Een preek uitgesproken op zondagmorgen 4 januari 1857 door C. H. Spurgeon in de Music Hall, Royal Surrey Gardens te Londen.
Die machtig ben te verlossen. Jesaja 63:1
Deze woorden zien natuurlijk op onze gezegende Heere Jezus Christus, Die beschreven wordt als Degene ‘Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra’, en Die, wanneer gevraagd wordt wie Hij is, antwoordt: ‘Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.’ Het is daarom goed om aan het begin van onze preek een paar opmerkingen te maken over de geheimzinnige, samengestelde Persoon van de Mens en God Die wij onze Verlosser noemen, Jezus Christus, onze Zaligmaker. Het is een van de verborgenheden van de christelijke godsdienst dat ons geleerd wordt te geloven dat Christus God is, en toch Mens. Overeenkomstig de Schrift houden wij staande dat Hij ‘de waarachtige God’ is, gelijk met de Vader en even eeuwig als de Vader, en dat Hij, net als Zijn Vader, alle goddelijke eigenschappen in oneindige mate bezit. Hij had met Zijn Vader deel aan alle daden van Zijn goddelijke macht. Hij was betrokken bij het besluit van de verkiezing en bij het opstellen van het verbond, bij de schepping van de engelen en bij het maken van de wereld, toen die uit het niets de ruimte in werd geplaatst, en bij het ordenen van dit schone bouwwerk van de natuur.
Voordat een van deze daden plaatsvond, was de goddelijke Verlosser de eeuwige Zoon van God. ‘Van eeuwigheid tot eeuwigheid’ is Hij God. En Hij hield niet op God te zijn toen Hij Mens werd. Hij was evenzeer ‘God boven allen te prijzen in der eeuwigheid’ toen Hij ‘een Man van smarten, en verzocht in krankheid’ was, als vóór Zijn menswording. Daarvan hebben wij overvloedig bewijs in de voortdurende verklaringen van de Schrift, en ook in de wonderen die Hij deed. Het opwekken van doden, het lopen over de golven van de zee, het tot zwijgen brengen van de winden en het scheuren van de rotsen, met al Zijn andere wonderdaden die wij hier niet kunnen noemen, waren sterke en krachtige bewijzen dat Hij God was, waarachtig God, ook toen Hij Zich verwaardigde Mens te zijn.
En de Schrift leert ons zeer zeker dat Hij nu God is, dat Hij de troon van Zijn Vader deelt, dat Hij gezeten is ‘verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt’, en dat Hij het ware en rechtmatige voorwerp is van de eerbied, de aanbidding en de hulde van alle werelden.
Evenzeer wordt ons geleerd te geloven dat Hij Mens is. De Schrift vertelt ons dat Hij op een bestemde dag uit de hemel kwam en Mens werd, terwijl Hij ook God bleef, door de natuur aan te nemen van een kindje in de kribbe van Bethlehem. Uit dat kind, zo wordt ons verteld, groeide Hij op tot de volle gestalte van een man en werd Hij been van onze benen en vlees van ons vlees, ons in alles gelijk, behalve in de zonde. Zijn lijden, Zijn honger en vooral Zijn dood en begrafenis zijn sterke bewijzen dat Hij Mens was, waarachtig Mens. En toch vraagt de christelijke godsdienst van ons te geloven dat Hij, terwijl Hij Mens was, ook waarachtig God was.
Ons wordt geleerd dat Hij het Kind was van Wie gezegd is: ‘Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven’, en tegelijk Degene Wiens Naam is: ‘Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid’. Wie een helder en juist beeld van Jezus wil hebben, moet Zijn naturen niet vermengen. Wij moeten Hem niet zien als een God Die verdund is tot een vergoddelijkte mensheid, en ook niet als een gewoon mens die ambtshalve tot de Godheid verheven is, maar als twee onderscheiden naturen in één Persoon: niet God versmolten tot een mens, en niet een mens gemaakt tot God, maar Mens en God samen tot één verenigd. Daarom vertrouwen wij op Hem als de Scheidsman, de Middelaar, de Zoon van God en de Zoon des mensen. Dit is de Persoon Die onze Zaligmaker is. Over dit heerlijke en toch geheimzinnige Wezen spreekt de tekst wanneer hij zegt dat Hij machtig is, ‘machtig te verlossen’.
Dat Hij machtig is, hoeven wij u niet te vertellen, want als lezers van de Schrift gelooft u allen in de macht en majesteit van de vleesgeworden Zoon van God. U gelooft dat Hij de Bestuurder van de voorzienigheid is, de Koning van de dood, de Overwinnaar van de hel, de Heere van de engelen, de Meester van de stormen en de God van de veldslagen. Daarom hebt u geen bewijs nodig dat Hij machtig is. Het onderwerp van deze morgen is één kant van Zijn macht: Hij is ‘machtig te verlossen’. Moge God de Heilige Geest ons helpen om dit onderwerp kort te behandelen, en het gebruiken tot de zaligheid van onze ziel!
Ten eerste zullen we nagaan wat bedoeld wordt met de woorden ‘te verlossen’; ten tweede hoe we bewijzen dat Hij machtig is te verlossen; ten derde waarom Hij machtig is te verlossen; en ten vierde welke gevolgtrekkingen we kunnen maken uit de leer dat Jezus Christus machtig is te verlossen.
