In sommige gevallen mag dat zelfs beslist niet, bijvoorbeeld bij vrouwen, van wie het openbare onderwijzen uitdrukkelijk verboden is (1 Timotheüs 2:12; 1 Korinthe 14:34). Maar als wij de gave hebben om te preken, zijn wij verplicht haar te gebruiken. In deze lezing doel ik echter niet op het preken bij gelegenheid of op een andere vorm van dienst die alle heiligen gemeen hebben. Ik doel op het werk en het ambt van de opziener, waartoe zowel het onderwijzen als het regeren in de gemeente behoort. Dat ambt vraagt dat een man zijn hele leven aan het geestelijke werk wijdt en zich losmaakt van elk wereldlijk beroep (2 Timotheüs 2:4). Het geeft hem ook het recht om voor zijn tijdelijk levensonderhoud op de gemeente van God te steunen, omdat hij al zijn tijd, krachten en inspanningen geeft ten goede van hen over wie hij gesteld is (1 Korinthe 9:11; 1 Timotheüs 5:18). Zo iemand spreekt Petrus aan met de woorden: “Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover” (1 Petrus 5:2).
Nu kan niet iedereen in een gemeente opzicht houden of regeren. Er moeten ook mensen zijn over wie opzicht gehouden wordt en die geregeerd worden. Wij geloven dat de Heilige Geest in de gemeente van God sommigen aanstelt om als opzieners te dienen, terwijl anderen gewillig gemaakt worden om tot hun eigen welzijn onder toezicht te staan. Niet allen zijn geroepen om te arbeiden in het Woord en de leer, om ouderling te zijn of om het ambt van opziener te bekleden. Ook moeten niet allen naar dat werk streven, want de gaven die ervoor nodig zijn, worden nergens aan allen beloofd. Alleen zij moeten zich aan deze gewichtige taken wijden die, zoals de apostel, voelen dat zij “deze bediening hebben” (2 Korinthe 4:1). Niemand mag als onderherder de schaapskooi binnendringen. Hij moet het oog gericht houden op de overste Herder en op Zijn wenk en bevel wachten. Voordat een man als gezant van God optreedt, moet hij wachten op de roeping van boven. Doet hij dat niet, maar stormt hij het heilige ambt binnen, dan zal de Heere van hem en anderen zoals hij zeggen: “Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE” (Jeremia 23:32).
Als u het Oude Testament naslaat, ziet u dat de boodschappers van God onder de oude bedeling zich erop beriepen dat zij hun opdracht van Jehova hadden. Jesaja vertelt ons dat een van de serafs zijn lippen aanraakte met een gloeiende kool van het altaar, en dat de stem van de Heere zei: “Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan?” (Jesaja 6:8). Toen zei de profeet: “Zie, hier ben ik, zend mij henen.” Hij liep niet vooruit voordat de Heere hem zo in het bijzonder had bezocht en voor zijn zending had toegerust. De woorden “Hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?” waren nog niet uitgesproken, maar hun ernstige betekenis werd wel degelijk begrepen. Jeremia beschrijft zijn roeping in zijn eerste hoofdstuk: “Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende: Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld. Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE. En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond. Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten” (Jeremia 1:4-10). Naar de uiterlijke vorm anders, maar van dezelfde strekking was de opdracht van Ezechiël.
In zijn eigen woorden luidt zij zo: “En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken. Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Dien, Die tot mij sprak. En Hij zeide tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen Israels, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op dezen zelven huidigen dag” (Ezechiël 2:1-3). “Daarna zeide Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat gij vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Israels. Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honig, vanwege de zoetigheid. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga henen, kom tot het huis Israels, en spreek tot hen met Mijn woorden” (Ezechiël 3:1-4). Daniëls roeping tot profeteren wordt weliswaar niet beschreven, maar zij blijkt overvloedig uit de gezichten die hem geschonken werden en uit de buitengewone gunst die hij bij de Heere genoot, zowel in zijn eenzame overdenkingen als in zijn openbare daden. Het is niet nodig alle andere profeten de revue te laten passeren, want zij beriepen zich er allen op dat zij spraken met een “Zo zegt de HEERE”. In de huidige bedeling is het priesterschap gemeenschappelijk aan alle heiligen. Maar profeteren, of wat daarmee overeenkomt, namelijk door de Heilige Geest bewogen worden om zich geheel aan de verkondiging van het evangelie te wijden, is in feite de gave en de roeping van slechts een betrekkelijk klein aantal. Zij moeten toch zeker even vast overtuigd zijn van de rechtmatigheid van hun plaats als de profeten. En hoe kunnen zij hun ambt rechtvaardigen, als het niet is door een soortgelijke roeping?
Niemand hoeft zich ook in te beelden dat zulke roepingen louter zelfbedrog zijn en dat in deze tijd niemand meer wordt afgezonderd voor het bijzondere werk van het onderwijzen van en het opzicht houden over de gemeente. De namen die het Nieuwe Testament aan de dienaren geeft, veronderstellen immers al een voorafgaande roeping tot hun werk. De apostel zegt: “Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege.” Maar ligt het hart van het gezantschap niet juist in de aanstelling door de vorst die men vertegenwoordigt? Een gezant die door niemand gezonden is, zou een voorwerp van spot zijn. Mannen die zich gezanten van Christus durven te noemen, moeten met de diepste ernst beseffen dat de Heere het woord van de verzoening in hen heeft “gelegd” (2 Korinthe 5:18, 19). Werpt iemand tegen dat dit tot de apostelen beperkt is, dan antwoord ik dat de brief niet alleen in naam van Paulus geschreven is, maar ook in die van Timotheüs. Er is dus ook een andere bediening dan het apostelschap in begrepen. In de eerste brief aan de Korinthiërs lezen wij: “Alzo houde ons [met ‘ons’ zijn hier Paulus en Sosthenes bedoeld (1 Korinthe 1:1)] een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods” (1 Korinthe 4:1). Een rentmeester moet zijn ambt toch zeker van de Meester ontvangen. Hij kan geen rentmeester zijn alleen omdat hij dat zelf verkiest, of omdat anderen hem zo beschouwen. Als iemand van ons zichzelf tot rentmeester van de markies van Westminster zou benoemen en over diens bezittingen zou gaan beschikken, dan zou men ons onze vergissing razendsnel en op de meest overtuigende wijze laten inzien. Er moet dus kennelijk gezag zijn voordat iemand rechtmatig opziener kan worden, “een huisverzorger Gods” (Titus 1:7).
De titel engel in de Openbaring (Openbaring 2:1) betekent boodschapper. En hoe zouden mensen herauten van Christus kunnen zijn, als het niet is door Zijn verkiezing en aanstelling? Wordt betwist dat het woord engel op de predikant slaat, dan zouden wij graag aangetoond zien dat het op iemand anders kan slaan. Aan wie zou de Geest in de gemeente schrijven als aan haar vertegenwoordiger, als het niet was aan iemand in een positie die vergelijkbaar is met die van de voorzittende ouderling?
