“Des konings hof.”—Nehemia 3:15
Dat Nehemia de hof van de koning noemt, doet denken aan het paradijs dat de Koning der koningen voor Adam bereidde. De zonde heeft die mooie woonplaats van alle geneugten helemaal verwoest. Zij heeft de mensenkinderen verjaagd, om de grond te bewerken die hun doornen en distels geeft. Mijn ziel, denk aan de val, want het was jouw val. Ween veel, omdat de Heere der liefde zo schandelijk slecht behandeld werd door het hoofd van het mensdom, waarvan jij een lid bent, even onwaardig als ieder ander. Zie hoe draken en demonen wonen op deze mooie aarde, die eens een tuin van genot was.
Zie daar een andere hof van de Koning, die de Koning besproeit met Zijn bloedig zweet — Gethsemane. De bittere kruiden daar zijn voor vernieuwde zielen veel zoeter dan zelfs de heerlijke vruchten van Eden. Daar werd de schade die de slang in de eerste tuin had aangericht, ongedaan gemaakt. Daar werd de vloek van de aarde opgetild en gedragen door het beloofde zaad van de vrouw. Mijn ziel, denk veel na over de doodsangst en het lijden. Ga naar de tuin van de olijfpers en zie hoe je grote Verlosser je redt uit je verloren toestand. Dit is werkelijk de tuin der tuinen. Daarin kan de ziel de schuld van de zonde zien en de kracht van de liefde: twee aanblikken die alle andere overtreffen.
Is er geen andere hof van de Koning? Jawel, mijn hart, jij bent dat, of zou dat moeten zijn. Hoe bloeien de bloemen? Zijn er uitgelezen vruchten te zien? Wandelt de Koning daarin en rust Hij in de priëlen van mijn geest? Laat mij ervoor zorgen dat de planten gesnoeid en besproeid worden en de schadelijke vossen verjaagd. Kom, Heere, en laat de hemelse wind waaien bij Uw komst, zodat de specerijen van Uw hof hun geur wijd en zijd verspreiden. Ik mag ook de hof van de Koning, de gemeente, niet vergeten. O Heere, geef haar voorspoed. Bouw haar muren weer op, voed haar planten, laat haar vruchten rijpen. Haal het dorre land terug uit de uitgestrekte wildernis en maak er “des konings hof” van.