1. Ten eerste dan: wat moeten wij verstaan onder de woorden ‘te verlossen’?
Wanneer de meeste mensen deze woorden lezen, denken ze gewoonlijk dat ze verlossing van de hel betekenen. Dat is gedeeltelijk juist, maar het is een zeer gebrekkige opvatting.
Het is waar dat Christus mensen verlost van de straf op hun schuld. Hij brengt mensen naar de hemel die de eeuwige toorn en het ongenoegen van de Allerhoogste verdiend hebben. Het is waar dat Hij ‘de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde’ uitdelgt, en dat de ongerechtigheden van het overblijfsel van Zijn volk worden voorbijgegaan omwille van Zijn bloed en verzoening. Maar dat is niet de hele betekenis van de woorden ‘te verlossen’. Deze gebrekkige uitleg ligt aan de wortel van fouten die veel godgeleerden hebben gemaakt, en waarmee zij hun leerstelsel in nevel hebben gehuld. Zij hebben gezegd dat verlossen betekent: mensen als brandhout uit het vuur rukken, hen redden van het verderf als zij zich bekeren. Maar het betekent veel meer, ik had bijna gezegd: oneindig veel meer.
‘Verlossen’ betekent meer dan alleen boetvaardigen ervoor bewaren dat zij naar de hel gaan. Onder de woorden ‘te verlossen’ versta ik het hele grote werk van de zaligheid, vanaf de eerste heilige begeerte en de eerste geestelijke overtuiging tot de volkomen heiligmaking toe. Dit alles doet God door Jezus Christus. Christus is niet alleen machtig om hen zalig te maken die zich bekeren, maar Hij kan mensen ook tot bekering brengen. Hij heeft niet alleen op Zich genomen om gelovigen naar de hemel te brengen, maar Hij is ook machtig om mensen een nieuw hart te geven en het geloof in hen te werken. Hij is niet alleen machtig om de hemel te geven aan wie ernaar verlangt, maar Hij is machtig om de mens die de heiligheid haat, haar te doen liefhebben, om de verachter van Zijn Naam te dwingen zijn knie voor Hem te buigen, en om de meest verdorven goddeloze terug te brengen van de dwaling van zijn weg.
Onder de woorden ‘te verlossen’ versta ik niet wat sommigen zeggen dat ze betekenen. Zij leren in hun godgeleerdheid dat Christus in de wereld kwam om alle mensen in een verlosbare staat te brengen, om de zaligheid van alle mensen mogelijk te maken door hun eigen inspanningen. Ik geloof dat Christus daar helemaal niet voor kwam. Hij kwam in de wereld niet om mensen in een verlosbare staat te brengen, maar in een verloste staat; niet om hen op een plek te zetten waar zij zichzelf konden verlossen, maar om het werk in hen en voor hen te doen, van het begin tot het einde. Als ik geloofde dat Christus alleen kwam om u, mijn hoorders, en mijzelf in een staat te brengen waarin wij onszelf zouden kunnen verlossen, dan zou ik van nu af aan voorgoed ophouden met preken. Want ik ken iets van de boosheid van het mensenhart, omdat ik iets van mijn eigen hart ken, en ik weet hoezeer mensen van nature de godsdienst van Christus haten. Daarom zou ik wanhopen aan elk succes bij het prediken van een evangelie dat ik alleen maar kon aanbieden, en waarvan de uitwerking afhing van de vrijwillige aanvaarding door onvernieuwde en onwedergeboren mensen.
Als ik niet geloofde dat er een machtige kracht is die mensen terugbrengt van de dwaling van hun wegen door de machtige, overweldigende en dwingende kracht van een goddelijke en geheimzinnige invloed, dan zou ik ophouden te roemen in het kruis van Christus. Christus is, wij herhalen het, machtig, niet alleen om mensen in een verlosbare toestand te brengen, maar om hen volkomen en geheel te verlossen.
Dit feit beschouw ik als een van de grootste bewijzen van het goddelijke karakter van de Bijbelse openbaring. Ik heb vaak twijfels en vrees gehad, zoals de meesten van u; en waar is de sterke gelovige die niet soms gewankeld heeft? Ik heb bij mijzelf gezegd: ‘Is deze godsdienst waar, die ik dag in dag uit onophoudelijk aan de mensen preek? Is het de juiste? Is het waar dat deze godsdienst invloed heeft op de mensen?’ En ik zal u vertellen hoe ik mijzelf weer gerustgesteld heb. Ik heb gekeken naar de honderden, ja, de duizenden om mij heen die eens de ergsten van de ergsten waren, dronkaards, vloekers en dergelijke, en die ik nu ‘gekleed, en wel bij hun verstand’ zie. Dan moet dit de waarheid zijn, want ik zie de wonderlijke uitwerking ervan. Het is waar, omdat het bereikt wat de dwaling nooit zou kunnen bereiken. Het oefent invloed uit op de laagsten onder de stervelingen en op de verdorvensten van ons geslacht. Het is een kracht, een onweerstaanbare bewerker van het goede; wie zal dan de waarheid ervan ontkennen? Naar mijn overtuiging is het hoogste bewijs van de macht van Christus niet dat Hij de zaligheid aanbiedt, en ook niet dat Hij u zegt haar aan te nemen als u wilt, maar dat Hij, wanneer u haar verwerpt, haat en veracht, een macht heeft waardoor Hij uw gezindheid kan veranderen, u anders kan laten denken dan u vroeger dacht, en u kan terugbrengen van de dwaling van uw wegen. Dit is volgens mij de betekenis van de tekst: ‘machtig te verlossen’.
