Een preek uitgesproken op zondagochtend 12 januari 1862, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. 1 Petr. 5:7
Geen enkel gebod omvat de volledige plicht van een gelovige. In de Bijbel volgen de geboden elkaar echter over het algemeen op als stenen treden waarmee een reiziger in Egypte naar de top van een piramide klimt. Men moet eerst stevig op de voorgaande plicht staan alvorens volledig naar het volgende gebod te kunnen opstijgen. Laat mij daarom uw aandacht vestigen op het gebod dat aan mijn tekst voorafgaat: “Verneder u dan onder de machtige hand van God, opdat Hij u te zijner tijd zal verhogen.”
U weet, geliefden, dat er bepaalde egoïstische, vleselijke zorgen zijn die wij niet op God mogen werpen; het zou een belediging voor Hem zijn, ja, zelfs een schandelijke daad van onze kant, als wij het zouden wagen Zijn hulp in dergelijke zaken in te roepen. Dit zijn zorgen die ons helemaal niet zouden kwellen als wij gehoorzaam zouden zijn aan het gebod: “Verneder u daarom onder de machtige hand van God.” Dit snijdt onmiddellijk de wortel af van vele zorgen en angsten waarin christenen soms vervallen.
Neem bijvoorbeeld hebzuchtige verlangens: als ik meer wil verwerven en vergaren dan strikt noodzakelijk is om snel rijk te worden, kan ik niet voor God neerknielen en Hem vragen deze verlangens voor mij te vervullen, omdat ze niet van Hem afkomstig zijn. Hij heeft mij geleerd te bidden: „Geef ons heden ons dagelijks brood”, en Hij heeft mij een gezegend voorbeeld gegeven in Agur, zodat ik zou kunnen bidden: „Geef mij noch armoede, noch rijkdom.” Maar ik kan niet eerlijk voor God knielen als een vrek en Hem vragen mij in staat te stellen huis aan huis en akker aan akker toe te voegen. Ik zou nooit zo’n zorg mogen koesteren, noch zou deze mij beheersen als ik het gebod gehoorzaamde: “Verneder u daarom onder de machtige hand van God.”
Daarnaast zijn er ook zorgen die voortkomen uit het verlangen naar eer, aanzien en roem; het verlangen om voorop te lopen en de hoogste positie te bereiken, zodat iedereen tegen hen opkijkt en sommigen hen bijna aanbidden. Wanneer wij dit verlangen naar eer in onze gedachten toelaten, kunnen wij God er niet mee benaderen. Het is een zorg die wij niet op Hem durven te werpen, want dat zou neerkomen op het uitstorten van het vuil van ons huis op het altaar van Zijn heiligdom. Daarom zeg ik: het is een zorg die ons nooit zou kwellen als onze ziel werkelijk nederig was voor de Heere.
Er zijn ook zorgen die wij onszelf op de hals halen, angsten die vooruitlopen op de toekomst, dwaze vrees die alleen in ons hoofd ontstaat, ons denken kwelt en vervolgens ons hart verontrust. Wij kunnen God niet vragen om zulke zorgen op Zich te nemen; wij kunnen Hem niet verantwoordelijk houden voor iets dat nergens anders dan in onze eigen verbeelding bestaat. Maar, geliefden, wij zouden deze zorgen niet hebben als wij ons zouden onderwerpen aan de krachtige hand van God. In een dergelijke houding van onderwerping aan de goddelijke wil en berusting in het eeuwige besluit zou onze ziel vrede en rust vinden, en zou onze geest niet worden verstoord door zelfbedachte gedachten en fantasieën die geen andere oorsprong hebben dan onze eigen verbeelding.
O, mocht u de genade ontvangen om het voorgaande gebod te gehoorzamen; dan meen ik mij zonder voorbehoud tot u te mogen richten met de woorden van de tekst: „Werp al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u.“ Ik herhaal: wij kunnen onze zondige zorgen niet op God afschuiven; maar wanneer wij het gebod “verneder u” gehoorzamen, zullen dergelijke kwelling worden uitgeroeid. Zij die nederig zijn, hoeven niet bang te zijn om te vallen. Zielen die zijn als gespeende kinderen, zullen zich niet langer ergeren of klagen.
Terwijl ik u vanochtend toespreek aan de hand van zo’n rijke tekst als deze, zou ik liever bidden dat de Heilige Geest u van uw zorgen zou verlossen dan dat ik zelf zou proberen u daarvan te bevrijden. Ik ben immers zelf niet in staat dit gebod volmaakt te gehoorzamen, laat staan u daartoe in staat te stellen. Alleen wanneer de Geest van God op de predikant rust, kan hij zijn zorgen op zijn God werpen; en hij weet uit ervaring ook dat u dat alleen kunt doen wanneer de Heilige Geest u daartoe in staat stelt.