Titus kreeg de opdracht zijn bediening ten volle te bewijzen. Er was dus zeker iets te bewijzen. Van sommigen geldt: “die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid” (2 Timotheüs 2:21). De Meester mag de keuze van de vaten die Hij gebruikt niet worden ontzegd. Hij zal van bepaalde mannen nog altijd zeggen wat Hij zei van Saulus van Tarsen: “Deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen” (Handelingen 9:15). Toen onze Heere opvoer in de hoogte, heeft Hij de mensen gaven gegeven. Het is opmerkelijk dat die gaven mannen waren die voor verschillend werk werden afgezonderd: “En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars” (Efeze 4:11). Hieruit blijkt duidelijk dat bepaalde personen als vrucht van de hemelvaart van onze Heere als herders aan de gemeenten geschonken worden. Zij zijn door God gegeven en dus niet door zichzelf tot hun plaats verheven. Broeders, ik hoop dat u eens zult kunnen spreken over de kudde “over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft” (Handelingen 20:28). En ik bid dat ieder van u met de apostel van de heidenen zal kunnen zeggen dat uw bediening niet “van mensen” is, “noch door een mens”, maar dat u haar van de Heere ontvangen hebt (Galaten 1:1). Moge in u die oude belofte vervuld worden: “Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart” (Jeremia 3:15). “Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen” (Jeremia 23:4). Moge de Heere Zelf in ieder van u Zijn eigen woord vervullen: “O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen.” Moge van u gelden: “Zo gij het kostelijke van het snode uittrekt, zult gij als Mijn mond zijn” (Jeremia 15:19). Moge de Heere de reuk van de kennis van Jezus door u openbaar maken in alle plaatsen, en u maken tot “Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan” (2 Korinthe 2:15). Nu u een onschatbare schat in aarden vaten hebt, moge de uitnemendheid van de goddelijke kracht op u rusten. Zo zult u God verheerlijken en uzelf rein houden van het bloed van alle mensen. Zoals de Heere Jezus de berg opklom, tot Zich riep die Hij wilde en hen daarna uitzond om te prediken (Markus 3:13), zo moge Hij ook u uitkiezen. Moge Hij u naar boven roepen om met Hem gemeenschap te hebben, en u uitzenden als Zijn uitverkoren dienaren, tot zegen van de gemeente en van de wereld.
Hoe kan een jongeman weten of hij geroepen is of niet? Dat is een gewichtige vraag, en ik wil haar met alle ernst behandelen. Och, dat ik daarbij goddelijke leiding mocht hebben! Dat honderden hun weg gemist hebben en tegen een preekstoel zijn opgelopen, blijkt helaas maar al te duidelijk uit de vruchteloze bedieningen en de kwijnende gemeenten om ons heen. Het is een vreselijke ramp voor een man als hij zijn roeping mist. En voor de gemeente aan wie hij zich opdringt, betekent zijn vergissing een beproeving van de zwaarste soort. Het zou een merkwaardig en pijnlijk onderwerp van overdenking zijn: hoe vaak mensen die over hun verstand beschikken, zich vergissen in het doel van hun bestaan en dingen najagen waarvoor zij nooit bestemd waren. Wie de volgende regels schreef, moet toch wel veel slecht bezette preekstoelen voor ogen hebben gehad:
“Zeg, wijzen, of u ooit ontdekt
Onder de dieren van elke soort,
Van elke staat, aard en grootte,
Van walvis en olifant tot vlieg,
Een schepsel dat zijn doel miskent
En zo voortdurend dwaalt als de mens!
Elke soort zoekt haar eigen goed,
Zoekt vreugde, rust en voedsel,
Zoals de natuur wijst, en dwaalt nooit
In wat zij kiest of verkiest;
Alleen de mens blundert, hoewel hij
Verstand bezit ver boven de rest.
Neem maar voorbeelden en probeer:
Een os zal niet proberen te vliegen,
Of zijn weide in het bos verlaten
Om met de vissen de vloed te verkennen.
Alleen de mens, van alle schepselen,
Handelt tegen zijn eigen natuur in.”
Als ik denk aan het bijna oneindige kwaad dat kan voortkomen uit een vergissing in onze roeping tot het christelijke herdersambt, word ik overmand door de vrees dat iemand van ons zijn geloofsbrieven te laks zou onderzoeken. Ik zou liever hebben dat wij te veel twijfelden en te vaak onderzochten, dan dat wij de aarde onnuttig zouden beslaan. Het ontbreekt niet aan betrouwbare manieren waarop een man zijn roeping tot het predikambt kan toetsen, als hij dat ernstig wil. Hij is verplicht het predikambt niet in te gaan voordat hij zichzelf op dit punt plechtig onderzocht en beproefd heeft. Staat zijn eigen persoonlijke zaligheid vast, dan moet hij verder onderzoeken hoe het met zijn roeping tot het ambt staat. Het eerste is voor hem als christen van levensbelang, het tweede evenzeer voor hem als herder. Belijder zonder bekering of herder zonder roeping: het een is even erg als het ander. In beide gevallen is er een naam en niets meer.
1. Het eerste teken van de hemelse roeping is een intens, alles opeisend verlangen naar het werk. Bij een ware roeping tot het predikambt moet er een onweerstaanbaar, overweldigend verlangen zijn, een brandende dorst om anderen te vertellen wat God aan onze eigen ziel gedaan heeft. Zou ik het een soort στοργή mogen noemen, zoals vogels die kennen om hun jongen groot te brengen als het seizoen daar is, wanneer de moedervogel liever zou sterven dan haar nest te verlaten? Iemand die Alleine van nabij kende, zei van hem dat hij “oneindig en onverzadigbaar begerig was naar de bekering van zielen”. Toen hij een fellowship aan zijn universiteit had kunnen krijgen, koos hij liever een betrekking als huispredikant, omdat hij “bezield was met ongeduld om zich direct met het werk van de bediening bezig te houden”. “Word geen predikant als u het kunt laten,” was de diepwijze raad van een godgeleerde aan iemand die hem om zijn oordeel vroeg.
Als een student in deze zaal tevreden zou kunnen zijn als krantenredacteur, kruidenier, boer, arts, advocaat, senator of koning, laat hem dan in de naam van hemel en aarde zijn weg gaan. Hij is niet de man in wie de Geest van God in Zijn volheid woont. Want een man die zo van God vervuld is, zou van elke bezigheid volkomen genoeg krijgen, behalve van die waarnaar zijn diepste ziel hijgt. Kunt u daarentegen zeggen dat u voor alle rijkdom van Oost- en West-Indië geen ander beroep zou kunnen of durven kiezen als u daardoor van de prediking van het evangelie van Jezus Christus zou worden afgehouden? Dan hebt u, reken daar maar op, de tekenen van dit apostelschap, mits de andere dingen even bevredigend zijn. Wij moeten voelen dat het wee ons is als wij het evangelie niet verkondigen. Het woord van God moet voor ons zijn als een brandend vuur, besloten in onze beenderen. Anders zullen wij, als wij het predikambt op ons nemen, er ongelukkig in zijn. Dan zullen wij de zelfverloochening die erbij hoort niet kunnen dragen en zullen wij weinig nut hebben voor hen onder wie wij dienen. Ik spreek van zelfverloochening, en terecht, want het werk van de ware herder staat er vol van. Zonder liefde voor zijn roeping zal hij spoedig bezwijken. Dan geeft hij het geploeter op, of hij sjokt ontevreden verder, gebukt onder een eentonigheid die even afmattend is als die van een blind paard in een rosmolen.
“Er ligt een troost in de kracht van de liefde;
Zij maakt draaglijk wat anders
Het hart zou breken.”
