“En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken; daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.”—Handelingen 4:29-30
Lees verder: Lukas 2:1-20.
Laten we ons verwonderen over Zijn nederbuigen. Het is het grootste wonder dat we ooit gehoord of gelezen hebben: “het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond” (Johannes 1:14). Dat God een schepsel uit het niets zou maken, is zeker al een wonderlijke openbaring van kracht. Maar dat God in Zijn eigen schepping zou treden en die innig zou verenigen met Zijn eigen natuur, is de vreemdste van alle daden van neerbuigende liefde. Zo wonderlijk is het, dat we in alle heidense mythologieën verhalen vinden van goden die in de gedaante van een mens verschijnen, hoewel zij als vreemde wezens werden voorgesteld. Toch vinden we nooit iets dat lijkt op de mystieke verbinding tussen de twee naturen van Christus. Menselijke wijsheid is zelfs op haar gelukkigste momenten nooit gestegen tot de gedachte dat de Godheid de menselijke natuur zou omhelzen opdat mensen verlost zouden worden. Voor u en mij ligt het wonder in het motief dat tot de menswording leidde. Wat een ongeëvenaarde, onbeschrijfelijke en onuitsprekelijke liefde is dit: dat Christus de heerlijkheid van de Vader verliet en een mens werd zoals wij, om te lijden, te bloeden en te sterven! Hij werd gezien door de engelen, zegt de apostel. Dat was een groot wonder, want de engelen hadden Hem voor Zijn troon aanbeden, maar hun geschapen ogen konden de helderheid van Zijn persoon niet verdragen. Ze bedekten hun gezicht met hun vleugels terwijl ze riepen: “Heilig! Heilig! Heilig!” Maar nu zagen de engelen de Zoon van God liggen in een kribbe! De Heere van alles, worstelend met een gevallen geest in de woestijn! De Vredevorst, hangend aan het kruis op Golgotha.
Ter overdenking
Overdenk het wonder van Christus in het vlees. Het onbegrijpelijke is mens geworden (Wesley). In Zijn vlees werd Zijn Godheid gezien (Johannes 1:14). In Zijn vlees stierf Hij (Romeinen 8:3; 1 Petrus 2:24; 4:1). En in Zijn vlees was de verlossing verzekerd voor gelovige zondaars (Kolossenzen 1:21-22; Hebreeën 2:14-15; 1 Petrus 3:18).