Opdat ons woord u echter tot troost en kracht moge zijn, willen wij als volgt te werk gaan. Ten eerste zullen wij enkele ogenblikken besteden aan het beschrijven van deze kwelling van bezorgdheid. Ten tweede zullen wij het gezegende geneesmiddel uit onze tekst ontvouwen en, in Gods Naam, trachten dat toe te passen. En ten slotte zullen wij de zoete aansporing uit het tweede deel van de zin naar voren brengen, opdat gelovigen ertoe worden gebracht het voorschrift – “Hij zorgt voor u” – daadwerkelijk in praktijk te brengen.
I. Laten we dan allereerst DE KWAAL VAN DEZE BEZORGDHEID BESCHRIJVEN.
De zorgen waarover in de tekst wordt gesproken, kunnen op zichzelf betrekking hebben op goede en legitieme zaken, en daarin verschillen zij van de verkeerde zorgen waarover ik eerder sprak. Toch kan ook deze zorg zondig worden wanneer zij te ver gaat en ons gaat beheersen. Dat wordt duidelijk als u bedenkt dat alles wat tegen Gods gebod ingaat, zonde is. Zelfs als er geen andere geboden zouden zijn, zou het al verkeerd zijn om dit ene gebod te overtreden; dat alleen al maakt ons schuldig.
Bovendien is dit een voorschrift dat door onze Verlosser herhaaldelijk en met nadruk is gegeven; een gebod dat de apostelen keer op keer hebben benadrukt, en dat niet kan worden veronachtzaamd zonder dat dit tot overtreding leidt. De kern van angstige ongerustheid is immers de veronderstelling dat wij wijzer zijn dan God: dat wij ons in Zijn plaats stellen en voor Hem willen doen wat wij menen dat Hij niet kan of niet wil doen.Wij trachten te bedenken wat Hij volgens ons zal vergeten, of wij nemen een last op ons die Hij, naar onze mening, niet kan of wil dragen.
Welnu, deze brutaliteit, deze aanmatiging, wat men zelfs onbeschaamdheid zou kunnen noemen, zit in de kern van de zonde. Mensen menen het beter te weten dan God; zij willen het roer uit Zijn hand rukken waarmee Hij alle dingen bestuurt; zij willen Zijn plannen veranderen en Zijn voorzienigheid veranderen. Het is werkelijk een enorme brutaliteit, zodat de Schrift, als een wachttoren, de indringer moet terugdringen en uitroepen: “Bent u ook een van de raadgevers van de Koning? Wat doet u hier? Hij heeft u niet geraadpleegd toen Hij de hemelen en de aarde schiep, toen Hij de wolken in evenwicht bracht en het firmament uitspreidde als een tent om in te wonen; hoe durft u hier te komen om raad te geven aan de volmaakte wijsheid en hulp aan te bieden aan de Almachtige?” Zo ligt in deze ongeruste bezorgdheid de ware aard van de zonde besloten.
Bovendien leiden deze zorgelijke gedachten maar al te vaak tot andere zonden, soms zelfs tot openbare overtredingen. De koopman die zijn zaken niet aan God kan toevertrouwen, kan in de verleiding komen om zijn toevlucht te nemen tot allerlei slinkse praktijken; sterker nog, hij kan niet alleen in de verleiding komen, maar zelfs ertoe worden gebracht zijn hand uit te strekken om voor zichzelf een voordeel te behalen. Iemand met talent of kennis kan, als hij niet werkelijk vertrouwt op Gods voorzienigheid, zijn gaven gemakkelijk misbruiken, zelfs op oneerlijke wijze. Maar dit geldt eigenlijk voor iedereen. Als iemand niet door andere zaken wordt verleid, wordt hij vaak juist op dit punt op de proef gesteld. Hij loopt dan het risico het gebed te verwaarlozen en te vergeten dat hij op God moet vertrouwen. In plaats daarvan gaan zij vertrouwen op het advies van mensen, zoals een vriend of een wijze leermeester, in wie zij hun vertrouwen stellen.
Dit betekent dat men de bron verlaat om water te zoeken in gebroken bakken. Een verwijt dat vroeger al aan Israël werd gemaakt en dat Gods toorn opwekt. Zelfs als het niet verder gaat dan het verkiezen van menselijk advies boven Gods leiding, is die overdreven bezorgdheid al verkeerd en moet zij worden afgewezen.