Maar dat is niet de hele betekenis. Onze Heere is niet alleen machtig om mensen tot bekering te brengen, om hen die dood zijn in de zonde levend te maken en hen af te brengen van hun dwaasheden en ongerechtigheden. Hij is verhoogd om meer te doen: Hij is machtig om hen christen te laten blijven nadat Hij hen christen heeft gemaakt, en machtig om hen te bewaren in Zijn vreze en liefde, totdat Hij hun geestelijk bestaan in de hemel voltooit. De macht van Christus bestaat er niet in dat Hij een gelovige maakt en hem daarna aan zijn lot overlaat. Nee, Hij Die het goede werk begint, zet het ook voort. Hij Die de eerste kiem van leven geeft die de dode ziel levend maakt, geeft daarna ook het leven dat dit goddelijke bestaan doet voortduren. Hij schenkt die machtige kracht die ten slotte elke band van de zonde verbreekt en de ziel volmaakt in de heerlijkheid brengt. Wij houden staande en leren, en wij geloven op gezag van de Schrift, dat allen aan wie Christus bekering heeft gegeven, onfeilbaar hun weg zullen houden.
Wij geloven dat God nooit een goed werk in een mens begint zonder het te voltooien. Hij maakt nooit iemand waarlijk levend voor de geestelijke werkelijkheden zonder dat werk in zijn ziel voort te zetten tot het einde, door hem een plaats te geven in de koren van de geheiligden. Wij denken niet dat de macht van Christus er alleen in bestaat mij op een dag in de staat van genade te brengen en mij dan te zeggen dat ik mijzelf daarin moet bewaren. Zijn macht bestaat erin dat Hij mij zo in een genadestaat plaatst en mij zo’n innerlijk leven en zo’n kracht in mijzelf geeft, dat ik evenmin kan terugkeren als de zon aan de hemel haar loop kan stuiten of kan ophouden te schijnen.
Geliefden, dit is volgens ons wat de woorden ‘machtig te verlossen’ aanduiden. Men noemt dit gewoonlijk de calvinistische leer, maar het is niets anders dan de christelijke leer, de leer van de heilige Bijbel. Want al wordt het nu calvinisme genoemd, in de dagen van Augustinus kon het zo niet heten, en toch vindt u in de werken van Augustinus precies hetzelfde. En het moet ook geen augustinisme heten, want het staat in de geschriften van de apostel Paulus. Toch werd het geen paulinisme genoemd, eenvoudig omdat het de uitwerking en de volheid is van het Evangelie van onze Heere Jezus Christus.
Om te herhalen wat we al eerder zeiden: wij houden staande en leren vrijmoedig dat Jezus Christus niet alleen mensen kan verlossen die zich op Zijn weg stellen en die gewillig zijn om verlost te worden, maar dat Hij mensen gewillig kan maken. Hij kan de dronkaard zijn dronkenschap doen opgeven en tot Hem doen komen. Hij kan de verachter zijn knie doen buigen en harde harten doen smelten voor Zijn liefde. Nu is het aan ons om te laten zien dat Hij dat kan.
2. Hoe kunnen wij bewijzen dat Christus ‘machtig te verlossen’ is?
Wij geven u eerst het sterkste bewijs, en meer dan één hebben we niet nodig. Het bewijs is dat Hij het gedaan heeft. Een ander bewijs is niet nodig; het zou overbodig zijn er nog een aan toe te voegen. Hij heeft mensen verlost in de volle omvang en betekenis van het woord dat we hebben proberen uit te leggen. Maar om deze waarheid in een helder licht te zetten, nemen we het ergste geval. Sommigen zeggen dat het heel gemakkelijk voor te stellen is dat mensen hier die beminnelijk en lieftallig zijn en altijd in de vreze Gods zijn opgevoed, het Evangelie in liefde zullen aannemen wanneer het hun gepredikt wordt. Goed, zo’n geval nemen wij niet.
Kijk naar deze bewoner van de eilanden in de Stille Zuidzee. Hij heeft zojuist een duivelse maaltijd van mensenvlees gegeten; hij is een kannibaal. Aan zijn gordel hangen de scalpen van mensen die hij heeft vermoord en op wier bloed hij roemt. Als u aan zijn kust aan land gaat, eet hij u ook op, tenzij u goed oplet. Die man buigt zich neer voor een blok hout. Hij is een arm, onwetend en verdorven schepsel, dat nauwelijks verschilt van een redeloos dier.