Omgord met die liefde zult u onverschrokken zijn. Ontdaan van die meer dan magische gordel van een onweerstaanbare roeping zult u wegkwijnen in ellende. Dit verlangen moet doordacht zijn. Het mag geen plotselinge opwelling zijn zonder zorgvuldige overweging. Het moet opkomen uit ons hart in zijn beste ogenblikken, het doel zijn van ons eerbiedig verlangen en het onderwerp van onze vurigste gebeden. Het moet blijven wanneer verleidelijke aanbiedingen van rijkdom en gemak ermee in botsing komen. En het moet standhouden als een kalm, helder besluit, nadat alles op zijn juiste waarde geschat is en de kosten grondig overrekend zijn. Toen ik als kind bij mijn grootvader op het platteland woonde, zag ik eens een troep jagers in rode jassen achter een vos aan door zijn velden rijden. Ik was verrukt! Mijn kleine hart klopte van opwinding; ik wilde de honden wel volgen over heg en sloot. Ik heb altijd een natuurlijke voorliefde voor dat soort dingen gehad, en als men mij als kind vroeg wat ik wilde worden, zei ik meestal dat ik jager zou worden. Een mooi beroep, inderdaad! Veel jonge mannen denken over dominee worden zoals ik over jager worden dacht. Het is een kinderlijk idee: zij zouden de jas en het hoorngeschal wel willen hebben, de eer, het aanzien, het gemak. En vermoedelijk zijn zij zelfs dwaas genoeg om ook aan de rijkdommen van het ambt te denken. (Onwetende wezens moeten het zijn, als zij in de bediening bij de baptisten naar rijkdom zoeken!) Voor zwakke geesten heeft het predikambt een grote aantrekkingskracht. Daarom waarschuw ik alle jonge mannen met klem een gril niet voor inspiratie te houden, en een kinderlijke voorkeur niet voor een roeping van de Heilige Geest. Let er goed op dat het verlangen waarover ik gesproken heb, volkomen onbaatzuchtig moet zijn. Als een man na het ernstigste zelfonderzoek in zijn streven naar het opzienersambt een ander motief ontdekt dan de eer van God en het heil van zielen, kan hij er beter direct van afzien. Want de Heere zal er een afschuw van hebben als men kopers en verkopers in Zijn tempel brengt. Elk winstbejag, hoe gering ook, zal zijn als de dode vlieg in de zalf, en alles bederven.
Dit verlangen moet blijvend zijn: een hartstocht die de beproeving doorstaat, een verlangen waaraan wij onmogelijk kunnen ontkomen, ook al hebben wij het geprobeerd. Het moet zelfs een verlangen zijn dat met de jaren sterker wordt, tot het een smachten, een kwijnen, een hongeren wordt om het Woord te verkondigen. Dit vurige verlangen is iets zo edels en schoons dat ik, wanneer ik het in het hart van een jongeman zie gloeien, altijd aarzel om hem te ontmoedigen, ook al heb ik mijn twijfels over zijn bekwaamheden. Om redenen die ik u verderop zal noemen, kan het nodig zijn de vlam te temperen, maar dat moet altijd met tegenzin en met wijsheid gebeuren. Ik heb zo’n diepe eerbied voor dit “vuur in de beenderen” dat ik het predikambt direct zou moeten verlaten als ik het zelf niet voelde. Voelt u die geheiligde gloed niet, dan smeek ik u: ga naar huis en dien God in de kring waar u thuishoort. Maar als de jeneverkolen werkelijk in u gloeien, smoor ze dan niet, tenzij andere overwegingen van groot gewicht u duidelijk maken dat het verlangen geen vuur van hemelse oorsprong is.
2. In de tweede plaats moet er, samen met het ernstige verlangen om herder te worden, bekwaamheid zijn om te onderwijzen en een zekere mate van de andere eigenschappen die nodig zijn voor het ambt van openbaar leraar. Om zijn roeping te bewijzen moet een man deze met goed gevolg op de proef stellen. Ik beweer niet dat iemand die voor het eerst opstaat om te spreken, al zo goed moet preken als Robert Hall in zijn latere jaren. Preekt hij niet slechter dan die grote man in het begin, dan mag men hem niet veroordelen. U weet dat Robert Hall driemaal volledig is vastgelopen en toen uitriep: “Als dit mij niet nederig maakt, dan niets.” Sommige van de edelste sprekers waren in hun beginjaren niet de welbespraaktste. Zelfs Cicero had aanvankelijk last van een zwakke stem en moeite met spreken. Toch moet niemand denken dat hij geroepen is om te preken voordat hij bewezen heeft dat hij kan spreken. God heeft de behemoth zeker niet geschapen om te vliegen. En als de leviathan een sterk verlangen zou hebben om met de leeuwerik op te stijgen, zou dat duidelijk een onverstandig streven zijn, want hij heeft geen vleugels. Is iemand geroepen om te preken, dan zal hij een zekere spreekgave ontvangen, die hij zal ontwikkelen en vergroten. Is de gave van het woord er in het begin niet in enige mate, dan zal zij zich waarschijnlijk nooit ontwikkelen.
Ik heb gehoord van een heer die een heel sterk verlangen had om te preken en bij zijn predikant bleef aandringen, tot hij na talloze afwijzingen toestemming kreeg een proefpreek te houden. Die gelegenheid maakte een einde aan zijn aandringen. Want toen hij zijn tekst had opgegeven, merkte hij dat hij op één na al zijn gedachten kwijt was. Die ene sprak hij met gevoel uit, en daarna kwam hij de kansel af. “Mijn broeders,” zei hij, “als iemand van u denkt dat preken gemakkelijk is, raad ik u aan hier boven te komen staan en u alle verwaandheid te laten ontnemen.” Als u de nodige bekwaamheid niet hebt, zal een proef van uw vermogens u uw tekort veelal wel laten zien. Ik weet niets beters. Wij moeten onszelf hierin een eerlijke kans geven, anders kunnen wij niet zeker weten of God ons geroepen heeft of niet. En in die proeftijd moeten wij ons vaak afvragen of wij, alles bij elkaar genomen, kunnen hopen anderen met zulke preken te stichten.
Wij moeten echter veel meer doen dan het aan ons eigen geweten en oordeel voorleggen, want wij zijn slechte rechters. Een bepaald soort broeders heeft er een groot talent voor om te ontdekken dat zij in hun redevoeringen op wonderlijke wijze door God geholpen zijn. Ik zou hun die heerlijke vrijmoedigheid en zelfvoldaanheid benijden als daar enige grond voor was. Want helaas moet ik maar al te vaak klagen en treuren over mijn gebrek aan succes en mijn tekortkomingen als spreker. Op ons eigen oordeel kunnen wij niet veel bouwen, maar van verstandige, geestelijk gezinde mensen valt veel te leren. Het is beslist geen wet die voor iedereen moet gelden, maar toch is het in veel van onze plattelandsgemeenten een goed oud gebruik dat de jongeman die naar het predikambt streeft, voor de gemeente preekt. Voor de jonge kandidaat zal dat nauwelijks ooit een erg aangename beproeving zijn, en in veel gevallen voor de gemeente ook geen erg stichtelijke oefening. Toch kan het een heel heilzame tucht blijken, die voorkomt dat een schreeuwende onwetendheid openlijk tentoongesteld wordt. In het kerkboek van Arnsby staat de volgende aantekening: Een kort verslag van de roeping van Robert Hall junior tot het werk van de bediening door de gemeente te Arnsby, 13 augustus 1780.
“De genoemde Robert Hall is geboren te Arnsby op 2 mei 1764. Al van kindsbeen af was hij niet alleen ernstig en gaf hij zich over aan het verborgen gebed nog voordat hij duidelijk kon spreken, maar ook was hij altijd geheel gericht op het werk van de bediening. Hij begon gezangen te dichten toen hij nog geen zeven jaar oud was en liet daarin tekenen zien van godsvrucht, diepe gedachten en genialiteit. Tussen zijn achtste en negende jaar maakte hij verscheidene gezangen die door velen heel bewonderd werden. Een daarvan werd in die tijd in het Gospel Magazine gedrukt. Hij schreef zijn gedachten op over allerlei godsdienstige onderwerpen en over uitgekozen gedeelten van de Schrift. Ook had hij een sterke neiging tot leren, en hij maakte zulke vorderingen dat de dorpsschoolmeester bij wie hij in de leer was, hem niets meer kon bijbrengen. Toen werd hij naar de kostschool te Northampton gestuurd, onder de hoede van ds. John Ryland. Daar bleef hij ongeveer anderhalf jaar en maakte hij grote vorderingen in het Latijn en het Grieks. In oktober 1778 ging hij naar de Academie te Bristol, onder de hoede van ds. Evans. Op 13 augustus 1780 werd hij door deze gemeente tot de bediening uitgezonden, zestien jaar en drie maanden oud. De gemeente raakte overtuigd van zijn bekwaamheid voor het grote werk doordat hij op de onderlinge samenkomsten bij toerbeurt sprak over verschillende gedeelten van de Schrift. Daarin, en in het gebed, had hij al meer dan vier jaar zijn aandeel gehad. Ook had hij, als hij thuis was, op haar verzoek dikwijls op de zondagmorgen gepreekt, tot haar grote voldoening. Daarom verzocht de gemeente dringend en eenstemmig dat hij op plechtige wijze voor het openbare werk zou worden afgezonderd.