Broeders, sta eens stil bij het volgende: hoe veel zonden komen er voort uit onze bezorgdheid. Zij tonen aan dat wij niet werkelijk op God vertrouwen en dat wij aan Hem twijfelen. Zij getuigen ook van een gebrek aan liefde, omdat wij Zijn liefde wantrouwen. En zij verraden een gebrek aan hoop, waardoor wij de belofte en het licht uit het oog verliezen die op moeilijke tijden volgen. Bedenk hoe onze zorgen en ons wantrouwen de Geest van God bedroeven en Hem als het ware van ons doet terugtrekken. Als gevolg daarvan worden onze gebeden belemmerd, wordt ons getuigenis zwakker en richten wij ons meer op onszelf dan op het zoeken naar God.
Al deze dingen zijn zonden, bittere vruchten van Gomorra die voortkomen uit onze ongerustheid. Die laaghartige, knagende bezorgdheid is de vruchtbare bodem voor allerlei overtredingen. Wantrouwen is als een ei waaruit veel kwaad voortkomt. Toch geven wij ons vaak over aan die bezorgdheid, alsof er niets mis mee is. Alleen al toegeven aan zulke bezorgdheden is op zich al een zonde, en bovendien een verleiding die ons verder in andere zonden meesleept. Want wie door bezorgdheid wordt overmand, staat open voor allerlei kwaad. Maar wie zijn zorgen aan God toevertrouwt, is veilig; het kwaad kan hem niet in zijn greep krijgen.
Als we deze kwaal nader onderzoeken, zien we dat zij niet alleen op zichzelf een zonde is, maar dat zij ook een bron van andere zonden is. Zij brengt onvermijdelijk leed met zich mee, want waar zij heerst, volgt al snel het verdriet. Wie zichzelf wil ontmoedigen, hoeft alleen maar zijn gedachten te richten op zichzelf en zijn omstandigheden, in plaats van op God en Zijn beloften.
Sommigen onder u bevinden zich in zeer gunstige omstandigheden, maar, mijn geliefde broeders, u kunt uzelf ongelukkig maken als u daarvoor kiest. Anderen bevinden zich in omstandigheden die de wereld als ongelukkig beschouwt, maar als God u daartoe in staat stelt, kunt u toch buitengewoon gezegend zijn. Armoede brengt niet noodzakelijkerwijs verdriet met zich mee, en rijkdom brengt op zichzelf geen vrede of geluk. Als iemand van u ellende wenst, hoeft u uw eigen huis niet te verlaten; het is niet nodig ver te reizen om redenen voor ontevredenheid te vinden. U kunt verzadigd zijn van overvloed en toch arm zijn; u kunt te midden van vrede leven en toch innerlijk onrustig zijn; u kunt de grootste welvaart bezitten en toch gekweld worden.
In grote mate bepalen wij zelf onze gemoedstoestand. God bestuurt de voorzienigheid; het is de genade die ons gelukkig maakt, of de zonde die ons met pijn kwelt. God is niet de oorzaak van ons lijden; de bron van onze problemen ligt in onszelf, niet bij Hem. Ziet u die christen daar, met stralende ogen en een lichte tred, klaar om de opdrachten van zijn Meester uit te voeren? Die man heeft veel zorgen, maar wanneer hij ’s morgens wakker wordt en zich die herinnert, buigt hij zijn knieën en legt hij ze neer voor zijn God. Aan het eind van de dag, na veel moeite te hebben gekend, schudt hij de last van zich af en vertrouwt hij die opnieuw aan God toe. Die man, met al zijn zorgen, is gezegender dan die geleerde daar, die nauwelijks iets heeft om zich druk over te maken, maar zichzelf toch kwelt door van elk klein voorval een bron van bezorgdheid te maken, elk ongemak tot een tragedie op te blazen en zijn geduld te verliezen zodra de dingen niet volgens zijn trotse wil en kieskeurige smaak verlopen.
O broeders, het is voor een christen niet goed om in verdriet te leven. Zij moeten zich verheugen: “Verblijd u altijd in de Heere.“ Maar dat lukt niet zolang zij zich laten meeslepen door angsten en zorgelijke gedachten.
Bovendien leiden deze zorgen ons niet alleen tot zonde en beroven ze ons van onze gemoedsrust, maar ze verzwakken ons ook in onze dienst. Wanneer iemand zijn zorgen thuis kan achterlaten, zal hij zijn Meester goed kunnen dienen; maar wanneer die zorgen hem zelfs op de kansel kwellen, wordt het moeilijk om het evangelie te verkondigen. Wanneer zorgen voortdurend in iemands oren klinken, is de muziek van de genade nauwelijks nog te horen.