Heeft het Evangelie van Christus de kracht om deze man te temmen, de scalpen van zijn gordel te halen, hem zijn bloedige praktijken te laten opgeven en zijn goden te laten afzweren, en hem tot een beschaafd en christelijk mens te maken? Weet u, mijn geliefde vrienden, u spreekt in Engeland over de kracht van opvoeding. Daar kan veel in zitten; opvoeding kan voor sommigen hier veel doen, niet op geestelijk, maar op natuurlijk gebied. Maar wat zou opvoeding met deze wilde doen? Ga het maar proberen. Stuur de beste schoolmeester van Engeland naar hem toe: hij eet hem op voordat de dag om is. Dat is dan alles wat het oplevert.
Maar als de zendeling met het Evangelie van Christus gaat, wat gebeurt er dan met hem? In talloze gevallen is hij de wegbereider van de beschaving geweest en is hij onder Gods voorzienigheid aan een wrede dood ontkomen. Hij gaat met liefde in zijn handen en in zijn ogen; hij spreekt tot de wilde. En let wel: we vertellen nu feiten, geen dromen. De wilde laat zijn strijdbijl vallen. Hij zegt: ‘Het is wonderlijk; wat deze man mij vertelt, is verbazingwekkend. Ik ga zitten en luisteren.’
Hij luistert, en de tranen rollen over zijn wangen; een menselijk gevoel dat nooit eerder in zijn ziel brandde, wordt in hem ontstoken. Hij zegt: ‘Ik geloof in de Heere Jezus Christus.’ Al snel is hij gekleed en wel bij zijn verstand, en wordt hij in elk opzicht een mens zoals wij zouden willen dat alle mensen waren. Wij zeggen dat dit bewijst dat het Evangelie van Christus niet komt tot een geest die er al op voorbereid is, maar dat het de geest zelf voor zich voorbereidt. Christus legt niet alleen het zaad in grond die van tevoren is klaargemaakt, maar Hij ploegt ook de grond, ja, Hij eegt die en doet het hele werk. Zo machtig is Hij om dat alles te doen. Vraag onze zendelingen in Afrika, te midden van de grootste barbaren ter wereld, of het Evangelie van Christus kan verlossen. Zij zullen u wijzen op de kraal van de Khoikhoi en daarna op de huizen in Kuruman, en zij zullen zeggen: ‘Wat heeft dit verschil gemaakt, anders dan het woord van het Evangelie van Christus Jezus?’
Ja, geliefde broeders, wij hebben bewijzen genoeg gehad in heidense landen. En wat hoeven wij meer te zeggen dan alleen dit: we hebben ook thuis bewijzen genoeg gehad. Sommigen prediken een evangelie dat heel geschikt is om mensen in zedelijkheid op te voeden, maar volstrekt ongeschikt om hen te verlossen; een evangelie dat goed genoeg is om mensen die dronkaards zijn geweest nuchter te houden. Het is goed genoeg om hun een soort leven te geven als ze dat al hebben, maar niet om doden levend te maken en de ziel te redden. Juist de mensen voor wie het Evangelie van Christus het allermeest bedoeld was, laat het aan de wanhoop over.
Ik zou verhalen kunnen vertellen over mensen die zich halsoverkop in de zwartste afgronden van de zonde hadden gestort; als wij hen hun schuld lieten vertellen, zou u en mij dat met afschuw vervullen. Ik zou u kunnen vertellen hoe zij in Gods huis kwamen, met de tanden op elkaar tegen de prediker, vastbesloten om, wat hij ook zei, alleen te luisteren om te spotten. Ze bleven even staan; een woord trok hun aandacht en ze dachten bij zichzelf: ‘Die zin wil ik horen.’ Het was een scherpe, kernachtige uitspraak die hun ziel binnendrong. Ze wisten niet hoe het kwam, maar ze stonden als betoverd en bleven nog wat langer luisteren. En na een poosje, zonder dat ze het zelf merkten, begonnen de tranen te vloeien. Toen ze weggingen, hadden ze een vreemd, geheimzinnig gevoel dat hen naar hun binnenkamer dreef. Daar vielen ze op hun knieën; hun hele levensgeschiedenis werd voor God uitgesproken, en Hij gaf hun vrede door het bloed van het Lam. Velen van hen gingen naar Gods huis om te zeggen: ‘Komt, hoort toe, … en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft’, en om
aan zondaars rondom te vertellen
wat een dierbare Zaligmaker zij hadden gevonden.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Denk aan John Newton, de grote en machtige prediker van St. Mary Woolnoth: een voorbeeld van de macht van God om het hart te veranderen en om vrede te geven wanneer het hart veranderd is. Ach, geliefde hoorders, ik denk vaak bij mijzelf: ‘Dit is het grootste bewijs van de macht van de Zaligmaker.’ Laat men een andere leer prediken: zal die hetzelfde doen? Als dat zo is, laat dan ieder een menigte om zich heen verzamelen en die leer prediken. Doet ze dat werkelijk? Als dat zo is, dan komt het bloed van de zielen op het hoofd van de man die haar niet vrijmoedig verkondigt. Als hij gelooft dat zijn evangelie zielen redt, hoe verklaart hij dan dat hij van 1 januari tot 31 december op zijn kansel staat en nooit hoort van een hoer die eerlijk is geworden of van een dronkaard die is teruggebracht?