Dienovereenkomstig werd hij op de genoemde dag door zijn vader ten overstaan van de gemeente ondervraagd over zijn neiging, zijn beweegredenen en zijn doel met betrekking tot de bediening. Ook werd hem gevraagd een verklaring van zijn geloofsovertuiging af te leggen. Toen dit alles tot volle tevredenheid van de gemeente gedaan was, zonderde zij hem af door het opheffen van de rechterhand en door plechtig gebed. Daarna hield zijn vader een toespraak tot hem over 2 Timotheüs 2:1: ‘Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is.’ Zo uitgezonden, preekte hij ’s middags over 2 Thessalonicenzen 1:7, 8. ‘Moge de Heere hem zegenen en hem grote vrucht schenken!’”[2]
Aan het oordeel van mannen en vrouwen die dicht bij God leven, moet veel gewicht worden toegekend, en in de meeste gevallen zal hun uitspraak niet onjuist zijn. Toch is dit beroep niet beslissend of onfeilbaar, en het weegt alleen zo zwaar als het verstand en de godsvrucht van wie men raadpleegt. Ik weet nog goed hoe ernstig ik van het preken werd afgeraden door een christelijke matrone, zo godvrezend als er ooit een geleefd heeft. Ik heb geprobeerd de waarde van haar mening eerlijk en geduldig te wegen, maar het oordeel van mensen met een ruimere ervaring woog zwaarder. Jongemannen die twijfelen, doen er goed aan hun wijste vrienden mee te nemen wanneer zij de volgende keer naar de kapel op het platteland of de samenkomstzaal in een dorp gaan om te proberen het Woord te brengen. Ik heb opgemerkt, en onze eerbiedwaardige vriend de heer Rogers heeft hetzelfde gezien, dat u, heren studenten, als geheel in uw oordeel over elkaar zelden of nooit ongelijk hebt. Er is, het hele huis overziende, bijna nooit een geval geweest waarin de algemene mening van het hele college over een broeder onjuist was. Mensen zijn niet zo onbekwaam om zich een oordeel over elkaar te vormen als soms wordt gedacht. Omdat u elkaar ontmoet in de les, op het gebedsuur, in gesprekken en bij allerlei godsdienstige bezigheden, peilt u elkaar. Een verstandig man zal het oordeel van het huis niet licht naast zich neerleggen.
Ik zou dit punt niet afmaken als ik er niet aan toevoegde dat de bekwaamheid om te stichten en de gave om te onderwijzen alleen niet genoeg zijn. Er moeten nog andere talenten zijn om het beeld van de herder compleet te maken. Een gezond oordeel en degelijke ervaring moeten u onderrichten; vriendelijke omgangsvormen en liefdevolle genegenheid moeten u leiden; vastberadenheid en moed moeten zichtbaar zijn; en tederheid en medeleven mogen niet ontbreken. Bestuurlijke gaven om goed te regeren zijn even noodzakelijk als onderwijzende gaven om goed te leren. U moet geschikt zijn om leiding te geven, bereid om te verdragen en in staat om vol te houden. In genade moet u met kop en schouders boven de rest van het volk uitsteken, zodat u hun vader en raadsman kunt zijn. Lees zorgvuldig de vereisten voor een opziener in 1 Timotheüs 3:2-7 en in Titus 1:6-9. Als zulke gaven en genadegaven niet in u zijn en niet overvloedig aanwezig zijn, kunt u misschien slagen als evangelist, maar als herder zult u niets voorstellen.
3. Om de roeping van een man verder te bewijzen moet hij, na enige oefening van zijn gaven zoals ik die al besproken heb, ook een zekere mate van bekeringswerk onder zijn arbeid zien. Anders mag hij concluderen dat hij zich vergist heeft, en kan hij zo goed mogelijk terugkeren. Wij mogen niet verwachten dat wij bij de eerste of zelfs de twintigste keer dat wij in het openbaar optreden, al van succes zullen horen. Een man kan zichzelf zelfs zijn leven lang de tijd geven om het preken te beproeven, als hij zich daartoe geroepen voelt. Maar mij dunkt dat zijn opdracht als iemand die tot de bediening afgezonderd moet worden, ongezegeld is zolang er door zijn werk geen zielen tot de kennis van Jezus gewonnen zijn. Als werker moet hij doorwerken, of hij nu succes heeft of niet. Maar als dienaar van het Woord kan hij niet zeker zijn van zijn roeping voordat er vruchten zichtbaar zijn. Wat sprong mijn hart op van vreugde toen ik het bericht hoorde van mijn eerste bekeerling!
Een volle kerk en de vriendelijke woorden van vrienden konden mij nooit tevredenstellen. Ik verlangde te horen dat harten gebroken waren, dat men tranen had zien stromen uit de ogen van boetvaardigen. Wat verheugde ik mij, als iemand die een grote buit vindt, over een arme arbeidersvrouw die beleed dat zij de schuld van de zonde voelde en onder mijn preek op een zondagmiddag de Zaligmaker had gevonden. Het huisje waarin zij woonde, zie ik nog voor mij. Geloof mij, het lijkt mij altijd een schilderachtig plekje. Ik weet nog goed hoe zij in de gemeente werd opgenomen, hoe zij stierf en hoe zij naar huis ging, naar de hemel. Zij was het eerste zegel op mijn bediening, en, dat verzeker ik u, een heel kostbaar zegel. Nooit was een moeder gelukkiger bij het zien van haar eerstgeboren zoon. Toen had ik de lofzang van de maagd Maria kunnen zingen. Want mijn ziel maakte de Heere groot, omdat Hij mijn nederheid had aangezien en mij de grote eer gaf een werk te doen waarom al de geslachten mij zalig zouden spreken. Zo zag ik de bekering van één ziel. In uw ongeregelde arbeid moet er een zekere mate van bekeringswerk zijn, voordat u kunt geloven dat het preken uw levenswerk moet worden.
Denk aan de woorden van de Heere door de profeet Jeremia. Zij zijn hier heel treffend en zouden alle vruchteloze predikers moeten doen schrikken: “Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd. Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen” (Jeremia 23:21, 22). Het is mij een raadsel hoe mannen jaar na jaar rustig kunnen blijven preken zonder dat er bekeringen zijn. Hebben zij dan geen innerlijke ontferming voor anderen? Geen besef van hun eigen verantwoordelijkheid? Durven zij, met een ijdel misbruik van Gods soevereiniteit, de schuld op hun Meester te werpen? Of geloven zij dat Paulus plant en Apollos natmaakt, maar dat God geen wasdom geeft? IJdel zijn hun talenten, hun wijsbegeerte, hun welsprekendheid en zelfs hun rechtzinnigheid, zonder de tekenen die daarop volgen. Hoe kunnen zij door God gezonden zijn als zij geen mensen tot God brengen?
