“Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast? Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt?”—Zacharia 7:5-6
Lees verder: 1 Korinthe 11:19-22.
Is het niet waar dat sommigen van u de rustdag en het gebedshuis niet gebruiken om de Heere te ontmoeten? Daar zijn de rustdag en het gebedshuis voor bedoeld. Er was eens een man die zei dat hij veel van zijn vriend hield en daarom een dag met hem wilde doorbrengen. Hij klopte op de deur, maar de knecht zei dat zijn meester niet thuis was. “Dat maakt niet uit,” zei hij, “ik wacht wel rustig binnen. Geef me maar veel eten en drinken, dat is goed, ook al is uw meester niet thuis.” Zo ging hij naar binnen en maakte het zich erg gemakkelijk. Hij smulde tot zijn hart tevreden was. Toen ging hij weer naar huis en vertelde hoe hij van het bezoek had genoten. Zijn vrienden vroegen hem: “Was uw vriend er ook?” “Oh, nee, die was er niet.” “Maar ik dacht dat u hem wilde ontmoeten?” Hij deed alsof hij zijn vriend wilde ontmoeten, maar blijkbaar was dat niet waar. Als hij zijn vriend had willen zien, zou hij hebben gezegd: “Ik heb mijn doel gemist, ik probeer het een andere keer nog eens.” Zo gaan sommige mensen naar Gods huis. Ze denken dat ze daarheen gaan om de Heere te aanbidden. Ze genieten niet van Zijn aanwezigheid. Ze hebben geen gemeenschap met Zijn Zoon en de Geest komt niet over hen, maar ze genieten wel van die dag. Dit laat zien dat ze niet gaan om God te aanbidden. Als we hen zouden vragen: “Hebt u werkelijk voor de Heere gevast?”, dan zou hun antwoord moeten zijn: “Nee, we hebben alleen aan onszelf gedacht, we hebben de aanwezigheid van de Meester niet gezocht.”
Ter overdenking
Alles in ons leven moet een offer van aanbidding zijn voor de Heere (Romeinen 11:36-12:1). Ontmoet u Hem echt wanneer u met Hem spreekt, van Hem zingt en luistert naar Zijn Woord, of speelt u een bijgelovig religieus spelletje? God aanvaardt geen lippendienst (Jesaja 29:13; Amos 5:21-23).
Preek 438, 9 maart 1862