Wat zou u zeggen van een arbeider die ’s ochtends bij u aankomt met een zwaar stuk huisraad op zijn rug? Hij noemt zichzelf uw drager en staat klaar om uw goederen te vervoeren. U ziet hem de deur uitgaan met een last die past bij zijn fysieke kracht, maar daarnaast draagt hij ook nog een zware last van zichzelf op zijn schouders. U vraagt hem: “Mijn beste man, wat doet u daar?” Hij antwoordt: “O meneer, ik draag slechts wat huishoudelijke spullen.” Dan zou u toch zeggen: “Maar u bent niet geschikt om het werk te doen waarvoor u bent aangenomen. Ik heb u niet in dienst genomen om uw eigen last te dragen, maar om de mijne te dragen.” “Maar heer,” zegt hij, “ik ben zo zwak, ik kan niet beide dragen.” “Laat de uwe dan staan,” antwoordt u, “en draag de mijne.”
Of om een andere vergelijking te gebruiken: er was eens een grote koning die een koopman aanstelde als ambassadeur bij buitenlandse hoven. Voordat de koopman vertrok, zei hij: “Mijn eigen zaken vragen mijn volledige aandacht. Hoewel ik bereid ben uwe majesteit te dienen, vrees ik dat mijn eigen zaken eronder zullen lijden als ik mij even ijverig met de uwe bezighoud zoals ik zou moeten doen.“ “Welnu,” zei de koning, „zorgt u voor mijn zaken, en ik zal voor de uwe zorgen. Doe uw uiterste best, en ik garandeer u dat u niets zult verliezen als u uw zorg aan mij besteedt. Zo spreekt God ook tot ons, zijn dienaren: “Doe mijn werk, en Ik zal het uwe doen. Dien Mij, en Ik zal voor u zorgen.”
Denk aan Petrus die aan het vissen was, terwijl Christus een preekstoel nodig had om te prediken. Hij leende de boot van Petrus en sprak van daaruit tot de menigte. Maar wat gebeurde er met de visvangst van Petrus? De Meester zorgde daarvoor. Zodra de prediking voorbij was, zei Hij: „Vaar naar diep water en werp uw netten uit.” En in korte tijd ving Petrus meer vis doordat hij zijn boot aan zijn Meester had uitgeleend, meer dan hij in lange tijd uit eigen kracht had gevangen. Laat daarom uw zorgen over aan God en wijd u aan Zijn dienst: “Maak van Zijn dienst uw vreugde, uw behoeften zullen Zijn zorg zijn.”
Deze boodschap zou niet compleet zijn als ik er niet aan toevoegde dat deze knagende zorgen, waarvan we ons soms nauwelijks bewust zijn, onze boodschap en onze heilige zaak grote schade toebrengen. Uw sombere en moedeloze blik ontmoedigt bezorgde zielen en biedt zorgeloze mensen een kant-en-klaar excuus. “Kijk,” zeggen zij, “die man is een christen; de stormen die hij in zijn leven heeft doorstaan, hebben hun sporen achtergelaten op zijn voorhoofd, en de winden der jaren hebben zijn gezicht ruw gemaakt. Hij kent geen vrede, geen vreugde, wie zou er nu christen willen zijn en zo ellendig eindigen?”
De onverschillige mens zegt dan dat hij hier geen ‘hel’ wenst te ervaren en deze liever uitstelt tot het hiernamaals. Zelfs zoekende zielen zeggen: “Het kan niet waar zijn dat deze godsdienst de waarheid is. Want als het echt waar was, zou het haar volgelingen helpen standvastig te blijven in de moeilijkheden van het leven. Als Gods Woord waar is en Hij voor Zijn volk zorgt, dan zouden christenen dat ook laten zien, zij zouden bemoedigd en getroost worden. Maar ik zie dat zij net zo prikkelbaar zijn als anderen, net zo ongeduldig. En die-en-die, die zichzelf christen noemt, is net zo zwak en buigt net zo gemakkelijk onder de storm als iemand die geen God heeft om op te vertrouwen en geen beloften heeft om zich aan vast te klampen.”
Ach christen, laat dit toch niet over u gezegd worden. Geef de vijand geen aanleiding tot godslastering; laat de draak geen voedsel bij u vinden, u die tot het nageslacht van de vrouw behoort. Streef er veeleer naar uzelf te bevrijden van alles wat u belemmert door uw zorgen op God te werpen, opdat u als een goed soldaat van Jezus Christus standvastig mag blijven tegenover de tegenstanders van uw Meester.
Tot slot wil ik opmerken dat zorgen vele mensen op vreselijke wijze tot zelfmoord of waanzin hebben gedreven. Wat is de oorzaak van de voortdurende groei van onze inrichtingen? Waarom moeten er in bijna heel Engeland nieuwe instellingen worden gebouwd en voortdurend worden uitgebreid om mensen met ernstige psychische problemen op te vangen? Omdat wij lasten dragen die wij niet zouden moeten dragen, te weten onze eigen zorgen.