Waarom niet? Omdat het een armzalig, verwaterd christendom is. Het lijkt er wel op, maar het is niet het vrijmoedige, brede christendom van de Bijbel; het is niet het volle Evangelie van de zalige God, want dat heeft kracht om te verlossen. Maar als zij werkelijk geloven dat het hunne het Evangelie is, laten zij dan naar buiten komen om het te prediken, en laten zij met al hun kracht ernaar streven zielen te winnen uit de zonde, die, God weet het, wijdverbreid genoeg is. Wij zeggen het nog eens: wij hebben stellig bewijs, juist in gevallen hier voor ons, dat Christus machtig is om zelfs de ergsten van de mensen te verlossen en hen af te brengen van dwaasheden waaraan zij zich te lang hebben overgegeven. En wij geloven dat hetzelfde Evangelie, als het elders gepredikt wordt, dezelfde vruchten zou voortbrengen.
Het beste bewijs dat u ooit kunt hebben dat God machtig is te verlossen, geliefde hoorders, is dat Hij u verlost heeft. Ach, mijn geliefde hoorder, het zou een wonder zijn als Hij uw naaste verloste die naast u staat, maar het zou een nog groter wonder zijn als Hij u verloste. Wat bent u op deze morgen? Antwoord! ‘Ik ben een ongelovige,’ zegt iemand, ‘ik haat en veracht de godsdienst van Christus.’ Maar stel, mijnheer, dat er zo’n kracht in die godsdienst zit dat u er op een dag toe gebracht wordt om erin te geloven! Wat zou u dan zeggen? Ach, ik weet dat u dan voor altijd van dat Evangelie zou houden, want u zou zeggen: ‘Ik was van alle mensen de laatste die het zou aannemen, en toch ben ik hier, ik weet niet hoe, ertoe gebracht om het lief te hebben.’ O, zo iemand wordt, als hij gedrongen wordt te geloven, de welsprekendste prediker ter wereld.
‘Ja, maar,’ zegt een ander, ‘ik ben uit principe een sabbatschender geweest; ik veracht de sabbat en ik haat volstrekt en volkomen alles wat met godsdienst te maken heeft.’ Welnu, ik kan u nooit bewijzen dat de godsdienst waar is, tenzij hij u ooit aangrijpt en een nieuw mens van u maakt. Dan zult u zeggen dat er iets in zit. ‘Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben.’ Wanneer wij de verandering hebben gevoeld die het Evangelie in onszelf bewerkt, dan spreken wij over feiten en niet over verbeelding, en dan spreken wij ook heel vrijmoedig. Wij zeggen dus nog eens: Hij is ‘machtig te verlossen’.
3. Maar nu wordt gevraagd: waarom is Christus ‘machtig te verlossen’? Daarop zijn verschillende antwoorden.
Ten eerste: als we het woord ‘verlossen’ opvatten in de gangbare betekenis, die uiteindelijk niet de volledige is, al is ze wel waar, en als we onder verlossing de vergeving van de zonde en de redding van de hel verstaan, dan is Christus machtig te verlossen vanwege de oneindige kracht van Zijn verzoenend bloed. Zondaar, hoe zwart u ook bent van de zonde, Christus kan u deze morgen witter maken dan de pas gevallen sneeuw. U vraagt waarom. Ik zal het u zeggen. Hij kan vergeven, omdat Hij voor uw zonde gestraft is. Als u weet en voelt dat u een zondaar bent, als u bij God geen hoop of toevlucht hebt dan in Christus, weet dan dat Christus kan vergeven, omdat Hij eens gestraft is voor precies de zonde die u hebt begaan. Daarom kan Hij die vrij kwijtschelden, want de straf is volledig door Hemzelf gedragen.
Telkens wanneer ik bij dit onderwerp kom, kom ik in de verleiding een verhaal te vertellen. Al heb ik het velen van u al vaak genoeg laten horen, anderen hebben het nog nooit gehoord, en het is de eenvoudigste manier die ik ken om uiteen te zetten wat ik geloof over de verzoening van Christus. Op een keer kwam een arme Ier bij mij in de consistoriekamer. Hij stelde zich ongeveer zo voor: ‘Eerwaarde, ik kom u een vraag stellen.’ ‘In de eerste plaats,’ zei ik, ‘ben ik geen eerwaarde en maak ik geen aanspraak op die titel. En in de tweede plaats: waarom gaat u niet naar uw priester om hem die vraag te stellen?’ ‘Nou, eerw… mijnheer bedoel ik,’ zei hij, ‘ik ben wel naar hem toe gegaan, maar zijn antwoord stelde mij niet helemaal tevreden. Daarom kom ik het u vragen. Als u mij dit kunt beantwoorden, brengt u mijn hart tot rust, want ik ben er erg over in de war.’
‘Wat is de vraag?’ vroeg ik. ‘Nou, deze: u zegt, en anderen zeggen het ook, dat God zonde kan vergeven. Maar ik zie niet hoe Hij rechtvaardig kan zijn en toch zonde kan vergeven. Want,’ zei de arme man, ‘ik ben zo schuldig dat als de almachtige God mij niet straft, Hij het toch zou moeten doen. Ik voel dat Hij niet rechtvaardig zou zijn als Hij mij ongestraft liet gaan. Hoe kan het dan waar zijn, mijnheer, dat Hij kan vergeven en toch rechtvaardig blijft?’
