daar allemaal ontmoeten, als een ongebroken gezin!
Toch was het samenzijn met zijn gezin bij het paasmaal voor de Jood niet de grootste vreugde, want hij bedacht dat overal elders, waar maar een Israëlitisch gezin was, allen hetzelfde deden, en dat het hele uitverkoren volk van God één was in het houden van dit gedenkfeest! Zo is heel het volk van God één in Christus Jezus. Ik denk er graag aan dat ik gemeenschap heb met alle heiligen. Ik heb er geen bezwaar tegen gemeenschap te hebben met hen die in veel opzichten van mij verschillen. Ik denk dat er een gemeenschap der heiligen is die zich niet laat begrenzen.
Als het leven van God in u is en het leven van God in mij, dan kunt u zich op sommige punten vergissen en kan ik me vergissen, maar het ene leven in ons zal maken dat wij gemeenschap hebben met Jezus! Misschien gehoorzaamt u niet al Christus’ geboden en zeg ik tegen u: ‘Dan wil ik geen gemeenschap met u hebben.’ Maar ik kan niet anders dan gemeenschap met u hebben als u tot het lichaam van Christus behoort! Gemeenschap is de polsslag van het lichaam, en tenzij ik mijn vinger afhak, kan ik niet anders dan gemeenschap hebben met mijn vinger! Hij kan heel vuil zijn.
Ik kan er een stukje rood lint om binden en zeggen: ‘Zo, ik sluit je af van de gemeenschap met de rest van mijn lichaam’, maar het helpt niets. Zolang het lichaam leeft en de vinger leeft, moet de gemeenschap er zijn; het levensbloed moet erdoorheen blijven stromen! Zo zien wij, lieve broeders en zusters, veel heiligen van God, velen van wie wij geloven dat ze kinderen van God zijn, die zich ongetwijfeld vergissen en veel gebreken hebben. En wie vergist zich niet en is zonder gebrek?
Maar als het leven van God in hen is, is er een gemeenschap die boven alle regels en voorschriften uitgaat! Dat is de gemeenschap van het leven dat in het Hoofd van de gemeente is! Het klopt door alle leden en moet dat voor altijd blijven doen. Ik hoop dan ook vanavond aan de avondmaalstafel te komen en gemeenschap te genieten met alle verlosten van de Heere, zowel op aarde als in de hemel! Ja, ook met hen die honderden jaren geleden de aarde verlaten hebben, en ik hoop door het geloof zelfs iets te genieten van de gemeenschap met de geslachten die nog niet geboren zijn en die in de volheid van de tijd de Heere zullen leren kennen.
Gode zij dank weten velen van ons wat het is gemeenschap te hebben met Christus, en ook met Zijn volk! Zowel persoonlijk als in de samenkomst van de gemeente hebben we vaak de zoetheid van de gemeenschap met onze Heere ondervonden. Soms is Hij ons aan die avondmaalstafel voor ogen geschilderd als onder ons gekruisigd. Soms heeft Hij ‘s nachts op ons bed met ons gesproken. Ik weet wat het is rechtop te gaan zitten en te proberen niet in slaap te vallen, om de overvloeiende vreugde van Zijn goddelijke tegenwoordigheid niet te verliezen. Soms was ik bang ‘s morgens uit bed op te staan, omdat ik door naar beneden te gaan de bewuste gemeenschap met Hem zou kunnen verbreken! Onze Heere Jezus is Zijn volk zo nabij, en er zijn ogenblikken dat wij zo’n verrukte gemeenschap met Hem hebben dat we in waarheid kunnen zeggen dat dit het eeuwige leven is! Dan zingen wij:
Ik sta op de berg van God
met zonlicht in mijn ziel.
Ik hoor de stormen in de dalen beneden,
ik hoor de donder rollen.
Maar ik ben stil bij U, mijn God,
onder deze heerlijke hemel,
en tot de hoogten waar ik sta,
reikt storm noch wolk.
O, dit is leven! O, dit is vreugde,
mijn God, U zo te vinden!
Uw aangezicht te zien, Uw stem te horen,
en heel Uw liefde te kennen.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
God schenke ons meer van die gezegende gemeenschap, omwille van onze Heere Jezus Christus! Amen.
Preek nr. 2407 · Gehouden te Metropolitan Tabernacle, Newington, Londen, op zondagavond 3 april 1887, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 41. Oorspronkelijke titel: “Feeding on a Whole Christ”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