Zolang de rustdag niet algemeen in acht wordt genomen, er geen diepere innerlijke vrede heerst en wij niet leren alles aan God toe te vertrouwen, zullen zelfmoord en psychische problemen blijven toenemen. Zolang het huidige systeem van meedogenloze concurrentie voortduurt en er weinig reden is om te verwachten dat dit op korte termijn zal veranderen, terwijl de tekenen juist wijzen op een steeds heviger wordende strijd, wordt het des te belangrijker dat ieder van ons zijn zorgen aan God overgeeft. Doen wij dat niet, dan lopen wij het risico dat onze geest bezwijkt en wij innerlijk gebroken raken.
O, in uw eigen belang en in het belang van uw kinderen, in het belang van Christus en Zijn Kerk: ik smeek u, breek niet af wat God zo prachtig heeft opgebouwd. Jaag de goede en zachtmoedige Bewoner niet weg, en maak van de tempel des Heeren (uw ziel) geen plaats van wanorde en vertwijfeling. Leg uw ijdele zorgen terzijde, als u werkelijk mens wilt blijven.
II. Ik wil nu uw aandacht vestigen op het tweede deel van het onderwerp: HET GEZEGENDE MIDDEL DAT MOET WORDEN TOEGEPAST.
Iemand moet deze lasten dragen. Als ik het zelf niet kan, kan ik dan niet iemand vinden die daartoe bereid is? Mijn Vader in de hemel staat klaar om mijn last op Zich te nemen. Met brede schouders en almachtige kracht zegt Hij: “Mijn kind, werp uw zorgen op Mij.“ Wat een gezegend voorrecht, zou ik dat veronachtzamen? Zou ik zo ondankbaar zijn om het af te wijzen en mijn lasten zelf blijven dragen? Hier is het medicijn: “Werp uw zorg op de HEERE, en Híj zal u onderhouden.” Om dit medicijn niet alleen te beschrijven, maar ook toe te passen, wil ik met de hulp van Gods Heilige Geest enkele van die zorgen noemen die op zichzelf begrijpelijk zijn, maar die pas verlichting vinden wanneer wij ze aan God toevertrouwen.
Een andere, zeer natuurlijke vorm van persoonlijke zorgen, die op zichzelf volkomen gerechtvaardigd is, mits men er niet in doorschiet, is de zorg voor uw kinderen. Wij danken God voor onze kinderen. Wij kunnen het niet eens zijn met degenen die hen als een last beschouwen, want wij geloven dat zij inderdaad een erfdeel des HEEREN zijn. Toch brengen zij veel zorgen met zich mee: hoe zullen wij hen opvoeden, hoe zullen wij voor hen zorgen? Zullen zij hun ouders eren, of zullen zij schande brengen over de naam die zij dragen? Een kind kan de grootste beproeving zijn die ouders ooit hebben gekend, maar ook hun grootste troost.
“Al deze dingen,” zei een oude puritein, “zijn onzekere zegeningen en kunnen zelfs veranderen in zekere vloeken.” Toch wil ik het niet zo stellen, want wat God geeft, mogen wij als een zegen ontvangen. Voor een gelovige ouder is de zorg daarom des te groter. Hij is niet tevreden als zijn kinderen het slechts goed doen in de maatschappij; zijn hart vindt pas rust wanneer zij in de waarheid wandelen.
Vader, moeder, u hebt voor uw kinderen gebeden. U vertrouwt erop dat u een godvrezend voorbeeld voor hen hebt gesteld. U streeft er dagelijks naar hen de waarheid te leren zoals die in Jezus te vinden is. U hebt in zekere zin geestelijke arbeid verricht, opdat Christus in hen gestalte zou krijgen. Dat is goed. Maar laat uw ziel nu ook leren rusten in de verwachting van Gods zegen. Leg uw kinderen in Gods handen. Vertrouw uw zonen en dochters toe aan de God van hun vader. Laat geen ongeduld in uw hart sluipen als zij niet op uw tijd tot bekering komen, en laat geen wantrouwen uw geest verontrusten wanneer zij uw hoop lijken te teleurstellen.
Gisteren kwam ik een paar strofen tegen, die klonken als een gedicht van een Amerikaanse dichter. Ik vond dat ze perfect bij dit onderwerp pasten. Toen ik ze in stilte las, raakten ze me diep. Vergeef me daarom alstublieft dat ik er nu een stukje uit wil citeren, ook al lees ik tijdens een toespraak zelden iets hardop voor.
“De Meester is over de Jordaan gekomen,” zei Hanna, de moeder, op een dag. Men zegt dat Hij de mensen geneest die zich om Hem verdringen, alleen al door de aanraking van Zijn hand. “Nu wil ik de kinderen naar Hem toe brengen: de kleine Rachel, Samuel en Johannes. Ook de baby, Esther, zal ik meenemen, zodat de Heere haar kan aanzien.” De vader keek haar vriendelijk aan, maar schudde glimlachend zijn hoofd. “Wie anders dan een liefhebbende moeder zou zoiets bedenken? Als de kinderen door demonen gekweld werden, of door koorts op sterven lagen, zou het begrijpelijk zijn. Of als zij melaats waren, zoals zovelen in Israël.”