Profeten wier woorden geen kracht hebben, zaaiers wier zaad helemaal verdort, vissers die geen vis vangen, soldaten die geen wonden toebrengen: zijn dat mannen van God? Het zou toch beter zijn modderschepper of schoorsteenveger te zijn dan als een volkomen onvruchtbare boom in het ambt te staan. Het geringste beroep is voor de mensheid nog van enig nut. Maar de ellendige man die een preekstoel bezet en zijn God nooit door bekeringen verheerlijkt, is een nul, een smet, een doorn in het oog, een onheil. Hij is het zout niet waard dat hij eet, laat staan zijn brood. En als hij naar de kranten schrijft om te klagen over zijn karige salaris, zou zijn geweten, als hij er een heeft, hem goed kunnen antwoorden: “En wat u wel krijgt, verdient u niet.” Er kunnen tijden van droogte komen. Ja, magere jaren kunnen de vroegere jaren van zegen opslokken, maar toch zal er over het geheel vrucht zijn, vrucht tot eer van God. En intussen zal de tijdelijke onvruchtbaarheid de ziel met onuitsprekelijke smart vervullen. Broeders, als de Heere u geen ijver voor zielen geeft, blijf dan bij uw leest of uw troffel, maar mijd de preekstoel, zo lief als u de vrede van uw hart en uw eeuwig heil zijn.
4. Toch is er in ons onderzoek nog een stap verder nodig. De wil van de Heere aangaande herders wordt bekendgemaakt door het biddende oordeel van Zijn gemeente. Als bewijs van uw roeping is het nodig dat uw prediking het volk van God aanspreekt. God opent gewoonlijk een deur van het woord voor hen die Hij roept om in Zijn Naam te spreken. Het ongeduld zou de deur openduwen of intrappen, maar het geloof wacht op de Heere en krijgt te zijner tijd zijn gelegenheid. Wanneer de gelegenheid komt, komt ook onze beproeving. Als wij opstaan om te preken, wordt onze geest door de vergadering beoordeeld. Wordt die veroordeeld, of wordt de gemeente in de regel niet gesticht, dan valt er niet te twisten over de conclusie dat wij niet door God gezonden zijn.
De tekenen en kenmerken van een ware opziener zijn in het Woord vastgelegd tot leiding van de gemeente. Als de broeders, die leiding volgend, de vereiste eigenschappen niet in ons zien en ons niet tot het ambt verkiezen, dan is het duidelijk genoeg dat het herdersambt niet voor ons is, hoe goed wij ook mogen evangeliseren. Niet alle gemeenten zijn wijs en niet alle oordelen zij in de kracht van de Heilige Geest; veel van hen oordelen naar het vlees. Toch aanvaard ik over een zo persoonlijke zaak als mijn eigen gaven en genade liever het oordeel van een schare uit het volk van de Heere dan mijn eigen oordeel. Hoe dan ook, of u nu waarde hecht aan het oordeel van de gemeente of niet, één ding is zeker: niemand van u kan herder worden zonder de liefdevolle instemming van de kudde. Daarom zal dit voor u een praktische aanwijzing zijn, ook al is het misschien geen onfeilbare. Als uw roeping van de Heere echt is, zult u niet lang hoeven te zwijgen. Zo zeker als de man zijn uur nodig heeft, zo zeker heeft het uur zijn man nodig. De gemeente van God heeft altijd dringend levende predikers nodig. Voor haar is een man altijd kostbaarder dan het goud van Ofir.
Formele ambtsdragers lijden gebrek en hongeren, maar de gezalfden van de Heere hoeven nooit zonder gemeente te zijn. Want er zijn scherpe oren die hen aan hun spreken herkennen, en bereidwillige harten die hen op de hun toegewezen plaats verwelkomen. Wees geschikt voor uw werk, en u zult nooit zonder werk zitten. Loop niet rond om uzelf hier en daar uit te nodigen om te preken. Maak u meer zorgen over uw bekwaamheid dan over uw gelegenheid, en wees nog ernstiger bezig met uw wandel met God dan met beide. De schapen zullen de door God gezonden herder kennen; de deurwachter van de schaapskooi zal voor u opendoen, en de kudde zal uw stem kennen.
Toen ik deze lezing voor het eerst hield, had ik de voortreffelijke brief van John Newton aan een vriend over dit onderwerp nog niet gelezen. Hij komt zo nauw overeen met mijn eigen gedachten dat ik u de brief zal voorlezen, op het gevaar af dat men mij voor een naprater houdt, wat ik in dit geval zeker niet ben:
“Uw geval doet mij denken aan het mijne. Mijn eerste verlangens naar de bediening gingen gepaard met grote onzekerheid en moeilijkheden, en de verwarring in mijn eigen gemoed werd nog vergroot door de uiteenlopende en tegenstrijdige oordelen van mijn vrienden. De raad die ik u kan geven, is de vrucht van pijnlijke ervaring en beproeving, en zal u daarom misschien niet onwelkom zijn. Ik bid onze genadige Heere dat Hij hem tot nut wil maken.
“Ik heb, net als u, lang in onrust verkeerd over de vraag wat wel en wat niet een ware roeping tot de bediening is. Nu lijkt mij dat een eenvoudig te beantwoorden vraag, maar misschien zal het voor u niet zo zijn, totdat de Heere het u in uw eigen geval duidelijk maakt. Ik heb niet de ruimte om zoveel te zeggen als ik zou kunnen. In het kort meen ik dat zij vooral drie dingen omvat:
“1. Een warm en ernstig verlangen om in deze dienst gebruikt te worden. Ik meen dat de man die eenmaal door de Geest van God tot dit werk bewogen is, het, als het voor hem bereikbaar is, zal verkiezen boven duizenden aan goud en zilver. Ook al wordt hij soms afgeschrikt door het besef van het gewicht en de moeilijkheid ervan, vergeleken met zijn eigen grote ontoereikendheid, toch kan hij het niet opgeven. (Men mag immers aannemen dat een roeping van deze aard, als zij werkelijk van God is, gepaard zal gaan met nederigheid en zelfvernedering.) Ik houd het voor een goede regel om op dit punt na te gaan of het verlangen om te preken het vurigst is wanneer wij het levendigst en het meest geestelijk gestemd zijn en wanneer wij het diepst in het stof liggen voor de Heere. Is dat zo, dan is het een goed teken. Maar is iemand, zoals soms gebeurt, er heel vurig op uit om voor anderen te preken, terwijl hij in zijn eigen ziel maar weinig honger en dorst naar genade vindt, dan valt te vrezen dat zijn ijver eerder uit eigenliefde voortkomt dan uit de Geest van God.