‘Wel,’ zei ik, ‘dat is door het bloed en de verdiensten van Jezus Christus.’ ‘Ja,’ zei hij, ‘maar ik begrijp niet wat u daarmee bedoelt. Zo’n antwoord kreeg ik ook van de priester, maar ik wilde dat hij mij uitvoeriger zou uitleggen hoe het bloed van Christus maakt dat God rechtvaardig is. U zegt dat het zo is, maar ik wil weten hoe.’
‘Welnu,’ zei ik, ‘dan zal ik u vertellen wat volgens mij de hele leer van de verzoening is, die naar mijn mening de som en de kern, de wortel, het merg en het wezen van het Evangelie is.
Zo kan Christus vergeven. Stel,’ zei ik, ‘dat u iemand had gedood. U was een moordenaar, u was ter dood veroordeeld en u had het verdiend.’
‘Zeker,’ zei hij, ‘dan zou ik het verdiend hebben.’
‘Welnu, Hare Majesteit wil heel graag uw leven redden, maar tegelijk eist de algemene gerechtigheid dat iemand sterft vanwege de daad die gepleegd is. Hoe moet zij dat nu aanpakken?’
‘Dat is nu juist de vraag,’ zei hij. ‘Ik zie niet in hoe zij onbuigzaam rechtvaardig kan zijn en mij toch kan laten ontkomen.’
‘Welnu,’ zei ik, ‘stel, Pat, dat ik naar haar toe ging en zei: “Majesteit, hier is deze arme Ier; hij verdient het om opgehangen te worden. Ik wil niet twisten over het vonnis, want ik vind het rechtvaardig. Maar als het u behaagt: ik heb hem zo lief dat ik het heel graag zou willen als u mij in zijn plaats zou ophangen.” Pat, stel dat zij daarmee instemde en mij ophing in plaats van u, wat dan? Zou zij rechtvaardig zijn als zij u liet gaan?’
‘Ja,’ zei hij, ‘dat zou ik wel denken. Zou zij er twee ophangen voor één daad? Ik zou zeggen van niet. Ik zou weglopen, en er is geen agent die mij er een vinger voor zou durven aanraken.’
‘Ziet u,’ zei ik, ‘zo verlost Jezus. “Vader,” zei Hij, “Ik heb deze arme zondaars lief; laat Mij in hun plaats lijden!”
“Ja,” zei God, “dat zult U.” En aan het hout stierf Hij en droeg Hij de straf die heel Zijn uitverkoren volk had moeten dragen. Daarom mogen nu allen die in Hem geloven, en zo bewijzen dat zij Zijn uitverkorenen zijn, de conclusie trekken dat Hij voor hen gestraft is, en dat zij dus nooit gestraft kunnen worden.’
‘Nou,’ zei hij, terwijl hij mij nog eens aankeek, ‘ik begrijp wat u bedoelt. Maar als Christus voor alle mensen gestorven is, hoe komt het dan dat sommige mensen toch nog gestraft worden? Want dat is onrechtvaardig.’ ‘Ach,’ zei ik, ‘dat heb ik u nooit gezegd. Ik zeg u dat Hij gestorven is voor allen die in Hem geloven en voor allen die zich bekeren, en dat Hij voor hun zonden zo volkomen en zo werkelijk gestraft is, dat niemand van hen ooit opnieuw gestraft zal worden.’ ‘Waarachtig,’ zei de man, terwijl hij in zijn handen klapte, ‘dat is het Evangelie! Als het dat niet is, dan weet ik niets meer, want geen mens zou dat hebben kunnen bedenken; het is zo wonderlijk.’
‘Ach,’ zei hij, toen hij de trap afging, ‘nu is Pat veilig. Met al zijn zonden zal hij vertrouwen op de Man Die voor hem gestorven is, en zo zal hij zalig worden.’ Geliefde hoorder, Christus is machtig te verlossen, omdat God het zwaard niet afwendde, maar het in het hart van Zijn eigen Zoon stak. Hij schold de schuld niet zomaar kwijt, want die werd betaald met druppels kostbaar bloed. En nu is de grote kwitantie aan het kruis genageld, en onze zonden daarmee, zodat wij vrijuit mogen gaan als wij in Hem geloven. Daarom is Hij ‘machtig te verlossen’ in de ware zin van het woord.
Maar ook in de ruime zin van het woord, waarin het alles omvat wat het volgens mij betekent, is Hij ‘machtig te verlossen’. Hoe komt het dat Christus mensen tot bekering kan brengen, hen kan laten geloven en hen tot God kan doen terugkeren? Iemand antwoordt: ‘Wel, door de welsprekendheid van predikers.’ God verhoede dat wij dat ooit zouden zeggen! Het is ‘niet door kracht noch door geweld’. Een ander antwoordt: ‘Door de kracht van zedelijke overreding.’ God verhoede dat wij daar ja op zouden zeggen, want zedelijke overreding is al lang genoeg op de mens beproefd, en toch heeft ze geen succes gehad.