Maar zij antwoordde: “Ach, houd mij niet tegen, Nathan. Ik draag zo’n zware last van zorg. Als ik die bij de Meester breng, kan ik die daar misschien achterlaten. Ik weet dat als Hij Zijn hand op de kinderen legt, mijn hart lichter zal worden; want Zijn zegen zal hen voor altijd vergezellen.” Zo ging zij over de heuvels van Juda, langs de groene wijnranken, met Esther slapend tegen haar borst en Rachel tussen haar broers. Te midden van de mensen die luisterden naar Zijn onderwijs of wachtten op Zijn aanraking en Zijn woord, baande zij zich — langs de rij trotse Farizeeën — een weg tot aan de voeten van de Heere.
Maar Petrus zei: “Waarom valt u de Meester lastig met deze kinderen? Ziet u niet dat Hij van ’s morgens tot ’s avonds onderwijst en zieken geneest?” Toen zei Jezus: “Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert hen niet.” En Hij nam de kleine Esther in Zijn armen, en Rachel zette Hij op Zijn knie. Het bezwaarde hart van de moeder werd boven alle aardse zorg verheven, toen Hij Zijn handen op de broers legde en hen zegende met de tederste liefde. En toen Hij over de kinderen in Zijn armen zei: “derzulken is het Koninkrijk der hemelen,” ontving zij op datzelfde moment kracht in haar ziel om elke plicht en elke beproeving te dragen.
Doe dit, en u zult de zegen beërven. Elke christen zal echter uiteindelijk te maken krijgen met persoonlijke beproevingen van een hogere orde, namelijk geestelijke zorgen. Hij is wedergeboren tot een levende hoop, maar vreest dat zijn geloof zal wankelen. Hij gelooft dat hij een vonk van geestelijke vreugde bezit, maar donkere en sombere nachten overvallen hem, en hij vreest dat zijn lamp in de duisternis zal doven. Tot nu toe heeft hij standgehouden, maar hij huivert bij de gedachte dat hij op een dag door de vijand ten val zal worden gebracht.
Geliefde, ik smeek u: werp deze zorg op God, want Hij zorgt voor u. “Ik vertrouw erop dat Hij Die in u een goed werk begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van Jezus Christus.” Hij heeft immers gezegd: “Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.” “Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.” “Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, door rivieren, zij zullen u niet overspoelen. Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet verteren.” “Hij zal het goede niet onthouden degenen, die in oprechtheid wandelen.” “Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zalze uit Mijn hand rukken.” Men zou de hele dag kunnen vullen met het herhalen van Gods kostbare beloften, en ze allemaal kunnen samenvatten in deze woorden: “Wat kan Hij u nog méér zeggen dan Hij reeds heeft gezegd, u die uw toevlucht tot Jezus hebt genomen?”
Weg dan met duistere vermoedens en angstige gedachten! Zijn het zorgen over zonden uit het verleden? “Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Is het de strijd van de huidige verleiding? “Meer dan een menselijke verzoeking is u niet overkomen. En God is getrouw: Hij zal niet toelaten dat u verzocht wordt boven wat u aankunt, maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven om die te kunnen doorstaan.” Is het vrees voor de toekomst? Laat die dan bij Hem, want noch “tegenwoordige, noch toekomstige dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.”
Zolang u op uzelf ziet, zult u rusteloos blijven. Het is Christus die u maakt tot wat u in Gods ogen bent; kijk daarom naar Hem om te weten hoe God u ziet. Ziel, ik zeg het nogmaals: zie op Jezus en niet op uzelf. Laat zorgen over uw heiliging nooit uw vertrouwen in uw rechtvaardiging ondermijnen. Wat maakt het uit dat u een zondaar bent? Christus stierf om zondaars te redden. Wat maakt het dan uit dat u het niet verdient? “Christus is op de vastgestelde tijd voor de goddelozen gestorven.” Genade is kosteloos. De uitnodiging staat nog steeds. Leg de volledige last van uw redding neer waar die thuishoort.
Wees niet zoals Uzza, die onbedachtzaam zijn hand uitstrekte naar de ark van God; en wees evenmin zoals Uzzia, die zich het priesterschap toe-eigende. Alleen Christus kan voor u instaan; u kunt uzelf niet redden, er is niets dat u kunt bijdragen aan uw redding. Werp daarom uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u. Geef mij nog even de tijd om hier een toepassing op te geven. Want er zijn namelijk ook zorgen die niet zozeer persoonlijk als wel van kerkelijke aard zijn, zorgen die zich aan ons opdringen en onze aandacht opeisen, maar die niettemin terzijde moeten worden geschoven. Ik moet eerlijk bekennen: indien ik vandaag voor niemand anders spreek, spreek ik nu voor mijzelf.