“2. Naast dit hartelijke verlangen en deze bereidheid om te preken moet er te zijner tijd ook een zekere bekwaamheid blijken wat betreft gaven, kennis en spreekvaardigheid. Als de Heere iemand zendt om anderen te onderwijzen, zal Hij hem toch zeker ook de middelen geven. Ik geloof dat velen het goed bedoeld hebben toen zij als predikers optraden, en toch daarmee verder gingen dan hun roeping reikte of haar vooruitliepen. Het voornaamste verschil tussen een dienaar van het Woord en een gewone christen lijkt te liggen in de ambtelijke gaven die hem geschonken worden, niet voor hemzelf, maar tot stichting van anderen. Maar dan zeg ik: deze gaven moeten te zijner tijd blijken. Men mag ze niet ineens verwachten, maar geleidelijk, bij het gebruik van de juiste middelen. Ze zijn nodig om de bediening te vervullen, maar niet als voorwaarde om ons verlangen ernaar te rechtvaardigen. In uw geval: u bent jong en hebt de tijd nog voor u. Daarom hoeft u zich volgens mij nog niet te kwellen met de vraag of u deze gaven al hebt. Het is genoeg als uw verlangen vastligt en u bereid bent om biddend en ijverig op de Heere te wachten om ze te ontvangen. U hebt ze nu nog niet nodig.[3]
“3. Wat ten slotte een ware roeping bevestigt, is een overeenkomstige opening in de voorzienigheid: een geleidelijke reeks omstandigheden die de middelen, de tijd en de plaats aanwijzen om het werk werkelijk te beginnen. En totdat het zover is, moet u niet verwachten dat u in uw eigen gemoed altijd vrij zult zijn van aarzeling. De voornaamste waarschuwing op dit punt is: grijp niet te haastig naar wat zich het eerst voordoet. Als het de wil van de Heere is u in Zijn dienst te brengen, dan heeft Hij uw plaats en uw werk al bepaald. En al weet u dat nu nog niet, te zijner tijd zult u het weten. Al had u de talenten van een engel, u zou er niets goeds mee kunnen doen totdat Zijn uur gekomen is en Hij u leidt naar het volk dat Hij door uw dienst besloten heeft te zegenen. Het is heel moeilijk ons hierin binnen de grenzen van de voorzichtigheid te houden, wanneer onze ijver brandt. Het besef van de liefde van Christus in ons hart en een tedere ontferming over arme zondaars zetten ons er gemakkelijk toe aan te vroeg naar buiten te treden. Maar “wie gelooft, die zal niet haasten”. Ik heb ongeveer vijf jaar onder deze drang geleefd. Soms dacht ik dat ik moest preken, al was het op straat. Ik luisterde naar alles wat aannemelijk leek, en naar veel dat dat niet was. Maar de Heere heeft in Zijn genade, als het ware ongemerkt, mijn weg met doornen betuind. Anders, als ik aan mijn eigen geest was overgelaten, had ik mijzelf voorgoed de mogelijkheid ontnomen om ooit in zo’n nuttige werkkring te komen als waarin Hij mij op Zijn tijd heeft willen leiden. En nu zie ik duidelijk dat ik mijzelf overschatte in de tijd dat ik eerst had willen uitgaan, ook al was mijn bedoeling, naar ik hoop, in de grond goed. Ik had toen nog niet het geestelijke oordeel en de ervaring die voor zo’n grote dienst vereist zijn.”
Dit zij genoeg, maar hetzelfde onderwerp komt u opnieuw voor ogen als ik u iets vertel van mijn ervaringen met aspirant-predikers. Ik moet voortdurend de taak vervullen die de Triers van Cromwell hadden: ik moet beoordelen of het raadzaam is bepaalde mannen te helpen in hun pogingen om herder te worden. Dat is een uiterst verantwoordelijke plicht, die buitengewone zorg vraagt. Natuurlijk werp ik mij niet op als rechter over de vraag of iemand het predikambt in mag gaan of niet. Mijn onderzoek heeft alleen ten doel uit te maken of deze instelling hem zal helpen of hem aan zijn eigen middelen zal overlaten. Sommige van onze liefdadige buren beschuldigen ons ervan dat wij hier een “domineesfabriek” hebben, maar die beschuldiging is helemaal niet waar. Wij hebben nooit geprobeerd een predikant te maken, en het zou ons ook niet lukken als wij het probeerden. Wij nemen niemand in het College op dan wie al belijdt predikant te zijn. Het zou dichter bij de waarheid zijn als zij mij een domineesdoder noemden, want een flink aantal beginnelingen heeft van mij de genadeslag gekregen. En als ik terugdenk aan wat ik daarin gedaan heb, is mijn geweten volkomen gerust.
Het is mij altijd zwaar gevallen een veelbelovende jonge broeder te ontmoedigen die om toelating tot het College had gevraagd. Mijn hart neigde altijd naar de mildste kant, maar mijn plicht tegenover de gemeenten heeft mij gedwongen met strenge onderscheiding te oordelen. Als ik had gehoord wat de kandidaat te zeggen had, zijn getuigschriften had gelezen en zijn antwoorden op de vragen had gezien, en ik ervan overtuigd was dat de Heere hem niet geroepen had, dan moest ik hem dat zeggen. Sommige gevallen staan model voor alle andere. Er melden zich jonge broeders aan die vurig verlangen predikant te worden, maar bij wie het pijnlijk duidelijk is dat hun voornaamste drijfveer eerzucht is: zij willen schitteren onder de mensen. Gewoon menselijk gezien valt hun streven naar hogerop te prijzen, maar de preekstoel mag nooit de ladder zijn waarlangs de eerzucht omhoogklimt. Waren zulke mannen in het leger gegaan, dan zouden zij nooit tevreden zijn geweest voordat zij in de voorste gelederen stonden, want zij zijn vastbesloten zich naar boven te werken. Tot zover is dat allemaal heel lovenswaardig en heel juist. Maar zij hebben zich in het hoofd gezet dat zij in het predikambt grote bekendheid zouden krijgen. Zij hebben het genie in zich voelen ontluiken en zichzelf als groter beschouwd dan gewone mensen. Daarom hebben zij het predikambt gezien als een podium waarop zij hun vermeende talenten konden tentoonstellen. Telkens als dat zichtbaar werd, heb ik mij verplicht gevoeld de man “to gang his ain gate”, zijn eigen weg te laten gaan, zoals de Schotten zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat zulke geesten altijd op niets uitlopen als zij in de dienst van de Heere treden. Wij merken dat wij niets hebben om ons op te beroemen, en als wij het wel hadden, zou een preekstoel de allerslechtste plaats zijn om het uit te stallen. Want daar worden wij dagelijks bepaald bij onze eigen onbeduidendheid en nietigheid.
Dan zijn er mannen die sinds hun bekering grote zwakheid van geest aan de dag hebben gelegd en zich gemakkelijk laten meeslepen door vreemde leringen, of die in slecht gezelschap en grove zonde vallen. Zulke mannen kan ik het nooit over mijn hart verkrijgen aan te moedigen het predikambt in te gaan, wat zij ook belijden. Laat hen, als zij oprecht berouw hebben, in de achterste gelederen blijven. Als een snelle afloop van wateren zullen zij de voortreffelijkste niet zijn.
Zo verwijs ik ook hen die geen ontbering kunnen verdragen maar tot het slag van de glacéhandschoentjes behoren, naar elders. Wij hebben soldaten nodig, geen dandy’s; ernstige werkers, geen deftige lanterfanters. Mannen die tot het moment dat zij zich bij het college aanmelden niets gedaan hebben, krijgen te horen dat zij eerst hun sporen moeten verdienen voordat zij in het openbaar tot ridder geslagen worden. Vurige zielenliefhebbers wachten niet tot zij opgeleid zijn; zij dienen hun Heere meteen.
Ook melden zich bij mij sommige goede mannen die uitblinken door een enorme heftigheid en ijver en een opvallend gebrek aan hersens. Het zijn broeders die tot in alle eeuwigheid over niets zouden kunnen praten, die op de Bijbel zouden stampen en slaan zonder er iets uit te halen. Ernstig zijn zij, vreselijk ernstig, bergen in de pijnlijkste barensnood, maar er komt niets van, zelfs niet de ridiculus mus. Er lopen ijveraars rond die geen vijf samenhangende gedachten kunnen bedenken of uitspreken, wier bevattingsvermogen uiterst smal en wier verwaandheid uiterst breed is. Zij kunnen hameren en brullen, razen, scheuren en tieren, maar al dat lawaai komt alleen voort uit de holheid van de trommel. Ik meen dat deze broeders het zonder opleiding even goed zullen doen als met, en daarom heb ik hun aanvragen meestal afgewezen. Een andere, buitengewoon grote groep zoekt de preekstoel zonder te weten waarom. Zij kunnen niet onderwijzen en willen niet leren, en toch moeten zij en zullen zij predikant worden. Zoals de man die op de Parnassus geslapen had en zich daarna altijd een dichter waande, hebben zij eens de brutaliteit gehad een gehoor een preek op te dringen, en nu is preken het enige wat hun nog goed genoeg is. Zij hebben zo’n haast om het kleren naaien vaarwel te zeggen, dat zij een scheur maken in de gemeente waarvan zij lid zijn om hun plan door te zetten. De toonbank staat hun tegen en zij begeren een kanselkussen. Van weegschaal en gewichten zijn zij moe, en zij moeten zo nodig hun hand beproeven aan de weegschaal van het heiligdom. Zulke mannen schuimen, als wilde baren van de zee, gewoonlijk hun eigen schande op, en wij zijn blij als wij hun vaarwel kunnen zeggen.