Hoe doet Hij het dan? Wij antwoorden: door iets wat sommigen van u verachten, maar wat toch een feit is. Hij doet het door de almachtige invloed van Zijn goddelijke Geest. Terwijl mensen het Woord horen, werkt de Heilige Geest (in hen die God wil verlossen) bekering; Hij verandert het hart en vernieuwt de ziel. De prediking is weliswaar het middel, maar de Heilige Geest is de grote Werker. Het staat vast dat de waarheid het middel tot verlossing is, maar het is de Heilige Geest Die de waarheid toepast en zo de zielen redt.
Ja, met deze kracht van de Heilige Geest kunnen wij naar de meest verdorven en verlaagde mensen gaan zonder te vrezen dat God hen niet zou kunnen verlossen. Als het God behaagde, kon de Heilige Geest op dit ogenblik ieder van u op de knieën doen vallen, uw zonden doen belijden en u tot God doen terugkeren. Hij is een almachtige Geest, Die wonderen kan doen. In het leven van Whitefield lezen wij dat soms onder één van zijn preken tweeduizend mensen tegelijk belijdenis deden dat ze verlost waren, en velen van hen waren dat ook werkelijk.
Wij vragen hoe dat kwam. Op andere momenten preekte hij net zo krachtig, en werd er niet één ziel behouden. Waarom? Omdat in het ene geval de Heilige Geest met het Woord meeging, en in het andere geval niet. Alle hemelse vrucht van de prediking is te danken aan de goddelijke Geest, Die van boven gezonden wordt. Ik ben niets; mijn broeders in de bediening hier om mij heen zijn allemaal niets; het is God Die alles doet. ‘Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?’ Het moet zijn ‘niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest’, zegt de HEERE.
Ga dan heen, arme prediker! U hebt niet de gave om met verfijnde woorden en sierlijke beschaving te preken; ga en preek zoals u kunt. De Geest kan uw zwakke woorden machtiger maken dan de meest betoverende welsprekendheid. Helaas, helaas voor de redenaarskunst! Helaas voor de welsprekendheid! Ze is lang genoeg beproefd. Wij hebben verzorgde volzinnen en fraai gedraaide zinnen gehad, maar waar zijn er mensen door behouden? Wij hebben grootse en opzichtige taal gehad, maar waar zijn er harten door vernieuwd?
Maar nu behaagt het Hem ‘door de dwaasheid der prediking’, door de eenvoudige verkondiging van Gods Woord door een kind van God, ‘zalig te maken, die geloven’, en zondaars terug te brengen van de dwaling van hun wegen. Moge God Zijn Woord ook deze morgen weer waarmaken!
- Het vierde punt was: welke gevolgtrekkingen kunnen wij maken uit het feit dat Jezus Christus machtig is te verlossen?
Ten eerste is er een les voor predikers: zij moeten ernaar streven in geloof te prediken, niet twijfelende. ‘O God,’ roept de prediker soms uit als hij op zijn knieën ligt, ‘ik ben zwak. Ik heb voor mijn hoorders gepreekt en over hen geweend; ik heb om hen gezucht, maar zij willen zich niet tot U bekeren. Hun harten zijn als de onderste molensteen; zij willen niet wenen over de zonde en zij willen de Zaligmaker niet liefhebben.’ Dan is het mij alsof ik de engel naast hem zie staan, die hem in het oor fluistert: ‘U bent zwak, maar Hij is sterk; u kunt niets doen, maar Hij is machtig te verlossen.’ Bedenk dat goed. Het gaat niet om het werktuig, maar om God. Niet de pen waarmee de schrijver schrijft, krijgt de lof voor zijn wijsheid of voor het maken van het boek, maar het brein dat het bedenkt en de hand die de pen beweegt. Zo is het ook bij de verlossing. Het is niet de dienaar, niet de prediker, maar God Die eerst de verlossing ontwerpt en daarna de prediker gebruikt om haar uit te werken.
Ach, arme, ontmoedigde prediker, als u maar weinig vrucht op uw bediening hebt gezien, ga dan toch in geloof voort, en bedenk dat er geschreven staat: ‘Het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.’ Ga voort, wees moedig; God zal u helpen, Hij zal u helpen, en dat zeer spoedig.
Verder is hier nog een bemoediging voor biddende mannen en vrouwen die God voor hun vrienden aanroepen. Moeder, u zucht al jarenlang om uw zoon. Hij is nu volwassen en heeft uw huis verlaten, maar uw gebeden zijn niet verhoord. Zo denkt u er tenminste over. Hij is even lichtzinnig als altijd; nog nooit heeft hij uw hart blij gemaakt. Soms denkt u dat hij uw grijze haren met droefenis in het graf zal doen neerdalen. Gisteren nog zei u: ‘Ik geef hem op, ik zal nooit meer voor hem bidden.’ Stop, moeder, stop! Om alles wat heilig en hemels is: stop! Spreek dat besluit niet opnieuw uit; begin opnieuw! U hebt voor hem gebeden; u hebt over zijn kinderhoofdje geweend toen hij in de wieg lag; u hebt hem onderwezen toen hij tot verstand kwam, en u hebt hem sindsdien vaak gewaarschuwd, maar het heeft allemaal niets uitgehaald. O, geef uw gebeden niet op, want bedenk: Christus is ‘machtig te verlossen’. Misschien wacht Hij om genadig te zijn, en laat Hij u wachten, opdat u meer van Zijn genade zult kennen wanneer de ontferming komt. Maar blijf bidden.