Er bestaat bezorgdheid over de vraag hoe Gods werk moet worden voortgezet. Ik ken een dwaze jongeman die vele nachten wakker ligt en zich hierover zorgen maakt, en die zich overdag soms overgeeft aan zinloze droefheid, omdat hij, met grote voornemens in zijn hart en grootse plannen in zijn ziel, de weg niet ziet waarlangs deze moeten worden verwezenlijkt, en nog niet het geloof heeft bereikt dat om het onmogelijke lacht
en zegt: ‘Het zal geschieden.’
Mocht iemand van u met dezelfde pijnlijke beproeving te maken hebben, dan wil ik u bemoedigen met de woorden van Petrus: werp al uw zorgen op de Heere. Hij heeft ons nooit een beproeving opgelegd die wij alleen moeten dragen; Hij heeft nooit van ons geëist dat wij Zijn werk uit eigen kracht volbrengen, dat doet Hij Zelf. Wij moeten ons realiseren dat als God ons niet de gelegenheid geeft om te doen wat wij graag zouden willen doen, het al een zegen is dat wij mogen doen wat wij kunnen.
Wanneer wij het gevoel hebben dat er te weinig arbeiders of te weinig middelen zijn, moeten wij ons geen zorgen maken over waar die vandaan zullen komen. Wij mogen bidden: “Heere, zend arbeiders“, en eveneens vragen dat Hij, aan wie het zilver en het goud toebehoren, in de behoeften van Zijn werk voorziet. Maar daarna moeten wij onze zorgen op God werpen.
Maar dan blijft er nog een andere zorg over, een zorg die mij vaak heeft gekweld: het welslagen van Gods werk. Wanneer zielen zich bekeren, springt ons hart op van vreugde; wanneer de Kerk groeit, verheugen wij ons. Maar zodra er een periode van stilstand intreedt, raken wij ontmoedigd. Als we niet voortdurend Gods hand aan het werk zien, zijn we geneigd om in te storten en te zeggen: “Heere, laat mij sterven; ik ben niet beter dan mijn vaderen.” In tijden van lichamelijke en geestelijke zwakheid kan ongeloof ons overvallen, en voelen we ons alsof het leven wegebt naarmate het zichtbare succes afneemt.
Maar ook deze zorg moeten wij op God werpen. Landbouwer, uw grote Meester heeft u gezonden om te zaaien. Als er geen oogst opkomt, maar u hebt gezaaid waar en zoals Hij u gebood, dan zal Hij u nooit verantwoordelijk houden voor het uitblijven van de oogst. Het is onze taak om te prediken; het is Gods werk om harten te bekeren. Het is onze roeping om te arbeiden; het resultaat ligt geheel in Zijn hand. “Gaan zij door het dal van de moerbeibomen, dan maken zij God tot hun bron,” dat is hun taak: graven. “Ook zal de regen hen overvloedig bedekken,” dat is Gods werk. De zegen komt van boven. En als wij onze taak hebben volbracht, en al biddend hebben gewacht, laat ons dan blijven volharden; de regen zal komen en de poelen zullen gevuld worden. Laat ons daarom niet bezorgd zijn over het resultaat.
Soms is er nog een andere zorg: de vrees dat een kleine misstap van onze kant of van de kant van anderen de vijand aanleiding zal geven om ons te belasteren. Want er zijn niet alleen vijanden in de hel, maar ook op aarde, en sommigen staan maar al te gretig klaar om elk woord aan te grijpen om het te verdraaien en er een spotprent van te maken. Het is een gemakkelijke klus, en er zijn velen die er plezier in scheppen. Het kan zijn dat men zo angstig wordt om te handelen of te spreken, uit vrees iets verkeerds te doen of te zeggen. Een zorg tot waakzaamheid is goed wanneer zij tot voorzichtigheid leidt, maar het is verkeerd wanneer zij ontaardt in verlammende angst. Wat gaat het ons aan wat de vijand zal doen? Als de Heere hem niet in bedwang houdt, kunnen wij dat zeker niet; en als Hij de mond van de leugenaar niet tot zwijgen brengt, dan heeft Hij daar Zijn wijze redenen voor.
Vaak heeft de waarheid juist door haar tegenstanders de grootste kracht gekregen. Net zoals Christus op een ezel Jeruzalem binnenreed, zo heeft ook de waarheid soms gezegevierd via middelen die ooit werden veracht. Het evangelie heeft zelfs vanaf de brandstapel geschitterd. Laten de vijanden dus doen wat zij willen; wij moeten standvastig blijven in de Heere en onze zorgen op Hem werpen.