Lichamelijke gebreken roepen bij sommige voortreffelijke mannen vragen op over hun roeping. Ik zou mensen niet, zoals Eusthenes, naar hun gelaatstrekken willen beoordelen, maar hun algehele lichaamsbouw is toch een belangrijke maatstaf. Een smalle borst wijst niet op een man die voor het spreken in het openbaar gevormd is. U vindt het misschien vreemd, maar ik ben er vast van overtuigd dat de alwijze Schepper, als een man een ingevallen borst heeft zonder enige breedte tussen de schouders, niet bedoeld heeft dat hij geregeld zou preken. Als Hij had gewild dat hij zou spreken, zou Hij hem een redelijk brede borst hebben gegeven, genoeg om voldoende longkracht te leveren. Wil de Heere dat een schepsel rent, dan geeft Hij het vlugge poten; en wil Hij dat een ander schepsel preekt, dan zal Hij het geschikte longen geven. Een broeder die midden in een zin moet stoppen om zijn luchtpomp aan het werk te zetten, moet zich eens afvragen of er geen ander beroep is waarvoor hij beter geschikt is. Wie nauwelijks zonder pijn een zin kan afmaken, kan toch moeilijk geroepen zijn tot het bevel: “Roep uit de keel, houd niet in”? Er kunnen uitzonderingen zijn, maar zit er geen gewicht in de algemene regel? Broeders met een gebrekkige mond en een onzuivere articulatie zijn gewoonlijk niet geroepen om het evangelie te prediken. Hetzelfde geldt voor broeders zonder gehemelte of met een onvolkomen gehemelte.
Enige tijd geleden kwam er een aanvraag van een jongeman die een soort draaiende beweging met zijn kaak maakte, op een manier die voor de toeschouwer uiterst pijnlijk was. Zijn predikant prees hem aan als een heel godvrezende jongeman, die al het middel was geweest om enkelen tot Christus te brengen, en hij sprak de hoop uit dat ik hem zou aannemen. Maar ik kon niet inzien dat dat juist zou zijn. Al had al het goud van Tarsis mijn beloning mogen zijn, ik had niet naar hem kunnen kijken terwijl hij preekte zonder in lachen uit te barsten. En naar alle waarschijnlijkheid zouden negen van de tien van zijn hoorders er nog gevoeliger voor zijn geweest dan ik. Een man met een grote tong die zijn mond vulde, zodat hij onduidelijk sprak, een ander zonder tanden, weer een ander die stotterde, en nog een ander die niet alle letters van het alfabet kon uitspreken: ik heb hen tot mijn spijt moeten afwijzen, omdat God hun niet de lichamelijke hulpmiddelen had gegeven die, zoals het gebedenboek het zou zeggen, “algemeen noodzakelijk” zijn.
Eén broeder heb ik ontmoet — één, zei ik? Ik heb er tien, twintig, honderd ontmoet die aanvoerden dat zij er zeker, volkomen zeker van waren dat zij tot het predikambt geroepen waren. Zij wisten het heel zeker, omdat zij in al het andere gefaald hadden. Dit is zo ongeveer het modelverhaal: “Meneer, ik kwam op een advocatenkantoor terecht, maar ik kon het daar nooit uithouden, zo opgesloten, en ik voelde mij niet thuis in de studie van de rechten. De Voorzienigheid sloot duidelijk mijn weg af, want ik raakte mijn betrekking kwijt.” “En wat deed u toen?” “Tja, meneer, toen kwam ik op het idee een kruidenierswinkel te beginnen.” “En ging dat goed?” “Nou, meneer, ik geloof niet dat ik ooit voor de handel bestemd was, en de Heere leek mij daar de weg helemaal af te sluiten, want ik ging failliet en kwam flink in de problemen. Sindsdien heb ik een beetje in levensverzekeringen gedaan en geprobeerd een school op te zetten, en daarnaast thee verkocht. Maar mijn weg is overal afgesloten, en iets in mij zegt mij dat ik predikant moet worden.” Mijn antwoord is gewoonlijk: “Ja, ik begrijp het. U hebt in al het andere gefaald, en daarom denkt u dat de Heere u in het bijzonder voor Zijn dienst heeft toegerust. Maar ik vrees dat u vergeten bent dat het predikambt de allerbeste mannen nodig heeft, en niet degenen die niets anders kunnen.” Iemand die als prediker zou slagen, zou het waarschijnlijk ook als kruidenier of als advocaat, of in wat dan ook, heel goed doen. Een werkelijk waardevolle predikant zou in alles hebben uitgeblonken. Er is bijna niets onmogelijk voor een man die een gemeente jarenlang kan bijeenhouden en het middel kan zijn om haar honderden zondagen achter elkaar te stichten. Zo iemand moet wel iets kunnen; hij is beslist geen dwaas of nietsnut. Jezus Christus verdient de beste mannen om Zijn kruis te prediken, en niet de leeghoofden en de klungels.
Een jonge heer met wiens bezoek ik eens vereerd werd, heeft een foto van zijn voortreffelijke persoontje in mijn geheugen achtergelaten. Zijn gezicht leek op de titelpagina van een heel boekdeel vol verwaandheid en bedrog. Op een zondagmorgen liet hij mij in de consistoriekamer weten dat hij mij onmiddellijk moest spreken. Zijn brutaliteit verschafte hem toegang, en toen hij voor mij stond, zei hij: “Meneer, ik wil op uw College komen, en ik zou er graag meteen beginnen.” “Wel, meneer,” zei ik, “ik vrees dat wij op dit moment geen plaats voor u hebben, maar uw aanvraag zal in overweging worden genomen.” “Maar het mijne is een heel bijzonder geval, meneer; u hebt waarschijnlijk nog nooit een aanvraag als de mijne gekregen.” “Heel goed, wij zullen ernaar kijken.
De secretaris zal u een van de aanvraagformulieren geven, en u kunt maandag bij mij komen.” Maandag kwam hij, met de vragen, die hij op een hoogst merkwaardige manier had beantwoord. Wat boeken betrof, beweerde hij alle oude en moderne literatuur gelezen te hebben, en na een enorme lijst te hebben opgegeven, voegde hij eraan toe: “Dit is slechts een selectie; ik heb op alle gebieden zeer uitgebreid gelezen.” Wat zijn preken betrof, kon hij de beste getuigschriften overleggen, maar hij dacht niet dat die nodig zouden zijn, omdat een persoonlijk gesprek mij direct van zijn bekwaamheid zou overtuigen. Zijn verbazing was groot toen ik zei: “Meneer, ik moet u helaas zeggen dat ik u niet kan aannemen.” “Waarom niet, meneer?” “Ik zal het u eerlijk zeggen. U bent zo vreselijk knap dat ik u niet zou willen beledigen door u op te nemen in ons College, waar wij alleen maar nogal gewone mannen hebben. De president, de docenten en de studenten zijn allemaal mannen van middelmatige bekwaamheid, en u zou zich te diep moeten verlagen om onder ons te komen.” Hij keek mij heel streng aan en zei waardig: “Bedoelt u te zeggen dat mij de toegang tot uw College geweigerd wordt omdat ik een ongewoon genie bezit en in mijzelf een reusachtige geest heb ontwikkeld, zoals men zelden ziet?” “Ja,” antwoordde ik zo kalm als ik kon, gezien het overweldigende ontzag dat zijn genie mij inboezemde, “juist om die reden.” “Dan, meneer, moet u mij de gelegenheid geven mijn predikgaven te tonen. Kies een tekst die u maar wilt, of geef een onderwerp op dat u maar wilt, en hier in deze kamer zal ik erover spreken of erover preken zonder voorbereiding, en u zult versteld staan.” “Nee, dank u, ik doe mezelf liever niet de moeite aan om naar u te luisteren.” “Moeite, meneer! Ik verzeker u dat het u het grootst denkbare genoegen zou geven.” Ik zei dat dat best zo kon zijn, maar dat ik mij dat voorrecht onwaardig achtte, en zo nam ik voorgoed afscheid van hem. Ik kende de heer toen niet, maar later is hij voor de politierechter verschenen als iemand die al te slim was geweest.