Ik heb gehoord van moeders die twintig jaar voor hun kinderen hebben gebeden, ja, en van sommigen die gestorven zijn zonder hen bekeerd te zien. En toen is juist hun dood het middel geweest om hun kinderen te redden, doordat die erdoor tot nadenken kwamen. Er was eens een vader die al vele jaren een godvrezend man was, maar die nooit het geluk had gehad een van zijn zonen bekeerd te zien. Toen hij stervende was, had hij zijn kinderen om zijn bed en zei hij tegen hen: ‘Mijn zonen, ik zou in vrede kunnen sterven als ik maar kon geloven dat jullie mij naar de hemel zouden volgen. Maar dit is het droevigste van alles: niet dat ik sterf, maar dat ik jullie achterlaat om jullie nooit meer te ontmoeten.’ Zij keken hem aan, maar ze wilden niet over hun wegen nadenken. Ze gingen weg. Hun vader werd plotseling overvallen door grote wolken en duisternis van geest. In plaats van vredig en gelukkig te sterven, stierf hij in grote zielsnood, maar nog altijd vertrouwend op Christus. Toen hij stierf, zei hij: ‘Och, was ik maar een blijde dood gestorven, want dat zou een getuigenis voor mijn zonen zijn geweest. Maar nu, o God, hebben deze duisternis en deze wolken mij voor een deel de kracht ontnomen om van de waarheid van Uw godsdienst te getuigen.’
Hij stierf dus en werd begraven. De zonen kwamen naar de begrafenis. De dag daarna zei een van hen tegen zijn broer: ‘Broer, ik heb nagedacht. Vader was altijd een godvrezend man, en als zelfs zijn dood zo somber was, hoe somber moet de onze dan zijn, zonder God en zonder Christus!’ ‘Ach,’ zei de ander, ‘die gedachte trof mij ook.’ Ze gingen naar Gods huis, hoorden Gods Woord, kwamen thuis en bogen hun knieën in gebed. Tot hun verrassing ontdekten ze dat de rest van het gezin hetzelfde had gedaan, en dat de God Die het gebed van hun vader tijdens zijn leven nooit had verhoord, het na zijn dood had verhoord, en zelfs door zijn dood, en door een dood die het minst geschikt leek om iemand tot bekering te brengen. Blijf dus bidden, mijn zuster; blijf bidden, mijn broeder! God zal uw zonen en dochters nog tot Zijn liefde en vreze brengen, en u zult u in de hemel over hen verblijden, ook als u dat op aarde nooit doet.
En ten slotte, mijn geliefde hoorders: er zijn velen van u hier deze morgen die geen liefde tot God en geen liefde tot Christus hebben, maar u hebt wel een verlangen in uw hart om Hem lief te hebben. U zegt: ‘O, kan Hij mij verlossen? Kan zo’n ellendeling als ik verlost worden?’ Daar staat u midden in de menigte, en nu zegt u bij uzelf: ‘Mag ik ooit zingen onder de heiligen daarboven? Mogen al mijn zonden uitgewist worden door het goddelijk bloed?’
Ja, zondaar, Hij is ‘machtig te verlossen’, en dat is uw troost. Denkt u dat u de ergste van alle mensen bent? Slaat uw geweten u als met een geharnaste vuist, en zegt het dat het met u gedaan is, dat u verloren zult gaan, dat uw berouw niets zal baten, dat uw gebeden nooit verhoord zullen worden, dat u in elk opzicht verloren bent? Mijn hoorder, denk dat niet. Hij is ‘machtig te verlossen’. Als u niet kunt bidden, kan Hij u helpen het te doen. Als u zich niet kunt bekeren, kan Hij u bekering geven. Als u het moeilijk vindt om te geloven, kan Hij u helpen geloven, want Hij is verhoogd om ‘bekering en vergeving der zonden’ te geven.
O, arme zondaar, vertrouw op Jezus; werp uzelf op Hem. Roep, en moge God u helpen het nu te doen, op deze eerste zondag van het jaar. Moge Hij u helpen om vandaag nog uw ziel op Jezus te werpen; dan zal dit een van de beste jaren van uw hele leven worden. ‘Bekeert u, bekeert u …; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?’ Keert u tot Jezus, vermoeide zielen; kom tot Hem, want zie, Hij nodigt u te komen. ‘En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet’, en ontvang de genade van Christus om niet. Ze wordt u gepredikt, en aan allen van u die gewillig zijn haar te ontvangen, is ze al gegeven.
Moge God u uit Zijn genade gewillig maken en zo uw ziel verlossen, door Jezus Christus, onze Heere en Zaligmaker. Amen.
Preek nr. 111 · Gehouden in de Music Hall, Royal Surrey Gardens, Londen, zondagmorgen 4 januari 1857, New Park Street Pulpit deel 3. Oorspronkelijke titel: “A Mighty Saviour”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