En dan is er nog die diepe angst om uiteindelijk ontrouw te blijken, de vrees dat het bloed van zielen van ons zal worden geëist. Die gedachte heeft mij keer op keer op mijn knieën doen vallen. Zij kan zo zwaar drukken dat zij zowel lichaam als geest uitput; tranen en smart verraden dan hoe diep deze last wordt gevoeld. Maar, Godzijdank, als Hij ons door Zijn Geest in staat stelt te doen waartoe wij in staat zijn, dan mogen wij het daarbij laten. Hij vraagt niet meer van ons dan Hij ons heeft gegeven. Als Hij ons tot nu toe heeft geholpen, komt alle eer Hem toe. En waar wij tekortschieten, zal zelfs dat worden weggewassen door het kostbare bloed. Zo zal de dienaar, ondanks alle zware verantwoordelijkheid, toch veilig binnengaan en een plaats onder de geheiligden ontvangen.
III. Tot slot wil ik kort ingaan op mijn laatste punt, namelijk DE HEERLIJKE AANSPORING OM UW LAST OP HEM TE WERPEN: Hij zorgt voor u. Geloof in Gods alomvattende voorzienigheid: de Heere zorgt voor mieren en engelen, voor wormen en werelden; Hij zorgt voor cherubijnen en mussen, voor serafijnen en de kleinste insecten. Werp daarom uw zorgen op Hem! Hij die de sterren bij naam noemt en ze rangschikt in hun ontelbare scharen. “Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de HEERE verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij?” Laat Zijn allesomvattende zorg u bemoedigen.
Denk vervolgens aan Zijn bijzondere voorzienigheid voor al Zijn kinderen. Hun bloed is kostbaar in Zijn ogen. “Kostbaar is in de ogen van de HEERE de dood van Zijn gunstelingen.” “Wij weten dat God in alle dingen meewerkt ten goede voor hen die Hem liefhebben, die volgens Zijn voornemen geroepen zijn.” Hij is wel de Behouder van alle mensen, maar in het bijzonder van hen die geloven. Die bijzondere zorg waakt over de Zijnen: “De engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem vrezen, en rukt hen uit.”
En tot slot: laat de gedachte aan Zijn persoonlijke liefde voor u de bron van uw troost zijn. God zegt “Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten,” en dat woord geldt u evenzeer als ieder heilige uit vroeger tijden. “Vrees niet, Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.” O, geliefden, moge de Heilige Geest u deze beloften laten ervaren alsof ze rechtstreeks tot u zijn gesproken. Vergeet alle anderen in deze grote menigte en luister alsof het alleen tot u is gericht, want de beloften zijn voor u.
Grijp deze woorden aan. Maak er geen gewoonte van om de Schrift alleen voor de Kerk als geheel te lezen; lees haar voor uzelf. Hoor de Meester tot u zeggen: “Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoudt.” Zie Hem als het ware wandelen over de golven van uw moeilijkheden, en hoor Zijn stem: “Ik ben het, vrees niet.” O, die zoete woorden van Christus! Heere, spreek ze tot mij; spreek ze tot Uw arme, bedroefde kind; spreek ze tot ieder van ons; opdat wij Uw stem mogen horen en zeggen: “Jezus spreekt woorden van troost; ik kan ze niet afwijzen; ik zal met grote vreugde in Zijn schaduw zitten.”
En u, zondaar, die God niet kent, die geen berouw toont, luister even. Wat een voorrecht is het om christen te zijn, om Iemand te hebben die uw lasten draagt! Want er zullen lasten zijn, of u nu gelooft of niet. U zult in dit leven met moeilijkheden te maken krijgen, maar zonder Christus hebt u geen Trooster, zonder God geen steun, zonder belofte geen hoop. Dan is er duisternis zonder licht, en dood zonder uitzicht op leven.
O, als u eens wist wat het betekent om christen te zijn, dan zou u naar dat voorrecht verlangen. Daarom zeg ik u: werp uw zonden op Christus. Jezus Christus kan ze dragen. Als u in Hem gelooft, is dat het bewijs dat Hij ze al heeft gedragen, dat Hij ze op Zich heeft genomen en ervoor heeft geleden, opdat u vrij zou zijn. Moge het zo zijn dat wij allen, heiligen en zondaars, deze ochtend naar het kruis komen en de troon der genade naderen, zeggende: “Heere, verlos ons van de last van schuld en zorgen, en geef ons kracht om met vreugde onze weg te vervolgen.” Want de Algenoegzame God heeft gezegd: “Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.” Amen.