Wij hebben af en toe aanvragen gehad waarover u misschien versteld zou staan, van mannen die kennelijk welbespraakt genoeg zijn en al onze vragen heel goed beantwoorden, behalve de vragen over hun leerstellige opvattingen. Daarop kregen wij herhaaldelijk dit antwoord: “De heer die-en-die is bereid de leer van het College aan te nemen, welke die ook mag zijn!” In al zulke gevallen beraden wij ons geen ogenblik; het antwoord is meteen nee. Ik noem het omdat het onze overtuiging laat zien dat mannen die geen kennis en geen vast geloof hebben, niet tot het predikambt geroepen zijn. Als jonge kerels zeggen dat zij over de theologie nog geen standpunt hebben ingenomen, moeten zij terug naar de zondagsschool tot zij dat wel hebben. Iemand die een College binnenschuifelt en voorwendt dat hij openstaat voor elke vorm van waarheid en buitengewoon ontvankelijk is, maar die in zijn geest nog niet heeft uitgemaakt of God een verkiezing van genade heeft en of Hij Zijn volk liefheeft tot het einde, is in mijn ogen een volslagen gedrocht. “Geen nieuweling,” zegt de apostel. Maar iemand die over zulke punten nog geen besluit heeft genomen, is openlijk en bij uitstek een nieuweling, en hoort thuis in de catechisatie tot hij de eerste waarheden van het evangelie geleerd heeft.
Ten slotte, heren, zullen wij onze roeping in ons latere leven moeten bewijzen door het praktische bewijs van onze bediening. Het zou betreurenswaardig zijn als wij zonder behoorlijk onderzoek aan onze loopbaan begonnen, want dan zouden wij haar misschien in schande moeten verlaten. Over het geheel genomen is de ervaring onze zekerste toets. Als God ons van jaar tot jaar staande houdt en ons Zijn zegen geeft, hoeven wij onze roeping niet verder te beproeven. Onze zedelijke en geestelijke geschiktheid wordt beproefd door de arbeid in onze bediening, en dat is de betrouwbaarste toets van alle. Iemand vertelde mij eens in een gesprek over een methode die Matthew Wilks toepaste om een jongeman te onderzoeken die zendeling wilde worden. De strekking van die proef, zo niet de uitwerking ervan, heeft mijn instemming, al strookt zij niet met mijn smaak. De jongeman wilde via de London Missionary Society als zendeling naar India gaan.
De heer Wilks kreeg de opdracht te beoordelen of hij voor zo’n post geschikt was. Hij schreef de jongeman en zei dat hij de volgende ochtend om zes uur bij hem langs moest komen. De broeder woonde vele mijlen verderop, maar was stipt om zes uur bij het huis. De heer Wilks kwam de kamer echter pas uren later binnen. De broeder wachtte, verwonderd maar geduldig. Eindelijk verscheen de heer Wilks en sprak de kandidaat met zijn gebruikelijke neusstem als volgt aan: “Wel, jongeman, dus u wilt zendeling worden?” “Ja, meneer.” “Hebt u de Heere Jezus Christus lief?” “Ja, meneer, ik hoop van wel.” “En hebt u enige opleiding gehad?” “Ja, meneer, een beetje.” “Goed, dan gaan wij u eens overhoren. Kunt u ‘kat’ spellen?” De jongeman keek verward en wist nauwelijks hoe hij op zo’n belachelijke vraag moest antwoorden. Zijn geest weifelde kennelijk tussen verontwaardiging en onderwerping, maar na een ogenblik antwoordde hij rustig: “K, a, t, kat.” “Heel goed,” zei de heer Wilks. “Kunt u nu ook ‘hond’ spellen?” Onze jonge martelaar aarzelde, maar de heer Wilks zei op zijn koelste toon: “O, maakt u zich geen zorgen; wees niet verlegen. U hebt het andere woord zo goed gespeld dat u dit ook wel zult kunnen. Hoe hoog het niveau ook is, het is niet zo verheven dat u het niet zonder blozen zou kunnen.” De jeugdige Job antwoordde: “H, o, n, d, hond.” “Zo, dat is goed. Ik zie dat het met uw spelling wel in orde is, en nu uw rekenen: hoeveel is twee maal twee?” Het is een wonder dat de heer Wilks die “twee maal twee” niet kreeg naar de trant van het gespierde christendom, maar de geduldige jongeman gaf het juiste antwoord en mocht gaan.
Op de commissievergadering zei Matthew Wilks: “Ik beveel die jongeman van harte aan. Zijn getuigschriften en zijn karakter heb ik naar behoren onderzocht, en bovendien heb ik hem persoonlijk een zeldzame proef laten doorstaan, zoals weinigen dat zouden kunnen. Ik heb zijn zelfverloochening beproefd: hij was ’s morgens vroeg op; ik heb zijn humeur beproefd, en ik heb zijn nederigheid beproefd. Hij kan ‘kat’ en ‘hond’ spellen en weet dat ‘twee maal twee vier is’, en hij zal als zendeling uitstekend voldoen.” Wat de oude heer naar men zegt met zo’n slechte smaak deed, mogen wij met alle recht bij onszelf doen. Wij moeten nagaan of wij intimidatie, vermoeidheid, laster, spot en ontbering kunnen verdragen. Wij moeten nagaan of wij kunnen verdragen dat men ons tot aller afschrapsel maakt en ons om Christus’ wil als niets behandelt. Als wij dat alles kunnen verdragen, hebben wij iets van de kenmerken die erop wijzen dat wij de zeldzame eigenschappen bezitten die in een ware dienaar van de Heere Jezus Christus samen moeten komen. Ik betwijfel ernstig of sommigen van ons hun schip, als zij eenmaal ver op zee zijn, wel zo zeewaardig zullen vinden als zij denken.
O mijn broeders, maak er ernstig werk van zolang u nog in deze stille plaats bent, en span u ijverig in om u voor te bereiden op uw hoge roeping. U zult beproevingen genoeg krijgen, en wee u als u niet van top tot teen gewapend uittrekt in een beproefde wapenrusting. U zult u met de paarden moeten mengen; laat de voetgangers u dan niet al moede maken in uw voorbereidende studies. De duivel is op pad, en velen zijn met hem. Beproef uzelf, en moge de Heere u bereiden voor de smeltkroes en de oven die u zeker wachten. Uw verdrukking zal misschien niet in alle opzichten zo zwaar zijn als die van Paulus en zijn metgezellen, maar u moet bereid zijn tot een soortgelijke beproeving. Laat mij u zijn gedenkwaardige woorden voorlezen. En laat mij u smeken terwijl u ze hoort, te bidden dat de Heilige Geest u zal sterken voor alles wat u te wachten staat: “Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde. Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde, in het woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter en aan de linker zijde; door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen; als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende”.
[2] Biographical Recollections of the Rev. Robert Hall, A.M. Door J. M. Morris, 1833.
[3] Wij zouden het niet precies zo durven zeggen. De gaven moeten tot op zekere hoogte zichtbaar zijn voordat het verlangen wordt aangemoedigd. Toch zijn wij het in hoofdzaak met de heer Newton eens.
© Vertaling Lessen aan mijn studenten (Lectures to My Students) door Teun van der Plas

